Lange schaduwen in het gele gras
“Lange schaduwen in het gele gras” is een roman uit 2025. Iedereen neemt iets uit het verleden mee, zelfs degenen die beweren dat zij in het heden leven, niet in de toekomst, en niet terugkijken naar het verleden. Daarbij slaat men voor het gemak over, dat het verleden van jou de mens heeft gemaakt die je in het heden bent en die jij meeneemt naar de toekomst.
Het verleden blijft als een schaduw aan jou plakken, hoe hoog je ook springt, hoe je ook door de nacht sluipt: de schaduw die met het passeren van jaren groeit, is altijd bij je.
Lange schaduwen in het gele gras is onderhevig aan copyright. ©Y Janssens
Lange schaduwen in het gele gras
4. Corrie
Corrie zat achter de balie van het hotel en keek op het beeldscherm of er meer klanten waren die vandaag uitcheckten. Een Duits stel had zojuist afscheid genomen en beloofde later in het jaar terug te komen. Hoewel ze vriendelijk teruglachte, bleef het haar om het even. Dit was iets dat veel klanten zeiden. De meesten van hen zag ze nooit weer terug.
Ze had Cor niet meer gezien. Bij het wakker worden, was zijn plek in bed leeg en koud. Ze had met haar hand aan zijn kant van het matras gevoeld om hier zeker van te zijn. Vermoedelijk liep hij zijn rondje door de straten, iets dat het regelmatig deed voordat hij naar het werk ging. Door de jaren heen was dit zijn manier geworden om ontspannen aan de dag te beginnen. Althans, dat was zijn excuus. Ze wist dat hij Matja, hun spaniël, nog steeds miste. Zo’n rondje om het blok voordat de werkdag begon, gaf hem het gevoel dat Matja er nog was en ergens rondscharrelde in de bosjes, ruikend aan de pies van andere honden om bij te blijven met wat er in het leven van zijn viervoetige buurtgenoten aan de hand was.
Corrie maakte een stapeltje boterhammetjes voor hem klaar en stopte deze in zijn trommel. Dit was iets dat zij al van het begin van hun samenzijn deed, een klein gebaar om te tonen dat zij hem waardeerde. Zelfs als ze ruzie hadden gehad, maakte ze zijn lunch klaar. Ze moesten niet met ruzie uiteen gaan. Je wist maar nooit wat er op een dag kon gebeuren.
Met een koffie in de hand keek ze of er voldoende pads waren voor een mok voor hem. In het weekend moesten ze maar weer eens boodschappen doen, brood en koffiepads halen. En melk. Zelf nam ze geen lunch mee; ze at tussen de middag in het restaurant van het hotel.
Vijf jaar geleden solliciteerde zij op deze baan. De jongens waren de deur uit en buiten zijn werk om had Cor zijn eigen bezigheden. Ze miste het gezelschap en vooral het geroddeld van het bouwbedrijf waar zij jarenlang had gewerkt, tot vlak voor haar eerste zwangerschap. De kinderen hadden het gemis aan gezelschap goeddeels weggehaald en ook haar ouders kwamen regelmatig langs om de gaten te vullen. Zo bleef ze op de hoogte van wat er buiten het huis gaande was.
Haar schoonmoeder, Cor’s moeder, kwam in die tijd soms nog op bezoek. Haar schoonvader was overleden vlak nadat zij en Cor in het huwelijk waren getreden. Hij had nog wel de receptie meegemaakt en er goed uit gezien. Naderhand hierover nadenkend, vond ze toch dat hij er minder goed uitzag dan normaal, een beetje flets, maar dat kon ook zijn omdat nu de wetenschap meespeelde dat die man toen al ziek was.
De jongens waren nog kinderen toen haar eigen moeder overleed. Niet veel later volgde haar vader. Het was een ongelukkige tijd. Ze herinnerde zich nog dat haar schoonmoeder alsook Floor op de begrafenis van haar moeder aanwezig waren. Op die van haar vader was alleen Cor’s moeder er. Floor bemoeide zich toen al niet meer met de familie. Dit maakte die ongelukkige periode alleen maar vreemder, maar dan was Floor altijd de vreemde eend in de bijt geweest. Ze zat altijd met haar hoofd in de boeken, schreef dingetjes op stukjes papier die ze dan in haar sokken verstopte waardoor deze de eruit zagen alsof er iets mis was met haar enkels. Dat ze later zo’n veelgelezen schijfster is geworden, moest in die tijd zijn ontstaan.
‘Kan ik u helpen?’, vroeg ze toen een vrouw en een man door de schuifdeuren naar de balie liepen.
