Babbelkunst

Babbelkunst is een boek met gesprekken cq interviews die ik in 2023-2024 met diverse kunstenaars uit de regio Noord Holland heb gehouden. In totaal heb ik met 23 kunstenaars gepraat over kunst, wat zij als kunst zien, en ook hoe de kunst in hun pesoonlijke leven past. Want de meeste kunstenaars kunnen niet van hun product leven en moeten naast hun passie op de éen of andere manier aan geld zien te komen voor een bammetje kaas.

Het waren gesprekken die soms met enorme diepgang gepaard gingen, soms hilarisch waren, maar bovenal heel fijn om te merken hoe kunstenaars zich openstelden tegenover iemand die zomaar wat vragen stelde.

Uit de 23 gesprekken heb ik er 8 gekozen. Dit is gedaan op basis van puur mijn persoonlijke preferentie en zegt niets over de kunstenaars die onderstaand geen plek hebben gekregen. Het gaat gewoon om mijn eigen smaak en hoe het interview leest.

alle interviews zijn onderhevig aan copyright

Y. Janssens, juli 2026

Hanna Looye. Er valt zo veel te vertellen over deze kunstenares, maar het is beter om haarzelf aan het woord te laten.

Zodra wij voor het interview tegenover elkaar zaten in De Oude Keuken in Castricum en het woord "kunst" viel, kwam de passie in haar blik. Zij leeft voor haar kunst en haar kennis van het door haar gekozen vak gaat heel diep. Ik kende haar van een project dat zij eerder in Wijk aan Zee deed en waarvoor ik een korte interview maakte voor het dorpskrantje. Toen het idee bij mij opkwam om kunstenaars te laten praten, schoot zij meteen mijn gedachten binnen. En ik ben blij dat zij toezegde om eraan mee te willen werken.

Het gesprek met Hanna is mij altijd bijgebleven. Ook bij het teruglezen ervan, voelde ik hernieuwd de warmte die zij voor het onderwerp kunst heeft.

 

Hanna Looye

 

Wat betekent kunst voor jou?

‘Kunst doet me zoveel en meestal als ik erover begin met mensen die niet kunstenaar zijn, dan zitten ze van: okee, je wordt nu wel heel erg gepassioneerd. Voor mij is kunst... Het mooiste verhaal vind ik eigenlijk van mijn moeder. Mijn moeder is ook kunstenaar. Zij is opgegroeid in Rotterdam en toen zij voor het eerst naar Boymans ging en daar het werk zag, was voor haar het idee, dat de wereld niet compleet gek is. Je bent tiener en je snapt het niet meer, jaren ’60, major generatiebreuk met haar ouders, en dat ze echt zoekt naar dingen met zingeving. En puur het feit dat iemand de werkelijkheid schildert op een manier die jij voelt: nu heeft het zin, ik ben niet alleen. Ik denk dat ik dat ook wel heel erg mooi vind wat een bekende acteur laatst zei: in het dagelijks leven heb je niet echt kunst of gedichten of boeken nodig, maar op het moment dat jouw vader overlijdt of dat jij met liefdesverdriet zit, vraag je je af: ben ik nou de enige die zich zo voelt? En dan wordt kunst relevant, dan wordt kunst belangrijk.

‘Kunst is een manier dat iemand anders jou laat zien: zo ga ik om met mijn emoties of zo kan je omgaan met jouw ideeën of met jouw visie naar de wereld. En het hoeft niet eens mooi te zijn of gezellig of fijn. Ik bedoel Bacon of Lucian Freud zijn niet bepaald verfijnd. Hun schilderen is heel erg vlezig, heel pijnlijk. Het is rauw, maar het is nog steeds draaglijk en mooi. Dit onderdeel van het leven hoort er ook bij. Ik denk dat goede kunst is, verschillende facetten van het leven zien en dat je gezien wordt, het neemt je mee.

