Feuilleton

De afgelopen maanden hebben liefhebbers van mijn vertelsels gevraagd waarom ik geen boeken meer uitbreng. Da's heel eenvoudig: dat gedoe van reclame maken, de pers aanschrijven en al het verdere gelazer dat met publicaties gepaard gaat, werd mij te veel. Ik ben een schrijfster die wil schrijven en niet iemand van wie verwacht wordt dat ze er allerlei andere dingen omheen gaat doen. Dat vreet namelijk aan mijn schrijftijd.

Om de lezende mens tegemoet te komen, heb ik besloten om mijn verhalen in feuilletonvorm elke donderdag op deze site te zetten, te beginnen met éen van mijn recentste novellen. Op deze manier kun je ze toch lezen en kan ik verder gaan met wat ik het liefst doe, namelijk schrijven.

Feuilleton Pagina 42, dec 2025

Pagina 42 is een roman die in 2018 is gepubliceerd. Het betreft een fictieve tweedehandsboekwinkel in Alkmaar. Jasmijn werkt daar sinds kort met haar college Haaye, die louter in de boekwinkel werkt zodat hij heel de dag kan lezen, en Marleen, die de boekwinkel een paar jaar eerder heeft overgenomen.

De winkel loopt zoals de meeste panden waarin boeken verkocht worden: moeizaam, totdat Jasmijn voor de deur omver wordt gelopen door een paar mannen die elkaar achterna zitten, en niet op een vriendelijke manier. Wat hierna volgt, zijn inbraken, dreigementen, misverstanden, en een dooie in de gracht. Oh, en veel hilariteit, natuurlijk.

 

Voor de eerste hoofdstukken van Pagina 42, kijk onder de tab Pagina 42. In Feuilleton Pagina 42 worden de nieuwe hoofdstukken geplaatst.

 

Pagina 42

Deel 2

 

47. 

     ‘Goed weekend gehad?’, vroeg Marleen, koffie voor Jasmijn inschenkend.

Ze was nog steeds de nodige informatie van de dag ervoor aan het verwerken en was niet in de stemming om hierover te praten.

‘Uh-huh’, zei ze uiteindelijk. ‘Jij?’

‘Prima.’ Marleen zette koffie naast haar neer. ‘Gistermiddag kwam Quentin langs.’

‘Hoe gaat het met hem?’

‘Een stuk beter.’ 

Ze zette de koffiemok aan haar lippen en bleef stil.

‘Mooi.’

Jasmijn pakte haar mok, draaide het tussen haar vingers om het oortje aan de juiste kant te krijgen en nam een slok.

‘Ik heb definitief besloten om het boek aan de Poolse ambassade te overhandigen’, zei Marleen uiteindelijk.

‘Jij of Quentin?’

‘Wat ik of Quentin?’

‘Die dat heeft besloten.’

‘Samen. Zo is iedereen van het gelazer af. Het kost me verdomme een fortuin om alle deuren te vernieuwen om over het bomvrije hang en sluitwerk maar te zwijgen. En het is allemaal geld dat ik niet heb, dat ik niet aan dit soort gehannes wil uitgeven. Dus om erger te voorkomen, kwamen we gisteren overeen dat we het boek beter kwijt dan rijk kunnen zijn.’

‘Hoe ga je dat doen?’

‘Hoe bedoel je?’

‘Maak je er een mooi doosje van en stuur je het via de pakketpost naar de ambassade of wat?’

‘Ah, zo bedoel je. Quentin gaat het overhandigen’, zei Marleen die meteen een sceptische blik op het gezicht naast haar zag verschijnen. ‘Hij gaat dit regelen met Schimmelpenninck omdat hij niet alleen met dit manuscript over straat wil gaan.’

‘Hij is best verstandig.’

‘Zekers.’

‘Is hij ook te vertrouwen?’

‘Naar mijn mening wel.’

‘Laten we niet vergeten dat dit de man is die jou op jullie eerste afspraak dronken wilde voeren.’

‘Ah, da’s ook waar, maar wel begrijpelijk. We kenden elkaar toen nog niet zo goed en vanzelfsprekend wilde hij meer over het boek te weten komen.’ 

