Pruttelend op het achterpitje is een nieuwe rubriek. Waar gaat het over? Over pruttelen en koken. Het eerste ben ik goed in, het tweede doe ik mijn best in. Het is geen kookrubriek want daar zijn er al veel te veel van en allemaal in de trant van: ik heb dit recept van mijn oma en herinner me toen ik vijf was dat zij in de keuken stond en... Dat soort geleuter kom je hier niet tegen. Ik hou van koken en eten en verhalen opschrijven. Pruttelend is dus een combi-maaltijd van deze onderdelen.

Het eerste verhaaltje moet nog even sudderen en is binnenkort klaar om opgeschept te worden. Met peterselie en een beetje sambal, vanzelfsprekend.

Een sausje

Het was een eenvoudig receptje: bruine suiker opwarmen, whiskey erop, aan de pruttel brengen en dan cola erin. Met de zelf gedraaide vega balletjes vrolijk sputterend in de pan, zou dit een ideaal begeleidend sausje zijn. Eerder op de dag had ik Anita gevraagd wat ze na haar late avonddienst bij ons diner-nachtbal wilde hebben en zoals gewoonlijk kwam het befaamde woord over haar lippen: pindasaus. Zucht. Ik wilde eens een keer wat anders, iets spannends uitproberen en dit nieuwe iets werd dit zoetige sausje waarover ik had gehoord. Perfect voor een hartig balletje.

Gewapend met een fles whiskey ging ik de keuken in en zette een melkpannetje op het gasstel. Eerst de suiker erin en vuur aan zodat het alvast een beetje ging smelten. Een flinke scheut whiskey volgde en al roerend met een houten lepel kwam het langzaam aan de kook. Ik voelde tijdens het roeren dat de lepel langs de rand van de pan iets haperde en concludeerde dat de suiker zich heel snel nestelde met de bedoeling aan te branden zodra het de kans kreeg. De whiskey en het geschraap hielpen dit tegen te gaan, en de cola erbij voorkwam dat het erger werd. Het gepruttel minderde direct en op een zacht vuurtje liet ik de saus indikken.

Het mooie van koken is, dat geluiden aangeven hoe de status van een gerecht is. Was het gepruttel aanvankelijk hevig als een jonge hond die achter een bal aanjaagt, na een aantal minuten werd het een stuk rustiger. Ik roerde door de saus. Nog te waterig dus iets verder indikken en de mate van perfectie zou zijn bereikt. Twee minuten later was het zo ver: de saus liep in een loom stroompje van de lepel af.

Slim als ik ben, draaide ik het vuur uit en deed de saus meteen in een stenen bakje. Het zag er goed uit, donkerbruin, romig met een glans erop. Heel erg benieuwd naar de smaak, prikte ik een balletje op een vork en dipte deze in de saus. Het zag er niet alleen goed uit maar rook ook lekker: zoet, niet mierzoet, meer richting karamel. Ik nam een hapje, verbrandde m’n verhemelte omdat ik vergeten was dat suiker overdreven warm wordt en de warmte lang vasthoudt. Ik wilde het stukje bal uitspugen om nog wat gevoel in m’n mond te blijven houden, maar dat lukte niet. Met mijn tong tastte ik m’n verhemelte af en bereikte de karamel die zich achter mijn voortanden had vastgezogen en niet van plan was vrijwillig deze plaque af te staan.

‘Govedohhe’, mompelde ik geërgerd door m’n half geopende mond. Ik durfde m’n tanden niet op elkaar te zetten, bang als ik was dat deze de rest van het jaar opeengeklemd zouden blijven. 

Met een bekkie als van een beverrat, liep ik naar de badkamer. Een ietwat paniekerige blik keek mij via de spiegel aan. Mijn enige redding was de tandenborstel. Ik draaide het zó, dat het borsteltje de zoete troep van boven naar beneden vanachter m’n tandjes vandaan kon halen. Slim gedacht. Aangezien mijn mondholte warm was, was de karamel niet helemaal afgekoeld, wat tot gevolg had dat de borstelharen door het zoete goedje naar binnen gezogen werden. 

Okee… Niet alleen had ik nu een verbrandde verhemelte en een beverrat mondje, maar droeg ook nog eens het blauwe heft van mijn tandenborstel als een slagtand verticaal over het midden, bengelend op m’n kin. Na nog een “gohvehohhe” over mijn eigen stompzinnigheid uitgebraakt te hebben, waarbij nu ook de “d” ontbrak vanwege het slagtandje, ondernam ik een poging de tandenborstel voorzichtig los te pielen. Elk individueel nylonhaartje schoot heel traag en onwillig los uit het karamel zonder dat mijn tanden hier verder onder leden. Gelukkig maar, want hadden deze al niet genoeg meegemaakt de afgelopen mompeljaar sinds ze de melktandjes eruit hadden geschopt?

Opgelucht toen de borstel in m’n hand zat, ver weg van m’n mond vandaan, zocht ik tussen de spullen op de wasbak naar iets verstandigs dat me kon helpen. Twee pompflesjes met zeep. Waarom twee? Eentje bijna leeg en de andere halfvol. Een washandje en een potje gel. Als ik m’n haar in een hanekam plette, zou niemand op m’n bekkie letten. Toen kwam dat ene “ah-ha” moment waarvan een mens zo blij wordt. In mijn geval was dit ah-ha moment een fles mondwater. Weliswaar van Oral-B, maar dat moest dan maar. Op dit punt in m’n leven had ik liever dat chemische brakwater van een supermarkt huismerk gehad, waarmee je zelfs een zinken dakgoot van een huis gebouwd in 1839 kunt schoonmaken. En voor 1,75 aangeschaft. In plaats daarvan hadden we een fles van 5,99 die alleen goed was voor hetgeen waarvoor we het in huis hadden gehaald, namelijk een fris bekkie kweken. Desondanks ondernam ik een poging: chemisch is chemisch per slot van rekening. Een slok rechtstreeks van de tiet en klokken maar. Bij het uitspugen van de eerste slok, vielen er mini karameltjes mee de wasbak in. Ah, het werkte. Drie keer klokken en stukjes karamel verliezend later, was alles zo goed als was verdwenen. M’n tanden voelden nog wat onwennig aan maar de laatste restjes konden opgelost worden met een bak warme thee.

Opgelucht plofte ik neer op de bank, blij van alle ongemakken verlost te zijn. Ik had het stenen bakje leeggeschraapt en de keiharde “saus” in een keukenpapiertje gewikkeld en weggemikt. Met een “twonk” schoot het langs al het andere vuil direct naar de bodem van de afvalbak. 

Ik had m’n rust verdiend, vond ik, en zakte lui onderuit. Twee seconden later ging de telefoon. 

‘En, hoe is de saus?’, was het eerste dat Anita vroeg.

‘Nah, ik dacht om maar pindasaus te maken.’ 

Niets kon mij ertoe dwingen het relaas van het afgelopen half uur aan haar te vertellen.

‘Heb je het niet gemaakt dan?’

‘Jawel.’

‘Was het niet lekker?’

‘Nou…’ 

‘Moet ik m’n haar van m’n voorhoofd weghalen?’

Dit is een dreigement die moeilijk valt uit te leggen, dus schenk er verder geen aandacht aan. Het had wel tot gevolg, dat ik het verhaal begon te vertellen maar moest halverwege afhaken omdat ik met geen mogelijkheid door haar schaterlachen kon heenkomen. Telkens als ze ademhaalde en ik een poging ondernam om verder te praten, klonk er een knorretje aan de andere kant, gevolgd door hernieuwd schaterlachen. Dat was alle medeleven dat ik kreeg.

C’est la douceur de vivre.

Een laatste opmerking over de mogelijke consequenties van dit voorval: als de avondlijn tussen Heiloo en Egmond op die bewuste avond is uitgevallen, niet mij de schuld geven.

 

Na deze chaotiek, kon ik wel een drankje gebruiken zoals de Berlin Banger, de betere versie van de Berlin Binge. Als je van de Berlin Binge wilt weten, zoek die maar ergens anders op. In deze rubriek wordt daar namelijk weinig aandacht aan besteed. 

Bij dit drankje gaat het om Berlijn, dat is het belangrijkste woord. Het is de bedoeling dat in deze cocktail de vier landen terugkomen die het na-oorlogse Berlijn opdeelden. De Berlin Binge maakt deze naam in drankvorm nauwelijks waar. Lees het recept maar, althans, mijn versie ervan, en daarin zal het duidelijk worden:

 

Zet een tulpglas neer en pak een fles cognac, gin, wodka en bourbon. Deze drankjes representeren Frankrijk, Groot Britannië, Rusland en Amerika. Schenk een deel cognac in, daarna gin, wodka en bourbon. Doe dit voorzichtig zodat je vier laagjes krijgt. Smeer de rand van het glas in met een sinaasappelschil en garneer het met een stukje limoen. Voila: de Berlin Banger.

 

Wat is het verschil tussen de Banger en de Binge? In de Binge wordt heel de bups door elkaar gemixt wat een concoctie tot gevolg heeft die eruit ziet als lichtgroen water, alsof je een kikker heb schoongeschrobd. Niets erin verwijst naar de naam van dit drankje; je ziet het er niet aan af. Er wordt een olijfje of twee aan een stokje geregen en erin geduwd. Waarom; waar verwijzen de olijven naar? Naar niets, noppes, nada. Als het stokje bijvoorbeeld in de vorm van een duif was, zou je er iets symbolisch in kunnen zien, maar nee.

Het is zo zonde dat de achterliggende bedoeling van dit drankje verloren is gegaan in zo’n gemixte prutzooi, dat het de hoogste tijd was om zelf te gaan experimenteren en er iets moois van te maken. Na vele pogingen, en vooral een hele gezellige tijd, kwam deze Banger tevoorschijn. Hierin zie je de vier verschillende landen in de laagjes van het glas waar ze de opdeling van Berlijn na WOII uitbeelden. Daarnaast heb ik bij de uitvoering ervan aan extraatjes gedacht: de tulpglas verwijst naar Frankrijk en cognac, de limoen naar gin en tonic van Groot Britannië alsook naar de moscow mule van Rusland, en de sinaasappelschil naar een old fashioned van Amerika. Allemaal drankjes waar die landen om bekend staan. 

Het is heel bevredigend om met een beetje aandacht een geweldig internationaal drankje te maken. En: als je er een brezel bij eet, heb je als ondergrond een stukje Duitsland.

 

Links de zelfgemaakte vega balletjes, klaar om gegeten te worden.

