Lange schaduwen in het gele gras

“Lange schaduwen in het gele gras” is een roman uit 2025. Iedereen neemt iets uit het verleden mee, zelfs degenen die beweren dat zij in het heden leven, niet in de toekomst, en niet terugkijken naar het verleden. Daarbij slaat men voor het gemak over, dat het verleden van jou de mens heeft gemaakt die je in het heden bent en die jij meeneemt naar de toekomst. 

Het verleden blijft als een schaduw aan jou plakken, hoe hoog je ook springt, hoe je ook door de nacht sluipt: de schaduw die met het passeren van jaren groeit, is altijd bij je.

Lange schaduwen in het gele gras is onderhevig aan copyright. ©Y Janssens

Lange schaduwen in het gele gras

 

7. Lianne 

 

Bij thuiskomst was Ada nergens te vinden. Het enige wat Lianne hoopte, was dat zij het licht had gezien en terug naar Jamareon was gegaan. Het was niet zozeer onwil om haar zus in huis te nemen, maar het was een twee maandelijks terugkerend euvel geworden waar ze de buik van vol had. Deze avond, echter, had ze helemaal voor zichzelf opzij gezet: een lekker douche en een uurtje op de bank met iets knulligs op tv zodat ze daarbij in slaap kon vallen.

Ze kleedde zich uit en terwijl ze een haarbandje in vastdraaide, liep ze naar de badkamer. Op de drempel bleef ze staan en kreunde zachtjes, haar kin op haar borst laten vallend.

‘Ada’, riep ze, ervan overtuigd dat deze ergens in de buurt moest zijn. ‘Aadje, waar ben je?’

De vloer van de zolder kraakte. Ada hield het luik vast toen ze naar beneden keek.

‘Wat is er?’

‘Dat vraag ik me dus ook af. Wat heb je met de badkamer gedaan?’

‘Niets. Wacht effies, ik kom naar beneden.’ 

Ze schoof de ladder uit en daalde snel naar de gang. 

‘Waar heb je het over?’

‘Dit.’

Lianne wees naar een aantal zakjes die met touwtjes vastgebonden aan de rails van het douchegordijn hingen. Wat er in mocht zitten, wilde ze niet weten. De drab die eruit droop en poeltjes op de tegels maakte, was te weerzinwekkend voor woorden.

‘Ahh, dat. Dat is kaas, tenminste, dat moest het worden’, zei Ada, tevreden knikkend over haar werkdag vandaag. ‘Het hangt al een dag en het schijnt niet te willen lukken. Ik krijg het niet stevig. Ik heb geen stremsel gebruikt dus misschien is dat het probleem. Vanmiddag heb ik me bedacht en ga hiervan een installatie maken. Ik heb al een galerie gebeld die er oren naar heeft.’

‘Naar kaas ophangen?’

‘Kunst’, verbeterde Ada haar zus. ‘Deze installatie is kunst. De ondergang van de mensheid. Als er in de mensheid geen cohesie heerst, denk hierbij aan stremsel, dan valt de samenleving uiteen. Het zwakke stremsel kan vertaald worden naar de verdeeldheid in de politiek van vandaag, met…’

‘Ik weet genoeg, dankjewel’, onderbrak Lianne haar. 

Ze prees zichzelf dat ze zich kon inhouden en niet een relaas begon over de staat van wat men kunst noemt. Ten eerste had ze hiertoe de puf niet en ten tweede zouden haar woorden toch langs Ada heen gaan. 

‘Ik heb een zware dag achter de rug en wil een douche nemen’, zei ze. ‘Zou jij de installatie kunnen weghalen, alsjeblieft?’

‘Ik dacht...’

‘Alsjeblieft’, herhaalde ze met opeengeklemde kaken, wat voor haar zus het sein was om de installatie te verschuiven van het douchedeel naar de muur bij de wasbak.

‘Hoe gaat het met Jama?’, vroeg Ada.

Ze lette goed op dat ze niet uitgleed over de puddeltjes kaasprut. Het had iets fondue-achtigs over zich maar zag er minder smakelijk uit.

‘Waarom vraag je dat hem niet zelf? Hij is jouw man.’

‘Ik wil ‘m niet bellen; dat is een teken van zwakte.’

