Pagina 42, deel 2

Deel 2

30.

     Jasmijn draaide de A12 af en reed de Benoordenhoutseweg op. Het was heel lang geleden dat zij voor het laatst in Den Haag was geweest. Desondanks was de omgeving haar nog steeds bekend. 

Bij het kruispunt aarzelde ze zoals voorheen ook altijd het geval was geweest: moest ze de Van Alkemade of eentje verder... Ze sloeg af en merkte dat ze de juiste weg had gekozen. Ze kruiste de Landscheidingsweg en reed in een rustig drafje door. 

Haar handen zaten strak om het stuur en hoewel ze moeite deed de vingers te ontspannen, voelde ze hoe het bloed door haar aderen joeg. Ze keek in de achteruitkijkspiegel en liet een fietser voorbij gaan, sloeg daarna het harde zandpad op en reed langs de bomen naar het parkeerterrein. Ze plaatste de auto in het vak met de weggevaagde lijnen en bleef een aantal minuten zitten voordat ze de portier opende. Dit rustmoment had nauwelijks geholpen om haar zenuwen tot bedaren te brengen.

Naast de auto staand, bekeek ze het grote gebouw dat als een baken tussen de bomen stond. Ze had hier een flink aantal jaar van haar leven versleten, maar had het nooit thuis genoemd. Het was geen thuis; het was een plek waar ze getolereerd werd totdat men van mening was, dat zij goed genoeg was om deel te nemen aan de maatschappij. 

De lage muur met de spijlen omheining dat erboven aan vastgenageld was, omringde het gehele Instituut Maaiborg. De tuintjes erachter waren voorzien van voorjaarsbloemen, eenjarigen; langer konden zelfs de planten het hier niet uithouden. 

Op een krukje bij een pilaar zat een forse man. Hij had geen aandacht voor de omgeving; het schilderwerk waarmee hij zich bezig hield vergde al zijn aandacht. Het stuk dat hij had gedaan, zag er friswit uit. Naast zijn benen, beschermd door het muurtje, lag een opengeslagen krant waarop een pot verf stond met daarnaast een aantal kwasten rustend in een lege pot waarin ooit eens rode kool had gezeten. Een flesje peut stond onder de kruk, afgeschermd van de felle zonnestralen, alsook een draagbare radio die betere tijden had gekend en louter statisch geruis voortbracht. 

Er was iets bekends aan de gebogen houding, aan het vlassige donkerblonde haar en zelfs aan de manier waarop de voeten bij de enkels onder het krukje over elkaar waren geslagen. Met een lichte aarzeling liep Jasmijn op hem af en zei vragend:

‘Willem?’ 

De kwast bleef bewegingloos in de lucht hangen terwijl hij de stem liet inzinken. Toen hij omkeek veranderde zijn gezicht van vragend naar verbaasd.

‘Jas?’, zei hij. ‘Dat is lang geleden.’

‘Zekers. Hoe gaat het met je?’ 

Ze stak haar hand uit om hem een klopje op zijn schouder te geven, maar herinnerde zich op datzelfde moment, dat hij er niet van hield aangeraakt te worden. Vlak bij zijn schouder trok zij haar hand terug.

‘Zoals altijd, he’, antwoordde hij, een hand over de plek vegend waar zij hem bijna had aangetikt. ‘Wat kom jij doen?’

‘Kijken hoe alles is.’ 

Ze leunde tegen de stenen pilaar. Hij hervatte het schilderen. Ze volgde zijn bewegingen. Er was iets geruststellends in de op en neer gaande streken van de kwast.

‘Je ziet er goed uit’, zei Willem zonder haar aan te kijken. Het verven trok al zijn aandacht.

‘Jij ook, jongen, ondanks dat je nog hier bent.’

‘Waar moet ik anders naartoe?’ Even keek hij naar haar voordat hij verder ging. ‘Er is hier alles wat ik nodig heb.’

‘Zolang je maar tevreden bent’, zei ze. 

Ze keek van de kruin van zijn hoofd, het opwapperende haar in de ochtendbries, naar de strak in het gelid zittende ramen van het instituut. 

‘Ik kom eens kijken hoe het met Maaiborg junior is.’ 

De vader van Maaiborg junior had het instituut gesticht. De zoon had na het overlijden van zijn vader de leiding overgenomen. Onder zijn leiding was Jasmijn hier gekomen. Wanneer wist ze niet meer, zoals er zo vele dingen uit haar verleden in haar hoofd verloren waren gegaan.

‘Maaiborg junior is lang geleden gestopt’, zei Willem.

‘Werkelijk?’

‘Je bent hier echt lang niet geweest’, merkte hij op, de kwast over het hek strijkend waar een stukje niet naar zijn zin was.

‘En wie heeft het van hem overgenomen?’, vroeg ze.

‘Karel Otter.’

‘Ah.’ 

Ze grijnsde tevreden. Dokter Otter was altijd goed voor haar geweest. Ze was blij dat hij nu met het scepter zwaaide. Dat zou alleen maar positief voor de patiënten zijn.

‘Maar die is twee jaar geleden overleden’, vervolgde Willem.

‘Meen je dat nou?’

‘Ja.’

‘Jeetje, zeg. Was het plots?’ 

Hij trok de schouders op. Dokter Otter was overleden; meer hoefde hij niet te weten.

‘Wie is nu dan hoofd van het instituut?’

‘Eelco Schippers.’ 

Bij het horen van deze naam keek ze een aantal seconden vol ongeloof naar de rug van Willem, boog toen het hoofd en sloot de ogen. Van alle competente mensen die het instituut had, vond men het om een voor haar duistere reden wijs de incompetente Eelco Schippers als directeur aan te stellen.

‘Eelco Schippers’, herhaalde ze zacht. 

‘Eelco Schippers’, zei ook Willem nogmaals.

‘Hoe bevalt het, zo onder hem?’ 

Hij trok de schouders op. Het geruis van de radio werd hoorbaar. Ze keek van hem naar de façade van het gebouw, de bijna smetteloos witte muren, hoorde het gegons van stemmen van de mensen die op het grindpad liepen waar stenen onder hun slippers kraakten, hoorde het zwijgen van de vogels. Ze was 30 jaar geleden weggegaan maar de tijd was hier stil blijven staan. Voor mensen als Willem was dit goed. Hij leefde in zijn eigen wereld en elke verandering kon hem dagen uit zijn element brengen. 

‘Is Eelco er?’, vroeg ze uiteindelijk. 

Haar stem klonk zelfs haarzelf scherp in de oren, toen het de serene stilte doorbrak. Hij knikte.

‘Kom je gedag zeggen?’, vroeg hij.

‘Eelco bedoel je?’, vroeg ze, niet zeker waar hij op doelde. Hij knikte weer. ‘Niet specifiek. Ik wilde jou weer eens zien’, zei ze. 

Het was een leugentje om bestwil, hoewel Willem de eerste persoon was aan wie ze had gedacht toen ze zich voornam naar het instituut te gaan. 

‘En ook wil ik mijn persoonlijke dossier opvragen.’ 

Leunend tegen de pilaar volgden haar ogen de lange verfstreken over het hek. Dit, samen met de ruisende radio, bracht haar tot rust, veegde de naam Eelco Schippers naar de achtergrond. Een jongeman met gitzwart haar stond in het gras en keek haar richting uit. Zijn ogen waren donker, evenals zijn kleding. Een momentlang deed hij haar aan haarzelf denken, staand in de tuin, turend naar de wereld achter het hek; een wereld die haar uiteindelijk in haar midden had opgenomen.

‘Vijftien jaar en drie maanden geleden ben ik begonnen de dossiers op microfiches te zetten.’ Terwijl hij sprak, schilderde Willem door. ‘Ik heb het niet kunnen afmaken. Ze zijn ingescand en geditigaliseerd.’ Hij dipte de kwast in de blik verf. ‘Door die ditigalisatie heb ik mijn werk niet kunnen afmaken.’

‘Is dat erg?’ 

Willem knikte en herhaalde:

‘Ik heb het niet kunnen afmaken.’

Dingen die onaf waren, achtervolgden hem. Als hij een draai naar links maakte, moest hij er ook eentje naar rechts maken. Zo werd de cirkel compleet. Cirkels die niet compleet waren, hielden hem uit zijn slaap. 

‘Je kunt ook wat je al gedaan hebt als een afgerond deel beschouwen’, merkte Jasmijn op. In het verleden hadden deze woorden een gunstige invloed op hem gehad. ‘Als je A tot en met D hebt gedaan, bijvoorbeeld, is dat een afgerond deel. Digitalisatie maakt nu eenmaal onderdeel van de maatschappij uit, Willem.’ 

Hij dacht lang na, knikte en ging verder met verven. 

‘Ik ga eens kijken waar Schippers is’, zei ze uiteindelijk. ‘Zie ik je straks nog?’

‘Om vijf uur ga ik eten.’

‘Voor die tijd ben ik terug.’ 

Weer wilde ze een hand op zijn schouder leggen, maar bedacht zich op tijd. Ze opende het hek en liep het terrein op.

Er waren momenten waarop zij in gedachten een voorstelling had gemaakt hoe het zou zijn om hier terug te komen. Of de omgeving een bedompte invloed op haar zou hebben, een drukkende gevoel op haar schouders zou geven; of alle gezichten van mensen die zij niet kende haar gemoed op een negatieve manier konden beïnvloeden. Ondanks dat zij zich betere plekken kon voorstellen waar zij op dit moment zou willen zijn, had het naderende gebouw noch de jongeman in het gras, die zijn lichaam liet meedraaien om haar te kunnen volgen, geen deprimerende uitwerking op haar. Jaren met Lotte, met Lotte’s positieve inborst, haar liefde, haar gekte zelfs, hadden een beter mens van haar gemaakt; eentje die sterk in de schoenen stond en de wereld aankon. Zelfs de gedachte Eelco Schippers te ontmoeten ontmoedigde haar niet, hoewel ze liever met een dokter Otter te maken had gehad.

Ze liep door de openstaande deuren de hal in en keek om zich heen. Voorheen bevond het bureau van Maaiborg junior zich op de tweede verdieping. Hoe de indeling het nu was, had zij geen weet van. Haar ogen zochten iemand om ernaar te vragen, maar de hal was leeg. Ze liep verder over de zwart-wit betegelde vloer. Dit was in elk geval in al die jaren niet veranderd. Willem kon hierover tevreden zijn.

‘Kan ik u helpen?’, hoorde ze achter zich. 

Ze draaide zich om en zag een arts in een witte jas met de mouwen omgevouwen tot boven de ellebogen. Hij droeg een clipboard. In de bovenzak van zijn jas waren een aantal pennen gepropt.

‘Ik zoek...’, begon ze.

‘Jasmijn?’ Hoewel de man de naam vragend zei, glimlachte hij direct breed. ‘Mijn hemel, da’s eeuwen geleden.’ 

Met uitgestoken hand kwam hij op haar af. Op het moment dat zij de glimlach zag, herkende zij hem. Hij was beginnend arts geweest in de laatste paar maanden die zij hier had doorgebracht. Ze was zijn naam vergeten, maar hij was iemand aan wie de patiënten veel te danken hadden. Zijzelf eveneens. Hij had zijn shag met haar gedeeld en al rokende leunend op het open raam gepraat over wat de wereld een mens op zich, en haar in het bijzonder, te bieden had. Mede door hem had zij de stap naar buiten durven zetten.

Ze drukte hem de hand en vouwde haar andere hand er overheen. Dit was de enige manier waarop zij haar respect en genegenheid voor hem kon uitdrukken.

‘Je ziet er goed uit, meisje.’

‘Dank je. Het leven hier buiten is goed.’

‘Pffff’, zuchtte hij lachend. ‘Ik hoop het ook een keer te mogen meemaken. Hoe gaat het met je?’

‘Lekker’, antwoordde ze. 

‘Ik las een tijd terug dat je getrouwd bent.’

‘Klopt.’

‘Alles goed?’

‘Kan niet beter.’

‘Da’s fijn om te horen.’

‘En hoe gaat het met jou?’

‘Nog steeds hier.’ Hij spreidde zijn armen wijd uiteen. ‘Maar ik zou niet anders willen.’

‘Dat is goed voor de patiënten’, zei ze. 

‘Dat is mooi om te weten.’

‘En het mooiste is, dat ik het meen. Ik heb namelijk de ervaring.’

‘Wauw, om dat van jou te horen... Ben je hier zomaar?’

‘Ik ben op zoek naar Eelco. Hij is nu de directeur, toch?’

‘Inderdaad.’

‘Bevalt het, zo onder hem?’

‘Ik doe mijn werk, Jasmijn, en de patiënten zijn tevreden met mijn aanpak. Schippers kan niet zonder mij.’ 

Zijn gezicht gaf niets weg hoe hij het vond met Eelco aan het roer.

‘Verlies die toewijding nooit, man.’

‘Daar ben ik nu te doorgewinterd voor. Als je Schippers zoekt: hij zit in het oude bureau van Maaiborg. Niet te missen.’

‘Dank je.’

‘Hee...’ hij stak zijn hand naar haar uit, en vervolgde, toen zij deze pakte ‘...hou je haaks. Het gaat goed met je en ik wil je hier niet meer terugzien.’

‘Ik zal m’n best doen. Lukt dit niet dan zou ik graag willen dat jij je over mij ontfermt.’ 

Hij stak zijn duim naar haar op en liep verder.

Ze nam de twee trappen op naar boven. Eenmaal op de tweede verdieping bleef ze staan om op adem te komen. Misschien was het advies om minder te drinken en meer te sporten een goede. Zodra ze, echter, weer normaal kon ademhalen, verdreef deze gedachte naar de achtergrond. 

Het was stil om haar heen, stiller nog dan beneden. Ze kon zich deze stilte alleen voor de geest halen op dagen als het warm was en de loomte onder invloed van sterke zonnestralen onder haar huid kroop. Met een aarzeling in haar pas liep ze langzaam verder. Hoewel alles haar bekend voorkwam, was niets meer zoals het eens was geweest, was vooral zij niet meer degene die zij was geweest in de jaren die zij hier had doorgebracht. Hoeveel waren dat er? Ze kon dit niet met zekerheid zeggen; ze had er geen idee van hoe jong zij was toen zij in het instituut belandde. Eelco Schippers was vlak na haar gekomen, een jonge versgebakken hond die nog maar pas zijn opleiding achter de rug had. Zij werd al gauw aan hem toegewezen. Misschien ging professor Maaiborg junior er vanuit, dat zij een makkelijk pakketje was voor een jongeman als Schippers. Niets was minder waar. Eelco kwam er binnen enkele weken achter, dat zij niet aan het plaatje voldeed dat hij bij zijn opleiding had meegekregen. Vanaf dat precieze moment kwam zij te boek te staan als “moeilijk”. Ze was stil, deed wat haar werd opgedragen, maar werd desondanks moeilijk genoemd omdat zij na twee sessies nog steeds weigerde met hem te praten. Ze had deze accolade nooit meer van haar af kunnen schudden. Na deze stempel ontvangen te hebben, boterde het almaar slechter tussen hen twee. En nu moest zij bij hem zijn om de vragen te stellen die niemand anders kon beantwoorden.

Ze liep de overloop af en sloeg de gang in waar ooit Maaiborg junior’s bureau had gestaan. Deze Maaiborg was evenals zijn vader een arts bij wie de deur altijd open stond, bij wie je binnen kon lopen al was het alleen maar om gedag te zeggen. Nu stond ze voor een gesloten deur. Ze twijfelde of ze al dan niet zou kloppen of gewoon naar binnen zou lopen, en koos uiteindelijk voor de gulden middenweg van een halfhartige klop gevolgd door het openen van de deur.

De kamer was geheel anders dan zij het zich herinnerde. Waar het bureau van Maaiborg junior had gestaan, was nu een lege plek. Er stond wel een bureau, maar deze was naar het raam geschoven zodat het licht over de schouder van de vrouw viel die naar haar opkeek toen zij zo plots in de kamer stond.

‘Hallo’, zei ze als groet, de deurknop nog in haar handen. De vrouw knikte haar toe. ‘Ik zoek Eelco Schippers. Is hij er?’

‘En u bent?’

‘Jasmijn Bendelof. Ik ken Eelco van vroeger.’ 

Ze liet de deur los. Achter haar viel het met een zachte klik in het slot. Terwijl de vrouw op haar computerscherm het éen en ander erbij zocht, deed zij de handen op de rug en keek naar de schilderijen aan de wand die door kunstenaars in opleiding in elkaar waren geflanst.

Ze keek om toen de stoel van de vrouw kraakte en zag haar door de deur in de zijwand verdwijnen. Met haar aandacht bij een rode dubbeldekker die schokkerig geschilderd was, waarschijnlijk om beweging uit te beelden, bleef ze wachten. Naast de dubbeldekker was een vaag watertje met wat riet. Aquarel. De ongenaakbare zon had het in de loop der tijden lichter gekleurd.

‘Mevrouw Bendelof...’ de vrouw was weer terug. ‘Dokter Schippers kan u zien.’

‘Dank u.’ 

Ze knikte de vrouw toe en liep langs de deur die zij voor haar open hield. 

Eelco Schippers was niet veel veranderd. Hij was in een oogopslag herkenbaar. Wat minder rank dan hij vroeger was, maar dat was wat een bureaufunctie in combinatie met middelbare leeftijd een mensenlichaam deed. Zijn lichtbruine haardos was aanzienlijk uitgedund. Door het gemillimeterd te houden, gaf hij de indruk het haarverlies voor te blijven.

Hij stond op en stak zijn hand over het werkblad naar haar uit. Maaiborg junior zou om het bureau heen gelopen zijn, ging het door haar hoofd, maar dan zou Eelco Schippers nooit een Maaiborg junior worden.

‘Je ziet er goed uit’, zei hij bij wijze van groet. Ze knikte louter. ‘Hoe gaat het met je?’

‘Goed. En met jou?’ 

Op haar vraag spreidde hij de armen om aan te tonen, dat alles kits was wat hem betrof. Zijn brede glimlach ondersteunde dit.

‘Wat brengt jou hier?’ 

Hij ging weer zitten. De aardigheden waren wat hem betrof uit de weg. Jasmijn ging eveneens zitten en nam de stoel die haaks op het bureau stond zodat ze de man niet recht aan hoefde te kijken.

‘Ik wil informatie over mijn jeugd hebben.’

‘Jouw jeugd?’ 

Hij herhaalde het alsof zij iets onhaalbaar vroeg.

‘Mijn jeugd’, zei ze nogmaals. ‘Recent heeft een vrouw mij benaderd en zei dat zij mij van de lagere school kende. Ik heb geen herinnering van haar noch van de lagere school. Ik zou hierover opheldering willen krijgen.’

‘Ja... ja, dat is te begrijpen.’ 

Hij pakte een potlood en tikte een aantal maal met het stufje op het bureaublad waarna hij het uit zijn handen liet glijden. 

‘Het vervelende is, is dat wat wij hier hebben allemaal geclassificeerde informatie is.’ Met een schuine blik keek hij haar aan. ‘Ik kan jou er dus niet aan helpen.’

‘Sinds de vrijheid van informatie-wetgeving is dit niet meer iets waarachter je je kunt verschuilen’, merkte zij op.

‘Dat is een ongelukkige woordkeuze.’

‘Kan zijn, maar het punt blijft, dat ik recht heb op informatie omtrent mijn eigen persoon, mits het niet is gerubriceerd door de VIR.’ 

‘Ondanks de vrijheid van informatie-wetgeving, hebben wij zelf als instituut ook onze normen en waarden en geven wij niet zomaar informatie over patiënten vrij, zelfs niet voormalige.’ 

Het potlood zat weer tussen zijn vingers en het getik met het stufje hervatte. Het lukte haar nauwelijks een glimlach te onderdrukken; ze herkende de tekenen van irritatie bij hem die zelfs na al die jaren en de nieuwe positie niet was afgenomen.

‘Ik kan er een zaak van maken’, zei ze, ‘om deze informatie boven tafel te krijgen, maar ik doe het liever op een vriendelijke manier. Per slot van rekening ben ik er niet op uit om jou noch het instituut tegen de haren in te strijken.’ 

Het getik van het potlood ging door totdat Eelco het op het bureablad liet vallen en zijn laptop opende. Het potlood rolde een aantal maal en kwam tegen zijn drinkbeker tot stilstand. Ze bleef zwijgen terwijl hij op het toetsenbord rammelde, en keek naar buiten. Op een heldere dag was vanaf de tweede de zee te zien, ver over de duinen van Meijendel heen. Hoewel de zon scheen, was het niet helder. Een heiige waas over het landschap beperkte het zicht.

‘Hmmm...’ Eelco’s gebrom bracht haar aandacht terug naar binnen. ‘Helaas kan ik je niet helpen’, zei hij en sloot de laptop. ‘Een aantal jaren geleden hebben we alle dossiers gedigitaliseerd maar een flink aantal ontbreken, waaronder die van jou.’

‘Hoe bedoel je: ontbreken?’, vroeg ze verward.

‘De dossiers werden bij een bedrijf in Rijswijk ingescand. Eén van de bestelwagens die de dossiers vervoerde, heeft een ongeluk gehad waardoor dossiers onherstelbaar beschadigd zijn geraakt. Het moet bijna wel dat die van jou daar tussen zat.’

‘Is dit boven tafel of probeer je me af te wimpelen?’ 

Haar opmerking deed zijn wenkbrauwen verbaasd omhoog schieten.

‘Geloof me: ik wil je helpen, maar jouw dossier is er gewoonweg niet. Heel spijtig, maar het is niet anders.’ Ze mompelde iets binnensmonds. ‘Sorry, wat zei je?’ 

Ze schudde het hoofd en stond op.

‘Bedankt dat je me meteen kon zien’, zei ze en liep de kamer uit. 

Pas in de gang, weg van Eelco Schippers en zijn secretaresse, schopte ze hard tegen de muur. De pijn die door haar been schoot, maakte haar weer rustig. Na twee hinkende stapjes kon ze normaal lopen en ging de trap af, de hal door en de tuin in. Daar haalde ze diep adem en met het hoofd in de nek kruiste ze het grindpad.

Willem was nog aan het verven. Hij was een hekje verder en had het krukje, de radio en de peut verschoven. De krant waarop het verfblik rustte, stond nu links van hem in plaats van rechts.

‘Ziet er mooi uit’, zei ze tegen hem.

‘Eelco gezien?’, vroeg hij.

‘Ja, maar hij kon mij niet helpen. Mijn dossier is bij een auto-ongeval in het ongerede geraakt.’ 

Hoewel ze zelf hoorde, dat zij dit laatste tussen aanhalingstekens zei, zei Willem:

‘Dat klopt. De chauffeur is er goed vanaf gekomen.’

‘Oh. Okee. Da’s in elk geval iets. Beetje jammer dat ik nu geen inzage in mijn verleden heb.’

‘Is het belangrijk?’ 

Zijn grote vragende ogen keken haar aan. Ze trok de schouders op.

‘Eigenlijk wel’, zei ze uiteindelijk. ‘Wil jij niet weten hoe je hier bent gekomen -mocht je daarvan niet op de hoogte zijn?’ 

Willem keek haar met een blanco blik aan. Hij was de verkeerde om dit soort vragen aan te stellen. Voor hem telde het hier en nu, niet het ooit eens of straks. 

‘Goed. Laat eigenlijk maar. Het gaat je goed, Willem’, zei ze als groet en liep bij hem vandaan. 

Ze moest haar teleurstelling niet op hem afreageren, maar ze kon het niet verbergen.

‘Jas...’ Zijn stem hield haar tegen. Ze draaide zich om. ‘Zien we elkaar weer?’

‘Vast wel.’ 

Ze stak haar hand op en liep verder, bedacht zich en ging terug naar hem. Ze haalde een Ikea potloodje uit de achterzak van haar broek en vond een kassabonnetje van Albert Heijn waarop zij haar telefoonnummer schreef. 

‘Hier’, zei ze, het papiertje naar hem ophoudend. ‘Mijn nummer. Bel me eens; kunnen we samen wat gaan drinken. Vind je dat een goed plan?’ 

De zachte blik die hierna in zijn ogen kwam, gaven aan dat hij het een pracht idee vond. Zijn reactie haalde de ergste scherpte van haar teleurstelling weg en ze was van mening, dat ze in elk geval niet voor niets naar Den Haag was gereden.

 

31. 

     Met haar elleboog leunend tegen de sponning van het keukenraam, hoofd in de hand, keek Lotte naar de parkeerplaats. Het werd omringd door de huizen met bewoners, de buren, die allemaal de auto voor de deur wilden hebben. Was dat bezet dan bleven ze wachten en vanachter de luxaflex kijken wanneer het plekje vrij kwam. Al was dit midden in de nacht: de buur zou naar buiten komen om zijn auto twee meter te verzetten. 

Een auto reed achteruit het parkeervak uit, draaide en ging in een rustig drafje langs de andere autos de hoek om en keerde de straat op. Nog geen seconde hierna liep een buurvrouw haar hekje uit, stapte in haar auto en reed deze twee autos terug om op de plek te parkeren waaruit de andere zojuist was vertrokken. Dit bevestigde Lotte’s gedachtengang van even ervoor. Ze vroeg zich af of de buurvrouw heel de middag bij het hek had staan wachten totdat de auto eindelijk de plek zou vrijmaken. Het kon ook zijn dat het kartonnen dennenboompje, bengelend aan de binnenspiegel van haar auto, een waarschuwing-systeem had. Wat het ook was: Lotte begreep veel, wist veel, maar dit soort zinloze handelingen gingen aan haar verstandelijk vermogen voorbij.

De buurvrouw ging terug naar binnen, tevreden glimlachend nu de auto bij haar tuinhek stond. Op het moment dat Lotte van het raam vandaan draaide, zag ze uit haar ooghoeken hun eigen auto de parkeerplaats oprijden. Afwachtend bleef ze staan. Jasmijn parkeerde op de plek die de buurvrouw voor haar had vrijgemaakt, pakte haar schoudertas van de achterbank en liep het pad op naar huis. Ze keek omhoog, zag de schim van Lotte achter de opengedraaide luxaflex en zwaaide. Ze wuifde terug en pakte een glas uit de kast waarin ze alvast een drankje voor haar mengde. Ze zette het glas op tafel toen Jasmijn naar binnen stapte.

‘Ha, lief’, groette ze.

‘Hai.’ 

Jasmijn vouwde haar armen om haar heen en ze kusten elkaar.

‘Lange dag gehad?’

‘Pffft. Moeizaam. Ik ben naar Den Haag gegaan. Ah, lekker.’ 

Ze zag het drankje op de tafel staan, pakte het glas en ging op de bank zitten. Een weldadige slok bracht weer wat leven in haar lichaam.

‘Maaiborg?’, vroeg Lotte, naast haar zakkend. Ze knikte. ‘Ik vroeg me al af waar je was.’

‘Hoe dat zo?’

‘Ik heb je een paar keer gebeld, maar toen je niet opnam, begon ik me zorgen te maken en heb toen de winkel gebeld. Haaye zei dat je onverwacht vrij had genomen.’ Ze keek naar het profiel van haar vrouw. ‘Waarom heb je me dit niet verteld? Dit is overigens geen verwijt, maar ik ben gewoon nieuwsgierig.’

‘Ik wist vanmorgen vroeg nog niet, dat ik die kant zou op gaan’, antwoordde Jasmijn. Voordat ze het glas terugzette, nam ze nog een slok. ‘Onderweg naar Alkmaar kreeg ik het ineens op m’n heupen. Al dat gedoe met Belletien en me niets van mijn jeugd kunnen herinneren...’

‘Dus ging je naar Maaiborg toe.’

‘Inderdaad.’

‘Vond je het niet vreemd om te gaan? Je had ook mij kunnen bellen dan was ik met je meegegaan.’

‘Het was iets dat ik alleen moest doen. Lief van je, maar ik wil van dat beeld van Maaiborg dat door mijn hoofd speelt afkomen. Het was inderdaad vreemd. Toen ik kwam aanrijden en alleen al de bomen zag, voelde ik m’n hart luid bonken. Bomen die ik jaar in jaar uit kaal en vol heb gezien en alle wisselende fases ertussen. Weet je wat me moed gaf?’ Ze wierp een blik naar Lotte die vragend de wenkbrauwen optrok. ‘Dat was toen ik Willem zag zitten verven. Ken je Willem nog? Hij zat met een gekromde rug bij het hek en de verfkwast ging met kalme streken heen en weer over de spijlen. Dat was zo rustgevend, de vertrouwde gestalte van Willem en dat verven... Als ik hem niet had gehad in Maaiborg, weet ik niet hoe het met mij zou zijn afgelopen.’

‘Iedereen heeft een Willem in het leven nodig’, merkte Lotte op, met haar wijsvinger over Jasmijn’s wang strijkend.

‘Een ander iets dat mij hielp om deze stap te nemen, zijn de jaren die ik met jou heb doorgebracht. Om het heel knullig te zeggen: met jou zijn heeft mij de kracht gegeven om mijn ergste nachtmerries met open ogen tegemoet te treden.’

‘Daar ben ik enorm blij om. Hoe is het gegaan?’

‘Niets wijzer geworden.’ 

Jasmijn zuchtte. De vermoeidheid van de spanning, het weerzien van het instituut na zo vele jaren, begon vat op haar te krijgen.

‘Iedereen die mij wat zou kunnen vertellen, is overleden.’

‘Oh?’

‘En nu is Eelco Schippers het hoofd van het instituut.’

‘Je meent het. Die man is zo onnozel als de pest.’ 

Hoewel Lotte in haar observatie louter van Jasmijn’s verhalen uit kon gaan, kende ze haar vrouw goed genoeg om te weten dat zij zowel objectief als eerlijk was. En Eelco Schippers had geen beste indruk op haar gemaakt. 

‘En hij wilde je zeker niet helpen?’

‘Toch wel’, zei Jasmijn, ‘maar hij kon mij niet verder helpen.’ 

Ze vertelde van het digitaliseren en de brand in het busje. Lotte kon het niet nalaten een korte, hatelijke lach te laten horen.

‘Dat komt ‘m goed uit’, concludeerde ze in een stem die ernstige twijfels bij de echtheid van het gebeuren was.

‘Willem vertelde hetzelfde verhaal over het busje, en Willem kan nu eenmaal geen leugen vertellen.’

‘Gat, man: da’s balen.’ 

De keukenklok tikte rustig. Een merel had op het dak plaatsgenomen en bakende zijn plekje af met luid gefluit. De zomer kwam er nu heel snel aan en hij had nog geen maatje gevonden. 

‘En nu?’, vroeg ze uiteindelijk. 

Jasmijn trok de schouders op.

‘Waarvoor belde je eigenlijk?’, vroeg ze toen.

‘Wanneer?’

‘Vanmorgen. Naar mij.’

‘Oooh. Oh ja: da’s waar ook. Ik belde je om te zeggen dat ik gevraagd ben voor een seminaar.’

‘Te bezoeken offe...?’

‘Eén te geven.’

‘Over het schrijven?’

‘Ja. Ik wilde weten wat jij ervan vond.’

‘Wil je het nog weten?’ 

‘Altijd, maar ik heb het al afgewimpeld. Het is niets voor mij. Ik ben niet het type om mensen te vertellen hoe ze moeten schrijven, om het over spanningsbogen en al dat soort larie te hebben. Je schrijft of je schrijft niet; je kunt het of je kunt het niet. En als je onder deze laatste groep valt, dan is het jammer, maar dit houdt niet in dat je het moet opgeven, zeker niet als het jouw passie is.’

‘Dit is een beknopt seminaartje van je waarvan elke schrijver blij zou zijn deze gevolgd te hebben’, merkte Jasmijn op.

‘Ha, dank je. Maar het is gewoonweg helder denken, en daar heeft men mij niet voor nodig.’ Ze zette haar voeten op tafel en vouwde haar handen achter het hoofd. ‘In elk geval hebben seminaars geen plek in mijn leven.’ 

Ze bekeek Jasmijn’s profiel, het profiel dat haar zo bekend was en soms zo ondoorgrondelijk. Vaak kon zij het gezicht lezen, de stemming peilen naar de uitdrukking die erop was. Soms was het, echter, moeilijk te doorgronden wat er allemaal in dat hoofd rondging. Ze legde een hand om Jasmijn’s nek en masseerde deze zachtjes. 

‘Ben je heel erg teleurgesteld?’, vroeg ze toen.

‘Maaiborg bedoel je? Nee. Je kunt het beter andersom zeggen, dat ik blij verrast zou zijn als ik wel informatie had gekregen.’ Ondanks haar woorden, liet ze zich een diepe zucht ontvallen. ‘Een beetje vervelend voel ik me er op dit moment wel over, maar dat gaat weer voorbij.’ 

Na een tweede zucht, zei ze:

‘Misschien is het wel goed dat die informatie er niet meer is.’

‘Hoe bedoel je?’

‘Ik weet het ook niet precies... Misschien wordt er een beerput aan ongewenste informatie over me uitgestort en daarop zit ik werkelijk niet te wachten.’

‘Aan de andere kant’, begon de eeuwige optimistische Lotte, ‘kan het zijn, dat jij een buitenechtelijke dochter van ex-koningin Beatrix bent en nu dus de rechtmatige opvolgster van in het koningshuis.’

‘Mmh, daar zit iets in. Zullen we een coup plegen?’

‘Op iets waarop jij vanwege jouw afkomst recht hebt?’ 

Lotte keek haar vragend aan.

‘Je hebt gelijk.’ 

Jasmijn schoof onderuit, glas in haar hand, en nam een slok. Na de dag die zij had gehad, was deze rust, dit geleuter met haar vrouw een welkome afwisseling. 

‘Vreemd, eigenlijk...’, begon ze.

‘De meeste dingen zijn vreemd’, beaamde Lotte zonder haar uit te luisteren. ‘Opgeblazen kogelvisjes in de straat vinden na een regenbui is vreemd.’

‘Meer bizar, eigenlijk.’

‘Een bizarre manier van vreemd zijn. Maar wat vind je vreemd, lief?’

‘Ehhh, waar hadden we het over?’

‘Dat jij een uitmuntende koningin zou zijn.’

‘Oh ja, ja. Ik bedoel dat opvolgen van het oudste kind als de heersende ouder letterlijk het scepter erbij neergooit. Wij zijn er zo aan gewend, dat we dit voor normaal aannemen.’

‘Wat eigenlijk nog erger is dan erfopvolging, of sterker nog: gênanter, zijn die ouwe rockers waarvan de kinderen nu meespelen in de band. Er was een moment dat rockers televisies uit hotelraam flikkerden en het volgende moment zit je met een couscoussalade in de hand met je zoon te praten over het optreden van eerder die avond.’ Ze schudde het hoofd. ‘Gênant... Misschien is pathetisch de beste omschrijving hiervan.’

‘Daarom is het maar goed dat wij geen dochter hebben’, merkte Lotte op. ‘Ik zou haar afmaken als zij schrijft en beter verkoopt dan ik.’

‘Er schrijft niemand beter dan jij.’.

‘Gelukkig kan ik altijd op jou vertrouwen om een gevoel van onbehagen bij mij weg te halen.’

‘Je bent jaloers op jouw imaginaire dochter.’ Ze schudde het hoofd. ‘En ik ben degene die in een instituut is gestopt. Merkwaardig.’

 

32. 

      Het was rustig in de winkel, zoals meestal het geval was in de tweede helft van de middag. Haaye zat lezend onderuit, Marleen was op bezoek bij Inge, en Jasmijn lummelde aan haar werktafel, genietend van een mok thee. Ergens in de winkel was meneer Van Zanten te vinden, maar ook hij maakte nauwelijks geluid, alleen als het omslaan van een bladzijde tegen het stof van zijn colbertje kraste. 

Jasmijn zette haar mok neer en haalde haar vibrerende mobiel uit haar broekzak.

‘Ha lief’, zei ze.

‘Hai. Alles goed?’

‘Prima.’ Haaye sloeg een snelle blik naar de hoek en las verder. ‘Met jou?’

‘Ook. Ik bel effies om te zeggen, dat ik straks naar Hans ga. Er schijnt een crisis situatie met Ria te zijn.’

‘Welke ex is dat ook weer?’

‘Ex nummer drie.’

‘Okee.’

‘Ik ga pas als Hans uit zijn werk komt, dus dat zal rond een uur of vijf, half zes zijn.’

‘Je bent niet thuis voor het eten?’

‘Precies.’

‘Dan zie ik je later wel.’

‘Mooi. Ik eet wel een hapje bij hem. Zie je straks weer, lief.’

‘Tot straks.’ 

Ze borg haar iPhone weer op. Dit was een mooie gelegenheid om de verrampeneerde boeken in orde te maken. Thuis leek zij hier niet aan toe te kunnen komen en het toeval wilde, dat ze hen vanmorgen in een AH tas mee terug naar de winkel had meegenomen.

Haaye sloot zijn boek, stond op en rekte zich uit. Hij pakte zijn jas en tijdens het aandoen, liep hij naar Jasmijn.

‘Ik hou het voor gezien voor vandaag’, zei hij. ‘Zal ik de waterkoker vullen voor nog een bak thee?’

‘Nee, dank je. M’n blaas maakt al overuren vandaag.’ 

Alleen de gedachte al aan weer een mok thee deed haar popelen om naar het toilet te gaan.

‘Dan zie ik je morgen weer. Fijne avond nog.’

‘Jij ook, dank je.’

‘Fijne avond, meneer Van Zanten’, riep hij van verre.

‘Ik loop een stukje met je op.’ 

De man zette het boek terug in de kast. Haaye bleef op hem wachten en gezamenlijk liepen ze de winkel uit. 

Na hun vertrek ging Jasmijn snel naar boven om haar blaas te legen en liep snel terug naar beneden, toen Marleen de winkel binnen kwam.

‘Dat gaat vlot’, merkte deze op, om zich heen kijkend. 

‘Haaye is net weg.’

‘Ik kwam ‘m buiten tegen.’ Ze keek naar de klok. Het liep tegen half vijf. ‘Tijd voor een drankje. Wil jij ook wat of ga je zo naar huis?’

‘Geef mij ook maar wat; er zit thuis niemand op mij te wachten.’

‘Dat klinkt bijna zielig.’

‘Maar niet desperaat, hoop ik.’

‘Zeker niet. Tic erin?’

‘Doe maar.’ 

Jasmijn pakte de boeken uit de tas en zette deze op tafel. Van een aantal moest niet meer dan de rug vastgezet worden, maar een stuk of drie zagen er behoorlijk gehavend uit. Ze zette die apart om er zich morgen samen met Haaye over te buigen. Ze sloot het inventarisboek en maakte plaats voor de glazen drank. Marleen trok er een stoel bij en ging aan de smalle kant van de tafel zitten.

‘Effies lekker, zo’n rustmoment’, zei ze.

‘Daar drink ik op.’ 

Jasmijn hief het glas naar haar en nam een slok.

‘Alles goed gegaan gisteren?’, vroeg Marleen na de toost.

‘Ja. Het was een gekke dag.’ 

Omdat er verder niet op ingegaan werd, zei ze:

‘Je bent dus een beetje weduwe vanavond.’

‘Er schijnt een familiecrisis te zijn met Lotte’s broer, en daar hou ik me liever buiten. Ik heb het niet zo op familie.’

‘Degenen die ik heb, zitten ver weg’, merkte Marleen op en vulde lachend aan: ‘Gelukkig.’

‘Jij hebt ook niets met familie?’

‘Nah, ze storen me niet. We hebben een verjaardags- en kerstkaartenverhouding en wat mij betreft is dat voldoende. Op een gegeven moment groei je uit elkaar en dat is gezond.’

‘Ik zou het niet weten; ik heb nooit familie gehad dus ook niet die toestanden die ik wel eens met Lotte en haar broer meemaak.’

‘Er zijn ook leuke kanten aan familie hebben.’

‘Zoals?’

‘Als kind zijnde kerstcadeautjes uitpakken’, zei Marleen met een brede lach na de vraag lang overdacht te hebben. ‘En de grote kamer krijgen als de oudere zus het huis uitgaat.’ Ze hoorde de kerkklok slaan en keek op haar horloge. ‘Ga je naar huis? Zo niet dan kunnen misschien samen wat gaan eten.’

‘Okee. Leuk.’

‘Wat wil je? Ik heb achtereenvolgens een Chinees in de aanbieding, een pizza of een patatje.’

‘Een frietje gaat er wel in. Het is lang geleden dat ik dat heb genomen.’

‘Er is hier verderop een patattent waar ze Vlaamse friet verkopen. Enorm lekker.’ 

Ze opende een boek en liet de blaadjes langs haar vinger glijden totdat het weer dicht was. 

‘Heb je er veel werk aan?’, vroeg ze met een knikje naar de boeken.

‘Bedoel je qua inventaris of...?’

‘Het plakken.’

‘Valt reuze mee, op deze paar na.’ Ze wees naar de boeken aan de andere kant van de tafel. ‘Er zit een oude bij, een soort manuscript, en daar ga ik de tijd voor nemen.’

‘Welke is dat?’ 

Jasmijn pakte het boek en gaf het aan haar. Marleen bekeek het aandachtig. 

‘Ziet er aangetast uit’, was haar conclusie.

‘Zekers, maar het is altijd vreselijk mooi om te zien, zo’n oud boek.’ Ze pakte het terug en legde het weer op het stapeltje. ‘Het is geen vellum, maar gewoon papier. Even opzoeken welke methode er het beste hiervoor gebruikt kan worden.’

‘En de anderen?’

‘Een pleiade...’ Ze pakte het boek. ‘Wel zonde van zo’n boek. Maar ook die komt in orde.’

‘Mooi.’ Marleen nam een slokje en stond op. ‘He, sinds we het over het eten hebben gehad, heb ik trek. Ga je mee? We sluiten de tent voor vandaag.’

Nog geen tien minuten later liepen ze zij aan zij buiten langs de winkels. De stoep was smal en Jasmijn liep er soms op en veerde dan weer naar de straat. Hoewel er dikke wolken in de lucht hingen, was de temperatuur aangenaam en bijna warm te noemen.

‘Heeft Schimmel nog iets van zich laten horen?’, vroeg ze bij het binnenlopen van de frieterie.

‘Nee. Hij heeft nog één keer gebeld om te vragen of ik de overvallers nog had teruggezien en of het boek al boven water was gekomen’, antwoordde Marleen. ‘Wat wil jij?’

‘Een vlaamse friet, natuurlijk, en... effe kijken of ze hier groentekroketten hebben.’

‘Die hebben we’, zei de jonge vrouw aan de andere zijde van de toonbank.

‘Dan een vlaamse friet en twee kroketten’, zei Jasmijn.

‘Doe mij maar hetzelfde.’

‘Meenemen? Okee, en mosterd bij de kroketten?’

‘Nee, die heb ik thuis’, antwoordde Marleen. 

Het meisje deed de frieten in het vet en Jasmijn rekende af.

‘Ik vraag me af wat er met dat Poolse boek aan de hand is’, zei ze tegen Marleen.

Beiden leunden met de rug tegen de wand naast de evenementenkalender van Alkmaar.

‘Geen flauw idee, maar als men bereid is daarvoor in te breken, zal het geen Havank zijn waarvan er duizenden van de pers zijn gekomen.’

‘Of Konsalik’, vulde ze grijnzend aan.

‘Mijn persoonlijke favoriet.’ 

Marleen lachte. Als ze lachte, kreeg ze lachrimpels naast haar mond die haar gezicht nog aantrekkelijker maakte in Jasmijn’s ogen. Hieraan denkend, vroeg ze:

‘Heb je Sonia nog gezien na die laatste keer?’

‘Nee.’ Ze schudde het hoofd. ‘Volgens mij zit zij overal achter.’

‘Dat vermoeden had ik ook. Hoezo denk jij dat?’

‘Het viel me op dat telkens als ik met haar ging drinken, ik de volgende dag wakker werd zonder te weten wat er de avond ervoor was gebeurd. En ik voelde me altijd ziekelijker dan ik normaal doe met een kater.’

‘Je denkt dat ze wat in jouw drankje heeft gedaan?’

‘Zeker weten. Ik heb het met José over gehad en...’

‘Eh, José?’, onderbrak Jasmijn haar.

‘Die politieagente die bij me was toen ik in huis was overvallen.’

‘Oh, die, ja. En?’

‘Haar vermoeden is, dat er iets in werd gedaan in de geest van rohypnol.’

‘Ach jezus, puur vergif, man.’

‘Zeg dat wel. Als ik het laatste glas dat zij voor mij had gemaakt had gedronken, had ik waarschijnlijk niets meegekregen van de overval.’

‘Heb je de inhoud daarvan nog laten onderzoeken?’

‘Nee. Ik had het al weggegooid toen ik er met José over begon.’

‘Jammer. En je weet zeker dat ze dat illustere boek zochten?’

‘De manier waarop ze door mijn boekenkasten klauwden, laat hier geen twijfel over bestaan’, antwoordde Marleen. ‘Zeker niet nadat ze eerder de kasten in de winkel overhoop hadden gehaald.’