Jasmijn vond dit een slap excuus, maar liet het voor wat het was. 

‘Dit houdt in’, vervolgde Marleen, ‘dat we het boek nodig hebben.’

‘Ik zal het aan het thuisfront doorgeven.’ 

Een telefoon zoemde. Jasmijn voelde aan haar broekzak, maar het was niet de hare. Marleen pakte haar telefoon van het bureau, mompelde dat het Quentin was en beantwoordde het. 

Jasmijn pakte haar mok en liep naar haar werktafel. Er was niets verschoven. Dit was haar eerste handeling geworden zodra ze bij haar eigen plek kwam.

‘Jas...’, riep Marleen van de toonbank vandaan. Ze keek op. ‘Wanneer kun je boek hier naartoe brengen?’

‘Woensdag.’

‘Woensdag’, herhaalde Marleen door de telefoon. Ze luisterde om meteen te vragen: ‘Kan het ook morgen?’

‘Morgen is het toch dinsdag?’, riep ze vragend terug.

‘Uh-huh.’

‘Ik hoorde mezelf woensdag zeggen.’ 

Ze ging zitten, zette de computer aan en sloeg het indexboek open. Quentin mocht zichzelf dan opwerpen als de ridder op het niet al te witte paard; zij was in elk geval niet van plan om aan zijn spelletje mee te doen. Anders dan Marleen zette zij vraagtekens bij zijn vriendelijkheid. Marleen vertrouwde mensen te snel op hun mooie ogen waardoor het haar ontging wat zij met hun handen deden.

Marleen liep naar achteren en ging naast haar tafel zitten. Met haar elleboog steunend op het blad, een boek van Daphne de Maurier eronder (las iemand die tegenwoordig nog? vroeg ze zich af), keek ze naar Jasmijn.

‘Doe ik er goed aan?’, vroeg ze.

‘Als je bedoelt het manuscript aan de ambassade geven dan is mijn reactie bevestigend’, antwoordde Jasmijn.

‘Wat zou ik anders bedoelen?’

‘Als je jouw omgang met Quentin bedoelt -en ik zeg er vantevoren bij, dat dit mij eigenlijk totaal niets aangaat, zou ik je willen verzoeken veel meer zout te strooien op alles wat hij zegt.’

‘Het is een aardige man.’

‘Sonia was ook aardig’, herinnerde ze haar eraan.

‘Ja, da’s waar.’ 

Marleen zuchtte en keek opzij naar Jasmijn die haar met een donkere blik beantwoordde. 

‘Heb ik nu werkelijk zo’n slechte mensenkennis of zijn de mensen gewoon gewiekster geworden, Jas?’

‘De mens is altijd een gewiekst ondier geweest en altijd leugenachtig, maar met een greintje fatsoen om dat leugenachtige te onderdrukken. Sinds er in Amerika een kloothommel met het scepter zwaait en liegt alsof het gedrukt staat, zijn de labielen onder ons van mening dat het nu legitiem is om te liegen. En ik kan ze dat niet kwalijk nemen. Het laatste beetje fatsoen is doodgetrapt door de aangroeiende horde onnozelen.’

‘Ik was na die verkiezingen in Amerika even bang, dat die trend zich hier zou doorzetten’, merkte Marleen op. 

Jasmijn lachte kort en zei:

‘Wat geeft je het gevoel dat dit niet zo is? Als je het zooitje ziet dat bij ons in de regering zit.’

‘Op wie heb jij gestemd?’

‘Ik ga nooit stemmen.’

‘Dus...’

‘Yep, dus ik ben degene die verantwoordelijk is voor dat zooitje in de regering’, vulde Jasmijn zelf aan. ‘Niet de mensen die daadwerkelijk op die lui hebben gestemd, maar degene die zich van de stem heeft onthouden omdat er niemand is die hun stem verdient, is daar verantwoordelijk voor. Althans, volgens de goegemeente. Mij best; ik heb me nooit geen ene lor aangetrokken wat anderen van me vinden en ben niet van plan daar nu mee te beginnen.’

‘Het beste is om je nergens druk om te maken.’

‘Dat doe ik dus ook niet.’ 