Rechts mijn bekkie na het proeven van de zoete saus.

Foto Hufky van het internet gedownload

Een beste vriendin

Op m’n veertiende had ik een beste schoolvriendin, zo eentje die je alleen hebt als je puber bent of op facebook zit. Zij was de populairste meid van de school en op veertienjarige leeftijd wilde ik daarvan wel wat van meepikken, en dat lukte. Mijn mazzel is altijd m’n humor geweest: kun je mensen aan het lachen maken dan krijg je ze mee.

Deze vriendin rookte. Ze was een jaar ouder dan ik, zag er tien jaar ouder uit, heel volwassen en pokdalig, lang en onbetrouwbaar, dus goed materiaal voor een beste vriendin. Omdat zij rookte, ging ik dat ook doen en begon op het moment dat ze me in de grote pauze een sigaret aanbood. Eerst schudde ik m’n hoofd toen ze het pakje voor me hield, maar toen een andere aanklampvriendin, die steevast restjes eten van de avond ervoor meekreeg als lunch, me sarcastisch uitlachte en me watje noemde, of wat het equivalent in die tijd ook was, liet ik me niet kennen. Ik nam de sigaret en het vuurtje in ontvangst en inhaleerde m’n allereerste trekje zoals ik mijn vader met z’n zware Van Nelle altijd zag doen. Oeps, foute boel: alle zuurstof vertrok uit m’n hersenpan en lichthoofdig is een zwakke omschrijving van hoe ik me plots voelde. Ik ging op de stoeprand zitten, strekte de benen in een hopelijk nonchalante pose om ontspannen over te komen in de ogen van de andere meiden, hoewel ik kapot ging van binnen. Maar zoals sigarettenrook in de wind, trok dit weg en was ik vanaf dat moment een roker. Van Tivoli filter ging ik over op Gauloises, omdat zo gesoigneerd stond en nog later dunne sigaartjes. Dit heb ik zo’n jaar of zeven volgehouden en ben er op m’n eenentwintigste voorgoed mee gekapt. Het voegde namelijk niets toe aan m’n leven.

In een terzijde: op m’n vijftiende begon ik met hardlopen, of joggen zoals dat toentertijd werd genoemd. Geen moment heb ik last van m’n rookgewoontes gehad tijdens het hardlopen. Dat is een voordeel als je jong en onnozel bent. Inmiddels ben ik oud en onnozel en heb ik na twee glaasjes soju moeite met een trap van drie treetjes. Het hardlopen is vervangen door wandelingen van anderhalf uur maar ik merk wel dat m’n lichaam krakkemikkiger is dan vijftig jaar geleden.

Enfin. De schoolvriendin werd m’n beste vriendin toen we regelmatig bij elkaar bleven eten en slapen. Ik vond het altijd fijn om bij haar te eten omdat ze vaak aardappelpuree hadden. Thuis namen we dat sporadisch omdat mijn moeder altijd heel gevarieerd en heel heerlijk kookte. 

Maar op m’n veertiende was aardappelpuree een grote favoriet bij mij. Tijdens éen van die maaltijden, kwakte de moeder grote lepels aardappelpuree bij alle kinderen op het bord. M’n vriendinnetje schoof haar bord weg. Ze was spuugzat om elke dag aardappelpuree te eten. Nooit een voorzichtige prater geweest, maakte zij dit uitermate luidruchtig duidelijk aan haar moeder, die de pan puree tegen zich aangedrukt hield alsof het een nakomertje betrof. Er ging veel geschreeuw over en weer waarbij de moeder wees naar de dozen op de kast waarin hoge bussen aardappelpureepoeder verstopt zaten die zij voor een prikkie op de markt had gekocht. Het was de bedoeling dat die leeg gegeten werden voordat ze bedierven.

Omdat er in deze familie op een luid volume met elkaar converseren eerder een gewoonte dan uitzondering was, trok ik me er niets van aan en at mijn bordje leeg. Het gekrakeel verstomde uiteindelijk, alles werd bijgelegd en de puree werd braaf door iedereen weggewerkt, vooral omdat de belofte was gemaakt dat de volgende dag patatdag zou worden.

Tijdens éen van deze maaltijden kwam ineens het fenomeen vakantie tevoorschijn. Het gezin zou naar een vage oom in Limburg vertrekken waar ze een tent op zijn land konden opzetten. Die oom was namelijk boer. M’n vriendinnetje zei dat ze niet meeging als ik er niet bij kon zijn. Kamperen is nooit mijn favoriete bezigheid geweest en dat is in de loop der jaren alleen maar sterker geworden, maar door de hechte vriendschap tussen ons, die anderhalfjaar stand zou houden, had ik hier wel oor naar. De moeder vroeg of ik meewilde. Ik knikte. Later zei ik het tegen m’n ouders, die eerst wilden kennismaken met de ouders van mijn vriendin. De vier volwassenen sloten zich in de woonkamer op en posterend op de trap, luistervinkten we mee. We vingen niet veel op. Wat wel doordrong was het gelach van de volwassenen. Dat was een positief iets. En het was inderdaad goed: ik mocht mee. 

De vakantie was een chaotische met een moeder die heftig ongesteld was, een vader die voor wat voor reden dan ook hierover bleef zeiken. Geen idee waarom; per slot van rekening was hij niet degene die de emmers met nachtelijke pies hoefde te legen.

Wat ik me vooral van deze vakantie herinner, was de heenreis in een auto volgepropt met kinderen (vijf in totaal) en twee volumineuze volwassenen op een snikhete zomerdag, en de vele korte lontjes die almaar korter werden. Daarnaast staan me de files bij met de vader die uitstapte om tegen de banden te trappen en te voelen of de bagage op het rek nog goed vast zat. Soms tuurde hij uit over de lange rij op het asfalt voor ons. Dan was hij stil. Later, terugdenken aan dit moment, vroeg ik me af of hij dacht aan het leven dat hij als jonge jongen voor ogen had gehad, en waar die dromen waren gebleven.

Als laatste herinner ik me het eten.

Helaas was de boer een echte boer, zo eentje die mompelt en overal geld probeert uit te slaan. Er kwam een moment waarin zijn boerse zelf zich maar al te duidelijk uitte. Dat ging als volgt. Toen ik halverwege de vakantie mijn vader belde met de vraag of hij geld kon sturen omdat ik niets meer had, arriveerde twee dagen later een envelop. De boer riep me om te zeggen dat ik post had. Ik maakte de envelop open en zag een briefje van vijfentwintig gulden me toelachen. Voordat ik de kans had om het eruit te halen, griste de boer ernaar en stopte het in z’n zak. Hij gaf me een briefje van vijf en tien terug. Dat ene tientje hield hij omdat we gebruik maakten van zijn wc voor de grote boodschap en omdat ik zijn telefoon gebruikt had om naar huis te bellen.

Ik was met stomheid geslagen en zelfs m’n vriendin had voor eens niets te zeggen. Wel maakte ze haar vader op dit voorval attent, die meteen in actie sprong door zijn schouders op te trekken en vooral zijn inerte zelf te blijven. Wat mij verbaasde was, dat hij voor een inactieve man die niet vooruit te branden was, wel een flink aantal sexboekjes onder het matras had liggen. Dat wisten we want zodra de ouders de kont hadden gelicht om ergens op bezoek te gaan, gingen we op hun bed liggen om de plaatjes te bekijken.

De avond nadat hij me beroofd had, bracht de boer een paar stukken spek van het slachtvarken van die dag. Moeders bakte de lappen op de butagas kookplaat en vond dat ik een extra stuk moest hebben omdat ik de gast was en omdat die aangetrouwde klootzak een deel van mijn geld had gestolen. Lief bedoeld van haar, zeker wel, maar tijdens de eerste hap ging ik al bijna over m’n nek, zo’n vette drab was het. Braaf at ik heel die bende op en voelde me de rest van de avond ellendig. ‘s Nachts kwam de wraak van de boer pas echt tevoorschijn: het zuur borrelde vanuit m’n maag naar m’n mond en strompelend ging ik in alle haast de tent uit naar de boom waaronder we de plek was om de piesemmer te legen. Voorovergebogen stond ik daar te kotsen op de maandverbanden van de moeder. M’n vriendinnetje kwam me bijstaan en haar vader tierde “gadverdammes” vanuit de veilige tent vanwege de geluiden die ik produceerde. Ik wenste dat de bek van die hufter net zo inactief was als de rest van hem.

M’n vriendinnetje verdween weer naar de tent, het getier van de vader stopte, en een paar seconden later kwam ze terug met een beker water voor me. Troostend klopte ze zachtjes op mijn rug en bleef bij me totdat ik me weer een beetje mens voelde. En dat was echte vriendschap, hoe kort het ook duurde.

 

 

Zo’n walgelijke herinnering moet met iets lekkers vervangen worden, iets waarvan een mens blij wordt. Zoals bijvoorbeeld een shepherd’s pie met een deksel van aardappelpuree, zelfgemaakt uiteraard, niet een aangelengd poedertje uit blik.

 

Shepherd’s pie

Twee handjes sojabrok granulaat

Uitje gesnipperd en drie knoflookteentjes evenzo

Twee/drie flinke wortelen, dito celery sticks, alles in blokjes gesneden

Handvol diepvrieserwten en zes hoofdjes bloemkool of andere groente naar keuze, niet te klein gesneden

Blikje tomatenpuree

Anderhalf bouillonblokje

Water, halve liter, misschien iets meer

Worcestershire saus. Bij de eko winkel is de vega versie hiervan te vinden

Zout, peper, foelie

Voor de aardappelpuree genoeg aardappels om dakkies te maken voor twee bakjes, boter, melk, nootmuskaat, zout, peper en desgewenst wat geraspte kaas

 

Olie in de pan verwarmen en granulaat erin alsook een paar scheutjes Worcestershire saus, half bouillonblokje en water om de bodem van de pan te bedekken. Meteen flink roeren. Granulaat zoveel mogelijk laten droogkoken en dan in een schaaltje ploffen.

Beetje olie in dezelfde pan en uitje erin. Roeren zodat ook de restjes granulaat die in de pan zijn achtergebleven loskomen. Deze hebben de kruiden opgenomen dus geven smaak. Lijkt het te droog, doe er wat water bij.

Dan knoflook erin gevolgd door het groenvoer. Even aanbakken voordat de tomatenpuree erin gaat. Is alles goed gemengd, kun je de granulaat terug in de pan mikken, roeren, en het resterende water en laatste stukjes van de bouillonblokjes erbij. Uiteraard kun je de bouillonblokjes in het water oplossen voordat je het in de pan doet, maar het resultaat blijft onveranderd dus waarom deze moeite nemen. 

