Lange schaduwen in het gele gras

Lange schaduwen in het gele gras

1. Floor

 

‘Dit is Floor.’ 

De notaris hield een bus omhoog waarin het as van Floor zat. Cor, Floor’s oudste broer, was niet geïnteresseerd in het laatste bezoek van zijn zus in asvorm. Hij had ook nooit interesse gehad of zij hem al dan niet in levende lijve bezocht, en zei:

‘Ze heeft er wel eens slechter uitgezien.’

‘Dankjewel.’ 

Vita’s stem droop van sarcasme. 

‘We hebben het over mijn overleden partner en ik zou het op prijs stellen als je daar rekening mee hield.’

Cor trok zijn schouders kort op en draaide zijn blik van haar vandaan. Zelfs nu zij overleden was, vond Floor het nodig hem een hak te zetten. Haar partner zag er beter uit dan zijn eigen vrouw ooit had gedaan. Veel beter zelf. Jammer dat ze damesvoetbal speelde, voor het andere team zogezegd. Hij snoof een lachje om zijn eigen gedachten.  

Vita nam hem met haar donkere blik op, keek daarna van de éen naar de ander. Dit was de eerste keer dat zij hen zag, Floor’s familie. Floor was al lang met haar broers en zus gebrouilleerd voordat zij elkaar hadden ontmoet. Ze kende de achterliggende reden van deze vete niet en was er ook niet werkelijk in geïnteresseerd. Floor’s schaarse vertelsels over hen gingen altijd gepaard met de sluitzin: 

“Je hoort het nu alleen van mijn kant. Ze zijn er niet om zich te verdedigen, hun kijk hierop te vertellen.” 

Echter, na de verhalen die zij in de loop der jaren had gehoord, was ze tot de conclusie gekomen dat dit niet een familie betrof met wie zij op verjaardagen zittend op de bank een glaasje wijn wilde delen. Deze opmerking van Cor verstevigde de gedachte in haar, dat Floor niet voor niets met hen was gebrouilleerd.

‘Je hebt mijn medeleven op meerdere manieren’, merkte Cor op, zonder haar richting uit te kijken.

‘Dames en heren’, kwam Ronald tussenbeide. 

Voordat de opmerkingen over en weer mogelijk in handgemeen werden omgezet, wilde hij zijn opdracht als notaris uitoefenen. Wat er daarna gebeurde, was geen zorg van hem. 

‘Dank jullie wel dat jullie allemaal gekomen zijn.’ 

Cor mompelde iets. 

‘Sorry?’, vroeg Ronald.

‘Ik zei dat het niet vrijwillig is dat ik hier ben.’

‘Je kunt altijd nog de ruimte verlaten.’ 

Hij vouwde zijn op elkaar gevouwen handen in de richting van de deur. 

‘Het is geen verplichting maar een uitnodiging.’

‘Een uitnodiging waarop stond dat we hier aanwezig moeten zijn om ongetwijfeld naar wat geleuter en heel veel verwijten te luisteren van onze lieve zus voordat ze ons een deel van haar erfenis geeft.’

‘Nogmaals, je kunt altijd de ruimte verlaten.’

‘En dan nergens recht op hebben?’ 

Grinnikend schudde Cor het hoofd. 

‘Die laatste pret zal ik m’n zogenaamde zus niet gunnen.’

‘Kunnen we verder gaan?’ 

Annebel, Floor’s enige zus en de op éen na oudste van de kinderen, keek Ronald aan. Hij was een man die goed in het pak zat en wat er onder dat pak zat, zou haar vast ook wel aanstaan. 

‘De honden moeten nog eten’, vulde ze als excuus voor haar onderbreking aan.

Naast Annebel en Cor waren Rutger, de kunstzinnige van de familie, en Ruurd er nog. Ze waren allen ouder dan Floor, de jongste van het spul en de enige die wat van haar leven scheen te hebben gemaakt. Vita mocht deze mensen niet van gezicht kennen, maar de levendige beschrijvingen die Floor haar had gegeven, waren ijzersterk geweest.

‘Ik kom ter zake.’ 

Ronald haalde een envelop tevoorschijn waaruit hij het testament trok dat Floor enkele maanden eerder had opgesteld, gedurende een periode in haar leven waarin zij ziek was. Voor iemand die in de regel niet meer dan af en toe een hoofdpijntje had, was ziek zijn een vreemd fenomeen. 

Floor’s goede vriend en tevens literair agent Wouter van Oudheusden had er bij haar op gehamerd dit testament te maken. Hij maakte zich niet druk om haar gezondheid, maar vond het wel zorgelijk worden, vooral omdat zij van het ene moment op het andere aan het kwakkelen sloeg. Hij was éen van de weinigen naar wie zij luisterde. Hij was de zorgzame broer die zij nooit had gehad, de man die het beste met haar voor had.

Ronald’s ogen gingen de mensen aan tafel langs waarna hij zei:

‘Het testament is valide en Floor was in goede geestelijke gezondheid toen het werd opgemaakt. Hiermee wil ik zeggen dat dit testament aanvechten een verloren zaak is. Vanwege de honden...’ hij kon een smalende glimlach niet onderdrukken ‘...zal ik meteen ter zake komen, zoals ik al zei...’

‘Drie minuten geleden’, bromde Cor net luid genoeg voor de anderen om dit te horen. 

De broers grinnikten, Annebel keek met een schuine blik naar het berichtje op haar telefoon die voor haar op tafel lag. Zonder zich uit het veld te laten slaan, vervolgde Ronald:

‘De woorden van Floor zullen ad verbatim opgelezen woorden.’ 

Hij kuchte een keertje en begon al lezende: 

“Als de tafel helemaal vol zit en Cor eindelijk gestopt is de pias uit te hangen -op zijn leeftijd zou hij beter moeten weten, maar ja, hij is nooit het scherpste potloodje in het doosje geweest- zal ik de verdeling van mijn nalatenschap uiteenzetten.”

‘Ze hield nogal van die lange lange volzinnen’, merkte Cor op, tamelijk gepikeerd, meer dan hij wilde toegeven, over de omschrijving van zijn karakter.

‘Daarom heeft Floor ook miljoenen op de bank staan en jij niet’, herinnerde Vita hem eraan.

“Ik hoop dat iedereen er is”, vervolgde Ronald onverdroten. “Weet je, ondanks dat jullie mijn moeder een vroegtijdig overlijden hebben bezorgd, wens ik jullie toch hetgeen toe wat ik jullie nalaat. Het feit dat jullie het nodig vonden corrigerend naar mij op te treden, zal ik naast mij neerleggen. Dat is voor jullie om te overdenken met die creperende aftandse hersentjes die voor 99 procent ongebruikt in jullie hoofd zitten. Wat ik geen van jullie, echter, ooit zal vergeven, is dat niemand van jullie ook maar een moment heeft stilgestaan bij de manier waarop jullie mijn moeder zo slecht behandeld hebben. Dat heeft dat arme mens niet verdiend. Maar ook dit zal iets zijn dat geen van jullie interesseert. Dat is jullie goed recht, vinden jullie zelf, aangezien jullie alleen maar rechten opeisen en de plichten daarbij vergeten. Plichten vergen namelijk energie en compassie, en andere voor jullie zulke enge woorden als empathie en mededogen.

“Dit gezegd hebbende, is er desondanks voor elk van jullie iets gereserveerd in mijn testament. Iets waarop jullie recht hebben en wat jullie verdienen. Ik begin met Cor.” 

Ronald’s blik ging over het testament heen naar de man aan de zijkant van de tafel waarna hij Floor’s woorden weer alle aandacht gaf. 

“Cor, als oudste had jij een voorbeeld kunnen zijn voor de rest van ons, had jij ons kunnen begeleiden naar een goed bestaan, zeker toen vader overleed. In plaats daarvan maakte jij, evenals Annebel, Rutger en Ruurd, misbruik van de geestelijk zwakke periode waarin moeder zich toen bevond. Éen voorbeeld hiervan is: op instigatie van vooral jou en Annebel, sloot moeder een lening af waarvan jullie de vruchten plukten: jij door allerlei nutteloze aankopen te doen, Annebel door een reis naar Italië te maken. Rutger vond het een mooie gelegenheid om een voorraad slechte supermarktwijn in te slaan, en Ruurd door de grote bink uit te hangen bij z’n maten. En wie moest kromliggen om dit af te betalen? Niet jullie, want jullie wilden niet door hebben hoe slecht moeder het had. Een karig pensioen waarvan zij een groot deel aan de bank moest afstaan en er ook jullie mee moest onderhouden, omdat alleen Annebel degene was die het goede fatsoen had om op een beschaafde leeftijd te trouwen en het huis uit te gaan. Dat was tevens het enige stukje fatsoen dat zij in haar leven heeft gehad. Het feit dat ze dit bereikte door zwanger te worden omdat haar benen dichthouden een onmogelijk iets was zodra er een man met een baard en een makkelijke babbel bij haar in de buurt kwam, heeft hiermee verder niets te maken. De rest van jullie bleef in het ouderlijk huis rondhangen omdat het gratis was. Werken was een vreemd woord waarmee jullie niets te maken wilden hebben. Het was een mirakel dat Cor uiteindelijk in een zeepfabriek is terecht gekomen. 

“Het enige werk dat Rutger ooit heeft gedaan, is de kunstenaar uithangen. Dit hield in dat zijn drugs en drankgebruik en oeverloos ouwehoeren in elk café waar hij nog niet was uitgedonderd, belangrijker was dan daadwerkelijk kunst produceren.”

Rutger keek de tafel rond, benieuwd of iemand voor hem in de bres sprong. Niemand voelde zich hiertoe geroepen en zelf had hij er geen behoefte aan. Waar hij wel behoefte aan had, was een fles rode wijn en een groot glas.

“Ik moet bekennen’, vervolgde Ronald met Floor’s woorden, “dat, als hij werkte, Rutger goede kunst produceerde. Hij kon werkelijk schilderen maar miste helaas net dat beetje doorzettingsvermogen om de wijn te laten staan en zich meer met kunst bezig te houden. Had hij dit wel gedaan dan zou hij hier nu niet zitten, zich afvragend met hoeveel geld zijn jongste zus over de brug komt. 

“Ruurd, daarentegen, heeft zich altijd beter gevoeld dan de rest van deze belachelijke familie. Hij was het populaire jongetje op school, het ventje waar alle meiden achteraan gingen. Hij ging studeren voor leraar om er al gauw achter te komen dat hij hierin eigenlijk geen zin had. Toen vader overleed, had hij meteen een mooi excuus gevonden waarin hij uiteraard weer als bink naar boven kon drijven: zijn studie opgeven om voor een vaderloos gezin te zorgen. Hoe jong ik ook was toen ik deze larie voor het eerst hoorde: ik moest hier hartelijk om lachen. En nog steeds, wetende wat er van jou geworden is. Je bent een kantoorklerk die de jonge jaren achter zich heeft gelaten maar daarop nog steeds probeert te teren. De jonge meiden op kantoor zien jou niet meer staan en maken puur misbruik van jouw ijdelheid door jou geld uit de zakken te kloppen, heel de avond drankjes in het café van jou te accepteren om met hun jonge vriend naar huis te gaan. Je zult uitgaan zoals een druipkaars: heel even aantrekkelijk en daarna veranderd het in een verlopen, uitgeblust hoopje vet.

“En dan is er Annebel, mijn veel oudere zus met het verstand van een loopse teef op een warme zomeravond. Voor een vage reden verwachtte ik als kind altijd dat jij voor mij zou opkomen tegen die drie grote broers. Dat was een vergeefse verwachting. Je nam me wel mee naar dingen zoals Madurodam en de Efteling. Of het zwembad, waar je me dan achterliet met een ijsje en een gulden om me de rest van de dag te vermaken zodat jij met de eerste de beste baard die je tegenkwam op een afgelegen plek kon liggen vozen. Heel smaakvol allemaal, mij als excuus gebruiken. Zo kwam je als toegewijde grote zus altijd goed uit de bus en kon je ook nog eens de lusten botvieren zonder dat pa en ma dat wisten.”

Ronald schonk zijn glas vol met water en nam er een paar klokkende slokken uit.

‘Is er nog iemand die voortijdig weg wil?’, vroeg hij hierna. 

Iedereen keek elkaar aan door langs elkaar heen te kijken.

‘We kunnen net zo goed doorgaan’, merkte Ruurd op. 

Ronald knikte eenmaal met het hoofd, deed zijn leesbril weer op en zei:

“Als laatste wil ik het hebben over mijn lieftallige partner, de mooie Vita met wie ik tijdens het opstellen van dit testament drie jaar samenwoon. Het zijn drie mooie jaren geweest en ik ben blij dat wij die samen gedeeld hebben. Jammer dat jij niet hetzelfde gevoel hierover hebt. Ik bedoel: hoe vaak kan een bibliothecaresse overwerken zonder dat het opvalt dat dit onnodig is?”

Deze mededeling was nieuw voor de overige mensen aan tafel en vooral Cor kon een grinnikje niet onderdrukken.

“Hoe lang duurt het om drie boeken in een kast te zetten, samen met die kortharige vrouw waarmee je samen éen stoel deelt tussen de kasten met historische fictie en streekromans in? Maar ook dat is okee. Ik ben dood, tot as vergaan, dus het zal mij allemaal worst wezen wat je met dat luizige leventje van je doet.

“En dan nu waarvoor iedereen gekomen is: de verdeling van mijn vermogen en activa. 

“Vita, omdat wij geen samenlevingscontract hebben dus gemeenschap van goederen niet bestaat, heb jij geen recht op mijn vermogen. Echter, omdat jij mij wel aangename jaren hebt gegeven toen je nog interesse in mij had, heb ik voor jou een toelage apart gezet. Mijn notaris, Ronald van Workum, zal jou na deze testament voorlezing een envelop overhandigen waarin alles gestipuleerd staat. Wees zuinig op het geld want meer krijg je niet. 

“Cor, Annebel, Rutger en Ruurd. Jullie hebben je nooit als familie gedragen, als broers en zus, zoals ik dit uit de boeken ken die ik op jonge leeftijd las. Veel later begreep ik pas dat de ideale familie een grote leugen is waar iedereen is ingetrapt en voor een ware aanneemt. Wat dat betreft verschillen wij dus geen ene moer met de rest van de mensheid. 

“Net zoals Vita hebben ook jullie geen recht op een deel van mijn vermogen of activa. Desondanks heb ik voor jullie iets apart gezet. De heer Van Workum heeft een envelop voor elk van jullie. Hij zal die nu uitreiken.”

Ronald pakte de vier enveloppen tevoorschijn, las de namen en legde deze voor de juiste persoon terwijl hij om de tafel heen liep. Hij stak zijn hand op toen Cor het wilde openscheuren, om aan te geven dat het nog niet klaar was. Terug op zijn plek, nam hij het testament weer voor zich en zei:

“De inhoud van de envelop geeft aan waarop jullie recht hebben. Het is mijn persoonlijke mening, en ook wat jullie verdienen.” 

Opkijkend zei hij: 

‘De enveloppen mogen nu geopend worden.’ 

Hij pakte een briefopener om deze rond te laten gaan, maar dit bleek een overbodige actie. Cor had zijn vinger onder de plakrand gewurmd en opende de bovenrand rafelig, een ander scheurde de zijkant van de envelop eraf en de overige twee hadden een eigen manier gevonden om bij de inhoud te komen.

‘Is dit een grap?’, vroeg Cor woedend toen hij het kaartje las dat Floor in de envelop had gestopt.

‘We zijn hier niet bijeen om grappen te maken’, merkte Ronald droog op.

Cor schoof het kaartje met flinke kracht over de tafel heen zijn kant uit. Het kwam ondersteboven voor hem terecht en hij las het korte woord zonder het kaartje om te hoeven draaien: Nada #1.

‘3 = Noppes?’ 

Annebel draaide haar kaart om, nieuwsgierig of er iets hoopvollers op de andere kant stond.

‘2 x Niks.’

‘Nul - 4?’

“Dit is precies wat jullie verdienen”, vervolgde Ronald de voorlezing: “Noppes, nada, niks en nul. Dat zouden jullie bijnamen moeten zijn.”

‘Ik heb hier genoeg van.’ 

Cor schoof zijn stoel luid naar achteren. Het viel om en bleef met de rugleuning tegen de radiator hangen. Zonder verder iets te zeggen, liep hij de kamer uit.

‘Dan ga ik ook maar.’ 

Iets rustiger dan Cor stond Ruurd op, gevolgd door Annebel. Als laatste verliet Rutger het vertrek. 

Na hun aftocht stak de secretaresse haar hoofd om de hoek van de deur en keek in de richting van de advocaat, die haar kort toeknikte. Ze verdween weer en sloot de deur achter zich.

‘Dit is jouw envelop.’ 

Hij overhandigde de envelop op A4 formaat aan Vita. 

‘Ik neem aan dat deze wel gevuld is.’

Vita tuurde naar de envelop zonder het te zien. Het was stil in deze kamer nu die vier andere mensen waren vertrokken. Ze had deze rust nodig om bij te komen. Na een diepe ademhaling, zei ze:

‘Het maakt mij niet uit of Floor iets voor mij heeft opzij gezet. Ze heeft gelijk: ik heb zo’n vrouw als zij niet verdiend met mijn losbollige gedrag. We woonden samen maar ik dacht dat ik nog steeds alles kon uithalen wat ik voorheen deed. Wat een onnozel type ben ik geweest.’ 

‘Neem toch maar mee.’ 

Ronald tikte met zijn wijsvinger op de envelop. 

‘Denk terug aan de goede tijden die jullie hebben meegemaakt. Wellicht was de liefde eenzijdig, maar Floor heeft een beter leven gekregen toen zij jou leerde kennen.’

‘De pest is dat het niet eenzijdig was. Ik hoop zeker dat zij een beter leven heeft gehad door mij.’ 

Ze stond op, de envelop in haar tas duwend. 

‘Got, wat waardeloos dat we nu niet meer met elkaar kunnen praten. Dat zal ik nog het meeste missen.’

‘Vergeet dit niet mee te nemen.’ 

Hij stopte de koker met as terug in het daarvoor bestemde tasje. Het had er louter als decoratie gestaan, een symbool van Floor’s aanwezigheid. Hij gaf het aan Vita en vroeg: 

‘Ga je er nog iets mee doen?’

Ze trok de schouders op. Hierover had ze nog niet nagedacht.

Na hem bedankt te hebben, liep ze naar haar auto toe en stapte in, Floor op de achterbank neerzettend. Ze reed de parkeerterrein af, stopte bij het hek en sloeg rechtsaf. 

Zodra ze uit zicht van alles en iedereen was, kwam er een glimlach op haar gezicht. Het ergste was achter de rug; haar nieuwe leven kon beginnen.

*

2. Cor

 

Corrie sprong op en liep naar de voordeur toen ze de sleutel in het lot hoorde. Halverwege de gang kwam ze haar man tegen.

‘En?’ 

Met grote vragende ogen nam ze hem op. 

Ze kenden elkaar sinds hun tienerjaren en zij wist door elke beweging van zijn lichaam en de trekken op zijn gezicht hoe zijn humeur was. Ze waren dertig jaar getrouwd en van deze dertig jaar hadden ze er twintig zwijgend naast elkaar op de bank doorgebracht. Er was maar zoveel conversatie dat een echtpaar kon blijven herhalen.

Cor schudde het hoofd.

‘Dat klotewijf heeft ons allemaal genaaid.’

Zonder haar aan te kijken, liep hij langs haar heen naar de zitkamer.

‘Hoe bedoel je?’

‘Ze heeft ons met valse beloftes naar dat notariskantoor gelokt om ons de huid vol te schelden en daarna ons uiteindelijk met niets naar huis te sturen.’

‘Niets?’, herhaalde Corrie om er zeker van te zijn het goed gehoord te hebben.

‘Nada in mijn geval.’

‘Nada?’

‘Blijf je alles herhalen?’

Bij gebrek aan iemand anders, vuurde hij zijn woede op haar af.

‘Ik wil weten wat er gebeurd is, mag dat?’, knauwde Corrie terug. ‘Ik ben niet degene geweest die jou een oor heeft aangenaaid, hoor.’

Cor zweeg. Er was zoveel dat hij wilde zeggen, maar Corrie had gelijk: hij moest zijn gram niet op haar botvieren. Hij zag vanuit zijn ooghoeken dat zij hem aankeek en knikte zijn hoofd enkele keren.

‘Vertel’, zei ze.

‘Het was over voordat het begon’, zei hij na een diepe zucht.

Ze nam naast hem op de bank plaats, een zitkussen tussen hen in. De tweezits van weleer, het knuffelbankje dat zij tijdens de eerste paar jaar van hun huwelijk deelden, was een driezits geworden waarvan het middelste zitkussen diende als tafeltje voor tijdschriften en lege boterhambordjes.

‘Ik kwam er samen met Ruurd aan en we bleven op Rutger en Annebel wachten om met z’n allen gelijktijdig naar binnen te gaan. Die pot kwam eerst...’

‘Wie kwam eerst?’

‘Die pot, dat wijf waarmee Floor samenwoonde...’

‘Oh, die.’

‘...en ze liep ons doodleuk voorbij zonder ook maar een woord te zeggen.’

‘Kende ze jullie dan?’

‘Wat heeft dat er nou mee te maken?’

‘Nou ja, zij en Floor hebben elkaar ontmoet lang nadat het contact tussen ons al verbroken was.’

‘Ja, maar, hoeveel mensen staan er dagelijks voor een advocatenkantoor te wachten, denk je? Worden er elke dag samenscholingen gehouden dat ze ons zomaar voorbij loopt alsof het een gewoonte is dat daar mensen staan?’

‘Misschien dacht ze wel...’

‘Probeer geen excuses voor die onbeschofte pot te verzinnen, alsjeblieft.’ 

Geërgerd knoopte hij zijn schoenen los en smeet ze te hard op de grond. 

‘Zal ik verder gaan of maak je zelf het verhaal af’, zei hij toen.

Het was geen vraag, zij gaf geen antwoord. Met de armen over elkaar gevouwen en een been om de ander geslagen, wachtte ze af.

‘We gingen de kamer in. Die pot zat er al...’

‘Hoe heet ze eigenlijk?’

‘Fiet of zoiets. Ze zat er al en wij gingen ook om de tafel zitten. Die advocaat deed z’n gebruikelijke praatje en toen...’

‘Wat zei hij?’

‘Nou ja, wat advocaten altijd zeggen: blij dat iedereen er is. Het is geen verplichting om te blijven dus als je weg wilt, kun je gaan.’

‘Waarom heb je dat niet gedaan dan?’

‘Omdat ik wilde weten of mijn innig geliefde jongste zus wat van haar vermogen voor mij opzij had gezet.’

‘Maar dat heeft ze niet gedaan, toch?’

‘Dat wist ik toen toch nog niet?’

Cor keek naar Corrie, Corrie keek naar Cor.

‘En verder?’, vroeg Corrie toen.

‘Floor had zich helemaal uitgeleefd in haar testament en maakte ons voor rotte vis uit. Daarna werden er enveloppen uitgedeeld en...’

‘Wat voor enveloppen?’

‘Als je me nou effies laat uitpraten: er werden enveloppen uitgedeeld waarin zij haar adreskaart had gedaan...’

‘Wie, Floor?’

‘Ja, wie anders?’

‘Misschien die Fiet.’

‘Die heeft hier niets mee te maken.’

‘Waarom zat ze er dan bij?’

‘Omdat zij met Floor samenwoont.’

‘Woonde.’

‘Woonde’, herhaalde hij.

‘En wat gebeurde er met die adreskaart?’

‘Daar stond dus op dat ik niets kreeg.’

‘Oh.’

‘Ja.’

Beiden staarden voor zich uit. Door de opengeslagen bovenraampjes kwam het gekwetter van vogeltjes binnen. Vinkjes en sijsjes, afgewisseld door het getjilp van mussen. 

