Lange schaduwen in het gele gras
Lange schaduwen in het gele gras
1. Floor
‘Dit is Floor.’
De notaris hield een bus omhoog waarin het as van Floor zat. Cor, Floor’s oudste broer, was niet geïnteresseerd in het laatste bezoek van zijn zus in asvorm. Hij had ook nooit interesse gehad of zij hem al dan niet in levende lijve bezocht, en zei:
‘Ze heeft er wel eens slechter uitgezien.’
‘Dankjewel.’
Vita’s stem droop van sarcasme.
‘We hebben het over mijn overleden partner en ik zou het op prijs stellen als je daar rekening mee hield.’
Cor trok zijn schouders kort op en draaide zijn blik van haar vandaan. Zelfs nu zij overleden was, vond Floor het nodig hem een hak te zetten. Haar partner zag er beter uit dan zijn eigen vrouw ooit had gedaan. Veel beter zelf. Jammer dat ze damesvoetbal speelde, voor het andere team zogezegd. Hij snoof een lachje om zijn eigen gedachten.
Vita nam hem met haar donkere blik op, keek daarna van de éen naar de ander. Dit was de eerste keer dat zij hen zag, Floor’s familie. Floor was al lang met haar broers en zus gebrouilleerd voordat zij elkaar hadden ontmoet. Ze kende de achterliggende reden van deze vete niet en was er ook niet werkelijk in geïnteresseerd. Floor’s schaarse vertelsels over hen gingen altijd gepaard met de sluitzin:
“Je hoort het nu alleen van mijn kant. Ze zijn er niet om zich te verdedigen, hun kijk hierop te vertellen.”
Echter, na de verhalen die zij in de loop der jaren had gehoord, was ze tot de conclusie gekomen dat dit niet een familie betrof met wie zij op verjaardagen zittend op de bank een glaasje wijn wilde delen. Deze opmerking van Cor verstevigde de gedachte in haar, dat Floor niet voor niets met hen was gebrouilleerd.
‘Je hebt mijn medeleven op meerdere manieren’, merkte Cor op, zonder haar richting uit te kijken.
‘Dames en heren’, kwam Ronald tussenbeide.
Voordat de opmerkingen over en weer mogelijk in handgemeen werden omgezet, wilde hij zijn opdracht als notaris uitoefenen. Wat er daarna gebeurde, was geen zorg van hem.
‘Dank jullie wel dat jullie allemaal gekomen zijn.’
Cor mompelde iets.
‘Sorry?’, vroeg Ronald.
‘Ik zei dat het niet vrijwillig is dat ik hier ben.’
‘Je kunt altijd nog de ruimte verlaten.’
Hij vouwde zijn op elkaar gevouwen handen in de richting van de deur.
‘Het is geen verplichting maar een uitnodiging.’
‘Een uitnodiging waarop stond dat we hier aanwezig moeten zijn om ongetwijfeld naar wat geleuter en heel veel verwijten te luisteren van onze lieve zus voordat ze ons een deel van haar erfenis geeft.’
‘Nogmaals, je kunt altijd de ruimte verlaten.’
‘En dan nergens recht op hebben?’
Grinnikend schudde Cor het hoofd.
‘Die laatste pret zal ik m’n zogenaamde zus niet gunnen.’
‘Kunnen we verder gaan?’
Annebel, Floor’s enige zus en de op éen na oudste van de kinderen, keek Ronald aan. Hij was een man die goed in het pak zat en wat er onder dat pak zat, zou haar vast ook wel aanstaan.
‘De honden moeten nog eten’, vulde ze als excuus voor haar onderbreking aan.
Naast Annebel en Cor waren Rutger, de kunstzinnige van de familie, en Ruurd er nog. Ze waren allen ouder dan Floor, de jongste van het spul en de enige die wat van haar leven scheen te hebben gemaakt. Vita mocht deze mensen niet van gezicht kennen, maar de levendige beschrijvingen die Floor haar had gegeven, waren ijzersterk geweest.
‘Ik kom ter zake.’
Ronald haalde een envelop tevoorschijn waaruit hij het testament trok dat Floor enkele maanden eerder had opgesteld, gedurende een periode in haar leven waarin zij ziek was. Voor iemand die in de regel niet meer dan af en toe een hoofdpijntje had, was ziek zijn een vreemd fenomeen.
Floor’s goede vriend en tevens literair agent Wouter van Oudheusden had er bij haar op gehamerd dit testament te maken. Hij maakte zich niet druk om haar gezondheid, maar vond het wel zorgelijk worden, vooral omdat zij van het ene moment op het andere aan het kwakkelen sloeg. Hij was éen van de weinigen naar wie zij luisterde. Hij was de zorgzame broer die zij nooit had gehad, de man die het beste met haar voor had.
Ronald’s ogen gingen de mensen aan tafel langs waarna hij zei:
‘Het testament is valide en Floor was in goede geestelijke gezondheid toen het werd opgemaakt. Hiermee wil ik zeggen dat dit testament aanvechten een verloren zaak is. Vanwege de honden...’ hij kon een smalende glimlach niet onderdrukken ‘...zal ik meteen ter zake komen, zoals ik al zei...’