Zout en peper en foelie naar smaak erbij en een laatste paar scheutjes Worcestershire saus. Indien je Marmite in huis hebt, wat niet direct in elke keuken voorkomt, kun je daarvan een lepeltje bij heel de zwik doen. Het geeft extra smaak aan het geheel maar is niet specifiek nodig in dit gerecht.

Zo, alles lekker laten pruttelen om de smaken te mengen, dan uitzetten en afkoelen.

 

De aardappelpuree heeft geen introductie en uitleg nodig, mag ik aannemen. Zorg er alleen voor dat het de juiste consistentie heeft. Maak er dus geen pap van die als dakje begint en na in de oven te hebben gestaan op de bodem van het gerecht ligt. Doe er kaas doorheen voor extra smaak, maar het is niet persé nodig bij dit gerecht.

Heel de boel over twee bakjes verdelen, dakkie erop en twintig minuten in de oven op 200 graden.

 

M’n vriendinnetje werd van school getrapt toen ze voor de derde keer de tweede klas van mavo 3 moest doorlopen. Toen bleek dat ze halverwege het schooljaar er weer niets van bakte, werd ze eruit geflikkerd. Ze ging als leerling kapster werken en geld verdienen. We bleven nog een paar maandjes met elkaar omgaan maar ze leefde in een andere wereld nu ze werkte, en de vriendschap bloedde dood. 

Een paar jaar geleden heb ik haar op facebook opgezocht. Ze woont nu in het zuiden van Nederland en is inmiddels oma. Misschien heeft ze de boerderij van haar oom overgenomen en is ze boerin geworden. Hopelijk piest ze niet meer op een emmer. Qua uiterlijk is ze weinig veranderd, alleen ouder geworden. En nog steeds pokdalig.

 

Samen met mijn allerbeste vriendin, en meteen ook de enige die ik in m’n leven wil hebben. Anita was nog blond toen, en ik had meer donker haar dan grijs. 

De foto is niet heel scherp maar wel een lieverdje en mij heel dierbaar. Dit kiekje is genomen de allereerste keer dat ik bij haar in huis was en we samen aan het aanrecht stonden om de afwas te doen. Een half jaar later was ik bij haar ingetrokken en is zij niet meer in de buurt van het aanrecht gesignaleerd laat staan dat ze de afwas heeft gedaan.

Lasagne

In Schiedam liep de trein leeg met passagiers die moesten overstappen en de trap afsnelden naar een ander perron danwel naar de tram. Er waren weinigen die in Schiedam bleven en als je daar bent geweest, begrijp je meteen waarom. Ook ik schoot de trap af, op weg naar buiten. Ik had een afspraakje en wilde me eerst opknappen, de kantoorgeur van potlood, oeverloos geouwehoer en adem van collegae van me afspoelen, en iets knaps aantrekken. Als ik doorliep, kon ik de tram nog net halen.

In de hal stond een kleine horde politie agenten bijeen. Is het een horde, politie agenten, of louter een samenscholing? Of een school, net zoals vissen, of misschien een kudde. Hoe dan ook: een agente hield me aan en nam me apart.

‘Heb ik iets gedaan?’, vroeg ik verrast en ging in m’n hoofd na wat er nu weer was.

‘We houden een steekproef onder passagiers en u bent er eentje die eruit is gepikt’, legde ze uit, gevolgd door een glimlach. 

Okee, een vrouw in uniform die naar me glimlacht en ik was vergeten dat ik later die avond een afspraakje had. Ik keek opzij en zag een jongeman met de armen zijwaarts gestrekt staan terwijl een politieman hem fouilleerde.

De agente nam me mee naar de kant zodat we niet omver gelopen werden door de kudde passagiers (dat is in elk geval wel de juiste omschrijving) en vroeg me of ik m’n rugzak af wilde doen. Natuurlijk. Ze rammelde er een hand doorheen, vond de vele lege boterhamzakjes met in elk individueel zakje een knoop gelegd, gereed om weggegooid te worden zodra ik een afvalbak voor plastic tegenkwam. Ze vond geen uzi onder het plastic dus dat was in orde.

‘Kunt u de armen spreiden?’, vroeg ze. 

Ik draaide me om en leunde m’n gestrekte armen tegen de muur, de voeten twee passen uiteen. Achter me schoten de dames en heren in blauw in de lach.

‘Niet op de Miami vice manier’, vervolgde de agente, ‘gewoon spreiden.’

‘Oh. Okee.’

Ik deed wat er van me werd verlangd en zij ging behendig met haar handen over mijn lichaam van boven naar beneden. Toen ze weer op ooghoogte was, vroeg ik:

‘Doe je vanavond iets speciaals offe…?’

‘Andere passagiers betasten’, antwoordde ze met een vluchtige grijns.

‘En daar word je nog voor betaald ook.’

‘Wat is dat?’, vroeg ze, plots uitermate serieus.

Ze nam een pas achteruit en wees naar m’n jas. De houding van de politielui achter haar veranderde eveneens en ik zweer het dat éen van hen een hand op zijn dienstpistool legde.

‘Wat?’, vroeg ik, geen idee hebbend waarover ze het had.

‘In de rechter jaszak.’

Met trage bewegingen voelde aan de buitenkant van m’n jas. De tv heeft me geleerd dat onverhoedse bewegingen me wel eens het leven zouden kunnen kosten.

‘Oooooh!’, riep ik uit. ‘Dat zijn m’n pasjes. Zal ik ze eruit halen?’ 

Ze knikte louter en met wijs- en middelvinger vingerde ik het pakje eruit. M’n treinabonnement, bonuspasje, dierentuinpas en meer van die dingen, zaten in een pakketje bij elkaar gebonden met twee elastiekjes. Zo hield ik al jaren m’n pasjes bij me en zou het na dit voorval nog vele jaren blijven doen.

De hand ging van het pistool vandaan, armen werden weer over elkaar geslagen en het nonsensikale geleuter van collegae die een avond met elkaar moesten doorbrengen, zette zich voort.

‘Het is in orde zo’, zei de agente met een knipoog.

‘Okee, dankjewel. Een fijne avond nog.’

Een kwartier later dan normaal thuis, knapte ik me op en ging naar de afspraak. Het was lasagne avond, had ik aan de vriendin van dat moment beloofd. Ik kende haar al wat langer maar we waren nooit bij elkaar op bezoek geweest. Ze was net vanuit het ouderlijk huis naar een eigen flat verhuisd en vond dat de tijd rijp was om mij in haar nieuwe domein toe te laten. Aangezien ze niet veel geld in haar varkentje had, waren er weinig spullen in huis. De bank was van haar ouders geweest, evenals de lampen, maar het kleed onder de bank had ze pas aangeschaft. Het lag er mooi rond te zijn en vooral hoogpolig wit. De koelkast had ze van een vriend gekregen. Het werkte goed alleen was het deurtje van het vriesvak boven het koelgedeelte nergens te bekennen. Ze had daar een stuk karton voor geplakt waar de vrieswasem langs alle kanten de keuken in blies. 

Ik had de ingrediënten voor de lasagne meegenomen en nadat we een borrel op hadden, begon ik het eten klaar te maken. Ze had geen stenen ovenbakjes maar wel die folie-achtige dingen waarin je toentertijd tjap-tjoy vanuit de Chinees meekreeg. Ook had ze geen oven. De lasagne moest daarom in een klein grillapparaat van Moulinex opgewarmd worden. Niks mis mee als je iets moet grillen maar voor een lasagne was het een mijl op zeven.

Toen haar portie klaar was (er kon maar éen tjap-tjoy bakje tegelijk in die grill) zette ik het op het aanrecht. Het was loeiheet nu de grill er een kwartier op had staan branden. Ik zette mijn bakkie in de buik van de Moulinex, pakte de pannelappen en bracht de lasagne naar haar. We zouden op de bank eten; er was nog geen eettafel aanwezig. 

Nou is het zo dat een loeiheet bakje eten van grill naar aanrecht vervoeren best te doen is. Het is per slot van rekening éen beweging dat de vijftig centimeter niet overschrijdt. Voordat de warmte door de pannelappen was heengedrongen, stond het al op de koelte van het aanrecht en kreeg de wasem van het vriesvak over zich heen. De weg naar de bank, echter, was iets langer. Het zou me lukken, zei ik tegen mezelf. Na de eerste pas vanuit de keuken richting bank begon de gloeiend hete bak al door de pannelappen heen te bijten. Bij de tweede pas voelde ik me veel ongelukkiger dan een seconde eerder, en bij de derde hield ik het niet meer vol waardoor de lasagne uit m’n handen glipte. Gelukkig viel het niet op het nieuwe kleed, maar wel op haar. De brandende drab lasagne gleed uit het bakje op haar schoot en de kreet die ze gaf, galmt dertig jaar later nog na in mijn oren. Ze stond snel op.

‘Pas op voor het kleed!’, waarschuwde ik en gaf haar de pannelappen. Hiermee hield ze de lasagne tegen haar kruis gedrukt en rende naar de badkamer.

Een beetje hulpeloos en vooral nutteloos bleef ik in de kamer staan en keek rond, m’n armen heen en weer slingerend, nadenkend wat ik zou doen. Ik zag een stukje kaas met rode saus op het kleed liggen. Dat zou vanaf de voordeur al opvallen. Denkend wat ik eraan zou kunnen doen, rekte ik m’n nek om te luisteren. De kraan in de badkamer liep en het water kletterde hard op de tegeltjes. Ik had een ingenieuze oplossing voor het probleem van het in-witte kleed met de blob lasagne erop gevonden en tilde met éen hand de bank aan de voorkant omhoog. Met m’n andere hand draaide ik het kleed zodat het bezoedelde stukje onder de bank terecht kwam. Tevreden met het resultaat, liep ik daarna naar de badkamer, keek om de hoek en vroeg hoe het ging. Haar broek lag uitgeschopt naast de wasmand na te dampen van het warme eten. De weg naar het douchegedeelte was geplaveid met lappen lasagne. Ze hield de koude douchekop op haar kruis, en draaide ze zich om naar mij. Haar dijen waren iets roder dan de rest van haar benen.

‘Lukt het zo?’, vroeg ik, kijkend van de douchekop naar haar.

‘Ja.’

‘Kan ik nog iets doen?’

‘Nee.’

