Lange schaduwen in het gele gras

“Lange schaduwen in het gele gras” is een roman uit 2025. Iedereen neemt iets uit het verleden mee, zelfs degenen die beweren dat zij in het heden leven, niet in de toekomst, en niet terugkijken naar het verleden. Daarbij slaat men voor het gemak over, dat het verleden van jou de mens heeft gemaakt die je in het heden bent en die jij meeneemt naar de toekomst. 

Het verleden blijft als een schaduw aan jou plakken, hoe hoog je ook springt, hoe je ook door de nacht sluipt: de schaduw die met het passeren van jaren groeit, is altijd bij je.

Lange schaduwen in het gele gras is onderhevig aan copyright. ©Y Janssens

Lange schaduwen in het gele gras

 

1. Floor

 

‘Dit is Floor.’ 

De notaris hield een bus omhoog waarin het as van Floor zat. Cor, Floor’s oudste broer, was niet geïnteresseerd in het laatste bezoek van zijn zus in asvorm. Hij had ook nooit interesse gehad of zij hem al dan niet in levende lijve bezocht, en zei:

‘Ze heeft er wel eens slechter uitgezien.’

‘Dankjewel.’ 

Vita’s stem droop van sarcasme. 

‘We hebben het over mijn overleden partner en ik zou het op prijs stellen als je daar rekening mee hield.’

Cor trok zijn schouders kort op en draaide zijn blik van haar vandaan. Zelfs nu zij overleden was, vond Floor het nodig hem een hak te zetten. Haar partner zag er beter uit dan zijn eigen vrouw ooit had gedaan. Veel beter zelf. Jammer dat ze damesvoetbal speelde, voor het andere team zogezegd. Hij snoof een lachje om zijn eigen gedachten.  

Vita nam hem met haar donkere blik op, keek daarna van de éen naar de ander. Dit was de eerste keer dat zij hen zag, Floor’s familie. Floor was al lang met haar broers en zus gebrouilleerd voordat zij elkaar hadden ontmoet. Ze kende de achterliggende reden van deze vete niet en was er ook niet werkelijk in geïnteresseerd. Floor’s schaarse vertelsels over hen gingen altijd gepaard met de sluitzin: 

“Je hoort het nu alleen van mijn kant. Ze zijn er niet om zich te verdedigen, hun kijk hierop te vertellen.” 

Echter, na de verhalen die zij in de loop der jaren had gehoord, was ze tot de conclusie gekomen dat dit niet een familie betrof met wie zij op verjaardagen zittend op de bank een glaasje wijn wilde delen. Deze opmerking van Cor verstevigde de gedachte in haar, dat Floor niet voor niets met hen was gebrouilleerd.

‘Je hebt mijn medeleven op meerdere manieren’, merkte Cor op, zonder haar richting uit te kijken.

‘Dames en heren’, kwam Ronald tussenbeide. 

Voordat de opmerkingen over en weer mogelijk in handgemeen werden omgezet, wilde hij zijn opdracht als notaris uitoefenen. Wat er daarna gebeurde, was geen zorg van hem. 

‘Dank jullie wel dat jullie allemaal gekomen zijn.’ 

Cor mompelde iets. 

‘Sorry?’, vroeg Ronald.

‘Ik zei dat het niet vrijwillig is dat ik hier ben.’

‘Je kunt altijd nog de ruimte verlaten.’ 

Hij vouwde zijn op elkaar gevouwen handen in de richting van de deur. 

‘Het is geen verplichting maar een uitnodiging.’

‘Een uitnodiging waarop stond dat we hier aanwezig moeten zijn om ongetwijfeld naar wat geleuter en heel veel verwijten te luisteren van onze lieve zus voordat ze ons een deel van haar erfenis geeft.’

‘Nogmaals, je kunt altijd de ruimte verlaten.’

‘En dan nergens recht op hebben?’ 

Grinnikend schudde Cor het hoofd. 

‘Die laatste pret zal ik m’n zogenaamde zus niet gunnen.’