‘Drie minuten geleden’, bromde Cor net luid genoeg voor de anderen om dit te horen.
De broers grinnikten, Annebel keek met een schuine blik naar het berichtje op haar telefoon die voor haar op tafel lag. Zonder zich uit het veld te laten slaan, vervolgde Ronald:
‘De woorden van Floor zullen ad verbatim opgelezen woorden.’
Hij kuchte een keertje en begon al lezende:
“Als de tafel helemaal vol zit en Cor eindelijk gestopt is de pias uit te hangen -op zijn leeftijd zou hij beter moeten weten, maar ja, hij is nooit het scherpste potloodje in het doosje geweest- zal ik de verdeling van mijn nalatenschap uiteenzetten.”
‘Ze hield nogal van die lange lange volzinnen’, merkte Cor op, tamelijk gepikeerd, meer dan hij wilde toegeven, over de omschrijving van zijn karakter.
‘Daarom heeft Floor ook miljoenen op de bank staan en jij niet’, herinnerde Vita hem eraan.
“Ik hoop dat iedereen er is”, vervolgde Ronald onverdroten. “Weet je, ondanks dat jullie mijn moeder een vroegtijdig overlijden hebben bezorgd, wens ik jullie toch hetgeen toe wat ik jullie nalaat. Het feit dat jullie het nodig vonden corrigerend naar mij op te treden, zal ik naast mij neerleggen. Dat is voor jullie om te overdenken met die creperende aftandse hersentjes die voor 99 procent ongebruikt in jullie hoofd zitten. Wat ik geen van jullie, echter, ooit zal vergeven, is dat niemand van jullie ook maar een moment heeft stilgestaan bij de manier waarop jullie mijn moeder zo slecht behandeld hebben. Dat heeft dat arme mens niet verdiend. Maar ook dit zal iets zijn dat geen van jullie interesseert. Dat is jullie goed recht, vinden jullie zelf, aangezien jullie alleen maar rechten opeisen en de plichten daarbij vergeten. Plichten vergen namelijk energie en compassie, en andere voor jullie zulke enge woorden als empathie en mededogen.
“Dit gezegd hebbende, is er desondanks voor elk van jullie iets gereserveerd in mijn testament. Iets waarop jullie recht hebben en wat jullie verdienen. Ik begin met Cor.”
Ronald’s blik ging over het testament heen naar de man aan de zijkant van de tafel waarna hij Floor’s woorden weer alle aandacht gaf.
“Cor, als oudste had jij een voorbeeld kunnen zijn voor de rest van ons, had jij ons kunnen begeleiden naar een goed bestaan, zeker toen vader overleed. In plaats daarvan maakte jij, evenals Annebel, Rutger en Ruurd, misbruik van de geestelijk zwakke periode waarin moeder zich toen bevond. Éen voorbeeld hiervan is: op instigatie van vooral jou en Annebel, sloot moeder een lening af waarvan jullie de vruchten plukten: jij door allerlei nutteloze aankopen te doen, Annebel door een reis naar Italië te maken. Rutger vond het een mooie gelegenheid om een voorraad slechte supermarktwijn in te slaan, en Ruurd door de grote bink uit te hangen bij z’n maten. En wie moest kromliggen om dit af te betalen? Niet jullie, want jullie wilden niet door hebben hoe slecht moeder het had. Een karig pensioen waarvan zij een groot deel aan de bank moest afstaan en er ook jullie mee moest onderhouden, omdat alleen Annebel degene was die het goede fatsoen had om op een beschaafde leeftijd te trouwen en het huis uit te gaan. Dat was tevens het enige stukje fatsoen dat zij in haar leven heeft gehad. Het feit dat ze dit bereikte door zwanger te worden omdat haar benen dichthouden een onmogelijk iets was zodra er een man met een baard en een makkelijke babbel bij haar in de buurt kwam, heeft hiermee verder niets te maken. De rest van jullie bleef in het ouderlijk huis rondhangen omdat het gratis was. Werken was een vreemd woord waarmee jullie niets te maken wilden hebben. Het was een mirakel dat Cor uiteindelijk in een zeepfabriek is terecht gekomen.
“Het enige werk dat Rutger ooit heeft gedaan, is de kunstenaar uithangen. Dit hield in dat zijn drugs en drankgebruik en oeverloos ouwehoeren in elk café waar hij nog niet was uitgedonderd, belangrijker was dan daadwerkelijk kunst produceren.”
Rutger keek de tafel rond, benieuwd of iemand voor hem in de bres sprong. Niemand voelde zich hiertoe geroepen en zelf had hij er geen behoefte aan. Waar hij wel behoefte aan had, was een fles rode wijn en een groot glas.
“Ik moet bekennen’, vervolgde Ronald met Floor’s woorden, “dat, als hij werkte, Rutger goede kunst produceerde. Hij kon werkelijk schilderen maar miste helaas net dat beetje doorzettingsvermogen om de wijn te laten staan en zich meer met kunst bezig te houden. Had hij dit wel gedaan dan zou hij hier nu niet zitten, zich afvragend met hoeveel geld zijn jongste zus over de brug komt.