‘Je denkt dat het hier om dezelfde mensen gaat?’

‘Zeker weten. Of er moet een bende bibliofielen zijn die koste wat het kost een bepaald boek willen hebben, maar dat lijkt mij sterk.’

‘Het idee is wel grappig’, zei Jasmijn met een lachje. ‘Ik zie me van die bebrilde mannen met verwilderde haardossen, gewapend met boekleggers alle boekhandels aflopen om de eerste editie van  “de gebroeders Karamazov” te pakken te krijgen.’ 

Marleen grinnikte eveneens. Plots schoot er een gedachte door haar hoofd en ze voelde haar lichaam verstijven. Jasmijn was juist naar voren gestapt op het tasje van de toonbank te pakken, en had niet door wat er achter haar gebeurde. Pas toen ze zich omdraaide en Marleen’s strak starende blik ving, vroeg ze wat er was. Marleen antwoordde niet, liet Jasmijn met een knikje van het hoofd weten dat ze naar buiten moesten, ging haar voor en wachtte.

‘Dat boek dat je net liet zien’, zei ze.

‘Welk?’

‘Dat manuscript-achtige geval. Denk je niet dat we dat nader moeten bekijken?’

‘Huh? Je denkt dat...’ Jasmijn maakte haar zin niet af.

‘Zou heel goed kunnen’, antwoordde Marleen, langzaam knikkend. 

Naast elkaar liepen ze terug, de passen gehaaster dan op de heenweg. 

‘Het is zomaar een idee, maar dat boek valt enorm uit de toon naast al die andere boeken.’

‘Okee. Niet lullen, maar lopen’, klonk Jasmijn’s advies. 

Marleen opende de deur naar de winkel. Zodra beiden binnen waren, sloot ze de deur snel achter zich en zette meteen het alarm aan. Jasmijn liep door naar haar tafel en deed het licht aan.

‘Licht uit, Jas’, beval ze direct. ‘Sinds de overval heb ik het gevoel dat ik in de gaten word gehouden en we zitten hier in een vissenkom als het licht aan is.’ 

Het lampje werd meteen gedoofd. Jasmijn pakte het boek en met dit in de ene, de tas met eten in de andere hand, volgde ze Marleen naar boven.

Ze legde het boek op de tafel in de woonkamer en vertrok naar de keuken voor de mosterd. Alles goed en aardig maar ze stierf van de honger. Marleen draaide de luxaflexen half dicht en riep haar na:

‘Mosterd staat in het kastje links van de wasbak en mayo in de koelkast.’ 

Ze deed het licht aan en ging op de bank zitten, starend naar het manuscript. Jasmijn zette de mosterd en mayonaise neer en wisselde een blik met haar.

‘Denk je dat dit het is?’, vroeg ze.

‘Misschien... Waarschijnlijk. Dit is het enige boek dat uit de toon valt tussen alle anderen.’ 

Ze pakte haar plastic bakje friet aan.

‘Wil je het op een bord?’

‘Nee, is goed zo.’ 

Met een vorkje schepte ze mayo op haar friet en nam een hapje. Het was heet. Door haar open mond liet ze koele lucht naar binnen stromen.

‘Hoe bedoel je: uit de toon vallen?’, vroeg Jasmijn toen zij naast haar ging zitten.

‘Het zit zo: de overige boeken zijn pleiades, sets van –gut, hoe heet die reeks ook weer, die van die Latijnse en Griekse boeken. Er zijn privé domeins en de Russische bibliotheek. Dat was allemaal van die overleden bibliofiel, weet je nog, toen jij tegen de grond werd gelopen door onze Poolse vriend. En als er dan zo’n boek als dit tussen zit dan zet het mij tot denken aan.’

‘Er waren ook nog anderen’, herinnerde Jasmijn haar eraan.

‘Klopt, maar je kent bibliofielen: alles moet een reeks zijn, een serie. Als deze bibliofiel zo’n boek had gehad…’ ze wees naar de tafel ‘…dan zouden het er meerderen zijn geweest. Was dit het enige boek dan zou hij het apart hebben gehouden.’

‘Je kent bibliofielen, maar ken jij daarnaast ook de onnozele familie van een bibliofiel?’ 

Jasmijn nam een hap van haar kroket, kauwde het vlot weg en vervolgde: 

‘Ze smijten alles bij elkaar omdat ze er niet snel genoeg geld voor kunnen binnen harken. Maar ik snap waar je naartoe wilt’, zei ze er snel achteraan toen Marleen de mond opende om hier iets tegenin te brengen. ‘Vraag blijft: wat is het?’ 

Ze keken elkaar aan. Marleen sloeg de omslag voorzichtig open. De titelpagina was met inkt beschreven. Jasmijn boog zich verder voorover maar het lukte haar niet op te maken wat het was.

‘Wat voor taal is dat in godsnaam?’, vroeg Marleen uiteindelijk.

‘Als we van het type boef uitgaan dat de laatste tijd om ons heen hangt’, antwoordde Jasmijn, ‘is mijn waarschijnlijk niet geheel de plank misslaande gis: Pools.’

‘Pools.’ Marleen knikte. Jasmijn’s  deductie kon een juiste zijn. ‘Mooi. Ken jij Pools?’

‘Helaas. Het toeval wil dat ik een paar maanden geleden ben begonnen met Pools te leren, maar het is er totaal bij ingeschoten.’

‘Waarom wilde je Pools leren?’ 

Marleen keek haar verbaasd aan. Ze trok de schouders op en zei:

‘Het is wat anders. Ik hou er wel van om niet de al te platgelopen paden te betreden.’

‘Maar je bent er niet mee verder gegaan.’

‘Klopt. Na dobzre en jutro wieczorem is mijn kennis uitgeput.’ 

Ze lachte en vroeg wat het betekende.

‘Geen flauw idee meer’, zei Jasmijn met een grijns. ‘De klanken waren mooi, dus die heb ik onthouden. En daar stopt mijn kennis van alles wat Pools is.’

Al etende sloeg Marleen de volgende paginas open. Alles was in inkt geschreven. Beiden probeerden hier en daar een woordje eruit te pikken, maar de taal was onleesbaar, mede door de zwierige handgeschreven letters. Het manuscript zelf maakte een verweerde indruk. 

Marleen voelde een pagina tussen haar vingers, en vroeg:

‘Vellum, denk je? Oh nee, jij dacht niet aan vellum.’

‘Nee. Mijn eerste indruk is papier.’

‘Dat was ook de mijne. Het voelt stevig aan; vandaar dat ik dacht dat het vellum was. Het is knap oud, maar hoe oud… Enig idee?’

‘Sorry, nee. Ik zou het niet durven zeggen.’ 

Ze bestudeerden de titelpagina aandachtiger dan voorheen, op zoek naar een datum, desnoods een indicatie ervan.

‘Kazi...’, begon Marleen, de letters bijna één voor één oplezend, ‘...mi... Is dat een e?’, vroeg ze, om na Jasmijn’s knikje te vervolgen met: ‘...erz. Wat spelt dat: Kazimierz?’

‘Inderdaad.’

‘Kennen we een Kazimierz?’ 

Met onderzoekende ogen keek ze Jasmijn aan.

‘Niet persoonlijk’, antwoordde deze met een schuin glimlachje. ‘Ik ken wel Hendrik Casimir, helaas ook niet persoonlijk. Die is bekend van zijn supergeleiding model.’

‘Ik begrijp bijna waar je het over hebt’, zei Marleen zonder overtuiging.

‘Hendrik Casimir was een Nederlands natuurkundige. Ik hou ervan dit soort dingen te weten. Maar onze brave Hendrik was van een later tijdperk dan dit papier, dus vermoedelijk zal het niet over hem gaan. Of we moeten met een Poolse Nostradamus te maken hebben, de man van de vage gissingen die men nu voor waar aanneemt.’

‘We gaan er vanuit dat het Pools is?’

‘Ik dacht dat we het daar over eens waren. Ken jij iemand die Pools kent?’

‘Nee’, zei Marleen hoofdschuddend. Toen: ‘Inge heeft een schoonmaakster en die is geloof ik Pools.’

‘Mooi. Misschien dat zij hier wijs uit kan worden.’ 

Jasmijn pakte haar laatste kroketje op en besmeerde het met mosterd. Marleen ging achteruit zitten en vouwde de armen over het hoofd. 

‘Wat een toestand, zeg.’ 

Ze keek opzij naar Jasmijn, naar het profiel van de vrouw die zij ten volle vertrouwde. Sommige mensen straalden iets uit waardoor zij wist, dat het goede mensen waren, en Jasmijn viel onder dit selecte groepje. 

‘Hoe gaan we het aanpakken, Jas?’, vroeg ze. ‘De schoonmaakster het boek onder de snufferd schuiven en vragen wat er staat?’

‘Dat is de eenvoudige manier.’ Ook Jasmijn leunde naar achteren en trok een been onder zich. ‘Maar ten eerste is het een oud boek dus voorzichtig zijn is hierbij de hoofdmoot. Ten tweede is een andere reden om voorzichtig te zijn: mocht dit daadwerkelijk het boek zijn waarvoor ruige types met immense tatoeages inbreken dan is het niet verstandig om hiermee rond te zeulen.’ 

Marleen moest toegeven dat zij hier een punt had. 

‘Heb jij een idee?’, vroeg ze uiteindelijk. ‘Wil je trouwens iets drinken?’

‘Nee, ik ga zo naar huis toe, dank je. Ehmm, we kunnen kopietjes maken van een paar bladzijden en deze de schoonmaakster voorschotelen.’

‘Goed idee, maar ik heb niets waarmee je kopieën kunt maken.’

‘Wij wel, thuis. Wat dacht je ervan als ik het mee naar huis neem, een paar kopietjes maak en het boek op een veilige plek weg leg?’

‘Vind je het niet eng?’, vroeg Marleen nadat ze dit voorstel knikkend had ontvangen.

‘Ik maak wel vaker kopietjes.’ 

‘Ik bedoel’, vervolgde ze lachend, ‘om met dit boek over straat te gaan?’

‘Omdat jij het gevoel hebt in de gaten te worden gehouden?’

‘Het is niet een gevoel; ik weet gewoon dat dit zo is.’

‘Ik geloof je.’ Jasmijn stond op. ‘Ik zal het boek in een onnozel nietszeggend plastic tasje doen en daarmee naar de auto lopen. Misschien dat deze handeling de boeven op het verkeerde pad brengt.’

‘Misschien werkt dat’, beaamde Marleen en stond eveneens op. 

Jasmijn pakte het boek van tafel en ging haar voor de trap af. Bij de tafel aan gekomen pakte ze een plastic tasje uit haar schoudertas, en pakte het boek. 

‘Is de deur open?’, vroeg ze. 

‘Momentje...’

Marleen liep met de sleutel in de hand naar de deur.

Jasmijn sloeg de band van haar schoudertas kruislings over haar lichaam, pakte haar autosleutel en liep naar de deur.

‘Als ik niets mee van jou hoor’, zei Marleen, de deur van het slot halend, ‘dan weet ik in elk geval dat dit het boek was waar men naar zocht, dat je het hebt verkocht en nu in Brazilië zit.’

‘Correct op een aantal punten na’, zei Jasmijn. 

Ze leunde tegen de zijkant van de open deur en keek naar Marleen. Koele buitenlucht zwiepte naar binnen. Marleen’s ogen straalden in het witte licht van de maan. 

‘Morgen kom ik gewoon werken, heb dan kopietjes bij me, en wat moet ik in hemelsnaam in Brazilië doen?’

‘Mojitos drinken’, suggereerde Marleen.

‘Die verkopen ze ook bij Aarnoud. Tot morgen.’

‘Tot morgen.’ Een momentlang legde Marleen haar hand rond Jasmijn’s bovenarm. ‘En doe voorzichtig.’

Jasmijn liep bij de winkel vandaan en luisterde naar het sluiten van de deur waarna ze in een vlottere pas naar de parkeerplaats er doorliep. Ze ging de brug over en kruiste het plein. Het plastic tasje had ze eenmaal om haar hand geslagen zodat ze er een steviger greep op had. 

Haar auto was de enige die nog op de kleine parkeerplaats achter het plein stond. Daar aangekomen, keek ze om zich heen. Ze zag een man zijn hond uitlaten en een jong stel dat over straat slenterde. Tevreden knikkend opende ze de deur aan de passagierskant en schoof haar schoudertas op de stoel. Terwijl ze dit deed, legde ze de plastic tas op het dak van de auto. De deur weer sluitend, strekte ze tezelfdertijd haar andere hand uit naar het tasje toen er bijna onhoorbare snelle stappen achter haar klonken en het tasje onder haar vingers vandaan werd gegrist.

‘Hee hee!’, riep ze. 

De man met de hond keek op. Het jonge stel liep onverstoorbaar verder. De stille voetstappen verdwenen in de duisternis. 

‘Godverdomme!’, vloekte ze en sloeg met haar vlakke hand tegen het metaal. 

Vloekend stapte ze in, reed het parkeervak uit en langs de gracht naar de weg. Daar maakte ze vaart tot aan het laatste stoplicht voordat de grote weg begon. Stilstaand voor het licht boog ze haar lichaam naar achteren, pakte een voorwerp vanachter haar broekriem vandaan en stopte deze snel in haar schoudertas. Het boek van Kazimierz had de aanslag overleefd.

 

33. 

     ‘Waar ben je?’, vroeg Lotte.

‘Op weg naar huis.’

‘Kun je me bij Hans op komen halen?’

‘Zijn de kinderen er?’ 

Na een kort grinnikje, zei Lotte:

‘Nee, alleen Hans en ik.’

‘Okee. Ik ben er met een half uurtje.’

‘Mooi. Zie je zo.’

‘Oh, trouwens: ik blijf buiten in de auto op je wachten. Ik leg straks wel uit waarom.’

‘Spannend. Tot straks.’

De verbinding werd verbroken en Jasmijn gaf de weg weer haar volle aandacht. 

Het viel haar zelf op, dat ze veelvuldig in de achteruitkijkspiegel tuurde. Dit gebeurde vaker dan normaliter het geval was. Het leek erop dat niemand haar auto volgde. Dat type die het plastic tasje met inhoud van haar had meegestolen, moest er inmiddels wel achter zijn dat hij een Agatha Christie omnibus te pakken had. Hoe dit ontvangen werd? Het zou ofwel in de boekenkast thuis tussen de anderen geschoven worden, ofwel werd het geïrriteerd opzij geslingerd. 

Hoe wisten ze dat zij het boek bij haar had? Was het een gok geweest of wilden ze iedereen die met een boek de winkel uit liep overvallen? En wie waren “ze”? Te veel vragen op deze avond. Ze had zin in een vakantie of een wellness weekendje, samen met Lotte. Gewoon luieren en in slaap vallen, waar en wanneer ze wilde.

Met een vluchtige blik opzij zag ze dat ze werd ingehaald door een Smart. Deze had een aantal kilometers achter haar gezeten en kwam nu langszij, langzaam, aangezien de Smart niet al te veel trekkracht had. Het licht van de lantaarns gaf het zicht op twee jonge mannen die lachend naast elkaar zaten, zonder enige aandacht voor haar. Toen zij voor haar invoegden, minderde ze ongemerkt vaart. De Smart reed gestaag van haar vandaan en ze kon weer opgelucht ademhalen.

Ze was blij eindelijk in de buurt van Beverwijk te zijn en reed in een drafje door. Het was rustig. Na een zigzag van straatjes stopte ze voor de deur van de woning van Hans en belde Lotte.

‘Ik ben er’, was het enige dat ze zei.

‘’k Kom eraan.’ 

Een paar tellen later ging de voordeur open. Ze zwaaide naar Hans. Lotte nam afscheid van haar broer en klikte een paar keer de deurhendel aan de passagierszijde heen en weer. Ze haalde het van het slot af en liet haar instappen. Lotte pakte de schoudertas van de zitting en legde deze op haar schoot voordat ze Jasmijn kuste.

‘Wat is er allemaal zo geheimzinnig vandaag?’, vroeg ze toen ze de straat uit reden.

‘Zo meteen’, zei Jasmijn. ‘Eén verzoek: hou m’n tas goed vast, alsjeblieft. Ik ben vanavond al bestolen.’

‘Meen je dat nou? Wat hebben ze van je meegenomen?’

‘Straks.’

‘Oee, je bent lekker spraakzaam vanavond.’ 

Lotte keek naar buiten en zweeg.

‘Hoe was het bij Hans?’

‘Ach man, dat wil je niet weten. Linda, da’s z’n derde, had sinds een tijdje een nieuwe vriend en deed daar heel geheimzinnig over. Bleek dat die kerel getrouwd was en er nog een vriendin naast haar op na hield.’ 

Jasmijn schoot in de lach. 

‘Dat was ook mijn reactie’, gaf Lotte grinnikend toe, ‘maar ze was er knap van streek van en zoek dan de janlul van de familie op om bij uit te huilen, en komt uiteraard bij Hans terecht.’

‘Gotgotgot’, zuchtte Jasmijn. ‘Hoe kwam ze er eigenlijk achter dat hij nog een andere vriendin had?’

‘Tezelfdertijd dat ze erachter kwam dat hij ook nog getrouwd was, en niet het plan had om te gaan scheiden. Yoga. Je weet dat al die dames van middelbare leeftijd yoga hebben ontdekt en ze is tijdens zo’n sessie of les, of hoe het ook heet in yoga kringen, aan de praat geraakt met een andere vrouw. En waar praten hetero vrouwen over als ze samen zijn?’ 

‘Mannen.’

‘Inderdaad. Wat goed van jou.’

‘Geloof me, schat, dat ik er geen flauw benul van heb wat er in het hoofd van een hetero vrouw rond gaat, maar dit leek me het enige juiste antwoord.’

‘Mijn hetero-kenner.’

‘Maar ga verder...’, drong Jasmijn aan voordat ze voorgoed van het onderwerp afdwaalden.

‘Van het éen kwam het ander: namen werden genoemd, een foto op de iPhone deed de ronde, en voor ze het wisten, bleek dat ze beiden met dezelfde man aan het scharrelen waren. Tranen met tuiten.’

‘Heeft ze die vent een knal voor z’n harses verkocht?’

‘Nee, dat doe je niet op middelbare leeftijd, alleen als je Italiaans bent. Ze heeft het meteen uit gemaakt, de sleutel terug genomen en lamme goedzak Hans gebeld om bij hem uit te huilen.’

‘Daar zal ie blij mee zijn.’

‘Je kent Hans’, zei Lotte schouderophalend: ‘Vooral geen confrontatie, dus hij zal haar niet lachend de deur wijzen en een “ik zei het toch” naar haar toe gooien.’

‘Elke hetero vrouw heeft een Hans nodig.’ 

Jasmijn reed de parkeerplaats op en stalde de auto naast het electriciteitshuisje. Beiden stapten uit. Lotte deed Jasmijn’s tas om haar schouder en sloeg er een arm omheen. Ze liepen het pad op langs de omheinde tuintjes naar de toegangsdeur van hun flat. Terwijl zij de post uit de bak haalde, liep Jasmijn door naar boven, opende de deur en ging naar binnen. Een paar seconden later kwam ook Lotte binnen.

‘Nou, vertel’, zei deze meteen. 

Jasmijn sloot de gordijnen voordat ze het licht aandeed. 

‘Wacht effies, eerst een drankje. Jij ook eentje, Jassie?’

‘Lekker.’ Ze pakte de schoudertas en ging op de bank zitten. ‘Je weet van al die dingen die we de laatste tijd in de winkel hebben meegemaakt?’, begon ze met een blik naar de keuken. Lotte knikte.

‘Inbraken, vernielingen, bedreigingen, gescheurde bovenlip van jou -laten we die niet vergeten’, somde ze op. ‘En mensen maar zeggen dat boeken saaie dingen zijn.’ 

Ze kwam met twee glazen uit de keuken en plofte naast haar neer. 

‘Op het saaie boekleven, lieverd’, toostte ze.

‘Op ze.’ 

Jasmijn nam een slok en merkte dat Lotte zoals gewoonlijk niet scheutig met de wodka was geweest. 

‘Vandaag’, vervolgde ze, ‘hebben Marleen en ik vermoedelijk het boek gevonden waarom de halve wereld vecht.’

‘Werkelijk? Wauw. Is het er eentje van mij waar men om vecht?’

‘Helaas, hoewel jouw boeken dat wel waard zijn.’

‘Het is heerlijk om met jou getrouwd te zijn.’ 

Lotte kuste haar wang. Jasmijn haalde voorzichtig het boek uit haar tas en legde het op de voetenbank. Met de ellebogen steunend op haar bovenbenen boog Lotte zich voorover om het boek beter te kunnen bekijken. 

‘Waanzinnig’, zei ze zacht. ‘Pools, denk je?’

‘Volgens Mar en mij wel’, bevestigde Jasmijn. ‘Eenvoudige deductie: de winkel wordt onder de voet gelopen door Polen en ervan uitgaande dat ze niet de laatste blauwe bandjes willen hebben...’

‘Uh-huh, mijn idee. Mag ik eraan komen?’

‘Uiteraard, maar wel voorzichtig. Ze heeft al wat geleden toen ze in mijn broekband verstopt zat.’

‘In jouw broekband?’

‘Moest wel, omdat er onaangename types de winkel in de gaten houden volgens Marleen.’

‘Nah, dat kan een reactie van haar zijn als gevolg van die gasten die bij haar zijn binnengedrongen. Erg genoeg, natuurlijk, maar om daaruit te concluderen dat ze de winkel polsen is misschien een beetje ver gezocht.’

‘Misschien. Maar omdat ik vanavond van een boek ben beroofd, heb ik wel de neiging Marleen de voordeel van de twijfel te geven.’

‘Wat? Is dat waar je het daarstraks over had en dat vertel je me nu pas?’ 

Met een verwijtende blik keek Lotte naar haar.

‘Niets aan de hand. Ze wilden dit boek; ik heb ze ander leeswerk voorgeschoteld.’

‘Hoe is--wat is er gebeurd dan?’ 

Jasmijn vertelde hoe het boek van haar vandaan gegrist werd, hoe ze dit verwachtte en waarom zij het andere boek, het boek waar het om ging, op haar lichaam had gedragen. 

‘Jezus, Jas, ik word niet blij van dit soort verhalen.’ 

Vertwijfeld schudde Lotte het hoofd.

‘Ik ben er toch goed vanaf gekomen?’, bracht Jasmijn hier tegenin.

‘Nu. Nu wel, maar wat van een volgende keer? Ongetwijfeld gaat er een volgende keer komen en dan wat dan; moet ik jou dan van de straat aflepelen?’

‘Je ziet hoe voorzichtig ik ben.’

‘Daar gaat het niet om; het gaat er om hoe de tegenpartij is. Als jij het spel volgens de regels speelt en de tegenstander heeft daar lak aan en we hebben een scheidsrechter die meer belang heeft bij de sponsors dan bij de wedstrijd, heb je grote kans dat jij met een paar kapotte knieën van het veld afgedragen wordt.’

‘Voor iemand met nihil kennis van sport, breng je een aardige beeldspraak naar voren.’

‘Ik weet niets van sport, maar alles van vuil spel. Vuil spel is tegenwoordig sport, vergeet dat niet. Als je met rottigheid weg kunt komen, ben je volgens de vox populi een slimme gast. Waarom denk je dat al die wielrenners dope gebruiken? Omdat ze ermee wegkomen en het klootjesvolk hen blijft toejuichen. Zo is het leven nu eenmaal. Maar het interesseert mij geen lor wat er met een paar kloothommels op een fiets gebeurt; waar ik me zorgen om maak, is de kans dat er jou iets kan overkomen.’

‘Ik zal er voor zorgen dat dit niet gebeurt. En kom alsjeblieft niet weer met sport vergelijkingen’, zei Jasmijn er snel achteraan toen Lotte de mond opende.

‘Okee. Ik kap ermee’, zei ze. ‘Laten we alles pragmatisch bekijken en bedenken wat er nu gaat gebeuren. Wat hebben jij en Mar zoal bedacht?’

‘We hadden het idee om een kopietjes te maken van een aantal bladzijden om deze aan de schoonmaakster van Inge te laten zien.’ 

Zodra Jasmijn dit plan had uiteengezet, schoot Lotte in een schaterlach.

‘Fantastisch!’, zei ze, nog steeds lachend. ‘Al zou ik uren aan m’n bureau zitten: zo’n zin kan ik niet bedenken. Laten zien aan de schoonmaakster van Inge... Wie leidt jullie bende: de accountant van Buko?’

‘Okee, je hebt je hilarisch momentje gehad’, merkte Jasmijn op, desondanks grinnikend om de aanstekelijk lach. ‘Wat ik vergat te zeggen, is dat de schoonmaakster van Poolse afkomst is. We hopen dat zij in elk geval kan zeggen wat dit voor boek is.’

‘Ik begrijp het’, zei Lotte, nahinnikend. ‘Maar is dat verstandig?’

‘Heb jij een beter plan?’

‘Wat dacht je ervan om die politieman met die dure naam in te schakelen?’

‘Nee.’

‘Dat is het werk dat hij doet en waar hij goed in is.’

‘Nee.’

‘Fijn dat je het overweegt.’

‘Je weet dat ik een foeihekel heb aan autoriteiten en hoewel Schimmelpenninck minder ergerlijk is dan de meesten, blijft hij een autoriteit, iemand die zijn gezag te pas en te onpas kan laten gelden. Daar pas ik voor.’

‘Okee. Okee...’ Lotte stopte haar gezicht tussen haar handen en blies een lange stroom lucht uit. ‘Laat me even denken, lief. Pak jij intussen een paar chippies voor ons.’

‘Chipito?’

‘Nee, dat is gewoon de manier waarop ik kijk.’

Jasmijn stond hoofdschuddend op en liep de keuken in. Ze deed paprikachips in een bakje en vulde een ander met nibbits.

‘Weet je wat’, begon ze toen Jasmijn weer naast haar zat, ‘ik vraag onze vriend DuckDuckGo wie Kazimierz is.’ 

Ze pakte haar iPad erbij en tikte de naam in. Na lang turen, zei ze: 

‘Okee, Kazimierz is dus een Joods district in Polen.’

‘Probeer de naam met “schrijver” erachter’, stelde Jasmijn voor. 

Lotte deed wat er van haar werd verlangd en tuurde nogmaals.

‘Er is een schrijver Kazimierz Moczarski en eentje met de achternaam Brandys. Deze laatste ken ik overigens wel. Zijn boek “Rondo” heeft mij ooit eens geïnspireerd om een verhaal te schrijven over revolutionairen. Is er nooit van gekomen. Misschien dat ik het weer eens oppak.’

‘Is dat niet een beetje te serieus voor jou?’, vroeg Jasmijn.

‘Wie beweert dat het een serieus verhaal wordt? In elk geval zijn deze schrijvers van een latere tijd dan dit manuscript. Weet jij nog iets dat we in de omschrijving kunnen gebruiken?’ 

Ze keek naar Jasmijn die na een moment nadenken het hoofd schudde.

‘Ik heb de laatste paar dagen teveel informatie gehad’, zei ze, bijna verontschuldigend. ‘Mijn hersens zijn afgepeigerd. Verzoekje, lief: wil jij het boek opbergen waar niemand het kan vinden?’

‘Tuurlijk, ik verzin wel iets.’

‘Dank je. Nog een verzoekje: zou jij een paar bladzijden willen kopiëren zodat ik die morgen mee kan nemen? Dan ga ik nu naar bed.’

‘Komt voor elkaar. Kus’, zei Lotte toen Jasmijn opstond om naar bed te gaan. 

Ze kusten elkaar en Jasmijn ging door naar bed. 

Lotte maakte kopietjes en ging op de bank zitten, het boek op de zitting naast de hare, en dacht na.

 

34. 

     Haaye was verbaasd Marleen en Jasmijn al in de winkel te zien toen hij binnenkwam. Ze zaten naast elkaar aan Jasmijn’s tafel, de hoofden gebogen en groetten hem nauwelijks toen hij langs liep om zijn fiets in het berghok te stallen. Bij terugkomst ging hij naast hen staan en keek naar waar zij mee bezig waren.

‘Wa’s dat?’, vroeg hij uiteindelijk. 

Door de haarbossen heen kon hij niet goed zien welk boek zij lazen. Marleen overhandigde hem een vel papier en zei:

‘Kijk en huiver.’ 

Hij bekeek wat er op het blad geschreven was en van dit keek hij naar Marleen.

‘Is dit...?’, vroeg hij toen. 

‘Volgens ons wel.’

‘Jezus, man.’

‘Ik had het zelf niet beter kunnen verwoorden.’

‘Wat is het voor taal: Pools?’

‘Volgens ons wel. Inge’s schoonmaakster is Pools dus we dachten haar te vragen om uit te leggen wat er staat.’ 

Terwijl Marleen aan het praten was, bekeek Haaye het blad aandachtiger en pakte toen een volgende van Jasmijn aan.

‘Het is niet gedrukt. Ik denk dat het moeilijk te ontcijferen wordt wat er staat.’ Met de handen in zijn zij dacht hij na. ‘Weet je, ik heb een maat die veel connecties heeft met antiquariaten. Zal ik hem vragen of hij iemand kent die dit kan ontcijferen?’

‘Da’s een goed plan’, zei Marleen meteen. ‘Iemand die in het vak zit, weet waarschijnlijk beter hoe hiermee om te gaan.’

‘Is het wel verstandig om dit langs veel mensen te laten gaan?’, vroeg Jasmijn.

‘Nou ja, jullie wilden het aan een schoonmaakster laten zien’, merkte Haaye op.

‘Okee, maar een schoonmaakster weet misschien niet de significantie hiervan.’

‘Dat is wel heel erg stereotypisch.’

‘Je hebt gelijk, maar soms is hoeken afsnijden makkelijker dan een omweg nemen en op hetzelfde punt uitkomen. We kunnen natuurlijk van de premisse uitgaan, dat Inge’s schoonmaakster op dit moment Dante aan het lezen is, maar stereotypen zijn niet zomaar ontstaan, dus laten we die in acht nemen. Desondanks wil ik graag op een verpletterende manier teleurgesteld worden in mijn aanname.’

’Maar je vermoedt dat dit niet het geval zal zijn’, concludeerde Haaye.

‘Ik kan alleen maar hopen.’

‘Ik ben toch geneigd om met Haaye’s voorstel mee te gaan’, kwam Marleen tussenbeide. 

Jasmijn trok de schouders op. 

‘Iedereen akkoord?’ 

‘Okee’, zei Jasmijn.

‘Leg contact met die vriend van je’, zei ze tegen Haaye, ‘zodat we dit zo snel mogelijk opgeklaard hebben.’

‘En dan?’, vroeg hij.

‘Dan zien we wel verder.’

‘Waar is het origineel eigenlijk?’

‘Dat is veilig opgeborgen.’

‘He, jammer; die had ik graag in handen gehad.’

‘De pest is, Haay’, zei Jasmijn: ‘er zijn zovelen die dat willen.’

 

     De bus naar Beverwijk stopte bij het Julianaplein. Lotte stapte in. Ze ging in een stoel aan het gangpad zitten en staarde voor zich uit. Haar schoudertas lag op haar schoot, de band kruislings over haar lichaam gewikkeld. Met een ongeïnteresseerde blik keek ze wie er nog meer instapten. Er waren een paar kinderen die naar het station moesten om naar school te reizen. Vervolgens twee vrouwen, een man die ze van verderop uit de straat herkende, en een andere man met een plastic tasje waarin zijn brooddoosje zat en een gratis krant. 

De bus bleef een aantal minuten wachten waarna het langzaam optrok, het logge lichaam de hoek omdraaiend langs de Volkswagenbusjes van het uitzendbureau. Op de dorpsweide liepen paarden rond naast het afgeschermde deel waar schapen aan het grazen waren. 

De bomen langs de Zeestraat waren in volle bloei. De zomer was goed en wel begonnen. Ze hield van de zomer, hield ervan wekenlang de deur naar het balkon wagenwijd open te hebben en de geluiden van de straat te horen; hield ervan op het balkon te zitten met een drankje in het licht van de ondergaande zon.

Bij het station stapte ze achter de schoolgangers uit, liep het plein over en langs de flats naar de winkelstraat. Ze bleef voor de etalage van de schoenwinkel staan en zag de twee vrouwen en de man met de plastic tas door de winkelstraat lopen en haar passeren. Hierna stak ze over en ging de ING bank binnen. Na een tiental minuten glipte ze met een paar werklui mee naar buiten, liep de steeg door en de Meerstraat in om uiteindelijk via de Beverhof en toko Murni met een tas vol eten terug in de Breestraat te komen. Ze liep deze helemaal uit op weg naar het station, waar ze op de bus naar Wijk aan Zee wachtte. In totaal had haar uitstapje niet meer dan een klein uur geduurd.

 

35. 

     Jasmijn haalde de post uit de bus en bekeek de enveloppen vluchtig tijdens het naar boven lopen. Een envelop viel uit de toon; eentje die met pompeuze letters was verzonden namens het Ministerie van Justitie. Haar gedachten vlogen langs alle snelwegen waarop zij een verkeersovertreding zou hebben kunnen gemaakt, maar behalve schelden op de hufters in een BMW of Audi, kon ze zich niet herinneren iets gedaan te hebben dat niet netjes was. Pas bovenaan gekomen zag ze dat de brief aan Lotte geadresseerd was.

‘Ha, lief’, hoorde ze van binnen.

‘Hai.’ 

‘Nog iets interessants in de post?’, vroeg Lotte, opkijkend van haar makkelijke positie liggend op de bank.

‘Een dreigbrief van de officier van justitie’, zei ze. ‘Voor jou.’ 

Ze liet de brief op haar buik glijden en ging op de voetenbank zitten om de schoenen uit te doen.

‘Voor mij?’ Lotte schoot verbaasd overeind en bekeek het adres. ‘Wat is dat nou weer?’

‘Misschien is openmaken een optie.’ 

Toen ze haar wijsvinger onder de plakrand zette, griste Jasmijn de brief van haar vandaan, pakte de briefopener en maakte een strakke snede aan de bovenzijde. 

‘Deze dingen zijn niet voor niets op de markt gebracht’, merkte ze op, de opener naar haar ophoudend.

‘Pas maar op dat je er niet op gaat zitten’, was Lotte’s reactie. 

Ze las de brief, las het nogmaals tot aan de gedrukte handtekening toe en zei toen luid: 

‘Wat?’

‘Geen idee. Waar gaat het over?’

‘’t Is niet te geloven. De overheid wil de inhoud van mijn bankkluis nader bekijken--dit is een vrije vertaling van alle larie die ze hier in ambtelijke taal uitkramen--omdat het vermoeden bestaat, dat er zich daarin onoirbare zaken bevinden.’

‘Onoirbaar?’

‘Met o i.’

‘Da’s oud.’

‘Niet naar justitiële begrippen.’ 

Ze overhandigde de brief en staarde voor zich uit. Ze bedacht zich iets en pakte de envelop er nogmaals bij. Er zat geen stempel op of iets anders dat er op wees, dat het via de posterijen was gegaan. Er kwam een glimlachje rond haar lippen en ze stond op. 

‘Zullen we wat gaan drinken?’

‘Okee.’ 

Hoewel Jasmijn verbaasd was over de plotse ommekeer in haar houding, stond ze op en vroeg wat ze gingen doen.

‘Een biertje aan de overkant drinken, dus doe je schoenen maar weer aan.’ 

Twee minuten later staken ze de straat over naar het café-restaurant. Ze gingen in het midden van de zaak zitten en wachtten totdat de biertjes gebracht waren. Jasmijn nam een hap van de schuimkraag en hing gemakkelijk achterover op de bank.

‘Vertel’, zei ze toen.

‘Ik heb vandaag ons pakketje weggebracht’, begon Lotte. ‘Omdat ik na jouw verhaal van gisteren er zeker van wilde zijn, dat ik niet gevolgd werd, ben ik eerst bij de ING naar binnen gegaan. Daar heb ik m’n laatste manuscript in het kluisje opgeborgen om iets te doen te hebben. Toen ik klaar was, keek ik naar buiten. Effies een stukje terug: toen ik de bus inging, stapten een paar schoolkinderen, twee vrouwen en een man met een plastic tasje in zijn knuisten in. Bij het station ben ik uitgestapt en zowel de vrouwen als de man gingen met mij mee de Breestraat in. Ik bleef voor winkelruiten staan zoals winkelende mensjes doen en hield op die manier in de gaten wie er bleef hangen. Op wie is jouw geld?’, vroeg ze toen, een slokje bier nemend.

‘Ik zou denken de man met het plastic tasje, maar omdat dat teveel voor de hand ligt...’

‘Je hebt gelijk. Éen van vrouwen was doorgelopen, waardoor ik aanvankelijk dacht dat er niemand met mij mee was, maar toen zag ik de andere voor de etalage van die winkel met prullaria hangen. Je kent die winkel wel, een soort Kruidvat maar dan rommeliger. En je kunt veel zeggen, maar om vijf minuten voor die etalage te lummelen, is zelfs voor schoolmeisjes te lang.’

‘Denk je dat je werd achtervolgt?’, vroeg Jasmijn verbaasd nu het dubbeltje eindelijk viel.

‘Reken maar’, bevestigde Lotte knikkend. ‘Ik vermoed dat na gisteravond diverse lui alert zijn geworden, vooral omdat jij een boek liet meestelen waar men niet blij mee is.’

‘Dat zijn de boeven. Die brief is van het ministerie van justitie.’

‘Alsof dat geen boeven zijn. Maar dat maakt het juist ook zo leuk’, zei Lotte grinnikend hoewel de grap Jasmijn volledig ontging. ‘Door de ING in te gaan en daar wat in het kluisje te leggen, denkt men dat dat het boek moet zijn dat zij willen hebben.’

‘Maar justitie...’

‘Je lijkt wel een elpeetje waarvan de naald blijft hangen, lief. Natuurlijk justitie. Ga eens na: iemand breekt in een tweedehandsboekwinkel in en er wordt een hoofdcommissaris op de zaak gezet. Ik weet dat er een tekort aan mankracht is bij onze jongens en meisjes in het blauw, maar dit is belachelijk. Op een gegeven moment komt het boek tevoorschijn en, jou kennende, zul je er niet al te subtiel mee omgegaan zijn. Hierdoor zijn diverse mensen die toch al alert waren en alles interpreteren zoals zij dat willen, zelfs nog argwanender worden. Ongetwijfeld worden deze mensen op hun beurt weer door Neerlands blauw in de peiling gehouden, en van het éen komt het ander. Vandaag ging ik dus de stad in, breng een lange tijd in de ING door, langer dan geoorloofd is om twee tientjes uit de muur te trekken, en men wordt nog argwanender. Als dit doorgaat, kom ik zonder superlatieven voor argwanend te zitten.’ 

Ze zaten stil naast elkaar. Lotte keek over haar schouder toen ze iemand hoorde binnenkomen. Het was een dorpsgenoot die zijn koffie kwam afrekenen. Ze stopte haar hoofd weer dichter bij die van Jasmijn en zei zacht: 

‘Het boek ligt niet in de kluis, dus maak je daarover geen zorgen.’

‘Waar ligt het?’ Op deze vraag schudde Lotte het hoofd. ‘Okee, ik vraag niet verder. Maar wat nu?’

‘Verongelijkt doen en het ministerie van justitie vragen of ze niets beters te doen hebben.’

‘Had je me dit alles niet thuis kunnen vertellen?’

‘Misschien wel. Maar je kunt je natuurlijk ook afvragen hoe het komt dat men zo snel op de hoogte is van het gewilde pakketje.’ 

Na deze woorden knikte Jasmijn langzaam het hoofd. Lotte wachtte totdat het goed tot haar was doorgedrongen en zag de blik naast zich zeer donker worden. Jasmijn was een gepassioneerde vrouw, iets dat zij zich maar al te goed wist. Ze verwonderde zich er soms over wat er allemaal in dat hoofd omging.

‘We worden afgeluisterd.’ 

Het was geen vraag, maar vroeg wel om een bevestiging.

‘Geen idee. Misschien onze telefoons, maar geen idee.’

‘Gotverjume!’

‘We moeten gewoon onze ding blijven doen, Jassie, om geen argwaan op te wekken. Weer dat woord.’ 

Ze grinnikte, maar Jasmijn was niet geamuseerd. 

‘Zie het maar zo, Jas’, vervolgde ze, een hand over de handen van haar vrouw heen leggend: ‘Dit wordt weer een mooie verhaallijn voor mij.’ 

Na deze opmerking hoorde ze wel een lachje.

‘Je hebt gelijk.’

‘Da’s meestal zo.’

‘En hebt teveel praatjes.’

‘Ook dat is waar.’

‘Zullen we hier blijven eten?’

‘Kan. Aan de andere kant heb ik een tokootje in huis gehaald, dus...’ 

Ze had haar zin nog niet afgemaakt of Jasmijn had haar glas leeg gedronken en stond op om te betalen.

 

36. 

     ‘Met Jasmijn Bendelof.’ 

Het was een onbekend nummer dat haar belde. Ze ontspande haar vingers en leunde achterover om haar rug te rekken. Het was aangenaam warm in de winkel en hoewel de zon haar niet bereikte, genoot ze van de stralen die langs de zonwering naar binnen glipten.

‘Jasmijn?’, hoorde ze aan de andere kant. Het was een bekende stem hoewel ze die niet een-twee-drie kon thuisbrengen.

‘Klopt’, zei ze.

‘Met Willem. Willem uit Den Haag.’

‘Hee, Willem, jongen. Hoe is het?’

‘Goed. Kun je langskomen?’

‘Wanneer; vandaag?’

‘Ja.’

‘Even kijken...’ 

De antiquair zou over pakweg twee uurtjes in Alkmaar komen en ze was razend nieuwsgierig naar wat hij had te zeggen. Een trip heen en weer naar Den Haag ging ze in die korte tijd niet redden.

‘Je zei dat ik kon bellen als ik je nodig had’, hoorde ze hem zeggen. 

Dat was de pest met autisten: ze namen elk woord dat je uitsprak letterlijk, daar waar de rest van de wereld het nooit zo nauw nam. Dat gezegd hebbende, wist men in elk geval waar men met autisten aan toe was.

‘Het komt momenteel moeilijk uit’, zei ze uiteindelijk.

‘Oh.’ 

Hoe éen woordje zoveel teleurstelling met zich kon brengen.

‘Maar’, voegde ze toe, ‘ik kom er aan. Met een uurtje ben ik bij je. Waar ben je eigenlijk?’

‘In Maaiborg.’

‘Okee, Willem. Ik zie je daar straks.’ 

Hij verbrak de verbinding zonder verder iets te zeggen. Jasmijn keek naar het tafelblad, haalde diep adem, sloeg toen het werk op en stopte de iPhone in haar broekzak. 

‘Marleen’s boven?’, vroeg ze aan Haaye, die bevestigend knikte.

Marleen zat aan de keukentafel naar haar laptop te staren. Er moest heel wat gebeuren om haar zaak draaiende te blijven houden. De financiën zagen er verre van rooskleurig uit. Ze deed haar computerbril af toen ze Jasmijn in de deuropening zag staan.

‘Sorry dat ik stoor’, zei deze, ‘maar ik heb net een dringende oproep gekregen om een maatje van mij te helpen en ga zo weg.’

‘Ah, jammer. Dus je bent straks niet bij de lunch?’

‘Ik vermoed dat ik dat niet ga redden.’

‘Je kunt die afspraak niet verschuiven?’

‘Nee’, antwoordde ze hoofdschuddend. ‘Laat ik het zo stellen: er is een tijd geweest dat ik een soort Remi was en deze knul heeft me daar doorheen geholpen.’

‘Remi?’

‘Alleen op de wereld.’

‘Ah, tuurlijk.’ Marleen glimlachte begrijpend. ‘Dom van mij. Dan moet je zeker gaan.’

‘Als ik het red, kom ik vanmiddag nog langs. Ik ben uiteraard nieuwsgierig.’

‘We zien je wel verschijnen. Hee, sterkte bij je maatje’, zei ze tegen de al vertrekkende Jasmijn.

Ze liep naar de auto, zich heel erg bewust van alles om haar heen sinds de aanval een paar dagen geleden. Ondanks dat het dag was en overal mensen waren, hield ze in de gaten wie haar wel en niet te dicht op de hielen zat. Lotte was hier veel beter in; zij onthield gezichten als ze deze maar een fractie van een seconde had gezien. 

Ze bereikte haar auto zonder schade en reed de stad uit naar de grote weg.

 

     Quentin Alesloot bestudeerde de paar velletjes papier die voor hem lagen met even veel aandacht als hij aan zijn kleding had besteed. Hij droeg een driedelig donkergroen pak met donkerblauwe blokjes, een wit overhemd en een rood vlinderdasje. Haaye’s vriend had Quentin aan hen voorgesteld, een andere afspraak gefingeerd en was er snel vandoor gegaan, de bontgekleurde man bij hen achterlatend. Marleen vroeg zich af of Quentin zijn kledingstijl had aangepast aan het imago dat hij aan zijn beroep hechtte, of dat dit automatisch was gekomen bij het kiezen van zijn voornaam. Zijn grijs-wit golvend haar was achterover gekamd en bedekte het grootste deel van zijn kalende schedel. Ze schatte hem ergens tussen de veertig en zestig jaar, hoewel dit een man was die over dertig jaar nog steeds tussen de veertig en zestig zou worden geschat.