‘Okee.’ Knikkend keek ik de badkamer door. Er lag een stukje zeep zuinig te zijn in een bakje. Waarschijnlijk van haar ouders meegekregen. ‘Hee, ik zie je morgen. Doeg.’

Ik pakte m’n jas en ging naar huis. Toen de tram voorbij het station reed, probeerde ik naar binnen te kijken om te zien of de agente er nog was om mij te fouilleren. Helaas zat ook daar het geluk me niet mee.

 

Wat voor recept pas er na zo’n voorval? Iets me spekkies komt meteen in m’n hoofd, nu ik die dijen weer voor me zie.

Zelf smik maken kan alsvolgt (leuk dat je als vegetariër zelf namen voor gerechten kunt verzinnen):

Een pak tempeh

Barbecue kruiden mix, zelfgemaakt zodat het niet alleen zout is met wat frummeltjes erin

(Olijf)olie

Agave siroop

Scheutje ketjap

 

Tempeh in reepjes snijden, niet te dun, maar ook geen drempels

Kruidenmix, agave siroop en de ketjap mixen. Als het te droog is, een beetje olie erbij doen

Leg de tempeh reepjes in de mix of smeer ze in met de kruiden

Paar uurtjes laten intrekken

Opbakken en genieten

 

Misschien handig om de kruiden van een barbecuemix erbij te zetten? Bij deze een Franse mix:

Paprikapoeder, knoflookpoeder, uipoeder, peper, beetje foelie, koenjit, zout indien gewenst, franse tuinkruiden. Probeer wat uit met de hoeveelheden. Mijn insteek is altijd: als je een bepaald kruid lekker vindt, doe er wat meer van in maar laat het niet overheersen. Laat je hierbij leiden door jouw reukvermogen: ruikt het kruidig genoeg, dan ben je er. 

Je kunt ook liquid smoke (rookaroma) gebruiken als je dat wenst, maar let daarmee op: je moet er weinig van gebruiken, de flesjes zijn vrij prijzig en als het eenmaal open is, moet je het binnen drie dagen verorberen. Okee, met dit laatste overdrijf ik iets, maar zo voelt het wel.

Hopelijk lukt het. Zelf ben ik zeer content met deze smiks.

 

Mocht je nog benieuwd zijn hoe het verhaal van de lasagne en de gebakken dijtjes verder is gegaan: we bleven goede kennissen, iets minder intiem dan voorheen maar ze nam mij het voorval niet kwalijk. Als ze me beter zou kennen, had ze kunnen weten dat dit soort incidenten niet vreemd is in mijn leven. Dit was daadwerkelijk zo’n “het ligt niet aan jou maar aan mij” moment die mensen als excuus gebruiken bij het uit elkaar gaan.

Ze heeft me nog éen keer uitgenodigd toen ze het huis iets meer had aangekleed en er een koelkast stond met een deurtje voor het vriesvak. Ik heb er niet veel van meegekregen. We waren vantevoren ergens gaan drinken, veel, en toen ik bij haar binnenkwam, sloeg de bedompte lucht op me zodat ik binnen vijf minuten dronken was. De rest van de dag heb in haar bed gelegen om m’n roes weg te ronken. Wel viel me bij binnenkomst op dat het witte kleed was verdwenen.

 

 

Een deel van de kruiden die bij ons in de keuken staan. Voor mixjes zijn Bon Maman potjes enorm makkelijk maar ook die van Euroma. Die sluiten goed af en omdat ze van glas zijn, kun je altijd de hoeveelheid zien. In sommige heb ik andere kruiden gedaan dan het label aangeeft, maar dat is niets waar een stickertje niet tegenop kan. De potjes met Italiaans en Provençaalse kruiden worden met eigen maaksels bijgevuld zodat de label blijft zitten.

Waarom ik nou een betoog over labels moet houden... Geen idee.

La Petite Afrique

Paulo aime les moules frites, sans frites et sans mayo 

Paulo aime les moules frites, sans frites et sans mayo 

Yo yo yo, yo yo yooo 

Yo yo yo, yo yo yooo

zingt Stromae in “Moules frites”. Telkens als Anita en ik dit lied horen, denken we aan La Petite Afrique in Zuid Frankrijk. Onafhankelijk van elkaar zijn we tot deze gedachte gekomen, in zo’n twee zielen éen gedachte moment.

La Petite Afrique was een frietkot ergens op de weg vanuit Nice naar San Remo. Het droeg een sfeer die zo on-Zuid Frans was, vooral heel on-Monaco. Geen idee waarom mensen gefascineerd zijn van Monaco. Het is éen groot onaneerfestijn van die ene familie als je de straatnaambordjes mag geloven. Maar goed: ijdelheid kent in Monaco zeer zeker tijd, vooral als je Garibaldi heet of wat de naam van die taarten ook is.

Rijdend vanuit Nice naar San Remo kwam je op een gegeven moment aan de overzijde van een steile bergwand La Petite Afrique tegen, een frietkot met een paar tafels en stoeltjes langs de kant van de weg. Vrachtwagens parkeerden er en de chauffeurs dromden samen voor het kot. Ook wij namen een rustpauze daar en mengden ons onder deze chauffeurs, althans, Anita deed dit toen ze friet voor ons ging halen. Vanwege de drukte vreesde ik dat dit een lange tijd in beslag zou nemen. Maar ik zat lekker aan een tafeltje turend naar de baai, de bootjes en de zon hangend boven het water, dus wachten was geen probleem. 

Sneller dan verwacht kwam Anita terug met friet en mayo en zo goed als verloofd met een Belgische vrachtwagen-chauffeur met wie ze aan de praat was geraakt. Hij was vaste klant bij de friettent en zorgde ervoor dat zij voorrang kreeg. Zo gaat dat namelijk als je Anita bent.

Uitkijkend over de Middellandse Zee met die steile bergwand achter ons, genoten we van deze geweldige frieten. Misschien was het de ambiance, misschien was het dat we met ons tweetjes in dit mooie land waren, misschien was het een zweem van dat je ne sais quoi in de Franse lucht, maar dit was een frietje waarvan we werkelijk genoten en niet zomaar eentje die je at om de lekkere trek te stillen.

Na dit eerste bezoek hadden onszelf beloofd nog een keer bij La Petite Afrique langs te gaan zodra we ons weer in de buurt van Nice bevonden, maar helaas is het er nooit meer van gekomen. De frietkot is namelijk in 2015 ter ziele gegaan, weggesneden uit de deftige samenleving van het Franse zuiden. Het paste niet in de omgeving van villas en beroepsstrandjes waarvoor je moet betalen voordat je ze mag betreden. Eeuwig zonde dat zo’n heerlijke eerlijke tent aan gentrificatie ten onder is gegaan.

Frietjes is het soort eten dat de westerse wereld bijeen houdt. Het is overal te vinden en iedereen kan het maken, zelfs zonder de opleiding “Koken voor beginners” te hebben gevolgd. Ooit heb ik van iemand een patatsnijder gekregen “omdat het zo makkelijk is”. Nou lijkt mij een aardappeltje met een mes in reepjes snijden niet iets wonderbaarlijk moeilijks dat het denkvermogen van een Einstein vergt, maar de geste was vermoedelijk goed bedoeld. Het merkwaardige van deze snijder was, dat het moeite had met een frietaardappel. Ik kan daar begrip voor opbrengen: we hebben niet altijd zin in hetgeen te doen dat men van ons verwacht. Bij het drukken van een grote frietaardappel door de snijder, kwamen er aan de gaatjeskant boemerang patatjes uit. Misschien persten mijn vreemde klauwtjes verkeerd of woonde ik op een helling, maar het is me nooit gelukt met dat ding een recht patatje te krijgen. 

‘Ga je nou een recept voor patat op jouw site zetten?’, vroeg Anita met een onverholen sarcastische ondertoon, die zij speciaal voor mij geperfectioneerd heeft, toen ze hoorde over welk onderwerp ik ging pruttelen. ‘Men neme een aardappel. Schil deze met een dunschiller…’

‘Dan blijven de vitamientjes erin.’

‘…ja, dat is het eerste waar ik aan denk als ik patat eet: hopelijk zit er een vitamine of twee in zodat ik me na het eten gezond kan voelen.’

Soms denk ik wel eens aan scheiden, je weet wel: alles in m’n eentje kunnen doen zonder een vrouw die honende knorretjes produceert omdat ze niet openlijk wil lachen om iets wat ik doe of zeg of om hoe m’n haar zit.

In elk geval heb ik een aardig receptje voor min of meer gezonde frieten voor de vrouw die nooit patat bestelt in een restaurant, maar dan wel frieten meesteelt van het bord van haar partner als ze denkt dat niemand het doorheeft.

 

Nodig: 

Aardappels, de hoeveelheid moet je zelf weten

Olijfolie, un petit peu

Zout en peper

 

Schil de aardappels (Met de dunschiller!). Ja, dank je, bemoei je er niet mee. Of laat ze ongeschild

Snij er frietjes van en plemp deze in water

Flink wassen en in een schone theedoek leggen

Droog ze goed af; ze moeten bakken, niet koken

Oven op 230/240 graden voorverwarmen

Bakpapier op de bakplaat en mik de gedroogde frieten in een hoop erop

Een beetje olijfolie over de frieten gieten en met de handen mengen zodat alles geolied is

Uitspreiden over het bakpapier en als de oven op temperatuur is, erin schuiven op de bovenste rand

Na vijf minuten de bakplaat naar het midden van de oven verplaatsen voor een minuut of 10, 12

De laatste 3-5 minuten nog effies terug naar de top

In totaal dus 20 minuten bakken

Zodra ze eruit zijn, zout (en peper) erop en door elkaar schudden

Dat is het

Nu kun je het zelf minder verantwoord maken door er mayo bij te kwakken. Of sans mayo houden zoals Stromae zingt.

 

Het is een heen en weer geschuif met de bakplaat maar dit is werkelijk de perfecte manier om knapperige frietjes uit de oven te krijgen zonder dat frituur en al dat extra vet eraan te pas komen. Terwijl de frieten in de oven staan, kun je een pindasausje maken. Lekker voor een flip. 