De screensaver kwam tevoorschijn. Beiden keken naar de gekleurde bandjes die zweverig over het scherm gingen, uiteen spatten en vervangen werden. 

‘Voordat ik het vergeet’, zei Jasmijn toen: ‘Lotte’s nieuwste boek komt in september uit. Vantevoren heeft ze nog wat promotie op een éen of ander tv programma, zal wel bij de vpro zijn, en op de radio. Haar agente heeft een boektour uitgestippeld en Lotte zelf heeft daar jouw winkel voorgeplakt zodat jij de primeur hebt. Als je tenminste nog interesse hebt.’

‘Vanzelfsprekend’, riep Marleen blij verrast uit. ‘Wanneer is dat?’

‘Ik dacht 8 september, maar dat kan ik in de agenda naslaan.’

‘Goh, leuk. En wat lief van haar om hier te beginnen.’

‘Het is ook omdat het hier in de omgeving afspeelt, en dan is een boekwinkel in Alkmaar een perfect beginpunt. Er worden promotieposters gedrukt dus die kunnen we alvast in de etalage hangen. Brengt weer wat geld in het laatje.’

‘Da’s wel nodig ook. Ik ben benieuwd of de winkel het eind van het jaar haalt.’

‘Laten we daar nog maar niet aan denken.’

‘Je hebt gelijk.’ 

Marleen keek om. Meneer Van Zanten kwam binnen en groette de twee om daarna door te lopen naar zijn plek bij de reisboeken. 

‘Maar leuk, Jas. Bedank Lotte van me en geef haar maar een stevige knuffel.’

‘Doe ik.’ 

Marleen kon een glimlach niet onderdrukken, stond op en zette nieuwe koffie voor de heer Van Zanten. Langs de markiezen heen scheen de zon alweer schuin naar binnen. Het zou wederom een warme dag worden.

 

48. 

     Jasmijn leunde achterover, de ellebogen in het zand verborgen. Lotte zat naast haar, de armen om haar opgetrokken benen gevouwen, kin rustend op de knieën.

‘Waar had je het manuscript eigenlijk verstopt, om het zo maar te noemen?’, vroeg Jasmijn. 

De zon hing laag, de horizon was bont gekleurd. De schemering kwam langzaam in zicht.

‘In een locker bij de fitnessclub.’

‘Die achter de Breestraat?’

‘Yep.’

‘Waar al die bendeleden met Harley Davidsons en Hyundais of hoe die krengen ook allemaal mogen heten komen?’

‘Yep.’

‘Is dat niet link?’

‘Zelfs een Schimmelpenninck durft daar geen voet te zetten. Ik had nog een abonnement lopen en vrouwen zien zij niet als bedreiging maar als aanhangsel. Vrouwen van mijn leeftijd zien ze zelfs helemaal niet.’

‘Slimme plek.’ 

Ze nam een slokje bier. Het was lauw geworden door de rustplek in het zand.

‘Toen ik eenmaal doorhad dat dezelfde mensen dezelfde route name als ik, heb ik razendsnel nagedacht wat te doen. Weet je nog, die morgen dat ik het zou opbergen in de bankkluis? Ik zag dat ze bij de ING met de vloer bezig waren en toen er een paar werklui naar buiten liepen, ben ik met hen meegegaan en door geflitst naar de fitnessclub. Niemand zag mij. Via de toko terug de Breestraat in om thuis de post op te halen om een brief te vinden van de overheid die interesse in mijn bankkluis scheen te hebben.’

‘Ik blijf het irritant vinden hoe dit gegaan is.’

‘Ja, inderdaad. Het was toch ook wel leuk om dat hoofd van de Schimmel te zien toen hij niets in mijn kluis vond.’ Lotte grinnikte. ‘Ik heb nog wat whiskey in m’n tas; misschien een scheutje in het bier doen?’ 

Jasmijn hield haar blikje op en ze goot net zolang door totdat het weer vol was. Met een draaiende beweging van haar hand golfde Jasmijn de drankjes door elkaar en nam een slok. 

‘Whoef!’, zei ze meteen. ‘Da’s sterk spul.’

‘Lekker.’

‘Wil je me helpen onthouden dat wanneer we dadelijk thuis zijn ik nog op zolder wil kijken?’