‘Het ziet er authentiek uit’, zei hij uiteindelijk, zijn ogen nog steeds op het papier gericht, ‘maar ik zou het origineel moeten zien om hier zeker van te zijn.’ Hij keek omhoog en richtte zijn aandacht op Marleen. ‘Heeft u het origineel tot uw beschikking?’

‘Helaas niet’, zei ze. ‘Wij doen navraag hierover voor een klant van ons.’ 

Dit was het verhaal dat zij, Haaye en Jasmijn overeengekomen waren. 

‘Jammer, heel jammer.’

‘Kunt u ons zeggen wat het is?, vroeg ze toen. Dit was per slot van rekening de reden waarom Haaye hem had uitgenodigd.

‘Natuurlijk’, antwoordde hij. ‘Wel zeg ik erbij, dat het pure speculatie is wat ik u vertel. Dit komt vanwege het feit’, vervolgde hij toen Haaye zijn mond opende om te vragen waarom, ‘dat weinig mensen dit manuscript onder ogen hebben gehad en er getwijfeld wordt aan de authenticiteit ervan. Desondanks...’ een momentlang spreidde hij de armen als een heilige die hen de zonden vergaf ‘...kan ik u enigszins wijzer maken.’ 

Hij leunde achterover toen Aarnoud een fles rode wijn op tafel zette en bekeek het label goedkeurend. 

‘Jullie zijn bekend met de nazi trein?’, vroeg hij toen Aarnoud was verdwenen, en keek van de éen naar de ander. Na hun instemmend geknik vervolgde hij: ‘Dit boek heeft hier indirect iets mee te maken. In de tijd dat de Nazis in Breslau, het tegenwoordige WrocÅ‚aw, waren om goud, sieraden en ander kostbaar spul naar Duitsland te brengen, heeft een Duitse bibliofiel, zo gaat het gerucht, een boek van onschatbare waarde ontdekt. Voor Polen, althans, en vanzelfsprekend voor connaisseurs zoals ik, die altijd op zoek zijn naar iets bijzonders. Dit heerschap heeft het boek verborgen gehouden en meegesmokkeld naar Duitsland. Eenmaal daar heeft hij het naar zijn ouders gestuurd om te bewaren zodat hij er later profijt van kon hebben. Helaas werd hij in de laatste maanden van de oorlog omgebracht, zodat het boek jarenlang onontdekt bij zijn ouders in de kast is blijven liggen. Toen zij overleden, is het boek lange tijd nergens meer gesignaleerd. De Poolse familie van wie het boek was gestolen, heeft het verdwijnen ervan stil gehouden, omdat zij wisten wat voor waarde het voor Polen had. Het was een adelijke familie...’

‘In Polen?’, vroeg Marleen verbaasd.

‘... Zelfs daar is adel aanwezig’, zei hij met een glimlach. ‘Maar zo stilletjes aan is het in bibliofiele kringen bekend geworden, dat het nageslacht van Wladislaus één, zoals een goed adelijk voorouder dient te heten en die ook wel bekend staat als Wladislaus de Korte, dat het nageslacht een boek van wel heel grote waarde miste. Wijn?’ 

Hij schonk voor alle drie wijn in.

‘Wat mij aan dit verhaal stoort’, merkte Haaye nadenkend op, ‘is, dat de weg hoe dit boek zou zijn gegaan wel bekend is, maar niet wat het boek is.’

‘Ik wijs u op mijn eerdere woorden “pure speculatie”’, herhaalde Quentin. ‘Dit is louter een vermoeden dat bijeen geschraapt is via draadjes die door de jaren heen zijn vergaard. Het is een ingewikkeld relaas verteld door mensen die er naar op zoek zijn. En ik heb niet beweerd, dat niemand weet wat het boek is.’ 

Hij hief zijn glas naar de twee aan de andere kant van de tafel en nam een slok. Voor een etablissement als dit, werd er goede wijn geschonken.

‘Wij hebben de tijd’, merkte Marleen op. 

Met de heer Van Zanten als opvanghulp achter de kassa, had zij in elk geval geen haast. Quentin keek van haar naar zijn glas en liet vervolgens zijn blik door het café/restaurant gaan. Ook hij had tijd genoeg.

‘Voordat ik daar over begin’, zei hij uiteindelijk, zijn blik weer terug, ‘wil ik met u een aantal zekerheden vaststellen. Gaat u akkoord?’

‘Zolang ze redelijk zijn, gaan wij akkoord’, antwoordde Marleen.

‘Wat ik verlang is, dat het boek teruggaat naar de rechtmatige eigenaar.’

‘Korte Wladislaus?’, vroeg Haaye. 

Een klein glimlachje speelde zich rond Quentin’s lippen om deze opmerking.

‘Wladislaus de Vierde, die Wladislaus de Eerste was toen hij koning van Polen werd, is helaas in de dertiende eeuw overleden. Zelfs als hij het boek in ontvangst zou willen nemen, is dit een tamelijk onoverkomelijk feit. Overigens was zijn voorganger in het koningschap Wenceslaus de Derde; een leuk weetje dat u kunt meenemen naar de kerst.’ 

Hij wachtte met zijn verhaal toen Aarnoud de kaasplateau in het midden van de tafel zette.

‘Verder nog iets gewenst?’, vroeg hij. 

Marleen schudde het hoofd en hij vertrok.

‘Met rechtmatige eigenaar bedoel ik het Poolse volk’, vervolgde Quentin en keek de twee strak aan. ‘Dit boek is voor hen bedoeld.’

‘Wat is de betekenis van het boek?’ 

Haaye probeerde op een andere manier dezelfde vraag te stellen.

‘Als ik jullie ervan kan overtuigen dat dit boek aan het Poolse volk toebehoort’, zei Quentin, de vraag negerend, ‘zijn jullie bereid jullie cliënt...’ 

“cliënt” werd gezegd met een smalend glimlachje 

‘...ervan te overtuigen, dat hij danwel zij dit boek afstaat?’

‘Afstaan als in gratis en voor niets?’, concludeerde Marleen vragend. Schouderophalend deed Quentin weer zijn handen zegenend uiteen.

‘Het gaat hier om de eer’, zei hij: ‘De eer van een volk aan welk door de eeuwen heen voortdurend gesjord is door de grotere broeders en zusters die haar omringen; de eer om dit verloren gewaande bijna mythisch epistel aan hen te mogen overhandigen; de eer om recht te zetten wat in de tweede wereldoorlog is misgegaan; de eer om een toom terug te geven aan hen die de rechtmatige eigenaar ervan zijn. Gratis en voor niets komt hier niet bij om de hoek kijken.’ 

Hij doopte een stukje oude kaas in de mosterd en nam er een hapje van. Haaye had zich inmiddels al over de Roquefort ontfermd terwijl Marleen het voorlopig bij een tweede glas wijn hield.

‘Weet je’, zei ze, het glas tussen haar handen houdend, ellebogen op tafel, ‘voordat wij een toezegging doen, zouden wij graag op de hoogte gesteld willen worden waarover het boek gaat.’

‘U staat niet afwijzend tegenover mijn voorstel?’, vroeg Quentin.

‘In het geheel niet.’

‘Mooi.’ 

Zijn gedachten gingen razendsnel door zijn hoofd. Als hij niets prijs gaf, kon het zijn, dat hij het boek nooit in handen kreeg. Gaf hij wel iets prijs dan was de mogelijkheid daar, dat hij ook dan het boek niet in handen zou kunnen krijgen. Hij was nooit een soort man geweest die zijn leven lang alle veilige wegen had bewandeld. Als hij dat had willen doen, was hij op een verzekeringskantoor gaan werken of ambtenaar geworden. Het was geven en nemen in dit vak. De twee tegenover hem hadden hun goede wil getoond door hem de kopieën van het boek te laten zien. Zij hadden niet aan zijn geloofwaardigheid getwijfeld noch aan zijn oprechtheid. Waar hij normaliter een bijzonder boek voor weinig geld aan de haak wilde slaan om deze duur door te kunnen verkopen danwel aan zijn eigen collectie toe te voegen, was hij hier nu louter voor het boek op zich, om zichzelf ervan te overtuigen dat dit daadwerkelijk hetgeen was dat jarenlang niet alleen door de gangen der bibliofielen gonsde, maar wat ook kenners van het oude Polen bezighield.

‘Mooi’, zei hij nogmaals. Hij had een beslissing genomen. ‘Ik neem jullie mee in de geschiedenis van het Polen in de veertiende eeuw, in de tijd van Casimir de Derde, Kazimierz Wielki.’ Hij wees de naam op het titelblad van de eerste kopie aan. ‘Nog wijn?’

‘Dit is anders dan geschiedenisles op school’, merkte Haaye op en schoof zijn glas naar hem toe. 

Marleen schudde het hoofd. Zij had het niet zo op wijn en wilde liever een echt drankje, maar liet het voor wat het was en schonk water bij het restje wijn in haar glas.

‘Kazimierz Wielki is misschien wel de belangrijkste heerser van Polen geweest’, vervolgde Quentin na een slok wijn en sneed een stuk kaas af. ‘Onder zijn bewind is er een heleboel in Polen veranderd, ten goede, wil ik hieraan toevoegen. Er zijn er vele hervormingen doorgevoerd die we heden ten dage misschien niet verwachten van een veertiende eeuwse koning.’

‘Wacht effies’, onderbrak Marleen hem: ‘Was de man heerser of koning?’

‘Is er een verschil?’

‘Duidelijk, en niet alleen semantisch.’

‘Daar ben ik het niet helemaal mee eens’, wierp Quentin er tegen in. ‘Tegenwoordig is het verschil tussen heerser en koning groter dan zeven eeuwen terug. In die tijd staken de koningen namelijk nog hun handen uit de mouwen en deden meer dan lintjes doorknippen en eens per jaar vanaf een balkon zwaaien. Kun je je daar in vinden?’ 

Marleen knikte en zei:

‘Helemaal mee eens.’

‘Voor het gemak zal ik hem koning blijven noemen.’

‘Ze gaan ook altijd skiën.’ 

Na deze opmerking keken zowel Quentin als Marleen naar Haaye. 

‘De vorsten van tegenwoordig’, verduidelijkte deze. ‘Zwaaien, skiën en lintjes doorknippen. Da’s bijna zwaar werk te noemen.’

‘Daar kan zittend lezen achter een bureau niet tegenop’, zei Marleen mokkend, bij hem een brede grijns ontlokkend.

‘Je hoort me dan ook niet klagen’, zei hij tegen haar. 

Het keelschrapen van de man aan de andere kant van de tafel bracht hen terug.

‘Om een voorbeeld te geven hoezeer Kazimierz Wielki een verlichte geest was’, vervolgde Quentin onverstoorbaar, ‘kunt u merken in zijn houding tegenover de Joden in Polen. Zo mochten Joodse kinderen niet meer ontvoerd worden om hen naar het christelijk geloof om te dopen. Deze wet was zelfs zo streng, dat er de doodstraf op stond als men hiermee doorging. Hij was de koning van het volk, van de gewone mens zoals wij dit heden ten dage zouden bestempelen. Daarnaast werden privileges van de bevoorrechte klasse gekortwiekt en lette hij daarbij niet op of iemand edelman of geestelijke was. Hij kwam op voor de zwakkeren in de samenleving. Verder heeft hij de universiteit van Kraków gesticht, de oudste universiteit van Polen.’

‘En niet alleen van Polen, lijkt mij’, zei Haaye, ‘als hij in de veertiende eeuw leefde.’

‘Het is niet de oudste, maar wel in de top twintig’, zei Quentin knikkend. ‘De oudste is overigens de universiteit van Bologna.’ 

Hij vergezelde deze opmerking met een minzaam glimlachje naar de jongere man tegenover hem.

‘Volgens sommigen is Al-Azhar de oudste.’ 

Marleen keek van haar glas naar Quentin, wiens hoofd een beweging maakte dat ergens lag tussen knikken en schudden. Hij moest niet denken, dat hij een paar sukkels bij zich aan tafel had. Uiteindelijk zei hij met een vergeeflijke glimlach:

‘Laten we dat voor vandaag in het midden houden.’ 

Hij dacht na waar hij met zijn verhaal was gebleven en vervolgde: 

‘Kazimierz heeft het juridische systeem in Polen hervormd en het recht gecodificeerd. Dit staat bekend als de Statuty Kazimierza, in het Nederlands vertaalt: de Statuten van Casimir.’ 

Zijn stem viel weg. Hij pakte het eerste vel papier op en hield het naar de twee tegenover hem omhoog. 

‘En dit, lieve mensen, is de handgeschreven versie van deze Statuten, de versie zoals deze uit het hoofd van Kazimierz op papier is terecht gekomen.’ 

Hij stopte om zijn bewering op de anderen te laten inwerken en zag tot zijn voldoening hoe de twee elkaar met grote verraste ogen aankeken. 

‘Ik hoop dat jullie beseffen’, vervolgde hij, ‘wat voor een onschatbare waarde dit voor het Poolse volk is? Om dit alleen maar in handen te hebben, zelfs zo’n modern geprint floddertje, geeft mij een warm gevoel van binnen. Wie weet wat de grote man er verder nog in vermeld heeft. Misschien heeft hij omschreven hoe hij tot de rada królewska is gekomen, of hoe hij van een houten Polen een stenen Polen wilde maken, om een Pools gezegde te verbasteren. Want op de titel pagina heeft hij het over de Statuten, maar onderaan de titel is ook geschreven...’ met aandachtige ogen keek hij door zijn bril heen naar het papier ‘“...en overige zaken die van belang zijn.” Dit is een vrije vertaling, want het is in oud Pools geschreven en daar ben ik nogal roestig in.’

‘Dat is knap heftig’, merkte Haaye op na een lange stilte die na de monoloog was gevallen. 

Quentin stemde met hem in.

‘Dat klopt’, zei hij, de draad weer oppakkend. ’En daarom is het van belang, dat jullie “cliënt” hiervan op de hoogte wordt gesteld.’

‘Hoor ik aanhalingstekens?’, vroeg Marleen aan hem. 

Weer die hoofdbeweging tussen knikken en schudden in. Ze liet het voor wat het was en vroeg: 

‘Hoe is het in Nederland terecht gekomen?’

‘Het verhaal gaat, dat een aantal Poolse nationalisten er naar op zoek gingen.’

‘Oh ja.’ Haaye grinnikte begrijpend.

‘Vergis je niet, jongeman’, zei Quentin op bestraffende toon tegen hem: ‘Nationalistisch houdt niet automatisch extremisme in.’

‘De scheidingslijn is vaag.’

‘Correct, maar we hebben het in dit geval over mensen die zich Pools voelen, die Pools zijn, die uit eerste hand ervaring hebben hoe het is tussen twee grootmachten heen en weer geslingerd te worden met daarbij kleinere omringende landjes die ook een vinger in de pap willen hebben. Was het niet Rusland dan was het wel weer Duitsland dat hen binnenviel, en Hongarije dat zich links en rechts grondgebieden toe-eigende. Vergeet niet, dat Polen tegen het eind van de tweede wereldoorlog tot satellietstaat van de toenmalige Sovjet Unie werd gebombardeerd en pas in de jaren ’80, door Lech Wałęsa en Solidarność, een zelfstandige republiek werd. Dit brengt een volk samen. Het gesjor van anderen zorgt ervoor dat je van je land gaat houden. En dat is nu het grote verschil tussen het Pools nationalisme en dat van de rest van de wereld. Akkoord, dit neemt niet weg dat ook daar extremisten rond lopen, maar dat is overal waar mensen zijn. Het Poolse volk heeft, echter, een trots die ergens op gebaseerd is; een trots opgebloeid uit een verkruimeld en platgetrapt land dat op eigen kracht is herrezen.’ 

Hij sneed een stukje kaas. Het plankje was bijna leeg. Kauwend op het stukje Cheddar zei hij met een spottend glimlachje: 

‘En hier zien wij hen alleen maar als goedkope krachten die de keuken kunnen opknappen.’ 

Hij leunde achterover, had zijn verhaal gedaan en nu was het aan de anderen om ervoor te zorgen dat het geschreven werk bij de rechtmatige eigenaar terecht kwam. 

‘Is trots een eigenschap in de mens die men moet bewonderen?’, mijmerde Haaye.

‘Ligt eraan waarop je trots bent.’

‘Mijn vader werkte voor een verzekeringskantoor waar eens in de twee jaar een psychologische test van de op dat moment heersende waan werd afgenomen. Steevast stond hierin de vraag, of je als werknemer trots was op het bedrijf waar je werkte.’ Hij keek naar Quentin. ‘Mijn vader was van mening, dat trots iets persoonlijks was. Hij was trots op mij toen ik cum laude afstudeerde; trots op mijn moeder, zijn vrouw, die alle problemen met pragmatische oplossingen, vergezeld van een glimlach, de wereld uit hielp. Maar trots op het bedrijf waar hij werkte? Als ze zijn loon niet betaalden, was hij er geen dag langer gebleven. Als ik niet cum laude was afgestudeerd, zou hij nog steeds trots op mij zijn. Persoonlijk heb ik problemen met lui die trots op een abstract iets zijn zoals het land waarin zij per ongeluk ter wereld zijn gekomen en de mening hebben, dat zij dit met hand en tand moeten verdedigen.’

‘Dat laatste heeft niets met trots te maken, maar alles met fanatisme’, merkte Quentin op.

‘Waar houdt het ene op en begint het andere? De lijn tussen trots en fanatisme is een zeer dunne.’ Quentin gaf hierop geen reactie. ‘Zijn de Polen er trots op, dat zij systematisch de Nederlandste staat bestelen door hier zes maanden te werken en dan ww te gaan trekken? Ze keren terug naar Polen en anderen komen op hun naam weer hier naartoe en zo gaat dat verder.’

‘Dat is incidenteel.’ 

Quentin wuifde de woorden weg en richtte toen zijn aandacht op Marleen. Haaye liet het er, echter, niet bij zitten.

‘Het nieuws vermeld niet iets dat incidenteel is’, zei hij, ‘zelfs niet met het grote aantal slechte journalisten dat alleen op een scoop uit is zodat ze daar een slecht boek over kunnen schrijven. Dit gebeurt op grote schaal anders zouden de Polen niet als doelgroep genoemd worden.’

‘Hoe nu verder?’, vroeg Quentin aan Marleen, de jongere man negerend.

‘Trots...?’ Haaye liet een korte hatelijke lach horen.

‘Stel maar iets voor’, zei Marleen, een blik op Haaye werpend en onopvallend kort het hoofd schuddend.

‘Als jullie cliënt bereid is het manuscript aan de Poolse ambassade te overhandigen’, zei Quentin na een aantal tellen nagedacht te hebben, ‘lijkt mij dit de kortste en eenvoudigste manier om alle partijen tevreden te stellen.’

‘Wat als mijn cliënt hier iets tegenover gesteld wil hebben?’

‘Monetair?’, vroeg hij. 

Ze trok de schouders op.

‘Ik moet dit verhaal aan mijn klant verkopen’, zei ze toen, ‘en wil graag alle vragen vantevoren beantwoord hebben.’

‘Het is een erfgoed, iets dat van Polen is en op een onheuse manier is ontfutseld. Jouw klant mag zich in de handjes knijpen, dattie er zonder kleerscheuren vanaf komt.’

‘Dat klinkt zeer dreigend.’

‘Maar mijn lieve dame’, zei Quentin met een glimlach, ‘dit is figuurlijk bedoeld. Het manuscript is gestolen dus degene die het nu in handen heeft, heeft gestolen goed. En daar staat gevangenisstraf op.’

‘Niet als de klant er geld voor heeft neergelegd en onwetend was over de waarde van het ding’, kwam Haaye tussenbeide.

‘Daar zit iets in’, gaf hij toe.

‘In elk geval’, zei Marleen met een blik naar de klok, ‘zal ik contact met de cliënt opnemen en dit voorstel overleggen. En ik zal m’n best doen...’ vervolgde ze snel toen Quentin zijn mond opende om iets te zeggen ‘...om de klant te overreden het manuscript aan de Poolse ambassade te overhandigen.’

‘Dat is alles wat ik vraag.’ Achteruit gezeten haalde hij opgelucht adem. ‘Ik dank jullie beiden dat jullie mij deze kopietjes hebben getoond. Het is het op éen na mooiste dat ik ooit in handen heb gehad.’

‘En wat is het mooiste?’, vroeg Haaye nieuwsgierig.

‘Het originele manuscript in mijn handen te voelen.’

‘Ik zal mijn best doen’, zei Marleen nogmaals.

‘Daar twijfel ik niet aan. Voordat je je best gaat doen: kan ik je uitnodigen voor een hapje eten vanavond?’, vroeg hij aan haar. ‘Hier in Alkmaar, of elders, waar je maar wilt.’ 

Nadat ze de vraag door het hoofd had laten gaan, zei ze:

‘Prima. Half zeven?’ Quentin knikte. ‘Waar ontmoeten we elkaar?’

‘Ik haal je bij de boekwinkel op. Waarom heet de winkel eigenlijk Pagina 42? Heeft die pagina een bepaalde mening.’

‘’t Is universeel’, antwoordde Marleen. 

Haaye glimlachte om haar antwoord en ging naar buiten, even later gevolgd door Marleen.

‘Is hij te vertrouwen?’, vroeg hij toen ze de brug overstaken en terug liepen naar de winkel.

‘Wie is er tegenwoordig nog te vertrouwen.’ 

Het was geen vraag en Haaye ging er niet verder op in.

 

37.

     Er klonk een ingeblikt deuntje in haar oren terwijl Lotte wachtte doorverbonden te worden met de persoon die over de juridisch brief ging. Op het moment dat het deuntje verstomde, hoorde ze aan de andere kant:

‘Schimmelpenninck.’

‘Dag, met Lotte Davelaar. Ik heb een brief ontvangen in verband met mijn bankkluisje’, begon ze, in het geheel niet verbaasd dat zij deze man aan de lijn kreeg. ‘U bent toch van de politie?’

‘Klopt.’

’Is dit niet een zaak van justitie aangezien he een justitieel schrijven is?’

‘Inderdaad. Ik ben aangesteld om dit te onderzoeken.’

‘Wat valt er te onderzoeken als ik vragen mag?’

‘Wij hebben uit vertrouwelijke bron vernomen, dat er oneigenlijke spullen in uw bankkluis liggen die in verband kunnen worden gebracht met belastingontduiking.’

‘Oh, dus in het kort: ik heb daar zwart geld liggen.’

‘Dat zijn uw woorden.’

‘En een stuk korter dan die van u. Wie is die vertrouwelijke bron?’

‘Dat mag ik niet prijsgeven.’

‘Dat vermoedde ik al.’ 

Ze was stil. De hoofdinspecteur eveneens. Een moment lang dacht zij eraan een deuntje te neuriën, de indruk wekken dat hij in de wachtstand stond, om uiteindelijk te vragen: 

‘En nu?’

‘Ik zou graag inzage in de inhoud van uw bankkluisje willen hebben.’

‘Ik kan u een A4-tje sturen met wat erin zit.’ 

Na deze opmerking hoorde ze de hoofdinspecteur kort lachen. Zelf kon ze eveneens een glimlach niet onderdrukken.

‘Het is de bedoeling, dat ik dit persoonlijk inspecteer.’

‘Ook goed. Morgen?’

‘Vandaag.’

‘Waarom deze haast?’

‘Wij kunnen het maar afgehandeld hebben zodat wij u van de lijst kunnen halen.’

‘Ik weet niet of ik vandaag tijd heb hiervoor.’

‘Mevrouw Davelaar: als u geen tijd heeft vandaag, maken wij uw bankkluisje zelf open.’

‘Mag dat zomaar?’

‘Het is een Europese richtlijn dat in de volksmond bekend is geworden als Lockbox2014.’

‘Uhmmm, we leven in 2018.’

‘Ambtenaren...’, was alles dat Schimmelpenninck zei. 

Na een korte stilte, vervolgde hij: 

‘Als u om...’ hij keek op zijn horloge ‘...elf uur bij het ING kantoor in de Breestraat kunt zijn dan zie ik u daar.’

‘Ik heb geen eigen vervoer en ben niet van plan om dat roteind te gaan fietsen. Als ik wat later ben omdat er een bus is uitgevallen, geef me dan die ruimte.’

‘Elf uur, uiterlijk half twaalf.’ 

Schimmelpenninck was zo’n slecht mens nog niet.

‘Hoe herken ik u?’

‘Ik zal de enige zijn tussen het winkelend publiek die er goed gekleed uit ziet.’ 

Met deze woorden legde hij de hoorn neer. Ze stopte de telefoon in de zak van haar broek en staarde nadenkend voor haar uit. Toen kwam er een brede grijns op haar gezicht. Ze pakte haar jas en tas, keek naar de klok en verdween richting bushalte.

Even voor twaalven liep ze door de Breestraat. Ze herkende de hoofdinspecteur al van verre. Hij was een lange man in een driedelig pak met daarover een regenjas, hoewel er geen wolkje aan de lucht was te bekennen. Een politieagente in uniform stond bij hem in de buurt. Zijn blik was op Lotte gericht en hij keek hoe zij in rustige tred op hem af kwam lopen. Zij was niet een vrouw die zich haastte omdat een hoofdinspecteur van politie op haar wachtte.

‘Mevrouw Davelaar?’, vroeg hij in vragende stem hoewel hij wist dat zij het was.

‘Inspecteur?’, was haar wedervraag.

‘Hoofdinspecteur’, verbeterde hij.

‘Ooh, toe maar.’ 

Met een scheef lachje ging ze hem voor de bank in. Schimmelpenninck passeerde haar, knikte naar de bankmedewerker achter de balie en een zijdeur opende zich. Het viel Lotte op, dat de hoofdinspecteur direct wist naar welk kluisje hij moest gaan. Hij had zijn huiswerk goed gedaan.

‘Zal ik ‘m openen?’, vroeg ze aan hem.

‘Het is uw kluisje.’

‘Werkelijk, ondanks slokbox 2014?’

‘Lockbox2014’, verbeterde de agente haar. 

Schimmelpenninck wuifde haar woorden geïrriteerd weg.

‘Dat weet ze, Jochems’, knauwde hij haar toe. 

Met het deurtje eenmaal open, keek Lotte over haar schouder en vroeg:

‘Zal ik de inhoud eruit halen offe...’

‘Jochems’, was het enige dat de hoofdinspecteur zei. 

Lotte liet de agente voor gaan, nam een stapje terug en keek toe hoe haar persoonlijke spullen op tafel werden gelegd. Bij het opmerken van allerlei stapels papier die met er omheen geknoopt touw bijeen gehouden werden, kwam er een zelfverzekerde glimlach om de lippen van de politieman. Hij pakte een pakketje van de stapels en vouwde de blaadjes uiteen.

‘Was u niet op zoek naar geld?’, vroeg Lotte hem.

‘Onder andere’, antwoordde hij, de volgende pakkend. Na de derde verdween de glimlach en vroeg hij: ‘Wat zijn dit voor stapels?’

‘U heeft geen tijd om ze allemaal te bezoedelen?’ 

Na een blikkenwisseling zei ze uiteindelijk: 

‘Dat zijn mijn originele handgeschreven manuscripten. Daar ben ik voorzichtig mee dus is zou het op prijs stellen, als u er niet zo nonchalant mee om gaat.’

‘Waarom liggen ze in de kluis?’

‘Het zijn mijn originele handgeschreven manuscripten’, herhaalde ze. 

Dat de overheid haar bankkluis wilde onderzoeken was tot daar aan toe, maar ze was niet van plan antwoord te geven op vragen waarmee deze zelfde overheid niets te maken had.

Schimmelpenninck bekeek alle manuscripten voordat hij vroeg:

‘Waar is het?’

‘Waar is wat?’

‘U weet wat ik bedoel.’

‘Dan weet u meer van weet ik weet dan dat ik zelf doe, maar als u naar het briefje van tweeënhalve gulden met Wilhelmina op zoek bent dan zit u hier verkeerd.’ 

Schimmelpenninck keek haar aan, gebaarde geïrriteerd naar de agente die direct uit de ruimte vertrok en zei tegen Lotte:

‘Speel geen spelletjes met mij, Davelaar; daar heb ik tijd voor noch zin in. Ik zoek het manuscript dat je gisteren hier hebt gebracht.’

‘Dat was de bovenste van de stapel, en ligt nu onderop.’

‘Ik heb het niet over deze prullaria maar over het boek waar jij en je vrouw mee aan de haal zijn gegaan.’

‘Pardon?’

‘Je weet wat ik bedoel’, zei hij nogmaals, hoewel minder vormelijk als voorheen.

‘Ik heb geen flauw idee waarover je het hebt.’

‘Vergeet niet, dat ik je naar het bureau kan meenemen voor ondervraging.’

‘Op grond van wat: dat ik mijn manuscripten in een bankkluisje stop? Is dat in tegenspraak tot EU regulatie boekbox2018? Vergeet niet, dat ik jullie kan aanklagen vanwege onheuse behandeling.’

‘Onder Lockbox2014 zijn wij gemachtigd om elke activiteit die ons verdacht lijkt na te trekken.’

‘Op welke activiteit van mij is dit gestoeld?’

‘Daar mag ik mij niet over uitlaten.’

‘Ooh...’, Ze lachte en korte staccato lach. ‘Dat is een makkelijke. Je mag wel op grond van een EU regelgeving, die overigens louter om witwassen handelt, mijn bankkluis zonder omhaal openen, maar als ik vraag wat dit in beweging heeft gezet, mag je je daar niet over uitlaten. Handig, zo’n systeem. Het is godverdorie godgeklaagd dat dit zomaar kan en het wordt tijd, dat er meer Snowdens opstaan.’ 

Ze was werkelijk pissig nu en deed alle manuscripten in het kluisje terug waarvan ze het deurtje met een harde slag sloot. 

‘De eerstvolgende keer dat je mijn bewegingen in de gaten houdt, en niet zo zuinig opvallend ook, ga ik er werk van maken.’

‘Op grond van wat?’

‘Wat dacht je van stalking? De overheid stalkt mij; het moet niet gekker worden.’ 

Ze liep naar de deur toen ze Schimmelpenninck hoorde zeggen:

‘Denk maar niet, dat je er mee weg kunt komen.’ 

Zonder hier verder een woord aan vuil te maken, opende ze de deur en liep door de hal heen naar buiten. Eenmaal daar kwam er een glimlachje op haar gezicht. Ze keek op de telefoon naar de tijd. Als ze doorliep, kon ze de bus van kwart voor één nog halen.

 

38.

     Terwijl Lotte zich met de bankkluis bezighield, Marleen en Haaye zich over de antiquair ontfermden, reed Jasmijn naar Den Haag. Eenmaal tussen de bekende maar desondanks toch anders uitziende straten, voelde ze haar hartritme omhoog gaan. Het was vreemd dit gevoel weer te hebben. Ze was langer van het instituut weg dan de tijd die zij erin had doorgebracht. Echter, de verwachting, dat nare gevoel in de wachtkamer bij een tandarts te zitten en de boor in de kamer ernaast te horen, dat verstikkend dat haar verleden omkleefde, was haar lichaam binnen geslopen. 

Ze betrapte zichzelf erop, dat ze probeerde niet naar het instituut te kijken bij het oprijden van de parkeerplaats. Er stonden meer autos dan vorige keer. Ze parkeerde zo dicht mogelijk bij de uitgang en stapte uit. De bries waaide lusteloos door het bladerdak boven haar. Het was zomer. Boomblaadjes ritselden als een kalme golfslag tegen het strand. 

Ze haalde diep adem, rechtte de schouders en liep van de parkeerplaats af naar het hek waar Willem was. Hij zat op de kruk een paar hekken verder te schilderen dan waar ze hem vorige keer had gezien. Zo kende zij hem het best, verzonken in zijn eigen wereld met zijn eigen bezigheden. Alleen was Eelco Schippers nu zijn wereld binnen gedrongen. De manager van het instituut stond met de armen over elkaar gevouwen pratend naast hem. De oudere man antwoordde monosyllabisch en soms helemaal niet. Ze twijfelde of zij zich bij hen zou voegen. Op de parkeerplaats te blijven dralen was onnozel, was zo niet des Jasmijns van nu. Ze zette haar zonnebril op en liep op de twee af. Eenmaal vlak in zijn buurt, keek Eelco op. Zij wist dat hij haar al eerder had opgemerkt, net zo goed dat zij hem meteen had gezien, en schoof zijn verbaasde blik onder de noemer huichelachtig. Ze knikte hem kort toe en groette Willem.

‘Twee keer zo vlak na elkaar ons bezoeken’, begon Eelco. ‘Dat is wel een hele grote eer. Waar hebben wij die aan te danken?’ 

Ze wilde zeggen dat ze voor Willem kwam, dat Willem haar verzocht had hier naartoe te komen. Zo niet dan zou ze geen voet meer in de buurt van het instituut gezet hebben. Voordat ze haar mond opende, zag ze Willem’s donkere ogen toen hij over zijn schouder naar haar keek.

‘Ik wilde Willem nog eens zien’, zei ze toen. ‘Vorige keer was het bezoek te kort om nieuwtjes uit te wisselen.’ 

Met een indringende blik keek ze naar Eelco, hem hiermee dwingend weg te gaan, hen met rust te laten. Ze wilde weten waarom Willem haar had gevraagd langs te komen. De Willem die zij kende, vroeg nooit iets. 

Eelco, echter, knikte om haar uitleg en staarde naar de tuin, armen nog steeds over elkaar, benen recht, voeten stram op de grond, niet van plan zich te verplaatsen. Hij draaide zijn hoofd opzij, hiermee de indruk wekkend dat hij er geen interesse in had waarover zij en Willem met elkaar spraken.

Jasmijn keek van zijn achterhoofd naar Willem, die ononderbroken aan het verven was. Hij verschoof zijn krukje, schoof de gratis krantjes, opgevouwen onder de kruk mee, evenals degene die onder de emmer verf rustte.

‘Het ziet er goed uit, Willem’, zei ze uiteindelijk. 

Prietpraat was niets voor haar, ook niet voor Willem, maar zo stil blijven staan werkte niet. Ze begreep dat Eelco bij het hele gesprek aanwezig zou blijven. Zij kende hem, kende zijn maniertjes. Waren die maniertjes in het verleden al onaangenaam geweest toen hij beginnend arts was; nu hij de zaak runde, zou hij precies doen waar hij zin in had en zich aan niemand storen.

Willem reageerde niet op haar opmerking, knikte louter. De aanwezigheid van de hoofdarts had hem tot zwijgen gedwongen.

‘Ga je hekjes binnen ook nog doen?’, vroeg ze. 

Hij trok de schouders op, waarna ze zei: 

‘Ze hebben wel een opfrissertje nodig zo te zien.’ 

Alle drie keken ze naar de lage houten hekjes die de bloemperken afbakenden van het pad. 

‘En je hebt nog genoeg verf over.’

‘Moet het buitenhek helemaal doen’, mompelde Willem.

‘Dat gaat je lukken. Het is overigens lekker weer om het buitenwerk te schilderen.’ 

Hij knikte weer. Met haar duim en een wipje van haar schouder legde Jasmijn de band van haar schoudertas beter vast. Haar ogen volgden hoe Willem onverstoord de spijlen schilderde. 

Ze kwam tot het besef dat het geen zin had hier te blijven. Hij zou niets zeggen met Eelco om hen heen. Ze besloot terug naar huis te gaan en afwachten wanneer hij weer contact met haar opnam.

‘Hee, ik zal je met rust laten’, begon ze, ‘en misschien dat we volgende keer een bakkie kunnen gaan drinken.’ 

Hij knikte. Verder zei ze geen woord tegen Eelco en draaide zich om weg te gaan.

‘Hier’, zei Willem ineens, een krant van onder zijn stoel vandaan halend. ‘Dan heb je wat te lezen onderweg.’ 

Ze pakte de krant over en merkte, dat hij deze langer vast hield dan nodig was. Ze keken elkaar aan. Zijn donkere blik brandde door haar heen.

‘Dankjewel’, zei ze zo luchtig mogelijk. ‘Makkelijk voor als er file is. Tot ziens, Willem.’ 

Hij knikte, ging zitten en dipte de kwast in de verf. Teruglopend naar haar auto stopte ze de krant in haar tas. 

Ze reed bij het instituut vandaan en keek niet meer om. Bij elkaar genomen had ze ruim een uur gereden om tien ongemakkelijke minuten bij het hek van het instituut door te brengen.

Op de terugweg overwoog ze om terug naar Pagina 42 te gaan of rechtstreeks naar huis. Ze koos voor dit laatste. Marleen en Haaye zouden het zonder haar redden. Haar hoofd was moe, haar ledematen voelden onaangenaam aan, haar kleding leek tegen haar huid te schuren. 

Eindelijk thuis, legde haar spullen weg, nam een lange douche en kroop onder het dekbed.

 

39. 

     De televisie stond aan, het geluid harder dan gewoonlijk. Lotte en Jasmijn zaten in bed, de hoofden dicht bij elkaar, zacht pratend. Het idee dat de overheid hen mogelijk afluisterde, had hen lichtelijk paranoïde gemaakt.

Jasmijn had aan éen stuk door geslapen en was verfrist ’s ochtends om half vijf wakker geworden. Na een wandeling over het strand was ze terug in bed gekropen tegen Lotte aan, die wakker werd door de koude ledematen die om haar heen werden gedrapeerd. De zomer mocht dan zijn aangebroken, maar het kon in de vroege ochtenduren nog behoorlijk fris zijn, vooral als de zeedampen het dorp binnendrongen. 

Lotte vertelde haar relaas met Schimmelpenninck en de bankkluis. Eenmaal uitverteld, vroeg Jasmijn:

‘En waar heb je het boek nu uiteindelijk ondergebracht?’

‘Nuh-uh’, zei ze, hoofdschuddend. ‘Laat alleen ik het weten, dat is veiliger.’

‘Maar wat als er iets met jou gebeurt?’

‘Oh, dankjewel. Het ene moment kun je niet zonder me om me het volgende moment naar het hiernamaals te wensen. Vrouwen...’

‘Serieus, Lot.’

‘Mocht er iets met mij gebeuren, mocht die grote vrachtwagen alleen maar gevuld met Bruynzeel potloodjes met scherpe punten mij van de wereld afhelpen dan zal mijn agente een berichtje naar jou sturen.’

‘Len Deighton is er niets bij.’

‘Klopt. Er is weinig zo vermakelijk als snode plannen uitdenken. Hee, ken ik haar niet ergens van?’ 

Ze keken naar de televisie. Een vrouw met verwilderde haren was iets aan het vertellen over waar zij goed in was. Het kon handbal zijn maar ook macramé. Achterover leunend, steunend op haar ellebogen, vroeg Jasmijn:

‘Waarom hebben wij eigenlijk een televisie in de slaapkamer?’

‘Omdat...’ Lotte zette het geluid terug op een normaal volume ‘...we vijf jaar getrouwd zijn en jij op mij bent uitgekeken. Vind je me nog aantrekkelijk?’

‘Wanneer?’ Jasmijn ontweek het kussen dat haar toegesmeten werd. ‘Voor zover ik me kan herinneren, liefste van allen, is dat jij degene bent geweest die de televisie hier naartoe sleepte toen we dat platte geval voor de zitkamer kochten.’

‘Pure projectie wat jij nu doet, mij de schuld geven van dingen die jij zelf eigenlijk had willen doen.’ 

Jasmijn keek haar aan, opende de mond om een weerwoord te geven om uiteindelijk louter het hoofd te schudden. De vrouw op het beeldscherm vertelde van haar werk. Pas toen had Jasmijn door waar zij bekend van was.

‘Ze is actrice’, riep ze uit alsof het een revelatie was.

‘Dan kennen wij haar vast van een reclame of zoiets.’ Ook Lotte leunde achteruit. ‘Overigens dien je tegenwoordig acteur te zeggen.’

‘Ze is toch een vrouw of zie ik het verkeerd?’

‘Klopt, maar om gendernazisme tegen te gaan, wordt de vrouwelijke vorm uit de vocabulaire verbannen.’

‘Wat een larie!’

‘Zo gaat dat.’

‘Ik doe niet mee aan die larie. Je kunt het ook zo zien’, vervolgde ze snel toen Lotte haar wilde onderbreken, ‘dat dit weer toegeven is aan het volk dat met een pik in de broek rondloopt. In plaats van deze woorden de vrouwelijke vorm als hoofdwoord te geven, nemen we weer eens zonder morren de mannelijke vorm aan.’

‘Je kunt er tegen vechten, Jassie, maar het sluipt er zo langzaamaan in.’

‘Ik ga niet tegen stompzinnigheid vechten, want dat heeft de bierkaai vervangen, maar ik zal me er niet aan onderwerpen.’ 

Ze vielen stil, kijkend naar de vrouw die veelvuldig haar handen gebruikte, waarmee ze indruk wekte een mime-artieste te zijn. Of artiest, bedacht ze zich grimmig, en vroeg: 

‘Hoe zit het dan met het koningshuis?’

‘Laten we de barricades opgaan voor een lang gewenste republiek wat mij betreft’, antwoordde Lotte. 

Ze keek naar Jasmijn’s profiel en glimlachte. Haar vrouw kon zich af en toe zo vastbijten in onderwerpen die ze als larie bestempelde, dat het op een pelgrimage leek. 

‘We hebben een koning’, zei Jasmijn, ‘koning Lex en koningin Max. Dit zou dus koning Lex en koning Max moeten worden, als we die onzin van de vrouwelijke woorduitgang weglaten voortzetten.’

‘Hee, twee koningen zie ik wel zitten. De homosexualisering van het koningshuis.’

‘Na alle andere vormen van sex die ze daar door de jaren heen gepraktizeerd hebben, is dit een bijkomstigheid. En als we helemaal specifiek willen zijn...’

‘En dat wil jij vast.’

‘...inderdaad, dan zou het koning Lex en prins Max moeten zijn. Ik begrijp nog steeds niet dat iedereen maar zo klakkeloos accepteert, dat Max automatisch koning is. Bea had een prins, evenals Juul. Waarom nu dan koning?’

‘De prins van Bea en die van Juul hadden geen lang blond haar en benen tot aan de strot’, legde Lotte uit. ‘Da’s het grote verschil.’

‘Wat Claus in z’n vrije tijd deed, moet ie zelf weten, maar dit is wel het grote sexisme.’

‘Meestal hangt het éen met het ander samen. Het beste is, als we allemaal maar gaan transgenderen dan hebben we dit soort gelul tenminste niet meer.’

‘Gekut mag dus ook niet meer?’, vroeg Jasmijn.

‘Nee: alles is gelul. Mannelijke vorm boven de vrouwelijke.’

‘Pfffff, ik word gek van deze wereld.’

‘Ik zal een bak koffie voor je maken. ‘ Lotte sprong het bed uit.’ Misschien dat je daar van opknapt.’

 

     Twee uur later zat Jasmijn op de lage boekenkast, een mok koffie tussen haar handen, en luisterde naar Haaye die het relaas van de dag ervoor vertelde. Het was vroeg. Ze had nog maar twee passen naar binnen gezet toen hij de koffie voor haar op het bureau neerzette. Dat was een teken, dat hij wat te vertellen had.

‘En wie is die Kazimierz?’, vroeg ze toen hij uiteindelijk stil viel.

‘Kazimierz Wielki’, zei hij. ‘In het Nederlands betekent dat Casimir de Grote. Hij is een belangrijk man voor Polen geweest. Gisteravond heb ik een paar boeken erop nageslagen en het is een niet gering man.’ 

Hij was iemand van de almaar kleiner wordende groep mensen die nog steeds boeken als naslagwerk gebruikte. Hij vond dit betrouwbaarder dan het internet. Sterker nog: hij had geen internet. Hij had geen mobiele telefoon, geen computer, luisterde elpees om zijn jazz te kunnen horen hoewel hij zich in de vroege jaren ’90 over had laten halen om een cd collectie aan te leggen. Dit was het nieuwste dat in zijn bezit was. Hij keek zelden televisie omdat hij vond, dat dit tijd roofde; tijd die hij nodig had om de boeken te lezen die hij wilde lezen. Het nieuws haalde hij uit kranten, de rest van de wereld uit zijn boeken. En hij was een uiterst gelukkig mens.

‘Dus die Quentin meent, dat dat boek van die knaap is?’, vroeg Jasmijn om er zeker van te zijn dat zij het goed had begrepen. Haaye knikte. ‘Jeetje, man...’

‘Zeg dat.’ 

Jasmijn’s telefoon zoemde. Ze sloeg er geen acht op en vroeg:

‘Wat nu?’