“Ruurd, daarentegen, heeft zich altijd beter gevoeld dan de rest van deze belachelijke familie. Hij was het populaire jongetje op school, het ventje waar alle meiden achteraan gingen. Hij ging studeren voor leraar om er al gauw achter te komen dat hij hierin eigenlijk geen zin had. Toen vader overleed, had hij meteen een mooi excuus gevonden waarin hij uiteraard weer als bink naar boven kon drijven: zijn studie opgeven om voor een vaderloos gezin te zorgen. Hoe jong ik ook was toen ik deze larie voor het eerst hoorde: ik moest hier hartelijk om lachen. En nog steeds, wetende wat er van jou geworden is. Je bent een kantoorklerk die de jonge jaren achter zich heeft gelaten maar daarop nog steeds probeert te teren. De jonge meiden op kantoor zien jou niet meer staan en maken puur misbruik van jouw ijdelheid door jou geld uit de zakken te kloppen, heel de avond drankjes in het café van jou te accepteren om met hun jonge vriend naar huis te gaan. Je zult uitgaan zoals een druipkaars: heel even aantrekkelijk en daarna veranderd het in een verlopen, uitgeblust hoopje vet.
“En dan is er Annebel, mijn veel oudere zus met het verstand van een loopse teef op een warme zomeravond. Voor een vage reden verwachtte ik als kind altijd dat jij voor mij zou opkomen tegen die drie grote broers. Dat was een vergeefse verwachting. Je nam me wel mee naar dingen zoals Madurodam en de Efteling. Of het zwembad, waar je me dan achterliet met een ijsje en een gulden om me de rest van de dag te vermaken zodat jij met de eerste de beste baard die je tegenkwam op een afgelegen plek kon liggen vozen. Heel smaakvol allemaal, mij als excuus gebruiken. Zo kwam je als toegewijde grote zus altijd goed uit de bus en kon je ook nog eens de lusten botvieren zonder dat pa en ma dat wisten.”
Ronald schonk zijn glas vol met water en nam er een paar klokkende slokken uit.
‘Is er nog iemand die voortijdig weg wil?’, vroeg hij hierna.
Iedereen keek elkaar aan door langs elkaar heen te kijken.
‘We kunnen net zo goed doorgaan’, merkte Ruurd op.
Ronald knikte eenmaal met het hoofd, deed zijn leesbril weer op en zei:
“Als laatste wil ik het hebben over mijn lieftallige partner, de mooie Vita met wie ik tijdens het opstellen van dit testament drie jaar samenwoon. Het zijn drie mooie jaren geweest en ik ben blij dat wij die samen gedeeld hebben. Jammer dat jij niet hetzelfde gevoel hierover hebt. Ik bedoel: hoe vaak kan een bibliothecaresse overwerken zonder dat het opvalt dat dit onnodig is?”
Deze mededeling was nieuw voor de overige mensen aan tafel en vooral Cor kon een grinnikje niet onderdrukken.
“Hoe lang duurt het om drie boeken in een kast te zetten, samen met die kortharige vrouw waarmee je samen éen stoel deelt tussen de kasten met historische fictie en streekromans in? Maar ook dat is okee. Ik ben dood, tot as vergaan, dus het zal mij allemaal worst wezen wat je met dat luizige leventje van je doet.
“En dan nu waarvoor iedereen gekomen is: de verdeling van mijn vermogen en activa.
“Vita, omdat wij geen samenlevingscontract hebben dus gemeenschap van goederen niet bestaat, heb jij geen recht op mijn vermogen. Echter, omdat jij mij wel aangename jaren hebt gegeven toen je nog interesse in mij had, heb ik voor jou een toelage apart gezet. Mijn notaris, Ronald van Workum, zal jou na deze testament voorlezing een envelop overhandigen waarin alles gestipuleerd staat. Wees zuinig op het geld want meer krijg je niet.
“Cor, Annebel, Rutger en Ruurd. Jullie hebben je nooit als familie gedragen, als broers en zus, zoals ik dit uit de boeken ken die ik op jonge leeftijd las. Veel later begreep ik pas dat de ideale familie een grote leugen is waar iedereen is ingetrapt en voor een ware aanneemt. Wat dat betreft verschillen wij dus geen ene moer met de rest van de mensheid.
“Net zoals Vita hebben ook jullie geen recht op een deel van mijn vermogen of activa. Desondanks heb ik voor jullie iets apart gezet. De heer Van Workum heeft een envelop voor elk van jullie. Hij zal die nu uitreiken.”
Ronald pakte de vier enveloppen tevoorschijn, las de namen en legde deze voor de juiste persoon terwijl hij om de tafel heen liep. Hij stak zijn hand op toen Cor het wilde openscheuren, om aan te geven dat het nog niet klaar was. Terug op zijn plek, nam hij het testament weer voor zich en zei:
“De inhoud van de envelop geeft aan waarop jullie recht hebben. Het is mijn persoonlijke mening, en ook wat jullie verdienen.”