Er was begin jaren ‘80 in Den Haag, ik geloof in de Oude Molstraat maar na al die jaren weet ik dit niet zeker, in elk geval wel ergens in éen van de zijstraten bij het centrum… Waar was ik? Oh ja: begin jaren ‘80 was er in de Oude Molstraat in Den Haag een kleine friettent waar je flips kon halen. Dat was hartstikke nieuw in die tijd of misschien had ik gewoon een beschermd leven geleid. De vrouw die deze tent runde, was midden twintig, misschien dertig, een Nederlandse die perfect Engels sprak. Niet dat truttige dat je op school leert, maar dat echte vloeiende van iemand die daar opgegroeid is. Dit heeft niets met het verhaal te maken maar aangezien ik me dit ruim veertig jaar later nog herinner, heeft zij een grote indruk op mij achtergelaten. En zij verkocht flips: friet met mayo, pindasaus en uitjes; iets dat sinds jaar en dag bekend staat als patatje oorlog (afschuwelijke naam). Voor mij heet het, echter, nog steeds een flip. Die vrouw was heel “laid back” op een jazz-achtige manier, met een oog voor iedereen. Ze werkte snel en goed en accuraat. Als ik aan haar denk, en dat is heel zelden, vraag ik me wel eens af wat er van haar geworden is. Ze leek me zo’n type dat altijd op de pootjes terecht komt, die de handen uit de mouwen steekt in welke situatie ze zich ook bevindt. En als ze m'n gedachten komt, denk ik: wat zou ze van mijn patatjes hebben gevonden…

 

 

De giga steile wand tegenover La Petite Afrique. Indrukwekkend, niet? Mochten we ooit weer naar San Remo rijden via Nice dan zullen we deze wand niet opmerken, aangezien La Petite Afrique er niet meer is om ons op hierop te attenderen.

Zo gaat dat: je wordt geboren en je neemt afscheid. C'est la vie noemt men dat.

Pseudo

Pasgeleden waren Anita en ik bij de Makro in Amsterdam-Duivendrecht. Daar verkopen ze namelijke vega frieks. Vroegûh, in de tijd dat ik nog wel eens iets niet-vegetarisch at, was ik dol op frikandel speciaal. Zal voornamelijk geweest zijn vanwege de combi mayo, ketchup en ui. En toen curry eenmaal op de markt kwam, oeee, wat een feest was het om dat te vragen in plaats van ketchup. 

Voor de vega versie van de friek speciaal gingen we zo af en toe naar Oase op de Plantage. Samen met een ras patatje was dat de beste maaltijd voor smullers. Echter, sinds ik erachter kwam dat de Makro deze frieks verkoopt, is Oase iets uit het verleden. Sorry lui, want jullie zijn de fijnste friettent in de omgeving en ook eentje waar je niet uren hoeft te wachten.

Terug naar het verhaal. Bij de Duivendrechtse Makro staat een grote Amazing Oriental in de buurt, mijn favoriete winkel. Dat is er eentje waar je een groothandel pas voor moet hebben. Niet dat wij dat wisten, want we liepen er gewoon naar binnen zonder pas. Wel hadden we het gevoel dat we elk moment in onze taas gegrepen konden worden door de Chinese maffia, maar dat is niet ongewoon voor ons.

Mijn verwachtingen van deze Amazing waren hoog, maar zoveel meer dan de Amazing op de Zwarte Markt in Beverwijk hadden ze nu ook weer niet. Het was desondanks leuk om er effies rond te lopen, vooral toen we ontdekten dat ze een “to go” eterij hadden, oftewel meeneem restaurant. We gingen in deze Engelse trant verder bij het bestellen van de vega gerechten, want het meisje dat ons hielp, sprak geen Nederlands. Ze had iets weg van een Manuel met haar “Qué?” telkens als we naar een bepaald gerecht vroegen. 

De brokken tahoe die ze voor ons in een bakje plofte, waren aan de royale kant, waarmee ik bedoel dat een blok tahoe in acht stukken is gehakt en tussen boontjes geplempt is. Ik hou van tahoe, zeker als het goed gekruid is, dus de grootte vormde geen probleem. Thuis hebben we messen die scherp genoeg zijn om de individuele brokken in vieren te snijden. Je moet wat doen om een lekker hapje te kunnen verorberen.

Met ons tasje en twee zakjes met plastic bestek, gingen we de auto in en als het weerlicht naar huis. Eenmaal zu Hause een pan rijst opgezet en gelijktijdig de gerechtjes verwarmd. Tijdens het opwarmen proefde ik van het tahoe gerecht met boontjes. Het was precies wat er op de verpakking stond: tahoe met boontjes, waarbij tahoe noch boontjes ook maar een seconde tegen een kruid hadden aangeleund. Aan de overige gerechten zat eveneens weinig smaak en de sambal goreng eitjes waren eitjes in een heksenbrouwsel dat met geen mogelijkheid te verbinden was met sambal noch goreng. Ach, misschien dat de combinatie van al deze gerechten iets weg heeft van een mini rijsttafel, maakte ik mezelf wijs toen ik met opscheppen begon.

Zittend op de bank met de bordjes in de hand en een Koreaanse serie op Netflix klaar om gestart te worden, begonnen we te eten. Noop: ook een volle lepel combigerecht was zo smakeloos als een doodgeslagen biertje op zondagmorgen.

Anita keek opzij en zag hoe ik dapper een tweede hap naar binnen werkte. Haar blik voelend, keek ik op.

‘Huh?’, vroeg ik op z’n Koreaans, gevolgd in perfect Nederlands: ‘Er zit geen bal smaak aan.’

‘Dat wilde ik ook zeggen’, beaamde ze. ‘Ik dacht dat het aan mij lag. Alleen dat pittige gerecht heeft wat smaak.’

Als Anita beweert dat een pittig gerecht “wat” smaak heeft dan weet je dat het een laf samenraapsel van ingrediënten betreft waarmee niets feestelijks is gedaan. Zij grijpt namelijk al naar een hapje koude rijst als ik alleen al een pot sambal openmaak en de scherpe geur ervan haar neus bereikt.

We aten met lange tanden verder terwijl ik mopperde dat het werkelijk niet moeilijk is om smaak aan tahoe te geven. Christesmeziele, mij lukt het al meer dan 45 jaar en ik stam uit de tijd van vrouw Holle.

Helaas moeten we deze ervaring onder het noemer “nooit meer” schuiven. Dit was een misser die niet voor herhaling vatbaar is. Een terzijde: de Amazing op de Zwarte Markt heeft wel lekkere hapjes te koop bij hun eterijtje. Maar die in Duivendrecht… Links laten liggen, is mijn advies.

 

Onderstaand heb ik een receptje voor Amazing Duivendrecht die ze gratis en voor niets mogen gebruiken op hun eetafdeling. Mocht het, echter, populair worden dan eis ik alsnog een percentage van de opbrengst op.

 

Een snel pseudo-Koreaans lunchhapje

2 bosuitjes, gesneden, niet te klein, wit en groen apart houden

Vriesgroen zoals spruitjes (yummie) of een diepvries zomermix van bv de Makro, twee handjes

Tropical seasoning van Badia (bij de toko)

Handjevol geprepareerde sojareepjes, van jezelf of uit de winkel

Theelepeltje bouillonkruiden

Twee sinaasappels en een mandaatje uitgeperst

Scheutje gochujang (Koreaanse saus, toko)

 

Wat te doen:

Een beetje olie in de pan op temperatuur brengen en het wit van de bosuitjes erin

Aanbakken en dan de spruitjes/zomermix of een mengeling van beiden erin

Deksel op de pan tegen het gespetter

Tijd om de sinaasappels en mandarijn te persen. Dit gedaan hebbende, moet je eerst een slokje nemen omdat het lekker is en wat er overblijft aan de groenten toevoegen

Met deksel op de pan aan de kook brengen 

Kookt het dan het deksel eraf halen, vuur wat lager, en de groenten nakend gaar laten worden

Dit is het moment om de seasoning erbij te doen alsook de sojareepjes

Mik de bouillon er daarna in, even roeren, gevolgd door de gochujang en nogmaals mengen

In een bakje doen en genieten

Om de ervaring volledig te maken, zou je er een fles soju bij kunnen nemen

맛있게 드세요

 

Het lekkere van gochujang is, dat het een volle smaak geeft alsook wat pit aan een gerecht maar niet dat hete element bezit van sambal. Sambal is lekker maar past niet bij alle gerechten. Wel op een bammetje pindakaas. Da’s ook lekker als lunchgerecht.

Je kunt de vriesgroenten vervangen door het versere soort. Ligt eraan welke je prefereert. Voor een snel hapje is echter vriesgroen het makkelijkst. 

En wat is dat met spruiten in een Koreaans gerecht?, hoor ik een honende stem vragen. Daar is het woord “pseudo” voor uitgevonden. Als je in duck duck go op “spruitjes zuid korea” zoekt, vind je precies nada. Jammer want ze hebben er wel een woord voor, namelijk 브뤼셀 콩나물. Nu leer je dit als Koreaans kind zijnde, maar je kunt het nergens in Gyeongju en omstreken gebruiken omdat de spruitjesteelt letterlijk nooit van de grond is gekomen.

Dit zijn wetenswaardigheden waarvan ik ‘s nachts wakker word en me dan afvraag waarom dit zo moet zijn.

 

Het pseudo-Koreaanse lunchhapje in al haar glorie. Kijk de spruitjes je eens toelachen... Het smaakt perfect en vult zonder dat je ervan uit elkaar ploft. En het is gezond.

Met stokjes eten maakt van het eetproces een rustig gebeuren. Je stouwt niet in twee minuten een complete maaltijd naar binnen maar kunt ervan genieten.

Heb je geen tijd om te genieten dan zou je eens je leven moeten herzien. Geen tijd hebben is namelijk een westerse kwaal. Dit maaltje is Koreaans. Pseudo, maar toch.

Reformwinkels

Het was moeilijk iets te vinden dat smakelijk was en betaalbaar in de reformwinkels van weleer. Bestaan ze eigenlijk nog of zijn ze allemaal omgedoopt naar eko winkels? Geen idee en dit is het opzoeken ook niet waard.

Ik werkte in Den Haag en daar waren verschillende wijken met grote winkelcentra -“groot” voor die tijd althans; ik spreek nu van ruim dertig jaar geleden. Ik had in de gouden gids een reformwinkel gevonden die ook vegetarische maaltijden verkocht. Okidook dan. Het was een eind van het werk vandaan maar ik had een goedkoop fietsje op de kop getikt waarop ik de winkel in ten hoogste een kwartiertje kon bereiken. 

In de pauze pakte ik dus de fiets, ging de kelder uit en fietste langs de tram heen naar de straat waar de reformwinkel moest zijn. Flink bezweet kwam ik daar aan, maar ze zijn daar wel aan gewend in dat soort winkels, de vreemde luchten die mensen uitwasemen. 