‘Als we het houden op mijn vakgebied is kunst als brood: ik heb het gewoon nodig, iedereen heeft het nodig, denk ik, in meer of mindere mate. Maar ook goed brood. Als je ooit eens een keer een echt baguette van een Franse bakker hebt gegeten dan wil je geen fabrieksbrood meer. Als je het geld hebt, wil je niet meer fabrieksbrood. Daarom kan ik ook zo ontiegelijk pissig worden als mensen met troep aankomen en roepen: het is kunst. Dat vind ik hetzelfde als mensen laten honger lijden. Ik weet dat men denkt: nou, zo heftig is dat ook weer niet, maar ik heb zoiets dat ik het verschrikkelijk vind. Wat ik het erge daaraan vind, is bij kunst als je vindt dat het echt niet te eten is, dat ze zeggen: maar dan snap je het niet. Een echte kunstliefhebber snapt dit. Dan mag je van mijn part van de berg afgeduwd worden, want dan ben je echt verschrikkelijk naar.’

 

De liefde van het spel

‘Omdat kunst op z’n best zo ontiegelijk voedend kan zijn en je het gevoel kan geven dat je niet alleen bent, dat je onderdeel bent van een groot geheel en dat het leven de moeite waard is, dat is kunst op z’n best. En daarnaast, de laatste tijd is er zo ontiegelijk veel gebeurd met werk door AI dat je zegt: is dat dan kunst? Je zou kunnen zeggen dat vanuit de consument gezien, degene die het ziet, zou je zeker kunnen beargumenteren dat dat kunst is, want het is echt mooi en het doet wat met je. Voor de maker is het niet kunst, want het is een beetje hetzelfde als zeggen dat de jongen die op zijn computer een voetbalwedstrijd speelt hetzelfde is als iemand die voetbalt. Dat is niet zo. Als tekenaar, schilder, beeldhouwer, dat soort dingen, heb je joy en de liefde van het spel, van het doen, van het jouw idee proberen zo goed mogelijk neer te zetten. Jouw tools zijn jouw hersens en jouw handen en dan is het maar hopen dat het maar enigszins in de buurt komt van wat je wilt. En de lol van het vakmanschap, dat is iets dat je iedereen gunt.

‘Ik heb ook werken van autodidacten hangen, die vind ik mooi en het is ook om mezelf eraan te herinneren dat techniek niet alles is. 

‘Vroeger was kunst het meesterwerk, het ding waarmee je afstudeerde bij de gilde en je meester kon worden. Wat ik heel erg leuk vind aan bepaalde schilderijen of een bepaald werk, iets dat je waarschijnlijk niet ziet als je niet zelf schildert of tekent, is dat ik zie: oh, dat is echt heel anders aangepakt, zit technisch heel goed in elkaar. Dat is ook leren van een ander van hoe breng jij je emoties over. Ik denk dat het uitmaakt dat, als je naar een voetbalwedstrijd kijkt, of je zelf voetbalt of niet. Ik denk dat er ook ergens zo iets is bij mensen die proberen hun geld ermee te verdienen, dat ze eigenlijk proberen te zeggen: luister, ik hoop dat ik lang genoeg heb getekend of geschilderd of gebeeldhouwd, dat ik helder ideeën kan overbrengen die communiceren, die mensen raken en voeden. Dat is wat ik wil. En dat je zoiets hebt van: dit wil ik in mijn huis, dit wil ik hebben, dit wil ik in mijn leven. Dat is, denk ik, mijn streven als kunstenaar.’

 

Kunstacademie

‘De reden waarom ik striptekenen ben gaan doen, is omdat in mijn ogen qua tekenen bij striptekenen een paar van de beste tekenaars zitten. Ik vind ze echt heel erg goed. De meeste ontwikkeling op dit moment is in animatie, dankzij Pixar enzo en in striptekenen. Ik beken dat ik niet voldoende weet van de hedendaagse graffiti kunstenaars of de klassiek getrainde portretschilders om te zeggen wie daar goed is en wie niet. Daarin speelt persoonlijke smaak ook een rol. Ik kan me helaas niet verdiepen in alle disciplines binnen de beeldende kunst.