Ze hadden deze flat recent betrokken. Het was hun eerste nieuwe onderkomen nadat ze jarenlang in een maisonnette hun thuis hadden gehad. In de maisonnette woonden ze vanaf hun trouwdag. Het was ingericht met allerlei potten en pannen, stoelen en behang die beiden jarenlang stukje bij beetje gekocht hadden en onder bedden en in vrije stukjes kamer van hun respectievelijke ouderlijke huizen bewaarden. Hun twee jongens waren in die maisonnette geboren en grootgebracht. Toen die twee uiteindelijk het huis verlieten, bleven zijzelf er nog enkele jaren wonen voordat ze overwogen of een nieuwe omgeving misschien ook iets nieuws in hun huwelijk kon brengen. De maisonnette werd te koop gezet en deze flat gekocht. De flat lag aan de andere kant van de stad. Ze woonden nog steeds in de stad waar ze waren geboren, waar ze elkaar hadden leren kennen. Eenmaal per jaar verlieten ze deze stad voor een geheel verzorgde vakantie ergens in het buitenland. Twee weken. Het was daarna altijd weer fijn om terug te komen, terug naar de vertrouwde omgeving die ze beiden van jongs af aan kenden.

‘Nou ja, goed.’ 

Corrie’s stem verbrak de stilte tussen hen in, opstaand om naar de keuken te gaan.

‘Als je op niets rekent, is het geen gemis. Wil jij ook koffie?’

‘Nee. Of ja, doe maar.’

Achterover leunend in het comfortabele kussen, spreidde hij beide armen over de rugleuning. Hij liet niet doorschemeren dat hij in het diepste van zijn gedachten wel op iets gerekend had. Ergens hoopte hij erop dat Floor zich zou herinneren dat hij en Corrie haar mee hadden genomen naar een concert in de Doelen. Was dat nou Cockney Rebel? Achteraf was hij hier niet meer zeker van. Of dat zij het zich herinnerde dat ze een dag in de Efteling hadden doorgebracht, ijsjes gekocht. Naar de kermis meegenomen waar ze zich confuus voelde worden in de ruimte met de lachspiegels. Corrie had zichzelf toen lam geërgerd. Ze hadden goed geld voor deze attractie neergelegd en Floor wilde er na dertig seconden al weer uit. Mensen keken naar hen, naar dat kind dat zich zo aanstellerig gedroeg. Cor was degene geweest die haar hand pakte en mee naar buiten nam. 

Hij had gehoopt dat zij zich dat zou herinneren en niet meer wat er later kwam, waar het mis was gegaan.

Waarom waren ze eigenlijk zo abrupt uit elkaar gegroeid? Dat wat die advocaat voorlas over die lening van hun moeder, herinnerde hij zich niet. Hij noemde zichzelf een rechtschapen man en zou zoiets nooit doen, zeker niet bij hun eigen moeder. 

Corrie zette de koffie op tafel en ging in haar hoek op de bank zitten, benen naast zich getrokken, handen om haar mok geklemd.

‘De advocaat las de dingen op die Floor ons verweet’, begon hij.

‘Oh, zeker weer van die lening.’

‘Hoe weet jij dat?’

‘Ik was erbij, weet je nog? Van dat geld hebben we toen die salontafel gekocht. Die is jaren meegegaan totdat Bobby het met zijn electrische trein bewerkte.’

‘Was dat van het geld van ma dan?’

‘Zeker weten.’

‘Naaah. Ik kan me niet voorstellen dat ik dat heb aangenomen.’

‘Dat heb je ook niet gedaan.’

‘Ah, zie je wel.’

‘Niet van ma in elk geval. Annebel regelde alles en schoof jou, Rutger en Ruurd allemaal duizend gulden toe.’

‘Dat kan ik me niet herinneren.’

‘We hebben er die tafel van gekocht en zijn naar Cockney Rebel geweest.’

‘Was dat in die tijd?’

‘Je vader was net overleden. Of kun je je dat ook niet herinneren?’

‘Tuurlijk herinner ik me dat, ik ben niet achterlijk.’

‘Alleen vergeetachtig.’

Corrie stond op en nam haar pakje sigaretten mee naar het balkon.

 

Na het avondeten bladerde Cor door de zenders heen en zette de tv uit. Corrie zat op de bank te lezen. Hij stond op en schonk een glas rode wijn voor zichzelf in.

‘Wil jij ook wat?’, vroeg hij, de fles naar haar ophoudend.

‘Doe maar.’ 

Ze wachtte met praten totdat het glas voor haar stond en vroeg: 

‘Je zit er toch niet over in, hè, dat gebeuren met Floor vandaag.’

‘Nee, niet meer. Het viel wel tegen, want eerlijk gezegd had ik iets verwacht van haar voor alles wat wij voor haar gedaan hebben. Maar dat was teveel gevraagd, blijkt maar weer eens.’ 

Dwars op de bank zittend, keek hij naar buiten. Het werd vroeg donker. Behalve de galerij lichten van de flat aan de overkant, was er niets te zien. Zijn gezicht weerspiegelde als een silhouet in het glas. Dat was beter; zo hoefde hij zichzelf niet in de ogen te zien.

Corrie sloeg haar wijn achterover en stond op. Het liep tegen negenen. Ze hadden vandaag meer gepraat dan in de afgelopen maanden bij elkaar opgeteld. Terugdenkend aan vroeger voelde ze een melancholische vlaag over zich heen strijken. Het had geen zin om terug te kijken; die belevenis zou nooit meer herleefd kunnen worden, hoezeer ze het ook probeerden.

‘Ik ga naar bed’, zei ze. ‘Morgen weer vroeg op.’

Cor knikte. Zijn glas was nog niet leeg en hij bleef zitten.

‘Kom je ook zo?’

‘Ik ga eerst nog naar de kelder om een paar spullen te halen waaraan ik morgen wil werken.’

‘Maak het niet te laat. En niet het licht aandoen als ik slaap. Ik moet vroeg op’, herhaalde ze. ‘Welterusten.’

‘Trusten.’

Hij luisterde naar haar voetstappen, naar het doortrekken van de wc, het gorgelen van de mondspoel en het kraakje van het bed daar waar ze op de rand zat voordat zij haar benen onder het dekbed zwengelde. Toen hij tien minuten later zijn wijn op had, lag Corrie al te slapen.

Zonder jas aan nam hij de vier trappen naar beneden. Hoewel het buiten kil was, zou hij het in de kelderbox gauw warm krijgen. In het flauwe licht van de lamp boven de deur zocht hij naar de juiste sleutel van de buitendeur en ging naar binnen. Achter hem sloot de deur zich langzaam. 

De twee lange gangen liepen parallel onder de gehele lengte van de flat door. Een bovenlicht flikkerde, deed dit al weken. Ook hier was het licht niet noemenswaardig. Voor laatkomers die hier hun fiets wilden wegzetten, was het gissen of je bij de juiste box was. 

Met behulp van het lampje van zijn telefoon deed hij de sleutel in het slot van de deur naar zijn box, toen iemand zijn naam riep. Over zijn schouder heen, keek hij naar achteren en bleef staan.

‘Zoek je iets hier?’, vroeg hij verrast, iemand verderop in de gang te zien. 

Hij keek naar zijn overhemd waarop een rode stip verscheen, gevolgd door een zoevend geluid. Een fractie van een seconde later voelde hij heftige pijn in zijn lichaam. 

Hij sloeg voorover toen de pijl zijn maag doorboorde. Heel even ging zijn blik omhoog naar het figuur dat als een schaduw in het vale licht stond. Dit was het laatste beeld dat hij zag voordat het licht bij hemzelf voorgoed uitging.

*

3. Lianne 

 

Eerder dan ze gewend was, zat Lianne achter haar bureau, starend naar het beeldscherm. Paula, éen van de collegae die de taartvorm van bureaus met haar deelde, zette een beker koffie voor haar neer. Al drinkende bleef ze naast haar staan.

‘Wat vind je ervan’, begon ze, ‘om met z’n drieën in een taart opgedeeld te worden.

‘Maak mij niet uit, als ik maar met rust word gelaten.’

‘Ik ga al.’ 

Ze maakte geen aanstalten om te vertrekken en plaatste een bil op Lianne’s bureau. De benen strekkend, geeuwde ze lang achter haar handen waardoor de beker koffie gevaarlijk overhelde, en zei: 

‘Jij bent het enige vriendelijke gezicht dat hier nog te vinden is. Sinds al die jonge honden hier rondlopen met halfopen laptops op hun halfopen armen loerend naar die halfopen meiden in de hoop dat ze indruk op hen maken...’ 

Ze maakte haar zin af met het schudden van haar hoofd.

‘Je kunt beter zeggen, dat sinds Pieter met pensioen is, het hier niet meer hetzelfde is’, merkte Lianne op.

‘Allemaal van die gesjeesde types die het politievak hebben geleerd door naar CSI te kijken, of hoe die toestand ook allemaal heet’, beaamde Paula.

‘En iedereen wil bij forensisch.’

‘Ook dat nog. Wat doe jij hier eigenlijk zo vroeg?’

Ze ging weer staan. Haar bil was zo’n harde ondergrond als een bureaublad niet gewend.

‘Ada heeft me gisteravond overvallen.’

‘Oh jee.’

‘Inderdaad oh jee. Ze kwam om tien over acht binnen en hield haar kwek pas dicht toen ik vanmorgen vroeg het huis uit sloop.’

‘Wat heeft ze ditmaal?’

‘Aadje zoekt de ruimte om het werk te kunnen maken dat ze wil maken en vindt dat Jama haar die ruimte niet geeft’, somde Lianne op.

‘Jamareon? Die knul is de goedheid zelve.’

‘Dat is juist wat Ada steekt: hij maakt eten voor haar klaar, doet de was, zorgt voor de kinderen zodat zij haar kunst kan waarmaken.’ 

Ze liet haar pen op het bureau vallen en dronk haar koffie. Het was aan de juiste kant van afgekoeld zijn. 

‘Ze moet iets hebben dat tegendraads is; pas dan kan ze de kunst grijpen.’

‘Het is een apart volk, hoor: kunstenaars.’

‘Of ze doen maar alsof ze zo apart zijn. Wat ik heb meegemaakt in dat wereldje via Ada, is dat ze net zulke burgertrutten zijn als de rest van ons, alleen hanteren ze een kwast.’

Een goed geklede man aan de goede kant van de veertig kwam de afdeling oplopen, recht op Lianne af.

‘Als we het over de duivel hebben...’ 

Lianne’s collega vertrok naar haar eigen bureau en hield de oren gespitst.

‘Sorry, Lian’, zei hij zodra hij binnen hoorafstand was.

‘Sorry voor jou’, zei ze terug. ‘Wat heeft ze nou weer gedaan?’

‘Heeft ze jou niets verteld?’ 

Jamareon draaide de stoel vanachter een leeg bureau naar zich toe en ging naast haar zitten. 

‘Wil je het echt weten?’, vroeg Lianne aan haar zwager. ‘Ze heeft heel de avond en de halve nacht aan m’n kop zitten blaten totdat ik er gek van werd. Nadat ze een uur over kaasmaken had geleuterd, ben ik geestelijk verdwaald en heb met open ogen zitten slapen.’

‘Da’s mijn Ada’, zei Jamareon met zoveel bewondering, dat Lianne zich afvroeg waar hij dit vandaan haalde. ‘Geef haar twee dagen en stuur haar dan maar weer naar mij toe.’

‘Twee hele dagen? Meen je dat nou?’

‘Je kan het, Lian.’

‘Jama: Aadje en ik zijn met elkaar grootgebracht, niet opgegroeid, omdat zij puur een achteraf gedachte was van m’n vader en moeder. Zelfs als jong kind kon ze haar tater nooit houden en dat is met het groeien der jaren alleen maar erger geworden.’

‘Ik hou daar wel van.’

‘Meneer Singh, je bent te goed voor deze wereld.’

‘Boorman!’, werd er over de afdeling geroepen. 

‘Succes’, zei Jama snel en zocht zijn eigen bureau op.

Lianne keek over de afscheiding heen naar de chef die haar wenkte en stond op. Hij had de deur naar zijn kamer opengelaten en ze liep meteen door naar binnen.

‘Er is een dooie gevonden in de Cronjéstraat. Ken je die flats daar? Bij nummer 18, de eerste flat. Vanmorgen heeft een goede burger een bewoner in de kelder dood op de vloer gevonden. Lijkt me iets voor jou om de tanden in te zetten.’

‘Okee, chef.’

‘En neem Laura mee. Een mooie gelegenheid om haar in te werken.’

‘Ik heb liever Jama bij me, zeker als het om een moord mocht gaan.’

‘Dat weten we nog niet.’

‘Daarom.’

De chef werd niets wijzer van haar antwoord en wuifde haar zijn kamer uit.

Toen hij haar blik zijn kant op zag gaan, keek Jamareon vragend terug.

‘Een dooie, vermoedelijk’, zei ze. ‘Ga je mee?’

Twee minuten later reden ze het parkeervak uit de straat op naar de Cronjéstraat.

Bij de buitendeur van de bewuste flat stond een groepje mensen. De groep ging als een terugslippende branding opzij toen iemand van blauw hen terugschoof omdat de recherche eraan kwamen.

‘Linkersleuf’, zei de blauwe tegen haar.

Ze liepen door de gang naar achteren. Zelfs overdag was het vrijwel onmogelijk hier iets te zien.

‘Is het nou echt zo moeilijk om goed licht te hebben?’, mompelde ze.

‘Dat is om lichtvervuiling tegen te gaan’, zei Jama.

‘Oh ja, want in een kelder moet je vooral geen licht hebben als je naar sterren wilt kijken. Mogge, Har. Hoe is tie?’

‘Met mij goed’, zei de lijkschouwer. ‘Met mijn nieuwste vriend wat minder.’

Op de grond lag het lichaam, dat eens naar de naam Cor had geluisterd, heel koud te zijn. 

‘Enig idee wanneer en met wat en hoezo, aannemende dat het niet een natuurlijke dood betreft, want wat doe ik hier dan eigenlijk?’

‘Je bent weer je vrolijke zelf, hoor ik. Je hebt gelijk: in de buik geschoten en binnen een paar minuten dood gebloed. Da’s de beste plek om iemand te laten doodbloeden.’

‘Geschoten als in pangpang.’

‘Dat heb ik gisteren nog gegeten. Bij die nieuwe Indo-Chinees aan de Confettiweg. Ben je er al een keer geweest?’

‘Ik zal die binnenkort eens proberen.’

‘Het is een pijl geweest.’

‘Wie schiet er nou nog met pijlen?’

‘Robin Hood.’

‘Weet je het zeker?’

‘Lianne...’ hij legde een hand op zijn hart ‘…heb je nu werkelijk al het vertrouwen in mij verloren? Ik weet het zeker. Ik zal straks een onderzoek doen naar mijn zeker weten, speciaal voor jou. Zoals ik het in deze duisternis kan bekijken, heeft de overledene door een scherp puntig voorwerp het leven gelaten.’

‘Mes?’

‘Nee, het gat is te dik voor een klein mes en te klein voor een dik mes.’

‘Wie is het?’

‘Volgens de man die ‘m gevonden heeft, heet hij Cor en woont op nummer 18. Niemand is thuis. Blauw is de gegevens aan het opgraven dus die krijg je zo.’

‘Tijd?’

‘Gisteravond. Hij is koud maar de vloer hier is ook verrekte koud. Ik geef je de ommennabij straks door.’

‘Okee, Har. Ik hoor je later.’

Jamareon had inmiddels de agent met de gegevens opgezocht en zodra Lianne naar buiten kwam, reden ze naar het hotel waar Corrie werkte. Dit soort nieuws zou geen mens ooit via de telefoon te horen moeten krijgen.

*

4. Corrie 

 

Corrie zat achter de balie van het hotel en keek op het beeldscherm of er meer klanten waren die vandaag uitcheckten. Een Duits stel had zojuist afscheid genomen en beloofde later in het jaar terug te komen. Hoewel ze vriendelijk teruglachte, bleef het haar om het even. Dit was iets dat veel klanten zeiden. De meesten van hen zag ze nooit weer terug.

Ze had Cor niet meer gezien. Bij het wakker worden, was zijn plek in bed leeg en koud. Ze had met haar hand aan zijn kant van het matras gevoeld om hier zeker van te zijn. Vermoedelijk liep hij zijn rondje door de straten, iets dat het regelmatig deed voordat hij naar het werk ging. Door de jaren heen was dit zijn manier geworden om ontspannen aan de dag te beginnen. Althans, dat was zijn excuus. Ze wist dat hij Matja, hun spaniël, nog steeds miste. Zo’n rondje om het blok voordat de werkdag begon, gaf hem het gevoel dat Matja er nog was en ergens rondscharrelde in de bosjes, ruikend aan de pies van andere honden om bij te blijven met wat er in het leven van zijn viervoetige buurtgenoten aan de hand was. 

Corrie maakte een stapeltje boterhammetjes voor hem klaar en stopte deze in zijn trommel. Dit was iets dat zij al van het begin van hun samenzijn deed, een klein gebaar om te tonen dat zij hem waardeerde. Zelfs als ze ruzie hadden gehad, maakte ze zijn lunch klaar. Ze moesten niet met ruzie uiteen gaan. Je wist maar nooit wat er op een dag kon gebeuren.

Met een koffie in de hand keek ze of er voldoende pads waren voor een mok voor hem. In het weekend moesten ze maar weer eens boodschappen doen, brood en koffiepads halen. En melk. Zelf nam ze geen lunch mee; ze at tussen de middag in het restaurant van het hotel.

Vijf jaar geleden solliciteerde zij op deze baan. De jongens waren de deur uit en buiten zijn werk om had Cor zijn eigen bezigheden. Ze miste het gezelschap en vooral het geroddeld van het bouwbedrijf waar zij jarenlang had gewerkt, tot vlak voor haar eerste zwangerschap. De kinderen hadden het gemis aan gezelschap goeddeels weggehaald en ook haar ouders kwamen regelmatig langs om de gaten te vullen. Zo bleef ze op de hoogte van wat er buiten het huis gaande was. 

Haar schoonmoeder, Cor’s moeder, kwam in die tijd soms nog op bezoek. Haar schoonvader was overleden vlak nadat zij en Cor in het huwelijk waren getreden. Hij had nog wel de receptie meegemaakt en er goed uit gezien. Naderhand hierover nadenkend, vond ze toch dat hij er minder goed uitzag dan normaal, een beetje flets, maar dat kon ook zijn omdat nu de wetenschap meespeelde dat die man toen al ziek was. 

De jongens waren nog kinderen toen haar eigen moeder overleed. Niet veel later volgde haar vader. Het was een ongelukkige tijd. Ze herinnerde zich nog dat haar schoonmoeder alsook Floor op de begrafenis van haar moeder aanwezig waren. Op die van haar vader was alleen Cor’s moeder er. Floor bemoeide zich toen al niet meer met de familie. Dit maakte die ongelukkige periode alleen maar vreemder, maar dan was Floor altijd de vreemde eend in de bijt geweest. Ze zat altijd met haar hoofd in de boeken, schreef dingetjes op stukjes papier die ze dan in haar sokken verstopte waardoor deze de eruit zagen alsof er iets mis was met haar enkels. Dat ze later zo’n veelgelezen schijfster is geworden, moest in die tijd zijn ontstaan. 

‘Kan ik u helpen?’, vroeg ze toen een vrouw en een man door de schuifdeuren naar de balie liepen. 

Ze hadden geen koffers bij zich dus zouden geen lang verblijf willen. Vast een stel waarvan de respectievelijke echtgenoten niet van dit clandestiene samenzijn op de hoogte waren maar misschien wel een lichtelijk vermoeden van hadden.

‘Corrie van Velzen?’, vroeg de vrouw, die in éen oogopslag haar opgespelde naam had gelezen. ‘Kan ik u spreken, privé?’

‘Uhm, mijn collega...’, begon ze, om zich heen kijkend. ‘Waarover gaat het eigenlijk?’

De vrouw tegenover haar bleef zwijgen. Pas toen deze een andere vrouw opmerkte die hetzelfde gekleed was als Corrie, hield ze haar aan en zei dat zij een moment de plek van haar collega moest innemen.

‘Maar ik...’, begon de jonge vrouw, zag de donkere blik in Lianne’s ogen en nam een scherpe bocht naar de balie. 

‘Ga maar’, zei ze tegen Corrie, en gaf haar een bemoedigend tikje tegen de bovenarm.

Jamareon sloot de deur van de kamer achter de balie. Er stonden dozen tegen de wand. Een paar lades van een kast waren half open, en op een tafel dat als bureau diende, lag papier en opengeslagen folders. Als men hem gezegd had dat het een inbraak betrof, had hij dit zonder een moment van twijfel aangenomen.

‘Gaat u zitten’, zei Lianne tegen Corrie die bleef staan. 

De rechercheur wachtte een paar seconden voordat ze haar penning toonde. 

‘Rechercheurs Boorman en Singh.’

‘Is éen van mijn kinderen in de problemen gekomen?’, was het eerste dat Corrie eruit flapte.

‘Nee, niet dat ik weet. Het spijt me dat wij u moeten meedelen, dat uw man vanmorgen in de kelder van uw flat dood is aangetroffen.’

‘Cor?’ 

Ze schudde het hoofd, dacht na, schudde nogmaals, feller nu. 

‘Nee. Nee, dat kan niet. Het moet iemand anders zijn.’

Ze kon dit niet geloven, wilde dit niet geloven. Ze had broodjes voor hem gemaakt zoals ze al dertig jaar deed. Die moest hij nog opeten voor de lunch. Hij zou nu op zijn werk zijn, proberen de koffiepauze te rekken door langzame slokjes uit zijn kartonnen bekertje te nemen.

‘De buurman die hem vond, heeft hem geïdentificeerd. Het spijt ons van uw verlies.’

‘Ik geloof er niets van.’ 

Ze plofte in een stoel. Ondanks haar eigen woorden, schimmerde het ergens in haar achterhoofd het beeld dat Cor in de kelder was overleden, gevonden door een buurman. Dat was toch wat die rechercheur zojuist vertelde? Welke buurman? Die man kon zich vergist hebben. Per slot van rekening woonden zij er nog maar een paar maanden en hielden zich niet zo op met de buren. Hoe kon die man nou weten wie Cor was.

‘Was het zijn hart?’, vroeg ze toen zonder te weten waarom. 

Het was iets dat iemand zei als er een bekende dood was aangetroffen: was het zijn hart.

‘Uw man is omgebracht.’ 

Lianne ging tegenover haar zitten en zei:

‘Het spijt me u hiermee te overvallen, maar toch zou ik u een paar vragen willen stellen.’

‘Cor is overleden?’

Nogmaals schudde ze het hoofd. Dit kon gewoonweg niet waar zijn. 

Aan de andere kant van de tafel wachtte Lianne totdat de twijfel uit het gezicht voor haar verdween en ruimte maakte tot luisteren, en vroeg:

’Weet u of er iemand is waarmee Cor moeilijkheden had?’

‘Omgebracht?’ 

Corrie’s hersens draaiden haar gedachtenfilm in slowmotion af. 

‘Wie zou Cor willen ombrengen?’

Ze was dus nog niet zo ver als Lianne verwachtte, maar haar uitspraak beantwoordde haar vraag enigermate.

‘Is er iets gebeurd de afgelopen dagen, afgelopen week, dat iemand getriggerd kan hebben tot deze daad over te gaan?’ 

Ze probeerde dezelfde vraag in een andere vorm.

‘Omgebracht? Maar hoe dan? Wat is er gebeurd?’

‘Uw man is omgebracht door een scherp voorwerp.’

‘Zoals een mes ofzo?’

‘Dat zijn we nog aan het onderzoeken. Kunt u zich bedenken of er de afgelopen dagen iets gebeurd is met Cor dat een mogelijke verklaring voor deze daad kan zijn?’

‘Nee.’ 

Corrie liet haar kin in haar handen zakken. Haar neus kwam net boven haar gesloten vingers uit. Diep nadenkend schudde ze langzaam haar hoofd. 

‘Nee. Het was eerder andersom.’

‘Hoe bedoelt u dat?’ 

Na deze vraag wierp Lianne een snelle blik naar Jamareon.

‘Zijn jongste zus is overleden’, begon ze haar uitleg, ‘en gisteren is het testament voorgelezen. Cor kon zijn zus niet luchten of zien en nu hij ook nog eens door haar voor paal is gezet... Sorry als ik onsamenhangend ben, maar...’