‘Als het is zoals Quentin vertelde, ben ik van mening dat we het manuscript aan het Poolse consulaat moeten geven. Overigens...’ hij keek over zijn schouder naar de trap toen hij boven een deur hoorde opengaan en bracht zijn hoofd dichter bij dat van Jasmijn ‘...Marleen en Quentin hadden gisteravond een afspraakje.’

‘Werkelijk?’ Ze kon een glimlachje niet onderdrukken. ‘Hoe doet ze dat toch?’

‘Heel makkelijk’, zei hij met een knipoog en veerde weer overeind. 

Met een hand voor de mond om een geeuw te onderdrukken liep Marleen naar beneden.

‘Goedemorgen, personeel’, groette ze.

‘Mogge, baas’, groette Haaye terug. Zowel hij als Jasmijn bleven naar de trap kijken.

‘Hoe is het vanmorgen met jullie?’ 

Marleen keek over haar schouder waar de twee naar staarden. Pas toen viel het kwartje. 

‘En: nee, ik neem niet elk zwerfhondje mee naar huis’, zei ze bits tegen hen.

‘Werkelijk?’, vroeg Haaye, opstaand om koffie voor haar in te schenken. ‘Nog wat wijzer geworden gisteravond?’

‘Alleen dat dit de zoveelste persoon betrof met wie ik uit was die mij dronken probeerde te voeren’, antwoordde ze. ‘Ik word er gek van. Denken ze dat ik achterlijk ben? Alsof ik het verschil niet weet tussen een wodka-jus of een dubbele wodka-jus. Na twee glazen ben ik naar de bar gegaan en heb aangegeven dat ik alleen maar jus wilde, maar dat ze het als een dubbele wodka-jus konden afrekenen. Quentin zou toch betalen, dus ik zal ‘m leren. Het kwam er uiteindelijk op neer dat hij vrolijk aangeschoten was en ik zo nuchter als een non.’ 

Ze ging naast Jasmijn op de boekenkast zitten en keek haar aan. 

‘Alles goed gegaan gisteren?’, vroeg ze.

‘Nauwelijks. Er kwam iets tussen zodat ik degene met wie ik een afspraak had niet kon spreken. Misschien een volgende keer.’

‘Je ziet er wel uitgerust uit.’

‘Ik ben meteen naar bed gegaan toen ik thuis kwam en heb tot vanmorgen half vijf liggen pitten.’

‘Wat een onzalige vroege tijd’, merkte Haaye op.

‘Ik lag er rond twee uur ’s middags in, dus dan ben ik na zo’n vijftien uur ononderbroken slaap wel een keertje uitgemeurd.’

‘Da’s ook waar. Kun je nog leuke dingen doen rond die tijd?’

‘Strandwandeling, lekker uitwaaien, dus ja.’ 

Ze stond op, pakte haar tas en halve bak koffie mee en ging naar haar werktafel. 

‘Heb je al bedacht wat we met het manuscript gaan doen?’, hoorde ze Haaye vragen. 

Ze zette haar spullen op tafel en liep terug naar voren.

‘Het enige juiste, hè: teruggeven aan Polen’, zei Marleen. ‘Dat is de plek waar het thuis hoort. Quentin wil de kopietjes nog aan een aantal mensen laten zien, als tie zich dat tenminste kan herinneren. Maar om zeker van de authenticiteit van het boek te zijn, zullen we het toch een keertje moeten presenteren.’

‘Inderdaad’, zei Haaye knikkend. Ze vielen stil. ‘Dus het boek houden zit er niet in?’ 

Hij kon het maar moeilijk velen dat zo’n mooi manuscript uit zijn leven zou verdwijnen. Voor hem had het geen monetaire waarde, maar was het een prachtig kunstwerk waarvan hij kon genieten. Hij zou er zelfs oud Pools voor willen leren om het te kunnen lezen.

‘Zou wel mooi zijn’, zei Marleen.

‘Voor het geval we het vergeten: er zijn mensen omgebracht vanwege dit manuscript’, herinnerde Jasmijn hen er aan. ‘En om eerlijk te zijn, wil ik niet bij dat rijtje horen.’

‘Je hebt gelijk’, gaf Marleen toe en stond op. ‘Quentin komt vrijdag langs of laat iets van zich horen, dus wachten we dat af. Akkoord?’ 

De andere twee knikten. Jasmijn liep terug naar achteren, gevolgd door Marleen. 

‘Ligt het manuscript op een veilige plek?’, vroeg ze zachtjes aan haar. Ze knikte. ‘Okee, dan is het goed.’

‘Trouwens, Mar...’ Jasmijn’s stem hield haar terug: ‘Lotte vertelde, dat de politie gisteren haar bankkluis heeft nagezocht.’

‘Oh? Hoe dat zo?’

‘Vermoedelijk omdat ze dachten dat het manuscript daar in lag.’

‘Dat was niet het geval, toch, hoop ik?’

‘Uiteraard niet. Als mijn vrouw iets opbergt, kan niemand het vinden. Maar het is wel eng dat we door Schimmelpenninck in de gaten worden gehouden.’

‘Vanwege het manuscript, denk je?’

‘Ik heb geen idee waarvoor het anders zou zijn. Het lijkt me sterk, dat ze er een hoofdinspecteur op af sturen om te controleren of we hondenbelasting ontduiken.’

‘Uh-huh, je hebt gelijk.’ Ze dacht diep en lang na. ‘Hoe zijn ze ervan op de hoogte, dat het manuscript in jouw handen is?’, vroeg ze toen. Met haar grote grijze ogen keek ze Jasmijn onderzoekend aan.

‘Dat is het enge van heel dit gebeuren’, was het antwoord. ‘Dus wat mij betreft: des te sneller we er vanaf zijn, des te beter.’

‘Kan me voorstellen. We horen gauw van Quentin en als het meezit, is dat gelazer daarna afgelopen.’ 

Ze woelde met haar handen door het haar, pakte daarna weer de mok koffie van tafel en vervolgde in een nog steeds zachte stem: 

‘Het beste dat we kunnen doen, is het manuscript aan het Poolse consulaat geven. Aan de andere kant, ben ik er ook niet vies van om het aan de hoogste bieder te verkopen.’ 

Ze keek naar Jasmijn, probeerde haar reactie te peilen op dit in mist gehulde voorstel. De blik voor haar bleef, echter, neutraal. Ze glimlachte haar bijna verontschuldigend toe. 

‘De pest is, dat ik de zaak misschien nog hooguit een paar maanden, misschien een jaar draaiende kan houden.’

‘Da’s de huidige economie.’

‘Dat en ook dat de boekverkoop al jaren terug loopt. De mens van tegenwoordig leest liever alles online, digitaal, en in hapklare brokjes omlijst met veel plaatjes; alles om hen maar van het lezen af te kunnen houden. Zelfs een tweedehandswinkel zoals de mijne redt het niet lang meer.’

‘Misschien dat een sessie met Lotte hier een hernieuwd leven in kan blazen.’

‘Laten we het hopen, want anders ben ik zeer geneigd te zeggen, dat wat het Poolse volk niet weet, het ook niet zal missen.’ 

Met de koffie in haar hand ging ze terug naar boven. Jasmijn keek haar na en zette haar computer aan.

In de lunchpauze bleef ze aan tafel zitten en pakte haar telefoon tevoorschijn. Lotte had een berichtje gestuurd. Ze beantwoordde deze, stopte het ding terug in haar broekzak en zette de schoudertas op haar schoot. De krant die Willem haar had meegegeven zat gevouwen achter het lege tasje van de chinees. Ze liet het in de prullenbak zakken en hoorde een “tunk” op de hielen gevolgd door het geblader van de krant die de bodem van de bak bereikte. Aanvankelijk liet ze het voor wat het was maar verbaasde zich toch over de “tunk”. Voorovergebogen trok de de krant terug naar boven. Een grote witte envelop gleed tussen de bladzijden vandaan. Ze draaide de envelop tussen haar handen en zag haar naam met een streepje eronder. Nieuwsgierig opende ze de flap van de envelop en trok er een aantal blaadjes uit. De eerste was een korte brief van Willem:

 

“Jasmijn,

“Na vandaag zullen we elkaar niet meer zien. Je hebt er lang over gedaan om mij op te zoeken. Dat je dat gedaan hebt, kan ik waarderen.

“Omdat ik zag dat je bezorgd was, teleurgesteld -ik heb die twee gezichtsuitdrukkingen nooit kunnen onderscheiden- na jouw bezoek aan Maaiborg, heb ik in de fiches gezocht naar informatie over jou. Het was niet veel. Ik heb er prints van gemaakt. Misschien heb je er iets aan. Eigenlijk is dit alleen voor de artsen bestemd, maar dat doet er niet toe. Voor eens in mijn leven wil ik iets tegen de regels in doen. En als jij hiermee geholpen bent dan is dit fijn.

“Het gaat je goed.

“Willem”

 

‘Oh, Willem, je bent een engel’, mompelde ze toen ze de drie A4tjes achter de brief zag. 

Ze keek op. Haaye was met lunchpauze en Marleen zat achter het bureau lezend in de zon te suffen. Met de envelop in haar handen ging ze de kelder in, zocht een plekje onder de flets schijnende lamp en las.

 

40. 

     ‘Jeetje, Jassie...’ Lotte hield de vellen papier tussen haar handen en keek naar haar vrouw ‘...dat enorm heftig.’

‘Inderdaad.’

Jasmijn knikte louter.

Ze zaten op het strand. De avondzon was volop aanwezig in de kleurige hemel. Oranje, rode, gele en roze strepen wisselden elkaar af. Het zou een rustige nacht worden.

Na het lezen van de printjes van Willem was Jasmijn naar huis gegaan. Tegen Marleen zei ze dat ze zich niet in orde voelde. Na een korte, onderzoekende blik op haar, had ze geknikt en haar beterschap gewenst. Bij thuiskomst plofte op de bank, vouwde de handen achter het hoofd en staarde naar het plafond. Pas toen Lotte de buitendeur opende, kwam ze overeind. 

Lotte herkende de tekenen. Zonder verder iets te zeggen, pakte ze haar hand en een zespak Grolsch en liepen naar het strand gelopen. Ze gingen dicht bij de waterlijn zitten. Pas daar hield Jasmijn haar de envelop voor, die opgerold tussen haar vingers geklemd zat en klam aanvoelde.

‘Wat is dissociatieve stoornis nu precies?’, was het eerste dat Lotte na de inhoud meerdere malen gelezen te hebben. ‘Is het dat je dan ernstige gebeurtenissen aan een ander toeschrijft?’

‘In zekere zin wel. Iedereen heeft wel eens het gevoel als ze, bijvoorbeeld, in gezelschap zijn, dat ze dan van buitenaf naar het gezelschap kijken. Jouw persoon die tussen de anderen staat, heeft niets mij jou te maken, om het heel simpel te stellen. Maar...’ ze pakte de papieren terug en zocht een passage op ‘...hier staat, dat mijn dissociatieve stoornis met amnesie gepaard gaat. In mijn geval houdt dit in, dat ik gebeurtenissen die in mijn leven zijn voorgevallen me niet meer kan herinneren.’

‘Dat moet dan op heel jonge leeftijd zijn gebeurd, want ze hebben het hier over een opvanggezin waar je was ondergebracht. Je bent in Maaiborg gekomen toen je twaalf was.’

‘Uh-huh.’ 

Lotte keek naar haar profiel en vroeg:

‘Hoe voelde je je na het lezen ervan?’

‘Ik denk dat “leeg” dit het beste omschrijft. Het was vreemd om deze dingen over mezelf te lezen. Mij bekroop met het gevoel, dat ik heimelijk over iemand anders las.’

‘Dat is logisch, want je bent natuurlijk niet meer degene die je toen was. Slangen wisselen van hun huidje en dat doen mensen op geestelijk gebied ook. Zo niet dan blijf je stilstaan.’

‘Het gekke is, dat ik met totaal niets meer van mijn vroege jeugd kan herinneren. Iedereen die ik ken, heeft herinneringen. We hadden het daar niet zo lang geleden in de winkel nog over. Maar mijn verleden begint pas in Maaiborg.’

‘Vertel ’s wat het eerste is dat jij je kunt herinneren?’ 

Jasmijn tuurde voor zich uit naar het windmolenpark ver uit de kust, de wieken bijna stil vanwege het zachte weer. Rechts ervan de ondergaande zon, minder sterk dan nog maar een half uurtje geleden. Het strand om hen heen was nagenoeg leeg.

Ze keek opzij toen ze een blikje hoorde openen en pakte een Grolschje van Lotte over. Het bier was lauw, maar lekker.

‘Heel vaag kan ik me de hond herinneren van het opvanggezin’, begon ze, ‘als je het over mijn vroegste herinneringen hebt. Volgens mij was dat een wit mormel, misschien een poedel. Achteraf gezien heb geen idee wat voor soort hond het was. Ik weet wel dat we vaak samen in zijn mandje zaten. Ik praatte nooit.’ 

Ze nam nog een slok. De eerste scheut alcohol maakte haar gemoed wat minder gespannen.

‘Met de hond?’

‘Nee, ik praatte gewoon nooit.’ Ze lachte kort. ‘Niet dat ik me daar bewust van ben, maar dat is éen van de dingen die me is bijgebleven toen ik naar Maaiborg werd gebracht. Maaiborg junior had een gesprekje met meneer en mevrouw Peeters en je weet hoe ouderen praten als er kinderen in de kamer zijn: ze zien die gewoonweg niet, zelfs niet als ze het onderwerp van gesprek zijn en de enige reden waarom alle partijen bij elkaar zitten. Er werd van alles gezegd, maar dat ene zinnetje van mevrouw Peeters, dat ik geen woord had gesproken in mijn tijd bij hen, is me altijd bijgebleven.’ 

Ze draaide het blikje heen en weer in het zand totdat het stevig genoeg stond en vervolgde: 

‘Dat wat ik net vertelde van de familie Peeters en Maaiborg junior die bij elkaar zitten, hoeft niet zo nodig waar te zijn; het kan ook zijn dat dit zich zo in mijn herinnering heeft ontwikkeld. Wat wel zeker is, is dat mevrouw Peeters die woorden sprak.’ Ze veegde haar vingers door haar haar en zei: ‘Als je zoals ik geen herinneringen hebt, fabriceer je ze misschien zelf om toch iets te hebben waar je naar terug kunt kijken. Om een verleden te creëren; iets dat als jeugd omschreven kan worden.’

‘Weet je ook wanneer bent gaan spreken, of beter nog: waarom?’

‘Dat was’, begon ze, ‘bij Willem. Willem zelf praatte niet veel, nog steeds niet, en hij had ook niet dat dwingende om mij te willen laten praten. In Maaiborg probeerden een aantal artsen bij mij een woord te ontlokken. Ik ben altijd al vrij slim geweest en al op twaalfjarige leeftijd had ik door, dat zij mij aan het praten wilden krijgen. Er zat iets dwingends achter, alsof ze onderling een weddenschap hadden lopen wie dit zou lukken. Ik neem aan dat dat niet het geval is, mag ik hopen tenminste’, zei ze erachter aan met een kort lachje. ‘En vooral Eelco Schippers was hier fanatiek in. Maar je kent mij nu goed genoeg dat je weet dat als iemand mij tot iets wil dwingen, ik daaraan nooit zal toegeven.’

‘Dat ken ik van je’, bevestigde Lotte. ‘Maar bij Willem was dat niet zo.’

‘Klopt. Ik voelde me altijd op m’n gemak bij hem. Hij is als de oudere broer die ik nooit gehad heb; eentje bij wie ik me veilig voel, die ik kan vertrouwen. En het blijkt maar weer dat dit het geval is.’ 

Ze hield de lege envelop op. Dit was voor Lotte het teken om de tekst weer een keer door te nemen.

‘Ik zie ook manisch-depressief staan’, begon ze.

‘Bipolair’, verbeterde Jasmijn haar. ‘Manisch-depressief vindt men tegenwoordig een te geladen uitdrukking; plaatst een grotere stempel op iemand dan bipolair.’

‘In de tijd dat jij in Maaiborg was, werd het in elk geval nog manisch-depressief genoemd. Ik kan me niet voor de geest halen, dat jij daar last van hebt of hebt gehad.’

‘Medicatie doet wonderen.’

‘Ook dat. Pas geleden zei je, dat je wel eens bent gestopt met de medicatie. Heb je er toen iets van gemerkt?’ 

Na deze vraag moest Jasmijn lang nadenken. Uiteindelijk zei ze:

‘Ik weet het niet zeker. Misschien was de periode dat ik stopte met de medicatie te kort om er iets van te merken omdat ik al vrij snel weer de pillen begon in te nemen. Het enige waarvan ik zeker ben, was dat de herrie in mijn hoofd ondraaglijk werd toen ik stopte. Dan maar een pilletje d’r in stoppen, was mijn devies.’

‘Is er wel eens onderzocht waardoor je zoveel geluid in het hoofd hebt?’

‘Uh-huh’, beaamde ze knikkend. ‘Er is een beschadiging--nee, afwijking was het woord dat gebruikt werd, aan mijn auditieve cortex.’

‘Hoe zijn ze daar achter gekomen?’

‘Met een CT-scan. Het werd ook specifiek als afwijking bestempeld in plaats van beschadiging, omdat het gevolg van een beschadiging aan de auditieve cortex vrijwel altijd leidt tot verminderde waarneming van geluiden. En uiteraard is ook het woord psychosomatisch veelvuldig gevallen. Dat is een mooie omschrijving van een aandoening waarmee artsen hun eigen tekortkomingen of onbekendheid hiermee terug kunnen kaatsen naar de patiënt: wij kunnen niets vinden, dus jij stelt je aan.’

‘Ze kunnen veel dingen over jou zeggen, maar je bent geen aansteller.’

‘Dat vind ik zelf ook. Maar na een aantal keer die omschrijving over me heen te hebben gehad, ben ik gestopt met aangeven waar ik last van heb. Mijn relatie met artsen is hetzelfde als mijn relatie met lui die ik in het dorp tegenkom: hoe is het? Prima. Geen klachten, geen gezeur.’

‘Het is toch wel triest dat het zo ver heeft moeten komen’, merkte Lotte op. 

Met een korte ophaal van de schouders gaf Jasmijn aan, dat het haar om het even bleef. Lotte nam een slok van haar bier en keek naar de lucht. Alleen een lichtblauwe streep over het verre einder toonde, dat de zon er nog was. 

‘Gelukkig praat je wel met mij’, zei ze.

‘Jij bent de enige persoon die ik volledig vertrouw, en dat vergemakkelijkt alles.’

‘Daar ben ik blij om. Waarom heb je mij dit niet eerder verteld?’, vroeg ze toen.

‘Wanneer?’

‘Aangezien we elkaar al zes jaar kennen, dacht ik dat er genoeg gelegenheid is geweest.’

‘Misschien. Als ik het aan het begin van onze relatie had gezegd, zou jij onmiddellijk “probleempot” hebben gedacht en de relatie hebben laten uitsputteren. Er zijn later een paar momenten geweest waarop ik dacht het jou te vertellen, maar het is er gewoon nooit van gekomen.’ 

Ze wierp een blik opzij. In het licht van de invallende nacht zag ze Lotte’s vertrouwde contouren, het wit van haar ogen sterk contrasterend tegen de donkere achtergrond. Ze kon zich geen leven zonder haar voorstellen, wilde dit ook niet, hoopte dat er nooit een moment zou komen waarop zij elkaar niets meer te zeggen hadden. 

‘Ik denk dat het nu de juiste gelegenheid is’, zei ze toen. 

Lotte trok haar naar zich toe en kuste haar wang.

‘Ik denk dat je daarin gelijk hebt’, zei ze. ‘Is er nog iets anders dat je kwijt wil?’

‘Uhm, ik heb een mouche volante.’

‘Mooi. Moet dat lang in de oven?’ 

Jasmijn grinnikte en nestelde zich in de armen van haar vrouw. Het was een mooie avond en ze was blij zes jaar geleden de moed bijeengeraapt te hebben om deze schrijfster mee uit te vragen.

 

41. 

     Marleen had in alle vroegte een telefoontje van Lotte gehad die haar vertelde dat Jasmijn die dag afwezig zou zijn.

‘Er zit een hoop vermoeidheid in het hoofd van mijn vrouw’, had ze erachteraan gezegd, ‘dus we gaan een dagje wellnessen.’

‘Ik hoop dat het helpt.’

‘Ze zal er in elk geval niet slechter van worden.’

Na dit gesprek ging Marleen naar beneden, maakte koffie en dronk deze buiten op de bank aan het water met langzame slokjes op. Inge kwam bij haar zitten met een glas thee waarin het zakje dobberde en tijdens het drinken pufjes groene thee losliet.

‘Heb je nog iets gehoord van dat boek?’, vroeg ze.

‘Nog niet. Ik heb met Quentin -die antiquair, weet je nog? Nou, ik heb vanavond een afspraak met hem en dan krijg ik er hopelijk iets over te horen.’

‘Spannend. Gaan jullie ergens eten?’

‘Ja, bij De Heeren.’

‘Oee, da’s lekker eten daar. Ik ben er eens met Lex geweest’, zei ze. ‘Het eten was geweldig, het gezelschap wat minder, dus heb ik me maar op de bediening geconcentreerd.’

‘Mogge’, klonk het achter hen. 

Beiden keken om. Haaye zette zijn fiets tegen het raam aan en stak zijn hand op. 

‘Dat vind ik toch zo’n leuke knul’, vervolgde Inge, terug zwaaiend. ‘Lekker koppie haar, altijd goedgemutst. Ik zou graag zo eentje van mijn leeftijd tegen willen komen.’

‘Niet Haaye zelf?’, vroeg Marleen.

‘Hij is vreselijk jong.’ 

Ze keken nogmaals om. Hij stapte naar binnen, keek of er genoeg koffie was, schonk een mok in en ging achter het bureau zitten. Twee tellen later was hij aan het lezen. 

‘En...’, vervolgde ze in een zucht, ‘hij ziet vast niets in ouwe taarten als ik.’

‘Misschien al je jezelf als boek vermomd.’

‘Met alle ezelsoren die ik heb?’ 

Marleen lachte en stond op.

‘Ik ga maar weer eens doen alsof ik geld kan verdienen vandaag’, zei ze.

‘Hoe loopt de zaak?’

‘Niet. Als het dit jaar niet beter wordt, geef ik er de brui aan.’

‘Jeetje, is het zo erg? Dat zou zonde zijn. Misschien dat je een liaison met jouw antiquair kunt aangaan.’

‘Met Quentin?’

‘Hoezo, ken je veel antiquairs dan?’

‘Het was onaangenaam jou gekend te hebben, Inge.’ 

Ze liep naar de winkel in en hoorde Inge’s lachen haar naar binnen duwen.

‘Ha, baas’, groette Haaye haar. ‘Nog een koffie?’

‘Nee, dank je. Jasmijn heeft vandaag vrij.’

‘Okidook. Ik ga vanmiddag iets eerder weg. Komt dat uit?’

‘Ik ben hier verder heel de dag, dus geen probleem.’ 

Ze liep de trap op en keek naar beneden waar Haaye het zich weer comfortabel maakte in de fauteuil en zijn boek erbij pakte. Het moest heerlijk zijn om zo’n zorgeloos leven te hebben als hij.

Vlak na de lunch pakte Haaye z’n fiets en reed weg. Marleen maakte aanstalten om te gaan zitten, bleef staan en riep:

‘Nog koffie, meneer Van Zanten?’

‘Nee hoor, dankuwel.’ Zijn hoofd verscheen om de hoek van de boekenkast. ‘Het was erg lekker’, zei hij en knikte haar toe. 

Ze zakte neer in de comfortabele fauteuil, zette haar voeten op de prullenbak en bekeek de emails. Haar zus had een bericht gestuurd vanuit Italië met een foto van het huis erbij. Zus en zwager hadden een goedkoop huisje op de kop getikt en waren dit aan het opknappen met de bedoeling er permanent te gaan wonen. Intussen leefden ze in een tent in de achtertuin tussen de olijfbomen. Ondanks dat het er allemaal heel idyllisch uitzag, zette Marleen vraagtekens bij hun nieuwe onderkomen. Het was namelijk in Calabrië, het kloppende hart van maffialand. Ze had zich voorgenomen dat zodra zij een afgesneden vinger via de post ontving, Schimmelpenninck in te schakelen. 

Haar gedachten bleven bij deze man hangen. Hij liet weinig meer van zich horen. Als Jasmijn gelijk had, wist hij nu dat het boek van de Pool in hun bezit was. Waar dit was ondergebracht, wist hij niet, wist niemand niet. Het werd tijd dat deze zaak snel werd afgewikkeld. Het voelde onaangenaam niemand meer te kunnen vertrouwen in haar privé omgeving. Er waren lui aan wie alles gelegen over lijken te gaan in hun zoektocht naar het manuscript van Kazimierz Wielki. Een week geleden had zij nog nooit van deze man gehoord en nu, sinds ze Quentin had ontmoet, wist zij genoeg over deze heerser te vertellen.

‘Goedemiddag’, zei de vrouw aan de andere kant van het bureau.

En dan was er nog Sonia, die niets meer van zich liet horen. Hier was ze niet rouwig om, maar ze had de pest aan zichzelf dat ze ondanks haar oplettende natuur toch zulke domme beslissingen had genomen. Hierdoor had Sonia misbruik van haar kunnen maken; van haar en de situatie die uit deze domme beslissingen voortkwam.

‘Hallo...’ 

De vrouw zwaaide haar hand voor de starende blik heen en weer. Marleen keek verward op, veerde direct overeind en glimlachte haar toe.

‘Sorry’, zei ze.

‘U was mijlenver weg’, merkte de vrouw op. Ze knikte en vroeg:

‘Kan ik u helpen?’

‘Ik ben op zoek naar uhmm Jasmijn heet ze geloof ik?’ 

Ze wees naar de plek waar Jasmijn normaliter te vinden was.

‘Oh, Jas is vandaag vrij.’

‘Da’s jammer.’ 

Marleen keek de vrouw doordringend aan.

‘Bent u hier niet eerder geweest?’, vroeg ze. ‘U ging op vakantie naar...’

‘Griekenland.’

‘...Griekenland, klopt; ik herinner het me weer.’ 

Ze herinnerde zich ook, dat dit eeuwen geleden was. 

‘Da’s een lange vakantie geweest’, vulde ze aan.

‘Nee, maar ik heb daar voedselvergiftiging opgelopen.’

‘Da’s niet zo mooi. Slechte olijven?’ 

Ze had geen idee wat ze op haar mededeling moest zeggen. De vrouw keek haar langdurig aan om uiteindelijk te zeggen:

‘Het heeft geen zin om hier te komen en Belletien nooit aan te treffen. Kunt u haar vragen contact met mij op te nemen?’ 

Ze pakte een kassabon uit haar tas en schreef haar telefoonnummer erop. Na een moment nadenken, zette zij ook haar eigen naam erbij. 

‘Ik kom namelijk heel de weg uit Maarssen hier naartoe gereden’, mompelde ze tijdens het schrijven, ‘en hoewel het niet zo belangrijk is in het grote wereldse gebeuren, hou ik er niet van voor paal gezet te worden.’

‘Pardon, wie heeft dat gedaan?’, vroeg Marleen, nog verwarder dan toen zij uit haar staar-moment werd gehaald. Ze verbaasde zich erover, hoe snel de stemming van de vrouw van redelijk beleefd naar behoorlijk pissig was omgeslagen.

‘Iedereen hier’, zei de vrouw, de kassabon naar Marleen schuivend, ‘door te zeggen, dat die Jasmijn niet dezelfde persoon is als Belletien. Misschien heeft ze in de bak gezeten waardoor ze een nieuwe identiteit heeft gekregen, maar ik weet zeker dat ik haar als Belletien gekend heb. Vraag haar alstublieft met mij contact op te nemen.’ 

Hiermee liep ze de winkel weer uit. Zuchtend keek Marleen haar na.

‘Volgens mij ben ik zojuist slachtoffer geworden van een pissige drive-by naamoverval’, gromde ze. 

Verderop klonk een lachend knorretje van de heer Van Zanten. Hoofdschuddend zakte ze weer in de fauteuil en zette haar voeten op de prullenbak.

De rest van de dag verliep rustig. Meneer Van Zanten verliet even na drieën de winkel en om vijf uur sloot ze af, nam een douche en maakte zich klaar voor het etentje met Quentin. Even voor zeven sloot ze de deur achter zich en liep de brug over in de richting van het restaurant. Ze wilde niet te vroeg aankomen maar ook niet te laat. Het weer was drukkend. De zon had ongenaakbaar op de stad gedreund en de stenen stuwden de warmte terug.

De straten waren vol toeristen op zoek naar kaas en gezelligheid. Een jonge man in een clownachtige broek en blauw-wit gestreept t-shirt zoefde grote zeepbellen de lucht in en nodigde een kleine jongen uit hem te helpen. De ouders keken vertederd toe. Tijdens het lopen draaide ze haar hoofd naar het tafereel om dit te kunnen blijven volgen.

Ze liep naar het restaurant en bleef bij de ingang staan. Een jonge kelner kwam op haar af. Ze gaf aan een reservering te hebben op naam van Quentin.

‘En de achternaam?’, vroeg de kelner.

‘Oh, moment graag.’ 

Ze pakte haar iPhone, deed haar leesbril op en scrolde door haar telefoonlijst. 

‘Quentin Alesloot’, zei ze uiteindelijk. 

De kelner keek op zijn lijst. Vanuit haar ooghoeken meekijkend, zag Marleen maar éen naam staan, die van Quentin. Ze volgde de kelner naar een plek bij het raam. Hij schoof haar stoel naar achteren, pakte het bordje “gereserveerd” van het tafelblad af en vroeg:

‘Wilt u misschien al iets drinken?’

‘Ik wacht tot mijn eh tafelgenoot er is’, antwoordde ze.

‘Misschien wat koud water met dit warme weer?’

‘Oh. Ja. Prima. Dank je.’ 

Na zijn vertrek keek zij op haar iPhone. Het was vijf over zeven. Tijd genoeg voor Quentin om te laat en toch een beetje op tijd te zijn. 

De kelner zette een karaf water met ijsblokjes op tafel en schonk haar glas halfvol. Ze dronk ervan, schonk het glas vol, pakte een ijsblokje eruit en sabbelde erop. 

Buiten liepen mensen loom op straat, zoekend naar een restaurant of een stukje schaduw voor verkoeling. 

Kwart over zeven. Quentin was nog steeds op tijd mits hij een goed excuus had voor dit verloren kwartiertje. Ze bestelde een glas wijn en pakte haar telefoon. Wijn nippend bladerde ze door haar mail om iets te doen te hebben. Calabrië, zus, huisje, maffia nogmaals. 

Om half acht had ze lang genoeg gewacht, vroeg om de rekening en ging naar buiten. De warmte hing tussen de huizen in. Ze stak het plein over en belde Quentin. De eerste keer kreeg zij zijn voicemail te pakken. Ze haakte af en belde nogmaals. Het duurde lang maar uiteindelijk leek het alsof haar telefoontje beantwoord werd. Een vrouwenstem zei aarzelend:

‘Hallo? Met de telefoon van Quentin Alesloot.’

‘Is Quentin in de buurt?’ 

Weer diezelfde aarzeling, gevolgd door een bevestiging. 

‘Kan ik hem spreken?’, vroeg ze toen.

‘Met wie spreek ik?’

‘Met Marleen Valentina, de vrouw met wie Quentin deze avond om zeven uur een afspraak had.’ 

Ze klonk bits, zelfs in haar eigen oren, maar ze had er een hekel aan een blauwtje te lopen.

‘Quentin kon helaas die afspraak niet nakomen.’

‘Dat heb ik gemerkt. Had hij niet kunnen bellen om dit te zeggen?’

‘Sorry. Hij ligt in het ziekenhuis.’

‘Hij ligt wat?’

‘In het ziekenhuis.’

‘Oh?’ 

Ze viel stil. Op het moment dat ze wilde vragen wat er aan de hand was, zei de vrouw:

‘Hij had gisteravond een andere afspraak en toen hij vanmorgen nog niet terug was, heb ik de politie gebeld. Ik ben Cerise, Quentin’s dochter. Mijn vader schijnt vlak voor mijn telefoontje naar het ziekenhuis te zijn gebracht door een ambulance.’

‘Wat is er met hem aan de hand; hartproblemen, of...?’ 

Marleen ging op het bankje voor Pagina 42 zitten en staarde naar het kalme wateroppervlak van de gracht.

‘Nee, hij is eh afgetuigd. Vanmorgen heeft iemand hem gevonden...’ vast iemand die de hond aan het uitlaten was of een jogger, bedacht Marleen zich. Dat zijn altijd degenen die mensen langs een bosrand of rand van de weg vinden ‘...en hij is daarna naar het ziekenhuis gebracht.’

‘Jeetje, sorry, meis. Weet de politie ook wie het heeft gedaan?’

‘Nog niet. Ze hebben wel zijn agenda nagezocht met wie hij een afspraak had, maar het waren kennissen uit Polen. Hij heeft zo vele kennissen daar.’ 

Ze zweeg. Ze was blij met iemand te kunnen spreken die niet bij het ziekenhuis of politie hoorde. Maar nu was ze uitgepraat, uitgeput.

‘Waar ligt hij?’, vroeg Marleen en nadat ze dit had doorgekregen, zei ze: ‘Ik kom langs.’

‘Dat is echt niet nodig.’

‘Is er verder iemand bij je?’

‘Nee, maar dat geeft niet.’

‘Heb je al gegeten?’

‘Nog niet.’

‘Ik kom zometeen langs.’ 

Voordat Cerise tijd had te protesteren, borg Marleen haar telefoon op en ging naar de snackbar voor broodjes en drinken, en hierna op weg naar het ziekenhuis.

 

42.

     Lotte stak haar hoofd om de hoek van de badkamerdeur en keek via de spiegel naar Jasmijn.

‘Volgens mij ben ik vergeten te vertellen dat we gisteren een interessante reactie op twitter hebben gehad’, zei ze. 

Jasmijn was haar tanden aan het poetsen en kon alleen haar wenkbrauwen vragend omhoog trekken. 

‘Ik ben de naam effies vergeten, maar de reactie was...’ ze dacht na en ging terug naar de woonkamer, mompelend: 

‘Wat was de reactie eigenlijk?’ 

Jasmijn gorgelde en riep:

‘Blij dat je beter schrijft dan praat.’ 

Ze borstelde haar haar en ging in de weer met een oogpotlood. Een dagje sauna was precies wat ze nodig had gehad.

‘De reactie is’, riep Lotte vanuit de woonkamer: ‘Is dit een smakeloze grap of...?’ 

Ze liet de potlood in de lucht hangen en tuurde naar de spiegel zonder iets te zien.

‘Nog eens?’, riep ze toen. Lotte herhaalde de boodschap. ‘Weet je ook van wie het is?’

‘Marie56 heeft dit bericht gestuurd. Ze zal dus Marie heten en in 1956 geboren zijn of 56 jaar zijn geweest toen ze haar account opzette.’

‘Hoe origineel’, mompelde Jasmijn. 

Lotte zat op de bank en las een paar berichtjes op twitter door.

‘Hier’, zei ze, zodra ze Jasmijn hoorde binnenkomen, en hield haar iPad omhoog.

‘Wat een cryptisch bericht. Heeft er al iemand op gereageerd?’

‘Nee, het is een persoonlijk bericht dat alleen wij kunnen zien.’

‘Techniek staat voor niets, zeg.’ 

Lotte negeerde het sarcasme in haar stem en zei:

‘Ik zal een berichtje terug sturen. Wat wil je dat ik schrijf?’

‘Het is jouw kindje, dus verzin maar wat.’ 

Ze liep naar de opengeslagen balkondeur en snoof de frisse ochtendlucht op. Over twee uurtjes zou het te warm zijn om hiervan te kunnen genieten. Een auto stopte en draaide een parkeervak aan de overkant in. De man die uitstapte, liep om zich heen kijkend door de straat. Aan het begin ervan bekeek hij de verkeersborden, keek weer om zich heen en trok de schouders op. Zijn vrouw laadde strandstoelen uit. Een jongetje van pakweg zes stond met zijn ontbloot bovenlijf in een rode korte broek en op blote voeten op de stoep, een bal in zijn armen geklemd. Zijn twee jaar oudere zusje probeerde op de lage muur te klauteren. 

Teruglopend keek de man omhoog en zag Jasmijn. Met een paar passen was hij halverwege de straat en riep:

‘Is het hier gratis parkeren?’

‘Ja’, riep ze terug. 

Dankbaar stak hij zijn duim naar haar op.

‘Ik heb de vierde van dit seizoen’, zei ze tegen Lotte.

‘Volgens mij gooi je het op een akkoordje met die mensen’, was haar reactie. ‘Wat dacht je van “hoezo smakeloze grap?”’, vroeg ze toen.

‘Mooi.’

‘Zeker weten?’

‘Als ze hierop wil reageren, zal ze meer moeten vertellen’, zei Jasmijn. ‘Misschien worden we er wat wijzer van.’

‘Okee.’ 

Lotte typte het in en stuurde het weg. Over haar schouder keek Jasmijn mee en vroeg toen de iPad werd dichtgeklapt:

‘Moet je niet op antwoord wachten?’

‘Dat doe je alleen als je zestien bent en desperaat of in de dertig met minimaal zes katten in huis. Ik heb nog een leven om mee verder te gaan. We zien straks wel weer.’

‘Kun je nagaan wie de Marie56 is?’

‘Ik heb al gekeken, maar uit haar profiel beschrijving word je niet veel wijzer. Waarom zucht je?’

‘Zomaar, en omdat ik geen moer van deze dingen begrijp.’

‘Het is zo simpel.’

‘Laat ik het zo zeggen: ik wil er niks van begrijpen.’ Ze nam Lotte in haar armen en kuste haar. ‘Tot vanavond, vrouwtje, en werk ze.’

‘Jij ook, lieverd.’ 

Met twee treden tegelijk denderde ze de trappen af en liep over het pad langs de schuurtjes van de buren naar de parkeerplaats. Ze keek omhoog, zwaaide naar Lotte en stapte in de auto. Om de pooierbak van de buurman heen zwenkend reed ze het terrein af op weg naar Alkmaar.

Marleen was juist koffie aan het zetten toen ze kwam aanlopen. Dat was normaliter de taak die Haaye op zich nam, maar hij was naar Parijs om twee weken lang in Shakespeare & Co. door te brengen.

‘Hai’, groette ze bij binnenkomst. ‘Jij ziet er afgelebberd uit. Goede nacht of slechte nacht?’

‘Geen van beiden: vermoeide nacht. Koffie? Ik heb gisteravond in het ziekenhuis doorgebracht.’

‘Oh, jeetje, joh. Hoe dat zo?’ 

Ze ging op de boekenkast zitten.

‘Ik had een afspraak met Quentin en toen hij niet kwam opdagen, belde ik hem. Pissig, natuurlijk.’

‘Natuurlijk. Dus je hebt hem in elkaar geslagen en naar het ziekenhuis gebracht.’

‘Dat was de bedoeling, ware het niet dat iemand mij voor was.’ 

Met beide handen rond de mok wachtte Jasmijn op de rest van het verhaal. 

‘Bleek dat hij de avond ervoor een paar Poolse lui had ontmoet vanwege het boek en die wilden er op een niet al te verfijnde manier zeker van zijn, dat hij het boek werkelijk niet in zijn bezit had. Dus hebben ze ‘m in elkaar getremd.’

‘Zeker de nationalistische manier in Polen om iemand te overtuigen.’ 

Jasmijn had het verhaal van de eerste ontmoeting met Quentin in alle geuren en kleuren van Haaye gehoord.

‘Ik weet het ook niet meer, Jas.’ Marleen ging in de fauteuil zitten en sloeg haar benen over een armleuning. ‘Wat ik wel weet, is dat ik blij zal zijn als dat ding is waar het thuishoort.’

‘En waar hoort het thuis?’

‘Bij de mensen die het hardste slaan.’

‘Het is nooit goed om aan pestkoppen toe te geven.’

‘Je zal wel gelijk hebben, maar als je vastgeknoopt op de grond ligt met twee van die gespierde kledingkasten om je heen, is toegeven werkelijk niet zo eens een slechte optie.’

‘Ja. Ja, daar heb je wel iets’, gaf ze toe. ‘Hoe is het nou met Quentin?’

‘Hij is er niet al te slecht aan toe.’ 

Ze nam een slok en zette haar mok op het bureau. Met de handen achter het hoofd gevouwen, zei ze: 

‘Beetje blauw, beetje rood, maar goed bij zinnen. Hij kon me in elk geval over de ontmoeting met die aardige lui vertellen. Verder heb ik met zijn dochter zitten praten. Een leuke meid, ietwat aan de paniekerige kant, maar ze is pas zeventien, achttien of daaromtrent. Bijna volwassen voor de wet maar nog een kind in haar doen en laten. Ik heb mijn moederlijke gevoelens, waarvan ik niet wist dat ik ze had, de vrije loop gelaten en haar bijgestaan.’ 

Op haar gezicht verscheen een scheef glimlachje: 

‘Misschien is haar vader me dankbaar genoeg voor deze onbaatzuchtige daad om mij een paar meier extra toe te schuiven bij de overdracht van het boek.’

‘Je bent dus van plan om het aan het Poolse consulaat te geven?’, concludeerde Jasmijn uit haar woorden.

‘Ja. In de hoop dat ze er goede ruchtbaarheid aan geven zodat wij in elk geval met rust gelaten worden.’

‘Ik denk dat dat de juiste keuze is.’

‘Dat dacht ik ook.’

‘Hoe pakken we dat aan?’

‘Ik dacht zelf om alles aan Quentin over te laten. Hij kent de juiste namen en de juiste wegen die bewandeld moeten worden.’

‘Is hij alweer in staat tot wandelen?’

‘Ja hoor. Hij wordt vanmorgen uit het ziekenhuis ontslagen dus ik neem aan dat hij dit wandelend doet. Zo niet dan kart hij maar met een rolstoel naar het consulaat. Hoe was jouw dag eigenlijk?’

‘Lekker. Goed bijgekomen, alle sores van me af laten glijden en heerlijk gelummeld.’

‘Heerlijk. Ik zou dat ook weer eens een keer moeten doen, een dagje sauna. Het is lang geleden dat ik daar ben geweest. Oh trouwens, voordat ik het vergeet...’ ze schoof een la van het bureau open en haalde er een briefje uit ‘...gisteren is die vrouw weer langsgekomen die zegt jou van vroeger te kennen. Ze heeft haar telefoonnummer opgeschreven voor het geval je contact met haar wilt opnemen.’

‘Dank je.’ Jasmijn las de naam en het nummer op het briefje. ‘Ik zal haar bellen.’

‘Mag ik vragen’, begon Marleen na een korte stille pauze, ‘waar dit over gaat?’

‘Dat mag, maar de pest is, dat ik zelf ook nog te weinig weet om er iets interessants over te zeggen.’

‘Probeer maar.’

‘Nu?’ 

Op deze vraag keek Marleen om haar heen door de lege winkel.

‘Misschien dat we het vanwege de drukte moeten uitstellen’, merkte ze op, ‘maar ik waag het er toch maar op.’

‘Ik bedoel... Nou ja, laat maar.’ Jasmijn dronk haar mok leeg. ‘Het gaat er om, dat ik... Nee, laat ik anders beginnen.’ 

Ze zuchtte diep en zei: 

‘Ik heb geen herinneringen van voor mijn twaalfde, dertiende jaar. Nou heb ik pas vernomen dat ik een dissociatieve stoornis heb, waarbij mijn geheugen is aangetast. Ik had ook nog allerlei andere dingetjes, waaronder schizofrenie, maar dat geven ze aan elke tiener die wisselende stemmingen heeft.’

‘Een tiener die geen last van stemmingswisselingen heeft, is pas gestoord’, merkte Marleen op.

‘Precies mijn idee, dus van die prognose trek ik me niets aan.’

‘Sorry dat ik je onderbreek, maar van wanneer is die prognose?’

‘De prognose is van het moment dat ik vanuit een pleeggezin naar een instituut werd overgeplaatst, en dat was toen ik rond de twaalf was.’

‘Dus meer dan dertig jaar geleden?’

‘Klopt’, beaamde Jasmijn knikkend. ‘Maar om een lang en waarschijnlijk ongelooflijk saai verhaal kort te maken: die Marjolein... ‘ ze hield het briefje naar Marleen op ‘...zegt mij van de lagere school te kennen. Ze heeft een tijd terug een foto uit die tijd gegeven...’

‘Dat herinner ik me nog.’

‘...en volgens Lotte ben ik dat, dat meisje op die foto. Zij kent mij natuurlijk het beste en zag in éen oogopslag de overeenkomsten tussen dat meisje en mij. Dus misschien ben ik wel Belletien nogiets. Met mijn geheugenstoornis kan ik dit niet voor 100% ontkennen.’ 

Haar handen rolden de lege mok heen en weer. Ze staarde naar de vloer, dacht aan alles en niets. Het tolde enorm in haar toch al zo onrustige en luidruchtige hoofd. 