‘Ik heb eerst de kunstacademie gedaan, de klassieke kunstacademie, en daar krijg je heel erg veel hele goede portretten te zien, dat je denkt: ja, dat is leuk, maar wat vertelt het mij nou en wat doet het me nou eigenlijk. Voor mij is het belangrijker dat een werk communiceert dan dat het heel erg mooi is. Want als je het niet hoort, wat voor zin heeft het dan dat die boom in het bos valt? 

‘Mijn moeder was kunstenaar, kostuumontwerpster en schilder, en mijn vader is architect, dus wij hadden boekenkasten vol met kunstboeken. Maar de eerste schilderijen en tekeningen die mij echt raakten, waren de kinderboekentekeningen, de illustraties van Winnie de Pooh, Brammert en Tissie en Moem. Alle andere kunstwerken die ik zag, deden me gewoon minder. Ik bedoel, dankzij mijn ouders ken ik de kunstgeschiedenis beter dan gemiddeld. En ik heb cultureel antropologie gestudeerd, gespecialiseerd in niet-westerse kunst. Dus ik heb kunstwerken gezocht buiten Europa. 

‘Een achtjarige die voor het eerst een boek heeft waar die over- en overnieuw in kan kijken, die plaatjes, dat gevoel. Dat je elke keer denkt: mag ik heel even in dit wereldje zijn, ik wil hier eigenlijk niet weg. Als het mij lukt een paar werken te maken die dat sfeertje oproept en volwassenen -want ik denk dat de beste kinderboeken tekeningen voor volwassenen en kinderen zijn-, als mij dat lukt dan ben ik goed, dan ben ik klaar, dan heb ik gehaald wat ik wil halen. Ik hoef niet per sé populair te zijn of dat soort dingen, maar ik zou wel iemand dat wereldje willen geven, al is het maar éen kind.’

 

Striptekenen

‘Sempé (Le Petit Nicolas), dat is bijna meer een illustrator maar dat sfeertje vind ik geweldig. Ik vind Hanco Kolk (Single) met wat hij kan doen met éen lijn, briljant. Maaike Hartjes (haar stripjes) vind ik heel schattig in haar kleur, en haar vlakverdeling en compositie vind ik heel goed. Bill Waterson (Calvin en Hobbes).

‘En dan een niveautje hoger: Moebius (Incal). Moebius heeft o.a. Incal getekend en Captain Blueberry. Ravian is van een tijdreiziger en is een vriend van Moebius. Grzegorz Rosinski (Thorgal): briljant getekend. Ik denk niet dat ik dat ooit kan en snap niet hoe iemand dat doet. Ook Franz (Broughe) en Jean-Claude Mézières (Ravian).

‘Laatst heb ik een tekenaar gevonden uit de jaren ’80 die de meest gave grafische werken maakt. Maar je hebt nu een paar tekenaars bij DC en bij Marvel die de meest briljante dingen doen. Je hebt Mr Fantastic: briljant. Ik ben niet heel erg van Batman. Jim Lee is heel erg goed maar het pakt me minder. Ik zie ze allemaal voor me, en er zitten een paar zo goeie bij, dat zie je gewoon in hun tekeningen, en die hebben het menselijk lichaam tot in de finesse door. De charme van Hanco Kolk is, dat de boodschap belangrijker is dan de techniek, het overbrengen van wat hij wil vertellen, staat als een huis. Maar als je het dan hebt over de geniale tekenaars dan heb je het over Moebius en Rosinski, en de striptekenaars die nu werken voor Marvel en DC. Dan merk je toch wel dat dat zijn de hele goeie.’