‘Ik begrijp het. Voor paal gezet, zei u?’

‘Ja. Die zus liet door de notaris aan alle familieleden enveloppen uitdelen, alleen zat er niets in die enveloppen. En daar was Cor boos over.’

‘Aha. Maar niemand anders dan die overleden zus waarmee Cor op slechte voet stond.’

‘Nee, hoor. Akkefietjes op zijn werk, maar dat is alles.’ 

Ze richtte haar blik op Lianne en keek haar strak aan. 

‘Ik wil naar mijn man toe. Hij heeft me nodig.’

‘We kunnen u naar huis rijden.’

‘Ik heb m’n auto hier.’ 

Ze stond op, mompelde dat Cor haar nodig had, maar was in de war welke kant ze uit moest.

‘Kan ik iemand helpen?’ 

De man die zijn hoofd om de hoek van de deur stak, keek van de éen naar de ander.

‘U bent?’, vroeg Lianne hem.

‘Elbert Hannes, de manager.’

‘Lianne Boorman, rechercheur, en m’n collega rechercheur Singh.’

‘Is er iets gebeurd?’, vroeg Elbert bezorgd. 

Het hotel mocht niet een slechte naam krijgen, want dit zou allemaal op zijn bordje terecht komen.

‘De man van Corrie is overleden. Wij begeleiden haar nu naar huis.’

‘De man van Corrie is overleden?’, herhaalde hij. ‘Ach, Corrie, wat is dat nou?’

Ze deed haar armen omhoog in een hopeloos gebaar omdat ook zij niet wist wat er in vredesnaam aan de hand was, en liep gedwee met Lianne mee de achterkamer uit. De manager liep met hen mee en lachte naar het stel met kinderen van kamer 306 alsof het de gewoonste zaak van de wereld was, dat een verdwaasde medewerkster van het hotel door een andere vrouw de deur uit begeleid werd.

Op weg naar de parkeerplaats zei Lianne dat zij met Corrie in de officiële wagen zou vertrekken en Jamareon met Corrie’s auto achter hen aan kon rijden. 

Onderweg naar huis belde Corrie haar zoons. Bobby beloofde meteen naar haar toe te komen. Bij Adriaan kreeg ze louter de voicemail te pakken, wilde iets inspreken maar drukte de telefoon uit. Buiten dit om verliep de rit naar de flat zwijgend. Pas op de parkeerplaats, zei ze:

‘Waar is Cor gevonden?’

‘Beneden bij de kelderbox.’

‘Ik wil het zien.’

Ze liep achter Lianne aan naar de deur en gaf haar de sleutel. Voorlangs glippend ging zij als eerste de gang in. Vlak bij de deur naar de kelderbox bleef ze staan en tuurde naar de vloer. Zelfs in dit vale licht was de donkere vlek op de grond duidelijk zichtbaar. Over haar schouder heen keek ze naar Lianne, die knikte. Dat was het moment waarop ze met een schreeuw in elkaar zakte. Lianne wenkte Jamareon naderbij en tussen hen in hielpen ze haar overeind. Terug schuifelend door de te smalle gang, gingen ze de kelder uit en drukte op de liftknop. Lianne had nog steeds de sleutelbos, opende de deur en liet Corrie samen met Jamareon voorgaan. 

In huis leidde hij de huilende vrouw naar de bank. Terug in de vertrouwde omgeving, kwam ze weer een beetje bij zinnen. Met een verdwaasde blik keek ze om zich heen en schoof naar de andere kant van de bank. Waar ze was neergezet, was de plek van Cor. 

Lianne haalde een glas water uit de keuken en zette dit voor haar neer. 

‘We zouden ook graag Cor’s telefoon willen bekijken’, zei ze, ‘om te zien met wie hij recent contact heeft gehad. Het is mogelijk dat de dader daar tussen zit.’ 

Na Corrie’s knik, vervolgde ze: 

‘Kunnen wij ook tussen Cor’s persoonlijke spullen kijken? Of een kamer waarin hij werkte...’

‘Hij was altijd beneden in de kelder bezig’, zei Corrie tussen twee slokken door. 

Ze zette het glas terug en pakte de sleutelbos van de tafel af, er eentje uitpikkend. 

‘Ik hoop dat u er wat aan heeft.’

Lianne overhandigde de sleutel aan Jamareon die naar de voordeur liep juist toen eraan gerommeld werd. Een jongeman in een slecht zittend pak en sluik donker haar keek hem aan toen hij de deur opende.

‘Kan ik helpen?’

‘Ik wil naar m’n moeder toe.’

‘Bobby van Velzen?’

De jongeman knikte en probeerde zich langs het brede lichaam van de politie functionaris te wurmen. Jamareon maakte plaats en keek hem na, ging toen de galerij op en door naar de kelderbox.

Bij het horen van haar zoon, stond Corrie op en voelde dat ze in zijn armen werd opgenomen. Dit was iemand van haar, iemand die bij haar hoorde, iemand die ze vertrouwde en bij wie ze warmte zocht en ontving.

‘Gaat het een beetje, ma?’, vroeg hij zacht en voelde een bevestigde knik tegen zijn gestreepte overhemd. ‘Wat is er gebeurd?’ 

Langs zijn moeder heen keek hij naar Lianne en stelde haar dezelfde vraag.

Ze vertelde hem de korte versie van het verhaal en vroeg daarna ook hem of hij iemand wist te bedenken met wie zijn vader problemen had.

‘Nee, totaal niet’, zei hij. ‘Mijn vader was een goedzak, werkelijk waar. Hij had een bekkie bij zich, maar dat was gewoon een beetje bluf. Hij had geen vijanden, tenminste, niet dat ik weet. Alleen mijn jongste tante. Maar met die had hij niks meer te maken. Dat is een hoop oud zeer waar ik me niet mee bemoei.’

‘De tante die is overleden?’

‘Ja. Ik heb haar niet gekend. Ze hadden al mot toen ik nog niet geboren was.’ 

Met een diepe zucht ging hij naast zijn moeder zitten. 

‘Verder was er niemand waarmee pa op slechte voet stond.’

‘Hoe zit het met de andere broers en zussen van jouw vader?’

‘Pa had nog twee andere broers en een zus. Die gaan allemaal goed met elkaar om, op die ene zus na dan, die ene die dood is.’

‘Waarom hadden ze ruzie?’

‘Ach, pfff.’ 

Hij trok de schouders op. Hij had zich er nooit mee bemoeid en ving louter tijdens familiefeestjes hier en daar een snippertje op. Meer had hij niet.

‘Mensen maken ruzie om niks en dat escaleert’, zei hij. ‘Ik heb me er nooit mee bezig gehouden. Die tante bestond gewoon niet voor mij en met de rest gingen we wel om.’

Lianne begreep dat Bobby geen bron van informatie was. Ze vroeg of hij de gegevens van de andere familieleden kon opschrijven.

‘’t Is omdat die ene tante overleden is, want anders zou zij degene zijn die mijn pa heeft omgebracht’, merkte hij op.

‘Gelukkig nemen doden geen wraak’, zei ze, waarna ze vroeg: ‘Waar was jij gisteravond tussen acht en twaalf?’

Hij keek op van zijn schrijfwerk. In plaats van te antwoorden, vroeg hij verrast:

‘Ben ik verdacht van de moord op m’n eigen vader?’

Als ik een eurootje kreeg voor elke keer dat ik deze reactie heb gekregen, had ik al een paar jaar geleden al met pensioen gekund, bedacht Lianne zich.

‘Gewoon de vraag beantwoorden om jezelf uit te sluiten.’

‘Ik was thuis met een vriend van me. We hebben een biertje gedronken en gechild. Na een dag hard werken, heb ik nergens anders meer trek in.’ 

Hij trok het velletje uit het blok en reikte het aan.

‘Dankjewel. We moeten dit soort vragen stellen’, voegde ze verzachtend toe. ‘Verder moet jouw vader geïdentificeerd worden. Als jouw moeder hier niet toe in staat is, zou ik graag willen dat jij dit doet.’

‘Vandaag? Dan vanavond pas. Ik laat m’n moeder niet alleen.’

‘Schrijf ook jouw gegevens hierop’, ze gaf het papiertje terug, ‘dan stuur ik je een berichtje wanneer het kan.’

Een paar minuten later liep ze naar beneden, de mobiel van Cor in haar zak. Bij de buitendeur wachtte Jamareon haar op. Gezamenlijk gingen ze de parkeerplaats over naar de auto.

‘Het is altijd lastig, dit soort dingen’, zei ze.

‘Hoort bij het vak’, was zijn eenvoudige conclusie.

‘Rij jij maar; ik moet nadenken.’

‘Over de man die geen vijanden heeft behalve zijn overleden zusje?’

‘Mmh, nee, over mijn pensioen.’

*

5. Vita 

 

Vita zat aan een tafeltje in de ongezellige drukke ruimte van de snackbar op de hoek naast de bibliotheek. Met een stralende blik keek ze naar de vrouw tegenover haar. Het was de collega met het blond-grijsharige nonchalant geknipte korte kapsel, degene die Floor niet was vergeten te noemen in haar testament. 

De snackbar was een plek waar ze regelmatig hun lunch namen, een broodje met iets en een Fanta, zittend aan een bijna schoon te noemen tafeltje waarvan het blad aan de rand afbladderde.

‘Floor heeft mij het huis nagelaten.’ 

Vita’s verhaal was een minutieuze uiteenzetting van de halve dag die zij in het advocatenkantoor had doorgebracht. Mischa, het object van haar verliefdheid, had tijdens het relaas twee keer heimelijk op haar telefoon gekeken naar de tijd. Haar broodje was half op en een lauw beetje Fanta rustte in het kartonnen bekertje.

‘Dat had ik niet verwacht’, vervolgde Vita, ‘maar ze wist hoe gek ik op dat huis ben. Toch wel aardig dat ze dit zo heeft gedaan.’

Ze probeerde Mischa’s blik te vangen. Een momentlang lukte dit haar voordat Mischa weer naar het beetje Fanta tuurde. Ze besloot het drinken te laten voor wat het was.

‘We zouden daar kunnen gaan wonen, als alles een beetje in de vergetelheid is geraakt.’

Vita’s plotse voorstel zorgde ervoor dat Mischa haar nu wel lang aankeek. Uit haar blik sprak twijfel. Ze verlangde naar een sigaret maar je mocht nergens meer roken, zelfs niet in een twijfelachtig etablissement als dit.

‘Lijkt je dat niet leuk?’

Vita’s woorden deden haar nog meer naar een sigaret verlangen. Ze wikkelde het half gegeten broodje in een servetje en liep hiermee naar buiten. Ze zocht een bankje uit en ging zitten waar geen takjes en vogelpoep lagen, in de schaduw van de boom. Vita volgde haar, streek eerst een hand over de zitting voordat ze naast haar plaats nam.

‘Je bent er niet enthousiast over?’, begon ze, aarzelend nu ze zo weinig respons kreeg.

‘Hoe moet ik ’t zeggen...’, begon Mischa na een lange pauze. 

Ze draaide zich half naar haar toe en vervolgde: 

‘Het is zo dat ik me enorm schuldig voel. Neuh, misschien is schuldig niet het goede woord. Gêne, bedoel ik: ik voel een hoge mate gêne vanwege het feit dat jouw partner is overleden en jij dit als een win-win situatie ziet. Je kunt me niet wijsmaken dat je nooit iets gedeeld hebt met haar, nooit iets voor haar hebt gevoeld.’

‘Tuurlijk heb ik dat. Natuurlijk, ja. Maar dat is lang geleden.’

‘Waarom ben je dan al die tijd bij haar gebleven?’

‘Ja, nou ja… Je denkt altijd dat het misschien ooit weer eens beter wordt. Toch?’

‘Ook toen je mij al had ontmoet?’ 

Vita dacht te lang na over deze vraag. Mischa trok haar eigen conclusie hieruit en zei: 

‘Of vond je het wel lekker om een vrouw te hebben bij wie je je geen zorgen hoefde te maken om geld, die jou meenam naar allerlei landen waar je in hotels kon lummelen zonder verder een hand uit te hoeven steken?’

‘Nou, nee, dat was het niet.’

‘En van wie je nu een huis gekregen hebt zonder er iets voor te hoeven doen?’

‘Nee. Nee, ik kan niet zeggen dat… Nee, tuurlijk niet.’

‘En nu een eerlijk antwoord...’

Na een aarzeling bedacht Vita zich dat het beter was open kaart te spelen. Ze moest haar leven met Mischa niet met een uitvlucht beginnen, een lulkoek verhaal waarvan ze later spijt kon krijgen, en zei:

‘Goed. Ik geef het toe. Je moet weten dat ik heel m’n leven gewerkt heb en dat luizenleventje dat Floor mij aanbood, mij heel aantrekkelijk in de oren klonk. Ik zal dat niet ontkennen. Maar op een gegeven moment was, wat het ook was dat tussen ons speelde, dat was op en ontmoette ik jou. Ik wist meteen dat ik jou in m’n leven wilde hebben.’

De leverancier van de snackbar liep met een rammelende kar met kratten achterlangs voorbij. Het getingel van de flessen en het gepiep van de wieltjes passeerde tergend langzaam. Eenmaal de hoek om nam het rammelde geluid af.

‘Lieve schat’, zei Mischa, ‘we kennen elkaar zo’n anderhalf jaar en pas nu kom je er achter dat je jouw leven met mij wilt delen?’

‘Ik heb het altijd al gezegd.’

‘Je hebt het eerder gezegd, dat is zeker. Maar zolang Floor er was, zolang je met haar was en van alle gemakken voorzien, verdomde je het om dat leventje met haar achter je te laten.’ 

Mischa stak eindelijk de lang verwachtte sigaret op. Hoewel de situatie geen aangename was, genoot ze ervan. Het was verwonderlijk hoe een klein beetje tabak zo’n goed gevoel in haar teweeg bracht. 

‘Ook voor mij kon je dat niet opbrengen’, zei ze, met elk woord een pufje rook de vrije lucht gevend. ‘En daar heb ik moeite mee. Dat bedoel ik als ik zeg dat daardoor mijn gêne gevoel heel hoog zit.’

‘Dat snap ik nou niet’, zei Vita prompt.

‘Even voor de duidelijkheid: ik geneer me niet. Het is een gêne die ik naar jou toe voel.’

‘Nogmaals?’

‘Werkelijk, Viet: als je dit niet snapt, als je niet begrijpt waarom ik me voor jou geneer omdat je zo makkelijk over alles heen stapt, dan is het beter dat we niet meer met elkaar omgaan.’

‘Wat?’, riep Vita uit. ‘Maar ik zei toch net dat je bij mij kunt intrekken?’

‘En?’

‘Is daar iets mis mee?’

Uit ergernis liet Mischa een diepe zucht ontsnappen en vroeg vol ongeloof:

‘Begrijp je het nu werkelijk niet, Viet, of hou je je van domme?’

‘Leg het me dan verdomme uit!’

Door haar harde stem keken langslopende mensen naar hen om, benieuwd of dit een verbaal robbertje was. Mocht dit het geval zijn dan gaven de omliggende etalages een goed excuus om te blijven rondhangen om niets van de ruzie te hoeven missen.

‘Niet zo hard’, suste Mischa haar.

‘Dat maak ik zelf wel uit’, snauwde Vita terug, maar zei in een zachtere stem: ‘Je bent zo goddomme vaag over gêne dit en gêne dat en ineens niks meer willen doen terwijl we nu juist onze relatie verder kunnen opbouwen. Ik ben niet de enige die Floor heeft belazerd; jij hebt eraan mee geholpen.’

‘Ho even, dame, nu ga je te ver. Ik heb van meet af aan gezegd dat ik geen sexuele omgang wil hebben met iemand die een partner heeft. Ik wil niet te boek staan als zo’n type, een relatiebreker, iemand die als reservewiel fungeert en ineens belangrijk wordt als je een klapband hebt. In de tijd dat je mij kon tonen iets van zelfrespect in je donder te hebben door van Floor weg te gaan en met mij iets te beginnen, liet je me links liggen. Nu zij is overleden en jij de grande dame kunt uithangen met haar geld, haar geld, vergeet dat niet, lijkt het jou ineens toch wel een goed plan om op een andere manier met mij om te gaan. Als jij hier de ironie niet van inziet...’

Hoofdschuddend liet ze de rest van de zin voor wat het was. 

Vita opende haar mond om iets te zeggen maar kreeg er geen geluid uit. Ze wist niet wat zij hier tegenin kon brengen. 

Hoe Mischa haar relatie met Floor bestempelde, was een juiste. Dat was een spel van wikken en wegen geweest. Mischa was de vrouw met wie zij verder wilde gaan, maar Floor was degene met geld. Het bibliotheekwezen was geen vetpot en zelfs hun gezamenlijke salarissen zouden haar nooit het leven kunnen geven waar ze de laatste paar jaar aan gewend was geraakt. Het was moeilijk om daarvan afstand te nemen. Nu was deze mogelijkheid er wel. Misschien dat zij niet begreep waar Mischa’s gevoel van gêne door ontstaan was, aan de andere kant begreep Mischa niet hoe makkelijk hun toekomstige leven zou worden.

Juist toen ze deze redenatie onder woorden wilde uitbrengen, stond Mischa op en liep zonder omkijken terug naar de bibliotheek. 

Vita keek haar niet na. Het deed zeer haar zo zwijgend te zien verdwijnen. Ze plaatste de ellebogen op haar dijen en stopte haar kin in haar handen. Starend langs de bomen naar de winkel aan de andere kant van het plein, vroeg ze zich af wat ze kon doen om Mischa van haar liefde te overtuigen. Ze kon zich indenken dat het lange wachten, het getwijfel en de onzekerheid bleef hangen en dat dit Mischa dwars zat. Ook de opmerking dat het leven met Floor een luizenleventje was, klopte. Maar had ze dit niet verdiend dan? Vanaf haar achttiende had zij non-stop gewerkt, allerlei baantjes aangenomen die te lullig voor woorden waren om een beetje geld te kunnen verdienen. Geld dat meteen weer opging aan huur, gas en licht, de dagelijkse boodschappen en de onderhoud van haar motor. En toen kwam Floor op haar pad. Ze vonden elkaar leuk, Floor was heel erg flirterig en het was voor haar niet al te moeilijk om na vijfentwintig jaar werken eindelijk iets te kunnen doen wat ze wilde doen. Het jammere was, dat zo snel als ze gingen samenwonen, evenzo snel sputterde hun relatie uit. Met een schrijfster samenzijn was minder spannend dan het van buitenaf leek. Floor zat uren achtereen aan haar computer te schrijven of lag languit op de bank na te denken over de loop van een verhaal, de karakters, de cadans van de conversaties. Dan waren er nog de boeken die er eindeloos op nageslagen werden om kennis te krijgen over het onderwerp van haar nieuwste verhaal. De tijd die er daarna over was, besteedde ze aan reizen naar locaties waar ze gevraagd werd, en aan handtekeningen uitdelen aan adorerende fans. 

Ze had nooit vermoed dat Floor het haar kwalijk nam dat ze er een vriendin op na ging houden, nooit verwacht dat zij dit überhaupt doorhad in haar computer-bank-nablader leven.

De klok sloeg het halve uur en haalde Vita uit haar mijmeringen. Terug naar het werk, terug naar de bieb. 

Met de annuïteit die Floor haar had nagelaten, was werken onnodig geworden. Maar niet werken hield in Mischa niet meer zien. En ze was niet in staat dit op te geven.

*

6. Harry 

 

‘Mijn vermoeden is juist: deze meneer hier op tafel is doodgebloed door een pijl die zijn maag heeft doorboord.’ 

Harry wees naar het diepe gat in het lichaam van Cor.

‘Is dat zeker?’, vroeg Lianne hem.

‘Heel zeker. Kijk...’ 

Hij sloeg een beduimeld boek open en ging naar de juiste pagina. 

‘Hier staat de wond die een pijl in het lichaam achter kan laten. Hier is het abdomen.’ 

Hij hield het plaatje voor haar op. 

‘Duidelijk?’, vroeg hij, van haar naar het plaatje kijkend en terug.

‘Jij bent de kenner’, antwoordde ze.

‘Correct.’ 

Hij sloeg het boek dicht en keek naar de omslag. 

‘Dit boek heb ik ooit eens van mijn docent AIOS gehad. Hij wist dat ik het slechte pad zou kiezen.’

‘Wat ik met afvraag, Har: wie doodt iemand met een pijl en boog? Da’s onhandig als de pest.’

‘De pest was ook een goeie moordenaar. Jammer dat ik niet in die tijd leefde.’

‘Volgens jouw leerlingen ben je in die tijd geboren.’

Harry lachte, schoof een stoel achteruit en ging zitten. Zijn lange, slungelachtige lichaam was met het verstrijken der jaren zwaarder geworden en al zijn lengtemeters meezeulen, ging hem minder makkelijk af dan voorheen. Hij haakte zijn voet onder de zitting van de stoel naast hem en trok het naar voren. Lianne nam plaats.

‘Het is tegenwoordig niet meer dat Robin Hood gebeuren, zelfs niet Winnetou, ken je die nog?’

‘De zondagmiddagen aan de tv hangen en naar cobboi films kijken heeft z’n sporen achtergelaten’, gaf ze toe.

‘We zijn van dezelfde generatie’, zei Harry knikkend. 

Hij opende een la waarin een doosje lag met mini-chocoladerepen. Ze nam een Bounty. Het was lang geleden dat zij deze had gegeten. Ze moest maar eens meer zaken oplossen waarmee lijken gemoeid waren. Harry’s lades lagen altijd vol met van die lekkere zoetigheid.

‘De pijl en boog die jij voor je ziet, Lie, is een ouderwetse nostalgische variant van wat er tegenwoordig in omloop is. De onfortuinlijke meneer heeft door de pijl van een kruisboog zijn einde gevonden.’

‘Een kruifboof... Sorry. Die plakrand van chocola trekt m’n plaatje omlaag.’ 

Ze stopte haar duim in de mond om alles weer strak te krijgen. 

‘Een kruisboog moet je in elkaar schroeven, zoveel weet ik er wel van’, vervolgde ze. ‘Hoe doe je dat? Je wilt iemand ombrengen, vraagt die persoon een momentje te wachten zodat jij het wapen waarmee je wilt doden in elkaar kunt zetten, en dan schiet je.’

‘Da’s de oude versie...’

‘Alles is oud aan mij momenteel.’

‘...waarvan hele wandkleden zijn geborduurd. Jij wordt nooit oud, Lie, maar groeit in de tijd.’

‘Poëtisch.’

‘Poëtisch en knap.’ 

Hij hield beide uitgestrekte handen onder zijn kin en keek haar verleidelijk aan. Lianne grinnikte om zijn gebaar. 

‘In de kruisbogen serie “laten we iemand snel en geruisloos ombrengen”’, begon hij zijn uitleg, ‘zijn er tegenwoordig modellen die net zo vlot in de bediening zijn als pistolen. Handzaam met vijf, zeven, zelfs meerdere pijlen, die je achter elkaar kunt schieten. Heb je zo’n apparaat in je knuistjes dan is het een kwestie van patam patam patam, maar dan geruisloos, en het lichaam waarop je richt is na twee seconden een ex-mens.’

‘Is zoiets in omloop dan?’

‘Uh-huh.’

‘Vrijelijk te krijgen?’

‘Uh-huh. Je wordt genoteerd bij de verkoper, zoals ze dat in de VS doen met geweren -en je weet hoeveel dooien daar dagelijks vallen- en het is gebruiksklaar.’

‘Ongelooflijk.’

‘Zo is het. Koffie?’ 

Zonder op antwoord te wachten, schonk hij twee bekertjes vol en pakte een doos waarin staafjes poedermelk lagen. 

‘Je leert nog eens wat als je mij bezoekt.’

‘Je zou denken dat een dader hierdoor makkelijk te onderscheiden is.’

‘Dat zou je’, gaf Harry toe. ‘Maar...’

‘Maar je kunt die dingen zeker ook in het buitenland halen’, vulde Lianne in.

‘Dat was de “maar” die ik wilde toevoegen’, gaf hij toe. 

Met zijn vinger roerde hij door de koffie om de melk te verdelen. Het enige aanwezige roerstokje had hij in Lianne’s bekertje gedaan. 