De feestmaaltijd zat in een rond en tamelijk plat blik opgevouwen om thuis opgewarmd te worden. Mooi en handig. Ik probeerde een praatje te maken met de reformman over vegetarisch voedsel maar kreeg wat knorrige reacties terug van hem, ook zo kenmerkend van dit soort winkels.

Weet je wat de pest is met mensen die anders dan anderen denken te leven, zichzelf gezonder en doordachter vinden dan de rest van het gepeupel?: ze zijn tamelijk hooghartig. En in de jaren ‘80, ‘90 hielden de reformfreaks het vaandel vast in het land der hooghartigen en dat allemaal vanwege iets dat niet meer dan een persoonlijke vrije keuze was, zoals vlees eten voor anderen een vrije keuze is. Niets meer en niets minder.

Met dat blikje bengelend in een plastic tasje aan het stuur, fietste ik sneller dan het licht terug naar het werk. De stoplichten zaten mee en zwierend reed ik van de brede weg af de zijstraat in naar het gebouw, de tram omzeilend. Door deze beweging van m’n stuur wegtrekken om de tram te ontwijken, kwam de voorband van mijn fiets in de rails terecht van de ernaast liggende trambaan. Voordat ik het doorhad, verloor ik de macht over het stuur en flikkerde van de fiets af, lekker doorschuivend op de straatstenen. Terwijl ik daar suf lag te zijn, schoten twee vrouwelijke collegae me te hulp. Aangenaam om op die manier aandacht te krijgen van twee leuke meiden, maar niet iets waarop ik op dat precieze moment zat te wachten. Compleet daas staarde ik voor me uit. Éen van de meiden zette m’n fiets weg, terwijl de ander me overeind hielp.

‘Gaat het?’, vroeg ze.

Mijn beide handen waren aan de binnenkant geschaafd, ik had een schaafwond op m’n wang, een voortandje voelde pijnlijk aan (later bleek dat de wortel verticaal was gescheurd dus daar had ik ook geen zak meer aan, dankjewel) en met een rechterheup die een groot deel van de smak had opgevangen en op dat moment al beurs was, voelde ik me zwaar klote. Natuurlijk antwoordde ik haar:

‘’t Gaat.’

De andere collega hing het tasje aan m’n arm en ik strompelde het gebouw binnen om de middag vol te maken. Eigenlijk wilde ik naar de dokter, naar huis en onder de wol, en huilen van de pijn -en dit allemaal in die volgorde. Maar in die tijd had ik een galbak van een chef en al zou ik daar binnenkomen met een afgekloven been waaruit maden staken dan was zijn redenatie dat ik het been niet nodig had omdat ik zittend werk deed.

‘s Avonds thuis was er ook weinig sympathie te vinden van mijn huisgenoten. Ik had de trein naar thuisstation gemist omdat het overstappen niet al te soepel verliep met mijn pijnlijke ledematen. Hierdoor kwam ik later thuis dan normaal en stond de pan met eten al aangevreten op tafel, met andere woorden: zoek het zelf maar uit. Als kostwinner sta je namelijk onderaan de ladder.

Ik maakte het ronde blik open, wat niet makkelijk ging met die klauwtjes van me, warmde het op en at de maaltijd. Ah, smaakloos: een passend einde voor een klotedag.

De volgende morgen wikkelde de huisarts verband om mijn beide handen, keek de schaafwonden op mijn lichaam na, en gaf me een receptje voor pijnstillers. Die zou ik ‘s middags bij de apotheek inleveren, want ik moest eerst nog een werkdag zien door te komen. De huisarts gaf me twee aspirientjes, een klopje op m’n rug en leidde me de deur uit. Halverwege de werkdag werd ik misselijk van de pijn en werd uitgekafferd door m’n chef toen ik zei dat ik naar huis ging.

Soms, hè, is het leven effies minder fijn. Op zo’n moment maakt een lekker smakelijk receptje een groot positief verschil.

 

Een makkelijk hapje dat ik “Half” heb gedoopt.

Beetje zonnebloemolie in een pan en warm laten worden

Vuur op half en een halve blok tahoe/tofu in kleine blokjes gesneden in de pan doen

Beetje bruinen

Het wit van twee bosuitjes erbij alsook een knoflookje of drie, in stukjes gesneden

Alles een beetje op adem laten komen in de warmte van de pan

Een eetlepel (madras)kerrie erin en een halve theelepel komijnpoeder; da’s altijd lekker bij kerrie

Half pakje kokosmelk danwel kokosroom erin, welke je dan ook prefereert

Als de kokos glad wordt, alles op smaak brengen met een lepeltje bouillonpoeder van de toko

Doe er dan een handje of twee diepvrieserwten bij

Hou je daar niet van dan doe je er sperzies in, bijvoorbeeld, of iets anders dat je lekker vindt

Een handvol cherry tomaatjes halveren en toevoegen alsook het groen van het bosuitje

Effies alles warm laten worden en voilà, een heerlijk happie

Met rijst eten of laten staan tot de andere dag om ‘s ochtends uit de pan te lepelen tegen een kater

Misschien helpt het, geen idee. Lekker is het in elk geval wel.

 

M’n voortandje ben ik verloren. Dat was een kwestie van tijd, zei de tandarts, toen hij het eruit sloopte; het viel op geen enkele andere manier meer te redden. Zelfs ducttape was geen oplossing. Knap balen, natuurlijk, maar een sympathiekere oplossing was er niet.

Ook heb ik in die periode dat laatste restje vertrouwen in m’n medemens verloren. Op m’n twee helpende collegae na, heb ik zo weinig sympathie of hulp of enige vorm van medeleven gekregen van anderen, dat ik weinig meer op heb met de mensheid. Net zoals mijn tandje nooit terug kon groeien, is deze breuk met anderen ook niet meer te helen. 

 

De pruttelpot in de keuken, vastgelegd in een stijlvolle bewerkte foto. Ze lijkt daar op een Chineesje en daar zijn wij in ons huis allemaal heel blij om.

Dit is een foto van lang geleden. Heel de keuken is inmiddels veranderd maar het uitzicht niet. En het eten is ook nog steeds lekker.

 

Voedseltas

De reformwinkels van weleer waren in mijn begintijd van het vegetariërschap de enige winkels waar iets vleesloos te vinden was. In mijn toenmalige woonplaats was er op de Hoogstraat, een aanloopstraat naar het centrum toe, zo’n winkel. Het was gesitueerd in een oud herenhuis, een rijtjeshuis danwel, maar met een statige uitstraling: langgerekte ramen en een deur waarvoor je drie treetjes op moest om binnen te komen.

Een echtpaar van begin vijftig beheerde deze winkel. Zij deed me denken aan een juffrouw die ik op de lagere school had meegemaakt; hij had iets weg van een Aart Gisolf, maar dan zonder de humor. Ik had eens het ongenoegen en vooral de onbeschaamdheid om hem te vragen of ze ook zoutjes verkochten, je weet wel, van die knabbeldingen waarin je ‘s avonds na negen uur trek krijgt. Zijn lippen trokken zich strak en het lukte hem net om een barse “nee!” te zeggen zonder me een knal voor mn harses te verkopen. Okee dan. 

Zij was aardig, of opener moet ik zeggen. Hij zal vast ook wel een aardige kant hebben gehad, maar dan moet je niet om zoutjes vragen.

In die winkel kocht ik m’n eerste blikje vegetarische leverpastei. Dat was leverpastei zonder het lever-element erin. Thuis smeerde ik het op een bammetje, nam een hap en dacht: even wennen, denk ik. Wat logisch is. Het was per slot van rekening geen leverpastei dus waarom zou het daar dan naar moeten smaken. Het had trouwens ook een andere naam, maar die kan ik me achteraf niet meer herinneren. Zal wel iets in de geest geweest zijn van dauwpastei, morgenstondpastei, weet ik veel: een wollige naam die je twee keer leest zonder te begrijpen waarom het zo heet. Ze hadden daar ook vega bockworsten uit Duitsland. Die waren lekker: peperduur, maar lekker. En bio groenten. Wekelijks stonden er op woensdag papieren tassen klaar waaruit groene kontjes boven de opening piepten met een papiertje erin met uitleg en wat je ermee kon doen. Leek me spannend, dus ik bestelde ook eens zo’n tas.

De eerstkomende woensdag haalde ik het op. Het was redelijk zwaar dus dat beloofde vele smulmaaltijdjes de komende dagen. Naar huis fietsend, voelde ik regelmatig aan de onderkant van de tas of deze het wel zou houden. Ik ging er vanuit dat de mensen die dit samenstelden zich wel beseften dat lui die een reformwinkel frequenteren in de regel onhandige kleding dragen en fietsend van punt a naar b gaan. Waarschijnlijk realiseerden zij zich dit dondersgoed maar hadden daarnaast ook een ondeugend gevoel voor humor: op de brug vlakbij het politiebureau denderden de eerste stukken kool door de bodem heen de straat op, gevolgd door iets groens waarvan ik het bestaan niet wist, daarna een oranjeachtig iets (flespompoen?). De rest kon ik nog net tegenhouden door m’n arm onder de tas te strekken. Met kool, het vage groen en pompoen over m’n jaszakken verdeeld, liep ik naar het politiebureau om m’n fiets te stallen. Ik zette ‘m niet op slot -hee, ik stond per slot van rekening voor een politiebureau- en ging naar binnen. Een man aan de balie was druk in de weer uit te leggen waarom zijn bekeuring onterecht was. De politievrouw erachter schreef een paar dingen op en gaf hem de rest van het formulier om zelf in te vullen. Hij ging aan een tafeltje zitten waarna de vrouw mijn richting uit keek.

‘Hallo zeg’, groette ik haar met m’n flirterigste glimlach. Een vrouw in uniform heeft dat effect op mij. ‘Hoe gaat het met jouw?’ Ze bleef me met een lege blik aanstaren, een beetje zoals mijn tas dus. Ik zat op m’n fiets en m’n tas brak.’ Ik hield de kool en de tas naar haar op alsof het een uitnodiging was voor een lekker maaltje vanavond. Haar zielloze ogen zeiden duidelijk nee op de onuitgesproken uitnodiging. ‘Heeft u misschien een tasje?’

Met een zucht pakte ze twee tasjes van onder de balie vandaan. Ik bedankte haar vriendelijk, verdeelde alles over de tasjes en fietste door naar huis. Dan maar alleen eten.

