Lange schaduwen in het gele gras
“Lange schaduwen in het gele gras” is een roman uit 2025. Iedereen neemt iets uit het verleden mee, zelfs degenen die beweren dat zij in het heden leven, niet in de toekomst, en niet terugkijken naar het verleden. Daarbij slaat men voor het gemak over, dat het verleden van jou de mens heeft gemaakt die je in het heden bent en die jij meeneemt naar de toekomst.
Het verleden blijft als een schaduw aan jou plakken, hoe hoog je ook springt, hoe je ook door de nacht sluipt: de schaduw die met het passeren van jaren groeit, is altijd bij je.
Lange schaduwen in het gele gras is onderhevig aan copyright. ©Y Janssens
Lange schaduwen in het gele gras
NB De voorafgaande hoofdstukken staan op het volgende tabblad. Klik op het driehoekje naast "Lange schaduwen" hierboven.
25. Vita
Haar hoofdpijn was verdwenen. Ze vroeg zich af waarom de politie het op haar had gemunt. Eerder in het jaar was Floor uit haar leven gerukt en ze moest toegeven dat dit pijnlijker was dan ze had verwacht. Ze waren uit elkaar gegroeid, lang voor het incident in Mexico. Vita meende dat Floor niet met haar was meegegroeid. Schrijvers hebben het probleem in een cocon te leven, een eigen wereld op te bouwen, een eigen bestaan waarin de karakters uit hun boeken leefden. Zo was dat ook bij Floor het geval en zij was bij lange na niet de enige daarin. Schrijvers waren hele vreemde wezens.
De pijn die zij voelde bij het verliezen van Floor, werd verzacht door de gedachte aan Mischa. Zij gaf haar het gevoel dat het bestaan zin had, dat ook zij meetelde in het leven. Bij Floor had ze zich als een hondje gevoeld die af en toe een aaitje kreeg als het baasje daar zin in had. Hoewel Floor fantastische boeken schreef die zij in éen zitting kon verslinden, was samenwonen met haar geen pretje. Boeken kwamen bij Floor altijd op de eerste plaats, altijd, niet de mensen. Heel eventjes, een paar weken in het begin van hun relatie, leek het erop alsof zij het belangrijkste in Floor’s leven was. Dit gevoel ebde, helaas, vlot weg. Wanneer precies kon ze zich niet meer voor de geest halen, maar het was wel voordat zij Mischa leerde kennen.
Achteraf gezien in een moment van zelfreflectie, in een waas van pseudo-psychologisch inzicht dat op niets was gebaseerd, kwam ze erachter dat Floor haar in zeker zin naar Mischa had gedreven. Want door haar mentale afwezigheid wanneer zij, Vita, aandacht wilde, ontving zij dit niet. Floor gaf de indruk naar haar te luisteren, maar onderwijl vertelde haar starende blik dat conversaties van haar nieuwste verhaal door haar gedachten flitsten.
En toch was er ook een andere kant aan Floor. Soms kwam zij langs om haar op te halen van de bibliotheek. Dat was een lief gebaar. De allereerste keer dat zij dit deed, zag Vita haar en Mischa kort in gesprek. Floor’s donkere blik hierna sprak boekdelen dat het gesprek niet een aangename was.
Later had ze aan Mischa gevraagd wat zij en Floor bespraken. Heel even vloog er een glimlachje rond Mischa’s mond. Ze stak een sigaret op en zei dat zij Floor had gevraagd om in de bieb een middag voor te komen lezen. Dit werd met een korte “nee” beantwoord.
‘Dat kun je nauwelijks een gesprek noemen. Je weet dat ik al geen fan ben van fictie’, zei ze, haar blik naar Vita draaiend, ‘en deze kennismaking met madame Floor heeft het er niet beter op gemaakt.’
Vita had sorry gezegd, sorry namens Floor die voor haar eigen nurkse gedrag zelf nooit sorry zou zeggen.
Als zij heer eerlijk was, moest Vita bekennen dat Floor niet als degene aangewezen kon worden die de breuk in hun relatie had veroorzaakt. Dat was zij zelf geweest. Zij was niet meer het klankbord voor Floor’s ideeën. Deze plaats werd door Floor’s agent ingenomen. Hoewel zij zelden iets toe te voegen had aan deze ideeën, voelde zij zich desondanks verongelijkt om gepasseerd te worden. Ook dat was iets dat de almaar brozer wordende lijn van hun relatie verder wegschuurde.