‘Dat houdt jou voorlopig weer bezig’, zei hij, zijn vinger schoon likkend.

‘Ik wil de maanden tot aan m’n pensioen rustig uitzitten aan m’n bureau’, zei ze.

‘Leugenaar. Jij gaat dood als je achter een bureau zit en niemand hebt om op te pakken en vast te zetten. Wanneer ben je van plan te stoppen?’

‘Februari volgend jaar.’ 

Ze nam een slok. Het was lauw maar goed te doen. 

‘Jij?’

‘Geen idee nog. Ergens volgend jaar ook. Misschien dat ik wat langer blijf. Het is al zeker dat ik nog een aantal jaar blijf lesgeven. Iemand moet al die emootjes het leuke van het lijken opensnijden bijbrengen.’

‘Zijn het echt allemaal van die emo kinderen die dit willen doen?’

‘Nee, nee hoor. Het is vanalles wat er bij mij binnenkomt. Maar blonde meisjes en jongens gekleed in het zwart hebben de overhand. De meiden vanwege de invloed van al die lachwekkende politie programmas op tv, en de jongens omdat ze kaarsen op de grond willen plaatsen als ze een lijk opensnijden. Pure kul, maar het heeft iets romantisch in hun ogen.’

‘Hopelijk kunnen zij een gat door een pijl van een gat door een kogel onderscheiden.’

‘Als ze van mij les hebben gekregen: ja.’

Lianne dronk haar bekertje leeg en stond op.

‘De familie moet het lichaam nog identificeren’, zei ze. ‘Zeg maar wanneer.’

‘Eind van de middag, als ze dat redden. Daarna kan ie voorlopig de vries in.’

‘Ik geef het door. Bedankt, Har.’ 

Ze liep naar de deur om naar buiten te gaan maar bleef staan. 

‘Wat ik me afvraag: wat ga jij eigenlijk doen als je eenmaal met pensioen bent?’

‘Beetje biljarten, fluitend door een winkelcentrum banjeren, jou komen opzoeken om over Winnetou te praten.’

‘Ik zie je wel verschijnen’, zei ze met een scheef glimlachje dat bleef hangen toen ze over de parkeerplaats liep om naar huis te gaan.

*

7. Lianne 

 

Bij thuiskomst was Ada nergens te vinden. Het enige wat Lianne hoopte, was dat zij het licht had gezien en terug naar Jamareon was gegaan. Het was niet zozeer onwil om haar zus in huis te nemen, maar het was een twee maandelijks terugkerend euvel geworden waar ze de buik van vol had. Deze avond, echter, had ze helemaal voor zichzelf opzij gezet: een lekker douche en een uurtje op de bank met iets knulligs op tv zodat ze daarbij in slaap kon vallen.

Ze kleedde zich uit en terwijl ze een haarbandje in vastdraaide, liep ze naar de badkamer. Op de drempel bleef ze staan en kreunde zachtjes, haar kin op haar borst laten vallend.

‘Ada’, riep ze, ervan overtuigd dat deze ergens in de buurt moest zijn. ‘Aadje, waar ben je?’

De vloer van de zolder kraakte. Ada hield het luik vast toen ze naar beneden keek.

‘Wat is er?’

‘Dat vraag ik me dus ook af. Wat heb je met de badkamer gedaan?’

‘Niets. Wacht effies, ik kom naar beneden.’ 

Ze schoof de ladder uit en daalde snel naar de gang. 

‘Waar heb je het over?’

‘Dit.’

Lianne wees naar een aantal zakjes die met touwtjes vastgebonden aan de rails van het douchegordijn hingen. Wat er in mocht zitten, wilde ze niet weten. De drab die eruit droop en poeltjes op de tegels maakte, was te weerzinwekkend voor woorden.

‘Ahh, dat. Dat is kaas, tenminste, dat moest het worden’, zei Ada, tevreden knikkend over haar werkdag vandaag. ‘Het hangt al een dag en het schijnt niet te willen lukken. Ik krijg het niet stevig. Ik heb geen stremsel gebruikt dus misschien is dat het probleem. Vanmiddag heb ik me bedacht en ga hiervan een installatie maken. Ik heb al een galerie gebeld die er oren naar heeft.’

‘Naar kaas ophangen?’

‘Kunst’, verbeterde Ada haar zus. ‘Deze installatie is kunst. De ondergang van de mensheid. Als er in de mensheid geen cohesie heerst, denk hierbij aan stremsel, dan valt de samenleving uiteen. Het zwakke stremsel kan vertaald worden naar de verdeeldheid in de politiek van vandaag, met…’

‘Ik weet genoeg, dankjewel’, onderbrak Lianne haar. 

Ze prees zichzelf dat ze zich kon inhouden en niet een relaas begon over de staat van wat men kunst noemt. Ten eerste had ze hiertoe de puf niet en ten tweede zouden haar woorden toch langs Ada heen gaan. 

‘Ik heb een zware dag achter de rug en wil een douche nemen’, zei ze. ‘Zou jij de installatie kunnen weghalen, alsjeblieft?’

‘Ik dacht...’

‘Alsjeblieft’, herhaalde ze met opeengeklemde kaken, wat voor haar zus het sein was om de installatie te verschuiven van het douchedeel naar de muur bij de wasbak.

‘Hoe gaat het met Jama?’, vroeg Ada.

Ze lette goed op dat ze niet uitgleed over de puddeltjes kaasprut. Het had iets fondue-achtigs over zich maar zag er minder smakelijk uit.

‘Waarom vraag je dat hem niet zelf? Hij is jouw man.’

‘Ik wil ‘m niet bellen; dat is een teken van zwakte.’

‘Zeker weer TLC gekeken.’

‘Hoe weet jij dat?’

‘Ik ken jou een beetje.’

Terwijl Ada nog bezig was, stapte Lianne onder de douche. Het warme water deed zowel haar gemoed als haar lichaam goed.

‘Weet je dat je er best goed uitziet voor een ouwe taart?’

Lianne, verwachtend dat Ada naar in de zitkamer was vertrokken, schrok met een sprongetje uit de droomwereld van de warme douche. Over haar schouder en door de dampende warmte heen zag ze haar tegen de wasbak leunen en haar van top tot teen opnemend.

‘Ooit iets over het overschrijden van iemands privé omgeving gelezen?’

‘Nah, zo overdreven. Wat eten we?’

‘Maak jij maar iets klaar.’

‘Iets met kaas?’

‘Nee, dank je.’

‘Ik verzin wel iets.’ 

Ada lachte om Lianne’s onderkoelde reactie bij het horen van het woord “kaas”.

Ze ging de badkamer uit en liet haar zus genieten van het warme water.

Toen Lianne een kwartiertje later de kamer binnenliep, haar huid natintelend van de douche, was Ada nergens te vinden. Hopelijk was ze ditmaal wel terug naar haar eigen huis gegaan. Echter, toen ze de voordeur hoorde sluiten en voetstappen die dichterbij kwamen in plaats van verdwenen, begreep ze nog een avond met haar zus door te moeten brengen.

‘Ik heb pizza besteld’, was de mededeling waarmee Ada binnenkwam, twee grote dozen op haar armen rustend. ‘En een zakje extra olijven. Een quattro formaggi voor jou en eentje met alles wat ze maar in huis hebben voor mij. Je noemde kaas dus de gedachte aan pizza deed m’n mond bij voorbaat al watertanden.’ 

Ze opende de eerste doos om te zien welke voor wie was. 

‘Oeee, het is zelfs al voorgesneden. Wat een service. Wil je er olijven bij? Zal maar doen, hè? Da’s lekker. Eentje voor jou, tweetje voor mij, weer eentje voor jou en tweetje voor mij...’

‘Je mag dit ook stilletjes doen’, stelde Lianne voor.

‘Da’s toch geen lol aan. We zitten niet in een klooster. Niet dat ze jou daar zouden willen hebben.’

‘Dat is een valse aantijging.’

‘Ja, jaja. Hallo, weet je nog toen we in Berlijn waren en langs zo’n reformatorisch hok liepen? Zodra jij langskwam, brak een tak van de boom. Dat was een teken dat men jou daar niet wil hebben.’

‘Ik was ook niet van plan naar binnen te gaan.’

‘Het ruikt wel lekker hoor, zo’n pizza. Zet jij de tv alvast aan dan kunnen we iets kijken tijdens het eten.’

‘Waar wil je naar kijken?’

‘Maakt niet uit, als het maar niets met ziekenhuizen te maken heeft. Tijdens het eten al die verteerde lichamen te zien, is zelfs mij te veel.’

‘Misschien kun je er een installatie van maken.’

‘Een installatie van al die infuusflesjes ten teken dat de wereld over de rand heen is getild en er geen weg terug meer is of we moeten als laatste redmiddel een defribel... defibrella... defi... je weet wel, zo’n ding waarbij je ppptjoew doet als iemand ligt dood te gaan.’

‘Defibrillator.’

‘Dat is ‘m. Wat een naar woord om uit te spreken. Hier, deze is voor jou.’

Lianne opende de pizzadoos waarin een, toegegeven, heerlijke vier kazen pizza warm lag te zijn met vijf olijfjes erop verdeeld.

‘Heb je al wat gevonden?’, vroeg Ada met een knik naar de tv. 

Ze gingen naast elkaar zitten, beiden met een pizzadoos op schoot. 

‘Eet smakelijk. Ik heb weer eens lekker gekookt vanavond. Hoe was jouw dag?’

‘Druk.’

‘Wil je er iets over vertellen?’ 

Na een stil moment afgewacht te hebben of Lianne uit de doeken deed wat er gebeurde tijdens de uren die ze buitenshuis doorbracht, besloot ze er maar naar te vragen.

‘Jama en ik hebben een moordzaak gekregen.’

‘Spannend. Wie is het?’

‘Een man van in de vijftig, je kent ‘m toch niet, dus namen noemen heeft geen zin.’

‘Probeer eens?’

‘Cor van Velzen.’

‘Nee, zegt me niets. Deze pizza is lekker, zeg.’ 

Ze hield Lianne een punt voor, maar deze schudde het hoofd. Wanneer Ada een pizza voor zichzelf bestelde, wist je nooit wat er op zat. Misschien lag er wel een stuk ananas onder een olijfje verscholen. Alleen de gedachte hieraan deed haar de rillingen over de rug lopen. 

‘Vermoord? Hoe?’

‘Verwond in het abdomen.’

‘Oh? Okee. Een defrib hielp dus niet. Hoe zei je ook weer dat die gast heette?’

‘Cor van Velzen.’

‘Cor van Velzen... Is dat er eentje van de Van Velzens?’

‘Waarschijnlijk.’

Lianne had er geen idee van welke Van Velzens Ada bedoelde, maar wist dat het leven rustiger zou zijn om vaag te blijven als zij een vraag stelde.

‘Ik heb met een Rutger van Velzen op de Kunstacademie gezeten. Aardige gast, klokte heel makkelijk een fles wijn weg en maakte goede kunst. Leeft ‘ie nog, vraag ik me dan af, met al dat drinken dat hij deed. Volgens mij heette zijn oudste broer Cor, maar dat weet ik niet meer zeker. Er was wel een Ruurd, z’n jongste broertje, en nog twee zussen dacht ik.’

‘Je bent aardig op de hoogte van die familie.’

‘Zijn ze dat? En is Cor die oudste broer. Je meent het. Waanzinnig, zeg. Ik ben wel eens bij hen thuis geweest met ehhh hoe heet ie ook weer, die gast die met Nelleke omging -da’s ook niks geworden trouwens, eentje van de academie. Het was wel altijd een gezellige bende bij de Van Velzen’s thuis.’

‘Vertel.’

‘Er valt niet veel te vertellen.’

Lianne lachte luid.

‘Kom toch’, zei ze, ‘m’n zusje die beweert dat er niet veel te vertellen is. Die moet ik morgen aan Jama laten horen.’

‘Nah, joh. We bleven nooit lang hangen: binnen komen, dag tegen mevrouw Van Velzen zeggen en dan met Rutger mee naar de zolder, jointjes roken en gitaar spelen. Ik ken de namen maar dat is ook alles.’

‘Jammer.’

‘Hij had wel altijd lekkere joints, maar ik moest zo nodig met een politieman trouwen.’

‘Als je nou doet alsof je nog steeds blij bent met jouw man, kun je vanavond nog naar ‘m toe.’

‘Eerst m’n pizza en dan zie ik wel weer verder.

*

8. Annebel

 

Lianne had diverse fotos van het lijk, een kruisboog en andere aantekeningen inzake de moord opgehangen tegen de wandjes in haar taartpunt. De ruimte ervoor was veel te beperkt maar ze moest het hiermee doen. Het enige voordeel van deze kleine oppervlakte was, dat ze overal zicht op had. 

Een collega met een halfopen laptop op de arm, liep langs en grinnikte.

‘Lekker ouderwets’, merkte hij in het voorbijgaan op.

‘Hoeveel moorden heb jij tot nog toe opgelost?’, vroeg ze hem. 

Hij deed alsof hij haar vraag niet had gehoord en liep onverdroten door. 

‘Klootzak’, mompelde ze. 

Paula schoot in de lach en vroeg of ze koffie wilde, toevoegend:

‘Dat heb je wel verdiend na die rake conclusie.’

Ze bekeek het lijstje dat Bobby van Velzen haar had meegegeven. Annebel, de oudste zus, stond bovenaan. Zoals het een echte kantoorklerk betaamt, had Bobby de leeftijdsvolgorde aangehouden van oudste naar jongste. Hij was vast een accountant of deed in elk geval iets met boekhouden, en dat kwam uit dit soort dingetjes duidelijk naar voren. 

Ze doorzocht haar systemen om informatie te vergaren over de familie Van Velzen, maar vond niets bijzonders. Nog geen wanbetaling of te hard slaan met deuren; niets.

Jamareon kwam bij haar zitten.

‘Mogge, Lie.’

‘Hai.’

‘De zoon van Cor van Velzen heeft bevestigd dat het zijn vader is’, zei hij en keek verrast naar het bekertje koffie dat Paula hem voorhield.

‘Ik wist dat je zou langskomen’, zei ze met een knipoog, het bekertje tussen de papieren van Lianne zettend. ‘Dubbele espresso met suiker en een melkbak voor Lie.’

‘Weet je wat de pest is’, begon Lianne, die niets van de koffie conversatie had meegekregen: ‘De enige die een reden had om Cor om te brengen, is een maand eerder overleden.’

‘De jongste zus.’

‘Correct: Floor Pluven.’

‘Dat was toch die schrijfster?’, vroeg Paula. ‘Ik heb een paar boeken van haar. Hè, jammer: ik heb altijd een handtekening van haar willen hebben.’

Terug op haar eigen plek, slaakte ze een diepe zucht. Soms was het leven teleurstellend.

‘En het is zeker dat zij is overleden?’, vroeg Jamareon.

Zijn ogen onderzochten Lianne’s nadenkende blik.

‘Ik mag aannemen dat dat zo is’, zei ze uiteindelijk. 

‘Ja. Mmh’, beaamde hij, nadenkend kauwend op zijn onderlip.

‘Waarom zou je de moeite nemen om jezelf dood te verklaren alleen maar om iemand anders om te willen brengen?’

‘Ten eerste beland je dan niet in de bak.’ 

‘En ten tweede?’

‘Je naam blijft zuiver. Voor een goed verkopende auteur is dat een pré, denk ik, hoewel dat tegenwoordig niet meer zeker is.’

‘Even kijken, even denken…’

Lianne tikte nadenkend met haar potlood op tafel, opende haar beeldscherm en ging het net op waar ze het telefoonnummer van Floor’s notaris vond. Heen en weer kijkend van haar iPhone naar het beeldscherm, tikte ze het nummer in en kreeg de secretaresse te pakken. Na een kort onderhoud, zei ze tegen Jamareon: 

‘Vanmiddag om twee uur kunnen we bij de notaris langs, verifiëren of Floor echt is overleden of dat we voor de gek worden gehouden. Dan gaan we nu eerst naar Annebel van Velzen.’

Ze pakte haar koffie en liep de afdeling af. Jamareon volgde in haar spoor. Even buiten de deur liep de collega met de halfopen laptop tegen haar aan. Een golf van haar koffie slurpte over de rand heen rechtstreeks zijn laptop binnen.

‘Verdomme’, grauwde hij, direct de laptop op z’n kop houdend, ‘kijk toch uit waar je loopt.’

‘Jij liep tegen mij aan, maat, niet andersom.’

‘Zal wel.’

‘Ik wilde opzij te gaan, maar je zat je al bovenop me. Een beetje rustiger aan zou je sieren.’

‘Ik heb het gezien’, bevestigde Jamareon, de ogen groot onder zijn donkere tulband ‘De IT afdeling zit op de tweede verdieping.’ 

‘Misschien hebben ze daar rijst’, vulde Lianne aan, naar het toetsenbord wijzend waaruit koffie druppelde.

Ze keek of er nog wat koffie in haar beker over was en liep bij de man vandaan. 

‘Succes’, riep ze over haar schouder.

 

Annebel legde haar boterhammetje op tafel, een servetje eronder schuivend. De honden stonden in de keuken te eten. Ze had een moment om na te denken over het telefoontje van Bobby gisteravond laat. Het was bijna onwezenlijk te realiseren dat Cor was overleden. Tijdens het voorlezen van het testament was hij nog zo nadrukkelijk aanwezig geweest. Daardoor dacht ze in eerste instantie dat zijn hart het had begeven. Toen Bobby vertelde dat Cor was omgebracht, gleed de telefoon vanonder haar grip vandaan. Het rolde op het bankkussen naar een hond die geschrokken wegsprong. Omgebracht door een scherp voorwerp in de maag, naar alle waarschijnlijkheid een pijl. Wat een merkwaardig wapen. 

Ook nu, een nieuwe dag, een nieuwe zon die deze nieuwe dag al vroeg aankondigde, bleef ze het een raar wapen vinden om iemand mee te doden. Ze kon het zich ook niet bedenken wie in de wereld Cor dood zou willen hebben. Hij was een eersteklas goedzak, ondanks zijn gekwek, maar dat was doen alsof. Ze kende hem van haver tot gort en wist dat zijn scherpe opmerkingen niet meer dan een front waren. Corrie zat hier vast achter. Zij en Cor hadden elkaar ontmoet toen zij vijftien was en hij achttien. Ze vielen direct op elkaar: zij op zijn zachte karakter en hij op de golving van haar borsten onder haar bloesje. Jaren later ging dat zachte karakter Corrie irriteren. Ze begon hem te vergelijken met andere mannen die opvliegend reageerden als iemand een denigrerende opmerking maakte. Cor was zo iemand die dan zei, dat ze zich daar niets van moest aantrekken. Corrie, echter, vond dat opvliegende aangenamer, opwindender. Het was een daad, een punt dat zo’n man zette; iets dat zei dat je niet met hem moest sollen. Cor’s er niets van aantrekken, stak naast dit gedrag schamel af.

Annebel herinnerde zich dat Cor zich daarna had verdiept in de rol van snedige opmerkingen maken. Misschien had iemand op zijn werk zo’n scherpe opmerking serieus genomen en hem daarvoor van kant gemaakt. Maar waarom? Het beste was altijd om naar HR te gaan en hen te vragen het probleem op te lossen.

Ze had aan Bobby gevraagd wanneer de uitvaart was. Het lichaam was vrijgegeven en hij dacht dat het over vier dagen was. Dat moest hij nog bij zijn moeder natrekken. 

Zelf Corrie bellen kwam niet in haar op. Hoewel ze vroeger dik aan waren toen beiden in dezelfde supermarkt werkten, was dit door de jaren heen verwaterd. Corrie lag haar niet meer zo. Ze had altijd een mening klaar en kwam verbaal dwars door je heen als je iets aan het vertellen was, waarna ze bevestiging zocht bij de goedzak met wie zij was getrouwd. Cor was het namelijk altijd met haar eens.

De honden waren klaar met eten en kwamen met vrolijk zwaaiende staarten de kamer in. Ze verdeelden zich over hun vaste plekken in de kamer om uit te buiken. De oudste sprong naast haar op de bank en legde zijn hoofd over haar dijen. Automatisch aaide ze hem over zijn koppie en onder zijn kinnetje waar nog restjes eten in de baardharen zaten, die ze op zijn huid wegwreef. 

Het hoofd van de hond veerde op bij het klingelen van de deurbel.

‘Rustig, jongens’, zei ze tegen hen toen ze als een ploeg Russische synchroon-zwemsters opsprongen.

‘Annebel van Velzen?’, vroeg de oudere vrouw aan haar. 

Ze kende haar niet, had er geen idee van waarom ze wilde weten wie zij was, maar de man met de tulband en korte baard zag eruit alsof het hier om de verkoop van een religie ging. Daar had ze geen trek in.

‘Niet geïnteresseerd’, zei ze prompt en deed de deur dicht. 

Een schouder van de grote man weerhield de deur ervan in het slot te vallen. 

‘Als jullie niet weggaan, bel ik de politie’, dreigde ze. 

‘Wij zijn de politie.’

Ze stopte met duwen. Lianne hield haar penning om de hoek van de deur. Langzaam opende deze zich weer.

‘We hebben een paar vragen inzake uw broer Cor van Velzen.’

‘Ik hoorde dat hij is overleden’, zei Annebel, naar binnen lopend. ‘Bobby belde me. U kent Bobby, toch? Ga maar zitten en let niet op de honden. Die doen niemand kwaad. Willen jullie koffie?’

Beiden bedankten hiervoor en ook Annebel zelf besloot niets te drinken. Ze ging op de bank zitten en plaatste nu een servetje bovenop de boterham. Hopelijk bleven ze kort zodat haar broodje niet zou uitdrogen. Ze was, echter, wel nieuwsgierig of ze meer te weten kon komen van wat er met Cor was gebeurd.

‘Waar kan ik mee helpen?’

Lianne vertelde in een paar zinnen wat Cor was overkomen. Het was, echter, geen aanvulling op hetgeen dat zij al van Bobby had gehoord.

‘Maar waarom komt u bij mij?’, vroeg ze uiteindelijk.

‘Bij dit soort zaken gaan we altijd bij de mensen langs met wie de overledene recentelijk in contact is geweest. U was bij het voorlezen van het testament van uw zus, net zoals uw broers.’

‘Ja. Het was een farce, heel dat gebeuren. Alleen die vriendin van Floor is er beter op geworden, denk ik tenminste. Hier, dit is wat ik van m’n zus heb ontvangen.’

Ze zocht tussen de tijdschriften over honden naar het adreskaartje, zag dat ze het als bladwijzer had gebruikt en gaf het aan Lianne. Deze las het aandachtig, gaf het aan Jamareon, die na het lezen kort het hoofd schudde en het teruggaf.

‘Weet u of er een speciale bedoeling achter de 3 = Noppes zit?’ 

‘Nee’, zei Annebel, de schouders optrekkend. ‘Nee. Zal wel weer iets dwaas van dat wijf zijn geweest. We hebben allemaal van die dingen gekregen. Cor was geloof ik Nada #1. Ruurd belde me nog om te vragen wat er verder op mijn kaartje stond. Hij zei dat hij Nul - 4 had. Wat een larie; alsof zij zelf zoveel gepresteerd heeft.’

‘Wat kunnen die cijfers volgens u inhouden?’

‘Ik dacht eerst de volgorde waarin we geboren zijn.’ 

Ze hoefde er niet over na te denken. Tijdens de hondenuitlaat had ze altijd genoeg tijd om alles in haar leven de revue te laten passeren.

‘Dus u bent de op twee na oudste?’

‘Nee. Cor is de oudste, daarna kom ik. Dan Rutger en pas dan Ruurd.’ 

Er kwam een frons tussen haar wenkbrauwen. Ze zei: 

‘Dat verbaasde me want waarom staat er dan drie op bij mij? Of wist Floor misschien niet meer dat Rutger na mij komt? Er zit maar een jaar tussen, dus dat zou kunnen.’ 

Ze sprong op toen er een klokkend geluid in de keuken klonk. 

‘Éen van de honden moet overgeven’, zei ze in het voorbijgaan. ‘Vast weer te snel gegeten.’