Ze hadden geen koffers bij zich dus zouden geen lang verblijf willen. Vast een stel waarvan de respectievelijke echtgenoten niet van dit clandestiene samenzijn op de hoogte waren maar misschien wel een lichtelijk vermoeden van hadden.
‘Corrie van Velzen?’, vroeg de vrouw, die in éen oogopslag haar opgespelde naam had gelezen. ‘Kan ik u spreken, privé?’
‘Uhm, mijn collega...’, begon ze, om zich heen kijkend. ‘Waarover gaat het eigenlijk?’
De vrouw tegenover haar bleef zwijgen. Pas toen deze een andere vrouw opmerkte die hetzelfde gekleed was als Corrie, hield ze haar aan en zei dat zij een moment de plek van haar collega moest innemen.
‘Maar ik...’, begon de jonge vrouw, zag de donkere blik in Lianne’s ogen en nam een scherpe bocht naar de balie.
‘Ga maar’, zei ze tegen Corrie, en gaf haar een bemoedigend tikje tegen de bovenarm.
Jamareon sloot de deur van de kamer achter de balie. Er stonden dozen tegen de wand. Een paar lades van een kast waren half open, en op een tafel dat als bureau diende, lag papier en opengeslagen folders. Als men hem gezegd had dat het een inbraak betrof, had hij dit zonder een moment van twijfel aangenomen.
‘Gaat u zitten’, zei Lianne tegen Corrie die bleef staan.
De rechercheur wachtte een paar seconden voordat ze haar penning toonde.
‘Rechercheurs Boorman en Singh.’
‘Is éen van mijn kinderen in de problemen gekomen?’, was het eerste dat Corrie eruit flapte.
‘Nee, niet dat ik weet. Het spijt me dat wij u moeten meedelen, dat uw man vanmorgen in de kelder van uw flat dood is aangetroffen.’
‘Cor?’
Ze schudde het hoofd, dacht na, schudde nogmaals, feller nu.
‘Nee. Nee, dat kan niet. Het moet iemand anders zijn.’
Ze kon dit niet geloven, wilde dit niet geloven. Ze had broodjes voor hem gemaakt zoals ze al dertig jaar deed. Die moest hij nog opeten voor de lunch. Hij zou nu op zijn werk zijn, proberen de koffiepauze te rekken door langzame slokjes uit zijn kartonnen bekertje te nemen.
‘De buurman die hem vond, heeft hem geïdentificeerd. Het spijt ons van uw verlies.’
‘Ik geloof er niets van.’
Ze plofte in een stoel. Ondanks haar eigen woorden, schimmerde het ergens in haar achterhoofd het beeld dat Cor in de kelder was overleden, gevonden door een buurman. Dat was toch wat die rechercheur zojuist vertelde? Welke buurman? Die man kon zich vergist hebben. Per slot van rekening woonden zij er nog maar een paar maanden en hielden zich niet zo op met de buren. Hoe kon die man nou weten wie Cor was.
‘Was het zijn hart?’, vroeg ze toen zonder te weten waarom.
Het was iets dat iemand zei als er een bekende dood was aangetroffen: was het zijn hart.
‘Uw man is omgebracht.’
Lianne ging tegenover haar zitten en zei:
‘Het spijt me u hiermee te overvallen, maar toch zou ik u een paar vragen willen stellen.’
‘Cor is overleden?’
Nogmaals schudde ze het hoofd. Dit kon gewoonweg niet waar zijn.
Aan de andere kant van de tafel wachtte Lianne totdat de twijfel uit het gezicht voor haar verdween en ruimte maakte tot luisteren, en vroeg:
’Weet u of er iemand is waarmee Cor moeilijkheden had?’
‘Omgebracht?’
Corrie’s hersens draaiden haar gedachtenfilm in slowmotion af.
‘Wie zou Cor willen ombrengen?’
Ze was dus nog niet zo ver als Lianne verwachtte, maar haar uitspraak beantwoordde haar vraag enigermate.
‘Is er iets gebeurd de afgelopen dagen, afgelopen week, dat iemand getriggerd kan hebben tot deze daad over te gaan?’
Ze probeerde dezelfde vraag in een andere vorm.
‘Omgebracht? Maar hoe dan? Wat is er gebeurd?’
‘Uw man is omgebracht door een scherp voorwerp.’
‘Zoals een mes ofzo?’
‘Dat zijn we nog aan het onderzoeken. Kunt u zich bedenken of er de afgelopen dagen iets gebeurd is met Cor dat een mogelijke verklaring voor deze daad kan zijn?’
‘Nee.’