Op een gegeven moment deelden zelfs het bed niet meer. Floor werkte ’s nachts om niet afgeleid te worden en sliep overdag op de bank in haar werkkamer of in bed als Vita naar het werk was.
Dit nam niet weg dat zij uiterst vriendelijk tegen elkaar bleven, zoals stellen in de regel doen zodra beiden door hebben dat de relatie ten einde loopt. Waarom ze niet uit elkaar gingen, was omdat Floor daar geen tijd en energie in wilde steken.
Het gevolg van samenblijven was, dat zij een punt bereikten waarop zij zich nauwelijks meer met elkaar bemoeiden. Soms ging Vita mee naar het buitenland als Floor signeerreisjes maakte om een boek te promoten. Dan namen ze aparte kamers in de hotels. Het ging heel beleefd. Floor gaf als reden op dat zij na uren in een boekwinkel te hebben doorgebracht daarna nog wilde werken. Ze zou Vita storen met haar heen en weer geloop, en het hardop uitspreken van de conversaties van haar karakters. Vita accepteerde dit zonder meer, het was makkelijker zo. Ze bracht de avonden in de bar van het hotel door en flirtte met andere vrouwen die haar het gevoel gaven dat ze die leeftijd nog niet gepasseerd was.
Echter, toen Floor kwaaltjes begon te krijgen en een onverklaarbare vermoeidheid haar aan het bed gekluisterd hield, maakte Vita zich oprecht zorgen om haar. Dat was het moment waarop de trip naar Mexico in beeld kwam.
Hoewel Vita er meer naar verlangde om Mischa’s ademhaling te horen, om in haar nabijheid te zijn, haar bij zich te hebben als haar hersens te moe waren van het vele denken, om met haar te eten en te lachen in een restaurant, en schouder tegen schouder te zitten in een theater, was ze geshockeerd toen ze Floor dood in die hangmat vond. Ze was nog niet koud, maar het leven had haar al verlaten. Haar lippen waren als craquelé zo broos en haar huid droeg een geelachtige tint.
Op dat ene moment, het vinden van het levenloze lichaam van de vrouw aan wie zij drie jaar van haar leven had gegeven, vlogen allerlei gedachten door haar hoofd. De voornaamste ging over haarzelf en hoe haar leven vanaf nu zou lopen.
Het was een egoïstische gedachte, eentje waarvoor ze zich misschien zou moeten generen, maar dat deed ze niet. Net zoals de kinderen van een vijfentachtigjarige vader die stervende in een ziekenhuisbed ligt en zij staan te wachten op zijn einde, had Vita ongeduldig op iets gewacht met Floor. Iets. Maar wat? Misschien hetgeen dat zij in de hangmat zag. Hoewel dit scenario maanden eerder even de revue had gepasseerd, liet zij dit links liggen. Ze wenste Floor niet dood. Wat ze wel wenste, was deze relatie op een manier tot een eind te kunnen brengen zonder dat zij hieraan schuldig was, zonder dat zij haar luizen leventje ervoor hoefde op te geven.
Zo staand naast de hangmat realiseerde zij zich ineens dat dit misschien niet de aardigste manier was, maar wel een juiste oplossing van haar probleem. Het was een natuurlijk moment om een relatie met een ander te kunnen beginnen. En die ander was Mischa.
Ze kleedde zich aan om naar de bieb te gaan. Ze wilde Mischa spreken en weten waar ze stond, wat ze kon verwachten van haar. Momenteel was daar geen pijl aan te trekken.
De laatste keer dat ze beiden dezelfde dienst hadden gehad, was Mischa uiterst beleefd tegen haar geweest. Alle warmte van hun samenzijn was naar de achtergrond geschoven, een kleedje dat opgerold onder de centrale verwarming was geschopt. Buiten, zittend op de bank, Mischa rokend naast haar, louter een reactie gevend als Vita iets vroeg en verder zwijgend voor zich uit staarde. Dat was wat er momenteel voor intiem doorging. Na het uitmaken van haar sigaret was Mischa opgestaan en naar binnen gegaan, zonder een woord te zeggen. In de wereld waarin zij voorheen leefden, zou zij op haar gewacht hebben. Die wereld was er niet meer. Ze nam zich voor daar verandering in te brengen.