Ze sloot de tussendeur. Lianne en Jamareon keken elkaar aan.

‘Wat denk jij?’, vroeg hij aan haar. ‘Een vergissing?’

‘Of een volgorde?’

‘Van wat?’

‘Teveel vragen, Jama. Eerst nadenken.’

Ze stond op en keek naar de ingelijste fotootjes op de kastplanken. De meesten waren van honden en eentje van de familie, vermoedelijk genomen op de trouwdag van Annebel. Op de foto stond naast haar een bebaarde man ongemakkelijk te zijn in een bruin pak. Dat moest de gom zijn. Annebel droeg een paars-blauwe jurk alsook een stralende lach. Ze bekeek alle aanwezigen en nam er een foto met haar telefoon van.

De tussendeur opende en bracht een frisse wind mee de kamer in.

‘Ik heb de keukendeur maar opengezet; die kotslucht blijft anders te lang hangen.’

‘Is de meneer met de baard uw echtgenoot?’

‘Ex inmiddels. Deze foto is van dertig jaar geleden.’

Het aantal jaren verbaasde Lianne. Annebel zag er niet veel ouder uit dan halverwege de veertig. Ze moest wel heel erg jong zijn geweest toen ze trouwde.

‘Vriendelijk dank voor de informatie’, zei ze. ‘Wij zouden graag het kaartje van Floor willen meenemen.’

‘Gaat uw gang; ik doe er toch niets mee.’

Terug in de auto tuurde Lianne naar de 3 = Noppes. Ze kon er allerlei theorieën op loslaten maar meer dan verspild denkwerk zou dit niet zijn. 

De enige mogelijkheid om achter de denkwijze van Floor Pluven te komen, was haar gedachten te doorgronden. Het werd tijd om haar boeken maar eens door te nemen.

*

9. De notaris 

 

Ronald van Workum was anders dan Lianne hem had voorgesteld. Voor haar was een notaris een grijze man in een driedelig pak, dat evenzo grijs was als zijn haar, en die met een scherpe blik over zijn halve leesbril de wereld in tuurde. Althans, dat waren de notarissen die zij tot dan toe in haar loopbaan had meegemaakt. Nu stond er een man van midden veertig met goed gecoiffeerd donkerblond haar en ogen die nog geen bril nodig hadden. Hij droeg een donkerblauw pak met een groen streepje, en een off-white overhemd. Onder de openstaande twee knoopjes was de halsrand van een wit t-shirt zichtbaar.

Maar, bedacht zij met een grinnikje: aan zijn gezichtsuitdrukking te zien, voldeed zij ook niet aan het beeld dat hij had van een rechercheur.

Ze begon met hem te bedanken voor het feit dat hij hen zo snel kon ontvangen, waarop hij een handgebaar maakte dat zei dat dit volstrekt geen probleem was. Met eenmaal koffie op tafel tussen hen in, vroeg Ronald waarmee hij hen kon helpen.

‘Het heeft iets met het testament van Floor Pluven te maken, begreep ik?’, zei hij erachter aan.

‘Dat klopt’, bevestigde ze. ‘U heeft waarschijnlijk al vernomen dat haar oudste broer, Cor van Velzen, is omgebracht...’

‘Heel onfortuinlijk.’

‘...en ik vroeg me af of het testament een clausule heeft dat als tontine omschreven kan worden.’

‘Er staat geen beding van aanwas in het testament genoemd’, zei hij direct. ‘Hoe bent u tot deze conclusie gekomen?’ 

Hij keek haar recht aan. Ze nam een slok koffie. Het was lekker en warm. 

‘Vanwege dit.’ 

Ze legde het adreskaartje op tafel naar hem toegekeerd. 

‘Annebel van Velzen gaf mij dit: 3 = Noppes. Zij vertelde dat op de kaartjes van de overige familieleden eveneens een getal genoteerd was en dat bracht het idee van een tontine in mijn gedachten.’

‘Ik begrijp het.’ 

Hij pakte het kaartje op en las het. Het testament was voor hem een duidelijk document geweest. Hij had Floor geholpen met de opstelling ervan zodat er geen onduidelijkheden waren die ter discussie konden komen te staan. De kaartjes, die zij in aparte envelopjes op een later datum toevoegde, waren ook voor hem een verrassing geweest. Maar het was niet zijn taak hierover te speculeren. Buiten dit kwam uit het officiële gesigneerde testament niets naar voren dat naar een tontine verwees.

‘Er is niets van een tontine in het spel’, zei hij daarom ook, ‘geen bedragen die opzij zijn gezet en uitbetaald worden aan degene van de familie die overblijft.’ 

Hij schoof het kaartje terug naar Lianne. 

‘Het is overigens een goede gedachte om dit hiermee te associëren.’

‘Dank u’, zei Lianne, een wenkbrauw optrekkend. ‘Ik doe mijn best.’

Hij lachte om de ironische toon van haar stem, en zei:

‘Excuseer dat mijn woorden pompeus overkomen, maar ik heb hier werkelijk bewondering voor. Het overgrote deel van mijn cliënten heeft nog nooit van het woord tontine gehoord, laat staan dat zij weten wat dit inhoudt. Wilt u trouwens een koekje?’

‘Nee, dank je’, antwoordde Jamareon.

‘Ja, graag’, kwam Lianne over hem heen. 

Ze had zich maanden geleden voorgenomen alleen zoetigheid te nemen als het haar werd aangeboden, dus afslaan was in dit geval geen gelukmakende optie.

Ronald liep naar zijn bureau en haalde een zak gevulde koeken uit een la. In éen oogopslag zag Lianne dat ze van de warme bakker waren. Ze gebaarde met haar blik naar Jamareon om er vooral eentje te nemen.

‘Van die kleine dingen die het leven aangenaam maken’, zei Ronald, haar de zak voorhoudend. 

‘Jij ook eentje?’, vroeg ze aan Jama, toen ze de hare eruit pakte.

‘Doe maar dan.’

‘Kende u Floor Pluven goed?’, vroeg ze, de rand van de gevulde koek als eerste opetend en de amandel in het midden voor de laatste hap bewarend.

‘Huh hmm’, antwoordde Ronald, at zijn mond leeg, en vertaalde: ‘Inderdaad. Ze is lang mijn cliënte geweest. We kenden elkaar zo’n twintig jaar. Zij was plaatselijk bekend als schrijfster en ik had juist dit kantoor opgezet. Groots opgezet vanwege de grootse verwachtingen die ik had om groots te worden. Gelukkig is die verwachting uitgekomen.’

‘Hoe was zij als mens, als cliënte?’

‘Uiterst makkelijk. Ze vertrouwde mij en vice versa. Dat krijg je als je met elkaar opgroeit. Ze zei me wel eens, dat ik de broer was die zij nooit had gehad.’

‘Wel eentje die een gage kreeg’, merkte Jamareon op.

‘Dat klopt, maar niet eentje die bietste. Toen wij elkaar leerden kennen, was zij al gebrouilleerd met haar broers en zus, op Rutger na. Laat ik dit anders formuleren: zij accepteerde hem gezien zijn nijpende levensomstandigheden. U kent Rutger?’

‘We hebben nog niet kennis gemaakt, maar weten wie hij is.’

‘Rutger is zo’n eeuwige armoedzaaier, een kunstenaar die meer belang heeft bij het kunstenaarsleven leiden, zoals hij zich dat in zijn ideale wereld voorstelt, dan een kunstenaar zijn. Dat zijn Floor’s woorden. Zelf zag ik hem voor het eerst bij de voorlezing van het testament. Aangezien Rutger nooit geld had, zorgde Floor voor hem. Voor de goede orde: zij mocht Rutger net zo min als haar andere familieleden, maar omdat zij een goed hart had en fortuinlijk genoeg was om veel met haar boeken te verdienen, stopte zij hem regelmatig geld of sigaretten en ook wijn toe. Dit gebeurde op afstand: via de bezorgdienst van Albert Heijn. Die bracht de boodschappen naar hem. Ze wilde hem namelijk niet lijflijk zien. Enfin, het geval wil dat Floor een keer “nee” zei op de zoveelste biets zijnerzijds en dit viel niet in goede aarde.’

‘Waar vroeg hij om?’, wilde Lianne weten.

‘Dat weet ik niet’, antwoordde Ronald hoofdschuddend. ‘Daarover heeft Floor het nooit gehad. Wat ik me zo voorstel, als ik mag speculeren, is dat ze er gewoonweg genoeg van had, van dat bietsen van hem. Haar weigering viel echter niet in goede aarde. Rutger’s bedankje na die “nee” van Floor, ondanks dat zij jarenlang vrijwillig zijn levensonderhoud had bekostigd, betaalde hij terug door haar met haatmails te bestoken. Dat begon pakweg vijftien jaar geleden, toen het internet nog niet zo’n alledaags gebruiksmiddel was zoals nu het geval is. Pas nadar zij haar emailadres veranderde, stopten de mails en van lieverlee werd haar leven rustiger. Ik weet dat dit niets met uw vraag over tontine te maken heeft’, zei hij bij het zien van de twee blikken aan de andere kant van de tafel, ‘maar ik wil u een beeld schetsen van Floor en wat voor goed mens zij is. Was. Ik moet hier nog aan wennen: was.’ 

Dit laatste zei hij meer tegen zichzelf dan tegen zijn gasten.

‘En Ruurd, weet u iets van hem?’

‘Weinig. Om eerlijk te zijn, liet Floor in de regel weinig los over haar familie, met uitzondering van haar vader en moeder, die laat ik in het verdere relaas buiten beschouwing. Alleen omdat hetgeen wat er met Rutger speelde gebeurde toen wij elkaar al kenden, kreeg ik hier iets meer van mee. In elk geval: wat ik begreep, is dat zij hen geen fijne mensen vond om mee op te groeien. De weinige keren dat zij over hen sprak, kreeg zij zo’n donkere blik in haar ogen. Nee...’ hij schudde het hoofd ‘...ze moest niets van hen hebben.’

‘Hoe kwamen zij op u over?’ 

Lianne genoot van het laatste stukje gevulde koek met de amandel. Ronald dacht over haar vraag na.

‘Ik heb hen maar een moment meegemaakt’, zei hij.

‘Niet uw professionele mening als notaris, als het u stoort deze te geven, maar als buitenstaander die met deze mensen om een tafel heeft gezeten.’

‘Dit is off the record?’, vroeg hij en vervolgde na haar knik: ‘Het is een stelletje graaiers. Ondanks dat het nu gezapige mensen zijn, herkende ik hen stuk voor stuk uit de beschrijving van Floor en doorzag wat voor types zij vroeger moesten zijn geweest. Vooral die Cor, foeterend over haar, haar proberen belachelijk te maken, maar wel als eerste de envelop openscheuren om te zien hoeveel geld hij zou krijgen. Meneer Nada verdween hierna meteen de kamer uit, poef, stofwolken.’

Grinnikend pakte hij zijn koffie.

‘Wist u van de inhoud van de enveloppen?’

Al drinkende knikte hij, schudde daarna toch zijn hoofd.

‘Nee. Ik wist dat ze er waren, maar niet wat erin stond.’

‘Heeft ze verteld wat de bedoeling was achter die kaarten?’

‘Ze voegde deze pas maanden later aan het originele document toe. Het enige dat ze hierover zei, was dat ze hen aan het denken wilde zetten. Ze had het over de volgorde, dat deze niet was zoals men het zou verwachten. Pas toen de enveloppen aan tafel werden uitgepakt, begreep ik wat zij hiermee bedoelde. Het was niet van de oudste naar de jongste of andersom, maar min of meer willekeurig. Toen ik haar toentertijd vroeg wat zij met haar uitspraak bedoelde, over de niet verwachte volgorde, moest ze lachen. Haar verklaring was dat er een omdraaiing in zat waardoor die vier op hun tenen zouden lopen, de hersens moesten laten werken. En, zo te horen, is dat gelukt. Verder…’ hij strekte zijn armen als een heiligbeeld uit elkaar ‘…is het voor mij ook een raadsel.’

De koek was op. Lianne bedankte Ronald voor zijn tijd en het beeld van Floor dat hij geschetst had.

‘Graag gedaan’, zei hij. ‘Mocht er nog iets anders zijn waarmee ik u zou kunnen helpen, laat het me vooral weten.’

Voordat ze naar buiten gingen, trok Lianne haar jas. Door de raampjes in de deur zag ze dat het bewolkt was. Eenmaal buiten, al lopende naar de parkeerplaats, ging haar jas weer uit. Ondanks de bewolking was het weer aangenaam. 

Ze reden terug naar het bureau en brachten de rest van de dag in hun respectievelijke taartpunt door.

Tegen vijven vroeg Jamareon haar, of zij hem nog nodig had.

‘Je zou jouw vrouw bij mij vandaan kunnen sleuren’, was haar antwoord.

‘Die komt vanzelf wel weer terug.’

‘Of als alternatief haar installatie meenemen.’

‘Dat kaasgeval?’, vroeg hij, haar relaas gehoord hebbend, en voegde lachend toe: ’Hou dat maar lekker bij je.’

‘Het lijkt momenteel wel of ik in een Eru kuipje woon, alleen minder smakelijk.’

Grinnikend gaf hij haar een bemoedigend klapje op de schouder en verdween.

Ze ging het internet op en verdiepte zich in sportverenigingen waar ook met kruisbogen gesport werd. 

Om haar heen leegde de afdeling zich. Zelfs Kalder vertrok. Hij keek haar richting uit, scheen iets te willen zeggen, en ging uiteindelijk toch maar direct de afdeling af. Toen ze trek in iets te eten kreeg, dook ze de koelkast in. Misschien had iemand een brooddoosje vergeten waarin nog een bammetje zat. Buiten een aangebroken half pakje melk was de koelkast leeg. Ze rook aan de melk, klokte een voorzichtig slokje uit en nam het pakje mee naar de snoepautomaat op de gang. De onderste rij was gevuld met appels. Niemand scheen ooit een appeltje te nemen en ook zij had hierin geen interesse. Er waren nog zakjes paprika wokkels en wat chips. Rode verpakking, dus naturel waaraan geen smaak zat. Ze trok twee pakjes wokkels, bumpte met haar heup het apparaat heen en weer toen de tweede halverwege het neerstorten bleef hangen, en uiteindelijk besloot zich toch maar te laten vallen.

Terug aan het bureau, wokkels en melk open, zocht ze verder. In en rondom de plek waar Cor was gedood, was geen bewijs gevonden dat er iemand was geweest. De kelderbox was zo vervuild dat er niets bruikbaars was overgebleven waarmee ze aan de gang konden gaan. Ook de straatcameras waren van nul en generlei waarde. 

De enige weg die open bleef, was kennis opdoen van kruisbogen. 

Ze ontdekte een schietvereniging niet ver van de stad vandaan. Op de klok kijkend besloot ze er meteen naartoe te rijden om er voor sluitingstijd te kunnen zijn. 

*

10. Kruisboogvereniging 

 

Het was een grijs rechthoekig blok, opgebouwd uit betonnen plakken waar aluminiumplaten tegenaan waren geplaatst. Golvende aluminium platen om de indruk te wekken dat het blok leefde. Dit was mislukt. Het gebouw was bij de opbouw ervan al overleden. Desondanks werd het twee weken na de openstelling officieel als sportvereniging geopend door de burgemeester, geflankeerd door een plaatselijke bekende die schaapachtig lachte en meer belang had bij zijn kapsel dan het doorknippen van het lint.

Lianne parkeerde haar auto op de bijna lege parkeerplaats en keek hoe laat het was. Tien over negen. De website van de vereniging beloofde pas om half tien de deuren te sluiten.

De aankomsthal achter de glazen deur was meegegaan in het moderne fenomeen van waxinelichtjes in openbare ruimtes, hoewel er verderop in de hal wel voldoende licht brandde.

De balie was leeg. Hoewel ze heel deze balie af keek, was er geen belletje te vinden om iemands aandacht te trekken. Vanuit de ruimte verderop, deels van de balie afgescheiden door een blauw geverfd houten wandje, dreef geluid haar tegemoet en ze stapte er op af. Twee mannen stonden bij elkaar, eentje met een kruisboog en beschermers om beide ellebogen, de ander iets aan hem uitleggend dat met veel armzwaaien gepaard ging. Maar dan werden zijn ledematen ook niet gehinderd door beschermers om de ellebogen. De man met de kruisboog zag Lianne het eerst en zei iets tegen de andere man, die omkeek en op haar afliep.

‘We gaan zo sluiten’, zei hij, niet nors, niet onvriendelijk, maar wel vastbesloten om op tijd weg te willen gaan vanavond.

‘Goeieavond’, groette ze hem. 

Als groet knikte hij terug. 

‘Bent u de eigenaar van deze vereniging of weet u wie ik moet hebben?’

‘Niet de eigenaar, maar ik weet er wel alles van. Wat wilt u weten?’

Ze hield haar penning naar hem op. Zijn wenkbrauwen fronsten. Hij vroeg zich af waarom een rechercheur om kwart over negen ’s avonds het nodig vond bij de sportschool langs te komen. Hopelijk was er niets met zijn vrouw aan de hand en had zijn zoon Sjon zich gedragen. Met studenten wist je dat maar nooit.

‘Lianne Boorman. Ik wil informatie over kruisbogen hebben’, zei ze, ‘en dan vooral van de bogen waarmee je snel kunt schieten.’

‘Ik heet Aart, aangenaam. Gaat de politie over op kruisbogen?’, vroeg hij en kreeg geen respons van haar behalve een koele blik. ‘Kom maar mee.’

Ze gingen naar de man met de elleboogbeschermers die haar eveneens toeknikte als groet. Mannen met kruisbogen knikten hun groet.

‘Dit is een Cobra Wood met snelspansysteem zodat...’

‘Nu in lekentermen’, onderbrak ze hem meteen.

‘Dit is een kruisboogpistool, dat zie je hier aan de trekker. Er zit een vizier op en heeft een snelspansysteem waardoor je gemakkelijk kunt opspannen. Laat ’s even zien, Steef.’

Steef deed wat hem werd gevraagd en zodra hij had opgespannen, liep hij naar voren en schoot een pijl over de lange baan naar het doel. Na de “katjok” vroeg Lianne of ze de boog mocht vasthouden. Steef keek naar Aart en pas na diens knik gaf hij het aan haar.

‘Het is heel licht’, was het eerste dat haar opviel.

‘Nog geen kilo.’

Ze bekeek het van alle kanten, wist niet goed wat wat was, maar het ging haar om het gevoel. Steef pakte het weer van haar terug toen ze vroeg:

‘En iets dat sneller is, waarmee je een paar pijlen achter elkaar kunt schieten?’

‘Dan kom je al snel in het duurdere segment terecht’, zei Aart. ‘De Cobra RX Adder is daar een mooi voorbeeld van.’

‘Heel mooi’, stemde Steef knikkend in.

‘Ga maar mee dan haal ik ‘m tevoorschijn.’

Ze liepen achter elkaar aan naar de balie en Aart verdween door een deur erachter. Hij bleef langer weg dan ze verwachtte en om de tijd door te komen, keek ze rond. Er hingen medailles aan de muur. Bekers stonden achter de balie op tafels die tussen de twee deuren in geplaatst waren. Aan de wand naast de entree hingen oorkondes achter glas alsook fotos met ogenschijnlijk winnende teams erop. Nieuwsgierig keek ze ernaar om te zien of ze iemand kende, maar de gezichten zeiden haar niets.

‘Mevrouw...?’ 

Aart hield een kruisboog naar haar op die veel weg had van een geweer. Alleen de boog aan de voorzijde gaf weg wat het in werkelijkheid was. 

‘Dit is de Cobra RX Adder’, zei hij toen ze terug bij de balie was.

Hij legde uit wat waar kwam, dat snelheid mogelijk was vanwege het magazijn met pijlen, het had een opspanhulp, red dot, verstelbare kolf en als je er goed voor zorgde, kon het een heel leven meegaan.

‘En niet zwaar’, eindigde hij de opsomming, waarvan hij hoopte dat er iets van bij Lianne bleef hangen.

Ze hield de boog vast en was wederom verrast over het lichte gewicht ervan. Het was weliswaar iets zwaarder dan degene die ze net had vastgehouden, maar woog misschien zoveel als een groot pak Lavazza koffiebonen.

‘Mag ik vragen wat uw interesse hierin is?’, probeerde Aart.

‘Mijn interesse is of je hier iemand mee kunt neerschieten.’

‘Ooh, reken maar. We nemen de veiligheid hier dan ook heel serieus zodat er geen ongelukken gebeuren.’

‘Ik heb het niet over een ongeluk.’

‘Oh. Oh jee’, mompelde Aart en dacht kort na wat het veiligst was om tegen de politie te zeggen. ‘Eerlijk gezegd is dit een ideaal moordwapen, maar ik wil dit niet aanmoedigen, hoor. Moorden is slecht.’

‘Waarom is het een ideaal moordwapen?’

‘Een model als dit heb je in een handomdraai in elkaar gezet. Opspannen is een fluitje van een cent en wat vooral een voordeel is: als je gestoord genoeg bent om iemand hiermee om te willen brengen, is dit vrijwel geluidloos...’

‘Vergeet de laser niet’, riep Steef vanaf de plek waar hij al die tijd was blijven staan.

‘...En de laser waarmee je precies het punt aanwijzen dat je wilt, eh, beschadigen.’

‘Uh-huh’, zei Lianne nadenkend.

‘En, kijk eens...’ 

Hij pakte een sleutel uit de tas en in een paar seconden had hij de kolf en de boog van elkaar gescheiden. Als een makkelijk pakketje kon je het op deze manier zelfs in een plastic AH tasje vervoeren en niemand die doorhad wat het was.

‘Worden hier veel van verkocht?’, vroeg ze.

‘Dat weet ik niet, mevrouw. Ik denk dat u daarvoor bij de winkels moet zijn. Verkopers vragen in de regel wel om gegevens van de klant, maar de precieze cijfers weet ik niet.’

‘Is er iemand in uw vereniging die dit of soortgelijke modellen gebruikt?’

‘Niet in de vereniging. Maar er komen hier ook niet-leden en wat die meenemen, daar heb ik geen zicht op. We houden het wel bij, maar als je ze inschrijft met een eenvoudige boog en de volgende keer hebben ze bijvoorbeeld deze Cobra bij zich in een tasje...’

De rest van de zin liet hij hangen. Lianne bedankte hem voor de informatie en liep door de waxinelichtjes hal door naar buiten.

‘Wat denk jij, Steef’, begon Aart toen de deur achter Lianne sloot: ‘een biertje?’

‘Altijd.’

*

11. Lianne 

 

Lianne opende de deur naar de zitkamer en keek rond. De lichten waren uit. Er was geen teken van Ada te bekennen. Ze liep door de kamer naar de gang en keek omhoog. Langs het luik scheen geen licht.

‘Ada?’, riep ze voor de zekerheid omhoog. ‘Aadje, ben je op zolder?’

Pas toen ze na een paar tellen wachten nog geen reactie hoorde, kon ze het zich veroorloven een glimlach tevoorschijn te toveren: de crisis was over en Ada was terug naar huis gegaan. In de badkamer zag ze, dat de installatie eveneens was verdwenen.

Ze kleedde zich om in een lang t-shirt, opende het keukenraam verder en keek in de koelkast wat er te eten was. Een stukje belegen kaas keek terug, verder niets. De vrieskast was veelbelovender: een aangebroken pak met loempiaatjes en een pak bitterballen. Ze zette de oven aan alsook de waterkoker en met een mok thee in de hand nam ze genoeglijk op de bank plaats. 

Het was heerlijk weer alleen in haar huis te zijn. Ze was dol op haar zus, dol op alle ideetjes die ze had en zoals deze zonder er verder bij na te denken altijd meteen uitvoerde. Maar het alleen zijn beviel haar het beste.

Na twee slokken thee pingde de oven. Ze schoof het rek met haar avondeten erin, de klok op dertien minuten zettend. Neuriënd deed ze mosterd alsook chilisaus op een bord, tuurde uit het keukenraam naar de lichten van de haar omringende stad. De iele maan hing er stil boven. Ze kwam pas weer in beweging toen de oven het eindsignaal pingde.