‘Dus ik denk dat het handig is om Marjolein te bellen en het hoe en wat te vragen.’

‘Weet je zeker dat je dit wilt doen?’ 

Jasmijn schudde het hoofd. 

‘Je kunt zoveel over je heen krijgen’, vervolgde Marleen, ‘dat jouw hoofd uit elkaar spat.’

‘Dat doet het nu ook al. Misschien is het voor mij draaglijker als het uit elkaar spat voor een reden.’

 

43. 

    Pas toen zij zijn stem hoorden, hadden Marleen en Jasmijn door dat Schimmelpenninck in de winkel was. Marleen keek om en stond op, liep een paar passen bij Jasmijn’s tafel vandaan maar bleef staan toen de hoofdinspecteur op hen afkwam. Hij groette hen met een knikje en vroeg aan haar:

‘Mag ik u vragen over uw bezoek aan Quentin Alesloot?’

‘Dat mag.’

‘Waar kent u hem van?’ 

Jasmijn legde haar pen neer en besloot het gesprek te volgen.

‘Wij zitten in hetzelfde vak en zijn collegae van elkaar’, antwoordde Marleen.

‘Weet u hier wat meer over te vertellen?’ 

Hij hield een kopie van het manuscript op, verpakt in plastic. Nadat zij het aandachtig had bestudeerd, zei Marleen:

‘Dat is een kopie.’

‘Ik weet dat het een kopie is.’ Schimmelpenninck zuchtte luid. ‘Waar is het origineel van deze kopie?’

‘Bij een klant.’

‘Wie?’

‘Getuigende wat er met Quentin is gebeurd’, begon ze met een scheef glimlachje, ‘lijkt het mij niet zo best om de naam van mijn klant prijs te geven.’

‘Getuigende wat er met Alesloot is gebeurd, lijkt het mij meer dan aannemelijk dat de daders verder op zoek gaan naar het origineel. En na wat Alesloot hen heeft verteld...’ 

Hij stopte. Marleen en Jasmijn keken elkaar vluchtig aan voordat Jasmijn vroeg:

‘Wat heeft hij verteld?’

‘Hij heeft hen verteld waar hij de kopie vandaan heeft.’

‘Kut!’, gromde Jasmijn. 

Handig van hem om dit voor Marleen te verzwijgen.

‘Inderdaad. Het zal in jullie voordeel zijn om mij eens een keer wat minder als de boeman te zien en meer als iemand die hier is om jullie te helpen.’

‘Waakzaam en dienstbaar’, somde Marleen op.

‘Zo is het.’

‘Behalve als jouw levenswijze van de anale norm afwijkt’, vulde Jasmijn aan. 

Hij keek haar onderzoekend aan.

‘Laten we wel wezen’, zei hij toen: ‘Jullie weten waar het manuscript is, ik weet dat jullie dit weten, dus laten we er verder geen doekjes om winden. We spreken af dat ik morgen terugkom om het boek op te halen. We krijgen dertig seconden in het journaal van acht uur zodat iedereen weet dat jullie er niets mee te maken hebben.’

‘En dan?’, vroeg Jasmijn.

‘Dan hebben jullie geen last meer van ongenode lui.’

‘Nee, ik bedoel: wat gaat er dan met het manuscript gebeuren?’

‘Dat laat ik aan de experts over.’

‘Quentin is ook een expert, en je ziet wat er met hem is gebeurd’, zei Marleen. 

Schimmelpenninck knikte en zei:

‘Dat zal niet weer gebeuren. Morgen.’ 

Met lange passen liep hij de winkel uit. Na zijn aftocht bleef het een aantal momenten stil. Marleen schoof de stoel een centimeter van de tafel vandaan en ging zitten.

‘Gaat dat lukken, morgen?’, vroeg ze.

‘Noop. Maar geen nood’, zei Jasmijn snel toen ze bedenkelijk keek. ‘Ik handel dit wel met de Schimmel af.’

‘Mooi.’ Ze knikte, vroeg toen: ‘Wat denk jij dat we moeten doen?

‘Heb je al aan Quentin gevraagd of hij het éen en ander heeft kunnen uitzoeken?’

‘Nog niet. Vanavond zie ik hem en dan zal ik hier naar vragen.’

‘In het ziekenhuis?’, vroeg Jasmijn, hoewel ze dacht te hebben gehoord dat hij daar uit ontslagen was. Ze had gelijk want Marleen antwoordde:

‘Nee, bij hem thuis. Het was min of meer op aandringen van Cerise. Ze heeft me voor het eten uitgenodigd, hoewel ze volgens Quentin nog geen ei kan koken. Ik dacht om een tokootje mee te nemen.’

‘Dat is altijd een goed plan.’

‘Ik zal hem vragen hoe het zit, of hij contact met het consulaat heeft gehad.’ 

Ze keek Jasmijn aan. Haar ogen stonden groot en een beetje nadenkend. 

‘Ik weet niet hoe het met jou zit, maar ik ben al dit gelazer zat.’ 

Het was een sentiment waarmee Jasmijn helemaal kon instemmen.

Marleen ging om kwart over vijf naar de toko en meteen door naar Quentin en Cerise. 

Hoewel Jasmijn naar huis verlangde, wilde ze eerst de laatste stapel van haar tafelblad wegwerken. Het was stil in de winkel. De deur stond open. De voetstappen en het gepraat van passerende mensen dreef naar binnen. In alle rust werkte ze verder en bedacht zich ineens dat ze Marjolein nog wilde bellen. Ze pakte haar iPhone tevoorschijn. Het was tien voor half zeven. Voordat ze belde, stuurde ze een berichtje naar huis om te zeggen dat het wat later werd. Hierna keek ze op het briefje en toetste het nummer in. Na drie keer overgaan werd er opgenomen.

‘Met Marjolein van der Does’, hoorde ze.

‘Hallo, met Jasmijn Bendelof’, zei ze, dacht een moment na en vervolgde met: ‘Of Belletien zoals jij mij kent.’

‘Oh, hai. Eindelijk heb ik je dan toch te pakken.’

‘Hai. Inderdaad, ja. Bel ik gelegen?’

‘Tuurlijk.’

‘Ik zou wat meer te weten willen komen over het verleden van Belletien, wat vermoedelijk mijn verleden is.’

‘Nou ja, ik weet het wel zeker.’ 

Er kroop scherpte in Marjolein’s stem.

‘Sorry’, suste Jasmijn de beginnende ergernis, ‘dat ik nog wat sceptisch ben, maar ik ben al zo lang Jasmijn Bendelof, dat het voor mij moeilijk te aanvaarden is dat ik anders zou kunnen heten.’

‘Kan ik me best voorstellen.’ De ergernis verdween even zo snel als het was opgekomen. ‘Maar weet je werkelijk niets meer?’

‘Werkelijk. Geloof me, dit is niet iets waarover ik een geintje maak, als ik dat al kon. Maar...’

‘Misschien...’ 

Ze spraken door elkaar heen.

‘Zeg jij maar’, zei Jasmijn toen.

‘Misschien is het handiger als we elkaar ontmoeten? Dat praat wat makkelijker.’

‘Precies wat ik wilde voorstellen’, zei ze met een lachje. ‘Waar komt jou het beste uit?’

‘Utrecht?’

‘Utrecht?’, herhaalde ze, eveneens vragend.

‘Dat is voor mij makkelijk te bereiken en voor jou vanuit Alkmaar waarschijnlijk handiger dan Maarssen.’

‘Okee. Wanneer schikt het jou?’

‘Morgen?’

‘Hmm, nee, dan moet ik werken. Er is er al eentje op vakantie namelijk.’

‘Zondag? Heb je daar moeite mee?’

‘Nee, volstrekt niet. Zeg maar hoe laat en waar.’ 

Ze besloten een lunchafspraak te maken zodat beiden iets te doen hadden, mocht het gesprek stokken. Met het wegstoppen van haar telefoon merkte Jasmijn, dat zij een opgewonden gevoel had. Ze was benieuwd naar die Belletien en het verleden van die vrouw. Aan de andere kant bleef ze sceptisch, maar dit scepticisme was na het lezen van de documenten uit Maaiborg minder diepgaand dan voorheen. Er was een gat in haar verleden en als dit opgevuld kon worden met een verleden die zij als Belletien had doorgebracht, kon ze misschien overgehaald worden hierin te gaan geloven. Aan de andere kant hield dit in, dat er vele vragen waren die beantwoord moesten worden. En ze vroeg zich af of dit mogelijk was.

Ze opende het luik naar de kelder, ging een paar treden af en pakte een stapel boeken van de grond naast haar tafel. Deze zette ze beneden in een kast. De wandkasten boven waren tot de nok toe gevuld en het was moeilijk een opening te vinden. 

Terug op de trap bleef ze halverwege staan om een nieuwe stapel te pakken, toen ze iets hoorde. Ze schoof de stapel aan de kant en liep door naar boven, de winkel in. Er was niemand. Waarschijnlijk was het een geluid van buiten. Ze draaide zich om verder te gaan en hoorde weer iets duidelijker ditmaal. Het was geschuif, gerammel, gerommel, alsof de achterdeur gemold werd. 

Ze begreep dat dit een keuze was tussen heldhaftig zijn en gaan kijken wat er gaande was bij de buitendeur, of de benen nemen. Ze koos voor het laatste. Ze was voor niemand bang, maar was geen liefhebber van de gevolgen van misplaatste heldhaftigheid. 

Haar tas van onder de tafel vandaan grijpend, wilde ze naar de voordeur rennen, toen de stemmen plots akelig dichtbij klonken. De buitendeur was te ver weg. Zonder er verder bij na te denken, schoot ze de trap af en ging de kelder in. Gehaast knipte ze het licht uit en met het lampje van haar telefoon liep ze verder naar achteren. Naast een pilaar stond een tafel met omringd door boeken. Ze schoof een rij opzij en ging onder de tafel zitten. Met haar vingertoppen probeerde ze het rijtje terug te schuiven, maar het viel om en gleed als een pak nieuwe speelkaarten van haar vandaan over het looppad. Ze toetste het alarmnummer in en wachtte. Een mevrouw nam haar gesprek aan. Ze zei haar naam en waar de winkel was en vroeg of de politie kon langskomen omdat er indringers waren.

‘Waar bent u zelf nu?’, vroeg de vrouw, op een zachtere toon dan ze gewoon was, zich aanpassend aan de fluisterstem van Jasmijn.

‘In de kelder van de winkel onder een tafel. Ik hoor iemand de trap afkomen.’

‘Hoeveel zijn er?’

‘Geen idee. In elk geval twee.’

‘Blijf rustig zitten, niet praten. De politie is al gealarmeerd en onderweg naar je.’

‘Okee.’

‘Blijf aan de lijn.’ 

Ze deed wat haar werd gezegd en hield de telefoon stevig tegen haar oor gedrukt. Aan de andere kant van de lijn hoorde ze het tikken van een toetsenbord. 

‘Rustig ademhalen’, zei de vrouw. 

Ze knikte zonder door te hebben dat ze dit deed. Het schijnsel van een zaklamp kwam haar richting uit, eerst zwak, daarna scherper naarmate het licht naderbij kwam. En met het licht kwam ook de indringer dichterbij. Tot haar schrik zag ze de band van haar schoudertas in een lus onder de tafel op het looppad liggen. Ze tuurde ernaar, het bijna gebiedend terug te komen. Het felle licht had de band bijna bereikt toen het plots verdween en op de boekenkasten werd geschenen. Hierdoor was de schouderband bedekt door duisternis. Snel trok zij het naar binnen en bleef stil zitten.

‘Gaat het nog?’, vroeg de vrouw zacht.

‘Shh’, fluisterde Jasmijn terug. 

Vanwege de vreemde houding kreeg ze kramp in haar rechterdij. Ter afleiding liet ze haar gedachten over andere dingen gaan om niet aan de kramp te hoeven denken, om niet automatisch haar been te willen strekken. Stilletjes liet ze het gewicht van haar bovenlichaam zoveel mogelijk op haar andere been rusten.

‘De politie is bijna ter plaatste’, zei de vrouw zacht. 

De mannen zeiden iets tegen elkaar. Ze begreep niet wat er werd gezegd, maar het was waarschijnlijk Pools. Het licht van de zaklamp draaide van de kast vandaan en werd op de tafel gericht. Het raakte haar zijkant langs het gat tussen de boeken in. Het enige wat zij hoopte, was dat de man haar niet opmerkte.

‘Politie!’, werd er plots geroepen. ‘Kom naar boven met de handen waar wij die kunnen zien.’ 

Ze hoorde iemand de trap afkomen. Het licht ging aan. De mannen zeiden iets tegen elkaar. 

‘Kom naar de trap met de handen omhoog’, riep iemand.

‘We not understand’, riep éen van de mannen terug.

‘Hands up’, riep de politieman zonder een slag te missen. ‘Show me your hands where I can see them.’ 

Hierna klonk er een hoop gerommel en gepraat tot Jasmijn door. Ze wist niet of het al veilig was om onder de tafel vandaan te komen en bleef zitten.

‘Hoe is de situatie nu?’, vroeg de vrouw van de alarm centrale.

‘De politie is er.’

‘Mooi. Dan lijkt alles in orde.’

‘Kan ik onder de tafel vandaan?’

‘Je kunt beter wachten totdat je gehaald wordt.’

‘Okee.’ 

Ze bleef de telefoon vasthouden om in contact met de vrouw te blijven en zag plots het gezicht van een politieman die naast de tafel hurkte. Hij glimlachte haar toe.

‘Zal ik u overeind helpen, mevrouw?’, vroeg hij, een hand uitstekend.

‘Graag, want ik heb verschrikkelijke kramp in mijn dij.’ 

Ze pakte zijn hand beet en kwam onhandig onder de tafel vandaan. Eenmaal in de verticale positie schudde zij haar been om er leven in te krijgen.

‘Alles in orde?’, vroeg de vrouw aan de andere kant van de lijn.

‘Alles in orde’, bevestigde ze. ‘Bedankt dat je me er doorheen hebt geholpen.’

‘Graag gedaan. Is er nog iets wat ik kan doen.’

‘Nee, het is prima zo. Hartelijk dank nogmaals.’

‘Gelukkig dat het goed is afgelopen. Ik kan nu de verbinding verbreken?’

‘Ja. Bedankt.’ 

Jasmijn had er geen idee van hoe vaak ze de vrouw in de afgelopen dertig seconden had bedankt, maar het had een wereld verschil gemaakt om iemand bij haar te hebben die wist wat er aan de hand was en die ook mensen aan het werk kon zetten om de situatie op te lossen.

Eenmaal terug boven zag ze in totaal vier politieagenten en twee politieautos voor de deur, met een aantal nieuwsgierige mensen die door de etalage naar binnen keken.

‘Het slot van de achterdeur is gemold’, meldde een agent. ‘We hebben een metalen staaf klem gezet tussen het handvat. Dat is misschien goed voor een nacht, maar als ik u was, zou ik het zo snel mogelijk laten maken.’

‘Doe ik’, zei Jasmijn knikkend. ‘Bedankt dat jullie zo snel hier naartoe zijn gekomen.’ 

De twee mannen waren afgevoerd en zaten verdeeld over de twee politieautos. Ze dacht er eentje van hen te herkennen: de grote kale met het Keltisch kruis op zijn borst getatoeëerd. 

‘Moet ik nog mee naar het bureau of kan ik naar huis?’

‘U kunt naar huis. Neem eerst wat rust. Morgen nemen we contact met u op.’ 

Ze gaf haar naam, adres en telefoonnummer op en liep gezamenlijk met de agenten de deur uit. Ze wilde niet meer alleen achterblijven nu de achterdeur op zo’n provisorische manier was vastgezet. 

Ze sloot de voordeur, liet het luik zakken en liep in snelle passen naar haar auto. Pas achter het stuur met de deuren veilig dicht en op slot, kon ze weer normaal adem halen.

 

44. 

     Lotte zette twee glazen op het hangtafeltje, ging zitten en plaatste haar voeten tegen de reling van het balkon. De ondergaande zon scheen felrood tussen de twee duintoppen door.

‘Ik heb nog geen reactie gehad’, zei ze. ‘Proost, lief.’

‘Proost.’ Jasmijn hief het glas naar haar alvorens er een slok uit te nemen. ‘Waarop eigenlijk?’

‘Dat berichtje op twitter.’

‘Oh, dat.’ Met de ogen gesloten tegen het zonlicht leunde Jasmijn achterover. ‘Ik was het al bijna weer vergeten.’

‘Kan me voorstellen met alles wat je op je werk meemaakt.’ 

Ze voelde zich niet gerust over de ontwikkelingen in Pagina 42. Sinds Jasmijn daar werkte, was ze hardhandig tegen de grond geduwd, waren er een paar inbraken geweest, was Marleen vastgebonden en bedreigd, en nu dit laatste akkefietje weer. Het enige goede dat eruit was gekomen, was dat ze nu eindelijk de lui te pakken hadden die hier achter zaten. Ze hoopte alleen dat er niet nog meer fanatiekelingen zich ermee gingen bemoeien.

‘Misschien was het iemand die zo maar wat stennis wilde maken’, zei Jasmijn.

‘Met dat twitter berichtje? Mmh, lijkt me een beetje sterk.’ 

Ze rolde het glas tussen haar handen, zette het toen terug op het tafeltje. 

‘Ik ben effies kwijt wat het was.’

‘Ze had het erover, of het een smakeloze grap was’, herinnerde Lotte haar eraan.

‘Wat denk je dat daarmee bedoeld wordt?’

‘Ik heb daar al vaker over gedacht. Het kan zijn dat het iemand uit Belletien’s verleden is en dat Belletien is overleden. Laten we eerlijk zijn: de naam Belletien is niet alledaags, en als je dan nog die achternaam eraan plakt... Misschien een familielid; misschien die Marjolein van jou.’

‘Ze zei er niets van over de telefoon.’

‘Nee, da’s waar. Vraag het haar toch maar wanneer je haar morgen spreekt.’

‘Doe ik.’ 

Ze staarden naar de lucht. De zon was achter de duinen geschoven en de avond begon in te vallen. Er waren geen vleermuisjes meer. Vroeger fladderden er vaak vleermuisjes rond, van die kleintjes die zo handig op te vouwen waren tussen dakgoot en muur in. Sinds de gemeente een paar jaar geleden de dakgoten had geschoond en opgekalefaterd, waren de vleermuizen gedoemd een ander onderkomen te vinden.

‘Als het familie is...’, begon Jasmijn, dacht na en schudde toen haar hoofd. ‘Nee, ik wil er niet aan denken.’

‘Misschien toch maar eens doen. Het is mogelijk, dat je een broer of zus hebt of, in het vreemdste geval, ouders.’ 

Met een blik opzij keek Lotte naar haar vrouw. Door de duisternis kon zij haar gezichtsuitdrukking nauwelijks lezen. 

‘Dat is goed nieuws, toch? Niet meer Remi te hoeven zijn?’ 

Haar vraag werd gevolgd door een lange stilte. Het geroezemoes vanaf het terras van het café aan de overkant bereikte hen. Binnen zette een band hun installatie in elkaar. Lotte hoopte dat het niet zo’n donderdagavond emo-achtig bandje was dat “Bridge over troubled water” verkrachtte om daarna Janis Ian toon voor toon na te spelen. Juist op het moment dat ze naar binnen wilde gaan om wat knabbels te halen, zei Jasmijn:

‘Ik weet niet of het goed nieuws is.’

‘Nee? Hoe dat zo?’

‘Zou ik werkelijk de mensen willen ontmoeten die ervoor gezorgd hebben dat ik via een pleeggezin in een instituut terecht kwam? Lui die mij nooit hebben bezocht of een teken van leven gaven? De enige persoon op deze aardbol die ik een beetje als familie beschouw, is Willem. Hij is mijn grote broer, de man die op zijn onhandige manier voor mij opkwam en altijd voor mij in de bres sprong. Ik heb in die jaren meer genegenheid van een vreemde gekregen dan van mensen die mogelijk mijn bloedverwanten zijn. Zij hadden de herrie in mijn hoofd kunnen stoppen voordat het een vast onderdeel van mijn leven werd. Nu is het te laat; voor familie is het nu te laat.’

‘Ik kan me dit goed voorstellen, hoewel ik me met geen mogelijkheid kan indenken hoe het er in jouw hoofd aan toe gaat. Zelfs wat voor leven jouw jonge jij achter de rug heeft, is voor mij onmogelijk om voor te stellen. Aan de andere kant bestaat natuurlijk de kans, dat jouw familie om een terechte reden jou nooit heeft bezocht, of geen contact met jou heeft opgenomen. Om maar een zijstraat te noemen: voor hetzelfde geld waren ze er geeneens van op de hoogte dat Belletien Quirijns van het ene moment op het andere Jasmijn Bendelof is geworden. Dat kan natuurlijk ook het geval zijn.’

‘Daar heb je gelijk in’, gaf Jasmijn toe. ‘Maar dan blijft nog de vraag over: waarom ben ik in eerste instantie überhaupt in een pleeggezin geplaatst?’

‘Daar heb ik geen antwoord op. Daarom is het ook zo belangrijk dat we die ene link op twitter vast te houden om te horen wat zij te zeggen heeft. Misschien wil ze jou wel ontmoeten.’

‘Ik weet niet of ik daar trek in heb.’ 

Lotte hoorde de koppige intonatie waarmee Jasmijn sprak.

‘Je hoeft daar nu ook nog niet over te denken, lief’, zei ze. ‘We hebben per slot van rekening geen haast. Met rustige stappen kom je ook bij het einddoel.’

 

45. 

     Halverwege de dag vertrok Jasmijn naar Utrecht. Ze voelde zich gespannen. Haar handen zaten strakker rond het stuur dan normaal. De laatste tijd waren veel over haar heen gekomen en was zij meer te weten gekomen over haar verleden. Maar ze wist ze niet zeker of dit dingen waren die zij had willen weten. 

Er was een reden waarom zij in Maaiborg terecht was gekomen, zoals er ook een reden was waarom zij de eerste twee jaar daar zwijgend had doorgebracht en de medicatie die haar onwil tot praten tot gevolg had. Er was begrip voor op te brengen: bipolair. Dat was een medische kreet die soms al te gemakkelijk aan iemand werd toegedicht. Dissociatieve stoornis, daarentegen, was nieuw voor haar. Inmiddels had zij hier veel over gelezen. De conclusie die zij uit de medische boeken trok, was dat haar hersens iets verdrongen zodat de rest van haar lichaam hiertegen werd beschermd. Bleef de vraag wat hetgeen was dat zij verdrong. Hierin kon de rit naar Utrecht en Marjolein meer inzicht geven. 

Ze parkeerde de auto in de buurt van het station. Het was warm. Haar bloes voelde klam aan en plakte tegen haar rug. Het los schuddend liep ze naar het stationsplein. 

De cafetaria was makkelijk te vinden. Ze liep naar binnen en werd omringd door zachte, nietszeggende muziek. Hoe Marjolein eruit zag, wist ze niet meer. Niet van vroeger, niet van die ene keer dat zij in de boekwinkel had gestaan. 

Marjolein zat aan een tafel niet ver van de deur vandaan. Door de opengeslagen ramen vloog lauwwarme lucht naar binnen. Voor haar stond een kop thee met een lepeltje erin. Ze groetten elkaar en Jasmijn ging tegenover haar zitten. Er hing een aarzeling tussen hen in. Geen van twee wist hoe zij moest beginnen. Toen Jasmijn bleef zwijgen en langs haar heen naar buiten keek, zei Marjolein uiteindelijk:

‘Het is warm, hè?’

‘Behoorlijk. Maar we mogen niet klagen. Heel de winter hebben we naar dit weer verlangd en nu het er is, moeten we er maar vrede mee hebben.’

‘Daar heb je gelijk in. Wil je iets drinken of eten?’

‘Eerst maar iets drinken.’ De serveerster kwam naar hun tafel. ‘Een groene thee, graag.’

‘Komt eraan. Nog iets te eten erbij?’

‘Later.’ 

Beiden keken de serveerster na en zaten stil tegenover elkaar. 

‘Het is toch gelukt elkaar eens te ontmoeten’, zei Jasmijn uiteindelijk.

‘Ja, ik was bang dat je misschien niet meer wilde, na die eerste keer. Je was zo afwijzend toen in de winkel.’

‘Dat was niet persoonlijk bedoeld, maar als ik met een naam ben grootgebracht en een wildvreemde...’ ze glimlachte om haar woorden te verzachten ‘...komt binnen en beweert dat ik anders heet... Dat is op z’n zachts gezegd verontrustend.’

‘Ben je er inmiddels van overtuigd, dat je Belletien bent?’, vroeg Marjolein bijna hoopvol.

‘Ehm...’ Jasmijn dacht na, schudde het hoofd heen en weer, om uiteindelijk te zeggen: ‘Laat ik het zo stellen: ik sta er minder afwijzend tegenover dan voorheen. Nogmaals, alles wat ik zeg en straks misschien zal zeggen, is niet persoonlijk bedoeld. Dus neem het mij niet kwalijk als ik soms sceptisch over kom.’

‘Ik zal daar rekening mee houden. Maar vertel eens wat van jezelf? Wie je bent’, ze vulde deze zin aan met een lachje. ‘Ik wil graag horen wat er met jou gebeurd is.’

‘Mijn leven’, begon Jasmijn, nam de kop thee in ontvangst en knikte naar de serveerster voordat ze vervolgde, ‘is begonnen op mijn dertiende, misschien veertiende levensjaar. Voor die periode weet ik niets. Het is voor mij een weggesloten deel waar mijn hersens niet bij kunnen. Ik heb twee jaar bij een pleeggezin doorgebracht...’ pleeggezin klonk altijd beter dan opvanggezin ‘...en ben daarna in een instituut terecht gekomen.’

‘Een instituut?’, vroeg Marjolein met een verbaasde blik. ‘Wat moet ik me daarbij voorstellen?’

‘Een instelling voor moeilijk opvoedbare kinderen is de beste omschrijving ervan. Daar ben ik tot mijn achttiende gebleven en ben toen de wijde wereld ingetrokken.’ Voor korte versies, was dit de kortste die zij zich kon bedenken. ‘Getrouwd en nu bij jou aan tafel. Jij?’

‘Zal ik bij de school beginnen?’

‘Nee, dat komt later wel. Laten we eerst kennis maken.’

‘Na de lagere school in Maarssen ben ik naar de middelbare school gegaan en van daaruit aan het werk. Cursussen gevolgd zodat ik niet eeuwig als “administratief medewerkster” bekend zou staan. Ik ben bij een makelaar terecht gekomen. Daar blijven werken totdat ik Ton tegenkwam. Drie kinderen en een parttime baan later zit ik aan dezelfde tafel als jij.’ 

Ze lachten naar elkaar, zich realiserend, dat de totale opsomming van hun beider levens niet meer dan dertig seconden in beslag had genomen. Marjolein blies het haar van haar ogen vandaan en zei: 

‘Veertig jaar zo samengevat komt wel heel erg saai over.’

‘De meeste levens zijn saai in de ogen van anderen. Het gaat erom dat je er zelf van geniet.’

‘Dat doe ik, hoor. Ik heb een lieve man en kinderen, geniet van de dingen die ik doe, dus je hoort mij niet klagen. Jij bent ook getrouwd, hoorde ik je net zeggen?’

‘Klopt.’

‘Leuke man?’

‘Vrouw.’

‘Sorry. Die achterhaalde aannames...’ Marjolein liet een kort lachje horen voordat ze vroeg: ‘Leuke vrouw?’

‘Zekers. Ze is schrijfster dus ik hoor altijd de meest wilde verhaallijnen.’

‘Heb ik iets van haar gelezen? Goh, wat klinkt dat dom.’ 

Ze lachten en Jasmijn wuifde haar woorden weg.

‘Lotte Davelaar’ zei ze. ‘Ze is redelijk bekend.’

‘Lotte Davelaar? Jeetje, natuurlijk ken ik haar. Mijn hemel: hoe is het mogelijk dat de hartsvriendin van mijn jeugd getrouwd is met de schrijfster die ik het liefst lees. Zonder te willen aandringen, maar wanneer komt er een nieuwe? Ik heb de laatste van Lotte in éen adem uitgelezen.’

‘September. Dus nog even wachten.’

‘Jeetje, Bel...’ 

Met een brede grijns keek Marjolein naar de vrouw tegenover haar. Het was een innemende grijns en Jasmijn kon het zich goed voorstellen, dat zij ooit eens vriendin waren geweest. Ze hield van vrouwen die geen blad voor de mond namen, die praatten zonder erbij na te denken, en altijd vergeven werden als zij iets kwetsend hadden gezegd. Dat soort vrouw was niet haar tegenpool, maar eerder een aanvulling op haar karakter. 

Op Marjolein’s vele vragen vertelde zij hoe Lotte en zij elkaar hadden ontmoet, hoe zij in de verhaalwereld van Lotte meespeelde en dat in elk boek wel een opmerking of handeling werd beschreven, die rechtstreeks uit hun eigen leven kwam.

‘Maar nu wil ik wat aan jou vragen’, zei ze snel tussendoor toen Marjolein weer de mond opende om meer over Lotte te weten te komen. ‘Hoe kwam je erbij, eeuwen geleden in de boekwinkel, dat ik Belletien was? Of ben?’

‘Je had nooit iemand anders kunnen zijn’, merkte ze op. ‘Mijn ouders wonen sinds twee jaar in Schagen en altijd als ik bij hen ben langs geweest, ga ik naar Alkmaar. Het is een leuke stad om te winkelen. Ik parkeer altijd in de garage om de hoek bij de winkel, weet je wel?: die met die krappe parkeerplaatsen...’ Jasmijn knikte ‘...en bij het langslopen viel mij ineens de boekwinkel op. Je kent dat wel: honderden keren langslopen en op een gegeven moment valt het pas op wat voor winkel het eigenlijk is. Ik kwam binnen, liep wat rond en zag jou zitten. Meteen kwam de naam Belletien Quirijns in mij op, hoewel ik jou pakweg veertig jaar niet meer heb gezien. Je kon gewoonweg niemand anders zijn. Het was jouw haar, jouw houding, en toen ik dat moedervlekje naast jouw oog zag zitten, wist ik dat jij het was. Ik moet zeggen, dat ik behoorlijk pissig was dat jij maar bleef ontkennen.’

‘Sorry daarvoor, maar je moet het ook van mijn kant bekijken.’

‘Natuurlijk, maar dat wist ik toen nog niet.’ De serveerster kwam om de lege kopjes weg te halen. ‘Wil jij iets eten?’

‘Ja, graag. Geef mij maar een kaaspannekoek en nog een thee’, zei Jasmijn tegen de serveerster.

‘Ik ook nog een thee en een broodje oude kaas.’ 

Zodra de serveerster weg was, dook Marjolein onder tafel om haar tas tevoorschijn te halen. 

‘Ik heb de afgelopen dagen allerlei oude fotoalbums opgediept’, zei ze, ‘om aan jou te laten zien. Misschien herken je jezelf erin.’ 

Ze legde een dik album op tafel en draaide het naar Jasmijn toen voordat ze zelf begon te bladeren. Ze stopte en wees naar een klassenfoto van de lagere school. 

‘Dit ben jij’, zei ze met een vinger op een donkerharig meisje die met de armen over elkaar op een houten bank zat, omringd door klasgenoten. ‘En ik sta schuin achter je.’

‘Uh-huh’, zei Jasmijn en tuurde naar de foto. Ze herkende zichzelf erin en toch ook weer niet. ‘Jij hebt nog steeds hetzelfde koppie haar’, merkte ze op.

‘Waarom perfectie veranderen?’, was de grinnikende reactie. ‘Blader maar verder; ik heb de fotos van jou en mij zoveel mogelijk bij elkaar gezet.’

‘Vertel eens over vroeger, over school’, zei Jasmijn, de fotos aandachtig bestuderend. ‘Over jou en mij.’

‘Weet je er helemaal niets van?’

‘Helaas.’ Ze wierp een snelle blik omhoog naar de vrouw tegenover haar. ‘Dissociatieve stoornis wordt dat genoemd.’

‘Pfffft, al die termen. Da’s knap waardeloos voor jou.’

‘Misschien. Misschien ook niet.’

‘Uhm, in welk geval kennen we elkaar van de kleuterschool. We speelden samen, in de zandbak natuurlijk....’

‘Natuurlijk.’

‘...en hoewel we niet bij elkaar in de buurt woonden, kwamen we veel bij elkaar over de vloer. Omdat je zo kwajongensachtig was als kind zijnde, mocht je van mijn moeder nooit op de bank zitten bij ons. M’n moeder is nog steeds zo: het liefst zou zij het plastic van een nieuwe bank er omheen laten zitten zodat de zittingen niet bezoedeld worden. Dat is haar precieze uitdrukking: bezoedeld. En ik kwam ook veel bij jou. Soms ging ik tussen de middag met jou mee naar jouw moeder en dan aten we een boterhammetje bij jou thuis.’

‘Mijn moeder?’ Jasmijn keek verbaasd op. 

Ze had er nooit bij stilgestaan dat zij ooit een moeder had gehad en dan nog eentje die zij zelf niet, maar die haar jeugdvriendin wel kende.

‘Verderop is nog een fotootje van haar.’ 

Marjolein bladerde door en bekeek de fotos ondersteboven totdat ze bij de juiste pagina was beland. 

‘Hier. Da’s jouw moeder en ik en jouw zusje.’ 

In de moeder herkende Jasmijn veel uiterlijke kenmerken van zichzelf. Haar zusje moest een paar jaar jonger zijn, want ze werd met éen arm om haar lichaam door haar moeder vastgehouden en keek naar iets dat in haar knuistjes zat. Ze richtte zich op en keek naar Marjolein.

‘Vind je het erg als ik hier een foto van maak?’, vroeg ze.

‘Nee, natuurlijk niet.’ 

De stem van Marjolein klonk als van verre. De herrie in Jasmijn’s hoofd was overdonderend en alsof ze op automatische piloot stond, maakte ze een foto en borg haar iPhone weer op.

‘Ik, eh, moet even naar het toilet’, zei ze toen en stond bijna stommelend op. 

Ze knikte op Marjolein’s vraag of het ging en verdween naar de wc. Daar deed ze haar broek open om te plassen, voelde toen gal naar haar mond stijgen en draaide bliksemsnel om in de pot over te geven. Ze zonk op haar knieën voor de pot neer en pakte een rits wc papier erbij om haar mond te deppen, er geen idee van hebbend waardoor deze heftige reactie was ontstaan. Toen er eenmaal zeker van was weer in orde te zijn, stond ze op, waste zich en keek in de bespikkelde spiegel boven de wastafel naar haar gezicht. Het zag er bleek uit. Ze nam een slokje water, gorgelde en spuugde het laatste etensrestje in de wasbak. Hierna snoot ze haar neus en ging terug naar de tafel. De pannekoek stond al op haar te wachten. Marjolein had het opengeslagen album naar de zijkant van de tafel geschoven.

‘Alles in orde?’, vroeg ze, met een bezorgde blik naar een bleke Jasmijn kijkend.

‘Gaat wel’, antwoordde ze knikkend en ging zitten. 

De geur van de pannekoek kwam haar tegemoet. Anders dat ze verwachtte na haar kotspartij, stond dit haar niet tegen. Ze goot er stroop overheen en sneed een driehoekje af. 

‘Kun je me nog meer van vroeger vertellen?’, vroeg ze toen.

‘Uhmm, even denken hoor... Ik zal vanaf de kleuterschool beginnen, althans wat ik er nog van weet. Het is door de jaren heen misschien gekleurd of samengeklonterd met de ervaringen die ik in de loop van de tijd heb meegemaakt.’

‘Het is beter dan niets.’

‘Dat is zo. In elk geval zijn we op de kleuterschool ferme vriendinnen geworden. Dat kwam doordat ik in de wc stond te huilen omdat een jongetje van de klas de wc was binnengekomen. De jongens wc was naast de onze. Ik was daar zo van streek van -je weet hoe dat gaat met kinderen. Toen kwam jij binnen en zei tegen de jongen, dat hij weg moest gaan. Dat deed hij niet en toen heb je hem een knal voor z’n harses verkocht.’

‘Werkelijk?’ 

Jasmijn schoot in de lach. Eveneens lachend, knikte Marjolein bevestigend. 

‘En wat gebeurde er verder?’

‘De juf kwam -ik weet begot niet meer hoe ze heette- en sleepte jou aan de arm mee het toilet af. En de jongen ook, geloof ik. En jij zei maar: “Hij zit op de meisjes wc, hij zit op de meisjes wc”. Hierna zijn we vriendin geworden en liepen we met de pinkies om elkaar heen over het schoolplein.’ 

Ze nam een hap van haar broodje en tuurde naar buiten, nadenkend, allerlei flarden van herinneringen door het hoofd gonzend. 

‘Het was zelfs zo’, vervolgde ze, ‘dat jij een enorme stennis maakte toen jouw moeder jou op de lagere school bij jullie in de buurt wilde zetten. Ik bleef namelijk bij het scholencomplex waar de kleuterschool was en jij wilde daar ook naartoe. Maar omdat je aan de overkant van het kanaal woonde, wilde je moeder dit aanvankelijk niet. Zij moest dat pokke end elke keer fietsen. Maar uiteindelijk is ze gezwicht en kwamen we bij elkaar in de klas. Jeeei! Dat was feest.’

‘Kun je me iets meer over m’n moeder vertellen?’ 

Hoewel er nog iets van scepticisme in haar was, moest zelfs Jasmijn erkennen, dat zij wel enorm veel leek op dat kind die overal grijnzend op de foto stond. Het kostte haar moeite om de vrouw die zij had gezien “moeder” te noemen; dat was iets dat zij naar haar weten haar hele leven nooit had gedaan. Zij had altijd het gevoel gehad als wees op de wereld te zijn gekomen.

‘Even kijken, hoor.’ Marjolein dacht na. ‘Als je kind bent, is de wereld zo beperkt, en mijn vriendschap met jou was mijn wereld. Maar jouw moeder... Ik zie haar rokend voor me, zittend in een kuipstoel die jouw vader had gemaakt. Die was een klusser, hoewel ik hem nooit iets heb zien doen. Maar misschien staat dat me ook niet meer bij. Jouw vader’, vervolgde ze, anticiperend wat Jasmijn wilde vragen toen zij haar mond opende, ‘is een schimmig iemand. Hij had een baard, dat weet ik wel, en een lichtblauwe poloshirt. Donkerblond haar. Ik was altijd een beetje bang van hem, waarschijnlijk vanwege die baard. Het was geen baard die tot zijn knieën hing, maar een beetje zoals de hipsters dat nu hebben. Alles rouleert en krijgt alleen een andere naam waardoor het nieuw lijkt. Jouw moeder had donker haar, net zoals jij. Jouw zusje had iets lichter gekleurd haar, dacht ik, maar die was nog zo jong, dus dat weet ik niet meer zeker.’ 

Ze stopte het laatste stukje van haar boterham naar binnen en kauwde zwijgend. Jasmijn wilde zovele vragen stellen maar bleef wachten en liet haar het verhaal afmaken. 

‘En dan was er natuurlijk Puffer, jouw hondje. Je had deze voor jouw achtste verjaardag gekregen. Zoals je ziet...’ ze zocht de foto erbij ‘...was het een spaniël. Jullie waren helemaal gek van elkaar. Overal waar jij naartoe ging, ging Puffer ook. En andersom. Volgens mij ergerde jouw vader zich er nogal aan, omdat je altijd lange wandelingen met hem maakte -met Puffer bedoel ik, niet met jouw vader’, vulde ze grinnikend aan, ‘en je dan te laat voor het eten thuis kwam. Maar verder... Sorry, het is zo moeilijk om na al die jaren details voor de geest te halen. Van het ene kom ik wel op het andere, maar in mijn vroege jeugd was alles dat telde mijn vriendschap met jou en de rest was onbelangrijk.’ 

Ze bladerde verder en lachte ineens. 

‘Hier, dat ben jij met jouw andere beste maatje: Louis... Gut, hoe heette dat ventje ook weer...’ 

Ze draaide het album naar Jasmijn, die een foto zag waarop zij een knulletje zag met een kuif, kleine kraalogen en een brede grijns waaruit een hoektand miste. 

‘Louis...’, mijmerde Marjolein verder, haalde de foto uit het album toen ze zag dat Jasmijn deze had gezien, en draaide deze om. ‘Lowietje Bijlsma.’

‘Lowietje Bijlsma’, herhaalde Jasmijn lijzig.

‘Je kent ‘m?’, vroeg ze hoopvol.

‘Geen idee’, zei ze nadenkend. ‘Lowietje Bijlsma... Ik zie in een flits water voor me, een strand, scheppen in het zand.’ 

Marjolein lachte blij en zei:

‘Dat klopt. Jij en ik zijn een keer met Lowietje en zijn ouders meegegaan naar de Loosdrechtse Plassen. Het was geen strand maar een kinderboerderij-achtig iets, waar we met ons drieën een kasteel in de zandbak hebben gemaakt. Het had geregend en het zand was mullig. Jij was zo in je element om daar te zijn; waren we alle drie eigenlijk wel. Ik geloof dat er nog een foto van is.’ 

Ze sloeg snel de paginas door, maar kon de bewuste foto niet vinden. 

‘Hè, jammer. Weet je wat: ik zal er thuis naar zoeken en dan naar jou doormailen.’

‘Heeft het gesmaakt, dames?’, vroeg de serveerster. Beiden knikten en mompelden de nodige complimenten. ‘Kan ik nog iets voor jullie betekenen?’

‘Zullen we een wijntje nemen?’, vroeg Marjolein met een blik naar Jasmijn.

‘Prima. Wit, graag’

‘Een fles huiswit en twee glazen.’

‘Komt voor elkaar.’ 

De serveerster nam de borden en het bestek mee en verdween. Marjolein ging naar het toilet. Jasmijn keek uit het raam naar de voorbij wandelende mensen en realiseerde zich, dat zij van het ene op het andere moment een verleden had gekregen. Weliswaar schimmig, maar met meer contour dan voorheen. Ze dacht aan haar dagmerries, aan de hond rennend op de grote zandvlakte. Dat moest Puffer zijn. Ze kon zich de hond niet goed herinneren, maar als zij deze op haar achtste verjaardag had gekregen, zoals Marjolein zei, en zij op haar achtste bij het opvanggezin terecht was gekomen, was er weinig tijd overgebleven om een vormend beeld van Puffer in haar geheugen te krijgen. 

Marjolein kwam tegelijk met de fles wijn bij de tafel aan en ging naast haar zitten. Met het album voor hen op het tafelblad vertelde ze bij elke foto het bijpassende verhaal waardoor het zwarte gat bij Jasmijn na deze middag een stuk lichter werd.

 

46. 

     ‘Dus Belletien was eigenlijk Belinda?’, vroeg Lotte.

‘Klopt. Belletien was een verbastering daarvan. Het scheen, dat ik van Belinda Belta maakte waardoor het al gauw Belletien werd.’

‘Dus je bent er inmiddels van overtuigd dat jij Belletien bent?’

‘Het bewijs dat Marjolein aandroeg, was behoorlijk doorslaggevend.’ 

Ze zaten op het balkon. De dagjesmensen waren lang geleden naar huis vertrokken en de hondenuitlaters en de dorpsgenoten hadden het strand heroverd.

Jasmijn was die middag na anderhalf glas wijn naar huis vertrokken. Marjolein had de rest van de fles leeggemaakt met de mededeling dat ze toch met de bus was, dus geen probleem. Ze hadden bij het busstation afscheid genomen en elkaar wat onhandig omhelst. Jasmijn had haar iPhone gevuld met fotos en hoewel Marjolein zei dat ze het album kon meenemen, had zij hier voor bedankt. Ze wist niet of zij elkaar ooit weer zouden ontmoeten. Ze hadden elkaar veertig jaar niet meer gezien en na deze middag resteerde er weinig meer om over te praten.

Ze was met de auto de weg opgedraaid. Eenmaal in het verkeer op weg naar huis bedacht zich en ging richting Maarssen. Ze stopte op een parkeerplaats en toetste de naam van de straat in waar zij volgens Marjolein vroeger had gewoond. Het kanaal over, want zij moest de kant van de Westkanaaldijk hebben, de flats bij het winkelcentrum Bisonspoor. In een langzaam drafje reed ze rond het winkelcentrum. Er was niets dat haar herinnering prikkelde; niets kwam haar bekend voorkwam. Voor haar was dit deel van deze vreemde stad zoals elk ander winkelcentrum dat jarenlang in weer en wind had gestaan en tussentijds statisch was opgevrolijkt. 

Ze dacht erover verder de wijk in te gaan, maar ging in plaats daarvan de A2 op en door naar de plek die zij thuis noemde.

‘Weet je...’, Ze pakte haar iPad erbij. De fotos waren inmiddels in de stream terecht gekomen. ‘Deze knul -die zegt jou niets, logisch...’

‘Die knul niet, maar jij zit naast hem.’

‘Klopt. Marjolein liet deze foto zien en noemde de naam Louis. En uit het niets schoot er bij een paar beelden binnen.’