Opkijkend zei hij:
‘De enveloppen mogen nu geopend worden.’
Hij pakte een briefopener om deze rond te laten gaan, maar dit bleek een overbodige actie. Cor had zijn vinger onder de plakrand gewurmd en opende de bovenrand rafelig, een ander scheurde de zijkant van de envelop eraf en de overige twee hadden een eigen manier gevonden om bij de inhoud te komen.
‘Is dit een grap?’, vroeg Cor woedend toen hij het kaartje las dat Floor in de envelop had gestopt.
‘We zijn hier niet bijeen om grappen te maken’, merkte Ronald droog op.
Cor schoof het kaartje met flinke kracht over de tafel heen zijn kant uit. Het kwam ondersteboven voor hem terecht en hij las het korte woord zonder het kaartje om te hoeven draaien: Nada #1.
‘3 = Noppes?’
Annebel draaide haar kaart om, nieuwsgierig of er iets hoopvollers op de andere kant stond.
‘2 x Niks.’
‘Nul - 4?’
“Dit is precies wat jullie verdienen”, vervolgde Ronald de voorlezing: “Noppes, nada, niks en nul. Dat zouden jullie bijnamen moeten zijn.”
‘Ik heb hier genoeg van.’
Cor schoof zijn stoel luid naar achteren. Het viel om en bleef met de rugleuning tegen de radiator hangen. Zonder verder iets te zeggen, liep hij de kamer uit.
‘Dan ga ik ook maar.’
Iets rustiger dan Cor stond Ruurd op, gevolgd door Annebel. Als laatste verliet Rutger het vertrek.
Na hun aftocht stak de secretaresse haar hoofd om de hoek van de deur en keek in de richting van de advocaat, die haar kort toeknikte. Ze verdween weer en sloot de deur achter zich.
‘Dit is jouw envelop.’
Hij overhandigde de envelop op A4 formaat aan Vita.
‘Ik neem aan dat deze wel gevuld is.’
Vita tuurde naar de envelop zonder het te zien. Het was stil in deze kamer nu die vier andere mensen waren vertrokken. Ze had deze rust nodig om bij te komen. Na een diepe ademhaling, zei ze:
‘Het maakt mij niet uit of Floor iets voor mij heeft opzij gezet. Ze heeft gelijk: ik heb zo’n vrouw als zij niet verdiend met mijn losbollige gedrag. We woonden samen maar ik dacht dat ik nog steeds alles kon uithalen wat ik voorheen deed. Wat een onnozel type ben ik geweest.’
‘Neem toch maar mee.’
Ronald tikte met zijn wijsvinger op de envelop.
‘Denk terug aan de goede tijden die jullie hebben meegemaakt. Wellicht was de liefde eenzijdig, maar Floor heeft een beter leven gekregen toen zij jou leerde kennen.’
‘De pest is dat het niet eenzijdig was. Ik hoop zeker dat zij een beter leven heeft gehad door mij.’
Ze stond op, de envelop in haar tas duwend.
‘Got, wat waardeloos dat we nu niet meer met elkaar kunnen praten. Dat zal ik nog het meeste missen.’
‘Vergeet dit niet mee te nemen.’
Hij stopte de koker met as terug in het daarvoor bestemde tasje. Het had er louter als decoratie gestaan, een symbool van Floor’s aanwezigheid. Hij gaf het aan Vita en vroeg:
‘Ga je er nog iets mee doen?’
Ze trok de schouders op. Hierover had ze nog niet nagedacht.
Na hem bedankt te hebben, liep ze naar haar auto toe en stapte in, Floor op de achterbank neerzettend. Ze reed de parkeerterrein af, stopte bij het hek en sloeg rechtsaf.
Zodra ze uit zicht van alles en iedereen was, kwam er een glimlach op haar gezicht. Het ergste was achter de rug; haar nieuwe leven kon beginnen.
*
2. Cor
Corrie sprong op en liep naar de voordeur toen ze de sleutel in het lot hoorde. Halverwege de gang kwam ze haar man tegen.
‘En?’
Met grote vragende ogen nam ze hem op.
Ze kenden elkaar sinds hun tienerjaren en zij wist door elke beweging van zijn lichaam en de trekken op zijn gezicht hoe zijn humeur was. Ze waren dertig jaar getrouwd en van deze dertig jaar hadden ze er twintig zwijgend naast elkaar op de bank doorgebracht. Er was maar zoveel conversatie dat een echtpaar kon blijven herhalen.
Cor schudde het hoofd.
‘Dat klotewijf heeft ons allemaal genaaid.’
Zonder haar aan te kijken, liep hij langs haar heen naar de zitkamer.
‘Hoe bedoel je?’
‘Ze heeft ons met valse beloftes naar dat notariskantoor gelokt om ons de huid vol te schelden en daarna ons uiteindelijk met niets naar huis te sturen.’
‘Niets?’, herhaalde Corrie om er zeker van te zijn het goed gehoord te hebben.
‘Nada in mijn geval.’
‘Nada?’