Corrie liet haar kin in haar handen zakken. Haar neus kwam net boven haar gesloten vingers uit. Diep nadenkend schudde ze langzaam haar hoofd.
‘Nee. Het was eerder andersom.’
‘Hoe bedoelt u dat?’
Na deze vraag wierp Lianne een snelle blik naar Jamareon.
‘Zijn jongste zus is overleden’, begon ze haar uitleg, ‘en gisteren is het testament voorgelezen. Cor kon zijn zus niet luchten of zien en nu hij ook nog eens door haar voor paal is gezet... Sorry als ik onsamenhangend ben, maar...’
‘Ik begrijp het. Voor paal gezet, zei u?’
‘Ja. Die zus liet door de notaris aan alle familieleden enveloppen uitdelen, alleen zat er niets in die enveloppen. En daar was Cor boos over.’
‘Aha. Maar niemand anders dan die overleden zus waarmee Cor op slechte voet stond.’
‘Nee, hoor. Akkefietjes op zijn werk, maar dat is alles.’
Ze richtte haar blik op Lianne en keek haar strak aan.
‘Ik wil naar mijn man toe. Hij heeft me nodig.’
‘We kunnen u naar huis rijden.’
‘Ik heb m’n auto hier.’
Ze stond op, mompelde dat Cor haar nodig had, maar was in de war welke kant ze uit moest.
‘Kan ik iemand helpen?’
De man die zijn hoofd om de hoek van de deur stak, keek van de éen naar de ander.
‘U bent?’, vroeg Lianne hem.
‘Elbert Hannes, de manager.’
‘Lianne Boorman, rechercheur, en m’n collega rechercheur Singh.’
‘Is er iets gebeurd?’, vroeg Elbert bezorgd.
Het hotel mocht niet een slechte naam krijgen, want dit zou allemaal op zijn bordje terecht komen.
‘De man van Corrie is overleden. Wij begeleiden haar nu naar huis.’
‘De man van Corrie is overleden?’, herhaalde hij. ‘Ach, Corrie, wat is dat nou?’
Ze deed haar armen omhoog in een hopeloos gebaar omdat ook zij niet wist wat er in vredesnaam aan de hand was, en liep gedwee met Lianne mee de achterkamer uit. De manager liep met hen mee en lachte naar het stel met kinderen van kamer 306 alsof het de gewoonste zaak van de wereld was, dat een verdwaasde medewerkster van het hotel door een andere vrouw de deur uit begeleid werd.
Op weg naar de parkeerplaats zei Lianne dat zij met Corrie in de officiële wagen zou vertrekken en Jamareon met Corrie’s auto achter hen aan kon rijden.
Onderweg naar huis belde Corrie haar zoons. Bobby beloofde meteen naar haar toe te komen. Bij Adriaan kreeg ze louter de voicemail te pakken, wilde iets inspreken maar drukte de telefoon uit. Buiten dit om verliep de rit naar de flat zwijgend. Pas op de parkeerplaats, zei ze:
‘Waar is Cor gevonden?’
‘Beneden bij de kelderbox.’
‘Ik wil het zien.’
Ze liep achter Lianne aan naar de deur en gaf haar de sleutel. Voorlangs glippend ging zij als eerste de gang in. Vlak bij de deur naar de kelderbox bleef ze staan en tuurde naar de vloer. Zelfs in dit vale licht was de donkere vlek op de grond duidelijk zichtbaar. Over haar schouder heen keek ze naar Lianne, die knikte. Dat was het moment waarop ze met een schreeuw in elkaar zakte. Lianne wenkte Jamareon naderbij en tussen hen in hielpen ze haar overeind. Terug schuifelend door de te smalle gang, gingen ze de kelder uit en drukte op de liftknop. Lianne had nog steeds de sleutelbos, opende de deur en liet Corrie samen met Jamareon voorgaan.
In huis leidde hij de huilende vrouw naar de bank. Terug in de vertrouwde omgeving, kwam ze weer een beetje bij zinnen. Met een verdwaasde blik keek ze om zich heen en schoof naar de andere kant van de bank. Waar ze was neergezet, was de plek van Cor.
Lianne haalde een glas water uit de keuken en zette dit voor haar neer.
‘We zouden ook graag Cor’s telefoon willen bekijken’, zei ze, ‘om te zien met wie hij recent contact heeft gehad. Het is mogelijk dat de dader daar tussen zit.’
Na Corrie’s knik, vervolgde ze:
‘Kunnen wij ook tussen Cor’s persoonlijke spullen kijken? Of een kamer waarin hij werkte...’
‘Hij was altijd beneden in de kelder bezig’, zei Corrie tussen twee slokken door.