‘Ben je bang dat je dat vergeet?’

‘Met deze mix ben ik blij als ik me nog kan herinneren hoe ik moet adem halen.’

‘Lippen samen persen en blazen.’

‘Wat jij wilt, Slim.’ 

Jasmijn krabbelde moeizaam uit haar luie stand overeind en strekte de benen voor zich uit. Dit waren de beste avonden om aan het strand te wonen. Het was hier rustig zonder stil te zijn. 

‘Oh, meid’, begin Lotte ineens: ‘voordat de dementie helemaal toeslaat: ik ben op het net geweest om een geboorteakte van jou aan te vragen in Maarssen, maar daar ben je niet bekend.’

‘Niet?’

‘Nee.’

‘Merkwaardig.’

‘Precies wat ik dacht. Het kan zijn, dat je in een andere gemeente bent geboren, maar dat is zoeken naar een naald in een hooiberg. Of jouw geboortedatum is niet juist.’

‘Klopt. Eigenlijk ben ik vierentwintig. Het verbaast mij niet: andere naam, andere geboortedatum... Ik hoop alleen dat ik niet ineens van het andere geslacht ben.’

‘Gelukkig niet, want ik heb geen zin om je vanaf nu Bob te moeten noemen. Ik heb pas nog gekeken en je bent nog steeds vrouw, dus daarover hoef je je geen zorgen te maken.’

Met de drank door haar lichaam wervelend, voelde Jasmijn zich minder gespannen dan ze zich de afgelopen tijd had gevoeld. 

‘Wil je dat ik verder zoek?’, vroeg Lotte. ‘Naar jouw verleden, bedoel ik?’

‘Nee, laat maar. Ik heb zelf ook met die gedachte gespeeld, maar nogmaals: laat maar. Ik ben Jasmijn en niet Belletien.’

‘Zeker?’

‘Heel zeker. Het was leuk om fotos van vroeger te zien en zeker leuk, dat er ineens een gebeurtenis te binnen schoot vanuit een tijd die mijn geheugen was kwijtgeraakt, maar laten we het daar bij houden. Op die fotos zie ik niet mezelf, maar een jong meisje waarmee ik geen verbintenis heb.’

‘Okee. En als Marjolein weer contact opneemt?’

‘Ik denk niet dat dat gaat gebeuren. We hebben een leuke middag met elkaar doorgebracht en ik vermoed dat zij er vrede mee heeft, dat ook voor haar dit het was. Per slot van rekening heeft zij een ander leven opgebouwd waarin ik geen plaats heb. Buiten het fotoalbum om hadden we elkaar weinig te vertellen. Het is goed, zo.’

‘Okee’, zei Lotte nogmaals. 

Ze tuurde naar de windmolens veel verderop in de zee, nu nauwelijks nog waar te nemen in het late avondlicht.

‘Waar heb je trouwens het manuscript gelaten?’, vroeg Jasmijn plotseling.

‘Waar ze het minst opgemerkt zal worden.’

‘Da’s een duidelijk antwoord.’ Ze knikte om haar woorden te bevestigen om daarop te zeggen: ‘Hoewel ik er geen idee van hebt, wat je hiermee bedoelt.’

‘Tussen andere boeken in.’

‘Sherlock stijl.’

Ze bleven tot laat op het strand. Pas toen het water dichterbij kroop en ze zich moesten verplaatsen, stonden ze op en liepen onvast naar huis terug.

 

     Om twee uur ’s nachts kroop Lotte het bed uit om een glas water te drinken. Haar strot was droog vanwege de whiskey. Ze dronk anderhalf glas, ging op de bank zitten en pakte haar iPad. Zonder al te veel verwachting ging ze twitter op. Er was een persoonlijk bericht gestuurd. Ze opende het. De conversatie was tot dat moment een korte geweest: op de naam Belletien Quirijns had Marie56 gevraagd: Is dit een smakeloze grap?, en op Lotte’s reactie: Hoe smakeloze grap? was nu het antwoord gekomen: 

“Omdat de BQ die ik ken verdwenen is. Er zijn niet veel BQs”. 