‘Blijf je alles herhalen?’
Bij gebrek aan iemand anders, vuurde hij zijn woede op haar af.
‘Ik wil weten wat er gebeurd is, mag dat?’, knauwde Corrie terug. ‘Ik ben niet degene geweest die jou een oor heeft aangenaaid, hoor.’
Cor zweeg. Er was zoveel dat hij wilde zeggen, maar Corrie had gelijk: hij moest zijn gram niet op haar botvieren. Hij zag vanuit zijn ooghoeken dat zij hem aankeek en knikte zijn hoofd enkele keren.
‘Vertel’, zei ze.
‘Het was over voordat het begon’, zei hij na een diepe zucht.
Ze nam naast hem op de bank plaats, een zitkussen tussen hen in. De tweezits van weleer, het knuffelbankje dat zij tijdens de eerste paar jaar van hun huwelijk deelden, was een driezits geworden waarvan het middelste zitkussen diende als tafeltje voor tijdschriften en lege boterhambordjes.
‘Ik kwam er samen met Ruurd aan en we bleven op Rutger en Annebel wachten om met z’n allen gelijktijdig naar binnen te gaan. Die pot kwam eerst...’
‘Wie kwam eerst?’
‘Die pot, dat wijf waarmee Floor samenwoonde...’
‘Oh, die.’
‘...en ze liep ons doodleuk voorbij zonder ook maar een woord te zeggen.’
‘Kende ze jullie dan?’
‘Wat heeft dat er nou mee te maken?’
‘Nou ja, zij en Floor hebben elkaar ontmoet lang nadat het contact tussen ons al verbroken was.’
‘Ja, maar, hoeveel mensen staan er dagelijks voor een advocatenkantoor te wachten, denk je? Worden er elke dag samenscholingen gehouden dat ze ons zomaar voorbij loopt alsof het een gewoonte is dat daar mensen staan?’
‘Misschien dacht ze wel...’
‘Probeer geen excuses voor die onbeschofte pot te verzinnen, alsjeblieft.’
Geërgerd knoopte hij zijn schoenen los en smeet ze te hard op de grond.
‘Zal ik verder gaan of maak je zelf het verhaal af’, zei hij toen.
Het was geen vraag, zij gaf geen antwoord. Met de armen over elkaar gevouwen en een been om de ander geslagen, wachtte ze af.
‘We gingen de kamer in. Die pot zat er al...’
‘Hoe heet ze eigenlijk?’
‘Fiet of zoiets. Ze zat er al en wij gingen ook om de tafel zitten. Die advocaat deed z’n gebruikelijke praatje en toen...’
‘Wat zei hij?’
‘Nou ja, wat advocaten altijd zeggen: blij dat iedereen er is. Het is geen verplichting om te blijven dus als je weg wilt, kun je gaan.’
‘Waarom heb je dat niet gedaan dan?’
‘Omdat ik wilde weten of mijn innig geliefde jongste zus wat van haar vermogen voor mij opzij had gezet.’
‘Maar dat heeft ze niet gedaan, toch?’
‘Dat wist ik toen toch nog niet?’
Cor keek naar Corrie, Corrie keek naar Cor.
‘En verder?’, vroeg Corrie toen.
‘Floor had zich helemaal uitgeleefd in haar testament en maakte ons voor rotte vis uit. Daarna werden er enveloppen uitgedeeld en...’
‘Wat voor enveloppen?’
‘Als je me nou effies laat uitpraten: er werden enveloppen uitgedeeld waarin zij haar adreskaart had gedaan...’
‘Wie, Floor?’
‘Ja, wie anders?’
‘Misschien die Fiet.’
‘Die heeft hier niets mee te maken.’
‘Waarom zat ze er dan bij?’
‘Omdat zij met Floor samenwoont.’
‘Woonde.’
‘Woonde’, herhaalde hij.
‘En wat gebeurde er met die adreskaart?’
‘Daar stond dus op dat ik niets kreeg.’
‘Oh.’
‘Ja.’
Beiden staarden voor zich uit. Door de opengeslagen bovenraampjes kwam het gekwetter van vogeltjes binnen. Vinkjes en sijsjes, afgewisseld door het getjilp van mussen.
Ze hadden deze flat recent betrokken. Het was hun eerste nieuwe onderkomen nadat ze jarenlang in een maisonnette hun thuis hadden gehad. In de maisonnette woonden ze vanaf hun trouwdag. Het was ingericht met allerlei potten en pannen, stoelen en behang die beiden jarenlang stukje bij beetje gekocht hadden en onder bedden en in vrije stukjes kamer van hun respectievelijke ouderlijke huizen bewaarden. Hun twee jongens waren in die maisonnette geboren en grootgebracht. Toen die twee uiteindelijk het huis verlieten, bleven zijzelf er nog enkele jaren wonen voordat ze overwogen of een nieuwe omgeving misschien ook iets nieuws in hun huwelijk kon brengen. De maisonnette werd te koop gezet en deze flat gekocht. De flat lag aan de andere kant van de stad. Ze woonden nog steeds in de stad waar ze waren geboren, waar ze elkaar hadden leren kennen. Eenmaal per jaar verlieten ze deze stad voor een geheel verzorgde vakantie ergens in het buitenland. Twee weken. Het was daarna altijd weer fijn om terug te komen, terug naar de vertrouwde omgeving die ze beiden van jongs af aan kenden.