‘Zeker weer TLC gekeken.’

‘Hoe weet jij dat?’

‘Ik ken jou een beetje.’

Terwijl Ada nog bezig was, stapte Lianne onder de douche. Het warme water deed zowel haar gemoed als haar lichaam goed.

‘Weet je dat je er best goed uitziet voor een ouwe taart?’

Lianne, verwachtend dat Ada naar in de zitkamer was vertrokken, schrok met een sprongetje uit de droomwereld van de warme douche. Over haar schouder en door de dampende warmte heen zag ze haar tegen de wasbak leunen en haar van top tot teen opnemend.

‘Ooit iets over het overschrijden van iemands privé omgeving gelezen?’

‘Nah, zo overdreven. Wat eten we?’

‘Maak jij maar iets klaar.’

‘Iets met kaas?’

‘Nee, dank je.’

‘Ik verzin wel iets.’ 

Ada lachte om Lianne’s onderkoelde reactie bij het horen van het woord “kaas”.

Ze ging de badkamer uit en liet haar zus genieten van het warme water.

Toen Lianne een kwartiertje later de kamer binnenliep, haar huid natintelend van de douche, was Ada nergens te vinden. Hopelijk was ze ditmaal wel terug naar haar eigen huis gegaan. Echter, toen ze de voordeur hoorde sluiten en voetstappen die dichterbij kwamen in plaats van verdwenen, begreep ze nog een avond met haar zus door te moeten brengen.

‘Ik heb pizza besteld’, was de mededeling waarmee Ada binnenkwam, twee grote dozen op haar armen rustend. ‘En een zakje extra olijven. Een quattro formaggi voor jou en eentje met alles wat ze maar in huis hebben voor mij. Je noemde kaas dus de gedachte aan pizza deed m’n mond bij voorbaat al watertanden.’ 

Ze opende de eerste doos om te zien welke voor wie was. 

‘Oeee, het is zelfs al voorgesneden. Wat een service. Wil je er olijven bij? Zal maar doen, hè? Da’s lekker. Eentje voor jou, tweetje voor mij, weer eentje voor jou en tweetje voor mij...’

‘Je mag dit ook stilletjes doen’, stelde Lianne voor.

‘Da’s toch geen lol aan. We zitten niet in een klooster. Niet dat ze jou daar zouden willen hebben.’

‘Dat is een valse aantijging.’

‘Ja, jaja. Hallo, weet je nog toen we in Berlijn waren en langs zo’n reformatorisch hok liepen? Zodra jij langskwam, brak een tak van de boom. Dat was een teken dat men jou daar niet wil hebben.’

‘Ik was ook niet van plan naar binnen te gaan.’

‘Het ruikt wel lekker hoor, zo’n pizza. Zet jij de tv alvast aan dan kunnen we iets kijken tijdens het eten.’

‘Waar wil je naar kijken?’

‘Maakt niet uit, als het maar niets met ziekenhuizen te maken heeft. Tijdens het eten al die verteerde lichamen te zien, is zelfs mij te veel.’

‘Misschien kun je er een installatie van maken.’

‘Een installatie van al die infuusflesjes ten teken dat de wereld over de rand heen is getild en er geen weg terug meer is of we moeten als laatste redmiddel een defribel... defibrella... defi... je weet wel, zo’n ding waarbij je ppptjoew doet als iemand ligt dood te gaan.’

‘Defibrillator.’

‘Dat is ‘m. Wat een naar woord om uit te spreken. Hier, deze is voor jou.’

Lianne opende de pizzadoos waarin een, toegegeven, heerlijke vier kazen pizza warm lag te zijn met vijf olijfjes erop verdeeld.

‘Heb je al wat gevonden?’, vroeg Ada met een knik naar de tv. 

Ze gingen naast elkaar zitten, beiden met een pizzadoos op schoot. 

‘Eet smakelijk. Ik heb weer eens lekker gekookt vanavond. Hoe was jouw dag?’

‘Druk.’

‘Wil je er iets over vertellen?’ 

Na een stil moment afgewacht te hebben of Lianne uit de doeken deed wat er gebeurde tijdens de uren die ze buitenshuis doorbracht, besloot ze er maar naar te vragen.