‘Meen je dat nou?’, vroeg Lotte verrast. ‘Je bedoelt beelden die met die knul te maken hadden?’

‘Uh-huh. Ineens zag ik voor me, dat ik op een strand was -wat een grote zandbak bleek te zijn, zei Marjolein- samen met haar en Louis.’

‘En herinner je je nog meer?’, vroeg Lotte voorzichtig om Jasmijn niet uit haar herinneringen te trekken.

‘Niet éen-twee-drie.’

‘Jammer.’ 

Ze zette haar hand plat tegen de bovenkant van het scherm om het laatste zonlicht van het beeld af te houden. 

‘En wie zijn dat?’, vroeg ze toen Jasmijn twee fotos verder stopte. 

Ze zag de twee meisjes, die ze als Belletien en Marjolein herkende, en een vrouw met een peuter tussen haar hand en borsten geklemd.

‘Dat is de moeder van Belletien’, zei Jasmijn. ‘Mijn moeder, dus. En zusje.’

Lotte keek zwijgend naar de gezichten voordat ze concludeerde:

‘Jij en jouw moeder hebben wel veel van elkaar weg. Hoe is het mogelijk. Zo heb je geen verleden om op het volgende moment onderdeel van een gezin uit te maken. Hoe heet jouw zusje?’

‘Marjolein kon zich de naam niet precies herinneren, maar dacht dat het iets in de geest van Gloria was. Dat is het enige dat haar van die kleine is bijgebleven.’

‘En was er ook een vader?’

‘Die was er zeker. Helaas geen foto van, maar denk hipster in een lichtblauwe polo en je ziet hem voor je.’ 

Lotte grinnikte om deze vergelijking. Ze plaatste haar voeten tegen de reling en pakte haar glas van het tafeltje. Zwijgend zaten ze naast elkaar. Jasmijn had het nodige te verwerken en Lotte overdacht wat de volgende plan van aanpak zou kunnen zijn.

‘Weet je wat je zou kunnen doen’, zei ze uiteindelijk, ‘mocht je tenminste nog verder willen duiken in jouw verleden...’

‘Denk ’t inmiddels wel.’

‘...dan zou je jouw geboorteakte kunnen opvragen. Je weet nu bij welke gemeente je moet zijn en het kan allemaal online gedaan worden, zodat je niet heen en weer hoeft te rijden.’

‘Okee.’

‘Op die manier krijg je meteen de gegevens van de ouders erbij.’

‘Ik zal er over denken.’

‘Anders doe ik het wel voor je.’ Ze keek opzij en deed haar glas omhoog als in een toost. ‘Hee, Jas: op jouw verleden.’ 

De glazen tikten tegen elkaar aan. Ze nam een grote slok waarvan ze met een uitgestrekte “aaah” genoot en zette het glas terug. Beneden aan de overkant liepen een man en vrouw langs het muurtje naar de strandopgang. 

‘Ik blijf erbij dat het een nicht is’, merkte ze op. 

Jasmijn schudde louter het hoofd.

 

47. 

     ‘Goed weekend gehad?’, vroeg Marleen, koffie voor Jasmijn inschenkend.

Ze was nog steeds de nodige informatie van de dag ervoor aan het verwerken en was niet in de stemming om hierover te praten.

‘Uh-huh’, zei ze uiteindelijk. ‘Jij?’

‘Prima.’ Marleen zette koffie naast haar neer. ‘Gistermiddag kwam Quentin langs.’

‘Hoe gaat het met hem?’

‘Een stuk beter.’ 

Ze zette de koffiemok aan haar lippen en bleef stil.

‘Mooi.’

Jasmijn pakte haar mok, draaide het tussen haar vingers om het oortje aan de juiste kant te krijgen en nam een slok.

‘Ik heb definitief besloten om het boek aan de Poolse ambassade te overhandigen’, zei Marleen uiteindelijk.

‘Jij of Quentin?’

‘Wat ik of Quentin?’

‘Die dat heeft besloten.’

‘Samen. Zo is iedereen van het gelazer af. Het kost me verdomme een fortuin om alle deuren te vernieuwen om over het bomvrije hang en sluitwerk maar te zwijgen. En het is allemaal geld dat ik niet heb, dat ik niet aan dit soort gehannes wil uitgeven. Dus om erger te voorkomen, kwamen we gisteren overeen dat we het boek beter kwijt dan rijk kunnen zijn.’

‘Hoe ga je dat doen?’

‘Hoe bedoel je?’

‘Maak je er een mooi doosje van en stuur je het via de pakketpost naar de ambassade of wat?’

‘Ah, zo bedoel je. Quentin gaat het overhandigen’, zei Marleen die meteen een sceptische blik op het gezicht naast haar zag verschijnen. ‘Hij gaat dit regelen met Schimmelpenninck omdat hij niet alleen met dit manuscript over straat wil gaan.’

‘Hij is best verstandig.’

‘Zekers.’

‘Is hij ook te vertrouwen?’

‘Naar mijn mening wel.’

‘Laten we niet vergeten dat dit de man is die jou op jullie eerste afspraak dronken wilde voeren.’

‘Ah, da’s ook waar, maar wel begrijpelijk. We kenden elkaar toen nog niet zo goed en vanzelfsprekend wilde hij meer over het boek te weten komen.’ 

Jasmijn vond dit een slap excuus, maar liet het voor wat het was. 

‘Dit houdt in’, vervolgde Marleen, ‘dat we het boek nodig hebben.’

‘Ik zal het aan het thuisfront doorgeven.’ 

Een telefoon zoemde. Jasmijn voelde aan haar broekzak, maar het was niet de hare. Marleen pakte haar telefoon van het bureau, mompelde dat het Quentin was en beantwoordde het. 

Jasmijn pakte haar mok en liep naar haar werktafel. Er was niets verschoven. Dit was haar eerste handeling geworden zodra ze bij haar eigen plek kwam.

‘Jas...’, riep Marleen van de toonbank vandaan. Ze keek op. ‘Wanneer kun je boek hier naartoe brengen?’

‘Woensdag.’

‘Woensdag’, herhaalde Marleen door de telefoon. Ze luisterde om meteen te vragen: ‘Kan het ook morgen?’

‘Morgen is het toch dinsdag?’, riep ze vragend terug.

‘Uh-huh.’

‘Ik hoorde mezelf woensdag zeggen.’ 

Ze ging zitten, zette de computer aan en sloeg het indexboek open. Quentin mocht zichzelf dan opwerpen als de ridder op het niet al te witte paard; zij was in elk geval niet van plan om aan zijn spelletje mee te doen. Anders dan Marleen zette zij vraagtekens bij zijn vriendelijkheid. Marleen vertrouwde mensen te snel op hun mooie ogen waardoor het haar ontging wat zij met hun handen deden.

Marleen liep naar achteren en ging naast haar tafel zitten. Met haar elleboog steunend op het blad, een boek van Daphne de Maurier eronder (las iemand die tegenwoordig nog? vroeg ze zich af), keek ze naar Jasmijn.

‘Doe ik er goed aan?’, vroeg ze.

‘Als je bedoelt het manuscript aan de ambassade geven dan is mijn reactie bevestigend’, antwoordde Jasmijn.

‘Wat zou ik anders bedoelen?’

‘Als je jouw omgang met Quentin bedoelt -en ik zeg er vantevoren bij, dat dit mij eigenlijk totaal niets aangaat, zou ik je willen verzoeken veel meer zout te strooien op alles wat hij zegt.’

‘Het is een aardige man.’

‘Sonia was ook aardig’, herinnerde ze haar eraan.

‘Ja, da’s waar.’ 

Marleen zuchtte en keek opzij naar Jasmijn die haar met een donkere blik beantwoordde. 

‘Heb ik nu werkelijk zo’n slechte mensenkennis of zijn de mensen gewoon gewiekster geworden, Jas?’

‘De mens is altijd een gewiekst ondier geweest en altijd leugenachtig, maar met een greintje fatsoen om dat leugenachtige te onderdrukken. Sinds er in Amerika een kloothommel met het scepter zwaait en liegt alsof het gedrukt staat, zijn de labielen onder ons van mening dat het nu legitiem is om te liegen. En ik kan ze dat niet kwalijk nemen. Het laatste beetje fatsoen is doodgetrapt door de aangroeiende horde onnozelen.’

‘Ik was na die verkiezingen in Amerika even bang, dat die trend zich hier zou doorzetten’, merkte Marleen op. 

Jasmijn lachte kort en zei:

‘Wat geeft je het gevoel dat dit niet zo is? Als je het zooitje ziet dat bij ons in de regering zit.’

‘Op wie heb jij gestemd?’

‘Ik ga nooit stemmen.’

‘Dus...’

‘Yep, dus ik ben degene die verantwoordelijk is voor dat zooitje in de regering’, vulde Jasmijn zelf aan. ‘Niet de mensen die daadwerkelijk op die lui hebben gestemd, maar degene die zich van de stem heeft onthouden omdat er niemand is die hun stem verdient, is daar verantwoordelijk voor. Althans, volgens de goegemeente. Mij best; ik heb me nooit geen ene lor aangetrokken wat anderen van me vinden en ben niet van plan daar nu mee te beginnen.’

‘Het beste is om je nergens druk om te maken.’

‘Dat doe ik dus ook niet.’ 

De screensaver kwam tevoorschijn. Beiden keken naar de gekleurde bandjes die zweverig over het scherm gingen, uiteen spatten en vervangen werden. 

‘Voordat ik het vergeet’, zei Jasmijn toen: ‘Lotte’s nieuwste boek komt in september uit. Vantevoren heeft ze nog wat promotie op een éen of ander tv programma, zal wel bij de vpro zijn, en op de radio. Haar agente heeft een boektour uitgestippeld en Lotte zelf heeft daar jouw winkel voorgeplakt zodat jij de primeur hebt. Als je tenminste nog interesse hebt.’

‘Vanzelfsprekend’, riep Marleen blij verrast uit. ‘Wanneer is dat?’

‘Ik dacht 8 september, maar dat kan ik in de agenda naslaan.’

‘Goh, leuk. En wat lief van haar om hier te beginnen.’

‘Het is ook omdat het hier in de omgeving afspeelt, en dan is een boekwinkel in Alkmaar een perfect beginpunt. Er worden promotieposters gedrukt dus die kunnen we alvast in de etalage hangen. Brengt weer wat geld in het laatje.’

‘Da’s wel nodig ook. Ik ben benieuwd of de winkel het eind van het jaar haalt.’

‘Laten we daar nog maar niet aan denken.’

‘Je hebt gelijk.’ 

Marleen keek om. Meneer Van Zanten kwam binnen en groette de twee om daarna door te lopen naar zijn plek bij de reisboeken. 

‘Maar leuk, Jas. Bedank Lotte van me en geef haar maar een stevige knuffel.’

‘Doe ik.’ 

Marleen kon een glimlach niet onderdrukken, stond op en zette nieuwe koffie voor de heer Van Zanten. Langs de markiezen heen scheen de zon alweer schuin naar binnen. Het zou wederom een warme dag worden.

 

48. 

     Jasmijn leunde achterover, de ellebogen in het zand verborgen. Lotte zat naast haar, de armen om haar opgetrokken benen gevouwen, kin rustend op de knieën.

‘Waar had je het manuscript eigenlijk verstopt, om het zo maar te noemen?’, vroeg Jasmijn. 

De zon hing laag, de horizon was bont gekleurd. De schemering kwam langzaam in zicht.

‘In een locker bij de fitnessclub.’

‘Die achter de Breestraat?’

‘Yep.’

‘Waar al die bendeleden met Harley Davidsons en Hyundais of hoe die krengen ook allemaal mogen heten komen?’

‘Yep.’

‘Is dat niet link?’

‘Zelfs een Schimmelpenninck durft daar geen voet te zetten. Ik had nog een abonnement lopen en vrouwen zien zij niet als bedreiging maar als aanhangsel. Vrouwen van mijn leeftijd zien ze zelfs helemaal niet.’

‘Slimme plek.’ 

Ze nam een slokje bier. Het was lauw geworden door de rustplek in het zand.

‘Toen ik eenmaal doorhad dat dezelfde mensen dezelfde route name als ik, heb ik razendsnel nagedacht wat te doen. Weet je nog, die morgen dat ik het zou opbergen in de bankkluis? Ik zag dat ze bij de ING met de vloer bezig waren en toen er een paar werklui naar buiten liepen, ben ik met hen meegegaan en door geflitst naar de fitnessclub. Niemand zag mij. Via de toko terug de Breestraat in om thuis de post op te halen om een brief te vinden van de overheid die interesse in mijn bankkluis scheen te hebben.’

‘Ik blijf het irritant vinden hoe dit gegaan is.’

‘Ja, inderdaad. Het was toch ook wel leuk om dat hoofd van de Schimmel te zien toen hij niets in mijn kluis vond.’ Lotte grinnikte. ‘Ik heb nog wat whiskey in m’n tas; misschien een scheutje in het bier doen?’ 

Jasmijn hield haar blikje op en ze goot net zolang door totdat het weer vol was. Met een draaiende beweging van haar hand golfde Jasmijn de drankjes door elkaar en nam een slok. 

‘Whoef!’, zei ze meteen. ‘Da’s sterk spul.’

‘Lekker.’

‘Wil je me helpen onthouden dat wanneer we dadelijk thuis zijn ik nog op zolder wil kijken?’

‘Ben je bang dat je dat vergeet?’

‘Met deze mix ben ik blij als ik me nog kan herinneren hoe ik moet adem halen.’

‘Lippen samen persen en blazen.’

‘Wat jij wilt, Slim.’ 

Jasmijn krabbelde moeizaam uit haar luie stand overeind en strekte de benen voor zich uit. Dit waren de beste avonden om aan het strand te wonen. Het was hier rustig zonder stil te zijn. 

‘Oh, meid’, begin Lotte ineens: ‘voordat de dementie helemaal toeslaat: ik ben op het net geweest om een geboorteakte van jou aan te vragen in Maarssen, maar daar ben je niet bekend.’

‘Niet?’

‘Nee.’

‘Merkwaardig.’

‘Precies wat ik dacht. Het kan zijn, dat je in een andere gemeente bent geboren, maar dat is zoeken naar een naald in een hooiberg. Of jouw geboortedatum is niet juist.’

‘Klopt. Eigenlijk ben ik vierentwintig. Het verbaast mij niet: andere naam, andere geboortedatum... Ik hoop alleen dat ik niet ineens van het andere geslacht ben.’

‘Gelukkig niet, want ik heb geen zin om je vanaf nu Bob te moeten noemen. Ik heb pas nog gekeken en je bent nog steeds vrouw, dus daarover hoef je je geen zorgen te maken.’

Met de drank door haar lichaam wervelend, voelde Jasmijn zich minder gespannen dan ze zich de afgelopen tijd had gevoeld. 

‘Wil je dat ik verder zoek?’, vroeg Lotte. ‘Naar jouw verleden, bedoel ik?’

‘Nee, laat maar. Ik heb zelf ook met die gedachte gespeeld, maar nogmaals: laat maar. Ik ben Jasmijn en niet Belletien.’

‘Zeker?’

‘Heel zeker. Het was leuk om fotos van vroeger te zien en zeker leuk, dat er ineens een gebeurtenis te binnen schoot vanuit een tijd die mijn geheugen was kwijtgeraakt, maar laten we het daar bij houden. Op die fotos zie ik niet mezelf, maar een jong meisje waarmee ik geen verbintenis heb.’

‘Okee. En als Marjolein weer contact opneemt?’

‘Ik denk niet dat dat gaat gebeuren. We hebben een leuke middag met elkaar doorgebracht en ik vermoed dat zij er vrede mee heeft, dat ook voor haar dit het was. Per slot van rekening heeft zij een ander leven opgebouwd waarin ik geen plaats heb. Buiten het fotoalbum om hadden we elkaar weinig te vertellen. Het is goed, zo.’

‘Okee’, zei Lotte nogmaals. 

Ze tuurde naar de windmolens veel verderop in de zee, nu nauwelijks nog waar te nemen in het late avondlicht.

‘Waar heb je trouwens het manuscript gelaten?’, vroeg Jasmijn plotseling.

‘Waar ze het minst opgemerkt zal worden.’

‘Da’s een duidelijk antwoord.’ Ze knikte om haar woorden te bevestigen om daarop te zeggen: ‘Hoewel ik er geen idee van hebt, wat je hiermee bedoelt.’

‘Tussen andere boeken in.’

‘Sherlock stijl.’

Ze bleven tot laat op het strand. Pas toen het water dichterbij kroop en ze zich moesten verplaatsen, stonden ze op en liepen onvast naar huis terug.

 

     Om twee uur ’s nachts kroop Lotte het bed uit om een glas water te drinken. Haar strot was droog vanwege de whiskey. Ze dronk anderhalf glas, ging op de bank zitten en pakte haar iPad. Zonder al te veel verwachting ging ze twitter op. Er was een persoonlijk bericht gestuurd. Ze opende het. De conversatie was tot dat moment een korte geweest: op de naam Belletien Quirijns had Marie56 gevraagd: Is dit een smakeloze grap?, en op Lotte’s reactie: Hoe smakeloze grap? was nu het antwoord gekomen: 

“Omdat de BQ die ik ken verdwenen is. Er zijn niet veel BQs”. 

Ze dacht na. Jasmijn had gezegd, dat zij geen verder onderzoek naar haar verleden wilde doen. Zelf wilde zij, echter, de draad van deze beginnende conversatie niet laten verslappen. Het jammere was, dat haar hersens niet op volle toeren werkten op dit uur van de nacht. 

Ze ging naar de koelkast en sneed een stuk kaas van het blok. Al staande at ze dit in de keuken op en wist plots hoe op dit bericht te reageren. Terug bij haar iPad typte ze: 

“Wie is jouw BQ; waar komt zij vandaan?” 

Een aantal minuten lang tuurde ze naar het bericht in de hoop hier een antwoord op te krijgen, had toen door dat het kwart over twee in de nacht was en ging terug naar bed.

 

49. 

     Jasmijn pakte de plakbandhouder uit haar tas en zette deze tussen de stapels boeken in aan de rand van de tafel en stopte het manuscript van Kazimierz Wielki in de middelste la. Ze zou de tafel pas verlaten als het manuscript met Quentin mee de deur uitging. Ondanks zijn wens om dit werk aan het Poolse consulaat te willen overhandigen, zette zij vraagtekens bij zijn goede bedoelingen. Hij was een liefhebber maar vooral kenner van dit soort werken en wist wat de gulle gever ervoor zou neertellen. 

Marleen kwam naar haar tafel met twee mokken koffie.

‘Is Quentin te vertrouwen?’, vroeg Jasmijn.

‘Ik denk het wel.’ 

Marleen nipte haar koffie terwijl zij een bil op de tafel plantte. De koffie was te heet om van te genieten

‘Denk het wel?’, herhaalde Jasmijn.

‘We moeten toch iets, Jas? Misschien moeten we het hierna kenbaar maken, dat het manuscript niet meer in ons bezit is.’

‘Zodat Quentin op zijn flikker krijgt in plaats van wij?’

‘Zo zou je het kunnen stellen.’ Ze lachte. Serieus weer, vervolgde ze: ‘Geef toe, dat dit leven niets voor ons is. Ik voel me niet meer veilig in mijn eigen omgeving, ben klauwen met geld kwijt aan nieuwe deuren en beveiliging, en als dit nog langer doorgaat, kap ik er mee.’ 

Ze schoof een stapeltje boeken opzij en plantte haar andere bil erbij. ‘Ik vermoed dat jij na die escapade in de kelder ook niet zit te trappelen om nog meer sensatie mee te maken.’

‘Nee, zeker niet. Als Quentin met het boek de winkel uitloopt, hangen we posters in de etalage met zijn bekkie erop met pijlen die wijzen welke richting hij is uitgegaan.’

‘Zoiets.’ 

Marleen lachte nogmaals. De wetenschap dat haar boekwinkel binnen niet al te lange tijd weer de rustige omgeving zou zijn waarin zij zich thuis voelde, stemde haar monter. 

‘Ik heb zijn telefoonnummer’, zei ze. ‘Misschien dat we die ook op de posters kunnen zetten.’

‘Goedemorgen, dames.’ 

De man in kwestie kwam Pagina 42 binnen. Hij zag er vrolijk uit. De verwondingen die hij bij de ontmoeting met de Polen had opgelopen, waren maar nauwelijks zichtbaar. 

‘Vandaag is de grote dag.’

‘Hoe gaat het eigenlijk in zijn werk?’, vroeg Jasmijn.

‘Hoe bedoel je?’

‘Als je het manuscript hebt, wat ga je dan doen? Naar Den Haag en aankloppen bij de Poolse ambassade met de mededeling, dat je een presentje voor hen hebt?’

‘Nee. Neenee, zo werkt dat niet, nee. Ik heb, eh, hoeheetie gebeld...’

‘De Sint?’, vroeg ze. ‘Vervroegde pakjesavond voor onze Poolse vrienden?’

‘Nee. Nee, die ehhh Schimmelpenninck -hoe kan ik zo’n naam vergeten- en hij heeft een afspraak met de ambassade gemaakt. We gaan er vandaag naartoe. Ik haal hem bij het politiebureau op.’ Hij keek op zijn horloge. ‘Niet al te lang meer nu. Waar is het boek?’ 

Ze pakte het uit haar la en gaf het hem. Voordat hij het van haar overnam, trok hij handschoenen aan.

‘Sorry, vraagje’, begon ze: ‘Dit werk heeft pakweg zeven eeuwen overleefd, is door vele handen gegaan en heeft ontiegelijk vele oorlogen meegemaakt. En jij gaat het met poezelige handjes aanpakken?’

‘Het zuur in de huid van de mens is een aanslag op oude boeken. Men mag dit voorheen dan met een zeker onbezonnenheid hebben behandeld; ik doe daar niet aan mee.’

‘Het siert je, deze gedachte.’ 

Ze overhandigde hem het boek. Zijn ogen werden zacht van verrukking, bijna teder te noemen, toen hij het in handen had. Hij rook er aan en opende het voorzichtig.

‘Oh, dit is...’, begon hij, maar kon de woorden niet vinden die zijn gevoelens van dat precieze moment omschreven. ‘Ik had nooit verwacht dit ooit in handen te krijgen’, vertrouwde hij de twee toe. ‘Om eerlijk te zijn, heb ik het bestaan ervan in twijfel getrokken. Maar dit, het werk van wat voor mij de belangrijkste man van Polen was... ongelooflijk. En in het Pools, het taal van het volk. Niet Latijn, maar Pools.’ 

Hij keek van de ene vrouw naar de andere. 

‘Weet je wat dit betekent? Dit houdt in, dat deze grote man dit werk voor alle Polen, voor zijn mensen, heeft geschapen. Niet voor geestelijken, voor de elite, maar voor het volk. Is dat niet geweldig?’ 

Hij schoof zijn bril omhoog en depte zijn ogen met de rugkant van een handschoen. Er was geen twijfel aan, dat de ontdekking van dit werk hem in het diepste van zijn ziel raakte. Hij deed zijn bril weer goed op en glimlachte meewarig. 

‘Ik zou dit voor mijzelf willen bewaren, maar helaas is dat niet mogelijk. Elk mens is verplicht om een werk als dit aan de mensen te geven die hier recht op hebben. In dit geval is dat het Poolse volk. Goed’, zei hij. Hij had zichzelf weer in de hand. ‘Ik ga naar Schimmelpenninck en dan door naar de ambassade.’ 

Hij nam een pas van de tafel vandaan, maar Jasmijn’s stem hield hem tegen.

‘Als je effies wacht’, zei ze, ‘doe ik er een papiertje om. Je kunt hiermee niet zo over straat lopen.’ 

Hij haalde een plastic tasje uit zijn zak en hield deze omhoog. Ze schudde het hoofd: 

‘Ongelooflijk: mijn handen mogen het boek niet onbedekt aanraken, maar een tasje waarin gisteren nog een pond uien zat en een halfje knipwit is wel goed genoeg.’ 

Hij begreep wat zij bedoelde. Met veel weerzin gaf hij het boek terug. 

‘Koffie?’, vroeg Marleen aan beiden.

‘Ik heb nog’, antwoordde Jasmijn.

‘Nee, dank je’, zei Quentin. 

Hij hield nauwlettend in de gaten wat de vrouw aan de andere kant van de tafel deed. Nu hij het boek had, zou hij het geen seconde meer uit zijn gezichtsveld laten. 

Jasmijn pakte een vel bruin pakpapier uit de rechter la van haar tafel, legde het manuscript erop, keek of het vel groot genoeg was en begon met inpakken. Ze plakte de lange kant dicht, sloeg de punt aan de bovenkant om en plakte ook deze dicht. Hierna vouwde ze de driehoek aan de onderkant om. Ze reikte naar de plakbandhouder en stootte met haar hand ertegen. Het schoof van tafel af. Quentin greep er naar maar kon de houder er niet van weerhouden op de grond te vallen en twee slagen over de kop onder de tafel te rollen. Met een zucht bukte hij om het op te pakken, voelde zijn blik twee tellen lang naar de fel gekleurde boots gaan die onder de strakke pijpen van Jasmijn’s broek vandaan staken, en kwam terug omhoog om de plakbandhouder op tafel neer te zetten. Jasmijn had gewacht met dat ene driehoekje omgevouwen papier. Ze gaf hem een dankbaar knikje, scheurde een stukje plakband af en zette de laatste driehoek vast. Voordat ze het pakje aan hem gaf, controleerde ze of alles goed zat.

‘Nu mag het in je tas’, zei ze. 

‘Dank je.’ 

Hij had haar verder niets meer te zeggen. Na een glimlach als afscheid, liep hij langs Marleen, zei haar dat zij hem kon bellen om te weten hoe het was afgelopen, en ging de deur uit.

‘Is de postertijd aangebroken, denk je?’ 

Na Quentin’s vertrek keek Marleen naar achteren. Jasmijn zat achterover geleund en dronk haar koffie.

‘Waarschijnlijk wel. Het wordt een “Wanted” poster, vermoedelijk.’

‘Hoe bedoel je?’

‘Laat maar. Overigens, zouden we niet de Schimmel moeten bellen om te vertellen dat Quentin eraan komt?’

‘Denk je?’

‘Lijkt mij het handigst. Zal ik bellen?’

‘Ik doe het wel.’

‘Okee.’ 

Jasmijn knikte en ging aan het werk. Ze hoorde Marleen babbelen, sloeg er verder geen acht op en ging de kelder in om boeken weg te brengen en een nieuwe stapel mee terug naar boven te nemen. Het was stil in de kelder. De omgeving voelde unheimisch aan sinds het voorval met de twee ongenode gasten, maar ze was niet van plan zich hierdoor uit het veld te laten slaan. Ze gaf niet toe aan kwelgeesten; had dit nooit gedaan, nooit toegelaten. 

De naarste jaren van haar leven had zij in Maaiborg meegemaakt met de man die daar nu het scepter zwaaide. Ook hem had zij moedwillig opgezocht om de spoken in haar hoofd te laten verdwijnen. 

Ze stommelde de trap op terug naar boven met een stapel boeken in de armen. Marleen pakte er een aantal van haar over en zei:

‘Ik heb net met Schimmel gesproken en weet je wat hij zei?’

‘Dat hij geen afspraak met Quentin heeft’, merkte Jasmijn op.

‘Dat hij geen... Hoe weet jij dat?’ 

Voordat ze antwoordde, klopte Jasmijn eerst haar kleding  schoon en ging zitten.

‘Omdat hij zo fantasieloos is als de pest. Denk je nou werkelijk dat hij binnen een dag een afspraak met iemand van een ambassade kan krijgen en dat Schimmel trouw op het bureau blijft wachten totdat hij langskomt met het felst begeerde boek dat er momenteel in omloop is?’ 

Met grote ogen staarde Marleen haar aan. Ze opende de mond om iets te zeggen, maar er kwam niets uit. Jasmijn legde de boeken in stapels op tafel.

‘Maar’, zei ze toen, ‘als jij dit wist, waarom zei je dan niets?’

‘Je wilde koste wat het kost van het manuscript afkomen.’

‘Maar...’ Ze ging op de rand van de tafel zitten, minder gemakkelijk dan een kwartiertje geleden. ‘Maar hij kwam zo oprecht op mij over.’

‘Quelle surprise.’

‘Is dat sarcastisch bedoeld?’, vroeg ze bits.

‘Totaal niet, maar mijn opmerking haalt je tenminste uit de slachtofferrol.’ 

Marleen stopte de handen in het haar en kreunde geïrriteerd.

‘Dat ik daar ben ingetrapt’, zei ze. ‘Is dat wat je net bedoelde met de “wanted” poster?’

‘Wat denk je nou zelf.’ 

Het was een bevestiging, geen vraag.

‘Got, ik kan wel een drankje gebruiken.’

‘Is het al wodka tijd?’

‘Elke tijd is wodka tijd. Kan ik jou er ook mee verblijden?’

‘Doe maar. Zullen we een pizza voor de lunch bestellen?’, vroeg ze toen Marleen de trap naar boven nam.

‘Bel maar. Oh, en de Schimmel komt langs om het hele verhaal te horen’, riep Marleen van boven en verdween de keuken in.

De hoofdinspecteur kwam gelijktijdig met de pizza aan. Jasmijn betaalde de bezorger en nam de doos mee naar haar tafel. Marleen bleef besluiteloos staan. Aan de ene kant wilde ze met Schimmelpenninck praten, maar aan de andere kant was de aromatische geur die door de winkel dreef wel enorm aanlokkelijk. Ze koos een gulden middenweg en met kleine zijwaartse pasjes liep zij al pratende in de richting van Jasmijn.

‘Kan Quentin hiervoor opgepakt worden?’, vroeg ze, een stoel erbij trekkend en een punt pizza pakkend. 

Jasmijn schoof de doos in Schimmelpenninck’s richting, maar hij schudde het hoofd.

‘Voor wat?’, vroeg hij toen.

‘Voor het feit dat hij een onbeschofte liegbeest is’, merkte Jasmijn op. 

De hoofdinspecteur lachte haar toe.

‘Zo eentje hebben we nooit eerder achter de tralies gezet, wil je zeggen?’, vroeg hij met een hint van ironie.

‘Hij heeft een boek op valse voorwendsels ontvreemd.’ 

Marleen vond zelf, dat zij met deze woorden goed ambtelijke taal had gebruikt. Ook Schimmelpenninck ging zitten. Zijn lange lijf drapeerde zich onhandig om de voor hem iets te lage stoel heen.

‘Ja, dat is inderdaad een probleem’, zei hij knikkend. 

Hij opende de doos en nam er een punt uit. Marleen knipoogde naar Jasmijn vanwege dit gebaar. 

‘Als het boek weer boven water komt’, begon Jasmijn, ‘hoe gaat het dan in zijn werk wat betreft de ambassade? Mij lijkt het, dat Marleen de aangewezen persoon is dit te overhandigen, aangezien het in haar winkel is gevonden.’

‘Dat mag dan zo wel zijn, maar helaas werkt het niet op deze manier. Heb je een servetje?’ 

Ze schoof de stapel servetten naar hem toe. 

‘Op ambassade niveau wordt alleen met hoge boboos gewerkt. Het manuscript zou dan aan de betreffende minister worden overhandigd...’

‘Kunst- en cultuur?’, vroeg Jasmijn.

‘...en... ik denk dat het dat ministerie is, en vervolgens wordt iemand van binnenlandse zaken met buitenlandse betrekkingen erbij gehaald...’

‘Wie is dat dan?’, vroeg Marleen.

‘...uhmmm, geen idee; ik verzin ook maar wat.’ 

Hij leunde achterover, de handen aan een servet afvegend. Hij had de punt in de drie happen naar binnen gewerkt. 

‘Maar dit is allemaal hypothetisch.’

Er klonk spijt in zijn stem. De zaak was zo goed als rond en te elfder ure was hij in de luren gelegd door een stofdoos met een rond brilletje en kennis van oude boeken.

‘Kan er niet afgedwongen worden dat Marleen ook bij dit gesprek is? Ik vind namelijk wel, dat zij in heel deze situatie genoemd moet worden.’

‘Dank je wel, Jas. Helaas heb ik geen geld voor een bonus voor je.’

‘Balen. Daar zit ik dan m’n best voor te doen’, zei ze. 

Schimmelpenninck keek van de éen naar de ander. De twee vrouwen waren goed op elkaar ingespeeld, alsof het een echtpaar betrof dat elkaar door en door kende.

‘Dat is altijd mogelijk’, zei hij uiteindelijk. ‘Laten we wel wezen: het boek mag dan van groot belang zijn voor Polen, maar aan de andere kant is het boek het bezit van deze winkel, en dan komt het eigendomsrecht meespelen.’

‘Ook in dit geval?’, vroeg Marleen.

‘Ga maar na hoe lang het bijvoorbeeld duurt voordat de rechtmatige eigenaar van een kunstwerk gestolen door de nazis z’n best moet doen om dat terug te krijgen.’

‘Is dat te vergelijken?’ 

Jasmijn keek hem vragend aan. Zijn hoofdbeweging hield het midden tussen knikken en schudden.

‘Die kennis heb ik helaas niet. Mijn forte is boeven pakken en vastzetten; niet de kleine letters lezen. Daar zijn advocaten voor opgeleid. Is er nog een punt over?’

‘Neem maar.’ 

Hoewel Jasmijn op de laatste punt had geaast, schoof ze de doos naar hem toe. Hij was een grote, lange man en had voldoende energie nodig om de dag door te kunnen komen.

‘Maar, nogmaals: hypothetisch’, zei hij toen en nam een hap.

‘Als ik het onhypothetisch kan maken’, zei Jasmijn, ‘dan wil ik wel dat Marleen genoemd wordt. Ook en plein publiek.’ 

De hand met de pizza bleef in de lucht hangen. Het puntje ervan begon gevaarlijk om te buigen.

‘Hoe onhypothetisch kun je het maken?’, vroeg hij en nam een hap vlak voordat de topping eraf gleed. 

Ze opende de rechterla van haar tafel en haalde daar een in bruin papier verpakt pakje uit. Net zoals de pizzapunt hing de laatste driehoek van het papier er los bij.

‘Is dat wat ik denk dat het is?’, vroeg Marleen, de ogen groot, turend naar Jasmijn.

‘Ik heb geen idee wat je op dit moment denkt, maar ik denk dat jij juist denkt wat dit is.’

‘Maar ik heb Quentin toch hiermee de winkel uit zien lopen?’

‘Correctie: je hebt Quentin met een pakje de winkel uit zien lopen.’ 

Tijdens het gesprek tussen de twee vrouwen, had Schimmelpenninck het laatste van de pizza naar binnen gewerkt en al kauwend haalde hij het papier van het boek af.

‘Hoe heb je dat voor elkaar gekregen?’

‘De bekende wisseltruc’, antwoordde Jasmijn Marleen’s vraag: ‘Ik heb hem vanaf het jaar nul niet vertrouwd. Hij zal een beste kerel zijn, maar zijn hebberigheid speelde hem parten. Ik heb thuis een boek van soortgelijke grootte meegenomen en ingepakt. Omdat hij zelf onbetrouwbaar is, vertrouwt hij ons natuurlijk ook voor geen meter. Zo gaat dat met de waard en zijn gasten. Ik ben dus heel opzichtig het manuscript gaan inpakken. Helaas schoof het plakband van tafel af...’ ze maakte een schuifgebaar met haar vingers ‘...omdat ik nog wel eens onhandig ben, en op het moment dat hij zich bukte om dit op te rapen, heb ik de boeken verwisseld.’

‘Slim gedaan’, zei Marleen bewonderend.

‘Slim genoeg voor een bonus?’ 

De grimas die ze kreeg toegeworpen, sprak boekdelen. Hierna keken beiden naar Schimmelpenninck, die knikkend het boek door zijn handen liet draaien.

‘Ogenblikje’, zei hij, zijn telefoon tevoorschijn pakkend. 

Hij liep van de tafel vandaan en begon te bellen.

‘Ik heb het er helemaal warm van gekregen’, merkte Marleen op. 

Jasmijn nam het laatste slokje uit haar blikje en vroeg, het blikje ophoudend:

‘Weet je zeker dat het niet hier door komt?’

‘Zal ook wel meewerken. Wat denk je dat er nu allemaal staat te gebeuren?’

‘Geen flauw idee.’ 

Ze schoof haar stoel aan en pakte een boek om verder te gaan werken. Haar quota voor sociale contactpleging was voor vandaag opgebruikt. 

‘Vraag het de Schimmel’, zei ze zonder verder op te kijken. 

De hoofdinspecteur kwam terug.

‘Ik neem het boek mee’, zei hij. ‘Wat er gaat gebeuren is het volgende: mijn baas neemt contact op met de overheid die op hun beurt contact opnemen met de ambassade.’

‘Fijn om te weten dat wij al het werk hebben gedaan en dat er nu zo’n rechtse bal met de eer gaat strijken’, mompelde Jasmijn.

‘Zo werkt dat, helaas.’

‘Inderdaad helaas.’ Ze keek naar hem op. ‘Ik neem aan, dat Marleen in heel het gebeuren wordt vergeten?’

‘Uhmmm, dat is in de meeste gevallen zo, ware het niet, dat ik mijn meerdere ervan heb kunnen overtuigen een persconferentie te regelen. Mijn insteek was dat deze winkel zo veel schade heeft geleden en als we dan met stille trom de overdracht doen, zal dit waarschijnlijk niet ophouden. De winkel wordt genoemd en ook Marleen als degene die het boek heeft ontdekt.’

‘Da’s niet helemaal waar’, kwam Marleen tussenbeide. 

‘Laten we het op deze versie houden’, zei Schimmelpenninck tegen haar. ‘Dit zal er in elk geval voor zorgen, dat jullie in het vervolg met rust gelaten worden.’

‘Geef dan meteen door, dat in september Lotte Davelaar hier aanwezig is vanwege haar nieuwe boek’, zei Jasmijn. 

De hoofdinspecteur keek haar meewarig aan.

‘Het is een persconferentie’, zei hij, ‘geen reclamespot.’

‘Alsof iemand het verschil zal opmerken.’ 

Hij trok een mondhoek omhoog als reactie en stak het boek, waar het papier losjes omheen gewikkeld zat, in de zak van zijn colbert.

‘Dank jullie’, zei hij ten afscheid en liep naar de deur. 

Marleen hield hem tegen met:

‘Hee hee: eerst een handtekening voor ontvangst zetten.’ 

Ze schreef de titel van het boek op, nam de Poolse naam letter voor letter over, gevolgd door de ondertitel en het jaar. Schimmelpenninck zette zijn handtekening op het vel en ging hierna alsnog de deur uit.

‘Administratie is belangrijk hier’, zei Marleen tegen de vertrekkende rug. 

Hij keek niet meer om.

 

50. 

     ‘Hoe ging het vandaag?’, vroeg Lotte toen Jasmijn binnen kwam. 

Het vlieggordijn bij de openstaande balkondeur deinde zachtjes op en neer, lauwwarme wind naar binnen loodsend.

‘Precies zoals verwacht.’

‘Zei ze met een zelfvoldane grijns.’

‘Daar heb ik vandaag zeer zeker recht op.’ 

Ze boog zich voorover en kuste Lotte en zei: 

‘Ik heb de wisseltruc uitgehaald zoals ik had gezegd en...’

‘Ahh, dus ik ben de oude detective kwijt nu?’, stelde Lotte teleurgesteld vast.

‘Ik verwacht niet dat Quentin die zal terugbrengen, helaas.’ 

Het was het enige boek geweest die dezelfde grootte en dikte van het manuscript had. 

‘Maar het is voor het goede doel, moet je maar denken. De Schimmel heeft het boek meegenomen, die van de Pool bedoel ik, niet de detective’, zei ze er snel achteraan toen Lotte de mond opende om iets te zeggen, ‘dus nu maar afwachten wat er verder gebeurt.’

‘Krijgt Marleen een lintje hiervoor?’

‘Nah, ze mag blij zijn als er überhaupt aan haar gedacht wordt. Ze was wel zo slim om de Schimmel een formulier te laten tekenen waarop zij het boek had genoteerd. Zo heeft ze in elk geval bewijs dat het in haar bezit is geweest. Wil je voor mij ook wat inschenken?’, vroeg ze toen Lotte naar de keuken ging.

‘Wat?’

‘Gewoon water maar. Wel effies de kraan laten lopen. Volgens de Schimmel wordt alles nu naar een hoger niveau getild en gaat de politiek zich ermee bemoeien.’

‘Is dat hoger?’, vroeg Lotte, gevolgd door een schamper lachje. ‘Als er iets wel laag bij de grond is, zijn het politici. En advocaten, maar vooral politici.’

‘Helaas hebben die het voor het zeggen. Ik denk dat er een diplomaat op af wordt gestuurd en dat met een groots gebaar het boek aan de Poolse ambassade overhandigd gaat worden.’ 

Ze nam het glas koud water dankbaar in ontvangst en dronk het achter elkaar leeg.

‘Nog eentje?’

‘Nee, anders moet ik heel de avond weer piesen.’

‘Met dit weer verdampt het vanzelf.’

‘De Schimmel vertelde nog dat er een persconferentie volgt waarin hij Marleen zou noemen als de vinder van het boek.’

‘Denk je dat dit gebeurt?’

‘Hij komt wel oprecht over, die Schimmelpenninck.’ 

Ze verschoof zich en ging dwars op de bank zitten, een been onder haar getrokken. De plafondven draaide lui rond. 

‘Maar of zijn opmerking over Marleen de mensen bereikt, is een ander verhaal.’

‘Dat zou jammer zijn.’

‘Zeker gezien het feit dat de winkel waarschijnlijk het eind van het jaar niet haalt.’

‘Mhh.’ 

Lotte dacht na. Ze zette haar voeten tegen de voetenbank en tuurde voor zich uit. 

‘Wat ik kan doen: ik heb een connectie bij de NRC. Die krant heeft als éen van de weinigen nog steeds iets met kunst en cultuur. Ik zal kijken of het mogelijk is iemand daar warm te maken voor dit verhaal. Je hebt de kopietjes van het boek nog? Mooi dan kan ik die overhandigen om het gebeuren krediet te geven.’

‘Als je dat zou willen doen.’

‘Alles om m’n meissie gelukkig te maken’, zei Lotte. ‘Overigens, over m’n meissie gesproken: ik heb reactie gehad van Marie56. Ik weet dat je hier niet mee door wilt gaan, maar je moet toch effies luisteren.’ 

Met de iPad op schoot zocht ze de draad van de conversatie. 

‘Ik zal het van het begin af oplezen…’ ze negeerde Jasmijn’s gekreun: ‘Marie56 stuurt een bericht nadat dit account al een aantal weken in de lucht is met: Is dit een smakeloze grap of...? Wij: Hoezo smakeloze grap? Zij: Omdat de BQ -Belletien Quirijns bedoelt ze daarmee- die ik ken verdwenen is. Er zijn niet veel BQs. Wij: Wie is jouw BQ; waar komt zij vandaan? Zij: Vertel jij het maar. Wij: Ik hoor het liever van jou. Zij: Maarssen. Wij: Dan ben ik jouw BQ. Wie ben jij?’ 

Hierna bleef ze stil totdat Jasmijn vroeg:

‘En verder?’

‘Het laatste bericht is: Ik ben BQ’s tante.’ Ze liet een snelle blik over haar vrouw gaan, vroeg toen: ‘Zal ik hiermee doorgaan ?’

‘Dat moet je zelf weten.’ 

Na alle informatie die zij de achterliggende weken over zich heen had gekregen, keek ze er niet werkelijk van op een tante te hebben. Als het zich zo voortzette, zou het een drukke kerst worden.

‘Laat ik het anders zeggen: wil je dat ik verder ga?’ 

Dit was een vraag waarover Jasmijn diep moest nadenken.

‘Het is moeilijk’, zei ze uiteindelijk. 

‘Hoe ver wil je dat ik ga als ik een reactie krijg?’, vroeg Lotte uiteindelijk.

‘Speel het op gevoel’, klonk het antwoord. ‘Jij kent mij beter dan wie ook. Maak die keuze maar voor me, Lot.’

‘In dat geval gaan we door. Akkoord?’

‘Yep.’

‘Heb je al aan eten gedacht?’

‘Het is te warm om in de keuken te staan.’

‘Anders gaan we een patatje halen bij Onder de Toren. Wandelingetje naar het strand en lekker lummelen daar.’

‘Drankje mee?’

‘Mais bien sûr, ma petite.’

 

51. 

     ‘Mar, telefoon voor je. Iemand van de NRC.’ 

Haaye hield Marleen’s mobieltje omhoog en mompelde, toen hij haar de trap af hoorde rennen: 

‘Ik weet ook niet meer wat er allemaal aan de hand is. Twee weken vakantie en ik ben de weg kwijt.’ 

Ze griste de iPhone uit zijn hand. Terug in zijn stoel pakte hij zijn boek. Dit was tenminste iets waar hij van op aan kon, lezen.