Met deze gedachte huppelde ze de trap af, juist toen de voordeurbel tingelde. Zonder er bij stil te staan waarom, keek ze naar de klok. Het was tien over negen.
Die Indiase politieman stond voor de deur met achter hem een jonge vrouw, ook van de politie, vermoedelijk.
‘Ja?’, vroeg ze, van de éen naar de ander kijkend.
‘Mevrouw Hartman, u wordt gearresteerd op verdenking van de moorden op Cor van Velzen en Rutger van Velzen’, zei Jamareon.
‘Hoe kom je daar nou bij?’, vroeg ze met een lach vol ongeloof.
Hij deed een stapje opzij om zijn collega langs hem heen te laten gaan. Zij pakte Vita bij de arm en nam haar mee naar buiten.
‘Ik wil eerst m’n advocaat bellen.’
‘Dat kan op het bureau’, zei Laura.
‘Waanzin. Pure waanzin.’
Ze liet zich onwillig maar rustig naar de politieauto leiden. Pas toen ze achterin zat, begreep ze dat ze zich ook nu weer in een situatie bevond waaruit ze moest zien te ontsnappen.
*
26. Philip
‘Boorman!’
Ze was amper over de drempel heen toen de stem van de chef haar bereikte.
‘Jezis, wat nou weer’, mompelde ze, een bocht om de bureaus makend om bij zijn kantoor te komen.
Hij gebaarde haar de deur te sluiten en te gaan zitten. Ze trok haar jas uit. In de ochtend kon het nog koel zijn en ze wilde geen koutje oplopen. Ze vouwde de jas op en plaatste deze op de zitting van de stoel naast de hare. Pas hierna trok ze de stoel naar achteren en nam plaats. Chef Kalder kon blaffen wat hij wilde, maar zij was niet zijn hondje.
Hij bleef geduldig wachten totdat ze klaar was voordat hij zei:
‘Is Vita Hartman al binnengebracht?’
‘Jama en Laura zijn onderweg.’
‘Waar ga je zelf niet?’
‘Ik heb een andere afspraak waar ik bijtijds naartoe wil gaan.’
‘Afspraak met wie?’
‘Met Ruurd van Velzen, de jongste broer van de familie. Ik wil hem persoonlijk bezoeken en hem de ernst van de situatie uitleggen. Daarnaast ook aangeven welke maatregelen hij kan nemen.’
De chef knikte, richtte een blik naar zijn beeldscherm voordat hij zei:
‘Ik heb ons gesprek van gistermiddag ter harte genomen en extra mankracht aan jouw team toegevoegd.’
‘Dank u, chef.’
‘Helaas is het maar eentje. Met al die bezuinigingen kan ik niet met meer pionnetjes schuiven.’
‘Met eentje kom ik al een stuk verder. Wat dat betreft is Laura ook een enorme aanwinst dus dank u dat u mij voorstelde haar erbij te nemen.’
‘Mmh.’
Hij tikte op het toetsenbord en vroeg zonder haar aan te kijken:
‘Hoe bevalt het om met Laura te werken?’
‘Ze is een aanwinst. Ze heeft een goed setje hersens in haar hoofd en laat zich niet van de wijs brengen. Als iedereen van de nieuwe lichting zo is dan blijft onze dienstbaarheid op niveau.’
‘Mooi.’
Het gerikketik op het toetsenbord stopte. Langs het beeldscherm heen keek hij haar over zijn leesbril aan.
‘Waar moet je naartoe voor Ruurd van Velzen?’
‘Naar Wierenmaweer’, antwoordde ze, ‘in de Kop van Noord Holland.’
‘Mmh.’
‘Zusterstad van Wuppertal’, verzon ze erbij zonder te weten waarom.
Het was niet alsof haar chef een gevoel voor humor had.
‘Dat wist ik niet’, zei hij dan ook, haar opmerking als een serieuze nemend.
‘Vanwege het water. Wieren aan de Maweer; Wuppertal: Tal aan de Wupper. Water verbroedert.’
‘Ik ken een collega die bij de politie in Den Helder werkt.’
‘Mooi’, zei ze, zich afvragend of zijn opmerking nog een staartje kreeg.
‘Wierenmaweer valt onder Den Helder. Ik zal hem inlichten zodat je eerst bij hem kunt langsgaan.’
‘In Den Helder?’
‘In Den Helder’, bevestigde hij. ‘Hier...’