‘Jama en ik hebben een moordzaak gekregen.’

‘Spannend. Wie is het?’

‘Een man van in de vijftig, je kent ‘m toch niet, dus namen noemen heeft geen zin.’

‘Probeer eens?’

‘Cor van Velzen.’

‘Nee, zegt me niets. Deze pizza is lekker, zeg.’ 

Ze hield Lianne een punt voor, maar deze schudde het hoofd. Wanneer Ada een pizza voor zichzelf bestelde, wist je nooit wat er op zat. Misschien lag er wel een stuk ananas onder een olijfje verscholen. Alleen de gedachte hieraan deed haar de rillingen over de rug lopen. 

‘Vermoord? Hoe?’

‘Verwond in het abdomen.’

‘Oh? Okee. Een defrib hielp dus niet. Hoe zei je ook weer dat die gast heette?’

‘Cor van Velzen.’

‘Cor van Velzen... Is dat er eentje van de Van Velzens?’

‘Waarschijnlijk.’

Lianne had er geen idee van welke Van Velzens Ada bedoelde, maar wist dat het leven rustiger zou zijn om vaag te blijven als zij een vraag stelde.

‘Ik heb met een Rutger van Velzen op de Kunstacademie gezeten. Aardige gast, klokte heel makkelijk een fles wijn weg en maakte goede kunst. Leeft ‘ie nog, vraag ik me dan af, met al dat drinken dat hij deed. Volgens mij heette zijn oudste broer Cor, maar dat weet ik niet meer zeker. Er was wel een Ruurd, z’n jongste broertje, en nog twee zussen dacht ik.’

‘Je bent aardig op de hoogte van die familie.’

‘Zijn ze dat? En is Cor die oudste broer. Je meent het. Waanzinnig, zeg. Ik ben wel eens bij hen thuis geweest met ehhh hoe heet ie ook weer, die gast die met Nelleke omging -da’s ook niks geworden trouwens, eentje van de academie. Het was wel altijd een gezellige bende bij de Van Velzen’s thuis.’

‘Vertel.’

‘Er valt niet veel te vertellen.’

Lianne lachte luid.

‘Kom toch’, zei ze, ‘m’n zusje die beweert dat er niet veel te vertellen is. Die moet ik morgen aan Jama laten horen.’

‘Nah, joh. We bleven nooit lang hangen: binnen komen, dag tegen mevrouw Van Velzen zeggen en dan met Rutger mee naar de zolder, jointjes roken en gitaar spelen. Ik ken de namen maar dat is ook alles.’

‘Jammer.’

‘Hij had wel altijd lekkere joints, maar ik moest zo nodig met een politieman trouwen.’

‘Als je nou doet alsof je nog steeds blij bent met jouw man, kun je vanavond nog naar ‘m toe.’

‘Eerst m’n pizza en dan zie ik wel weer verder.

*

8. Annebel

 

Lianne had diverse fotos van het lijk, een kruisboog en andere aantekeningen inzake de moord opgehangen tegen de wandjes in haar taartpunt. De ruimte ervoor was veel te beperkt maar ze moest het hiermee doen. Het enige voordeel van deze kleine oppervlakte was, dat ze overal zicht op had. 

Een collega met een halfopen laptop op de arm, liep langs en grinnikte.

‘Lekker ouderwets’, merkte hij in het voorbijgaan op.

‘Hoeveel moorden heb jij tot nog toe opgelost?’, vroeg ze hem. 

Hij deed alsof hij haar vraag niet had gehoord en liep onverdroten door. 

‘Klootzak’, mompelde ze. 

Paula schoot in de lach en vroeg of ze koffie wilde, toevoegend:

‘Dat heb je wel verdiend na die rake conclusie.’

Ze bekeek het lijstje dat Bobby van Velzen haar had meegegeven. Annebel, de oudste zus, stond bovenaan. Zoals het een echte kantoorklerk betaamt, had Bobby de leeftijdsvolgorde aangehouden van oudste naar jongste. Hij was vast een accountant of deed in elk geval iets met boekhouden, en dat kwam uit dit soort dingetjes duidelijk naar voren. 

Ze doorzocht haar systemen om informatie te vergaren over de familie Van Velzen, maar vond niets bijzonders. Nog geen wanbetaling of te hard slaan met deuren; niets.