Met het bord naast haar op de bank, nam ze het verslag van de afgelopen dagen door. Er was weinig vordering gemaakt. Dat was een eenvoudige conclusie, maar helaas wel een juiste. Zoals de zaak er nu voor stond, was de enige verdachte de overleden jongste zus. Ofwel die zus moest een Lazarus hebben uitgehaald, ofwel de mensen die ze tot nog toe had gesproken, hadden haar een hoop larie verkocht. Dat eerste was onwaarschijnlijk, dat tweede echter niet, nooit. 

De algemene consensus van de mensen die zij tot nog toe hadden gesproken, klonk: Cor was een goed mens geweest met een grote bek. In de meeste gevallen gingen die twee niet samen maar in zijn geval gaf men aan dat het schijn was, een manier om indruk op zijn vrouw te maken. Was dit werkelijk zo? 

Corrie was geen goede getuige; dat was een partner zelden. In zoon Bobby had ze iets meer fiducie, maar misschien had ook hij de schoolopleiding voortgezet onderwijs met het vak “van de doden niets dan goeds” gevolgd. 

Annebel, daarentegen, was volkomen onbetrouwbaar. Het enige waar zij interesse in had gehad tijdens het gesprek, was Jamareon. Ze had tevergeefse moeite gedaan om haar ogen van hem af te houden, en haar antwoorden klonken als van iemand af te komen, die vloeiend in leugentaal was. Ze was nieuwsgierig naar de rest van de familie, benieuwd of zij ook allemaal iets achterhielden. 

Deze gedachtengang zorgde er wel voor, dat zij steeds meer sympathie voor Floor kreeg en vooral dat zij kon begrijpen waarom deze met hen had gebroken. Er was altijd wat gaande in families, altijd dat men voor een bepaalde kant koos, zo ging dat nu eenmaal. Dat Floor elke connectie met hen had afgekapt, hield twee dingen in: ofwel ze was een gevoelig typetje, of er speelde meer dan men weggaf. Na wat zij in Floor’s werk had gelezen, kon door het gevoelige typetje een kras worden gezet. Dit zou dus inhouden, dat er een slangetje in het gras lag te wachten en waar iedereen uiterst omzichtig overheen stapte zonder deze te willen verstoren.

Maar wat?

Ze legde haar laptop opzij en begon te denken. Ze had meer mensen nodig, meer handjes die uit de mouwen gestoken werden, meer hoofdjes om het denkproces ruimte te geven. De pest was dat er op alles bezuinigd werd en ook de overheidsdiensten hieronder leden. Momenteel bestond haar hele ploeg uit Jamareon en haarzelf, aangevuld door een paar blauwen die te weinig mochten doen. Ze had behoefte aan collegae die ze ergens op uit kon sturen, die ze familieleden kon laten ondervragen, aan kon sturen en zaken liet uitzoeken.

Plots bedacht ze zich iets: welke naam had chef Kalder geopperd? Carla, Laura? Misschien kon deze naam aan haar team toegevoegd worden.

*

12. Laura 

 

‘Boorman!’ 

Haar chef riep haar zodra ze een voet op de afdeling had gezet. Abrupt bleef ze staan, zuchtte diep en draaide een kwartslag. Ze had nog geen koffie gehad en hoopte dat ze zich kon inhouden. Al lopende naar zijn kamer, trok ze haar jas uit.

‘Mogge, chef’, groette ze hem toonloos. 

Hij gebaarde haar dat ze de deur moest sluiten. Met jas en tas verdeeld over haar handen, gebruikte ze haar kont om de deur dicht te duwen.

‘Zijn er al vorderingen in de moord op...’ zijn blik ging naar zijn bureau waarop het document lag ‘...Cor van Velzen?’

‘We zijn in de ondervragingsfase’, antwoordde ze. ‘We onderzoeken wat zijn stappen in de week leidend naar zijn dood zijn geweest. Het moordwapen is bekend en gisteravond heb ik een onderzoek hier naar gestart.’

‘Heeft het wat opgeleverd?’

‘Natuurlijk. Ook dat hoort bij de ondervragingsfase.’ 

Ze glimlachte lief en bleef zo vaag mogelijk aangezien ze niets tastbaars had waarmee zij hem kon overtuigen. Ze zag dat hij zijn mond opende om iets te zeggen en bleef hem voor met: 

‘Ik wil u vragen of ik gebruik kan maken van het aanbod om Laura Bergman bij mijn team te krijgen. Vooral omdat deze tip van u in het onderzoek naar alle waarschijnlijkheid positieve gevolgen kan hebben.’

‘Mmh…’, mompelde de chef knikkend, blij dat zijn idee gehoor had gekregen.

‘Zo’n frisse wind die door de kamer waait.’

‘Waar?’

Hij keek om naar het raam achter hem. Lianne zuchtte onhoorbaar en keek een moment naar het plafond, voordat ze zei:

‘Laura. Het onderzoek. Frisse wind. Nieuwe blik.’

‘Ah. Ah ja. Ik begrijp wat je bedoelt.’

Achter hen kwam Jamareon de afdeling oplopen. Hij keek opzij, zag Lianne in het kantoor van chef Kalder van haar stoel opstaan, en sloop achteruit lopend terug naar de gang. Hij wachtte totdat zij haar spullen in de taartpunt had gedeponeerd en de afdeling afliep.

‘Koffie?’, vroeg hij toen ze bij hem in de buurt kwam.

‘Graag.’

‘Ik zag je net bij Kalder zitten. Het leek me beter uit de buurt te blijven’, biechtte hij op. ‘Ben je op het matje geroepen?’

‘Eerder stroop gesmeerd. Dat houdt zijn neus weer effies uit onze zaken.’

‘Wat voor soort stroop?’

‘Suikerstroop, de zoetste die je kunt vinden. Het “wat een goed idee heeft u geopperd, meneer” soort van stroop.’

‘Aha.’

‘Doe maar maar een Wiener; al dat gezwets over suiker heeft een negatieve uitwerking op mij.’

‘Krijgen we mensen erbij?’

‘Ik heb om Laura gevraagd.’

‘Laura?’

‘Die nieuwe die overgeplaatst is.’

‘Oh ja, ik heb over haar gehoord. En zijn we daar blij mee?’

‘Ik heb me gisteren in haar verdiept op het intranet. Ze is zo’n enthousiaste beginner die uiteindelijk vast bij forensisch wil werken...

‘Aha’, zei Jamareon, breeduit grijnzend. 

‘…inderdaad. Dus welkom in ons midden. Kan ze de dingen doen die ons van het echte werk afhouden.’

‘Vandaar die grijns.’

Met de koffie in z’n hand vertrok hij naar zijn eigen taartpunt. Lianne hing haar jas aan de rugleuning van haar stoel en bekeek de stapel boeken die hier een moment eerder nog niet stonden. Paula stak het hoofd om de afscheiding heen en zei:

‘Nog meer boeken van Floor Pluven voor je.’

‘Dank je.’

‘Je hebt die ander in éen ruk uitgelezen, dus ik dacht om alles wat ik van haar heb aan jou mee te geven.’

‘Graag. Dank je nogmaals.’ 

‘Wat vond je ervan?’

‘Het leest lekker weg.’

Ze draaide het bovenste boek om en keek naar de foto van de schrijfster. Ze bedacht zich dat als Annebel haar oudere zus was, hun moeder ergens een slippertje moest hebben gemaakt, want de twee leken in de verste versten niet op elkaar. Beiden hadden donker haar, maar daar hield ook elke gelijkenis meteen mee op. Waar de oudere zus een berekende blik had, keek de jongste de wereld met frisse ogen tegemoet. Ze moest het net maar eens opgaan om meer van haar te weten te komen.

‘M’vrouw Boorman?’

‘Ja?’

‘Laura Bergman.’

‘Oh. Hai. Welkom.’ 

De twee vrouwen schudden elkaar de hand.

‘Jullie namen lijken op elkaar’, merkte Paula grinnikend op: ‘Lianne Boorman en Laura Bergman. Jullie zouden een vlog kunnen beginnen.’ 

Lianne keek in het vragende gezicht van haar nieuwste collega en zei:

‘Let maar niet op haar. Ze heeft een aandoening die nog in een vroeg stadium van bemoeizucht verkeerd. De chef heeft je al ingelicht wat voor werk je hier gaat doen?’

‘Niet echt.’

‘Niet echt of nee?’

‘Ik moet jullie helpen, bijstaan zoals chef Kalder dat noemt.’

‘Precies de juiste omschrijving. Ik zal je straks aan Jamareon voorstellen, m’n partner. Als je nu meteen dit lijstje op het internet wilt napluizen dan kunnen we daarna verder.’ 

Laura bleef besluiteloos staan. 

‘Is er verder nog iets?’, vroeg Lianne haar.

‘Moet ik dat hier doen of aan mijn eigen bureau?’

‘Aan jouw eigen bureau.’

Ze pakte het lijstje aan en ging naar haar taartpunt.

‘Niet te hard aanpakken, Lie’, merkte Paula op, die alles gevolgd had.

‘Deed ik dat dan?’

‘Ik herkende het bitse in jouw stem van vroeger toen ik aan jou opgedrongen werd. Vrouwen moeten elkaar bijstaan, weet je nog?’

Lianne knikte. Paula had gelijk. Het feit dat de chef Laura hoog had zitten, moest zij niet op het onderwerp in kwestie afreageren. Ze moest haar een oprechte kans geven zichzelf te bewijzen.

‘Dank je’, zei ze daarom tegen Paula.

Ze pakte haar jas om naar Jamareon te gaan en al lopende keek ze om zich heen. De blonde haren van Paula kwamen boven de afscheiding van de taartpunt uit. 

‘Hee’, groette ze toen ze bij haar aankwam. ‘Ik zal je mijn telefoonnummer geven voor het geval je met vragen zit.’ 

Ze dreunde haar nummer op die Laura in haar eigen telefoon zette. 

‘Straks praten we verder bij. Op dit moment heb ik helaas geen tijd.’

‘Top’, was het antwoord van de jonge vrouw die eerst van mening was geweest dat alle verhalen die over Lianne de ronde deden op waarheid gebaseerd waren. 

Nu, echter, was er een sprankje twijfel hierin gekomen. Ze hoopte dat dit niet van korte duur was.

*

13. Vita 

 

De woning van Vita bevond zich aan de rand van de stad langs de rivier. Nog maar een paar jaar geleden was hier het begin van het bos geweest, een betegeld voetpad dat vanaf de buitenwijken naar de eerste bomen liep waar het abrupt overging in een ingetrapt kleipad dat door het bos heen slingerde. De toen nog smalle rivier die de wijk van het bos scheidde, werd door de kinderen gebruikt om overheen te springen, om over de bodem ervan te lopen als de greppels opdroogden met het arriveren van de zomerwarmte. Bij het vallen van de avond werd het gesnuif van zwijnen hoorbaar, weerkaatst tegen de bomen. Het was een ongeschreven regel bij de kinderen, dat je snel het bos uit ging als het begon te schemeren als de zwijnen jonkies hadden. Niemand waagde het erop een zwijnenfamilie in de weg lopen. 

In het voorjaar was de bosbodem bedekt met blauwe en gele bloemen. Deze verdwenen met de het dichter worden van het bladerdak en wanneer eenmaal augustus aanbrak, kwamen er nieuwe kleuren tevoorschijn in de vorm van bramenstruiken, die het bos eerst rood kleurden, daarna donkerblauw, en een paar weken hierna gevolgd door zwart. Van die heerlijke, rijpe, zoete bramen die rechtstreeks vanaf de struiken in kindermondjes verdwenen.

Echter, zoals bij alles kwam ook hier een eind aan. Het was namelijk zo, dat de gemeente op het idee kwam om langs deze strook van het bos een zestal luxe woningen te bouwen. Dit zou ten koste gaan van een aantal bomen maar wat de stad er voor terugkreeg, was werkgelegenheid. Werkgelegenheid: sinds jaar en dag het mantra van politici als zij een project wilden doordrukken. Bijna als vanzelfsprekend werkte het ditmaal ook: ondanks de protesten van de bewoners, ondanks de officiële tegen geluiden van de groene partij van de stad, drukte men het plan door. De luxe panden werden gebouwd, waardoor eerst de rivier uitgegraven en verbreed moest worden. Niemand begreep wat het een met het ander had te maken, maar de gemeente verzekerde hen dat dit beter voor de afwatering zou zijn. 

Na een start van een kaal jaar waarin bouwrestanten, alsook bandensporen van de grote, volgeladen vrachtwagens en de verse stammen van de meedogenloos omgezaagde bomen opgestapeld in het gras aan de andere kant van de rivier rustten, groeide het groen voorzichtig terug. De greppels waren inmiddels verdwenen. De sleuven ervan werden gevuld met de restanten van de versnipperde takken. De zwijnen gingen weg, zochten hun heil verderop in het bos en kwamen niet meer terug, zelfs niet toen al het bouwwerk achter de rug was.

De werkgelegenheid die was beloofd, werd vervuld door arbeiders uit Duitsland. Zij waren bekend met dit soort huizenbouw en zouden beter werk afleveren dan de lokale bevolking.

En toen stonden er ineens zes luxe alleenstaande woningen op een rijtje langs het water. Vier ervan hadden het groen voor de deur betegeld zodat de respectievelijke bewoners daar hun autos konden parkeren. De twee overige huizen lieten het groen weelderig bloeien en woonden in een oase van vlinders en egels, met soms een vosje die op bezoek kwam. 

De woning die de rechercheurs bezochten, viel onder deze laatste noemer. 

Jamareon duwde het hoge hek open en liet Lianne voorgaan. Het pad naar de voordeur kronkelde om een grote hibiscusstruik heen waarvan de knoppen elk moment konden openbarsten.

‘Het ziet er niet slecht uit’, was zijn conclusie toen hij de drie verdiepingen en het ruime balkon van het huis had bekeken. ‘Hoeveel ben je nou kwijt voor zoiets?’

‘Een miljoentje of anderhalf, twee, denk ik.’

‘Hebben mensen dat werkelijk voor een huis over? Mij niet gezien; ik heb andere prioriteiten.’ 

Hij belde aan, draaide zich naar Lianne en vroeg: 

‘Wat moet je trouwens met z’n tweeën in zo’n gigantisch huis.’

‘Elkaar mislopen.’

De deur werd opengemaakt door een vrouw die Lianne vaag bekend voorkwam. Ze wist niet waarvan, maar het gezicht was haar niet vreemd.

‘Lianne Boorman’, zei ze, haar penning ophoudend. ‘We hebben telefonisch contact met elkaar gehad.’

‘Ah ja, natuurlijk. Kom binnen.’

Bij binnenkomst kwam ze meteen in het woongedeelte terecht, zoals dat vroeger in boerderijen gebeurde. En in werkmanshuisjes. En in yurts, nog steeds. Alles gaat uiteindelijk weer terug naar af. Er stond een haard verderop in een muur gemetseld met een bank ervoor, afgescheiden van elkaar door een lage tafel waarop boeken lagen. 

Vita liep vanuit de kamer naar de open keuken en vroeg of zij koffie wilden.

‘Nee, dank u. Ik heb al genoeg gehad’, zei Lianne.

‘Graag een zwarte espresso.’ 

Jamareon was benieuwd naar de kwaliteit van de koffie in dit huis. De gastvrouw rommelde in een kastje en een moment later rochelde een koffieapparaat luid. Dit maakte elke vorm van conversatie onmogelijk. 

Lianne keek rond. Meer was er niet te doen. Het viel haar meteen op dat er nergens een lijstje met een foto was, zelfs niet een foto losstaand en kromgetrokken tegen een boek aan waarop een leuk moment was vastgelegd in het gedeelde leven dat de twee vrouwen met elkaar hadden doorgebracht. 

Een plek op de bank waar Vita zonder twijfel veel tijd doorbracht, was bezaaid met twee iPads, een laptop, een telefoon, een aantal afstandsbedieningen, en een haastig opzij geschoven wollen plaid. De weggefrommelde zak onder de tafel met de halve croissant erin, gaf aan dat Vita hen niet zo vroeg had verwacht. 

Een deel van het behang naast de boekenkast was weggekrast wat een teken was dat er minimaal éen kat in dit huis had rond gelopen of misschien nog rondliep.

Vita zette de koffie voor Jamareon op tafel en nam haar eigen mok mee naar de vrije zitting op de bank met de plaid ernaast.

‘Allereerst gecondoleerd met het verlies van uw partner’, begon Lianne. 

De vrouw des huizes knikte een dank je en nam een slok van haar koffie. 

‘Het is altijd lastig een partner te verliezen, zeker als dit op een relatief jonge leeftijd gebeurt.’

‘Ja. Inderdaad.’ 

Ze nam nog een slokje.

‘Was het onverwacht?’ 

Lianne probeerde haar aan de praat te krijgen. Ze scheen meer belang bij haar koffie te hebben dan te willen weten waarom zij en Jamareon hier waren.

‘Nee. Of toch wel.’ 

De beide rechercheurs tegenover haar keken haar afwachtend aan. En zwijgend, dat vooral, waardoor Vita zich gedwongen voelde iets te moeten doen, te moeten zeggen, de gastvrouw uithangen. 

‘Floor werkte hard en sliep weinig, dus dat moest haar een keer gaan opbreken’, begon ze. ‘Toen ze wat ziekelijk werd, stelde ik voor om er een paar weken erop uit te gaan, ergens naartoe waar ze volledig tot rust kon komen. We kozen voor Mexico. Acapulco, lekker aan zee. Hopelijk zou Floor zich daar weer leren ontspannen. Het werkte goed: blauwe lucht, zon, zee, veel zwemmen en waterskiën. Uhm... ja.’

Ze ging naar de keuken om haar lege beker om te wassen, overwoog om nog een koffie te nemen en vervolgde:

‘Sorry, het is nog altijd een beetje moeilijk om over te praten.’

‘Neem gerust de tijd’, zei Jamareon, haar stress weg sussend.

‘Het gaat wel’, zei ze, terug op de bank zittend, een been onder zich trekkend. ‘We waren geen van beiden goed in waterskiën. Daar in Mexico was het de eerste keer dat we het deden. Het was inspannend maar ook ontspannend. Begrijp je dat? Na een week of twee trok ik er alleen op uit. Floor voelde zich nog moe van de dagen ervoor en bleef in de hangmat liggen, op de veranda. Zelf ging ik waterskiën. Het weer was lekker en er waren niet veel toeristen. Het was in de winter, onze winter bedoel ik, maar rustiger dan normaal, zeiden ze daar allemaal. Aan het eind van de middag ging ik terug naar het huis. Floor lag nog in de hangmat, een boek opengeslagen op haar buik. Ik dacht dat ze net in slaap was gevallen dus liet haar met rust. Ik had een gescheurde nagel. Waar vandaan? Ergens blijven hangen, je weet hoe dat gaat. Eerst dat verzorgd en daarna op de veranda bij Floor gaan zitten. Ik ging me toch zorgen maken omdat ze zo’n zelfde houding had als ervoor, voordat ik aan m’n nagel begon bedoel ik. Ik schudde aan haar schouder maar kreeg haar niet wakker en ben toen naar de buurvrouw gegaan. Zij is arts, een Mexicaanse. Ik vroeg haar of ze wilde kijken. Waarschijnlijk maakte ik me druk om niks en was mijn gescheurde nagel het ergste wat er die dag was gebeurd, maar toch. Zo’n knullig iets als een gescheurde nagel kan verrekte pijn doen, weet je.’

‘En Floor?’, vroeg Lianne.

‘Floor? Die was overleden.’

‘Oh?’

‘Ja... Hartstilstand in haar slaap, zei Celaya, die arts van naast ons. Ongelooflijk.’

‘Had Floor al eerder hartproblemen gehad?’

‘Nee, dat niet. Maar dat harde werken moet z’n sporen bij haar hebben achter gelaten. Ook dokter Bos, Herman Bos, onze huisarts, gaf haar bij haar jaarlijkse check-up te kennen dat ze het wat rustiger aan moest doen.’

‘Had ze ergens last van?’, probeerde Lianne nogmaals, haar eerdere vraag in een andere verpakking stoppend, ‘waardoor ze een jaarlijkse check-up had?’

‘Ze was zo gezond als wat. Het was meer om alles uit te sluiten. Misschien dat er een paar waardes verhoogd waren, dit keer.’

Ze trok de schouders op, schoof een boek die van een stapel afgleed met haar voet onder de tafel. Het was er eentje van Floor.

‘Wat is er verder met Floor gebeurd nadat je haar zo vond?’

‘Celaya zag dat ik van slag was, wat met Floor en die nagel van mij die maar bleef kloppen, en ze heeft alles op zich genomen: begrafenisondernemer bellen en weet ik veel wat er allemaal bij kwam kijken. Aan mij had je niks.’ 

Hoofdschuddend keek ze naar de handen in haar schoot, de vingers losjes ineen gestrengeld. 

‘Floor is daar gecremeerd. Ik heb haar as meegenomen naar Nederland. Dat gaf ook nog veel te doen bij de douane.’

Lianne ging hier niet verder op in.

‘Heel onfortuinlijk allemaal’, zei ze. ‘Een andere vraag: u heeft gehoord wat er met Cor van Velzen is gebeurd?’

‘Uh, ja, ik las het in de krant. Ik wist niet zeker of dat dezelfde Cor was van bij de lezing van het testament, maar ik begreep toen u mij belde dat dat wel zo was?’

‘Ja.’

‘Gek, hoor: iemand voor het eerst tegenkomen en een moment later horen dat hij is overleden. Vermoord nogalliefst. Raar, zeker de manier waarop.’

‘U kende hem niet voordat u hem bij de notaris tegenkwam?’

‘Nee. Floor heeft geen enkele foto vanuit het verleden gehouden, op een paar na van haarzelf met haar vader en moeder. Ik ken de namen alleen maar uit de schaarse verhalen die ze vertelde en dan had ze het altijd alleen maar over de dronkaard, de lellebel, het paradepaardje en de sukkel. Met die laatste bedoelde ze Cor.’

‘Vond u het vreemd dat ze met niemand van haar familie nog contact had?’

‘Nee. Nou, da’s niet helemaal waar. In het begin begreep ik het niet zo goed, maar toen Floor verhalen vanuit het verleden opdiepte en ik hoorde wat er achter zat, begon ik het wel te begrijpen. Of begon ik het meer te begrijpen, want ik heb nooit helemaal kunnen vatten waarom het zo, zo... hoe zal ik ’t noemen... zo zwaar bij haar woog. Ik bedoel, in elke familie is wel iets en daar stap je overheen. Toch? Floor kon dat niet.’ 

Ze keek naar de klok. 

‘Ik heb zometeen een kappersafspraak.’

‘Heeft u enig idee wie Cor heeft omgebracht?’

‘Nee, ik kende hem niet. Ik kan niet zeggen dat die of die mogelijk de dader is. Ik kende hem niet’, herhaalde ze.

‘Dank u voor uw tijd.’

Lianne schudde haar de hand en liep gezamenlijk met Jamareon het pad over terug naar de auto.

‘Dat was een droog en feitelijk verhaaltje’, merkte ze op.

‘Zekers. En zo emotieloos.’

‘Ik zal stellen nooit begrijpen.’

‘Lesbische stellen?’

‘Stellen. Punt. Zullen we eerst een broodje eten?’

‘Of dahl soep bij Bianca.’

‘Beter.’

*

14. Dahl soep 

 

Bianca, die van huis uit Bhavya heette, maakte volgens Jamareon het beste eten uit het land van haar, en daarmee ook zijn, voorouders. Haar dahl soep was verreweg de smakelijkste die hij buiten India had gegeten. Het was romig met juist genoeg kruiden om het pittig te maken zonder dat het heet werd. Gewoontegetrouw nam hij twee kommen soep. En ook gewoontegetrouw had hij halverwege de tweede kom spijt van zijn beslissing.

Hij schoof de kom met het restje soep van zich vandaan en trok de elastiekjes van het beschermlapje voor zijn baard los. Deze vouwde hij op en stak het in de achterzak van zijn broek.

Tijdens het eten praatten hij en Lianne zelden over werk. Dat was een onuitgesproken afspraak. Eenmaal met een warme chai tussen haar handen geklemd en de kommen van tafel, vroeg Lianne:

‘En?’