‘Nou ja, goed.’
Corrie’s stem verbrak de stilte tussen hen in, opstaand om naar de keuken te gaan.
‘Als je op niets rekent, is het geen gemis. Wil jij ook koffie?’
‘Nee. Of ja, doe maar.’
Achterover leunend in het comfortabele kussen, spreidde hij beide armen over de rugleuning. Hij liet niet doorschemeren dat hij in het diepste van zijn gedachten wel op iets gerekend had. Ergens hoopte hij erop dat Floor zich zou herinneren dat hij en Corrie haar mee hadden genomen naar een concert in de Doelen. Was dat nou Cockney Rebel? Achteraf was hij hier niet meer zeker van. Of dat zij het zich herinnerde dat ze een dag in de Efteling hadden doorgebracht, ijsjes gekocht. Naar de kermis meegenomen waar ze zich confuus voelde worden in de ruimte met de lachspiegels. Corrie had zichzelf toen lam geërgerd. Ze hadden goed geld voor deze attractie neergelegd en Floor wilde er na dertig seconden al weer uit. Mensen keken naar hen, naar dat kind dat zich zo aanstellerig gedroeg. Cor was degene geweest die haar hand pakte en mee naar buiten nam.
Hij had gehoopt dat zij zich dat zou herinneren en niet meer wat er later kwam, waar het mis was gegaan.
Waarom waren ze eigenlijk zo abrupt uit elkaar gegroeid? Dat wat die advocaat voorlas over die lening van hun moeder, herinnerde hij zich niet. Hij noemde zichzelf een rechtschapen man en zou zoiets nooit doen, zeker niet bij hun eigen moeder.
Corrie zette de koffie op tafel en ging in haar hoek op de bank zitten, benen naast zich getrokken, handen om haar mok geklemd.
‘De advocaat las de dingen op die Floor ons verweet’, begon hij.
‘Oh, zeker weer van die lening.’
‘Hoe weet jij dat?’
‘Ik was erbij, weet je nog? Van dat geld hebben we toen die salontafel gekocht. Die is jaren meegegaan totdat Bobby het met zijn electrische trein bewerkte.’
‘Was dat van het geld van ma dan?’
‘Zeker weten.’
‘Naaah. Ik kan me niet voorstellen dat ik dat heb aangenomen.’
‘Dat heb je ook niet gedaan.’
‘Ah, zie je wel.’
‘Niet van ma in elk geval. Annebel regelde alles en schoof jou, Rutger en Ruurd allemaal duizend gulden toe.’
‘Dat kan ik me niet herinneren.’
‘We hebben er die tafel van gekocht en zijn naar Cockney Rebel geweest.’
‘Was dat in die tijd?’
‘Je vader was net overleden. Of kun je je dat ook niet herinneren?’
‘Tuurlijk herinner ik me dat, ik ben niet achterlijk.’
‘Alleen vergeetachtig.’
Corrie stond op en nam haar pakje sigaretten mee naar het balkon.
Na het avondeten bladerde Cor door de zenders heen en zette de tv uit. Corrie zat op de bank te lezen. Hij stond op en schonk een glas rode wijn voor zichzelf in.
‘Wil jij ook wat?’, vroeg hij, de fles naar haar ophoudend.
‘Doe maar.’
Ze wachtte met praten totdat het glas voor haar stond en vroeg:
‘Je zit er toch niet over in, hè, dat gebeuren met Floor vandaag.’
‘Nee, niet meer. Het viel wel tegen, want eerlijk gezegd had ik iets verwacht van haar voor alles wat wij voor haar gedaan hebben. Maar dat was teveel gevraagd, blijkt maar weer eens.’
Dwars op de bank zittend, keek hij naar buiten. Het werd vroeg donker. Behalve de galerij lichten van de flat aan de overkant, was er niets te zien. Zijn gezicht weerspiegelde als een silhouet in het glas. Dat was beter; zo hoefde hij zichzelf niet in de ogen te zien.
Corrie sloeg haar wijn achterover en stond op. Het liep tegen negenen. Ze hadden vandaag meer gepraat dan in de afgelopen maanden bij elkaar opgeteld. Terugdenkend aan vroeger voelde ze een melancholische vlaag over zich heen strijken. Het had geen zin om terug te kijken; die belevenis zou nooit meer herleefd kunnen worden, hoezeer ze het ook probeerden.
‘Ik ga naar bed’, zei ze. ‘Morgen weer vroeg op.’
Cor knikte. Zijn glas was nog niet leeg en hij bleef zitten.
‘Kom je ook zo?’
‘Ik ga eerst nog naar de kelder om een paar spullen te halen waaraan ik morgen wil werken.’