Jamareon kwam bij haar zitten.

‘Mogge, Lie.’

‘Hai.’

‘De zoon van Cor van Velzen heeft bevestigd dat het zijn vader is’, zei hij en keek verrast naar het bekertje koffie dat Paula hem voorhield.

‘Ik wist dat je zou langskomen’, zei ze met een knipoog, het bekertje tussen de papieren van Lianne zettend. ‘Dubbele espresso met suiker en een melkbak voor Lie.’

‘Weet je wat de pest is’, begon Lianne, die niets van de koffie conversatie had meegekregen: ‘De enige die een reden had om Cor om te brengen, is een maand eerder overleden.’

‘De jongste zus.’

‘Correct: Floor Pluven.’

‘Dat was toch die schrijfster?’, vroeg Paula. ‘Ik heb een paar boeken van haar. Hè, jammer: ik heb altijd een handtekening van haar willen hebben.’

Terug op haar eigen plek, slaakte ze een diepe zucht. Soms was het leven teleurstellend.

‘En het is zeker dat zij is overleden?’, vroeg Jamareon.

Zijn ogen onderzochten Lianne’s nadenkende blik.

‘Ik mag aannemen dat dat zo is’, zei ze uiteindelijk. 

‘Ja. Mmh’, beaamde hij, nadenkend kauwend op zijn onderlip.

‘Waarom zou je de moeite nemen om jezelf dood te verklaren alleen maar om iemand anders om te willen brengen?’

‘Ten eerste beland je dan niet in de bak.’ 

‘En ten tweede?’

‘Je naam blijft zuiver. Voor een goed verkopende auteur is dat een pré, denk ik, hoewel dat tegenwoordig niet meer zeker is.’

‘Even kijken, even denken…’

Lianne tikte nadenkend met haar potlood op tafel, opende haar beeldscherm en ging het net op waar ze het telefoonnummer van Floor’s notaris vond. Heen en weer kijkend van haar iPhone naar het beeldscherm, tikte ze het nummer in en kreeg de secretaresse te pakken. Na een kort onderhoud, zei ze tegen Jamareon: 

‘Vanmiddag om twee uur kunnen we bij de notaris langs, verifiëren of Floor echt is overleden of dat we voor de gek worden gehouden. Dan gaan we nu eerst naar Annebel van Velzen.’

Ze pakte haar koffie en liep de afdeling af. Jamareon volgde in haar spoor. Even buiten de deur liep de collega met de halfopen laptop tegen haar aan. Een golf van haar koffie slurpte over de rand heen rechtstreeks zijn laptop binnen.

‘Verdomme’, grauwde hij, direct de laptop op z’n kop houdend, ‘kijk toch uit waar je loopt.’

‘Jij liep tegen mij aan, maat, niet andersom.’

‘Zal wel.’

‘Ik wilde opzij te gaan, maar je zat je al bovenop me. Een beetje rustiger aan zou je sieren.’

‘Ik heb het gezien’, bevestigde Jamareon, de ogen groot onder zijn donkere tulband ‘De IT afdeling zit op de tweede verdieping.’ 

‘Misschien hebben ze daar rijst’, vulde Lianne aan, naar het toetsenbord wijzend waaruit koffie druppelde.

Ze keek of er nog wat koffie in haar beker over was en liep bij de man vandaan. 

‘Succes’, riep ze over haar schouder.

 

Annebel legde haar boterhammetje op tafel, een servetje eronder schuivend. De honden stonden in de keuken te eten. Ze had een moment om na te denken over het telefoontje van Bobby gisteravond laat. Het was bijna onwezenlijk te realiseren dat Cor was overleden. Tijdens het voorlezen van het testament was hij nog zo nadrukkelijk aanwezig geweest. Daardoor dacht ze in eerste instantie dat zijn hart het had begeven. Toen Bobby vertelde dat Cor was omgebracht, gleed de telefoon vanonder haar grip vandaan. Het rolde op het bankkussen naar een hond die geschrokken wegsprong. Omgebracht door een scherp voorwerp in de maag, naar alle waarschijnlijkheid een pijl. Wat een merkwaardig wapen. 