 

Animé

‘Ik ben nu met m’n kinderen in animé beland en dat is heel erg leuk. Met mijn jongste van 9 ben ik nu Dragonball Z aan het kijken tot we het allebei niet meer trokken omdat het zo tergend langzaam gaat en niemand iets doet. Het gave is, dat het veel dynamischer is dan Europese strips. Amerikaanse strips gingen heel erg vanuit de illustratie naar de strip en hebben op een bepaald moment de dynamiek overgenomen van de Japanse strips, de animé. De animé heeft veel meer van verkorting en dynamiek en de handen zijn steengoed getekend. De koppies lijken nergens op -in die zin zijn de Europese strips veel beter- maar de handen... Iemand vertelde mij dat als jij een portret hebt, heb je eigenlijk een portret van het gezicht en de handen, want de handen vertellen ontiegelijk veel. Het maakt dus niet zo veel uit wat het gezicht zegt, en blijkbaar kun je de neus helemaal weghalen, maar de handen moeten realistisch zijn. In animé heb ik nu Demon Slayer. Ik zou wel willen, maar ik kan niet tegen horror. Werken die ik heel erg goed vind maar waarvan ik denk dat de boodschap te negatief is, te eng, dat kan ik niet, dan word ik te emotioneel. Ik zou er dus ook niks zinvols over zeggen.’

 

Studie

‘Ik wou altijd al schilder worden, of tekenaar, maar mijn ouders hadden allebei zoiets van: je kan er geen droog brood mee verdienen en je bent slim dus ga de universiteit doen. Toen heb ik een studie gekozen waarmee je ook geen droog brood kan verdienen: culturele antropologie. Dat is de studie van niet-westerse samenleving. Het is eigenlijk een studie geënt op het colonialisme, van: laten we de plaatselijke bevolking kennen dan kunnen we die beter in het gareel houden. Het is eigenlijk een soort zwaar uitgebreide onderzoeksjournalistiek wat je daar deed. Maar kunst bleef me boeien. Als ik tijd over had, ging ik zelf naar de kunstgeschiedenis afdelingen en kunstboeken doornemen. Toen heb ik een onderzoek gedaan naar kunstenaars die opgegroeid zijn in de Sovjet Unie, want ergens hoopte ik toch dat er techniek geleerd kon worden. Mijn ouders hadden namelijk zoiets van: je kan geen techniek leren op de academie, waar ik het mee eens ben, want op de gemiddeld academie in Nederland leer je gewoon geen techniek. Maar waar dan wel? Toen heb ik Sovjet kunstenaars onderzocht die vanaf hun twaalfde echt met een rigoreuze technische opleiding bezig waren en die na de val van de muur naar Europa zijn gegaan en hier fulltime werk konden vinden. En de confrontatie met het feit dat kunst en smaak niet universeel zijn en wat zij hadden geleerd, was uit en niet relevant in de Nederlandse kunstwereld. En hoe je daar dan mee omgaat en waar jouw identiteit als kunstenaar dan op gestoeld is. En terwijl ik onderzoek deed, dacht ik alleen maar: ik wil dit ook, ik wil dit ook. Dus toen ik klaar was met mijn studie, scriptie geschreven, mocht ik van mezelf naar de kunstacademie. 

‘Je hebt een privé academie in Amsterdam, de Wackers Academie en daar leer je nog echt techniek. Twee jaar alleen maar met houtskool, alleen maar portretten, alleen maar modellen, alleen maar dit en dat. Ik was heel erg gelukkig daar. Bij de universiteit had ik altijd het idee dat ik zat te bluffen en ik snapte niet waarom ik een 8 had en ik snapte ook niet waarom ik een 5 had. Ik snapte niet wat ik deed. Ik kwam er mee weg, maar ik snapte het niet echt. Op het moment dat ik papier en potlood had, papier en houtskool, en iemand zei je moet dit en dit doen, snapte ik het ook, en ik snapte wat ik fout deed. Dat was voor mij zo fijn: dit snap ik, dit kan ik.