Ze zette het glas terug en pakte de sleutelbos van de tafel af, er eentje uitpikkend.
‘Ik hoop dat u er wat aan heeft.’
Lianne overhandigde de sleutel aan Jamareon die naar de voordeur liep juist toen eraan gerommeld werd. Een jongeman in een slecht zittend pak en sluik donker haar keek hem aan toen hij de deur opende.
‘Kan ik helpen?’
‘Ik wil naar m’n moeder toe.’
‘Bobby van Velzen?’
De jongeman knikte en probeerde zich langs het brede lichaam van de politie functionaris te wurmen. Jamareon maakte plaats en keek hem na, ging toen de galerij op en door naar de kelderbox.
Bij het horen van haar zoon, stond Corrie op en voelde dat ze in zijn armen werd opgenomen. Dit was iemand van haar, iemand die bij haar hoorde, iemand die ze vertrouwde en bij wie ze warmte zocht en ontving.
‘Gaat het een beetje, ma?’, vroeg hij zacht en voelde een bevestigde knik tegen zijn gestreepte overhemd. ‘Wat is er gebeurd?’
Langs zijn moeder heen keek hij naar Lianne en stelde haar dezelfde vraag.
Ze vertelde hem de korte versie van het verhaal en vroeg daarna ook hem of hij iemand wist te bedenken met wie zijn vader problemen had.
‘Nee, totaal niet’, zei hij. ‘Mijn vader was een goedzak, werkelijk waar. Hij had een bekkie bij zich, maar dat was gewoon een beetje bluf. Hij had geen vijanden, tenminste, niet dat ik weet. Alleen mijn jongste tante. Maar met die had hij niks meer te maken. Dat is een hoop oud zeer waar ik me niet mee bemoei.’
‘De tante die is overleden?’
‘Ja. Ik heb haar niet gekend. Ze hadden al mot toen ik nog niet geboren was.’
Met een diepe zucht ging hij naast zijn moeder zitten.
‘Verder was er niemand waarmee pa op slechte voet stond.’
‘Hoe zit het met de andere broers en zussen van jouw vader?’
‘Pa had nog twee andere broers en een zus. Die gaan allemaal goed met elkaar om, op die ene zus na dan, die ene die dood is.’
‘Waarom hadden ze ruzie?’
‘Ach, pfff.’
Hij trok de schouders op. Hij had zich er nooit mee bemoeid en ving louter tijdens familiefeestjes hier en daar een snippertje op. Meer had hij niet.
‘Mensen maken ruzie om niks en dat escaleert’, zei hij. ‘Ik heb me er nooit mee bezig gehouden. Die tante bestond gewoon niet voor mij en met de rest gingen we wel om.’
Lianne begreep dat Bobby geen bron van informatie was. Ze vroeg of hij de gegevens van de andere familieleden kon opschrijven.
‘’t Is omdat die ene tante overleden is, want anders zou zij degene zijn die mijn pa heeft omgebracht’, merkte hij op.
‘Gelukkig nemen doden geen wraak’, zei ze, waarna ze vroeg: ‘Waar was jij gisteravond tussen acht en twaalf?’
Hij keek op van zijn schrijfwerk. In plaats van te antwoorden, vroeg hij verrast:
‘Ben ik verdacht van de moord op m’n eigen vader?’
Als ik een eurootje kreeg voor elke keer dat ik deze reactie heb gekregen, had ik al een paar jaar geleden al met pensioen gekund, bedacht Lianne zich.
‘Gewoon de vraag beantwoorden om jezelf uit te sluiten.’
‘Ik was thuis met een vriend van me. We hebben een biertje gedronken en gechild. Na een dag hard werken, heb ik nergens anders meer trek in.’
Hij trok het velletje uit het blok en reikte het aan.
‘Dankjewel. We moeten dit soort vragen stellen’, voegde ze verzachtend toe. ‘Verder moet jouw vader geïdentificeerd worden. Als jouw moeder hier niet toe in staat is, zou ik graag willen dat jij dit doet.’
‘Vandaag? Dan vanavond pas. Ik laat m’n moeder niet alleen.’
‘Schrijf ook jouw gegevens hierop’, ze gaf het papiertje terug, ‘dan stuur ik je een berichtje wanneer het kan.’
Een paar minuten later liep ze naar beneden, de mobiel van Cor in haar zak. Bij de buitendeur wachtte Jamareon haar op. Gezamenlijk gingen ze de parkeerplaats over naar de auto.
‘Het is altijd lastig, dit soort dingen’, zei ze.
‘Hoort bij het vak’, was zijn eenvoudige conclusie.