‘Maak het niet te laat. En niet het licht aandoen als ik slaap. Ik moet vroeg op’, herhaalde ze. ‘Welterusten.’
‘Trusten.’
Hij luisterde naar haar voetstappen, naar het doortrekken van de wc, het gorgelen van de mondspoel en het kraakje van het bed daar waar ze op de rand zat voordat zij haar benen onder het dekbed zwengelde. Toen hij tien minuten later zijn wijn op had, lag Corrie al te slapen.
Zonder jas aan nam hij de vier trappen naar beneden. Hoewel het buiten kil was, zou hij het in de kelderbox gauw warm krijgen. In het flauwe licht van de lamp boven de deur zocht hij naar de juiste sleutel van de buitendeur en ging naar binnen. Achter hem sloot de deur zich langzaam.
De twee lange gangen liepen parallel onder de gehele lengte van de flat door. Een bovenlicht flikkerde, deed dit al weken. Ook hier was het licht niet noemenswaardig. Voor laatkomers die hier hun fiets wilden wegzetten, was het gissen of je bij de juiste box was.
Met behulp van het lampje van zijn telefoon deed hij de sleutel in het slot van de deur naar zijn box, toen iemand zijn naam riep. Over zijn schouder heen, keek hij naar achteren en bleef staan.
‘Zoek je iets hier?’, vroeg hij verrast, iemand verderop in de gang te zien.
Hij keek naar zijn overhemd waarop een rode stip verscheen, gevolgd door een zoevend geluid. Een fractie van een seconde later voelde hij heftige pijn in zijn lichaam.
Hij sloeg voorover toen de pijl zijn maag doorboorde. Heel even ging zijn blik omhoog naar het figuur dat als een schaduw in het vale licht stond. Dit was het laatste beeld dat hij zag voordat het licht bij hemzelf voorgoed uitging.
*
3. Lianne
Eerder dan ze gewend was, zat Lianne achter haar bureau, starend naar het beeldscherm. Paula, éen van de collegae die de taartvorm van bureaus met haar deelde, zette een beker koffie voor haar neer. Al drinkende bleef ze naast haar staan.
‘Wat vind je ervan’, begon ze, ‘om met z’n drieën in een taart opgedeeld te worden.
‘Maak mij niet uit, als ik maar met rust word gelaten.’
‘Ik ga al.’
Ze maakte geen aanstalten om te vertrekken en plaatste een bil op Lianne’s bureau. De benen strekkend, geeuwde ze lang achter haar handen waardoor de beker koffie gevaarlijk overhelde, en zei:
‘Jij bent het enige vriendelijke gezicht dat hier nog te vinden is. Sinds al die jonge honden hier rondlopen met halfopen laptops op hun halfopen armen loerend naar die halfopen meiden in de hoop dat ze indruk op hen maken...’
Ze maakte haar zin af met het schudden van haar hoofd.
‘Je kunt beter zeggen, dat sinds Pieter met pensioen is, het hier niet meer hetzelfde is’, merkte Lianne op.
‘Allemaal van die gesjeesde types die het politievak hebben geleerd door naar CSI te kijken, of hoe die toestand ook allemaal heet’, beaamde Paula.
‘En iedereen wil bij forensisch.’
‘Ook dat nog. Wat doe jij hier eigenlijk zo vroeg?’
Ze ging weer staan. Haar bil was zo’n harde ondergrond als een bureaublad niet gewend.
‘Ada heeft me gisteravond overvallen.’
‘Oh jee.’
‘Inderdaad oh jee. Ze kwam om tien over acht binnen en hield haar kwek pas dicht toen ik vanmorgen vroeg het huis uit sloop.’
‘Wat heeft ze ditmaal?’
‘Aadje zoekt de ruimte om het werk te kunnen maken dat ze wil maken en vindt dat Jama haar die ruimte niet geeft’, somde Lianne op.
‘Jamareon? Die knul is de goedheid zelve.’
‘Dat is juist wat Ada steekt: hij maakt eten voor haar klaar, doet de was, zorgt voor de kinderen zodat zij haar kunst kan waarmaken.’
Ze liet haar pen op het bureau vallen en dronk haar koffie. Het was aan de juiste kant van afgekoeld zijn.
‘Ze moet iets hebben dat tegendraads is; pas dan kan ze de kunst grijpen.’
‘Het is een apart volk, hoor: kunstenaars.’
‘Of ze doen maar alsof ze zo apart zijn. Wat ik heb meegemaakt in dat wereldje via Ada, is dat ze net zulke burgertrutten zijn als de rest van ons, alleen hanteren ze een kwast.’
Een goed geklede man aan de goede kant van de veertig kwam de afdeling oplopen, recht op Lianne af.
‘Als we het over de duivel hebben...’
Lianne’s collega vertrok naar haar eigen bureau en hield de oren gespitst.
‘Sorry, Lian’, zei hij zodra hij binnen hoorafstand was.
‘Sorry voor jou’, zei ze terug. ‘Wat heeft ze nou weer gedaan?’
‘Heeft ze jou niets verteld?’
Jamareon draaide de stoel vanachter een leeg bureau naar zich toe en ging naast haar zitten.