Hij schreef het adres en de naam van zijn kennis op een notitievelletje, vouwde dit in tweeën en overhandigde het.
‘Dank u, chef.’
Opstaand, pakte ze haar jas op en liep naar de deur.
‘Lian...’
Ze schrok op. Hij gebruikte nooit haar voornaam en het overviel haar deze uit zijn mond te horen rollen.
‘Chef?’
Haar stem sloeg bijna over.
‘De nieuwe medewerker is Philip Donkers. Hij is een techneut en goed met zaken in de computer uitzoeken. Misschien ben je ‘m wel eens tegen het lijf gelopen.’
‘De naam komt me vaag bekend voor’, zei ze, geen idee hebbende wie die knaap in hemelsnaam was.
‘Maak goed gebruik van hem. Ik heb de spreekkamer aan het eind van de zaal voor jouw team gereserveerd. Zo heb je meer ruimte en kun je bij elkaar zitten om de zaken te bespreken.’
‘Dankuwel, chef.’
Om dit laatste was ze oprecht blij.
Naar haar plek lopend keek ze op haar telefoon. Wierenmaweer in het hoge noorden was een uur rijden en die omweg via Den Helder vrat ook weer kostbare tijd. Ze moest meteen vertrekken, wilde ze er nog iets aan hebben.
Eerst, echter, moest ze met Philip kennismaken en hem werk geven waarmee hij aan de gang kon gaan.
‘Wat zie jij er opgewonden uit’, merkte Paula op toen Lianne de laptop in haar taartpunt loskoppelde.
‘Ik heb net een bijna volwassen gesprek met Kalder achter de rug.’
‘Ik zag je daar zitten, ja’, zei haar collega en nam een slok koffie. ‘Hoezo “bijna”?’
‘Het ging goed totdat ik grapte dat Wierenmaweer zusterstad was van Wuppertal.’
Paula proestte het uit, vooral toen Lianne een vlakke hand boven haar hoofd heen en weer bewoog om te laten zien waar deze opmerking naartoe was gevlogen.
‘Hoe kom je daar nou bij?’, snotterde ze.
‘Nou ja, ik dacht, nu eenmaal het ijs gebroken is...’, zei ze en grinnikte. ‘Heb ik alle snoeren?’
‘Je gaat naar de nieuwe werkplek?’
‘Ja.’
‘Heb je al met de nieuwste aanwinst kennisgemaakt?’
‘Nog niet.’
Ze tuurde naar de glazen driedeurskast verderop tegen de wand van de zaal, dat eufemistisch een vergaderplek werd genoemd. Ze zag de rug van iemand aan tafel die naar zijn laptop tuurde.
‘Ben benieuwd’, zei ze.
‘Hij’s jouw favoriete laptopdrager’, fluisterde Paula haar toe toen zij voorbij kwam lopen. ‘En, nee, je mag niet vloeken in gemengd gezelschap.’
‘Kloot’, mompelde Lianne.
Op weg naar het glashok nam ze zichzelf weer in de hand en met een innemende glimlach opende ze de deur en stelde zich aan hem voor. Haar glimlach overviel hem en het eerste dat hij zich afvroeg, was of zij hem ging slaan.
‘Is je laptop al opgedroogd?’, vroeg ze, haar eigen laptop aan het hoofd van de tafel neerleggend.
‘Ja, geen probleem.’
‘Heb je ‘m in rijst gestopt?’
‘Sorry?’
‘Lianne Boorman.’
Ze stak haar hand naar hem uit.
‘Philip Donkers.’
Hij schudde haar hand en ging weer zitten.
‘Welkom. De chef vertelde mij, dat jij goed bent in zaken uitpluizen.’
‘Ik heb daar ervaring in.’
‘Mooi. Ik ga zometeen weg. Als jij deze zaken...’ ze legde een usb stick naast zijn laptop ‘...zo uitgebreid mogelijk wilt nalopen dan kunnen we het vanmiddag bekijken.’
‘Ik zal eraan beginnen maar vanmiddag heb ik een vergadering.’
‘Oh? Met wie?’
‘Bart.’
‘Bart Morren?’
‘Morrèn.’
Hij verbeterde de klemtoon.
‘Je werkt nu voor mij. Vanmiddag heb je alles uitgezocht en naar mijn mailadres gestuurd. Heb je daarna tijd over, dan mag je je verdiepen in de dubbele moord die we gaan oplossen. Da’s iets belangrijker dan een vergadering met Bart Morren’, zei ze, zonder klemtoon.