‘Rij jij maar; ik moet nadenken.’
‘Over de man die geen vijanden heeft behalve zijn overleden zusje?’
‘Mmh, nee, over mijn pensioen.’
*
5. Vita
Vita zat aan een tafeltje in de ongezellige drukke ruimte van de snackbar op de hoek naast de bibliotheek. Met een stralende blik keek ze naar de vrouw tegenover haar. Het was de collega met het blond-grijsharige nonchalant geknipte korte kapsel, degene die Floor niet was vergeten te noemen in haar testament.
De snackbar was een plek waar ze regelmatig hun lunch namen, een broodje met iets en een Fanta, zittend aan een bijna schoon te noemen tafeltje waarvan het blad aan de rand afbladderde.
‘Floor heeft mij het huis nagelaten.’
Vita’s verhaal was een minutieuze uiteenzetting van de halve dag die zij in het advocatenkantoor had doorgebracht. Mischa, het object van haar verliefdheid, had tijdens het relaas twee keer heimelijk op haar telefoon gekeken naar de tijd. Haar broodje was half op en een lauw beetje Fanta rustte in het kartonnen bekertje.
‘Dat had ik niet verwacht’, vervolgde Vita, ‘maar ze wist hoe gek ik op dat huis ben. Toch wel aardig dat ze dit zo heeft gedaan.’
Ze probeerde Mischa’s blik te vangen. Een momentlang lukte dit haar voordat Mischa weer naar het beetje Fanta tuurde. Ze besloot het drinken te laten voor wat het was.
‘We zouden daar kunnen gaan wonen, als alles een beetje in de vergetelheid is geraakt.’
Vita’s plotse voorstel zorgde ervoor dat Mischa haar nu wel lang aankeek. Uit haar blik sprak twijfel. Ze verlangde naar een sigaret maar je mocht nergens meer roken, zelfs niet in een twijfelachtig etablissement als dit.
‘Lijkt je dat niet leuk?’
Vita’s woorden deden haar nog meer naar een sigaret verlangen. Ze wikkelde het half gegeten broodje in een servetje en liep hiermee naar buiten. Ze zocht een bankje uit en ging zitten waar geen takjes en vogelpoep lagen, in de schaduw van de boom. Vita volgde haar, streek eerst een hand over de zitting voordat ze naast haar plaats nam.
‘Je bent er niet enthousiast over?’, begon ze, aarzelend nu ze zo weinig respons kreeg.
‘Hoe moet ik ’t zeggen...’, begon Mischa na een lange pauze.
Ze draaide zich half naar haar toe en vervolgde:
‘Het is zo dat ik me enorm schuldig voel. Neuh, misschien is schuldig niet het goede woord. Gêne, bedoel ik: ik voel een hoge mate gêne vanwege het feit dat jouw partner is overleden en jij dit als een win-win situatie ziet. Je kunt me niet wijsmaken dat je nooit iets gedeeld hebt met haar, nooit iets voor haar hebt gevoeld.’
‘Tuurlijk heb ik dat. Natuurlijk, ja. Maar dat is lang geleden.’
‘Waarom ben je dan al die tijd bij haar gebleven?’
‘Ja, nou ja… Je denkt altijd dat het misschien ooit weer eens beter wordt. Toch?’
‘Ook toen je mij al had ontmoet?’
Vita dacht te lang na over deze vraag. Mischa trok haar eigen conclusie hieruit en zei:
‘Of vond je het wel lekker om een vrouw te hebben bij wie je je geen zorgen hoefde te maken om geld, die jou meenam naar allerlei landen waar je in hotels kon lummelen zonder verder een hand uit te hoeven steken?’
‘Nou, nee, dat was het niet.’
‘En van wie je nu een huis gekregen hebt zonder er iets voor te hoeven doen?’
‘Nee. Nee, ik kan niet zeggen dat… Nee, tuurlijk niet.’
‘En nu een eerlijk antwoord...’
Na een aarzeling bedacht Vita zich dat het beter was open kaart te spelen. Ze moest haar leven met Mischa niet met een uitvlucht beginnen, een lulkoek verhaal waarvan ze later spijt kon krijgen, en zei:
‘Goed. Ik geef het toe. Je moet weten dat ik heel m’n leven gewerkt heb en dat luizenleventje dat Floor mij aanbood, mij heel aantrekkelijk in de oren klonk. Ik zal dat niet ontkennen. Maar op een gegeven moment was, wat het ook was dat tussen ons speelde, dat was op en ontmoette ik jou. Ik wist meteen dat ik jou in m’n leven wilde hebben.’