‘Kunnen we verder gaan?’ 

Annebel, Floor’s enige zus en de op éen na oudste van de kinderen, keek Ronald aan. Hij was een man die goed in het pak zat en wat er onder dat pak zat, zou haar vast ook wel aanstaan. 

‘De honden moeten nog eten’, vulde ze als excuus voor haar onderbreking aan.

Naast Annebel en Cor waren Rutger, de kunstzinnige van de familie, en Ruurd er nog. Ze waren allen ouder dan Floor, de jongste van het spul en de enige die wat van haar leven scheen te hebben gemaakt. Vita mocht deze mensen niet van gezicht kennen, maar de levendige beschrijvingen die Floor haar had gegeven, waren ijzersterk geweest.

‘Ik kom ter zake.’ 

Ronald haalde een envelop tevoorschijn waaruit hij het testament trok dat Floor enkele maanden eerder had opgesteld, gedurende een periode in haar leven waarin zij ziek was. Voor iemand die in de regel niet meer dan af en toe een hoofdpijntje had, was ziek zijn een vreemd fenomeen. 

Floor’s goede vriend en tevens literair agent Wouter van Oudheusden had er bij haar op gehamerd dit testament te maken. Hij maakte zich niet druk om haar gezondheid, maar vond het wel zorgelijk worden, vooral omdat zij van het ene moment op het andere aan het kwakkelen sloeg. Hij was éen van de weinigen naar wie zij luisterde. Hij was de zorgzame broer die zij nooit had gehad, de man die het beste met haar voor had.

Ronald’s ogen gingen de mensen aan tafel langs waarna hij zei:

‘Het testament is valide en Floor was in goede geestelijke gezondheid toen het werd opgemaakt. Hiermee wil ik zeggen dat dit testament aanvechten een verloren zaak is. Vanwege de honden...’ hij kon een smalende glimlach niet onderdrukken ‘...zal ik meteen ter zake komen, zoals ik al zei...’

‘Drie minuten geleden’, bromde Cor net luid genoeg voor de anderen om dit te horen. 

De broers grinnikten, Annebel keek met een schuine blik naar het berichtje op haar telefoon die voor haar op tafel lag. Zonder zich uit het veld te laten slaan, vervolgde Ronald:

‘De woorden van Floor zullen ad verbatim opgelezen woorden.’ 

Hij kuchte een keertje en begon al lezende: 

“Als de tafel helemaal vol zit en Cor eindelijk gestopt is de pias uit te hangen -op zijn leeftijd zou hij beter moeten weten, maar ja, hij is nooit het scherpste potloodje in het doosje geweest- zal ik de verdeling van mijn nalatenschap uiteenzetten.”

‘Ze hield nogal van die lange lange volzinnen’, merkte Cor op, tamelijk gepikeerd, meer dan hij wilde toegeven, over de omschrijving van zijn karakter.

‘Daarom heeft Floor ook miljoenen op de bank staan en jij niet’, herinnerde Vita hem eraan.

“Ik hoop dat iedereen er is”, vervolgde Ronald onverdroten. “Weet je, ondanks dat jullie mijn moeder een vroegtijdig overlijden hebben bezorgd, wens ik jullie toch hetgeen toe wat ik jullie nalaat. Het feit dat jullie het nodig vonden corrigerend naar mij op te treden, zal ik naast mij neerleggen. Dat is voor jullie om te overdenken met die creperende aftandse hersentjes die voor 99 procent ongebruikt in jullie hoofd zitten. Wat ik geen van jullie, echter, ooit zal vergeven, is dat niemand van jullie ook maar een moment heeft stilgestaan bij de manier waarop jullie mijn moeder zo slecht behandeld hebben. Dat heeft dat arme mens niet verdiend. Maar ook dit zal iets zijn dat geen van jullie interesseert. Dat is jullie goed recht, vinden jullie zelf, aangezien jullie alleen maar rechten opeisen en de plichten daarbij vergeten. Plichten vergen namelijk energie en compassie, en andere voor jullie zulke enge woorden als empathie en mededogen.