Hij wist precies waarop zij doelde en het was niet de soep.

‘Een leeghoofd. Haar gescheurde nagel was belangrijker dan haar overleden partner.’

‘Exact mijn conclusie.’

‘En geen Lavazza. Ik verwacht dat er in zo’n gigantisch huis een aardig bakkie koffie wordt gedronken. Volgens mij was het een huismerk van V&D.’

‘Bestaat die tent nog?’, vroeg Lianne, oprecht nieuwsgierig naar het antwoord.

‘Geen flauw idee. Maar kun je nagaan hoe oud die koffie was. Wat viel jou op?’

‘Nergens een foto te bekennen. Voor mensen die veel weg zijn en als opkikkertje tussendoor een paar weken Mexico boeken, waar jij en ik het met een weekje Drenthe moeten doen, zou je een vakantiekiekje of twee verwachten.’

‘Dat doen ze tegenwoordig niet meer, hè. Alles staat op hun mobiel.’

‘Ook dat is waar’, gaf ze toe. ‘Maar dat is vooral de nieuwe generatie, kinderen die met een smartphone in de hand uit de baarmoeder zijn geperst. Floor en hoeheetze, Vita mogen dan wel jonger zijn dan ik, maar ze zijn minimaal van jouw leeftijd. En jouw generatie heeft nog altijd wel ergens een fotootje staan van een leuk moment in het leven.’

‘Of van de kinderen.’

‘In hun geval van de kat.’

‘Jou viel dat afgekrabde behang ook op?’, vroeg hij lachend.

Ze zette het glas terug op tafel, haar handen warm van het vasthouden. 

‘In elk geval zijn we niet veel verder’, zei ze. ‘Ook Vita was een bron van non-informatie.’ 

Nadenkend fronste ze de wenkbrauwen. 

‘Weet je wat mij nou verbaast, Jama? Een vrouw van achterin de veertig gaat met haar partner op vakantie, lummelt wat, zwemt en leert waterskiën, ligt in een hangmatje met een boek en overlijdt aan een hartstilstand. Iedereen neemt dat voor gewoon aan.’

‘Dit is volgens het verhaal van Vita Hartman’, herinnerde Jamareon haar eraan.

‘Volgens haar versie, ja. Voor zover ik het me kan herinneren, heeft Hartman het niet gehad over een predispositie bij Floor. Als die er was geweest, zou het niet door m’n hoofd blijven malen. De huisarts die ze noemde...’

‘Bos’, zei Jamareon na een blik op de notities in zijn telefoon. ‘Herman Bos.’

‘...Herman Bos... Mmh, ’ns zien wat hij ons wijzer kan maken.’

‘Over Floor?’

‘Ja. Het komt mij altijd een tikkeltje vreemd over als iemand in het buitenland sterft, daar gecremeerd wordt en in een Quality Street trommeltje terug naar het land van herkomst wordt vervoerd.’ 

Voordat Jamareon de kans kreeg om te reageren, vervolgde ze: 

‘Vooral als de liefhebbende partner dan nog eens aan de scharrel is met iemand anders. Zou dit thuis zijn gebeurd dan zou een Herman Bos zich ook deze vragen kunnen stellen en daar zit je natuurlijk als achterblijvende partner niet op te wachten.’

‘Jij denkt dat er een vies spelletje is gespeeld?’

‘Misschien niet vies, maar wel een beetje tegen het randje aan’, zei ze. ‘Laten we eens van de premisse uitgaan dat Floor helemaal niet is overleden…’

‘En gewoon hier in Nederland is om Cor om te brengen?’, vroeg hij en dacht over haar woorden na. ‘Dat is altijd een mogelijkheid. Aan de andere kant is het overlijden in Mexico door een gerenommeerd arts bevestigd. Ik heb die arts op duckduckgo gezocht: Celaya en Acapulco ingetoetst en bingo, ze kwam meteen tevoorschijn. Ze is werkelijk arts en eentje met een goede staat van dienst.’

‘Mmh, goed. Ik schuif deze theorie naar het achterpitje maar pas nadat jij contact met die Mexicaanse arts hebt opgenomen om het overlijden te verifiëren.’

Ondanks deze woorden bleef de premisse vooraan in haar hoofd hangen. Ze zou dit pas loslaten als alle vragen hieromtrent naar haar tevredenheid waren beantwoord. Die nadenkende blik tegenover hem, ging niet ongemerkt aan Jamareon voorbij.

‘Zullen we eerst Herman Bos opzoeken?’, stelde hij voor.

‘Nee. Eerst de bibliothecaresse.’ 

Lianne’s vingers speelden met het viltje van onder haar glas. 

‘Weet je, Jama: ik ken haar ergens van, maar kan het niet plaatsen waarvan.’

‘Die bibliothecaresse?’

‘Hartman.’

‘Ah. Misschien van een foto in de krant na het overlijden van haar partner’, probeerde hij.

‘Misschien…’, bevestigde ze zonder overtuiging. ‘Goed…’ ze liet het viltje voor wat het was ‘…ik kom er nog wel op waar ik haar van ken tijdens een bed, bad, bus moment.’

‘Ik zeg altijd bad, bed, bus.’

‘Volgens psychologen is het bed, bad, bus. Volgorde van slapen, douchen en naar het werk gaan. Dagelijkse terugkerende momenten waarover je niet hoeft na te denken.’

‘Ik weet het, maar bad, bed, bus is qua klinkers juist. En netter. Is er tijd voor nog een koffie?’

‘Je stouwt ze aardig weg vandaag.’

‘Ada had duizend en éen verhalen toen ze thuiskwam en ik heb er nu moeite mee om m’n ogen open te houden.’

‘Waarom ga je niet eerder naar huis?’, stelde ze voor. ‘Op deze manier heb ik toch niets aan je. Laten we eerlijk zijn: het is niet of we verschrikkelijke vorderingen in ons onderzoek maken.’

‘Als jij het niet bezwaarlijk vindt, ga ik thuis wat documenten nalezen.’

‘Wat een heerlijk eufemisme is dat.’

In stilte zaten ze bij elkaar, Jamareon denkend aan het moment waarop hij het bed in kon stappen om een uurtje te slapen, en Lianne die de afgelopen dagen door haar hoofd liet malen.

‘Weet je wat de pest is’, zei ze, langs hem heen turend naar de bar waarachter de Indiase chefs het eten klaarmaakten: ‘De enige met een reden om Cor om te brengen, blijft Floor, hoe we het ook draaien of keren.’

‘Ja, ja...’

‘Maar…?’, vroeg ze, de twijfel in zijn stem horend, waarop Jamareon zei:

‘Ik zat net over jouw premisse te peinzen en dacht meteen: waarom zou Floor, nadat ze zich al zo’n vijfentwintig jaar niet meer met Cor heeft bemoeid, hem nu ombrengen? Als ze dat al kon. Het feit dat ze gecremeerd is, daar moeten we vanuit gaan, zou roet in het eten kunnen strooien.’

Door deze onverwachte klinkslag, lachte Lianne luid. Ook Jamareon zelf had door wat hij had gezegd en grinnikte met haar mee.

‘Het wordt tijd dat je naar huis gaat, Jama’, adviseerde ze, hem op de hand tikkend. ‘Ik hou je op de hoogte als er iets spannends gebeurt.’ 

Hij schoof zijn stoel naar achteren en stond op. 

‘Wil je nu meteen weg?’, vroeg ze hem.

‘Ja, maar blijf zitten, ik ga wel lopen. Neem jij de auto maar. Ik zie je morgen weer.’

Hij legde de autosleutel op tafel, liep naar de kassa om te betalen en verdween. Lianne was alweer in gedachten, het glas met het laatste beetje chai terug tussen haar handen.

*

15. Mischa

 

De bibliotheek was nog steeds gevestigd aan de buitenrand van de binnenstad maar stukken kleiner dan Lianne het zich herinnerde. Ook de trap met de vier treden naar de deur leek minder hoog dan toen ze een kind was. Ze kon het zich niet voorstellen dat de gemeente alles had ingekrompen toen zij bezig was met volwassen worden, dus moest het een kwestie van perceptie zijn.

Ze keek naar de klok. Laura had er al moeten zijn. Met Jamareon thuis in bed, vond zij dit het juiste moment om Laura fysiek bij de zaak te betrekken. Maar dan was het wel de bedoeling dat zij op de afgesproken tijd bij de bibliotheek kwam. Het wachten op de jonge collega ergerde haar. 

De wind ritselde de boombladeren op het pleintje dooreen, het geluid van een zomerse regenbui creërend, druppels die werden meegenomen op het ritme van de wind. 

Ze keek nogmaals naar de tijd en besloot naar binnen te gaan. Laura zou ze later wel onder handen nemen. 

Op het moment dat dit door haar hoofd ging, hoorde ze snelle voetstappen achter zich. Laura kwam de bocht om rennen vanuit de straat waaraan het oude Chinese restaurant stond, en liep snel langs de bomen, wangen rood van de inspanning, op Lianne af.

‘Je bent laat’, merkte deze op.

‘De bus was uitgevallen dus ik moest op de volgende wachten’, zei ze, het zweet op de wangen met de rug van haar handen wegvegend.

‘De bus? Waarom heb je niet een auto genomen?’

‘Ik wist niet of dat zomaar kon.’

‘Als je zelf geen auto hebt, kun je het altijd aan de balie vragen’, zei ze en liep naar de trap. ‘Ben je al eerder bij een ondervraging geweest?’

‘Nee’, zei ze, haar chef naar boven volgend met twee treden tegelijk de trap op en botste tegen haar aan toen deze bovenaan stil bleef staan.

‘Het is een kwestie van luisteren, observeren, niet meteen reageren als iemand zichzelf tegenspreekt’, zei Lianne. ‘En het belangrijkste is: niet mij onderbreken wanneer ik met de ondervraging bezig ben. Daar maak je geen vrienden mee.’

Ze keek haar doordringend aan voordat ze naar binnen liep.

De bibliotheek was ooit eens twee verdiepingen groot geweest met romans in alle talen op de beneden verdieping. De wetenschappelijke werken, geschiedenis, kookboeken en sport, kon de lezer boven vinden. Nu besloeg de hele collectie ternauwernood éen vloer. Een groot deel hiervan was daarbij nog eens gereserveerd voor een leestafel waarop tijdschriften en kranten lagen. Rondom deze tafel stonden van die plastic stoeltjes waarin je niet al te comfortabel kon zitten. Als het niet om het feit was dat al het leeswerk op de bewuste tafel een recente datum had, kon een mens zich indenken in de wachtkamer van de huisarts te zitten.

Het grootste verschil met haar laatste bezoek aan de bieb, meer dan 40 jaar geleden, was dat je nu door een poortje moest waar je een pasje voor nodig had voordat je bij de boeken kwam. Die afscheiding liep over heel de verdieping met de balie er halverwege voor. De twee politievrouwen liepen daar op af.

‘Goedemiddag’, groette Lianne de man die naar een computerscherm staarde. 

Om zijn werk intensiever te laten lijken dan het was, hield hij zijn blik drie seconden langer op het scherm gericht voordat hij zijn onverdeelde aandacht aan haar gaf. Ze hield haar penning op en zei: 

‘Lianne Boorman, recherche. Wij zijn op zoek naar Mischa...’

‘Demmens’, vulde Laura.

‘...Demmens.’

‘Misch is niet hier.’

‘Ik hoorde dat zij er vandaag zou zijn.’

‘Klopt. Ik bedoel: ze heeft nu geen baliedienst.’

Voordat de man, zo'n klassieke kommaneuker die elke bibliotheek heeft, aan een verbale vertaalde versie van de Pickwick Papers begon, vroeg Lianne waar zij Mischa dan wel kon vinden.

‘Ze werkt op de vloer, waarschijnlijk tussen de srillers en detectives’, zei hij. ‘Dat zijn sinds jaar en dag de favoriete genres.’

‘Dan gaan wij haar daar bezoeken’, zei ze en wees naar het hekje terwijl zij erop af liep.

Hij begreep de hint en opende het via de computer. Dit was het spannendste wat hij deze dag zou doen. 

Tussen de rekken lopend, op zoek naar Mischa, wierp Lianne een blik op Laura.

‘“Srillers”?’, vroeg ze, een wenkbrauw optrekkend.

Mischa was een lange, slanke vrouw en zag er beter uit dan een vrouw van haar leeftijd zou mogen. Ze had kort blond-grijs haar en heldergrijze ogen die goed bij haar haar pasten. Ze keek van de boeken naar de twee vrouwen die bij haar bleven staan.

‘Kan ik u helpen?’, vroeg ze. 

Zonder een zweem van inspanning kwam ze uit haar hurkstand omhoog en keek van de een naar de ander.

‘Mischa...’

‘Demmens?’, vulde Laura nogmaals aan, nu in een vragende toon.

‘Ja?’

Lianne stelde zichzelf en Laura voor en zei:

‘Ik wil u een paar vragen stellen over Vita Hartman.’

‘Oh? Met betrekking tot wat?’

‘Met betrekking tot het overlijden van haar partner, de broer van haar partner, uw verhouding met haar. Dat soort dingen’, somde ze op.

Mischa knikte. Na wat ze van Vita had gehoord, wist ze dat dit moment eraan stond te komen. Politie deed altijd navraag tot in de derde graad van familie, vrienden en aanverwanten als er een moord had plaatsgevonden.

‘Vindt u het bezwaarlijk als we naar buiten gaan? Dan kan ik meteen een sigaretje opsteken.’

Zonder op antwoord te wachten, ging ze de twee voor en hield het poortje voor hen open. In het voorbijlopen gaf ze een wuifje en een geruststellende glimlach aan haar collega achter de balie. Met huppelpasjes liep ze de trap af en zocht een schone plaats bij haar vaste bankje op het plein. Uit de achterzak van haar broek trok ze een pakje sigaretten tevoorschijn en stak er eentje aan. Ze hield het pakje voor de andere twee op. Beiden schudden het hoofd. Lianne ging naast haar zitten. Laura nam plaats op de bank recht tegenover hen, in de schaduw van de boom. Ze vond een plekje waarop geen vogelpoep zat.

‘U weet van het overlijden van Floor Pluven en haar broer Cor van Velzen?’, begon Lianne.

‘Ja. Viet vertelde het mij. Zo waanzinnig wat er allemaal aan de hand is.’

‘Hoe bedoelt u met waanzinnig?’

‘Nou, eerst Floor kwijtraken op zo’n tragische manier en dan over de broer van Floor lezen... Soms is het leven heel vreemd.’

‘Weet u hoe Floor is overleden?’

‘Hartstilstand, vertelde Vita mij. En ze, Floor bedoel ik, was volgens mij nog geen vijftig. Volgens Viet kwam het door de inspanning van het waterskiën. Voor iemand zoals Floor die nooit aan sport deed, kan dit teveel geworden zijn.’

‘Uh-huh. En hoe was Vita hieronder?’

‘Awww, dat arme schaap was er kapot van. Logisch ook. Ze kenden elkaar, hoe lang? Een jaar of drie, vier, geloof ik, en dan ben je nog in het begin van een relatie. Niet zo pril meer, maar nog niet echt opgedroogd. Dan komt dat hard aan.’

‘Volgens Floor had Vita u om op terug te vallen’, merkte Lianne droogjes op. 

Anders dan ze verwachtte, schoot Mischa in de lach. Ze nam een trekje van haar sigaret en zei:

‘Floor schreef goede boeken -niet dat ik weet, want fictie is niet mijn genre, maar echte mensenkennis had ze niet.’

‘Vita en u hebben geen verhouding?’

‘Vita en ik zijn vriendin met elkaar, als u dat met verhouding bedoelt. Het klikte meteen tussen ons toen zij hier kwam werken. Zij had iemand nodig om mee te kletsen en op het werk hou ik van gezelschap. Zo gaan we met elkaar om.’

‘Meer is er niet?’

‘Niet van mijn kant.’

‘En van Vita’s kant?’

‘Mmh...’ 

Mischa’s ogen volgden de rook van haar sigaret. Er was weinig wind en de rook bleef lang om hen heen deinen, almaar ijler wordend alsof het ochtendmist betrof die over weilanden hing waarop de zon net kwam schijnen. 

‘Viet is nogal aanhankelijk’, begon ze uiteindelijk, ‘zoals een jonge kat die zich een weg naar boven klauwt via je broekspijpen. In het begin vermoedde ik dat ze nooit de aandacht van Floor kreeg die ze dacht nodig te hebben, dus was ik een luisterend oor voor haar. Pas later kreeg ik door dat het bij haar dieper zat dan bij mij. Onfortuinlijk voor beide partijen.’

‘Het was niet wederzijds.’

‘Ik heb m’n boeken’, zei Mischa, Lianne de volle aandacht gevend, ‘en meer hoeft het leven mij niet te bieden. Ik moet toegeven dat ik gecharmeerd was van Vita’s aandacht, maar meer nog toen ik hoorde dat zij met Floor samenwoonde. In de bibliotheekbranche hebben we alle publiciteit nodig die we kunnen krijgen om mensen binnen te hengelen, dus ik dacht dat als we Floor voor een voorleessessie kunnen aanhaken... Maar helaas is dat er nooit van gekomen.’

‘Vertelde Vita dat zij en Floor samenwoonden?’

‘Nee, nee. Soms had ze het over Floor, maar dat was voor mij niet meer dan een naam. Pas toen ik Floor een keer in de bieb zag, besefte ik wie Vita bedoelde. Ik heb dan wel niets van haar gelezen, maar wel over haar. Vandaar dat ik haar meteen herkende.’

‘Wat deed ze in de bibliotheek?’

‘Vita ophalen. Soms deed ze dat. Ik heb haar alleen die ene keer gesproken, de eerste keer dat zij er was. Ik vroeg voorzichtig hoe zij er tegenover stond om hier eens voor te komen lezen, en die blik die ze me gaf…’, zei ze en grinnikte hoofdschuddend. ‘Daarna leek het me wijzer om m’n mond dicht te houden.’

Ongemerkt schoof Lianne een stukje van haar vandaan. Sigarettenrook inademen begon haar te vervelen.

‘Hoe zou u de persoon Vita omschrijven?’

‘Leuk om te zien’, zei Mischa prompt. ‘Innerlijk een beetje labiel, te afhankelijk van anderen. Kan moeilijk keuzes maken. Soms doen we dingen samen, naar het theater gaan bijvoorbeeld en vantevoren eten we meestal wat. Maar voordat Vita heeft besteld... Aandoenlijk. Ach, ze is een goede meid. En we kunnen het verder prima vinden met elkaar.’

‘Heeft zij u verteld hoe Floor uw verhouding met haar partner in haar testament omschreef?’

‘Ja, maar dat is onzin. Als het woord platonisch niet bestond, had ik het kunnen uitvinden. Alleen zou het dan niet platonisch heten maar demmenisch.’

‘Dat heeft ook een mooie klank’, merkte Laura op.

‘Dank je’, zei Mischa, haar een scheef glimlachje toewerpend en drukte haar sigaret uit. 

‘Ik ga weer aan het werk. Vink gaat zo naar huis en ik moet de wacht van hem overnemen.’

‘Bedankt voor uw tijd.’ 

Ze stonden gezamenlijk op. 

‘Nog een vraag: waar was u dinsdagavond tussen negen en twee uur ’s nachts?’

‘Dinsdagavond? Jeetje…’, zei Mischa, nadenkend. ‘Ik had geen afspraken, dus zal wel thuis geweest zijn met een boek of wat hebben gekeken op Netflix. En ik was alleen dus heb niemand die dat kan bevestigen. Is dat de tijd waarop die man is omgebracht, die Cor van Velzen?’

‘Klopt’, bevestigde Lianne en stak haar hand uit. ‘Bedankt voor uw medewerking.’

‘Graag gedaan.’

Ze schudde Lianne’s hand, gaf Laura een zwaaitje en ging terug naar de bibliotheek.

*

16. Rutger 

 

Rutger lag op de grond van zijn studio tussen opgedroogde en uitgedroogde kwasten die als bosjes bloemen in voormalige Hak potten stonden. Van sommigen zag hij nog een stukje van het etiket en probeerde te raden wat erin had gezeten. Geen rode bieten in elk geval, dat wist hij zeker. Zijn ex hield niet van rode bieten. Of liever gezegd: ze hield er wel van maar at ze niet omdat ze de volgende dag dan rood zou poepen. Dat beangstigde haar omdat ze dan niet wist of ze baarmoederhalskanker had. Er zijn veel dingen waarom je je druk kon maken, vond Rutger, maar de ene dag bietjes eten en de dag erna rood poepen, zou voor elk weldenkend mens een logisch geval zijn van oorzaak en gevolg. Toegegeven: poepte je de rest van de week nog steeds rood dan waren dat niet de bietjes en was een bezoek aan de huisarts geen overbodige luxe.

Ook toen het tussen hen niet meer ging en het samenwonen stopte, wilde hij geen bieten eten. Dit deed hem altijd aan haar denken alsook aan de momenten dat ze bij de kachel stond in dat oude pand waarin ze woonden, waar het altijd koud was en de wc achter een deurtje met een hartje erin op het balkon stond. Zomers was dit geen probleem. De deur keek op niets uit en je kon het open houden als je niet-rood aan het poepen was. ’s Winters, echter, was een plasje midden in de nacht na een paar flessen wijn een gigantische opgave. Door de sneeuw heen baggeren over het balkon om dat deurtje met hartje open te rukken en door de aangekoekte sneeuw heen schuiven voor een dampende pies, was hem te veel. Meer dan eens had hij zijn piemel in de gootsteen gehangen om met een luide zucht van verlichting een lange pies kwijt te raken terwijl de kraan liep. Vanzelfsprekend ontkende hij de volgende dag dat hij van de gootsteen gebruik had gemaakt, alhoewel zijn ex een ranzige geur op het bijeengeraapte servies ontdekte.

Zodra zij bij de kachel stond, wist hij dat zij iets wichtig te vertellen had. Als het niet om bietjes ging, was meestal geld het onderwerp van de dag, danwel het gebrek eraan. Zij werkte deeltijd en studeerde ernaast. Hij was afgestudeerd van de kunstacademie en schilderde werken waarmee hij kon pronken in wat toen nog Oost Duitsland heette. Of bij hun buren in Polen en meer van dat soort landen waar de bevolking geen geld had voor kunst. Hij kreeg goede recensies, echter geen kopers. Iets verkopen en er geld voor ontvangen was toch wel essentieel voor het bestaan in een westers land.

Gewoontegetrouw als zij bij de kachel was, stak hij een rokertje op. Ze had de handen op de rug gevouwen. Op die manier kon zij dat kleine beetje warmte vangen en vasthouden in haar knuistjes. Hoewel het voorjaar was en het weer aangenaam warm voor de tijd van het jaar, was het in huis altijd koud. Alleen in de zomer waren er twee weekjes die aangenaam waren. 

Er lag zeil op de vloer, meer konden ze zich niet veroorloven, en rolgordijnen die zij zelf had gemaakt, hingen voor de ramen. Maar er was niets dat werkelijk de kou buiten hield en de nauwelijks bestaande warmte binnen vasthield. In een straal van vijftig centimeter rondom de kachel was het, echter, een kleine beetje uit te houden.

Met het sjekkie in zijn hand keek hij in het pakje. Nog een beetje kruim onderin en dat was het, niet eens meer genoeg om er straks nog eentje te draaien. Hij moest Floor maar weer eens mailen en een tekening die hij had gemaakt bij haar voor de deur zetten. 

Floor was de enige van de familie die wat in zijn kunst zag. Ze bezocht al zijn exposities en eens was ze met een vriendin van haar bij een expositie geweest in een oude van dagen tehuis, zoals je ze toen nog mocht noemen. De vriendin was net zoals Floor erg onder de indruk van zijn werk. Maar ook zij was geen koper.

Toen het klaagzang vanaf de kachel stopte, kwam hij erachter dat de relatie die hij bij het draaien van het sjekkie nog had, over was bij het uitdrukken van datzelfde sjekkie. Hij wist niet wat hij moest zeggen en bleef op de rand van de bank zitten terwijl zij een tas pakte en lukraak haar kleding erin propte. Dit alles duurde niet langer dan vijf minuten. Ze legde de sleutel op tafel, zei gedag alsof ze naar haar werk ging, en vertrok. 