‘Wil je het echt weten?’, vroeg Lianne aan haar zwager. ‘Ze heeft heel de avond en de halve nacht aan m’n kop zitten blaten totdat ik er gek van werd. Nadat ze een uur over kaasmaken had geleuterd, ben ik geestelijk verdwaald en heb met open ogen zitten slapen.’
‘Da’s mijn Ada’, zei Jamareon met zoveel bewondering, dat Lianne zich afvroeg waar hij dit vandaan haalde. ‘Geef haar twee dagen en stuur haar dan maar weer naar mij toe.’
‘Twee hele dagen? Meen je dat nou?’
‘Je kan het, Lian.’
‘Jama: Aadje en ik zijn met elkaar grootgebracht, niet opgegroeid, omdat zij puur een achteraf gedachte was van m’n vader en moeder. Zelfs als jong kind kon ze haar tater nooit houden en dat is met het groeien der jaren alleen maar erger geworden.’
‘Ik hou daar wel van.’
‘Meneer Singh, je bent te goed voor deze wereld.’
‘Boorman!’, werd er over de afdeling geroepen.
‘Succes’, zei Jama snel en zocht zijn eigen bureau op.
Lianne keek over de afscheiding heen naar de chef die haar wenkte en stond op. Hij had de deur naar zijn kamer opengelaten en ze liep meteen door naar binnen.
‘Er is een dooie gevonden in de Cronjéstraat. Ken je die flats daar? Bij nummer 18, de eerste flat. Vanmorgen heeft een goede burger een bewoner in de kelder dood op de vloer gevonden. Lijkt me iets voor jou om de tanden in te zetten.’
‘Okee, chef.’
‘En neem Laura mee. Een mooie gelegenheid om haar in te werken.’
‘Ik heb liever Jama bij me, zeker als het om een moord mocht gaan.’
‘Dat weten we nog niet.’
‘Daarom.’
De chef werd niets wijzer van haar antwoord en wuifde haar zijn kamer uit.
Toen hij haar blik zijn kant op zag gaan, keek Jamareon vragend terug.
‘Een dooie, vermoedelijk’, zei ze. ‘Ga je mee?’
Twee minuten later reden ze het parkeervak uit de straat op naar de Cronjéstraat.
Bij de buitendeur van de bewuste flat stond een groepje mensen. De groep ging als een terugslippende branding opzij toen iemand van blauw hen terugschoof omdat de recherche eraan kwamen.
‘Linkersleuf’, zei de blauwe tegen haar.
Ze liepen door de gang naar achteren. Zelfs overdag was het vrijwel onmogelijk hier iets te zien.
‘Is het nou echt zo moeilijk om goed licht te hebben?’, mompelde ze.
‘Dat is om lichtvervuiling tegen te gaan’, zei Jama.
‘Oh ja, want in een kelder moet je vooral geen licht hebben als je naar sterren wilt kijken. Mogge, Har. Hoe is tie?’
‘Met mij goed’, zei de lijkschouwer. ‘Met mijn nieuwste vriend wat minder.’
Op de grond lag het lichaam, dat eens naar de naam Cor had geluisterd, heel koud te zijn.
‘Enig idee wanneer en met wat en hoezo, aannemende dat het niet een natuurlijke dood betreft, want wat doe ik hier dan eigenlijk?’
‘Je bent weer je vrolijke zelf, hoor ik. Je hebt gelijk: in de buik geschoten en binnen een paar minuten dood gebloed. Da’s de beste plek om iemand te laten doodbloeden.’
‘Geschoten als in pangpang.’
‘Dat heb ik gisteren nog gegeten. Bij die nieuwe Indo-Chinees aan de Confettiweg. Ben je er al een keer geweest?’
‘Ik zal die binnenkort eens proberen.’
‘Het is een pijl geweest.’
‘Wie schiet er nou nog met pijlen?’
‘Robin Hood.’
‘Weet je het zeker?’
‘Lianne...’ hij legde een hand op zijn hart ‘…heb je nu werkelijk al het vertrouwen in mij verloren? Ik weet het zeker. Ik zal straks een onderzoek doen naar mijn zeker weten, speciaal voor jou. Zoals ik het in deze duisternis kan bekijken, heeft de overledene door een scherp puntig voorwerp het leven gelaten.’
‘Mes?’
‘Nee, het gat is te dik voor een klein mes en te klein voor een dik mes.’
‘Wie is het?’
‘Volgens de man die ‘m gevonden heeft, heet hij Cor en woont op nummer 18. Niemand is thuis. Blauw is de gegevens aan het opgraven dus die krijg je zo.’
‘Tijd?’
‘Gisteravond. Hij is koud maar de vloer hier is ook verrekte koud. Ik geef je de ommennabij straks door.’
‘Okee, Har. Ik hoor je later.’
Jamareon had inmiddels de agent met de gegevens opgezocht en zodra Lianne naar buiten kwam, reden ze naar het hotel waar Corrie werkte. Dit soort nieuws zou geen mens ooit via de telefoon te horen moeten krijgen.
*