“Dit gezegd hebbende, is er desondanks voor elk van jullie iets gereserveerd in mijn testament. Iets waarop jullie recht hebben en wat jullie verdienen. Ik begin met Cor.” 

Ronald’s blik ging over het testament heen naar de man aan de zijkant van de tafel waarna hij Floor’s woorden weer alle aandacht gaf. 

“Cor, als oudste had jij een voorbeeld kunnen zijn voor de rest van ons, had jij ons kunnen begeleiden naar een goed bestaan, zeker toen vader overleed. In plaats daarvan maakte jij, evenals Annebel, Rutger en Ruurd, misbruik van de geestelijk zwakke periode waarin moeder zich toen bevond. Éen voorbeeld hiervan is: op instigatie van vooral jou en Annebel, sloot moeder een lening af waarvan jullie de vruchten plukten: jij door allerlei nutteloze aankopen te doen, Annebel door een reis naar Italië te maken. Rutger vond het een mooie gelegenheid om een voorraad slechte supermarktwijn in te slaan, en Ruurd door de grote bink uit te hangen bij z’n maten. En wie moest kromliggen om dit af te betalen? Niet jullie, want jullie wilden niet door hebben hoe slecht moeder het had. Een karig pensioen waarvan zij een groot deel aan de bank moest afstaan en er ook jullie mee moest onderhouden, omdat alleen Annebel degene was die het goede fatsoen had om op een beschaafde leeftijd te trouwen en het huis uit te gaan. Dat was tevens het enige stukje fatsoen dat zij in haar leven heeft gehad. Het feit dat ze dit bereikte door zwanger te worden omdat haar benen dichthouden een onmogelijk iets was zodra er een man met een baard en een makkelijke babbel bij haar in de buurt kwam, heeft hiermee verder niets te maken. De rest van jullie bleef in het ouderlijk huis rondhangen omdat het gratis was. Werken was een vreemd woord waarmee jullie niets te maken wilden hebben. Het was een mirakel dat Cor uiteindelijk in een zeepfabriek is terecht gekomen. 

“Het enige werk dat Rutger ooit heeft gedaan, is de kunstenaar uithangen. Dit hield in dat zijn drugs en drankgebruik en oeverloos ouwehoeren in elk café waar hij nog niet was uitgedonderd, belangrijker was dan daadwerkelijk kunst produceren.”

Rutger keek de tafel rond, benieuwd of iemand voor hem in de bres sprong. Niemand voelde zich hiertoe geroepen en zelf had hij er geen behoefte aan. Waar hij wel behoefte aan had, was een fles rode wijn en een groot glas.

“Ik moet bekennen’, vervolgde Ronald met Floor’s woorden, “dat, als hij werkte, Rutger goede kunst produceerde. Hij kon werkelijk schilderen maar miste helaas net dat beetje doorzettingsvermogen om de wijn te laten staan en zich meer met kunst bezig te houden. Had hij dit wel gedaan dan zou hij hier nu niet zitten, zich afvragend met hoeveel geld zijn jongste zus over de brug komt. 

“Ruurd, daarentegen, heeft zich altijd beter gevoeld dan de rest van deze belachelijke familie. Hij was het populaire jongetje op school, het ventje waar alle meiden achteraan gingen. Hij ging studeren voor leraar om er al gauw achter te komen dat hij hierin eigenlijk geen zin had. Toen vader overleed, had hij meteen een mooi excuus gevonden waarin hij uiteraard weer als bink naar boven kon drijven: zijn studie opgeven om voor een vaderloos gezin te zorgen. Hoe jong ik ook was toen ik deze larie voor het eerst hoorde: ik moest hier hartelijk om lachen. En nog steeds, wetende wat er van jou geworden is. Je bent een kantoorklerk die de jonge jaren achter zich heeft gelaten maar daarop nog steeds probeert te teren. De jonge meiden op kantoor zien jou niet meer staan en maken puur misbruik van jouw ijdelheid door jou geld uit de zakken te kloppen, heel de avond drankjes in het café van jou te accepteren om met hun jonge vriend naar huis te gaan. Je zult uitgaan zoals een druipkaars: heel even aantrekkelijk en daarna veranderd het in een verlopen, uitgeblust hoopje vet.