Ze liep naar de deur.
‘En maak een presentatiebord met alle verdachten. Ik ben benieuwd hoe iemand van buitenaf deze zaak interpreteert. Fijn dat je ons komt versterken’, riep ze hem over haar schouder toe en verdween.
*
27. Wierenmaweer
Turend over de schier oneindige weg naar Den Helder, bedacht Lianne zich dat de polderkolder waarover haar collegae wel eens spraken, een realistisch iets was. Als autobestuurder kon je zo wegzakken in het zinkgat van de tote Hose omgeving te zien vanaf de N9: hier en daar een gehucht, het Noordhollandsch kanaal dat onafgebroken met elke bocht in de weg meeliep en er zelfs in het zonlicht niet uitnodigend uitzag, en het lange lange strekkende asfalt.
Toen ze eindelijk ’t Zand via de achteruitkijkspiegel zag verdwijnen, wist ze dat Den Helder niet ver meer was.
Wat die Ruurd van Velzen had gefascineerd om met heel zijn gezin naar een plek te verkassen waar niemand het bestaan van wist, was haar een raadsel. Het was niet alsof dit zo’n plek was, ver weg van alles, waarvoor men twee weken naar Frankrijk op vakantie gaat om te genieten van de rust. Hier in noord Noord Holland betrof het een gat in het uiterste puntje van de provincie waar de wind rechtstreeks vanaf de Noordpool je een pak op je donder gaf.
Zonder bij de politie Den Helder aan te kloppen, ging ze rechtstreeks door naar Wierenmaweer en nam de linkerpoot naar de westkust. Het trieste bordje langs de weg gaf aan dat ze de juiste route had. Ook hier was de omgeving kaal met hier en daar een bosje en een aantal verlepte bomen die als treurwilgen naar éen kant bogen door het onophoudelijke stompen van de zeewind.
Het dorp zelf bestond uit een aantal huizen, allen voorzien van grote tuinen waarin niets groeide. Sommige mensen hadden helmgras geplant, waarschijnlijk de stevigste plantensoort waarmee je een overwinning kon behalen in deze dorre omgeving.
De enige winkel betrof een mini Spar. Ze stopte de auto en kocht een flesje water voor de prijs van een anderhalve liter fles. Ze nam twee teugen uit het halve litertje en had minder dan de helft over. De bewoners mochten blij zijn dat Den Helder niet ver weg was. Als je hier je dagelijkse boodschappen moest doen, was je een weekloon kwijt voor een zak mini krieltjes en een halfje bruin.
Het lukte haar via de nummering de woning van de jongste zoon van de Van Velzens te vinden. Zoeken naar het juiste huis, zelfs als je hier woonde, was een kriem. Alles leek op elkaar: beige steenwerk, lange kale tuinen, een auto of twee voor de garage en geen enkel huis waar iets specifieks in stond dat opviel. Er was wel voldoende plek om te parkeren, maar dat verbaasde haar niets. Als je geen bewoner was, ging je hier niet vrijwillig naar toe.
Voordat ze uitstapte, nam ze nog een slok water. Het laatste slokje hield ze voor de terugweg over.
Ze belde aan en wachtte. Door het geribbelde matglas van de deur heen keek ze naar de gang met daarachter de keuken. Alles was open. Misschien was dit de nieuwste trend, ze had er geen idee van. De nieuwbouw bij Vita was ook open. Wat de gedachte hierachter was, ging aan haar voorbij. Het was voor haar net zo vreemd als die obsessie van mensen om van hun huis een woongenot te maken in de vorm van hotelchic. Een huis was om in te wonen, om je lekker in je woonomgeving te voelen. Het enige makkelijke van een hotel was, dat het bed daar dagelijks voor jou werd opgemaakt.
Een vrouw met een wilde haardos verscheen achter het ribbeltjesglas en opende de deur. Haar grote grijze ogen keken haar vragend aan.
‘Mevrouw Adriana van Velzen?’, gokte Lianne, en stelde zichzelf voor na de bevestigende knik.
Adriana trok de deur verder open en liet haar voorgaan naar binnen.
De open keuken kwam uit op een open woonkamer waarin een open haard het middelpunt van al deze openheid was. Bank links, televisie rechts, een paar tijdschriften op de tafel tussen deze twee in en een eettafel waarop een stapel borden stond en diverse snoeren lagen om computers mee te verbinden.