De leverancier van de snackbar liep met een rammelende kar met kratten achterlangs voorbij. Het getingel van de flessen en het gepiep van de wieltjes passeerde tergend langzaam. Eenmaal de hoek om nam het rammelde geluid af.
‘Lieve schat’, zei Mischa, ‘we kennen elkaar zo’n anderhalf jaar en pas nu kom je er achter dat je jouw leven met mij wilt delen?’
‘Ik heb het altijd al gezegd.’
‘Je hebt het eerder gezegd, dat is zeker. Maar zolang Floor er was, zolang je met haar was en van alle gemakken voorzien, verdomde je het om dat leventje met haar achter je te laten.’
Mischa stak eindelijk de lang verwachtte sigaret op. Hoewel de situatie geen aangename was, genoot ze ervan. Het was verwonderlijk hoe een klein beetje tabak zo’n goed gevoel in haar teweeg bracht.
‘Ook voor mij kon je dat niet opbrengen’, zei ze, met elk woord een pufje rook de vrije lucht gevend. ‘En daar heb ik moeite mee. Dat bedoel ik als ik zeg dat daardoor mijn gêne gevoel heel hoog zit.’
‘Dat snap ik nou niet’, zei Vita prompt.
‘Even voor de duidelijkheid: ik geneer me niet. Het is een gêne die ik naar jou toe voel.’
‘Nogmaals?’
‘Werkelijk, Viet: als je dit niet snapt, als je niet begrijpt waarom ik me voor jou geneer omdat je zo makkelijk over alles heen stapt, dan is het beter dat we niet meer met elkaar omgaan.’
‘Wat?’, riep Vita uit. ‘Maar ik zei toch net dat je bij mij kunt intrekken?’
‘En?’
‘Is daar iets mis mee?’
Uit ergernis liet Mischa een diepe zucht ontsnappen en vroeg vol ongeloof:
‘Begrijp je het nu werkelijk niet, Viet, of hou je je van domme?’
‘Leg het me dan verdomme uit!’
Door haar harde stem keken langslopende mensen naar hen om, benieuwd of dit een verbaal robbertje was. Mocht dit het geval zijn dan gaven de omliggende etalages een goed excuus om te blijven rondhangen om niets van de ruzie te hoeven missen.
‘Niet zo hard’, suste Mischa haar.
‘Dat maak ik zelf wel uit’, snauwde Vita terug, maar zei in een zachtere stem: ‘Je bent zo goddomme vaag over gêne dit en gêne dat en ineens niks meer willen doen terwijl we nu juist onze relatie verder kunnen opbouwen. Ik ben niet de enige die Floor heeft belazerd; jij hebt eraan mee geholpen.’
‘Ho even, dame, nu ga je te ver. Ik heb van meet af aan gezegd dat ik geen sexuele omgang wil hebben met iemand die een partner heeft. Ik wil niet te boek staan als zo’n type, een relatiebreker, iemand die als reservewiel fungeert en ineens belangrijk wordt als je een klapband hebt. In de tijd dat je mij kon tonen iets van zelfrespect in je donder te hebben door van Floor weg te gaan en met mij iets te beginnen, liet je me links liggen. Nu zij is overleden en jij de grande dame kunt uithangen met haar geld, haar geld, vergeet dat niet, lijkt het jou ineens toch wel een goed plan om op een andere manier met mij om te gaan. Als jij hier de ironie niet van inziet...’
Hoofdschuddend liet ze de rest van de zin voor wat het was.
Vita opende haar mond om iets te zeggen maar kreeg er geen geluid uit. Ze wist niet wat zij hier tegenin kon brengen.
Hoe Mischa haar relatie met Floor bestempelde, was een juiste. Dat was een spel van wikken en wegen geweest. Mischa was de vrouw met wie zij verder wilde gaan, maar Floor was degene met geld. Het bibliotheekwezen was geen vetpot en zelfs hun gezamenlijke salarissen zouden haar nooit het leven kunnen geven waar ze de laatste paar jaar aan gewend was geraakt. Het was moeilijk om daarvan afstand te nemen. Nu was deze mogelijkheid er wel. Misschien dat zij niet begreep waar Mischa’s gevoel van gêne door ontstaan was, aan de andere kant begreep Mischa niet hoe makkelijk hun toekomstige leven zou worden.
Juist toen ze deze redenatie onder woorden wilde uitbrengen, stond Mischa op en liep zonder omkijken terug naar de bibliotheek.