‘Voor mij is muziek een compleet ver van m’n bed show. Nooit een muziek instrument in handen gekregen, ik weet niet hoe dat werkt. Maar tekenen weet ik. Dus toen zat ik op de academie en kreeg ik mijn oudste, in de veronderstelling dat ik dat er wel naast kon doen, maar dat bleek niet zo te zijn. Dus ben ik gaan striptekenen uit pure wanhoop. Ik was bezig met schilderijen van olieverf waar ik 4 uur aan kon wijden. In mijn studio hangt een olieverfportret van een dame die uit kijkt, dat is academiewerk en dat kon niet meer. Maar ik moest wat, want er zit toch een redelijke verslavingsfactor aan tekenen. Ik denk dat de beste tekenaars een zooitje workaholics zijn. Nu ben ik minimaal twee uur per dag aan het tekenen en het liefst teken ik de hele dag. Toen ben ik gaan striptekenen om m’n frustraties op een grappige manier uit te beelden en omdat ik zelf al een enorme collectie had van strips, ben ik gaan kijken hoe het precies in elkaar zit. En toen realiseerde ik me hoe ontiegelijk steengoed striptekenen kon zijn en ben ik het zelf serieuzer gaan nemen.’

 

De Tuinman en de Dood

‘Laatst heb ik voor de lol een strip gemaakt van De Tuinman en de Dood, een gedicht uit 1900. Dat heb ik verstript. Ik heb een tijd strips gemaakt en heb ze aan de man geprobeerd te brengen, maar moet bekennen dat ik daar niet goed ik ben. Ik vind het verschrikkelijk, probeer het uit te stellen en ben heel erg blij met social media. Het is makkelijk om mezelf bij de nekharen te pakken en te zeggen: je moet dagelijks posten. Elke keer als ik iets af heb en denk dat is goed, stuur ik het op en dan... Maar zo gaat het: ze krijgen duizenden manuscripten per dag binnen dus ik neem het ze niet kwalijk. Ik moet zeggen dat hoe langer ik het doe, hoe makkelijker het is om weer op te staan en door te gaan.

‘In het begin, net klaar met de academie, had ik voor iemand een boek geïllustreerd, een paar prenten voor een boek voor m’n neefje. Hij wilde graag een broertje of een zusje en dat lukte maar niet. En dat heb ik opgestuurd naar een uitgeverij en daarmee heb ik een wedstrijd gewonnen. Ik dacht -dat was 9 jaar geleden: nu begint het. Ik mocht met behulp van een editor heel het boek uitmaken en toen het klaar was, zeiden ze: we doen het toch niet. Ik had er een jaar werk in gestopt. Eigenlijk had ik achteraf misschien moeten zeggen: prima, kan gebeuren, op naar de volgende. Maar ik was helemaal... Dat is iets wat je moet leren, in die zin eelt krijgen, want het is niet persoonlijk. Uiteindelijk denk ik dat het de mensen zijn die het meest aan de deuren kloppen en zeggen: geef me een kans en ik wil iets proberen. Je komt er niet alleen. Het is  mij nog niet gelukt om officieel uitgegeven te worden, maar ik vind het belangrijk om te doen. Het is voor mij in ieder geval een remedie tegen mijn perfectionisme. Als ik blijf denken: als ik nou de perfecte tekening maak, het perfecte schilderij, dan word ik wel uitgegeven, maar zo werkt dat niet. Andy Warhol zei: de enige reden waarom ik bekend ben geworden, is omdat ik naar elk feestje in New York ging. Iemand zei ook: werk verkopen is 70% acquisitie en 30% productie.’