Ze dacht na. Jasmijn had gezegd, dat zij geen verder onderzoek naar haar verleden wilde doen. Zelf wilde zij, echter, de draad van deze beginnende conversatie niet laten verslappen. Het jammere was, dat haar hersens niet op volle toeren werkten op dit uur van de nacht. 

Ze ging naar de koelkast en sneed een stuk kaas van het blok. Al staande at ze dit in de keuken op en wist plots hoe op dit bericht te reageren. Terug bij haar iPad typte ze: 

“Wie is jouw BQ; waar komt zij vandaan?” 

Een aantal minuten lang tuurde ze naar het bericht in de hoop hier een antwoord op te krijgen, had toen door dat het kwart over twee in de nacht was en ging terug naar bed.

 

49. 

     Jasmijn pakte de plakbandhouder uit haar tas en zette deze tussen de stapels boeken in aan de rand van de tafel en stopte het manuscript van Kazimierz Wielki in de middelste la. Ze zou de tafel pas verlaten als het manuscript met Quentin mee de deur uitging. Ondanks zijn wens om dit werk aan het Poolse consulaat te willen overhandigen, zette zij vraagtekens bij zijn goede bedoelingen. Hij was een liefhebber maar vooral kenner van dit soort werken en wist wat de gulle gever ervoor zou neertellen. 

Marleen kwam naar haar tafel met twee mokken koffie.

‘Is Quentin te vertrouwen?’, vroeg Jasmijn.

‘Ik denk het wel.’ 

Marleen nipte haar koffie terwijl zij een bil op de tafel plantte. De koffie was te heet om van te genieten

‘Denk het wel?’, herhaalde Jasmijn.

‘We moeten toch iets, Jas? Misschien moeten we het hierna kenbaar maken, dat het manuscript niet meer in ons bezit is.’

‘Zodat Quentin op zijn flikker krijgt in plaats van wij?’

‘Zo zou je het kunnen stellen.’ Ze lachte. Serieus weer, vervolgde ze: ‘Geef toe, dat dit leven niets voor ons is. Ik voel me niet meer veilig in mijn eigen omgeving, ben klauwen met geld kwijt aan nieuwe deuren en beveiliging, en als dit nog langer doorgaat, kap ik er mee.’ 

Ze schoof een stapeltje boeken opzij en plantte haar andere bil erbij. ‘Ik vermoed dat jij na die escapade in de kelder ook niet zit te trappelen om nog meer sensatie mee te maken.’

‘Nee, zeker niet. Als Quentin met het boek de winkel uitloopt, hangen we posters in de etalage met zijn bekkie erop met pijlen die wijzen welke richting hij is uitgegaan.’

‘Zoiets.’ 

Marleen lachte nogmaals. De wetenschap dat haar boekwinkel binnen niet al te lange tijd weer de rustige omgeving zou zijn waarin zij zich thuis voelde, stemde haar monter. 

‘Ik heb zijn telefoonnummer’, zei ze. ‘Misschien dat we die ook op de posters kunnen zetten.’

‘Goedemorgen, dames.’ 

De man in kwestie kwam Pagina 42 binnen. Hij zag er vrolijk uit. De verwondingen die hij bij de ontmoeting met de Polen had opgelopen, waren maar nauwelijks zichtbaar. 

‘Vandaag is de grote dag.’

‘Hoe gaat het eigenlijk in zijn werk?’, vroeg Jasmijn.

‘Hoe bedoel je?’

‘Als je het manuscript hebt, wat ga je dan doen? Naar Den Haag en aankloppen bij de Poolse ambassade met de mededeling, dat je een presentje voor hen hebt?’

‘Nee. Neenee, zo werkt dat niet, nee. Ik heb, eh, hoeheetie gebeld...’

‘De Sint?’, vroeg ze. ‘Vervroegde pakjesavond voor onze Poolse vrienden?’

‘Nee. Nee, die ehhh Schimmelpenninck -hoe kan ik zo’n naam vergeten- en hij heeft een afspraak met de ambassade gemaakt. We gaan er vandaag naartoe. Ik haal hem bij het politiebureau op.’ Hij keek op zijn horloge. ‘Niet al te lang meer nu. Waar is het boek?’ 