Ook nu, een nieuwe dag, een nieuwe zon die deze nieuwe dag al vroeg aankondigde, bleef ze het een raar wapen vinden om iemand mee te doden. Ze kon het zich ook niet bedenken wie in de wereld Cor dood zou willen hebben. Hij was een eersteklas goedzak, ondanks zijn gekwek, maar dat was doen alsof. Ze kende hem van haver tot gort en wist dat zijn scherpe opmerkingen niet meer dan een front waren. Corrie zat hier vast achter. Zij en Cor hadden elkaar ontmoet toen zij vijftien was en hij achttien. Ze vielen direct op elkaar: zij op zijn zachte karakter en hij op de golving van haar borsten onder haar bloesje. Jaren later ging dat zachte karakter Corrie irriteren. Ze begon hem te vergelijken met andere mannen die opvliegend reageerden als iemand een denigrerende opmerking maakte. Cor was zo iemand die dan zei, dat ze zich daar niets van moest aantrekken. Corrie, echter, vond dat opvliegende aangenamer, opwindender. Het was een daad, een punt dat zo’n man zette; iets dat zei dat je niet met hem moest sollen. Cor’s er niets van aantrekken, stak naast dit gedrag schamel af.

Annebel herinnerde zich dat Cor zich daarna had verdiept in de rol van snedige opmerkingen maken. Misschien had iemand op zijn werk zo’n scherpe opmerking serieus genomen en hem daarvoor van kant gemaakt. Maar waarom? Het beste was altijd om naar HR te gaan en hen te vragen het probleem op te lossen.

Ze had aan Bobby gevraagd wanneer de uitvaart was. Het lichaam was vrijgegeven en hij dacht dat het over vier dagen was. Dat moest hij nog bij zijn moeder natrekken. 

Zelf Corrie bellen kwam niet in haar op. Hoewel ze vroeger dik aan waren toen beiden in dezelfde supermarkt werkten, was dit door de jaren heen verwaterd. Corrie lag haar niet meer zo. Ze had altijd een mening klaar en kwam verbaal dwars door je heen als je iets aan het vertellen was, waarna ze bevestiging zocht bij de goedzak met wie zij was getrouwd. Cor was het namelijk altijd met haar eens.

De honden waren klaar met eten en kwamen met vrolijk zwaaiende staarten de kamer in. Ze verdeelden zich over hun vaste plekken in de kamer om uit te buiken. De oudste sprong naast haar op de bank en legde zijn hoofd over haar dijen. Automatisch aaide ze hem over zijn koppie en onder zijn kinnetje waar nog restjes eten in de baardharen zaten, die ze op zijn huid wegwreef. 

Het hoofd van de hond veerde op bij het klingelen van de deurbel.

‘Rustig, jongens’, zei ze tegen hen toen ze als een ploeg Russische synchroon-zwemsters opsprongen.

‘Annebel van Velzen?’, vroeg de oudere vrouw aan haar. 

Ze kende haar niet, had er geen idee van waarom ze wilde weten wie zij was, maar de man met de tulband en korte baard zag eruit alsof het hier om de verkoop van een religie ging. Daar had ze geen trek in.

‘Niet geïnteresseerd’, zei ze prompt en deed de deur dicht. 

Een schouder van de grote man weerhield de deur ervan in het slot te vallen. 

‘Als jullie niet weggaan, bel ik de politie’, dreigde ze. 

‘Wij zijn de politie.’

Ze stopte met duwen. Lianne hield haar penning om de hoek van de deur. Langzaam opende deze zich weer.

‘We hebben een paar vragen inzake uw broer Cor van Velzen.’

‘Ik hoorde dat hij is overleden’, zei Annebel, naar binnen lopend. ‘Bobby belde me. U kent Bobby, toch? Ga maar zitten en let niet op de honden. Die doen niemand kwaad. Willen jullie koffie?’

Beiden bedankten hiervoor en ook Annebel zelf besloot niets te drinken. Ze ging op de bank zitten en plaatste nu een servetje bovenop de boterham. Hopelijk bleven ze kort zodat haar broodje niet zou uitdrogen. Ze was, echter, wel nieuwsgierig of ze meer te weten kon komen van wat er met Cor was gebeurd.