“En dan is er Annebel, mijn veel oudere zus met het verstand van een loopse teef op een warme zomeravond. Voor een vage reden verwachtte ik als kind altijd dat jij voor mij zou opkomen tegen die drie grote broers. Dat was een vergeefse verwachting. Je nam me wel mee naar dingen zoals Madurodam en de Efteling. Of het zwembad, waar je me dan achterliet met een ijsje en een gulden om me de rest van de dag te vermaken zodat jij met de eerste de beste baard die je tegenkwam op een afgelegen plek kon liggen vozen. Heel smaakvol allemaal, mij als excuus gebruiken. Zo kwam je als toegewijde grote zus altijd goed uit de bus en kon je ook nog eens de lusten botvieren zonder dat pa en ma dat wisten.”

Ronald schonk zijn glas vol met water en nam er een paar klokkende slokken uit.

‘Is er nog iemand die voortijdig weg wil?’, vroeg hij hierna. 

Iedereen keek elkaar aan door langs elkaar heen te kijken.

‘We kunnen net zo goed doorgaan’, merkte Ruurd op. 

Ronald knikte eenmaal met het hoofd, deed zijn leesbril weer op en zei:

“Als laatste wil ik het hebben over mijn lieftallige partner, de mooie Vita met wie ik tijdens het opstellen van dit testament drie jaar samenwoon. Het zijn drie mooie jaren geweest en ik ben blij dat wij die samen gedeeld hebben. Jammer dat jij niet hetzelfde gevoel hierover hebt. Ik bedoel: hoe vaak kan een bibliothecaresse overwerken zonder dat het opvalt dat dit onnodig is?”

Deze mededeling was nieuw voor de overige mensen aan tafel en vooral Cor kon een grinnikje niet onderdrukken.

“Hoe lang duurt het om drie boeken in een kast te zetten, samen met die kortharige vrouw waarmee je samen éen stoel deelt tussen de kasten met historische fictie en streekromans in? Maar ook dat is okee. Ik ben dood, tot as vergaan, dus het zal mij allemaal worst wezen wat je met dat luizige leventje van je doet.

“En dan nu waarvoor iedereen gekomen is: de verdeling van mijn vermogen en activa. 

“Vita, omdat wij geen samenlevingscontract hebben dus gemeenschap van goederen niet bestaat, heb jij geen recht op mijn vermogen. Echter, omdat jij mij wel aangename jaren hebt gegeven toen je nog interesse in mij had, heb ik voor jou een toelage apart gezet. Mijn notaris, Ronald van Workum, zal jou na deze testament voorlezing een envelop overhandigen waarin alles gestipuleerd staat. Wees zuinig op het geld want meer krijg je niet. 

“Cor, Annebel, Rutger en Ruurd. Jullie hebben je nooit als familie gedragen, als broers en zus, zoals ik dit uit de boeken ken die ik op jonge leeftijd las. Veel later begreep ik pas dat de ideale familie een grote leugen is waar iedereen is ingetrapt en voor een ware aanneemt. Wat dat betreft verschillen wij dus geen ene moer met de rest van de mensheid. 

“Net zoals Vita hebben ook jullie geen recht op een deel van mijn vermogen of activa. Desondanks heb ik voor jullie iets apart gezet. De heer Van Workum heeft een envelop voor elk van jullie. Hij zal die nu uitreiken.”

Ronald pakte de vier enveloppen tevoorschijn, las de namen en legde deze voor de juiste persoon terwijl hij om de tafel heen liep. Hij stak zijn hand op toen Cor het wilde openscheuren, om aan te geven dat het nog niet klaar was. Terug op zijn plek, nam hij het testament weer voor zich en zei:

“De inhoud van de envelop geeft aan waarop jullie recht hebben. Het is mijn persoonlijke mening, en ook wat jullie verdienen.” 