Ik ben er nooit achter gekomen wat het verdachte groen was, dat stond niet op het papiertje, maar van de kool heb ik orak-arik gemaakt. Dat is een bekend Indonesisch recept en lekker bij elke rijsttafel. Mijn eigen versie wijkt nauwelijks af van alle anderen, maar ik zal ‘m desondanks hierbij doen. Omdat het lekker is.

 

Men neme een kool. Spitskool is hier lekker voor. Snij het in dunne reepjes. 

Een zooi wortels, ook in dunne reepjes. 

Ook een tomaatje, pitjes eruit en in stukjes. Eigenlijk moet deze ook in reepjes, maar het is geen modeshow maar een gerecht.

Een knoflook of twee en een uitje, beiden klein gesneden.

Kruiden als serehpoeder, ketoembar, wat djahe omdat dit smaak geeft en gezond is.

In plaats van zout en peper wat kruidenbouillon erin, die van de toko.

Twee of drie eitjes, met een vork losgemept met wat soja erbij.

Sambal naar smaak. Geen badjak (te zoetig) maar een oelek of brandal zelfs, ook heerlijk.

 

Wat te doen:

Rul de eitjes met wat zout en peper of de kruidenbouillon die je inmiddels in de kast moet hebben staan. Zet opzij.

Doe ui en knoflook in de wadjan met wat olie.

Als deze geurig worden, wortels erin, gevolgd door de spitskool en de sambal.

Zodra de spitskool gaat garen, tomaat erin en dan het ei en de kruiden.

Goed door elkaar rammelen.

Dat was het. Ideaal, toch?

Selamat makan zegt men dan in Bandung en omstreken.

 

Wat is hier anders aan? De bouillon en eigenlijk ook de djahe. In de regel doet men dit er niet in. Ik hou van djahe; het pept elke maaltijd een beetje extra op. En het ei. Die wordt altijd meegebakken als de kool gaar is. Omdat ei moet stollen en dit tijd in beslag neemt, kan de kool te gaar worden en kun je het beter door aardappels heen prakken dan als orak arik gebruiken. En met rullen wordt het ook mooier.

Handige tips van een fervente indo eten liefhebster.

 

 

Een orak arik uit de tijd dat ik het ei nog rauw er doorheen rammelde. Het ziet er niet strak uit, maar smaakt wel lekker. Grotere stukjes kool (daar hou ik van) op een niet zon flatterend bordje waardoor het gerecht flets overkomt. Sorry daarvoor; ik zal m’n leven beteren.

Pho

Televisiekoks, oh got oh got oh got. De drang die ze hebben om op te willen vallen, rijst letterlijk de pan uit. Als ze niet hemel en aarde bijeen kankeren en het personeel verbaal door de drek halen, verkrachten ze recepten omdat ze er een nieuwe draai aan willen geven. Maat: om ergens een nieuwe draai aan te kunnen geven, moet je eerst het originele recept onder de knie hebben. En daar zit nou net heel veel onkunde.

Een Pho bereiden, iets dat je het staatsgerecht van Vietnam kunt noemen, moet je de juiste ingrediënten gebruiken. En hoewel al die Rutgers en Jamies, hoe ze ook allemaal mogen heten, je wijs proberen te maken dat je platte rijst noedels kunt vervangen door mie: koop een goed kookboek of haal het recept van het net af, want dan heb je de juiste smaak met de juiste ingrediënten. En mie hoort daar volstrekt niet bij. Als je Vietnamezen wilt horen lachen en knarsetanden tegelijk, moet je ze vragen wat ze van het Pho recept van westerse koks vinden. Pho is hún recept, het is iets dat Vietnam vertegenwoordigt, en als je dit wijzigt omdat je te lui bent om naar de toko te gaan voor platte rijstnoedels, moet je het gerecht niet maken.

Het is trouwens toch al lang bekend dat al die tv koks alleen voor de cameras een pollepel in de hand nemen, want in de keuken van hun eigen restaurant zijn ze niet te vinden. Alleen als er een cameraploeg komt, want daar doen ze alles voor.

Ik heb eens een kokkin, zo’n groentje die net van de kookschool afkwam en mij wilde vertellen hoe ik het beste rijst kan koken, een knoflookteentje naar het hiernamaals zien helpen. Het teentje lag op een snijplank niets te doen, geduldig wachtend op haar moment voor de camera, toen de kokkin een vijftig centimeter lang en tien centimeter breed zwaard in haar hand nam en dit met de vlakke kant op het niets vermoedende knoflookteentje beukte. Dat kreng zag er meteen uit als roadkill die twee dagen in de zengende zon had gelegen. Tussen de velletjes door haalde de kookster een paar sliertjes knoflook tevoorschijn om in haar gerecht te gebruiken. Welk gerecht dat was: geen idee. Zal wel een verminkte pho geweest zijn.

Er zijn ook goede koks op tv, zeker weten. Maar dat zijn mensen die hun gerechten op de buis via geur en kleur en met liefde voor hun vak aanprijzen, en niet de tv gebruiken om zichzelf te verkopen. 

Op 24Kitchen is bijvoorbeeld Eveline Wu. Zij verstaat haar vak, maakt heerlijke gerechten en je kunt zien dat ze ervan geniet. Op diezelfde zender is ook zo’n gast die dag in dag uit met z’n bakkes op tv komt. Het is een wat oudere knaap met een bril, die eens uitlegde hoe een club sandwich maakt. In m’n allereerste pruttelpot heb ik dit al eventjes aangehaald. Punt is: in m’n jonge jaren was ik dol op clubsandwiches en het was altijd feest om er eentje te bereiden. Maar niet op de manier zoals deze gast het deed. Aanvankelijk was hij aardig bezig, maar ging compleet het schip in toen de kaas kwam. In plaats van heerlijke smeuïge Cheddar te gebruiken die je in speciaalzaken kunt krijgen of verpakt in blokken rechtstreeks vanuit Engeland haalt, maakte hij een pakje van die vierkantjes “kaas” open die je normaliter in je Simson reparatiedoosje in de schuur hebt om de binnenband van je fiets te plakken. Ik heb de tv uitgezet en weiger nog langer naar die zender te kijken. 

Die 24uurskeuken schijnt overigens een opvangbak te zijn voor iedereen die eens aan Heel Holland Bakt heeft meegedaan; van die hobbykoks die aardig bakken maar het charisma van een klemmende schuifdeur bezitten.

Nu ik het er toch over heb: wat is dat met Heel Holland Bakt? Wanneer komen we af van die afgrijselijke soesjestoren? En wanneer gaan de deelnemers eens brood bakken, echt brood, zoals dat in de originele Engelse versie gebeurt? Als ze bij HHB een opdracht krijgen waarmee bladerdeeg is gemoeid, ligt dat spul al kant en klaar op hun werkvlak. Zouden ze dat niet zelf eens kunnen doen? Pas dan weet je of iemand kan bakken. Want thuis oefenen ze allemaal op soesjestorens en die keiharde gemberkoek om een huisje van te bouwen dat toch voor de presentatie al in elkaar flikkert. En, geef maar toe: dat is waar we op wachten. Desondanks is HHB nog altijd leuker dan die prima-donna profkoks die mie gebruiken in pho.

 

Misschien is een frisse salade wel op z’n plek na al dit gebazel.

Een blikje kikkererwten of boterbonen, waar je op dat precieze moment dan ook trek in hebt

Een bosuitje of twee, klein snijden

Een knoflookje, niet geplet maar klein gesneden

Scheutje of drie, vier lekkere azijn naar keuze en twee scheutjes olijfolie

Wat zout en peper

Zongedroogde tomaten, een stuk of vijf of meer als je ze lekker vindt, zoals ik, in stukjes

Een theelepel of twee kappertjes

 

Goed, we hebben de ingrediënten, en nu?

Okidook: erwten of bonen laten uitlekken

Bosuitje, knoflook en kappertjes in een schaal, azijn erop alsook zout en peper

Olijfolie beetje voor beetje er al kloppend bij gieten zodat alles goed vermengd wordt

Dan de rest erin en effies wegzetten zodat geur en smaak intrekken

Meer heb je niet nodig voor een frisse en voedzame salade voor twee

Als je van een beetje zoetig houdt, strooi er een pietsie steranijs overheen

 

Zongedroogde tomaten kun je heel eenvoudig zelf maken. Je snijdt tomaten in stukjes en mengt ze met olijfolie, geperste knoflook en eventueel kappertjes, en een zwik kruiden naar keuze. Je doet heel de mikmak op een bakplaat in de oven, temp op 200 en in de gaten houden. 

Toch vraag ik me af: waarom zou je al dit gepiel willen doen? Een potje van de Lidl is namelijk net zo lekker en heel errug makkelijk.

 

 

Geen pho maar Japanse ramen, de Nederlandse versie. Vandaar de doperwten en ook omdat ik die lekker vindt om te eten. Gaat dat niet tegen alles in wat ik hierboven over pho heb gezegd? Noop. Ik beweer namelijk niet dat dit de authentieke versie is en dat alle Japanners net zo dol zijn op erwtjes als ik. Ook ben ik bekend met de Japanse versie, die heel lekker is. Maar soms heb ik effies geen zin om veel te doen en dan wordt het ramen a la hollandaise zonder dat getut van een eitje koken en allerlei troelala erop. Een erwtje, een sojabrokje, ramen, bouillon en kruiden. Dit samen met een bundel van Nishiwaki Junzaburō erbij, geeft jeu aan een dag.

 

Our maid from Shimousa

hides in her trunk

a photograph of Greta Garbo

 

Sojabrokjes

Er kwam een moment in m’n leven dat ik ervoor koos vegetariër te worden. Het was geen nobel iets, ingegeven door het lot van de stukjes dier die in de koelschappen van iedere supermarkt liggen onder een strakgetrokken plasticje, hoewel ik wel van jongs af aan een dierenvriendinnetje ben geweest. Wat mij ertoe aanzette om op m’n zestiende tegen m’n moeder te verkondigen dat ik vegetariër werd, weet ik achteraf niet meer. Misschien puberale opstand. Wat ik me wel kan herinneren, is dat mijn moeder zei dat ik een doktersafspraak moest maken om dit met hem te bespreken. We bevinden ons nu midden in de jaren ‘70, de tijd waarin de geitenwollensokken brigade geen mythe was. Geen idee wat m’n moeder verwachtte wat een dokter voor me kon doen op dit vlak. Ik was daar wel nieuwsgierig naar dus maakte een afspraak. Tijdens het avondeten, aardappels en groente voor mij, geen vlees, werd mijn keuze besproken. De algehele consensus was dat ik zou verzwakken.