‘Waar kan ik mee helpen?’

Lianne vertelde in een paar zinnen wat Cor was overkomen. Het was, echter, geen aanvulling op hetgeen dat zij al van Bobby had gehoord.

‘Maar waarom komt u bij mij?’, vroeg ze uiteindelijk.

‘Bij dit soort zaken gaan we altijd bij de mensen langs met wie de overledene recentelijk in contact is geweest. U was bij het voorlezen van het testament van uw zus, net zoals uw broers.’

‘Ja. Het was een farce, heel dat gebeuren. Alleen die vriendin van Floor is er beter op geworden, denk ik tenminste. Hier, dit is wat ik van m’n zus heb ontvangen.’

Ze zocht tussen de tijdschriften over honden naar het adreskaartje, zag dat ze het als bladwijzer had gebruikt en gaf het aan Lianne. Deze las het aandachtig, gaf het aan Jamareon, die na het lezen kort het hoofd schudde en het teruggaf.

‘Weet u of er een speciale bedoeling achter de 3 = Noppes zit?’ 

‘Nee’, zei Annebel, de schouders optrekkend. ‘Nee. Zal wel weer iets dwaas van dat wijf zijn geweest. We hebben allemaal van die dingen gekregen. Cor was geloof ik Nada #1. Ruurd belde me nog om te vragen wat er verder op mijn kaartje stond. Hij zei dat hij Nul - 4 had. Wat een larie; alsof zij zelf zoveel gepresteerd heeft.’

‘Wat kunnen die cijfers volgens u inhouden?’

‘Ik dacht eerst de volgorde waarin we geboren zijn.’ 

Ze hoefde er niet over na te denken. Tijdens de hondenuitlaat had ze altijd genoeg tijd om alles in haar leven de revue te laten passeren.

‘Dus u bent de op twee na oudste?’

‘Nee. Cor is de oudste, daarna kom ik. Dan Rutger en pas dan Ruurd.’ 

Er kwam een frons tussen haar wenkbrauwen. Ze zei: 

‘Dat verbaasde me want waarom staat er dan drie op bij mij? Of wist Floor misschien niet meer dat Rutger na mij komt? Er zit maar een jaar tussen, dus dat zou kunnen.’ 

Ze sprong op toen er een klokkend geluid in de keuken klonk. 

‘Éen van de honden moet overgeven’, zei ze in het voorbijgaan. ‘Vast weer te snel gegeten.’

Ze sloot de tussendeur. Lianne en Jamareon keken elkaar aan.

‘Wat denk jij?’, vroeg hij aan haar. ‘Een vergissing?’

‘Of een volgorde?’

‘Van wat?’

‘Teveel vragen, Jama. Eerst nadenken.’

Ze stond op en keek naar de ingelijste fotootjes op de kastplanken. De meesten waren van honden en eentje van de familie, vermoedelijk genomen op de trouwdag van Annebel. Op de foto stond naast haar een bebaarde man ongemakkelijk te zijn in een bruin pak. Dat moest de gom zijn. Annebel droeg een paars-blauwe jurk alsook een stralende lach. Ze bekeek alle aanwezigen en nam er een foto met haar telefoon van.

De tussendeur opende en bracht een frisse wind mee de kamer in.

‘Ik heb de keukendeur maar opengezet; die kotslucht blijft anders te lang hangen.’

‘Is de meneer met de baard uw echtgenoot?’

‘Ex inmiddels. Deze foto is van dertig jaar geleden.’

Het aantal jaren verbaasde Lianne. Annebel zag er niet veel ouder uit dan halverwege de veertig. Ze moest wel heel erg jong zijn geweest toen ze trouwde.

‘Vriendelijk dank voor de informatie’, zei ze. ‘Wij zouden graag het kaartje van Floor willen meenemen.’

‘Gaat uw gang; ik doe er toch niets mee.’

Terug in de auto tuurde Lianne naar de 3 = Noppes. Ze kon er allerlei theorieën op loslaten maar meer dan verspild denkwerk zou dit niet zijn. 

De enige mogelijkheid om achter de denkwijze van Floor Pluven te komen, was haar gedachten te doorgronden. Het werd tijd om haar boeken maar eens door te nemen.

*