 

Lesgeven

‘Los van de droom van iemand te kunnen raken, iets te bieden wat ik heb gekregen van kunst met mijn werk, vind ik dat als ik les geef ik dat ook moet blijven proberen voor mijn leerlingen. Ik ben het niet met de boodschap eens, dat je geen droog brood kan verdienen met kunst. Er is een behoefte aan, alleen is het aanbod vele malen groter dan de vraag. Wat mij ook verbaast, en dat is goed om te weten want dat haalt ook een beetje de druk eraf: een hoop mensen zien het niet. Collegas weten dat er een verschil van jaren werk, dat er jaren oefenen zit tussen een 8 en een 9. De meeste mensen zullen dat niet zien, net zoals ik dat niet bij een muziekstuk kan horen. Van een 4 naar een 5 dat lukt in een paar maanden, ook van een 5 naar een 6. Maar van een 8 naar een 9 duurt jaren. 

‘Ik vind het zo interessant als mensen mijn werk kopen of zien, dat het niet eens gaat om techniek, terwijl voor mij het hebben van techniek of het oefenen in techniek ervoor zorgt dat ik nu meer kan tekenen dan vroeger. Het is nu makkelijker een idee neerzetten en kijken of het werkt omdat ik zo ontiegelijk veel teken. Maar voor de kijker maakt die techniek niet zoveel uit, want daar gaat het niet om. Het gaat erom dat je de grap waardeert en dat het je persoonlijk iets doet, en je hebt heel weinig nodig dat het persoonlijk iets met je doet. Dus uiteindelijk ga je voor techniek en beter worden en groeien, en dat dit vooral bedoeld is voor je eigen arsenaal zodat je meer kan, maar niet per sé omdat je daarmee gelauwerd gaat worden, of gezien, of uitgegeven.

‘Er wordt beweerd dat je een kunstenaar definieert door wat die verkoopt. Daar ben ik het niet mee eens. Het zijn niet de goeie kunstenaars per sé die verkopen. Waar ik mezelf voor probeer te hoeden, is dat je niet die eenzame ziel bent die in z’n kamertje zit en zegt: niemand begrijpt mij, maar ik ben een kunstenaar. Ik heb wel heel erg veel baat bij het feit dat ik een hele goeie collega heb die trouwens prima verdient maar ook heel goed werk maakt. Mijn zus en mijn moeder, als ik werk laat zien, zeggen zij: dit is goed en dit is niet goed. En dat heb je nodig. Ik denk dat het, op de Lucian Freuds of de Picassos na, die ontiegelijke narcisten zijn, voor de meeste mensen gezond is om niet een eenzame stem te zijn met wat je wilt communiceren. Dat je schoonmoeder zegt “oh, wat mooi” is lief, maar dat stelt veel minder voor dan als een collega dat zegt. Dat is anders. Kijk, je schoonmoeder of moeder vindt alles geweldig. Mijn moeder dus niet want die is kunstenaar en die zal eerlijk zijn, die kijkt anders. Voor mij is dat belangrijker dan wel of niet geld verdienen, dat kan ik ook wel in het lesgeven. 

‘Ik vind het belangrijk om les te geven, echt belangrijk. Ik weet nog dat ik de frustratie had van: ik weet dat ik beter kan en niemand kan mij uitleggen hoe, zelfs mijn moeder niet. Ook zij kon mij niet uitleggen hoe het werkt met anatomie, met compositie, met donker en licht. En ik vind het geweldig. Het maakt niet uit hoe oud je bent, want ik geef vanaf 8 tot en met 90 les. Het is geweldig als ik bij mensen de realisatie zie dagen van: oh, ik kan het wel. Ik kan mijn ideeën op papier zetten, ik kan iets maken wat mooi is, wat fijn is om naar te kijken en waar mensen blij van worden. Dan heb je je doel bereikt en ben je klaar. 

‘Als ik iets wil, is dat mensen leren op school dat talent niet relevant is. Talent heb je ook niet nodig om te leren rekenen en ik vind dat tekenen aardig in de buurt komt van rekenen of taal. En dat iedereen creatief is. Ik heb nog niemand ontmoet die niet creatief is, alleen ze gebruiken hun creativiteit heel erg toegespitst of hebben ze het nooit getraind. Eigenlijk is in mijn ogen creativiteit niets meer dan: je neemt twee dingen en je probeert er een combinatie van te maken, en dat is het. Dus als dit wordt geleerd, is de wereld een betere plek.’