Al pratend liep ze terug naar boven. Halverwege de trap begon ze in ademnood te komen. Tegelijk praten en klimmen was een bezigheid voor jongere mensen.

‘De NRC wil waarschijnlijk een interview met Mar vanwege dat manuscript’, lichtte Jasmijn Haaye in. 

Na alle verhalen die zij hadden uitgewisseld, was dit ergens in het niets blijven hangen. 

‘De winkel kan wel wat publiciteit gebruiken.’

‘Als het maar niet gaat stormlopen; houdt mij van het leeswerk af.’ 

Hij strekte de benen en zette zijn voeten op de prullenbak.

De persconferentie van de politie was door de meerdere van Schimmelpenninck gehouden. Deze man was zo hoog in de rangorde, dat hij een uniform droeg. Dit had Jasmijn altijd verbaasd: de politieagenten in uniform probeerden hogerop te komen zodat ze hun tweede huid konden afschudden. Waren ze eenmaal hoog genoeg dan wilden ze weer in uniform gestoken worden. Weliswaar eentje waarop veel goudkleurige prullaria zat waaruit niemand wijs kon worden wat de betekenis ervan was. 

Het belangrijkste verschil met een beginnend politieagent en dat uniform waarin ze een paar rangen later werden gestoken, was dat deze laatste nooit vuil werd door enige vorm van inspanning. Schimmelpenninck werd door deze schone meerdere geprezen en aan de naam Marleen Valentina werd niet eens gedacht laat staan genoemd. Het scheen dat deze meerdere eveneens de aangewezen persoon was om met de dienstdoende politicus een bezoek aan de Poolse ambassade te brengen. Daar werd het manuscript met veel bombarie overhandigd. Glimlachende hoofden en stramme houdingen met ineen geklemde handen sierden de kranten en het internetnieuws. De mensen die de inspanningen vooraf en al het loopwerk hadden gedaan, waren in vergetelheid geraakt.

‘Als ik dat had kunnen voorspellen’, had Marleen na dit poppenkast optreden opgemerkt, ‘had ik het boek aan Quentin meegegeven. Liever iemand die hebberig is voor de juiste redenen dan dit gelummel. Had ik er misschien nog een cent aan kunnen overhouden.’

‘Hoe is het verder met jou?’ 

Haaye liet het boek open op zijn borst rusten en keek over het bureau naar Jasmijn. Leunend tegen de deurpost staarde ze naar de straat.

‘Prima’, antwoordde ze en nam een slok koffie. ‘Lotte heeft een rel op facebook.’

‘Pffff, facebook’, mompelde hij. ‘Hoe dat zo?’

‘Afgelopen zaterdag hing er een drone voor ons raam...’

‘Ook éen van die vele ondingen van deze tijd.’

‘...en Lot nam een paar fotos van de man die doodleuk beneden op straat dat ding aan het heen en weer vliegen was en bij ons naar binnen loerde. Ze heeft een foto van die pik op een facebook pagina van het dorp gezet en kreeg meteen heel de teringzooi over zich heen.’

‘Werkelijk?’ 

Ondanks het feit dat hij volstrekt geen interesse had in het fenomeen sociale media, was hij altijd wel in voor een stevige roddel, vanuit welke hoek deze ook kwam. 

‘Hoe dat zo?’

‘Veel mensen, of liever: veel mannen waren van mening, dat Lotte de knaap’s privacy had geschonden door het plaatsen van die foto. Dat pareerde zij met dat hij zijn recht op privacy had verkwanseld door haar privacy binnen te dringen.’

‘Gelijk heeft ze.’

‘Uit sociaal psychologisch perspectief gezien, was het grappig op te merken dat de mannen schande over het plaatsen van die foto spraken, terwijl vrouwen het met Lotte eens waren. Ik vraag me af waar dat aan ligt.’

‘Hee, we piesen tegen een boom als we het nodig vinden; denk je dat wij ons druk maken over privacy?’, zei hij met een scheef glimlachje. ‘Wat een gedoe, trouwens, over zoiets onbenulligs.’

‘Da’s sociaal media. Die leeft van dit soort momenten.’ 

Ze zette haar mok naast de koffiepot neer en wilde terug naar haar tafel gaan, toen Marleen de trap af kwam, de wangen rood van het vele praten.

‘Je zou toch denken’, begon ze, kijkend naar de laatste paar treden tijdens het lopen, ‘dat een journalist een afspraak maakt om langs te komen voor een gesprekje. Maar alles schijnt tegenwoordig allemaal telefonisch afgehandeld te worden. Ze stuurt me nog een paar vragen via de mail en morgen komt er een fotograaf langs. Beetje killetjes allemaal, maar ach...’

‘Was het een goed gesprek?’, vroeg Jasmijn.

‘Best, ja.’ Ze knikte. ‘Is er nog koffie? Alles verteld, vanaf het moment dat jij omver werd gelopen en dat zo het manuscript in ons bezit kwam tot en met de overdracht aan de Polen door de overheid.’

‘Leuk. Goed voor de klandizie.’

‘Je weet maar nooit.’ 

Haaye schoof haar een volle mok koffie over het bureaublad toe en zei:

‘Misschien word je zo bekend, dat Maite Vermeulen en Frank Westerman een programma over de Schapenbrug komen maken.’ 

Grijnzend om zijn eigen opmerking keek hij van de éen naar de ander. De blikken die terug staarden, waren op zijn zachts gezegd leeg te noemen.

‘Wie?’, vroeg Marleen uiteindelijk.

‘Godallemachtig’, zuchtte hij en ging zitten. ‘Het is maar goed dat jullie heel de dag door boeken omringd zijn, zodat jullie in elk geval gestegen zijn tot de status Neanderthaler. Nog effies volhouden en jullie kunnen misschien het barbaarse niveau halen.’ 

Hij sloeg zijn boek open en sloot zich van de wereld af.

‘Mooi’, was Marleen’s reactie op deze onderbreking. ‘In elk geval komt Pagina 42 eens in de belangstelling.’

‘Met jou als eigenaresse’, zei Haaye.

‘Eigenaar’, verbeterde Marleen hem.

‘Pardon?’

‘Geen eigenaresse maar eigenaar.’

‘Waarom?’

‘Om geen onderscheid te hebben.’

‘Waarvan?’

‘De mannelijke en de vrouwelijke vorm.’

‘Waar slaat dat nou op? Voel je je minder mens als je eigenaresse wordt genoemd in plaats van eigenaar?’

‘Nee, dat niet, maar het is goed dat het onderscheid wordt weggehaald.’

‘Waarom?’, vroeg hij nogmaals. 

Marleen draaide zich naar Jasmijn en zei:

‘Help me, Jas; jij bent per slot van rekening ook feminist.’

‘Klopt, maar ik hou me niet met dit soort lulligheidjes bezig.’ 

Haaye grinnikte om haar reactie. 

‘Als er nog steeds ongelijk loon is tussen man en vrouw die hetzelfde werk doen, ga ik me niet druk maken over eigenaar/eigenaresse. Overigens, Mar, heb je er al eens over nagedacht dat wij ook met dit weer conformeren aan de mannelijke vorm? Waarom wordt een man niet eigenaresse genoemd maar moeten wij als vrouw zijnde de mannelijke woorduitgang nemen?’ 

Ze herinnerde zich deze zelfde conversatie die zij en Lotte niet zo gek lang geleden hadden gehad.

‘Is dat een bestaand woord?’, vroeg Haaye aan haar. 

Ze trok de schouders op en zei:

‘Misschien in vrouwelijke vorm.’ 

Haar antwoord ontlokte een lach bij hem.

‘Het is korter’, merkte Marleen als verdediging op.

‘Juf is korter dan meester; wordt deze logica ook op scholen toegepast?’, wilde Haaye weten.

‘Daarvoor moet je bij andere mensen zijn’, wuifde ze zijn vraag weg. ‘In elk geval is het makkelijker om maar éen vorm te hebben om iets uit te drukken. Met dokter bedoel je toch ook man of vrouw? Nou dan; simpel, toch?’

‘En met hoer?’, vroeg Jasmijn. ‘Trouwens, waarom zouden we met woorden maar éen vorm moeten hebben als we voor elke splintergroep een nieuwe wc moeten aanleggen.’

‘Hoe bedoel je?’

‘Je hebt een mannen en een vrouwen wc. Nu zijn er lui die zich niet willen conformeren aan de noemers mannetje of vrouwtje. Waarschijnlijk willen de bisexuelen een eigen hij/zij toilet omdat ze toch nooit weten of ze vanavond staand of zittend willen piesen. Mensen met tatoeages en piercings willen een eigen wc, dwergen willen een mini-pispaaltje, en blinden willen braille op de bril zodat ze wat kunnen lezen als ze zitten te kakken. Ik vind het allemaal best en wat mij betreft vervalt het hij/zij toilet en wordt het éen groot hok voor iedereen zodat alle mannelijke en vrouwelijke eigenaressen gezamenlijk kunnen piesen. Zolang er maar invalide toiletten blijven waarop ik me kan terugtrekken als dat nodig is.’

‘Dus met invalidetoilet heb je geen probleem?’, vroeg Marleen haar.

‘Ik heb met geen enkel toilet een probleem. Thuis heb je toch ook dat iedere huisgenoot van dezelfde plee gebruik maakt? Dat zal mij worst wezen. Als ik moet piesen, houdt een bordje met een mannetje erop me echt niet tegen. Maar het verschil met gewone en invalide toiletten is, dat invalide wcs functioneel zijn en tevens de enige plek waarop kantoorlui in alle rust een tukkie kunnen doen na de lunch. Dat werkt perfect.’

‘Hoe zijn we eigenlijk op wcs gekomen?’, vroeg Haaye toen er een stilte viel.

Hij liet zijn blik vragend van de ene naar de ander gaan, zag dat ze elkaar grijnzend aankeken en vulde snel aan:

‘Geen antwoord, graag.’

 

52. 

     De tweede helft van het jaar begon met een week fikse regen. De dagen werden langzaamaan korter en hoewel de temperatuur na de buien warm bleef, werden de avonden frisser.

Na het artikel in de NRC was de clientèle in Pagina 42 toegenomen. Maar, in gelijke tred met de vakantiegangers in Alkmaar, ebde dit gestaag weg en de wereld in de winkel viel terug naar hetzelfde trage verkeer als voorheen. Het enige waarop Marleen hoopte, was dat de winkel het einde van het jaar zou halen. Haar schatting dat het nog een jaar kon uithouden, was een ambitieuze geweest. 

De winkelsluiting zou op meerdere fronten hachelijk zijn. Ze had heel haar ziel en zaligheid erin gestort en leefde zelf van het minimum om haar personeel te kunnen betalen. Daarbij kwam, dat ze zou moeten verhuizen, aangezien het woon gedeelte onderdeel van het pand was. Ze hield van haar woning boven de winkel, van de omgeving, het hartje van Alkmaar.

Helaas was er op financieel gebied geen ruimte meer om nog iets te kunnen doen. De rek was er uit.

Terwijl deze gedachten door haar hoofd gingen, kwam Inge binnen, een dienblad dragend met koffie en broodjes erop.

‘Goedemorgen’, groette ze zonnig. ‘Wat een heerlijke dag. Een heiige mist op het water en de zon die doorkomt. September is een mooie maand.’ 

Ze zette het blad op het bureau en begon de bekers en broodjes eraf te halen.

‘Jij bent vrolijk voor de vroege morgen’, merkte Marleen op.

‘Uh-huh. Sinds twee weken neem ik geen anti-depressiva meer en ik voel me fantastisch. Waanzinnig hoe die medicatie mijn gevoelsleven heeft afgestompt. Ik heb nu ineens weer zin in dingen. Misschien ga ik naar de wintersport, leren skiën.’ 

Ze schoof het dienblad onder het bureau en ging zitten. 

‘Ben jij wel eens op wintersport geweest?’, vroeg ze.

‘Ik kijk wel uit. Mij te koud allemaal.’ 

Marleen nam een hap van haar broodje, gevolgd door een slok koffie.

‘Misschien dat je het eens moet proberen’, zei Inge. ‘Het zou leuk zijn om met z’n tweetjes te gaan. Zwitserland ofzo... Frankrijk.’

‘Sneeuw, skiën...’ 

Marleen schudde het hoofd.

‘Wat interesseert jou dat skiën nou. Denk aan al die glühwein, de mannen met die stralende witte tanden.’

‘De glühwein trekt me wel aan. Maar, effies terug: wat lekker voor je dat het zo goed gaat. Nergens last meer van?’

‘Totaal niet. Soms, heel soms, sluipen sombere gedachten mijn hoofd binnen, als ik weer denk aan die ex van mij met die jonge snol van hem. Maar daar heb ik de glimmende spa remedie voor uitgevonden.’ 

Ze bleef stil, nam een slokje koffie. Het was te warm en haar bovenlip tintelde. 

Na haar opmerking gingen er allerlei gedachten door Marleen’s hoofd en om de éen of andere reden hadden die allemaal met water te maken.

‘Hoe bedoel je’, vroeg ze uiteindelijk, ‘de spa remedie?’

‘Een glimmende spa...’ 

Pas toen Inge een beweging maakte alsof zij zand aan het scheppen was, begreep ze dat haar eigen spa en die van Inge van verschillende afkomst waren. 

‘Als ik aan m’n ex denk, pakt mijn denkbeeldige ik een glimmende spa, zo’n glanzende die net uit de rekken van de Gamma is gepakt, en daar sla ik ‘m mee voor z’n harses. Je moet eens weten hoe goed dat voelt’, zei ze door Marleen’s lachen heen. ‘Het is zelfs zo, dat ik het nu voor iedereen gebruik die naar tegen mij doet. Het is een aanradertje, Mar.’ 

Ze probeerde nogmaals haar koffie te drinken en leunde lui achterover. Het was altijd een goed begin van de dag om met Marleen te ontbijten. 

‘Wat denk je ervan?’, vroeg ze.

‘Waarvan?’

‘Om samen weg te gaan?’

‘Lijkt me wel grappig. Maar als we gaan, kunnen we dan niet ergens naartoe sluipen waar het warm is? Om onze winter om te ruilen voor een winter in Zwitserland... En dat voor iemand zoals ik die niets met kou en sneeuw heeft.’

‘Waar zou je dan naartoe willen gaan?’

‘Geen idee. Italië misschien? Als je toch een man wilt die je in de taas grijpt, is Italië de aangewezen plek.’

‘Hoe kom je erbij dat ik een man in m’n taas wil laten grijpen? Dat heb ik helemaal niet gezegd?’

‘Jij had het over mannen met stralend witte tanden’, herinnerde Marleen haar eraan.

‘Ja, stralend witte tanden of in je taas laten grijpen, zijn twee hele andere dingen.’

‘In je taas laten bijten dan.’

‘Dat komt al dichter bij.’ 

Met een ondeugende glimlach keek Inge naar de vrouw aan de andere kant van het bureau. 

‘Lijkt me leuk, joh, jij en ik samen iets te ondernemen.’ 

Ze nam een hap van haar broodje en al kauwende hield ze een wijsvinger omhoog en wees daarmee naar Marleen. 

‘Hoe lang kennen we elkaar nu?’

‘Sinds ik Pagina 42 heb.’

‘Vijf jaar, zes jaar?’

‘Zoiets.’

‘Is dat niet iets om te vieren?’

‘Met een vakantie in Italië bedoel je?’

‘Jij kent me het beste’, zei ze met een steeds breder wordende grijns. 

Ze zag Marleen langs haar heen kijken en volgde haar blik. Over haar schouder turend, vroeg ze: 

‘Is dat niet Jasmijn?’

‘Uh-huh.’

‘Maar wie is dat bij haar?’

‘Dat is Lotte Davelaar. Vandaag signeert ze haar nieuwste boek hier.’ 

Beiden keken naar de twee die langzaam het plein over liepen in de richting van de brug. Ze hadden de handen ineen gestrengeld, en hun schouders botsten tegen elkaar aan met elke stap. Lotte lachte om iets dat Jasmijn vertelde en wierp een blik opzij. Haar ogen straalden.

‘Dat wilde ik nou ook altijd’, merkte Marleen op.

‘Wat, een vrouw?’

‘Nee. Nou ja, maakt mij eigenlijk niet uit, als het maar iemand is met wie ik zo kan lachen en praten en die mij op die manier aankijkt.’

‘Die ex van mij heeft dat ook eens gedaan’, gaf Inge toe.

‘Werkelijk?’, vroeg Marleen verrast.

‘Ja, het was op 23 september, een zondag, van tien over vier tot twaalf voor half vijf.’ 

Marleen schoot in de lach en ging staan toen de twee de winkel binnen kwamen. Jasmijn liet haar vrouw voor gaan en stelde iedereen aan elkaar voor. Hierna ging ze door naar haar tafel om haar spullen neer te zetten. Ze keek om zich heen, hoorde het geroezemoes van stemmen van de drie bij het bureau. Hoewel ze deze baan niet nodig had, hield ze van boeken, van het ontdekken van nieuwe schrijvers, nieuwe stromingen, verrast worden door een onbekende scribbelaar louter omdat de titel van het boek haar aanstond.

Haaye kwam binnen, even later gevolgd door meneer Van Zanten, die naar het groepje knikte en zijn plek bij de reisboeken opzocht. Ook Jasmijn ging zitten, deed haar laptop aan en wachtte totdat er leven in kwam.

‘Dus hier breng jij je dagen door?’, vroeg Lotte, op de punt van haar tafel plaatsnemend. Ze zag de stapels boeken en voelde de rust die hier werd uitgestraald. ‘En ik maar denken dat je elke dag hard aan het werk bent.’

‘Dit is hard werken.’

‘Boeken zijn nooit hard werk.’

‘Helemaal gelijk’, riep Haaye haar toe.

‘Wil je koffie, schat?’

‘Graag’, riep Haaye.

‘Ik heb het nu tegen m’n andere schatje, lieverd’, zei ze over haar schouder.

‘Kan het altijd proberen.’

‘Dit is éen boompje waar niet tegen gepiest kan worden. Koffie?’

‘Heb je het tegen mij nu?’, vroeg Jasmijn haar, zag haar blik en zei: ‘Graag.’

Lotte stond op en bleef staan, kijkend naar haar vrouw.

‘Waar denk je aan, lief?’, vroeg ze.

‘Hoe lang dit nog zal duren’, zei Jasmijn zacht. 

Hoewel Marleen, Inge en Haaye onderling aan het praten waren, wilde ze niet dat iedereen dit hoorde. 

‘Nooit gedacht dat werken zo leuk kon zijn.’

‘Hee, welkom in mijn wereld. Er is geen redden aan?’ 

Jasmijn schudde het hoofd en zei:

‘Redden is het enige wat deze winkel zou kunnen redden. Twee keer redden.’

‘Ah, da’s balen.’

‘Zekers. De zoveelste boekwinkel die weggevaagd wordt.’

‘Koffie’, riep Haaye. 

Lotte streek met haar wijsvinger over Jasmijn’s wang, ging toen weg om koffie te halen. Ze kreeg de mok van Haaye overhandigd, die zelf met een tweede mok vanachter het bureau vandaan wilde stappen.

‘Is dat voor meneer Van Zanten?’, vroeg ze hem om na zijn knik ook deze mok van hem over te nemen. 

Ze zette Jasmijn’s koffie op tafel en ging met de andere naar de reisboeken. 

‘Meneer Van Zanten, uw koffie’, zei ze tegen de man. 

Even lichtte hij zijn kont van de stoel en knikte om haar te begroeten, en ging weer zitten. 

‘U bent mevrouw Davelaar mag ik aannemen?’, vroeg hij.

‘Inderdaad.’

‘Mijn vrouw bewondert uw schrijfwerk enorm en moet altijd gniffelen om de conversaties erin die zij soms een tikkeltje ondeugend vindt.’

‘Alles voor een glimlach. Mag ik?’, vroeg ze, een stoel pakkend om bij hem te gaan zitten. 

‘Maar natuurlijk, mevrouw.’

‘U heeft veel gelezen, begrijp ik van mijn partner.’

‘Zeer veel. Altijd veel gelezen, maar na mijn pensionering ben ik helemaal losgeslagen, zoals dit in het moderne parlance heet.’

‘Wat fijn om te horen.’

‘Ik had ook kunnen vissen of biljarten, maar lezen is mijn hartelust. Van vissen hou ik niet en biljarten is mij vreemd, maar een boek vasthouden...’ 

Even tilde hij het opengeslagen boek dat op zijn hand rustte omhoog.

‘Dat is de beste manier om de tijd door te komen.’

Aangezien Lotte vroeger was gekomen dan verwacht, was nog niets in orde gemaakt. Haaye schoof een tafel tot bijna tegen de kast met Nederlandse romans, plaatste een stoel erachter en zette het nieuwste boek van Lotte op stapels door de winkel, met oudere titels van haar er naast. Hij had het niet zo met het fenomeen bekendheid, maar de manier waarop Lotte hem had begroet, hem recht in de ogen had aangekeken in plaats van langs hem heen, had hem aangenaam verrast. En ook hoe zij met meneer Van Zanten converseerde was een pluspunt in zijn optiek, vooral omdat de man geen prater was. Er was iets ontvankelijks aan Lotte, een onbevangenheid die je zelden zag in iemand die bekendheid had. Misschien zou hij eens iets van haar moeten lezen.

 

       Lotte geeuwde luidruchtig, veegde de tranen uit haar ooghoeken vandaan en zei:

‘Al met al is het een drukke dag geweest.’

Het had storm gelopen in Pagina 42. Op het hoogtepunt stond de rij met boekliefhebbers tot aan Inge’s winkel. Lotte maakte met iedere bezoeker een praatje voordat ze signeerde. Veel mensen hadden haar volledige oeuvre meegenomen en overal moest een handtekening in. Aan het eind van de middag waren haar vingers dusdanig verkrampt, dat ze nauwelijks nog haar eigen handschrift kon lezen.

‘Inderdaad’, beaamde Jasmijn. Ze reden het parkeerterrein tussen de huizen op. ‘Het is nog nooit zo druk geweest in de winkel. Je bent tamelijk populair.’ 

Haar ogen gingen van links naar rechts op zoek naar een parkeerplek.

‘Alleen maar tamelijk?’, vroeg Lotte quasi verongelijkt. ‘Daar’s een plekkie.’

Jasmijn reed er naartoe en bleef staan. Op de parkeerplek stonden twee klikobakken. Ze zette de auto in haar achteruit op hetzelfde moment dat Lotte de portier opende en uit stapte.

‘Wat ga je doen?’, vroeg ze.

‘Die bakken weghalen.’

‘De buurvrouw zet ze daar altijd neer.’

‘Kan ze ze niet op de stoep zetten?’

‘Da’s om de plek vrij te houden.’

‘Lieve schat, dit is een openbare parkeerplaats. Als ze een plek wil vrijhouden, neemt ze contact op met de gemeente en betaalt ze er maar voor, net zoals alle andere brave burgers dat doen.’ 

Met dit pakte ze de eerste bak en duwde deze de stoep op, gevolgd door de tweede. Toen ze deze naast de andere plaatste, stormde de buurvrouw in kwestie haar tuin uit.

‘Wat doe je?’, vroeg ze bits.

‘Waar ziet het er naar uit?’, was haar tegenvraag.

‘Die heb ik daar neergezet zodat mijn man een plek heeft om te parkeren.’

‘Dan parkeert hij zijn auto maar ergens anders.’ 

De buurvrouw staarde haar woest aan maar Lotte had zich al omgedraaid en wachtte totdat Jasmijn de auto had geparkeerd en was uitgestapt.

‘Volgende keer steek ik je banden lek!’, riep de buurvrouw haar toe.

‘Sorry?’ Lotte draaide zich terug en lachte met ongeloof. ‘Waar gaat dit over?’, vroeg ze. ‘Zo gaan we toch niet met elkaar om...’ 

De buurvrouw antwoordde niet meer en verdween achter haar tuinhek. Toen Jasmijn bij haar was, stak Lotte een arm door de hare en gezamenlijk liepen ze het pad op langs de schuurtjes naar de deur van hun flat. 

‘Is ze altijd zo?’

‘Ik laat het maar om dit soort dingen te voorkomen.’

‘Ik niet. Ik kan niet tegen bullies en deze bitch is een bully.’

‘Misschien de titel van jouw nieuwe boek: de bitch is een bully.’ 

‘Met buurvrouw Agressivo McBitchie als hoofdkarakter. Maar dan bedoel ik niet karakter als in Bordewijk. Trouwens: waarom heeft ze eigenlijk zo’n kerstboompje aan de binnenspiegel hangen? Wat doet ze in die auto dat een geurvreter nodig heeft?’

‘Dat wil je werkelijk niet weten.’

 

53. 

     ‘Wat is dat?’, vroeg Jasmijn bij binnenkomst. 

Op het bureau van de kassa stond een doos van CoolBlue. Haaye trok de schouders op.

‘Geen idee. Een knaap kwam dit in alle vroegte brengen en sindsdien staat het hier.’

‘Oh.’ 

Ze liet haar tas van haar schouder glijden en keek samen met haar collega naar de doos. 

‘Uitpakken?’, stelde ze voor.

‘Het is aan mevrouw Valentina geadresseerd, dus ik kom er niet aan. Anders word ik door de jongens en meisjes van de post in elkaar getremd.’

‘Het is van CoolBlue.’

‘Dat zijn nog grotere jongens en meisjes dan die van de post.’ 

Boven ging de deur open en sloot zich vlak daarna. Met een blik op de trap, zei Haaye: 

‘Misschien weten we zo wat er in zit.’ 

De voetstappen die de trap af kwamen, klonken anders dan van Marleen.

‘Heeft ze weer een privé feestje gehouden?’, vroeg Haaye vanuit zijn mondhoek aan Jasmijn, en luider: ‘Koffie?’

‘Graag.’

‘Goedemorgen’, groette Inge hen op de voorlaatste traptrede. ‘Alles goed?’ 

Haar gezicht straalde.

‘Bijna net zo goed als met jou’, merkte Jasmijn met een grijnsje op. 

Inge knipoogde haar toe en liep door naar buiten.

‘Toede en loe’, zei ze over haar schouder en verdween.

‘Hebben die twee wat?’, vroeg Haaye toen aan Jasmijn.

‘Hoe weet ik dat nou?’

‘Vrouwen weten dat toch van elkaar?’

‘Is dat zo?’

‘Geen idee.’ Hij trok de schouders op. ‘Volgens de Libelle wel.’

‘Jij leest de Libelle?’

‘Vroeger. Mijn moeder had een abonnement. Nu nog, geloof ik. Of was dat op de Margriet?’

‘Vraag je ook dit aan mij offe...’

‘Vrouwen weten dat toch van elkaar’, herhaalde hij.

‘Goedemorgen, kinders.’ Marleen kwam bijna huppelend de trap af. ‘Je hebt toch nog geen koffie gezet, hoop ik?’, zei ze tegen Haaye. 

Hij hield juist een scheplepeltje Moccona omhoog om deze in de filter te ploffen.

‘Want...?’, vroeg hij en volgde haar knikje naar de doos.

‘Een nieuw koffiezet apparaat’, zei ze. ‘Ook voor espresso, cappuccino en latte machiatto.’

‘Hee, hoor ik daar iets goed?’, vroeg Jasmijn vanaf achteren, en liep terug.

‘Yip. Speciaal voor jou.’ 

Marleen straalde. Haar glimlach ging van oor tot oor. De twee medewerkers keken van haar, naar elkaar en terug.

‘Okee’, zei Jasmijn toen. ‘Wie is het, wat is er gebeurd en waar is de echte Marleen gebleven?’

‘Meneer Van Zanten.’

‘Pardon?’ 

Beiden spraken op hetzelfde moment met dezelfde verbazing hetzelfde woord uit.

‘Het is niet wat jullie denken.’ 

Ze hield een verdedigende hand op.

‘Ik hoop het niet, want er gaan nu allerlei waanzinnige beelden door mijn hoofd.’ 

Haaye plofte in de stoel en pakte zijn boek. Misschien dat een flinke dosis Dostoevsky dit beeld kon wegwerken.

‘Luister. Ook jij, haarbol.’ Hij veerde weer op. ‘Gistermiddag toen iedereen weg was, kwam meneer Van Zanten naar mij toe. Ga lekker zitten want het is een lang verhaal.’ 

Ze volgden haar advies op. Zelf plantte ze haar kont op het bureau en vervolgde:

‘Meneer Van Zanten kwam op mij af. Automatisch wenste ik hem een prettige avond, maar hij bleef staan. Toen ik hem vroeg of er iets was, zei hij dat hij van de financiële problematiek van de winkel had gehoord. Ik bevestigde dit -het is per slot van rekening meneer Van Zanten- en toen zei hij, dat hij een stille partner wilde worden, een vennoot; eentje die de winkel op poten zou houden zonder zich met het dagelijkse reilen en zeilen te bemoeien.’

‘Je meent het.’

‘Reken maar dat ik het meen, Jas. Diezelfde avond nog hebben we een contract opgesteld, Inge erbij geroepen als onpartijdige en samen met haar heb ik het contract doorlopen. Het ziet er pico uit. Binnenkort naar de notaris om het officieel te maken en les voilà zoals men in Zweden zegt.’

‘Wauw’, was het enige dat Haaye er na een korte stilte kon uitbrengen. ‘Maar’, vervolgde hij, ‘waar haalt hij het kapitaal vandaan? Begrijp me goed: ik mag die man enorm, maar hij doet niets anders dan lezen en zo nu en dan een boekje van vijftig cent halen, dus hoe komt hij aan het geld.’

‘Door boekjes van vijftig cent te halen’, herhaalde Jasmijn zijn eigen woorden.

‘Is dat onze zaak?’, vroeg Marleen.

‘Misschien wast hij geld voor Holleeder’, mompelde Haaye.

‘Misschien is hij gewoon zuinig met zijn broekjes van vijftig cent. Zei ik broekjes? Boekjes, bedoel ik.’

‘Heb je nog broekjes van vijftig cent dan?’, vroeg Marleen aan Jasmijn.

‘Ik heb er eentje aan. Van Zeeman. Het begon als een uitdagende zwart slipje en is nu een degelijke grijze onderbroek die ik over m’n buik kan heentrekken.’

‘Daar is heel wat materiaal voor nodig’, merkte Haaye op.

‘Ja, dank u voor deze afzeiker van de maand. Ik ga aan het werk en geef mij maar een latte.’

‘Ik ga terug naar bed om wat verder te slapen. Jij zorgt voor het apparaat?’ 

Haaye knikte.

‘Wat deed Inge trouwens hier vanmorgen vroeg?’, vroeg hij haar terwijl ze naar boven liep.

‘Ben je mijn moeder?’, was haar wedervraag.

‘Nee, maar wel nieuwsgierig.’

‘Gisteravond’, zei Marleen in een zucht, ‘was het champagne en feest toen meneer Van Zanten was vertrokken.’

‘Bedoel je die bocht die je afgelopen kerst uit de supermarkt hebt meegenomen?’

‘Uh-huh.’

‘Had je die dan nog?’

‘Nu niet meer. Aangezien jij het niet wilde drinken, had ik nog een aantal flessen over.’ Ze geeuwde. ‘Tot laters, lieverds.’

 

54. 

     Kijkend naar de overkant van de straat, luisterde Lotte naar het verhaal van de redding van de winkel. Haar favoriete homo van de andere kant van de straat liep van zijn auto vandaan naar huis. In zijn werkkleding zag hij er butch uit. Een andere buurman had zijn pooierbak deels op de stoep geparkeerd zodat zijn achterbumper niet door een passerende HVC wagen eraf gereden kon worden. Het gevolg hiervan was dat de buurvrouw over de voorkant van zijn bak moest heen klimmen om haar keffertje in het gras te kunnen laten lopen.

‘Maar dat is toch fantastisch?’, zei ze toen Jasmijn klaar was met haar verhaal.

‘Inderdaad.’

‘Zo heb jij nog werk en Marleen een winkel.’

‘Inderdaad.’

‘Je vindt het heerlijk om daar te werken, toch?’

‘Inderdaad.’

‘Okee. Heb je ook een andere bevestiging?’

‘Heb ik.’ 

Jasmijn plantte haar voeten tegen de reling en nam een slok van haar drankje. Opzij kijkend, vroeg ze: 

‘Heb jij misschien iets met de beslissing van meneer Van Zanten te maken?’

‘Moi?’, vroeg Lotte in al haar onschuld. ‘Ik kwam daar alleen om een boek te verkopen en een paar mensen blij te maken. C’est tout.’

‘Je bleef een obsceen lange tijd met de heer Van Zanten beppen.’

‘Lang: a la, maar obsceen is weer een ander verhaal. Heb je trouwens de banden van de auto nog nagekeken toen je vanmorgen weg reed? Mooi’, zei ze na de bevestiging. ‘Hoewel ik vermoed dat de bitch bully niet zo gauw zoiets zal doen, maar je weet niet, he. Ik ben niet op de hoogte van de trieste kleinheid van dit soort medemens.’ 

Hun beider ogen volgden de buurvrouw die met de hond nu langs het restaurant liep en de richting van het strand uit ging. 

‘Ik heb haar altijd al wat vreemd gevonden, een aantal rangen lager op de ladder van de evolutie, maar dit...’

‘Onze buurvrouw?’, vroeg Jasmijn verbaasd.

‘Nee, de bitch bully.’

‘Da’s zelfs voor jou een beetje crue opmerking, Lot’, merkte ze op.

‘Meen je dat werkelijk?’, vroeg ze verbaasd. ‘Waarschijnlijk heb ik jou niet verteld dat ze mij een aantal weken geleden beschuldigde dat ik haar dochter beloerde.’

‘Is dat zo?’

‘Dat ik beloerde of dat ze mij beschuldigde?’

‘Je weet wat ik bedoel.’

‘Zekers, Jas. Ik had net de vuilniszak naar de container gebracht en liep langs hun huis. Ze stormde de tuin uit en zei dat ik moest stoppen haar dochter te beloeren. Om eerlijk te zijn, weet ik helemaal niet van het bestaan van de éen of andere dochter af. Om nog eerlijker te zijn, wist ik helemaal niet van het bestaan van deze buurvrouw af. Ik bemoei me zo min mogelijk met die lui hier omdat ik geen zin in hun gelul heb.’

‘Waarom zei ze dat dan?’, vroeg Jasmijn zich hardop af.

‘Je weet waarom: je bent lesbo ergo iedereen van het vrouwelijk geslacht die boven de vijftien is, is aantrekkelijk voor jou. Zo zien een heleboel lui van de broedgemeenschap ons.’ 

Ze vouwde haar handen achter het hoofd en sloot de ogen. Het zonlicht was nog fel. 

‘Beetje jammer dat zij hun eigen hetero moraliteit aan ons willen hangen.’

‘Nah, lesbi zijn anders wel aardig vlot in het samenhokken.’

‘Akkoord, dat is een kenmerk van lesbi, zoals slobberbroeken en ohne make-up. Maar wat geen kenmerk is van ons, is dat we naar elke vrouw staren. Of beloeren zoals zij dat zo subtiel noemde. Wat een larie van dat wijf.’

‘Wat zei je er eigenlijk op toen ze dat beweerde?’, wilde Jasmijn weten.

‘Ik vroeg haar of ze wel goed bij haar hoofd was en als haar dochter ook maar drie genen van haar had meegekregen, ik haar zelfs niet met een besmette grijptang wilde aanpakken.’

‘Subtiel als altijd’, zei ze lachend.

‘Hee, als mensen lullig tegen mij gaan doen, doe ik het terug. Ik heb verdomme diplomas aan de muur hangen in hoger sarcasme en cynisch gelul, dus kom niet bij mij aan met dit soort dingen.’

De buurvrouw en haar keffertje kwamen terug. Omhoog kijkend zag ze de twee op het balkon en zwaaide. Beiden zwaaiden terug.

‘Lekker weertje, he?’, riep ze hen toe.

‘Heerlijk’, stemden ze met haar in. 

Ze liep verder en verdween achter de hoge struiken.

‘Het is een lief mens’, zei Lotte toen. ‘Zo kun je ook met elkaar omgaan. Oh, trouwens: ik was vanmorgen in café De Zon en daar hadden ze het over de Polen hier in het dorp...’

‘Oh jee’, mompelde Jasmijn, bang wat voor xenofobisch geleuter hieruit zou volgen.

‘...en ik luisterde mee vanwege al dat Poolse gedoe met dat manuscript van de afgelopen tijd. Weet je dat de Polen zich niet met de dorpelingen mogen bemoeien?’

‘Huh?’

‘Die gasten die hen hier naartoe brengen, leggen dit op. Ze mogen zich niet met ons bemoeien, mogen hun boodschappen niet in de Spar halen en moeten zich gewoon overal buiten houden.’

‘Weet je dat zeker? Werd je niet in de maling genomen?’

‘Serieus, Jas. Ik vroeg nog of dit waar was, en die gasten beweerden van wel.’

‘Maar waarom dan?’

‘Naar mijn mening zodat ze niet te weten komen, dat ze geflest worden. Ze werken hier vast ver onder het minimum loon en die patjepeeërs die hun hier naartoe halen, willen niet dat ze van ons te horen krijgen dat ze meer kunnen verdienen.’ Ze nam een slokje en zette haar glas terug op het tafeltje. ‘Vandaar dat ze maar zelden gedag zeggen. Ik kom Duitsers, Fransen, Engelsen, noem maar op tegen, en iedereen groet je. De Polen: amper. Beetje jammer.’

‘Ik vind het moeilijk dit te geloven.’

‘Kan me voorstellen, maar waarom zouden die gasten in De Zon er om liegen? Aandikken, misschien, maar niet liegen.’

‘Dat zijn toch dingen die anno nu niet meer kunnen?’

‘Lieverd, vrouwen verdienen nog steeds minder dan mannen voor hetzelfde werk. Welkom in de realiteit van de ongelijkheid van het bestaan.’

‘Akkoord, maar...’

‘Vergeet niet, dat er nog steeds wordt beweerd, dat Harper Lee “To kill a Mockingbird” niet alleen kan hebben geschreven. Ze heeft tieten, ergo moet licht en luchtig werk in de trant van Barbara Cartland afleveren, maar niet zo’n kunstwerk als “Mockingbird”. Ook in Polen worden de vrouwen achtergesteld, en de importeurs van deze mensen stellen zelf iedereen achter. Iedereen wil van iedereen profiteren, zeker als ze er mee weg kunnen komen.’

‘Zit je op je tirade stoel?’, vroeg Jasmijn met een lachje.

‘Zekers. Waarom denk je dat vaders hun kinderen verkrachten? Omdat ze er mee weg kunnen komen. Voer emotionele druk uit en de kinderen zwijgen. Iedereen rijdt te hard, totdat ze een flitspaal naderen, waardoor ze ineens weten de rem te vinden. Eenmaal daar voorbij, gaan ze weer planken. En waarom? Omdat ze ermee weg kunnen komen. Er is geen moraliteit meer, niemand die meer een modicum van verantwoordelijkheid neemt. Hedonisme als ultieme levensstijl. Welkom in deze wereld en dat je er maar lang mag van genieten. Vind je gek dat ik blij ben mijn inkomen te kunnen ontvangen door het grootste deel van mijn tijd alleen door te brengen?’

‘Je bent veel socialer dan ik.’

‘Dat weet ik. Ik ben ook niet tegen het sociale aspect van mijn leven, maar alleen als ik zelf kan bepalen met wie ik mij bemoei.’

‘Met al die boekwinkels die je moet aflopen, heb je hier niet veel zeggespraak in.’

‘Klopt, maar dat is werk. En de meeste mensen die langs mijn tafel lopen, zijn lief en aardig en zo doe ik ook terug. Privé, echter, zoek ik zelf de mensen uit met wie ik mij wil bemoeien, en dat is niet een bitch bully of haar onzichtbare dochter.’ 

Haar telefoontje pingelde. Ze negeerde het en zei: 

‘Nu ik toch die mensen noem: heb je gezien dat ze nu een werkbank en een klikobak op de parkeerplaats hebben neergezet in plaats van twee klikobakken?’

‘Ja. Ik heb de auto ernaast geparkeerd.’

‘Vind je dat niet irritant?’

‘Vroeger wel. Nu trek ik me er niets meer van aan.’ 

De zon ging snel onder. De zomer liep ten einde. Aan de temperatuur te voelen, was het einde nog niet werkelijk in zicht.

‘Ik denk dat ik een mail naar de gemeente stuur hierover.’

‘Waarom?’ Jasmijn keek opzij.

‘Omdat dit me irriteert. Telkens als ik vanuit de keuken naar buiten kijk, zie ik die werkbank en klikobak staan zonder dat er ook maar een spatje gewerkt wordt. Maar als je die man van haar ook ziet, kan die vermoedelijk nog geen hamer vasthouden. Of alleen om te proberen een schroef ermee in te draaien.’ 

Ze zag de blik van haar vrouw en las het nodige hieruit. 

‘Geen mail naar de gemeente sturen?’, vroeg ze uiteindelijk. 

Jasmijn schudde het hoofd en zei:

‘Geen mail, alsjeblieft.’

‘Mooi. Akkoord. Om jou te plezieren. Maar mijn volgend boek speelt zich in dit dorp af en daarin maak ik ze af.’

‘Heel goed. Je moet doen waar je sterk in bent en je niet verlagen naar het kleinburgerlijke gedrag van een aantal asocialen om je heen. Er zijn al te veel mensen die dat doen en de wereld is er hier niet beter door geworden.’ 

Na deze reactie boog Lotte zich voorover en trok Jasmijn naar zich toe voor een kus.

‘Wat ben ik toch met een wijze vrouw getrouwd.’ 

Haar telefoon pingelde nogmaals. Ditmaal haalde ze het uit haar broekzak en vroeg: 

‘Vind je het vervelend als ik kijk wat er is? Misschien heeft het iets met m’n bezoek aan Den Haag te maken.’

‘Ga je gang.’ 

Het roze-rode avondlicht hing als een deken over de duintoppen. Hoewel zij het al zo vaak had meegemaakt, kon Jasmijn er geen genoeg van krijgen. De kleurschakeringen bleven fascineren.

‘Oh, jeetje.’ 

Lotte’s gemompel haalde haar uit haar avondmijmering.

‘Wat is?’

‘Marie wil jou ontmoeten.’

‘Marie?’ 

Ze kon zich niemand met die naam voor de geest halen.

‘Die vermeende tante van je, weet je wel: sociaal media vriendin.’

‘Oh?’ Er was veel verbazing in het tweeletterige woordje gestopt. ‘Hoezo wil ze mij ontmoeten?’

‘Dat was toch heel de opzet van Belletien Quirijns?’, vroeg Lotte, bijna geïrriteerd. Als Jasmijn zich met iets niet wilde bemoeien, was zij daar enorm goed in. ‘Of heb je er geen belang meer bij waar je vandaan komt, hoe jouw verleden is?’

‘Hee, Lot, ik heb enorm veel meegemaakt de laatste tijd en dit is er bij ingeschoten. Maar je hoeft desondanks niet zo’n toon tegen mij te gebruiken.’

‘Sorry.’ 

Ze legde haar hand over de arm van haar vrouw heen en hief met het andere haar glas, dat ze in één teug leeg dronk. 

‘Nemen we er nog eentje?’

‘Lekker.’ 

Ze pakte de lege glazen en ging naar binnen, in het voorbijgaan een kus op Jasmijn’s hoofd gevend.

‘Denk effies na over de vraag of je haar wilt zien’, zei ze en liep door naar de keuken. 

Ze sloot de luxaflex en wierp geen blik meer naar de parkeerplaats. Met een wodka en een mix van whiskey en 7-up voor haarzelf, liep ze terug het balkon op. 

‘En?’, vroeg ze.

‘Nog aan het denken.’

 

     Later die avond in bed zei Jasmijn:

‘Okee.’

‘Huh?’ 

Lotte was half in slaap. Het ging om sex of een boterham pindakaas; zo niet dan had ze geen idee waarover zij het had.

‘Als jij een afspraak met haar maakt, wil ik haar wel ontmoeten.’

‘Wie bedoel je?’

‘Leymah Roberta Gbowee.’

‘Kunnen we dit gesprek morgenochtend voortzetten?’, vroeg ze na lang nadenken.

‘Marie’, zei Jasmijn uiteindelijk.

‘Oh. Mooi dan. Ik neem contact met haar op. En nou slapen.’

 

55. 

     ‘Ben je er klaar voor?’, vroeg Lotte aan Jasmijn die de badkamer uit kwam en haar armen zijwaarts hield om de deodorant te laten drogen.

‘Voor wat?’, was haar wedervraag.

‘Marie.’

‘Oh. Ja. Tuurlijk.’

Lotte had voor haar een afspraak met Marie gemaakt. Alles was via twitter gegaan en ze vervloekte de onhandigheid van het beperkte aantal karakters dat ze tot haar beschikking had. Het was een hoop gepiel om alles neer te zetten zonder abrupt te klinken. Uiteindelijk lukte het. Ze had het adres van het restaurant aan het strand gegeven en Marie had geantwoord daar rond twaalf uur te zijn.