‘Ik zal m’n man erbij roepen’, zei Adriana en ging terug naar de keuken. ‘Ruurd?’, riep ze naar boven. ‘Mevrouw ehm die mevrouw van de politie is er.’
Terug binnen vroeg ze Lianne of zij iets wilde drinken. Ze schudde het hoofd en dacht bij zichzelf dat ze niet moest vergeten voor het vertrek een plas te plegen.
Ruurd van Velzen kwam de kamer in. Ondanks zijn donkere haar met hier en daar puntjes grijs erin en zijn evenzo donkere wenkbrauwen, zag hij er fris uit, had een open blik. Eens moest hij een mooie jongen zijn geweest maar dat was lang geleden. In Lianne’s ogen was hij die tijd al lang voorbij maar hij gaf haar desondanks de indruk, dat hij zich daaraan met twee vingertopjes wilde vasthouden, ondanks dat de jaren van het ouder worden hem hadden ingehaald.
‘Dit is geen officieel bezoek’, begon ze toen iedereen zat, ‘maar omdat er twee van uw broers zijn omgebracht, vond ik het zaak om hier te komen. Nog gecondoleerd met dit verlies.’
‘Dank u’, zei Ruurd, haar toeknikkend. ‘Het is al erg genoeg dat m’n broers zijn omgekomen en dan het idee hebben dat dit ook ons kan overkomen... Ik moet er niet aan denken.’
‘Het beste is dat u dat wel doet. Heeft u er bijvoorbeeld al over nagedacht hoe u dit gaat aanpakken, mocht er iemand voor de deur staan?’
Ze probeerde het eufemistisch te maken. De angstige blik van Adriana sprak boekdelen.
‘Omdat we overal glas hebben, ook glazen deuren, kunnen we altijd zien wie er aanbelt’, merkte Ruurd op. ‘Hopelijk is dat een pluspunt voor ons. We hebben bijvoorbeeld een camera bij de deur hangen. Die hebben we al jaren. Je weet maar nooit met wat voor mensen je te maken krijgt.’
‘Heel verstandig. Heeft u overwogen om voorlopig op een ander adres te gaan wonen, misschien bij familie van u?’
Lianne richtte haar woorden naar Adriana.
‘Dat is wat ik ook...’
‘Nee, da’s niet nodig’, kapte Ruurd zijn vrouw’s woorden af. ‘We zitten hier heel veilig. Iedereen kent iedereen in het dorp en als er een vreemde is, zal die meteen opvallen. Wat dat betreft letten we goed op elkaar.’
‘Wat is uw mening hierover, mevrouw Van Velzen?’
De aangesprokene keek van haar man naar Lianne, keerde toen haar blik naar de tuin en zei in navolging van haar man dat ze hier veilig was.
‘Als u zich ongelukkig voelt met de moordenaar van uw zwagers, die helaas nog steeds vrij rondloopt, kunt u zelf misschien bij uw ouders of andere familieleden terecht.’
‘Misschien als u uw werk goed doet en de moordenaar oppakt, hoeven wij geen extra maatregelen te nemen’, merkte Ruurd op.
Lianne ging niet op deze opmerking in, vroeg in plaats daarvan:
‘Heeft u enig idee wie deze daden zou kunnen doen? Ze zijn zo specifiek op uw familie gericht, dat het lijkt alsof het een bekende moet zijn.’
‘Nee. Alleen m’n jongste zus, maar die is overleden.’
‘Zou uw jongste zus tot zoiets in staat zijn geweest als zij niet was overleden?’
Hierover moest Ruurd nadenken. Uit haar ooghoeken zag ze Adriana voorzichtig nee schudden.
‘Ik weet het niet’, zei Ruurd. ‘We zijn elkaar lang geleden uit het oog verloren en ik weet niet hoe haar leven is geweest.’
‘En hoe was zij toen jullie nog contact hadden?’
‘Ze was stil, zo’n stille die alleen maar zat te schrijven. Als ze op een verjaardagsfeestje was, had je niets aan haar.’
‘Ze was wel heel leuk als je met haar alleen sprak’, vulde Adriana aan.
‘Dat wilde ik net zeggen.’
Met een ruk van het hoofd keek Ruurd met zo’n venijnige blik naar zijn vrouw, dat Lianne een mentale aantekening maakte er zeker van te zijn dat huiselijk geweld hier geen vreemde was.