 

Bewondering

‘Er is een Italiaanse illustrator en toen ik haar werk zag, had ik echt zo iets van: bloody hell, dit is briljant. Zij heeft Soep voor Haas gemaakt en heeft een hele moeilijke Italiaanse naam, Mariachiari Di Giorgio. Het is een combinatie tussen aquarel en gacha met een vormtaal die realistisch is en tegelijkertijd cartoonesk. Die is echt heel goed. Als we het hebben over werk dat mij kan voeden, kan ik altijd naar Sempé kijken, daar word ik heel erg blij van. Calvin en Hobbs kijk ik heel erg vaak in, ik heb ze allemaal en dat blijft geniaal. 

‘Ik zit nu youtube filmpjes te kijken van hoe geef je les en dat soort dingen. De meeste Amerikanen hebben zoiets dat, als het gaat om het hoogtepunt van realistische kunst, is in hun ogen Singer Sargent de top. Norman Rockwell vind ik ook heel erg leuk om naar te kijken en Leidekker. Dat zijn allemaal kunstenaars die ik via het internet heb leren kennen, illustratoren -John Singer Sargent is een schilder. En dan heb ik zoiets van: ja, leuk, jullie Amerikanen die een geschiedenis hebben die niet ouder is dan 400 jaar, maar hebben jullie ooit wel eens Velasquez goed bestudeerd? Hebben jullie ooit wel eens Van Dyck goed bestudeerd toen hij werkte aan het Engelse hof? Holbein is zooo mooi, zo subtiel en zo gevoelig en ik heb een boek met al het werk van Hokusai uit Japan. En het gave is ook dat als je kijkt naar zijn tijdgenoten, Hiroshige enzo, dat je denkt: het is leuk, maar het is geen Hokusai. Hokusai is net effen een stapje meer, een stapje beter. En Van Gogh, maar dan vind ik van Van Gogh eigenlijk zijn pentekeningen op dit moment leuker dan zijn schilderijen. Maar zijn kleurgebruik is fenomenaal. Ik vind Toulouse Lautrec in zijn lijnvoering geniaal, het gebruik van kleur van Degas prachtig, ik vind het verstilde realisme van Manet heel mooi. 

‘Van de hedendaagse kunst... Je hebt een Amerikaan en die maakt de verrukkelijkste taartjes: Wayne Thiebaud. Hij schildert ze en dan denk je: zet mij daar maar neer. Ik denk dat Mariachiari Di Giorgio een goede balans heeft gevonden tussen de joie de vivre die ik zie in het werk van Sempé en zijn stijlgenoten en figuratieve kunst a la dat van Wayne Thiebaud. Brammert en Tissie valt daar ook onder, die losheid. 

‘En de liefde en de details van realistische kunst. Je hebt Kalf die 17e eeuwse stillevens schilderde waar je de liefde voor het product er van af ziet springen, zo mooi. Je ziet ook meer, ook een liefde voor kleur. Als je dat hebt, de losheid en het gemak van een lijn a la Sempé, Brammert en Tissie, en een kleurgebruik meer naar het realisme, de viering van de diversiteit aan kleur en dan proberen ook nog eens te kijken of het lukt qua compositie, licht en donker, en daar éen geheel van maakt, dat is het hoogst haalbare. Ik denk dat ik blij ben als ik een stukje in de buurt kom daarvan.’

 

Hokusai

‘Hokusai zei op z’n 80e: ik denk dat ik eindelijk een beetje begin door te krijgen hoe het moet, en ik hoop op mijn 80e dat ook te kunnen zeggen.’

www.hannalooye.nl

Links: zelfportret in potlood. Rechts: een pagina uit De Tuinman en de Dood.