Een uur later kwam hij bij uit zijn zittende black-out, stond op en belde Karel, zijn beste maat. Het is goed een beste maat te hebben. Karel en hij maakten een paar flessen rode wijn soldaat en hij kon gratis roken. Toen beiden nog niet helemaal dronken waren, vroeg Karel hem of hij het erg vond als hij een poging deed om zijn inmiddels ex-vriendin te kunnen veroveren. Hij was al jaren gek op die vrouw maar had het fatsoen om zijn beste vriend geen loer te draaien. Rutger trok de schouders op: ze was niet meer zijn vriendin. Na een paar laatste troostende woorden en zijn pakje shag achterlatend, vertrok Karel naar de vrouw die hij tot dan toe alleen maar met zijn blik had kunnen liefhebben.

Liggend op de grond, tussen die potten Hak met de droge kwasten erin, dacht Rutger terug aan dat moment. Het was inmiddels pakweg twintig jaar geleden dat hij zowel zijn ex als Karel voor het laatst had gezien. Die twee waren alweer twintig jaar met elkaar getrouwd. Karel had geld. Het zal zijn ex niet om het geld zijn geweest, maar ze was ook niet vies van een beetje meer luxe dan zeil en zelfgefabriceerde rolgordijnen. Daarbij had Karel’s woning centrale verwarming.

Karel mocht dan wel een baan en geld hebben, maar had hij ook de kracht om een doek goed vol te kunnen schilderen? Ze hadden samen op de academie gezeten, maar waar Karel aan het einde van de opleiding voor het bedrijfsleven koos, was Rutger het kunstenaarschap trouw gebleven. Hij kon niets anders, wilde niets anders. Geen geld, geen zorgen, was een goede kreet wat hem betrof. Geen geld en ook geen wijn, geen eten, geen rokertjes, was de andere kant ervan, tevens het stukje dat hij minder aangenaam vond. En sinds jaar en dag was er geen Floor meer die hem van geld en sigaretten voorzag. Eerst omdat zij door een akkefietje van zijn kant ineens niets meer met hem te maken wilde hebben, en nu omdat ze er gewoonweg helemaal niet meer was. Verdwenen. Kaput. Overleden in Mexico.  

Hij moest toegeven dat hij haar miste. Ze was er altijd voor hem geweest. Ook als hij haar enkele maanden niet had geschreven en in een opwelling haar plots een ansicht toestuurde voor eten, geld, wijn, stond ze voor hem klaar. Altijd. Dat was dan ook de reden dat het hem bevreemdde dat zij “nee” zei toen hij haar om wat geld vroeg. Dat was hij niet gewend. Zolang het om kleine bedragen ging, kon altijd op haar rekenen. Toen zij dit die laatste keer weigerde, sloeg hij door en maakte haar voor alles uit wat lelijk was. Via email ging dit een stuk makkelijker dan per brief. 

Achteraf voelde hij spijt vanwege de mail, maar niet teveel. Het was ook deels haar eigen schuld; had ze maar geen nee moeten zeggen. 

Toch miste hij haar, miste haar mening over zijn werkstukken, miste haar commentaar over zijn werk op exposities. Ze zei nooit veel, maar was er gewoon. Dat zag hij in de bezoekersboeken waarin zij altijd een krabbeltje zette.

Toen zij later bekendheid kreeg vanwege haar schrijfwerk, dacht hij er nog wel eens aan een email te sturen. Hij kon het zich niet herinneren of hij dit ooit had gedaan. Misschien in een dronken bui, geen idee. Hij deed wel meer dingen als hij dronken was waaraan anderen hem achteraf herinnerden. Dus misschien had hij een mail gestuurd, misschien ook niet. Ze had in elk geval zijn al dan niet gestuurde bericht nooit beantwoord.

Hij keek op toen de bel ging. Niemand bezocht hem ooit als hij in zijn atelier was. Hij hield niet van bezoek tijdens het werk. Niet dat hij de laatste jaren veel werkte, maar toch. Hij keek naar de klok. Tien voor zes. Dat ding stond al sinds 1998 op tien voor zes. Het was donker. Het buitenlicht was een week geleden kapot gegaan en hij was er nog niet aan toegekomen deze te vervangen. Trouwens, het was een huurflat: laat de verhuurder het maar vervangen.

Stommelend, de ledematen stram door het lange liggen op de vloer, liep hij naar de voordeur. Hij haalde het van het slot af en opende de deur met een zwaai. In het allerlaatste sliertje schemerlicht dat achter zijn bezoeker scheen, kon hij niet zien wie het was. Wat hij wel zag, was een rode stip die op zijn shirt verscheen. Een fractie van een seconde later voelde hij een scheut pijn zijn lichaam doorklieven en viel achterover in de gang, terug op de koude vloer. Zijn wankele ledematen zouden hem nooit meer kunnen dragen.

*

17. Laura 

 

‘Weer opgeknapt?’, vroeg Lianne, meelopend met Jamareon.

‘Het was precies wat ik nodig had. Bedankt dat je me naar huis hebt gestuurd.’

‘Had ik dat niet gedaan en je had thuis moeilijkheden gekregen met Ada, was ze misschien weer naar me toegekomen.’

‘Het was dus uit eigenbelang dat je me wegstuurde’, constateerde hij lachend.

‘Meer eigenbehoud, Jama: eigenbehoud.’

‘Koffie?’

‘Eerst koffie en dan conclaaf’, zei ze tegen hem.

Ze nam de beker koffie aan en hield de deur voor hem open. Met twee bekers koffie in de hand vertrok hij naar zijn bureau. 

Lianne hing haar jas over de rugleuning van haar stoel, groette Paula en ging zitten, voorzichtig de warme koffie nippend totdat de computer tot leven kwam. Ze opende de klep van haar laptop.

‘Ben je die nieuwe al aan het lezen?’, vroeg Paula, langs de afscheiding heen kijkend.

‘Wat? Oh ja, inderdaad.’

‘Leest lekker weg, hè?’

‘Zekers. Zeker wel.’

‘Ze was best goed. Wat dat betreft zal ik haar missen, mevrouw Floor Pluven.’

‘Mmh mmh’, antwoordde Lianne afwezig, naar beide beeldschermen turend. 

Paula trok het hoofd terug en liet haar verder met rust.

Anders dan Kalder’s inschatting, maakten ze vorderingen in deze zaak. Mensen waren ondervraagd, het onderzoek naar het moordwapen was in volle gang, theorieën werden er op los geopperd en zoetjesaan begon er lijn te komen in hun bevindingen. Louter de broers Rutger en Ruurd van Velzen moesten nog ondervraagd worden om het plaatje van de familie Van Velzen compleet te hebben.

Ruurd woonde buiten de stad. Hierdoor werd Rutger de logische volgende van het rijtje, de kunstenaar van de familie. 

Lianne had niets met kunstenaars, vond de meesten van hen neurotische types die niets nieuws aan kunst toevoegden maar de kneep hadden hun eigen rotzooi aan de man te brengen alsof deze prestatie een unicum was. Ook Rutger viel onder die groep: nooit een slag gewerkt, leefde vanaf het jaar nul van een uitkering en moest zichzelf vast zo’n miskend talent voelen, hoewel hij inmiddels in de vijftig was. Er was niets bijzonders in zijn bio te vinden. Kunstacademie doorlopen, een professionele uitkeringtrekker, hier en daar aan een expositie meegedaan, en had nog ergens een dochter rondlopen die hij met een ex had gekweekt. 

‘Goedemorgen’, groette Laura haar. ‘Ik heb alles van jouw lijstje opgezocht en via de mail naar je doorgestuurd. Als je het op papier wilt hebben, kan ik het uitdraaien.’

Ze vermoedde dat de oudere generatie in de regel de papieren versie prefereerde boven de digitale versie.

‘Nee, ’t is goed zo’, antwoordde Lianne tegen haar verwachting in. ‘We gaan in conclaaf over de bevindingen die we tot nu toe hebben. Als je alle informatie ook naar Jama wilt mailen dan hebben we het er straks over. Ik neem het eerst door’, zei ze, en keek op naar Jama die op hen af kwam lopen. ‘We bespreken het later’, zei ze ook tegen hem.

‘Komt goed uit. Ik ben toch nog aan de koffie.’

‘Laura en ik gaan eerst bij Rutger op bezoek.’

‘Ik zie jullie strak wel’, zei hij, terug naar zijn bureau en de tweede bak koffie lopend.

‘Je weet wie Rutger is?’, vroeg Lianne.

‘De éen na jongste broer van de familie Van Velzen’, zei Laura. 

Ze was verrast dat zij mee ging in plaats van Lianne’s vaste partner en liep achter haar chef aan naar buiten.

‘Is er nog iets waar ik op moet letten?’, vroeg ze, de gordel vastmakend. ‘Of iets dat ik moet onthouden?’

‘Bietjes en spinazie.’

‘Sorry?’

‘Bietjes en spinazie’, herhaalde Lianne, de auto startend, en van het parkeerterrein afrijdend. ‘Dat zijn de boodschappen die ik moet halen. Of denk je dat ik groente-Tourettes heb? Onthou ze goed zodat ik het niet vergeet.’

‘Bietjes en spinazie’, herhaalde Laura.

Ze draaiden de ringweg op. Dit was een omweg om bij het huis van Rutger te komen, maar op deze manier liepen ze de duizenden stoplichten mis waarmee de binnenstad bezaaid was. Een bonus was dat zij daardoor ook de vele eenrichting straatjes en remhobbels ontliepen.

‘Waarom ben je bij de politie gekomen?’, vroeg ze, rustig laverend tussen het overige verkeer.

‘Het zit in de familie. En het leek me ook leuk om dit te doen.’

‘Leuk?’ 

Er kwam een glimlach op Lianne’s gezicht door dit ene woord. Dertig jaar geleden had zij deze baan ook als “leuk” bestempeld en het bleek dat het alles behalve leuk was. Het was hard werken, rare uren draaien en met veel agressie te maken krijgen. Gaandeweg lukte het haar om hieraan te wennen, hoewel wennen misschien niet de juiste uitdrukking was. Accepteren klonk beter: het lukte haar te accepteren dat iedereen met wie ze sprak alleen maar halve waarheden uitbraakte. Het tuig van de richel bracht zelfs nooit een waar woord uit. En daar kwam nog bij dat er aan verbale alsook lichamelijk agressie heel makkelijk gehoor werd gegeven als men met vrouwelijke agenten te maken kreeg. Ze was geslagen, bespuugd, éen keer zelfs beschoten, en had messen ontweken, helaas niet altijd even succesvol. Leuk was bij lange na niet de omschrijving van dit vak.

‘Het zit in de familie zei je? Wie werkt er nog meer bij de politie?’, vroeg ze.

‘Een broer van me, maar die zit in Rotterdam. En m’n vader. M’n broer zit bij het OM. Hij heeft het daar enorm naar zijn zin.’

‘Het is een drukke omgeving, Rotterdam. De Rijnmond. Altijd wel iets te doen daar.’

‘Dat zegt hij ook. Hij houdt daar wel van.’

‘Jouw vader werkt daar ook?’

‘Uhm, die werkt hier’, antwoordde Laura tamelijk vaag, en kuchte.

‘Oh? Bij ons bedoel je? En waar zit ie dan?’

‘Op eh uhm bij ons op de afdeling.’

‘Nou ja, zeg. Dat is toevallig.’ 

Haar gedachten gingen razendsnel door het hoofd. Ze kende de meeste collegae maar kon zich niemand voor de geest halen die een dochter van Laura’s leeftijd had. Dat soort dingen gingen namelijk nooit ongemerkt voorbij. 

‘Waar zit jouw vader dan?’, vroeg ze uiteindelijk, het denken opgevend.

‘In zijn kantoor op onze afdeling’, zei Laura. ‘Hij is degene die altijd “Boorman” roept als hij jou wil spreken.’

‘Jouw vader is onze chef?’

‘Dat is tie.’

‘Kalder?’, vroeg ze om er zeker van te zijn.

‘Chef Kalder. Klopt.’

‘Oh. Ai. Ik ben niet altijd even fijngebekt over hem geweest’, grinnikte Lianne over haar eigen eufemisme.

‘Dat weet ik’, zei Laura met een scheef glimlachje. ‘Het is maar goed dat je mij niet hoort over hem. Als vader zijnde, is hij een beste vent. Als baas zijnde, is hij een lul. Sorry dat ik ‘m zo noem.’

‘Ah, meid, ik heb ergere woorden gebruikt.’

‘Ik moet toegeven dat een pluspunt van mijn vader is, dat hij zijn privéleven en werkleven goed weet te scheiden. Want als mensen denken dat hij mij voortrekt: vergeet dat maar. Ik heb er heel lang over gedaan om bij de recherche te kunnen komen en toen ik wist dat hij het hoofd zou worden, dacht ik dat ik het voor elkaar had. Maar nee. Als zijn voorganger mij niet op het laatste moment had binnen gehaald, had mijn pa mij nooit toegelaten. Dat heeft hij persoonlijk tegen mij gezegd. Hij vindt dat ik te weinig ervaring heb.’

‘Als je niet met ons meeloopt, krijg je natuurlijk nooit ervaring.’

‘Dat zijn de precieze woorden die ik tegen zijn redenatie in bracht. Ik heb alle opleidingen met vlag en wimpel doorlopen. Als vader zijnde is hij daar beretrots op. Als chef… Laat ik het zo zeggen: hij houdt er als chef een andere mening op na.’

‘Vandaar dat hij jou aan mij heeft gekoppeld’, merkte Lianne op. ‘Ik schijn nogal een reputatie te hebben dus Kalder zal gedacht hebben: ik zet m’n dochter bij dat takkewijf dan geeft ze binnen de kortste keren wel de brui aan de recherche.’

Laura lachte om haar opmerking.

‘Overigens hoor ik dat wel vaker’, vervolgde Lianne. ‘Niet dat ik een takkewijf ben, ja, dat ook, maar ik bedoel over vrouwen bij de recherche. Gelijkheid is in ons vak een lachertje. Het is op sommige plekken nog steeds een mannenkliekje, jongens onder elkaar, pikkies vergelijken en wie de grootste heeft, die volgen we.’ 

‘Ze denken allemaal dat ze een gouden pik hebben.’

‘Vandaar dat de goudprijs zo aan het dalen is’, zei Lianne grinnikend. ‘En toch gaat het de laatste jaren iets beter met inclusiviteit, hoewel het nog steeds niet om over naar huis te schrijven is. Ik weet dat ik door veel mannelijke collegae als takkewijf wordt omschreven, maar daar maal ik niet om. Bij mannen is voor jezelf opkomen een voordeel, iemand die mondig is, die ballen heeft. Vrouwen worden voor datzelfde gedrag een kenau genoemd. En ergere dingen, maar die ga ik niet delen. Te denigrerend voor woorden. Volgens mij zijn we er bijna.’ 

Ze keek van de naambordjes naar de wegaanduiding op het schermpje voor haar. De tomtom gaf wel vaker vreemde eindpunten aan waardoor ze naar achtertuinen van huizen werd geleid, of in steegjes terecht kwam waarin ze de auto niet kon keren.

Ze vond het juiste adres en parkeerde de auto half op de stoep, half op straat. Laura belde aan. Toen ook na de tweede keer bellen niet werd opengedaan, keek Lianne door de brievenbus naar de borstelige snor aan de andere kant ervan waarin een envelop hing. Ze stapte de tuin in en tuurde door het raam naar binnen. 

Laura liep terug naar de straat en liet haar blik van het ene bovenraam naar de andere gaan. 

De deur van het huis ernaast opende zich. Een man op slippers, een rollende vuilnisbak achter zich aan slepend, kwam naar buiten.

‘Ze bennen er niet, hoor’, riep hij hen toe, de groene bak aan de rand van de stoep zettend en de handen tegen elkaar schoon vegend. 

‘Al een paar dagen niet’, vervolgde hij toen hij weer ter hoogte van hen was. ‘Hij zal wel in z’n tekenkamer zitten.’

‘Is dat op het adres aan de Vinkenstraat?’, vroeg Lianne voor alle zekerheid.

‘Het moet daar ergens in de buurt zijn’, bevestigde hij knikkend. ‘Die flats daar die ze na de oorlog uit de grond gestampt hebben.’

‘Bedankt.’

Terug bij de auto schopte ze een paar keer haar schoenen tegen elkaar om het klei eronder weg te krijgen en stapte in.

‘Naar de Vinkenstraat’, zei ze.

*

18. De Vinkenstraat 

 

De naam Vinkenstraat klonk hoopvoller dan de straat in werkelijkheid was. Zo'n naam beloofde kwetterende vogels en bomen met zware takken waaraan grote bladeren hingen. Vlinderstruiken met fladderende witjes, dagpauwoogjes, citroenvlindertjes. Zoals de buurman van Rutger had laten doorschemeren, bestond deze straat uit tienhoogflats die als luciferdoosjes naast elkaar stonden met het geijkte stukje zielloze groen er tussenin. De flats waren in de jaren ’50 in elkaar gestampt om de plotse bevolkingsgroei tegemoet te komen. In de zeventig tussenliggende jaren was er weinig gedaan om zowel de flats als de omgeving op te vrolijken. Éen keertje, pakweg dertig jaar na de bouw, kregen de bewoners de kans om te kiezen welke kleur zij wilden voor de sponningen van de ramen: donkergroen, donkerbruin of beige. Donkerbruin kreeg de voorkeur, maar niet omdat de bewoners dat wilden. De gemeente mocht dan wel beweren dat deze kleur als voorkeur uit de bus was gekomen, maar liet zich niet uit over de hoeveelheid bewoners die hiervoor hadden gekozen. Ook lieten ze het feit achterwege dat zij nog een half pakhuis aan blikken met donkerbruine smurrie hadden staan vanwege een misrekening van een ambtenaar.

In de hal zochten ze naar het huisnummer van Rutger. Zoeken op naam was onbegonnen werk: vrijwel alle postbakken waren zonder een naambordje. Lianne belde op het juiste nummer en wachtte. De gaatjes van waarachter een stem verwacht kon worden, bleef stil. Ze belde nogmaals en keek om zich heen. Boven bij een raam in de hoek hing een spiegel die normaliter gebruikt werd bij drukke straten met veel zijwegen. Wat dit in de hal van een flat deed, was voor haar een raadsel.

Een werkman met een emmertje donkerbruine verf en een trapje van drie treden, opende de tussendeur die naar de flats leidde. Laura pakte het handvat en hield de deur voor hem open. Toen hij eenmaal gepasseerd was, gingen zij en Lianne naar binnen. Ze namen de lift die hen met de snelheid van een sportieve scootmobiel naar de juiste verdieping bracht. Rutger’s huis was de laatste op de galerij. Ze waren er bijna toen een vrouw van flink gevorderde leeftijd vanuit haar huis de galerij op liep.

‘Bent u van de politie?’, vroeg ze en zei verongelijkt na Laura’s bevestigende knik: ‘Het wordt wel eens tijd dat jullie komen. Weet je hoe vaak ik gebeld heb?’

‘Wij komen voor uw buurman’, zei Lianne tegen haar.

‘Daar heb ik ook voor gebeld. Het is warm geweest en hier met dat platte dak komt al die warmte naar beneden.’

‘Op de vierde?’, vroeg Laura zich hardop af, wetende dat er nog zes verdiepingen boven haar waren.

De vrouw negeerde haar.

‘En die knaap hiernaast heeft vis ofzo in de keuken, want de geur komt bij mij naar binnen.’

‘We zullen onze collegae er naar laten kijken’, beloofde Lianne.

‘Wanneer? Ik bel al drie dagen over deze stank.’

Laura was doorgelopen en moest toegeven dat de buurvrouw gelijk had: het rook vreselijk onaangenaam naarmate ze dichter bij de deur van Rutger kwam.

‘Chef?’, riep ze naar Lianne, haar wenkend.

‘Oef, wat een lucht’, was het eerste dat deze opmerkte, en bleef staan. 

Het vervelende was, dat voor iemand die het eerder had geroken, dit een onmiskenbare geur was. 

‘Kun je door de brievenbus naar binnen kijken?’, vroeg ze.

Met een hand over haar neus gevouwen, opende Laura de brievenbus. Tussen de borstelharen door zag zij iets dat op een liggend figuur leek, plat op de grond waar normaliter de tijdschriften die door de bus geduwd werden naartoe tuimelden.

‘Chef... Dit ziet er niet goed uit.’

Lianne keek zelf eveneens en draaide zich om terug naar de buurvrouw te gaan. Deze stond pal achter haar en ze liep haar bijna omver.

‘Wat is...’, begon de oudere vrouw.

‘Heeft u misschien een sleutel van het huis?’, vroeg ze. 

‘Nee, maar er ligt een reserve onder de mat.’

Lianne tilde mat op. In de hoek, onder een hoop stof en naast de onder klei bedolven voetenveeg, lag een sleutel. 

‘Neem haar mee naar binnen en bel Harry.’

‘Harry?’

‘De lijkschouwer. Hij weet wat er moet gebeuren.’

‘Gaat u mee, mevrouw?’, zei Laura, een arm om de schouders van de buuf vouwend. ’Een lekker bakkie thee drinken. Daar ben ik wel aan toe.’

‘Ik heb darjeeling’, zei de vrouw. ‘Lus jij dat?’

Lianne trok haar jas uit, sloeg deze losjes om haar schouders en bond de mouwen vast over haar neus heen. Pas toen opende ze de deur.

Rutger, of het persoon van wie ze dacht dat het Rutger moest zijn, lag morsdood op de grond, een pijl stekend vanuit zijn maagstreek. Behalve de pijl gonsden er een paar honderd vliegen die hem als hun favoriete stek zagen. In de afgelopen dagen hadden zij zich tegoed gedaan aan het verse voer van deze voedselbank. Ook maden vermaakten zich aan de rand van de wond, die een stuk groter was geworden door hun gevreet eraan.

Voorzichtig liep ze langs hem heen, keek de keuken in en ging door naar het woongedeelte, dat door Rutger als atelier werd gebruikt. Er hingen tekeningen aan de muur, canvassen tien diep op de grond tegen de wanden, een tafeltje met een mok erop waarin eens koffie had gezeten, een paar lege wijnflessen kris-kras verspreid over de vloer en een boterhambordje die door de vliegen was leeggevreten, gezien de hoeveelheid poeprestjes die erop plakten.

Ze zocht naar zijn telefoon, naar iets over de periode vanaf het bezoek aan de notaris tot en met nu, naar een laptop of naar welke informatie ze ook maar kon vinden. Floor’s adreskaartje met “Niks 2” had hij tegen het raam aangeplakt en hoewel de zon er lang op had geschenen, was het duidelijk leesbaar. 

Ze begreep ineens wat de 2 inhield: Cor was 1, Rutger 2. Als deze volgorde werd aangehouden, zou Annebel de volgende zijn, waarna de jongste broer aan de beurt was.

Aan het geluid bij de voordeur te horen, was er versterking aangekomen. Ze liep terug, langs het lijk en de vliegen, en bereikte de deur op het moment dat Harry het open duwde.

‘We kunnen elkaar niet zo blijven ontmoeten’, merkte hij tegen haar op.

‘Ik prefereer ook een andere plek.’

Langs haar heen observeerde hij de situatie.

‘Misschien eerst het familiefeestje van de Muscidae naar huis sturen voordat we hier verder gaan. De knaap is dood?’

‘Morsdood.’

‘Heb je binnen iets gevonden?’

‘Een hoop puinhoop maar geen aanwijzingen. Vraag jouw stormtroepen de slaapkamer overhoop te halen om iets digitaals te vinden waarmee ik wat kan.’

‘Duidelijk. Dan eerst de dames en heren van de Muscidae opruimdienst erbij roepen waarna we aan de slag kunnen gaan.’

Op de galerij trok Lianne de mouwen van voor haar gezicht vandaan en nam een paar happen frisse lucht. Het was op dit soort momenten dat ze aan het advies van haar moeder dacht: typediploma halen en op een verzekeringskantoor werken. Er was heel wat te zeggen voor een zittend beroep in een kantoorruimte met niets om je druk over te maken behalve de luchtjes van je collegae.

*