Opkijkend zei hij: 

‘De enveloppen mogen nu geopend worden.’ 

Hij pakte een briefopener om deze rond te laten gaan, maar dit bleek een overbodige actie. Cor had zijn vinger onder de plakrand gewurmd en opende de bovenrand rafelig, een ander scheurde de zijkant van de envelop eraf en de overige twee hadden een eigen manier gevonden om bij de inhoud te komen.

‘Is dit een grap?’, vroeg Cor woedend toen hij het kaartje las dat Floor in de envelop had gestopt.

‘We zijn hier niet bijeen om grappen te maken’, merkte Ronald droog op.

Cor schoof het kaartje met flinke kracht over de tafel heen zijn kant uit. Het kwam ondersteboven voor hem terecht en hij las het korte woord zonder het kaartje om te hoeven draaien: Nada #1.

‘3 = Noppes?’ 

Annebel draaide haar kaart om, nieuwsgierig of er iets hoopvollers op de andere kant stond.

‘2 x Niks.’

‘Nul - 4?’

“Dit is precies wat jullie verdienen”, vervolgde Ronald de voorlezing: “Noppes, nada, niks en nul. Dat zouden jullie bijnamen moeten zijn.”

‘Ik heb hier genoeg van.’ 

Cor schoof zijn stoel luid naar achteren. Het viel om en bleef met de rugleuning tegen de radiator hangen. Zonder verder iets te zeggen, liep hij de kamer uit.

‘Dan ga ik ook maar.’ 

Iets rustiger dan Cor stond Ruurd op, gevolgd door Annebel. Als laatste verliet Rutger het vertrek. 

Na hun aftocht stak de secretaresse haar hoofd om de hoek van de deur en keek in de richting van de advocaat, die haar kort toeknikte. Ze verdween weer en sloot de deur achter zich.

‘Dit is jouw envelop.’ 

Hij overhandigde de envelop op A4 formaat aan Vita. 

‘Ik neem aan dat deze wel gevuld is.’

Vita tuurde naar de envelop zonder het te zien. Het was stil in deze kamer nu die vier andere mensen waren vertrokken. Ze had deze rust nodig om bij te komen. Na een diepe ademhaling, zei ze:

‘Het maakt mij niet uit of Floor iets voor mij heeft opzij gezet. Ze heeft gelijk: ik heb zo’n vrouw als zij niet verdiend met mijn losbollige gedrag. We woonden samen maar ik dacht dat ik nog steeds alles kon uithalen wat ik voorheen deed. Wat een onnozel type ben ik geweest.’ 

‘Neem toch maar mee.’ 

Ronald tikte met zijn wijsvinger op de envelop. 

‘Denk terug aan de goede tijden die jullie hebben meegemaakt. Wellicht was de liefde eenzijdig, maar Floor heeft een beter leven gekregen toen zij jou leerde kennen.’

‘De pest is dat het niet eenzijdig was. Ik hoop zeker dat zij een beter leven heeft gehad door mij.’ 

Ze stond op, de envelop in haar tas duwend. 

‘Got, wat waardeloos dat we nu niet meer met elkaar kunnen praten. Dat zal ik nog het meeste missen.’

‘Vergeet dit niet mee te nemen.’ 

Hij stopte de koker met as terug in het daarvoor bestemde tasje. Het had er louter als decoratie gestaan, een symbool van Floor’s aanwezigheid. Hij gaf het aan Vita en vroeg: 

‘Ga je er nog iets mee doen?’

Ze trok de schouders op. Hierover had ze nog niet nagedacht.

Na hem bedankt te hebben, liep ze naar haar auto toe en stapte in, Floor op de achterbank neerzettend. Ze reed de parkeerterrein af, stopte bij het hek en sloeg rechtsaf. 

Zodra ze uit zicht van alles en iedereen was, kwam er een glimlach op haar gezicht. Het ergste was achter de rug; haar nieuwe leven kon beginnen.