De volgende ochtend tegenover de dokter, hield ik m’n blik gegeneerd op het tafelblad gericht en zei dat mijn moeder mij naar hem had gestuurd omdat ik als vegetariër wilde verder leven. Hoe zijn reactie was, weet ik niet, want ik bleef het tafelblad bestuderen. Onder het schrijfblad staken een aantal velletjes van zijn medicijnenblok vandaan, ongeschreven. Hij trok de bovenste er tussenuit, schreef er iets op en gaf het aan mij. Het was voor een bessendrankje om mij op kracht te houden. Diezelfde dag nog leverde ik het bij de apotheek in en kreeg een flinke fles ervoor retour. De apothecaresse gaf mij als advies dit dagelijks te drinken.

‘Drink je wel melk?’, vroeg ze. Ik knikte, blik maar weer eens gegeneerd naar de grond gericht ditmaal. ‘Mooi. Zo blijft je lichaam krachtig.’

De fles bessendrank was binnen een week op. Het smaakte lekker en ik voelde geen verschil in kracht. Dit was in een tijd dat ik aan hardlopen deed en ik maakte dagelijks m’n kilometers net zo makkelijk als voorheen.

Ik hield het vegetariër zijn op die leeftijd niet vol. Mijn kennis ervan was nihil, in de winkels was er niets te krijgen en bij de zogenaamde reformwinkels, waar ze wel een vegetarisch product of twee hadden, liepen er ongure types rond met van die bruine plastic sandaaltjes waarvan de gesp altijd rinkelde. 

Zo’n zestien jaar later werd ik alsnog vegetariër, dit keer voorgoed. In de tussenliggende jaren waren eco winkels als paddenstoelen uit de grond geschoten met een aardig aanbod van vegetarische producten in de schappen. Ik had van sojabrokken gehoord en haalde daar een pak van. Thuisgekomen merkte ik dat er geen gebruiksaanwijzing opzat, niets in de geest van “een half uur op 200 graden in de oven, eenmaal draaien”. Het waren harde brokjes, dobbelsteentjes. Aangezien noch mijn kracht noch mijn gezonde verstand was afgenomen nu ik vegetariër was, redeneerde ik alsvolgt: het is hard, ergo heet water kan het zacht maken, net zoals bij aardappels of spruitjes gebeurt. Ik zette een pan water op het vuur en bekeek het pak sojabrokjes nogmaals aandachtig om er zeker van te zijn dat ik de gebruiksaanwijzing niet had gemist. Noop. 500 gram gecertificeerde sojabrokjes. De tijd van gecertificeerde producten en geïmpregneerde kerstbomen was inmiddels in volle gang.

Het water kwam aan de kook en ik flikkerde de volledige inhoud van het pak erin. Mijn redenatie hierachter was: een pondje vlees is gelijk aan een pondje sojabrokken. Als ik nu alles meteen klaarmaak, kan ik het morgen ook nog als beleg op de boterham gebruiken. Slim gedacht, dame. Genoegelijk klopte ik mezelf op de rug.

De sojabrokken hadden tijdens mijn onanerende juichpartij een weg uit de borrelende pan gevonden. Ze hadden een exponentiële groei meegemaakt die niet evenredig was aan de hoeveelheid water waarin ze zich bevonden. Hierdoor waren degenen die de pan uitslopen zacht en volgelopen met water, terwijl degenen die eronder zaten zich aan de pan hadden vastgezogen en zwart aan het verkleuren waren.

Okee, dit was dus niet zoals het hoorde, dacht ik, gevolgd door: morgen maar weer kaas op m’n bammetje dan. Met een vork prikte ik de brokjes van het gaststel af en at deze. Ze waren zacht en sappig en zo smaakloos als een wit sneetje supermarktbrood van 69 cent. De tijd was aangebroken om me serieus in het fenomeen vegetariër alsook sojabrokjes te verdiepen zodat ik wist wat ik aan het doen was. Aldus geschiedde.

 

Een aardige basis om sojabrokjes smakelijk te maken:

Pan met water en kruiden naar keuze erin, een bouillonblokje maakt al een wereld verschil maar doe eens dol

Aan de kook

Handjevol of twee handjes sojabrokjes erin flikkeren

Nogmaals aan de kook en daarna vuur uit

Met deksel op de pan de inhoud vergeten

Later op de dag tijdens een “oh ja, jezis, ook dat nog” moment de sojabrokjes uit de pan scheppen

Vocht eruit drukken -als je het lang genoeg laat staan, kan dit tussen de handen geknepen worden

Eventueel marineren

Gebruiken voor sateetjes, babi ketjap, chili sin carne, yakitori, wat dan ook, al naar gelang de kruiden die je gebruikt voor de marinade

En dat is een echt bon appetit moment

 

 

Yakitori is heel goed met sojabrokjes te maken. De kunst is om niet te verzwakken, hoor ik mn familieleden roepen. Shhhtt. De echte kunst is om de juiste kruiden te gebruiken. Dit klinkt logisch en heel simpel en dat is het ook. Bedenk dat er meer in het leven is dan peper en zout. Doe eens gek met kruiden: ga naar een toko en haal iets Japans in huis, iets uit Korea of Indonesië. Of China, haal Chinese sojasaus, licht en donker, om wat meer jeu aan de brokjes te geven. Zo is dat ook met deze yakitori gegaan, die heel erg smakelijk was. Lees een recept, knik, zeg tegen jezelf: dat kan ik beter, en begin er aan. Dan is het misschien niet beter, zeker een eerste keer kan het falikant misgaan, maar het is iets van jezelf. Smaakt het niet dan mik je het weg en begint opnieuw.

Zoals een wijs iemand eens zei: het leven is te kort voor saai voedsel. Alternatief: het leven is te kort om niet van voedsel te kunnen genieten. Vooral dat laatste woord is belangrijk.

Pruttel intro 

Olie in pan

“Bief”stukjes erbij alsook half gesnipperd uitje

Amper een eetlepel teriyaki saus toevoegen en aanbraden

Twee uitgeperste sinaasappels erin, tenminste, het sap ervan

Aan de kook brengen, dan pruttelen

Beetje gemalen steranijs en gember erbij

Witte peper en een beetje zout

Vuur uit en laten intrekken

Voor opdienen eerst effies opwarmen

Een handje gehalveerde cherrytomaten toevoegen

Met rijst eten

Advies: doe een beetje frivool en mik er chinese bouillonkruiden in voor extra smaak

 

Bovenstaand receptje is zomaar een uitprobeersel. Dat is de essentie van het koken: proberen iets te maken met de ingrediënten die je in huis hebt. Er is een tijd geweest dat ik trouw recepten volgde, maar toen ik een hele middag had doorgebracht op de Haagse markt en omliggende winkels op zoek naar asafoetida poeder, begon ik me af te vragen of al dit gezoek mijn tijd wel waard was. Eenmaal thuis opende ik het potje en mijn neusgaten vulden zich met een geur die het midden hield tussen drie dagen oud braaksel vermengd met Servische ezelkaas. Hup, dekseltje snel dicht hoewel deze onwelriekende aroma nog drie dagen in m’n neus zou blijven hangen. En waar is dat spul goed voor? Het houdt de bipsboertjes tegen zodat je de goden niet beledigt. Gekker kun je het niet verzinnen. 

Het is goed, hoor: ik gun iedereen een eigen inbreng en interpretatie van hun gekozen god, maar ze zouden ook zelf kunnen toegeven dat ze soms wel heel erg ver gaan in hun zogenaamde devotie.

Vanzelfsprekend heb ik het spul in een gerecht gedaan. De verspilde middag zou niet voor niets geweest zijn. Eenmaal in het gerecht verdween de geur van het poeder zo goed als, en de smaak werd er niet door aangetast. M’n dagelijkse quota aan bipsboertjes bleef eveneens onveranderd dus volgens mij is het gewoonweg een grote grap.

Dit is geen kookboek noch een kookrubriek. Daar hebben we al meer dan genoeg van. Pruttelend op het achterpitje geeft voornamelijk mijn staat van zijn weer. Ik merk zoveel waanzin om me heen dat als waarheid uitgebraakt wordt, dat ik mezelf zie als dat metalen potje koffie dat vroeger altijd aan de pruttel werd gehouden op het kleine vuur “voor het geval iemand onverwacht op de koffie komt”. Of diegene het dan op prijs stelt een bakkie leut voorgeschoteld te krijgen die compleet is doodgekookt, werd niet gevraagd. 

De enige overeenkomst met een kookrubriek is, dat ik het hier over het eten zal hebben. En drinken. En over alle prullaria er omheen, het snobisme over een glaasje wijn of eitjes van een vis, hoe heet dat spul ook weer… oh ja: kaviaar; over dat soort dingen pruttel ik graag. Want waar gaat dat in hemelsnaam over? En over die tv zenders waar de ene malloot die een cursus prettig koken heeft gevolgd, de andere malloot van dezelfde kookschool probeert te overtreffen met pedant geleuter. Over hoe een malloot op 24Kitchen (“keuken” is waarschijnlijk te alledaags) een sandwich maakt met plakjes plastic cheddar ertussen. M’n mond viel open toen ik dit zag en zijn yumyumyum was volkomen ongepast. Plastic cheddar; van die vierkante plakjes die ze op een McDonald’s broodje doen met een lapje samenraapsel eronder dat een hamburger moet voorstellen, en waar je dan vier en een halve piek voor moet neerleggen. Ik heb de prijs op het net moeten opzoeken want ik kom nooit in dat soort tenten. Dit is overigens geen snobisme maar ik wil m’n ingewanden gezond houden met goed voedsel.

En zo tussendoor wissel ik mijn ongeloof af met een receptje en een anecdote. Waarom ook niet? Sommige mensen timmeren bootjes uit wrakhout, anderen knippen karton aan flarden en noemen het kunst, weer anderen halen hun plezier uit winkelen. Ik hou van schrijven, dat is wat ik doe en wat ik kan. Ook hou ik van koken en eten. Voor een vegetarische Bourgondiër zoals ik is de lekkerste combi een mengeling van alle dingen die me op culinair niveau blij maken.

 

Deze soep heeft niets met bovenstaand gerecht te maken. Het betreft een zelf verzonnen (zoals alle gerechten die hier voorgeschoteld worden) miso soep die enorm lekker was. Okee, ik morste een deel ervan op mn shirt omdat ik was vergeten dat aan de kant, waaruit ik het laatste restje dronk, een gaatje zit om de stokjes doorheen te doen.

Zoals je ziet, leid ik een boeiend leven waarin veel waspoeder wordt gebruikt.