Aan het begin van haar carrière had zij bij de politie veel zaken van huiselijk geweld afgehandeld en was nog steeds alert op de tekenen ervan.
Bij Ruurd was er sprake van een adonis in aftakelende vorm en dit werd niet louter door deze ene blik bevestigd, maar ook door de manier waarop hij over zijn vrouw heen sprak. Hij had de tuimeling van de adonisberg nooit kunnen aanvaarden en schoof naar alle waarschijnlijkheid de schuld hiervan op haar af.
Hoewel zij het moeilijk vond om dit onbesproken te laten, was het niet hetgeen waarvoor zij was gekomen.
‘Er is niemand anders die bij u opkomt?’, vroeg ze om zijn aandacht van zijn vrouw af te halen.
‘Nee’, zei hij terwijl hij opstond. ‘Ik moet terug naar m’n werk.’
‘Ik begrijp het.’
Ook zij stond op en stak haar hand uit.
‘Bedankt voor uw tijd.’
Ruurd gaf haar tijdens zijn draaibeweging om te vertrekken een slap handje en verdween. Lianne wendde zich meteen tot Adriana.
‘Ik kan verder helaas niets voor u doen’, zei ze tegen haar, ‘vooral omdat Wierenmaweer niet onder mijn district valt. Ik zal de politie in Den Helder vragen of zij vaker door het dorp kunnen rijden. Mocht u zich niet veilig voelen dan kunt u hen altijd aanspreken...’ ze schudden elkaar de hand ‘...over wat voor zaken dan ook.’
Ze overhandigde haar adreskaartje.
‘Als er iets is, kunt u dit nummer bellen.’
De buitendeur viel dicht. Met een tas onder de arm geklemd liep Ruurd naar zijn auto en reed weg.
‘Mijn schoonzus heeft gebeld, Annebel. Ze wilde Ruurd spreken maar hij had het te druk’, begon Adriana.
‘Weet u waarover zij haar broer wilde spreken?’, vroeg Lianne toen de pauze tussen deze opmerking en het eventuele vervolg ervan te lang werd.
‘Ze wil een paar nachtjes hier blijven. Ook zij weet zich geen raad met alles wat er in de familie gebeurt.’
‘Persoonlijk lijkt mij dat een goed idee’, zei Lianne, instemmend knikkend.
‘Ja? Bent u van mening dat ik Annebel moet uitnodigen hier te komen?’
‘Zeker, maar alleen als u dat zelf ook wenst.’
Het verbaasde Lianne dat een volwassen vrouw, een moeder van twee kinderen, toestemming aan haar vroeg om iemand in huis uit te mogen halen. Dit soort kwesties zou ze met haar man moeten bespreken. Maar zoals ze in de korte ontmoeting met Ruurd had vastgesteld, was een dialoog iets dat dit stel lang achter zich had gelaten.
‘Wat denkt u van de situatie in de familie van uw man?’, vroeg ze. ‘Kunt u er iets aan toevoegen?’
‘Nee, ik… We zien elkaar niet veel, alleen op verjaardagen. Ik heb met niemand van hen problemen.’
‘En Floor?’
‘Ook niet met haar.’
‘Ik bedoel: had Floor problemen met haar familie?’
‘Oh. Oh, u bedoelt dat. Er schijnt in het verleden iets tussen hen te zijn voorgevallen, maar ik weet niet wat.’
Adriana trok de schouders op en zweeg. Er waren een paar dingen die ze kon vertellen, maar die ze voor zich hield. Ze was gewend om te zwijgen en zich nergens mee te bemoeien.
‘Bel Annebel’, zei Lianne toen het zwijgen van de vrouw tegenover haar aanhield, ‘en vraag haar een paar dagen te komen logeren. Als uw man het hier niet mee eens is, zeg maar dat hij contact met mij moet opnemen.’
Ze ging naar buiten en trok de deur achter zich dicht.
Natuurlijk was het onmogelijk voor haar om beslissen wie zij al dan niet in huis kon nemen, maar als de aanwezigheid van een Annebel ervoor zorgde dat Ruurd van Velzen z’n handjes eventjes bij zich hield, was dit het meer dan waard.
In de auto dronk ze het laatste beetje water op en vloekte dat ze was vergeten naar de wc te gaan. Dan maar in Den Helder.
*