‘Je klinkt niet enthousiast’, merkte ze op.

‘Nah.’ Jasmijn liet de armen zakken en trok een onderbroek aan. ‘Ik weet niet wat ik er van kan verwachten.’

‘Vermoedelijk kom je wat meer van jouw verleden te weten en...’

‘Wil ik dat?’, onderbrak Jasmijn haar. 

Lotte trok de schouders op en antwoordde:

‘Misschien worden hierdoor ongestelde vragen beantwoord. Overigens ga ik vanmiddag om vier uur weg.’ 

Ze staarde naar haar weekendtas, bedenkend wat er verder nog ingepakt moest worden. 

‘Ik kan jou ook rijden’, zei Jasmijn.

‘Neem de moeite niet, lief. Je hebt het al druk genoeg vandaag. En Tillie is gewend mij heen en weer te slepen.’

‘Als je het zeker weet...’ Ze hees zich op het bed en leunde achterover. ‘Laat ze dat joch van haar in een kennel achter of neemt ze hem mee?’

‘Bij haar ex.’ Lotte grinnikte. ‘Is het niet bijna tijd voor je?’ 

Jasmijn knikte en zei dat ze ging. Ze sprong van het bed af voor een knuffel en vroeg: 

‘Zie ik je straks nog?’

‘Ik blijf wachten. Als het te gek laat wordt, ben ik weg. Maar ik zie je liever nog even. En sterkte, lieverd’, zei Lotte na de afscheidskus. 

Met een handzwaai naar achteren verdween Jasmijn het huis uit.

Ze liep de trap af. De buurvrouw kwam juist met haar keffertje naar buiten. Ze liet de buur voorgaan en liep in de hal langs haar heen om de deur voor haar open te houden. Beiden staken de weg over naar de strandopgang. De buurvrouw verdween het terras van het dichtstbijzijndste restaurant op. Jasmijn vervolgde haar weg naar het strand.

Het was druk op de strandopgang voor een vrijdag in de late zomer. De mensen besloten van wat wel eens de laatste zonnige dag kon zijn te genieten. Het was een goed jaar geweest voor strandliefhebbers. De zomer begon in april en de zon had nagenoeg onafgebroken geschenen. De balkondeur was heel het jaar open geweest. Het was een zomer waarin de bomen vroegtijdig bladeren lieten vallen omdat er geen water genoeg was en waarin het gras wekenlang licht en dor in de velden had gestaan.

Het ruisen van de zee kwam naderbij. Een lauwe bries dribbelde langs het helmgras. Zodra de zon haar bereikte, voelde ze de kracht ervan op haar huid branden.

Ze ging op het terras van het restaurant zitten en bestelde een witte wijn. De jonge bediende keek haar lang aan. Als hij “Que?” zou zeggen, had ze een dikke fooi voor hem. Ze herhaalde haar bestelling en met een knik ging hij naar binnen.

Marie kon elk moment komen. Soms keek ze op als een vrouw alleen het terras op kwam, maar haar vragende blik werd door niemand beantwoord.

De bediende bracht haar wijn op een dienblaadje en zette het op een viltje op tafel. Condensdruppels kleefden aan de buitenkant van het glas en gleden gestaag naar het pootje.

Een vrouw met kort krullend blond haar betrad het terras. Jasmijn voelde direct dat dit Marie moest zijn. Ook de vrouw zoomde op haar in. Ze was tamelijk lang en een liefhebber van een bourgondisch leven. Ze droeg een zandkleurige lange broek met slippers, een paars shirtje waarover een losgeknoopt wit overhemd met korte mouwen in de wind wapperde. Dichterbij gekomen merkte ze op, dat het overhemd uit wit en lichtpaarse verticale strepen bestond.

‘Belletien?’, vroeg ze met een afwachtende blik. 

Ze knikte en stond op om de uitgestoken hand te schudden. 

‘Mijn hemel.’ Marie kon de ogen niet van haar afhouden. ‘Ik herkende je vanaf het moment dat ik je zag. Wat lijk je op je moeder. Als twee druppels...’ 

Ze ging zitten. 

‘Was het makkelijk te vinden?’, vroeg Jasmijn. 

‘Leve de TomTom.’ Marie lachte. ‘Wat heb jij?’, vroeg ze toen de bediende bij hun tafel stond.

‘Witte wijn.’

‘Doe mij er ook maar eentje.’ 

Hij staarde haar aan om uiteindelijk richting restaurant te verdwijnen. Marie vouwde de armen op het tafelblad en keek naar Jasmijn. 

‘Zo, dus eindelijk zien we elkaar. Dat was een lange conversatie op het net.’

‘Eerlijkheid gebied mij te vertellen, dat mijn partner die conversatie heeft gehouden.’

‘Oh? Dat heeft ie goed gedaan; ik dacht dat ik met Belletien sprak.’

‘Ze is goed daarin en...’

‘Sorry’, mompelde Marie.

‘...heeft mij van elk woord op de hoogte gehouden. Geeft niet; makkelijke vergissing.’

Zodra de kelner het glas voor haar neerzette, hief ze het naar Jasmijn. 

‘Op deze ontmoeting’, proostte ze. 

Jasmijn nam haar glas op en tikte het tegen de hare. 

‘Het is wel lekker wonen hier.’

‘Het is heerlijk’, bevestigde ze. ‘In de winter is het echt een dorp, maar in de zomer leeft het. We hebben de winter nodig om bij te komen van de zomerse drukte.’

‘Dat kan ik me voorstellen. Wat een mensenmassa op de strandopgang.’

‘Dat valt nog mee. Als je hier in juli was geweest, kon je er niet doorheen komen.’

‘Onvoorstelbaar. Maar er is wel mee te leven?’

‘Als ik om half zes ’s ochtends langs het water loop en er is verder niemand, is het voortreffelijk om mee te leven. Dat soort momenten pikt niemand van ons af.’ 

Ze nam een slokje wijn. De bodem kwam in zicht en ze vroeg zich af of ze er nog eentje zou bestellen.

‘Waarom ben jij sociaal media opgegaan met die naam.’

‘Belletien bedoel je?’ 

Marie knikte en vroeg:

‘Hoe kom je aan die naam?’

‘Mijn vroegere schoolvriendinnetje herkende mij en kwam ermee aanzetten. Omdat ik er niets van wist, hebben we een account gemaakt onder die naam. Jij was éen van de eersten die reageerde. Nee, jij was de enige die reageerde, op de naam bedoel ik.’ 

Ineens vroeg ze zich iets af. 

‘Was je bewust op zoek naar die naam?’, vroeg ze toen.

‘Inderdaad. Eens in de zoveel tijd type ik die naam overal in. Belletien was mijn kleine nichtje. Er is mij altijd verteld dat zij was overleden, maar dat heb ik nooit geloofd. In elk geval ben ik altijd op zoek geweest naar informatie over haar. Uit pure nieuwsgierigheid? Geen idee.’

Het was etenstijd en het terras werd nog voller dan het al was. Toen twee echtparen rond keken naar een vrije tafel, stelde Jasmijn voor om weg te gaan. Ze moest al het hoofd naar Marie toebuigen om haar te kunnen verstaan en dat maakte het gesprek er niet makkelijker op. Ze wenkte de bediende en rekende af. De twee stellen stonden blij en geduldig bij hun tafel te wachten.

‘We kunnen het strand opgaan’, zei ze, eenmaal buiten de omheining van het terras, ‘maar daar is het vreselijk druk zoals je ziet. Als je dat geen punt vindt...’

‘Is er een alternatief?’

‘De duinen. Daar is het altijd rustig. Alleen de dorpelingen gebruiken het.’

Terwijl ze van het restaurant vandaan liepen, kwam het gesprek op de A9 terecht. Marie vertelde over de reis en volgde Jasmijn over de steile afloop dat naar het duingebied leidde, waar ze het gele grasveld op liepen. De zon duwde hun lange schaduwen voor hen uit. Aan de voet van een heuvel gingen ze zitten. Jasmijn vouwde de benen en leunde naar achteren op haar gestrekte armen. Marie keek naar de omgeving, zich verbazend over de rust die hier hing.

‘Weet je’, begon ze toen Jasmijn bleef zwijgen, ‘toen ik jouw naam tegenkwam, moest ik eerst bijkomen. Ik voelde het bloed uit m’n gezicht wegtrekken. Hoewel ik vrij regelmatig naar die naam op zoek was, schrok ik bij het zien er van. Aanvankelijk dacht ik dat iemand een crue grap maakte.’ 

Even keek ze naar Jasmijn die haar blik beantwoordde. 

‘Nu ik jou zo zie, realiseer ik me dat het geen grap was.’ 

Ze hees zich hoger op de heuvel om haar benen te kunnen strekken. Jasmijn vroeg zich af hoe oud zij was. Waarschijnlijk niet veel ouder dan zijzelf of ze zag er gewoonweg jong uit. 

‘Omdat ik in Ghana woon en werk en ik niet altijd wifi verbinding heb daar, kon ik de berichten niet zo vaak beantwoorden als ik wilde. Ik was als de dood dat het account zou worden opgezegd nog voordat ik goed en wel wist wie er achter zat en of dat daadwerkelijk Belletien was.’ 

Een moment plaatste ze een hand op Jasmijn’s schouder en glimlachte kort. 

‘Ik ben blij dat mijn negatieve gedachten niet zijn uitgekomen en dat ik hier met jou zit. Ik had dit nooit verwacht.’ 

Omhoog kijkend naar de zon zag ze deze schitteren in de honderden prismaatjes in haar ogen. Ze wilde niet sentimenteel worden, had zich voorgenomen om zo zakelijk mogelijk te blijven Maar bij het zien van Jasmijn, die zoveel op haar moeder leek, Marie’s enige zus, werd dit haar plots te veel. Ze schraapte de keel en zei: ‘Vertel eens de reis die je hebt gemaakt om in Wijk aan Zee terecht te komen. Waar ben je grootgebracht; wie heeft je grootgebracht.’

‘Er valt weinig te vertellen. Ik ben in opvanggezinnen geweest, daarna tot mijn achttiende in een instituut. Dat was de leeftijd waarop men mij een waardig mens vond dat aan de samenleving kon deelnemen. Tot mijn eenentwintigste heb ik een meldingsplicht gehad aan het instituut’, zei ze met onverholen ironie, ‘en daarna stond ik op mijn eigen benen. Ik heb bij werkgevers een hoop dom werk gedaan, heb studies gevolgd om wijzer te worden, ben mijn partner tegengekomen en dat is het.’

‘Heb je nog contact met de opvanggezinnen?’

‘Nee.’

‘Met iemand van het instituut?’

‘Nee.’

‘Met iemand uit het verleden?’

‘Nee. Mijn verleden begint op mijn twaalfde. Dertien, misschien.’

‘Pardon?’

‘Wat er voor deze leeftijd is gebeurd, heb ik geen flauw idee van.’

‘Whoow...’ 

Marie dacht lang na. De stemmen van mensen die over het zeepad naar het restaurant liepen, kwamen in vlagen bij hun terecht.

Zij kon het zich niet voorstellen dat iemand en deel van haar leven miste. In Ghana had men niet alleen een tastbaar verleden, maar ook een spiritueel verleden dat bestond voordat het lijflijk leven een aanvang nam. Bij Jasmijn was het alsof een deel van haar genetisch erfgoed was weggeslopen.

‘Is er een aanvulling op de opsomming die je juist hebt gemaakt?’, vroeg ze uiteindelijk.

‘Hetzelfde met meer woorden. En die heb ik niet.’

‘Zal ik een aanvulling geven?’ 

Toen Jasmijn na haar vraag bleef zwijgen, zei ze: 

‘Denk er rustig over na.’ 

De zon was warm. Ze trok de hals van haar shirtje naar beneden om meer lucht te krijgen. De kustduinen hielden de zeewind tegen waardoor het hier behoorlijk warm was. Ze wilde er, echter, niet vandaan gaan. Er hing ook een serene rust. Twee bruine honden renden voorbij. Heel even nam eentje van hen de tijd om naar de twee vrouwen te kijken voordat hij verder rende.

‘Je kunt het ook zien als een invulling’, zei ze zacht. 

Ze wilde de stilte tussen hen in niet verbreken, wilde Jasmijn’s keuze niet beïnvloeden.

‘Het enige’, begon deze langzaam, ‘dat ik weet van voor mijn twaalfde, is wat mijn jeugdvriendin heeft verteld.’

‘En dat is?’

‘Dat ik in Maarssen ben opgegroeid en daar op school heb gezeten. Ik heb een hond en een zusje.’

‘Puffer.’ 

Ze keek op toen Marie de naam uitsprak.

‘Puffer’, herhaalde ze.

‘En Lorie.’

‘Lorie?’

‘Jouw zusje.’

‘Ah, heet ze zo. Marjolein wist het niet meer.’

‘Jij en Marjolein waren hecht samen.’

‘Jij kent Marjolein?’, vroeg ze verrast.

‘Meer uit de verhalen die ik heb gehoord van mijn ouders, jouw grootouders dus. Ze leven niet meer, mocht je je dat afvragen. Jouw moeder en ik waren niet hecht en ik ben al jong naar het buitenland vertrokken, Afrika.’ 

Ze opende haar schoudertas en pakte er twee reuze blikken Grolsch uit. Verontschuldigend glimlachend zei ze: 

‘Ik had het vermoeden, dat ik dit nodig zou hebben’, en gaf een blik aan Jasmijn. 

Beiden namen een slok. Marie veegde met de achterkant van haar hand haar mond droog en vervolgde:

‘Jouw moeder trouwde toen ze negentien was. Ze moest trouwen, zoals dat in die tijd heette. Haar man was een jaar jonger, dus beiden waren vreselijk jong. Zijn moeder was zwaar tegen het huwelijk. Haar man moest van haar tegen jouw opa zeggen, dat hij wel iemand kende die met breinaalden tekeer kon gaan.’ Ze lachte kort. ‘Hij werd nog net niet het huis uitgeslagen maar dat scheelde niet veel.’

‘Mijn opa’, mompelde Jasmijn. 

Ze had deze woorden nooit gesproken. Marie hoorde haar niet.

‘Hoewel jouw vader een boerelul was’, vervolgde ze het verhaal, ‘was hij wel een eerbare boerelul en stond erop dat hij en Annie zouden trouwen.’

‘Annie?’

‘Jouw moeder. Oh, je weet de namen natuurlijk niet: Annie is jouw moeder en Koos jouw vader. Lorie hebben we al genoemd. Ze trouwden en jij werd geboren. Ik was twaalf en zat nog op de lagere school. Hoewel ik als kind zijnde al niets voor kinderen voelde, moest ik soms op jou passen als jouw ouders naar een feestje wilden. Ze waren per slot van rekening nog zeer jong en dat soort dingen lieten ze niet voorbij gaan. Ik heb jouw luiers verschoond’, zei ze met een glimlach, ‘en we hebben samen met blokkendozen gespeeld. Jij was gek op blokkendozen, om te bouwen. En op lezen; je zat altijd te lezen. Zittend op de bank met een boek voor ons, leerde ik jou woorden die ver boven jouw leeftijd waren. Maar dat wilde je. In die tijd leefde ik meer bij Annie dan thuis omdat ik daar de vrijheid had om te roken. Dat was een spannende bezigheid op vijftien, zestienjarige leeftijd, en van thuis mocht ik niet roken. Toen ik vijftien was, was mijn pa al overleden en stond het huwelijk van Annie en Koos op z’n laatste benen. Hoe brengen stellen nieuw vuur in hun samenzijn? Door weer een kind te brouwen. Zes jaar na jou werd Lorie geboren. Ik was achttien, bijna negentien en ging een eigen leven leiden. Bij Annie kwam ik nauwelijks meer omdat Koos vanwege een akkefietje gedreigd had mij in elkaar te slaan.’

‘Wat voor akkefietje?’ 

‘Niks bijzonders. Hij had een zak drop in de kast en daar had ik een paar van gepakt. Dat pikte hij niet, het over en weer gemekker escaleerde en hij flikkerde mij het huis uit. Als hij dat niet had gedaan, had hij mij in elkaar gemept. Hij had een kort lontje en het was geen loos dreigement.’

‘Wat deed hij eigenlijk?’

‘Werk, bedoel je?’

‘Uh-huh.’ 

‘Hij werkte bij een garage, hoewel ik geen idee heb wat hij daar deed. Olie verversen misschien; meer verstand had hij namelijk niet. Hij werkte bij die garage, kwam thuis en kleedde zich om in een bermuda en poloshirt, waarna hij op de grond ging liggen slapen. Dat was zijn meest enerverende activiteit van de dag.’ 

Ze keek Jasmijn aan. 

‘Sorry dat ik je vader afbek, maar ik vond hem een boerelul.’ 

Het was haar vaste omschrijving voor de man van haar zus.

‘Ik heb totaal geen affiniteit met die mensen’, merkte Jasmijn op. ‘Met mijn vermeende ouders niet noch met mijn zusje. Ze hebben nooit deel van mijn leven uitgemaakt en ik heb geen gevoel naar hen toe.’

‘Dat is goed om te horen. Dit kan jou helpen met het verdere relaas. Uhm...’ Marie dacht met gefronste wenkbrauwen na  ‘...Lorie werd geboren zes jaar na jou, ja. Ondanks dit en ondanks het feit dat beiden probeerden goede ouders te zijn, dat geef ik hen mee, strandde het huwelijk. Maar net zoals ze bij elkaar waren gekomen door een eerbare geste van Koos, zoals je het zou kunnen zien, bleven ze om die reden ook bij elkaar. Geen van beide wilde het opgeven. De gestes van Koos werden op een gegeven moment omgezet in hardhandige meppen, hoorde ik tenminste van mam, jouw oma, en hij had er geen moeite mee Annie in elkaar te tremmen. Maar vast en zeker met eerbaarheid’, zei ze er cynisch achteraan. 

Ze nam een slok. Het blikje was niet koel meer, maar als ze het blikje heen en weer klotste, voelde het in elk geval kouder aan dan de buitenlucht. 

‘Omdat Lorie alle aandacht opeiste en jij toch wat achtergesteld werd, kwamen ze op het idee om voor jou een hondje te kopen.’

‘Dat was Puffer?’

‘Dat was Puffer, een bruine mormel, dat het midden hield tussen en spaniël en nog iets. Jij liep weg met dat kreng en andersom ook. Jullie gingen overal met z’n tweeën naartoe.’ 

Ze stopte, nam een hap adem om verder te gaan, stopte weer en nam een slok. Ze rookte al jaren niet meer, was op haar twintigste gestopt, maar dit was éen van die schaarse momenten waarop ze dacht dat een sigaretje best goed zou smaken. Jasmijn liet haar begaan. Ze had een blikje bier, zat in de zon, en had nu al veel te verwerken gehad. 

‘Je...’ Marie maakte de zin niet af. ‘Het is...’ 

Na nog een slokje, een keer diep adem halen, vervolgde ze: 

‘Je begrijpt dat alles wat ik vertel in een notendop is. Als je invulling van details wilt, moeten we dat op een later moment doen. Dit is een bliksembezoek want morgenochtend vroeg vertrekt mijn vliegtuig weer.’

‘Ik begrijp het.’

‘Mooi.’ 

Een paar kinderen kropen onder het prikkeldraad door en gleden het duin af. Beneden aangekomen renden ze verder de duinen in en verdwenen uit zicht. Hun onverwachte komst had Marie uit de wereld van het verleden gehaald waarin ze was gezonken. 

‘Wil je meer horen?’, vroeg ze. Jasmijn knikte, zei: “Natuurlijk”, waarna ze vervolgde: ‘Je moet begrijpen dat wat ik je nu vertel tweedehands informatie is: deels van mam, deels uit een andere bron.’

‘’kee.’

‘Het gerucht ging, dat jouw vader jou misbruikte. Ik weet niet op welke manier’, vervolgde ze toen Jasmijn een verraste blik naar haar draaide, ‘en in welke mate, maar dat gerucht deed zich de ronde in de familie. Vermoedelijk heeft jouw moeder iets tegen mijn moeder laten doorschemeren; de ware toedracht weet ik helaas niet. Nu was het zo dat jij anders was dan anderen, je anders gedroeg dan meiden van jouw leeftijd. Later heb ik hier speciaal naar gezocht...’

‘Waar naar?’

‘...naar jouw gedrag. Je was altijd onderkoeld, bijna zonder emotie zou je kunnen zeggen. Uhm, ik weet niet of je ooit hierover bent aangesproken door een arts of een psycholoog, maar zou het kunnen dat je iets hebt in het autisme spectrum?’

‘Het woord “Asperger” is wel eens gevallen’, gaf Jasmijn toe. ‘Maar dan zijn ook schizofreen, paniekstoornis, bipolair en andere soortgelijke woorden waar je niet vrolijk van wordt genoemd. Hierdoor heb ik er nooit extra aandacht aan geschonken.’

‘Ah. Ja. In elk geval begreep ik achteraf pas, dat jij waarschijnlijk daardoor beter met dieren om kon gaan dan met mensen.’ 

Ze klemde het blik tussen haar dijen en trok de hals van haar shirtje verder naar beneden. Het was warm en de alcohol werkte hier aan mee. 

‘Het punt is, dat jouw vader zich hier vreselijk aan stoorde. Hij kon namelijk geen grip op jou krijgen. Annie had hij in zijn macht door haar in elkaar te rammelen. Met Lorie liep hij weg. Met jou... Hij kon geen hoogte van jou krijgen. Als hij jou strafte, trok je de schouders op en liet het gelaten over je heen gaan, zo jong als je was. Des te meer hij invloed op jou wilde uitoefenen, des te minder jij dat toeliet. Een normaal denkend mens zou dit als jouw eigen wil beschouwen, een sterke karaktertrek. Een man als jouw vader, echter, kon dit niet bevatten. Uhm... hier moet ik goed nadenken. Het is lang geleden, maar heeft wel een krater achtergelaten waarin alles is opgeslagen.’ 

Ze keek naar de blauwe lucht, haar gedachten ordenend. Jasmijn onderbrak de stilte niet. 

‘Het was op een...’, vervolgde ze na kort nadenken, ‘...het moet in het weekend zijn geweest, omdat Koos thuis was. Op een dag, een zaterdag vermoedelijk, was jij met Puffer de straat opgegaan en kwam te laat thuis. Koos had jou op het hart gedrukt, dat je om vijf uur binnen moest zijn voor het eten, omdat hij daarna naar zijn ouders zou gaan. Jij kwam te laat en daar is hij enorm boos om geworden. Vanwege jouw onverschillige houding, ging hij door het lint.’ 

Ze zuchtte diep en wreef met een hand door haar haar. Zweetdruppels trilden over haar slapen en volgden haar kaaklijn waar zij hen met een achteloos gebaar wegzwiepte. 

‘Hij moest en zou jou straffen omdat je te laat was; zo was hij nu eenmaal. Hij was een impulsief mens en in mijn beleving is dat het soort mens op wie je het minst kunt bouwen. In het kort: hij heeft een mes gepakt en jou geraakt op de enige manier waarvan hij wist dat deze zou werken: hij stak het mes in Puffer. Sorry dat je dit moet aanhoren.’

‘Het is goed’, mompelde Jasmijn.

‘Uhm... Na dit incident pakte jij Puffer op en nam hem mee naar jouw slaapkamer waar je op bed ging zitten. Koos riep jou terug, maar je reageerde niet. Het verhaal gaat, dat toen Koos jouw kamer binnen kwam om jou tot orde te roepen, jij het mes uit Puffer trok en hem in zijn buik stak. Het toeval wil, dat je een slagader raakte waardoor Koos binnen de kortste keren dood bloedde.’ 

Het was een koele opsomming van feiten vermengd met supposities en vermoedens. De feiten waren dat Puffer dood was, dat haar vader dood was, dat er een mes en veel bloed mee gepaard waren gegaan. Ze zag de scene duidelijk voor zich; het was namelijk het droombeeld van haar dagmerrie waarmee zij altijd wakker werd. Door de jaren heen had zij deze goeddeels kunnen vervangen door zich te concentreren op een strand waarover Puffer rende. Ze was er zeker van dat het Puffer was, hoewel er verschillende hondensoorten haar droom bevolkten. Puffer als “iederhond”. Uiteindelijk bleek deze droom een weerspiegeling te zijn van het ware leven.

‘Weet je wat ik denk?’ Marie’s stem haalde haar uit haar gedachten. ‘Mijn persoonlijke vermoeden is dat jouw moeder jouw vader heeft neergestoken. Ze moest op de éen of andere manier van hem af zien te komen, en dit was de juiste gelegenheid.’ 

Jasmijn knikte na deze woorden, de zoveelste suppositie die ze deze middag hoorde.

‘Het... pffft, het is me allemaal een beetje veel geworden’, zei ze en stond op. 

Ze nam een slok en wierp het blikje hard van zich vandaan. Er was geen andere manier om haar onvrede te uiten. Zich omdraaiend om Marie aan te kijken, een vrouw van wie ze een paar maanden eerder het bestaan niet wist, die ze een paar uur geleden nog nooit had ontmoet, vroeg ze: 

‘Zeg je dat nou om mij van een last op m’n schouders af te helpen, dat mijn zogenaamde moeder hierachter zit? Want, geloof me, ik voel totaal geen schuld.’ 

Al tijdens haar eerste woorden schudde Marie het hoofd.

‘Kom nog even zitten’, zei ze. 

Jasmijn keek naar haar grillige lange schaduw die de paar passen terug naar de heuvel met haar meeliep. Ze ging zitten. Marie stootte haar aan en hield haar eigen blikje voor haar op. Met een paar slokken dronk Jasmijn het leeg en verkreukelde het. Een scherpe punt sneed haar in de wijsvinger. Het voelde goed. 

‘Ik zeg dit niet om jou van een eventuele last te bevrijden’, vervolgde de oudere vrouw. ‘Ik zeg het omdat ik mijn zus ken. Ze is even onbetrouwbaar als het water diep is en ze liegt zo goed dat ze zichzelf ervan kan overtuigen, dat de leugen de waarheid is. Heel haar leven heeft ze gelogen: tegen onze ouders, tegen haar vriendinnen, tegen haar vriendjes, tegen haar zusje. Omdat wij als kind zijnde een kamer deelden, ken ik haar beter dan anderen haar ooit gekend hebben. Tuurlijk, haar man kende haar, maar dan kende heel mannelijk Maarssen haar, dus dat is niets nieuws. De pest is dat we er nooit meer achter zullen komen wat wel en niet waar is in dit relaas. Ook niet als we Annie zouden vinden, want wanneer vertelt ze de waarheid en wanneer niet. Dat zal altijd de vraag zijn. Wil je mijn versie nog horen?’

‘Ja.’

‘Goed. Wat er in mijn beleving is gebeurd, is dat het verhaal klopt tot en met het moment waarop jij met Puffer de slaapkamer binnen gaat. Jouw vader gaat jou achterna voor wat voor reden dan ook. Misschien had ie niets kwaads in de zin, want je kunt mij nog meer vertellen, maar als je net het hond van je dochtertje hebt doodgestoken, word je cru wakker geschud. Volgens mij is Annie meegegaan en heeft zij het mes uit Puffer getrokken en heeft daarmee jouw vader doorboord. We zullen nooit weten wat de ware toedracht was, maar je kunt mij werkelijk niet wijsmaken, dat een achtjarig meisje haar vader zodanig hard in de buik kan steken, dat er een slagader geraakt wordt. Daar is meer kracht voor nodig dan een achtjarige kan opbrengen.’ 

Mistroostig schudde ze het hoofd. 

‘Helaas geloofde men Annie’s versie. De politie kwam erbij, jij werd uit het gezin gerukt en bij anderen ondergebracht. Je hebt een nieuwe naam gekregen en kwam uiteindelijk in een instituut terecht waar je heropgevoed werd.’ 

Ze keek opzij, Jasmijn’s profiel bestuderend. Al deze informatie moest rauw op haar dak vallen. Het viel haar, echter, op hoe neutraal haar gezicht bleef. Ook nu tuurde ze voor zich uit zonder enige vorm van emotie te tonen. Misschien dacht ze over de woorden na, over het voorval met haar vader, maar toen ze zag hoe de ogen een over het gras hoppende ekster volgden, vermoedde ze dat dit niet het geval was. Kort legde zij haar hand op haar bovenarm om de aandacht te krijgen.

‘Heb je misschien zelf nog vragen?’, vroeg ze toen. 

Hoewel haar nicht eerst het hoofd schudde, vroeg ze een moment later:

‘Wat is er met Lorie gebeurd?’

‘Geen flauw idee. Sorry. Ik heb al jaren geen contact meer met Annie, ongeveer sinds begin jaren ’80. Ook haar heb ik via sociaal media geprobeerd te traceren, maar dat is op niets uitgelopen.’ 

Ze was 61. Vijf jaar lang had ze via websites een teken van leven van haar nichtjes gezocht en alleen diegene kunnen vinden, waarvan zij nooit verwacht had deze ooit weer te zien.

‘Waarom dacht je dat ik overleden was?’

‘Hoezo dacht ik dacht?’

‘Op twitter zei je, dat de Belletien die jij kende overleden was of woorden van die strekking.’

‘Ach ja... Dat was meer om degene die aan de andere kant zat uit de tent te lokken. En omdat mij dat is wijsgemaakt. Meer niet.’ 

Hoewel ze het onopvallend deed, zag Jasmijn hoe zij op haar horloge keek. Marie ving haar blik op en glimlachte verontschuldigend. 

‘Sorry’, zei ze. ‘Het is een lange reis geweest, een heftige dag en morgen moet ik weer vroeg weg. Is er nog iets anders?’ 

Ze veerde overeind. Haar benen waren stram van het lange zitten.

‘Weet je mijn geboortedatum?’, vroeg Jasmijn. Dit was eigenlijk het enige waar zij benieuwd naar was.

‘Drie februari 1971. Ik zal die datum nooit vergeten.’ Ze keek nogmaals op haar horloge. ‘Ik moet nog naar Schiphol rijden vanmiddag en er zijn werkzaamheden.’ 

‘Ik begrijp het’, zei Jasmijn knikkend. 

Eindelijk een praatje waar zij wat mee kon: verkeerssituaties en de A9.

 

56. 

     Ze namen afscheid van elkaar op de parkeerplaats. Ze schudden elkaar de hand om na een korte aarzeling in een omhelzing te belanden. 

Terwijl ze haar nicht in haar armen had, zei Marie dat ze vooral geen vreemden moesten worden. Als Jasmijn een verandering van omgeving wilde, moest ze richting Ghana komen. Daar zou haar hoofd rustig worden, de zenuwen konden zich  er ontspannen, en de geest tot bezinning komen. Jasmijn beloofde halfhartig dat ze erover zou denken, hoewel ze wist dat dit niet zou gebeuren. Het verleden moest blijven waar het was: in het verleden. Het was iets dat achter haar lag, dat haar jarenlang getergd had zonder dat ze begreep dat het om haar verleden ging. Om naar Ghana te gaan en van Marie over het leven te komen dat zij had meegemaakt maar waarvan zij niets had kunnen vasthouden, keek zij niet naar uit. Dit hield, echter, niet in dat zij niet blij was Marie ontmoet te hebben. Door haar konden beelden die zij altijd als fantasie had afgeschilderd in een ander context geplaatst worden. De vermeende hersenschimmen waren de omlijsting geweest van haar werkelijke verleden.

‘Vind je het goed als ik een foto van ons maak?’, vroeg Marie toen, haar mobiel uit haar tas pakkend. 

Ze hield het voor hen op. Beiden grijnsden de lens in, schudden elkaar hierna nogmaals de hand waarna Jasmijn vertrok. Ze keek niet meer om.

Ze liep de weg naar beneden. Vlak bij de oversteekplaats kwam Marie langs rijden en stak haar hand op. Ze zwaaide terug, ging schuin naar de overkant en de flat binnen. In de koele, rustige omgeving van het portaal sloot ze een aantal seconden de ogen, haalde diep adem, en pakte de post. Tijdens het naar boven lopen bekeek ze de enveloppen.

Al buiten de voordeur hoorde ze Tillie’s stem en bleef staan. Op dit precieze moment kon ze haar niet aan. Ze was niet in staat een opmerking van Tillie te incasseren en te doen alsof er niets aan de hand was. Het wijze besluit was om direct door te gaan naar de slaapkamer, de deur te sluiten en de wereld buiten te houden.

‘Zo’, hoorde ze Tillie zeggen zodra ze de deur naar de woonkamer opende. ‘Je ziet eruit alsof je spoken hebt gezien. Heb je misschien in de spiegel gekeken?’ 

Ze lachte hard om haar eigen opmerking.

’Til, dat is niet leuk’, zei Lotte tegen haar.

‘Het is maar een geintje, he Jas?’ 

Zonder iets te zeggen liep Jasmijn langs haar heen en door naar de slaapkamer. Ze trok de deur achter zich dicht. Kort hierna kwam Lotte binnen en ging naast haar op bed zitten.

‘Hoe gaat ie, lief?’, vroeg ze, een arm om haar schouders leggend.

‘Heel wat wijzer geworden’, antwoordde ze. ‘Ik kan alleen niet meer tegen die rotopmerkingen van Tillie. Ik weet dat ze jouw beste vriendin is, maar ze is een onbeschoft kutwijf.’

‘Daar heb je gelijk in.’ Lotte stond op. ‘Ga eerst even bijkomen en dan praten we straks verder.’

Toen de deur sloot, trok Jasmijn haar broek uit en schopte het dekbed naar het voeteneind van het bed. Met de handen achter het hoofd gevouwen, staarde ze naar het plafond en liet de middag door haar gedachten gaan. Zo viel ze in een droomloze slaap.

 

     Het schemerde toen ze wakker werd. De gordijnen waren gesloten. Ze kon het zich niet herinneren deze dicht gedaan te hebben. Langzaam kwam ze terug naar het hier en nu. Lotte zou al onderweg zijn naar Antwerpen. Ze had haar graag nog willen zien voordat ze wegging, het verhaal van Marie met haar delen. Met haar pragmatische manier van denken zou Lotte de wirwar van draden ontrafelen. 

Ze schoot overeind toen ze het koffieapparaat hoorde reutelen. Met de handen woelend door het haar liep ze door de gang en opende de deur naar de woonkamer. Lotte stond in de keuken en glimlachte haar toe.

‘Lekker geslapen?’, vroeg ze. ‘Wil je koffie?’

‘Hoe laat is het?’

‘Niet te laat voor een bak koffie.’ 

‘Was jij niet onderweg naar Antwerpen?’

‘Ik ben er al. Dit is een hologram van mijn goede zelf.’

‘Je slechte zelf zit in België?’

‘Heb ik een slechte zelf dan?’

Jasmijn plofte op de bank. Vreemd dat ze na een paar uurtjes slapen altijd op de bank moest bijkomen. 

‘Waar is jouw chauffeur?’, vroeg ze toen.

‘Tillie bedoel je? Die is weg.’

‘Naar België?’

‘Wat is dat met jou en België? Heb je soms aandelen in dat land of ga je er skiën met de koninklijke familie?’

‘Die skiën in Gstaad, toch?’

‘Gezondheid.’ 

Lotte zette een hoog glas latte machiatto op tafel en boog zich over Jasmijn heen voor een kus.

‘Gstaad ligt in...’, begon Jasmijn.

‘Ik weet waar Gstaad ligt. Het is links van Gsankt Gallen en immer gerade aus bij Gschwanze waar de gnoes grazen.’

‘Genau. Of moet dat Ggenau zijn?’

‘Wat jij wilt, schat.’ Ze pakte haar cappuccino en schoof naast haar op de bank. ‘Hoe was het met Marie?’

‘Vermoeiend’, zei Jasmijn. Dat was de enige juiste omschrijving. ‘Ik heb zo veel informatie over me heen gekregen, dat het me duizelt. Volgens mij ben ik van pure vermoeidheid in slaap gevallen. Maar voor het eerst heb ik nergens over gedroomd. Totaal nergens over. Wat een rust geeft dat.’

‘Heerlijk.’ Lotte gaf haar een kneepje in de wang. ‘Wil je het vertellen of...?’

Jasmijn herhaalde de hele conversatie, eerst wat aarzelend, hakkelend, bedenkend wat de volgorde was, maar langzaamaan kwam ze in het verhaal en herleefde het. Er was geen detail dat ze oversloeg, geen gis of suggestie van Marie die ze vergat te noemen.

‘Het stomme is’, eindigde ze, ‘dat alles al die tijd gewoon in mijn hoofd zat. Maar het was als een lappendeken waarvan de stukken kriskras door elkaar zaten. Alles was er, maar niets dat bij elkaar paste. Met een legpuzzel kun je tenminste nog proberen de stukjes bij elkaar te zoeken, maar met deze lappendeken was het onmogelijk omdat niets bij niets paste. Begrijp je wat ik bedoel?’

‘Uh-huh. Wat zijn die beelden in jouw hoofd?’

‘Er is altijd de hond, Puffer. Dat is de enige naam die in mijn denkbeeld voorbij kwam. Ik zie altijd een vorm op de grond liggen, een mens, maar kan niet opmaken of het een man of vrouw is.’

‘Jouw vader misschien?’

‘Ik denk ’t. Volgens Marie plofte hij vanuit zijn werk altijd op de grond...’

‘In een bermuda en poloshirt.’

‘...in bermuda en poloshirt, dus misschien is het beeld daarvan. Het kan ook het beeld zijn dat hij bloedend op de grond in mijn slaapkamer ligt.’

‘Dat is ook mogelijk.’ Lotte bestudeerde Jasmijn’s profiel. ‘Doet het je iets dit te hebben moeten aanhoren?’

‘Pffft... Nee, niet werkelijk. ’t Is… het is onwezenlijk, alsof het niet mij is overkomen maar een andere staat van mezelf. Ik moet toegeven, dat het enige moment wat mij teveel werd, was toen ik hoorde wat Puffer is overkomen. Die hond had nergens schuld aan, en je weet wat voor watje ik ben met dieren. Verder... Nee, het deed me niets. Aan de ene kant ben ik blij dat ik op de hoogte ben van mijn jonge zelf; aan de andere kant is de band tussen mijn jonge zelf en de persoon dat ik nu ben onvoorwaardelijk verbroken. Maar dit was al een feit toen ik achttien was en op m’n eigen benen ging staan.’

‘Waar ik nou mee zit: heb je bij pleeggezinnen gezeten en in Maaiborg omdat men er vanuit ging, dat jij jouw vader mogelijk hebt neergestoken?’

‘Geen idee. Vermoedelijk is dat het geval. Maaiborg is een instituut voor geesteszieken maar ook een plek waar jonge delinquenten heropvoeding krijgen. Grensoverschrijdend gedrag wordt daar naar andere banen geleid, repressie benadering en risicobeheersing is waar ze van uit gaan in de hoop uiteindelijk zelfstandige en weldenkende jonge volwassenen de wereld in te kunnen schoppen, al dan niet succesvol.’

‘Wel in jouw geval. Maar dat is volgens mij omdat jij in wezen geen slecht mens bent. Je bent niet op zoek geweest naar moeilijkheden, je was geen probleemkind en het feit dat jouw moeder haar daad op jou afschuift, zegt meer over haar dan over jou.’

‘Ik draag wel haar genen.’

‘Nature-Nurture gewauwel. Ik geloof in dat laatste maar dat is voornamelijk omdat ik het te simpel vind dat mensen hun slechte daden afwimpelen vanwege het feit dat vaderlief dronk, dus dan drink ik ook maar.’

‘Voorbeeldgedrag.’

‘In zeker mate wel. Maar je hebt ook een stel hersens dat je kunt gebruiken. Als je daar te lui voor bent, prevaleert de nature kant omdat nurture te veel inspanning kost.’ 

De kerkklok sloeg het halve uur. Ze keek langs Jasmijn heen naar de keukenklok. Het was half acht. 

‘Zal ik een patatje halen? Ik begin namelijk trek te krijgen.’

‘Prima. Moet je trouwens niet richting België vertrekken?’

‘Jij en dat België van je. Morgenochtend is vroeg genoeg.’

‘Haalt Tillie dat wel in die rammelkast van haar?’

‘Ik denk dat jij me beter kunt brengen. Bamihapje?’

‘Waarom ik?’

‘Je vindt ze toch lekker?’

‘Pardon?’

‘Bamihapjes.’

‘Nee, ik bedoel: waarom moet ik jou brengen?’

‘Het is geen heilig moeten maar een verzoek.’

‘Je hebt het over België, toch?’

‘Uh-huh.’ Lotte pakte de kaarthouder met haar bankpasjes van tafel af en stak het in haar broekzak.

‘Tillie rijdt jou toch altijd?’

‘Rijdt als in reed.’

‘Reed?’

‘Reed met een d.’

‘Dat zei ik. Dat klinkt als verleden tijd.’

‘Dat is ze ook.’

Na deze reactie zuchtte Jasmijn diep en zei toen de lange luchtstroom aan haar lippen was ontsnapt:

‘Wat dacht je ervan om een secondje te nemen en mijn al overlopende hoofd niet voller te proppen met supposities en suggesties?’

‘Supposities op de vrijdagavond? Wat een duur woord.’ 

Ze ging op de voetenbank zitten en trok haar basketballers aan, onderwijl zeggend: 

‘Tillie heeft mijn vrouw te vaak te kakken gezet. Ik heb haar al eerder gewaarschuwd dat ik daar niet van gediend ben. Ze deed het weer en dan is het sayonara bij mij, auf wiedersehen en ciao not so bella.’

‘Je hebt haar het huis uitgestuurd?’, vroeg Jasmijn voor de zekerheid.

‘En de vriendschap verbroken.’

‘Maar ze is jouw beste vriendin?’

‘Dat was ze voordat ik jou ontmoette. Maar een vriendin, en zeker een beste vriendin, is blij voor haar eigen beste vriendin als deze de ware liefde ontmoet. Bij Tillie was het niets dan jaloezie en verkapte ergernis. Ik heb dit te lang aangezien en uiteindelijk besloten dat onze wegen zich vandaag gingen scheiden. Daarom heb ik morgen een lift naar Antwerpen nodig. Ik kan ook met de trein gaan, maar ik dacht een weekendje met mijn liefste lief naar het koninklijke België kan nooit kwaad.’

‘Hebben we een goed hotel?’

‘Met sauna.’

‘Wheei!’

‘Aangezien het België is, zullen we maar een badpak meenemen.’ 

Ze vertrok naar de frieterie.

Jasmijn maakte twee drankjes klaar en ging het balkon op. Hoewel de zon al bijna was verdwenen, waar het vier weken geleden nog tot half tien boven de horizon hing, was de buitenlucht warm en aangenaam. 

Het was druk in het dorp. Gepraat en gelach van de mensen drong tot haar door. Ze ging zitten en zette haar voeten tegen de reling, blij dat de wereld om haar heen door ging. Zo hoorde het ook in het leven.

 

     Later die avond hingen ze lui onderuit in de stoelen op het balkon. Lotte had een plaidje omgeslagen. Nu de avond in al haar glorie was ingevallen, was het toch frisser geworden. Ze keek naar het profiel van de vrouw naast haar, verlicht door het schijnsel van de maan, en glimlachte vertederd. Ze hield van dit profiel, van deze vrouw, van de manier waarop zij het leven zag en hoe zij over alle tegenslagen heen kon stappen, en hoopte dat het gesprek dat zij met Marie had gehad haar rust zou brengen. Het deed haar goed te zien dat de blik in Jasmijn’s ogen zacht was. Er was een last van de schouders gevallen; schouders die veertig jaar lang een onzichtbare juk hadden meegesjouwd. Een juk die door toedoen van Jasmijn’s eigen moeder daar was geplaatst. Ze vroeg zich af wat voor onmens haar eigen kind opzadelt met een daad die zij zelf had gepleegd. Want daar was iets waarvan zij was overtuigd: Jasmijn zou nooit tot zoiets in staat zijn, iemand ombrengen. Niet met voorbedachte rade noch in een opwelling. Zij kende deze vrouw beter dan wie dan ook, zelfs beter dan Jasmijn zelf. Ook de lui in Maaiborg kenden haar niet, louter een versie van een Jasmijn die ze toentertijd bereid was te tonen.

Ze sloeg de ogen neer toen Jasmijn plots omkeek, ineens verlegen onder die intense donkere blik die haar gedachten leken te raden. Ze pakte haar hand en kuste deze.

‘Lekker, he’, zei ze. 

Jasmijn knikte, bleef haar hand vasthouden en mompelde tevreden:

‘Heerlijk.’

‘Verder nog wensen?’

‘Op wat voor gebied?’

‘Zomaar.’

‘Oh. Dan is het plasticfolie dat strak langs de kartelrand afscheurt en stevig vast blijft zitten als je het om een schaaltje doet.’

‘Ik had het over wensen’, herhaalde Lotte lachend, ‘niet een utopisch genoegen.’

De DJ in het restaurant had de juiste ritme gevonden. De muziek was luid en vrolijk, de mensen dronken en dansten. 

Het vrijdagavond leven was begonnen.

*