Vita keek haar niet na. Het deed zeer haar zo zwijgend te zien verdwijnen. Ze plaatste de ellebogen op haar dijen en stopte haar kin in haar handen. Starend langs de bomen naar de winkel aan de andere kant van het plein, vroeg ze zich af wat ze kon doen om Mischa van haar liefde te overtuigen. Ze kon zich indenken dat het lange wachten, het getwijfel en de onzekerheid bleef hangen en dat dit Mischa dwars zat. Ook de opmerking dat het leven met Floor een luizenleventje was, klopte. Maar had ze dit niet verdiend dan? Vanaf haar achttiende had zij non-stop gewerkt, allerlei baantjes aangenomen die te lullig voor woorden waren om een beetje geld te kunnen verdienen. Geld dat meteen weer opging aan huur, gas en licht, de dagelijkse boodschappen en de onderhoud van haar motor. En toen kwam Floor op haar pad. Ze vonden elkaar leuk, Floor was heel erg flirterig en het was voor haar niet al te moeilijk om na vijfentwintig jaar werken eindelijk iets te kunnen doen wat ze wilde doen. Het jammere was, dat zo snel als ze gingen samenwonen, evenzo snel sputterde hun relatie uit. Met een schrijfster samenzijn was minder spannend dan het van buitenaf leek. Floor zat uren achtereen aan haar computer te schrijven of lag languit op de bank na te denken over de loop van een verhaal, de karakters, de cadans van de conversaties. Dan waren er nog de boeken die er eindeloos op nageslagen werden om kennis te krijgen over het onderwerp van haar nieuwste verhaal. De tijd die er daarna over was, besteedde ze aan reizen naar locaties waar ze gevraagd werd, en aan handtekeningen uitdelen aan adorerende fans.
Ze had nooit vermoed dat Floor het haar kwalijk nam dat ze er een vriendin op na ging houden, nooit verwacht dat zij dit überhaupt doorhad in haar computer-bank-nablader leven.
De klok sloeg het halve uur en haalde Vita uit haar mijmeringen. Terug naar het werk, terug naar de bieb.
Met de annuïteit die Floor haar had nagelaten, was werken onnodig geworden. Maar niet werken hield in Mischa niet meer zien. En ze was niet in staat dit op te geven.
*
6. Harry
‘Mijn vermoeden is juist: deze meneer hier op tafel is doodgebloed door een pijl die zijn maag heeft doorboord.’
Harry wees naar het diepe gat in het lichaam van Cor.
‘Is dat zeker?’, vroeg Lianne hem.
‘Heel zeker. Kijk...’
Hij sloeg een beduimeld boek open en ging naar de juiste pagina.
‘Hier staat de wond die een pijl in het lichaam achter kan laten. Hier is het abdomen.’
Hij hield het plaatje voor haar op.
‘Duidelijk?’, vroeg hij, van haar naar het plaatje kijkend en terug.
‘Jij bent de kenner’, antwoordde ze.
‘Correct.’
Hij sloeg het boek dicht en keek naar de omslag.
‘Dit boek heb ik ooit eens van mijn docent AIOS gehad. Hij wist dat ik het slechte pad zou kiezen.’
‘Wat ik met afvraag, Har: wie doodt iemand met een pijl en boog? Da’s onhandig als de pest.’
‘De pest was ook een goeie moordenaar. Jammer dat ik niet in die tijd leefde.’
‘Volgens jouw leerlingen ben je in die tijd geboren.’
Harry lachte, schoof een stoel achteruit en ging zitten. Zijn lange, slungelachtige lichaam was met het verstrijken der jaren zwaarder geworden en al zijn lengtemeters meezeulen, ging hem minder makkelijk af dan voorheen. Hij haakte zijn voet onder de zitting van de stoel naast hem en trok het naar voren. Lianne nam plaats.
‘Het is tegenwoordig niet meer dat Robin Hood gebeuren, zelfs niet Winnetou, ken je die nog?’
‘De zondagmiddagen aan de tv hangen en naar cobboi films kijken heeft z’n sporen achtergelaten’, gaf ze toe.
‘We zijn van dezelfde generatie’, zei Harry knikkend.
Hij opende een la waarin een doosje lag met mini-chocoladerepen. Ze nam een Bounty. Het was lang geleden dat zij deze had gegeten. Ze moest maar eens meer zaken oplossen waarmee lijken gemoeid waren. Harry’s lades lagen altijd vol met van die lekkere zoetigheid.
‘De pijl en boog die jij voor je ziet, Lie, is een ouderwetse nostalgische variant van wat er tegenwoordig in omloop is. De onfortuinlijke meneer heeft door de pijl van een kruisboog zijn einde gevonden.’
‘Een kruifboof... Sorry. Die plakrand van chocola trekt m’n plaatje omlaag.’
Ze stopte haar duim in de mond om alles weer strak te krijgen.
‘Een kruisboog moet je in elkaar schroeven, zoveel weet ik er wel van’, vervolgde ze. ‘Hoe doe je dat? Je wilt iemand ombrengen, vraagt die persoon een momentje te wachten zodat jij het wapen waarmee je wilt doden in elkaar kunt zetten, en dan schiet je.’
‘Da’s de oude versie...’
‘Alles is oud aan mij momenteel.’
‘...waarvan hele wandkleden zijn geborduurd. Jij wordt nooit oud, Lie, maar groeit in de tijd.’
‘Poëtisch.’
‘Poëtisch en knap.’
Hij hield beide uitgestrekte handen onder zijn kin en keek haar verleidelijk aan. Lianne grinnikte om zijn gebaar.
‘In de kruisbogen serie “laten we iemand snel en geruisloos ombrengen”’, begon hij zijn uitleg, ‘zijn er tegenwoordig modellen die net zo vlot in de bediening zijn als pistolen. Handzaam met vijf, zeven, zelfs meerdere pijlen, die je achter elkaar kunt schieten. Heb je zo’n apparaat in je knuistjes dan is het een kwestie van patam patam patam, maar dan geruisloos, en het lichaam waarop je richt is na twee seconden een ex-mens.’
‘Is zoiets in omloop dan?’
‘Uh-huh.’
‘Vrijelijk te krijgen?’
‘Uh-huh. Je wordt genoteerd bij de verkoper, zoals ze dat in de VS doen met geweren -en je weet hoeveel dooien daar dagelijks vallen- en het is gebruiksklaar.’
‘Ongelooflijk.’
‘Zo is het. Koffie?’
Zonder op antwoord te wachten, schonk hij twee bekertjes vol en pakte een doos waarin staafjes poedermelk lagen.
‘Je leert nog eens wat als je mij bezoekt.’
‘Je zou denken dat een dader hierdoor makkelijk te onderscheiden is.’
‘Dat zou je’, gaf Harry toe. ‘Maar...’
‘Maar je kunt die dingen zeker ook in het buitenland halen’, vulde Lianne in.
‘Dat was de “maar” die ik wilde toevoegen’, gaf hij toe.
Met zijn vinger roerde hij door de koffie om de melk te verdelen. Het enige aanwezige roerstokje had hij in Lianne’s bekertje gedaan.
‘Dat houdt jou voorlopig weer bezig’, zei hij, zijn vinger schoon likkend.
‘Ik wil de maanden tot aan m’n pensioen rustig uitzitten aan m’n bureau’, zei ze.
‘Leugenaar. Jij gaat dood als je achter een bureau zit en niemand hebt om op te pakken en vast te zetten. Wanneer ben je van plan te stoppen?’
‘Februari volgend jaar.’
Ze nam een slok. Het was lauw maar goed te doen.
‘Jij?’
‘Geen idee nog. Ergens volgend jaar ook. Misschien dat ik wat langer blijf. Het is al zeker dat ik nog een aantal jaar blijf lesgeven. Iemand moet al die emootjes het leuke van het lijken opensnijden bijbrengen.’
‘Zijn het echt allemaal van die emo kinderen die dit willen doen?’
‘Nee, nee hoor. Het is vanalles wat er bij mij binnenkomt. Maar blonde meisjes en jongens gekleed in het zwart hebben de overhand. De meiden vanwege de invloed van al die lachwekkende politie programmas op tv, en de jongens omdat ze kaarsen op de grond willen plaatsen als ze een lijk opensnijden. Pure kul, maar het heeft iets romantisch in hun ogen.’
‘Hopelijk kunnen zij een gat door een pijl van een gat door een kogel onderscheiden.’
‘Als ze van mij les hebben gekregen: ja.’
Lianne dronk haar bekertje leeg en stond op.
‘De familie moet het lichaam nog identificeren’, zei ze. ‘Zeg maar wanneer.’
‘Eind van de middag, als ze dat redden. Daarna kan ie voorlopig de vries in.’
‘Ik geef het door. Bedankt, Har.’
Ze liep naar de deur om naar buiten te gaan maar bleef staan.
‘Wat ik me afvraag: wat ga jij eigenlijk doen als je eenmaal met pensioen bent?’
‘Beetje biljarten, fluitend door een winkelcentrum banjeren, jou komen opzoeken om over Winnetou te praten.’
‘Ik zie je wel verschijnen’, zei ze met een scheef glimlachje dat bleef hangen toen ze over de parkeerplaats liep om naar huis te gaan.
*