Ze pakte het uit haar la en gaf het hem. Voordat hij het van haar overnam, trok hij handschoenen aan.

‘Sorry, vraagje’, begon ze: ‘Dit werk heeft pakweg zeven eeuwen overleefd, is door vele handen gegaan en heeft ontiegelijk vele oorlogen meegemaakt. En jij gaat het met poezelige handjes aanpakken?’

‘Het zuur in de huid van de mens is een aanslag op oude boeken. Men mag dit voorheen dan met een zeker onbezonnenheid hebben behandeld; ik doe daar niet aan mee.’

‘Het siert je, deze gedachte.’ 

Ze overhandigde hem het boek. Zijn ogen werden zacht van verrukking, bijna teder te noemen, toen hij het in handen had. Hij rook er aan en opende het voorzichtig.

‘Oh, dit is...’, begon hij, maar kon de woorden niet vinden die zijn gevoelens van dat precieze moment omschreven. ‘Ik had nooit verwacht dit ooit in handen te krijgen’, vertrouwde hij de twee toe. ‘Om eerlijk te zijn, heb ik het bestaan ervan in twijfel getrokken. Maar dit, het werk van wat voor mij de belangrijkste man van Polen was... ongelooflijk. En in het Pools, het taal van het volk. Niet Latijn, maar Pools.’ 

Hij keek van de ene vrouw naar de andere. 

‘Weet je wat dit betekent? Dit houdt in, dat deze grote man dit werk voor alle Polen, voor zijn mensen, heeft geschapen. Niet voor geestelijken, voor de elite, maar voor het volk. Is dat niet geweldig?’ 

Hij schoof zijn bril omhoog en depte zijn ogen met de rugkant van een handschoen. Er was geen twijfel aan, dat de ontdekking van dit werk hem in het diepste van zijn ziel raakte. Hij deed zijn bril weer goed op en glimlachte meewarig. 

‘Ik zou dit voor mijzelf willen bewaren, maar helaas is dat niet mogelijk. Elk mens is verplicht om een werk als dit aan de mensen te geven die hier recht op hebben. In dit geval is dat het Poolse volk. Goed’, zei hij. Hij had zichzelf weer in de hand. ‘Ik ga naar Schimmelpenninck en dan door naar de ambassade.’ 

Hij nam een pas van de tafel vandaan, maar Jasmijn’s stem hield hem tegen.

‘Als je effies wacht’, zei ze, ‘doe ik er een papiertje om. Je kunt hiermee niet zo over straat lopen.’ 

Hij haalde een plastic tasje uit zijn zak en hield deze omhoog. Ze schudde het hoofd: 

‘Ongelooflijk: mijn handen mogen het boek niet onbedekt aanraken, maar een tasje waarin gisteren nog een pond uien zat en een halfje knipwit is wel goed genoeg.’ 

Hij begreep wat zij bedoelde. Met veel weerzin gaf hij het boek terug. 

‘Koffie?’, vroeg Marleen aan beiden.

‘Ik heb nog’, antwoordde Jasmijn.

‘Nee, dank je’, zei Quentin. 

Hij hield nauwlettend in de gaten wat de vrouw aan de andere kant van de tafel deed. Nu hij het boek had, zou hij het geen seconde meer uit zijn gezichtsveld laten. 

Jasmijn pakte een vel bruin pakpapier uit de rechter la van haar tafel, legde het manuscript erop, keek of het vel groot genoeg was en begon met inpakken. Ze plakte de lange kant dicht, sloeg de punt aan de bovenkant om en plakte ook deze dicht. Hierna vouwde ze de driehoek aan de onderkant om. Ze reikte naar de plakbandhouder en stootte met haar hand ertegen. Het schoof van tafel af. Quentin greep er naar maar kon de houder er niet van weerhouden op de grond te vallen en twee slagen over de kop onder de tafel te rollen. Met een zucht bukte hij om het op te pakken, voelde zijn blik twee tellen lang naar de fel gekleurde boots gaan die onder de strakke pijpen van Jasmijn’s broek vandaan staken, en kwam terug omhoog om de plakbandhouder op tafel neer te zetten. Jasmijn had gewacht met dat ene driehoekje omgevouwen papier. Ze gaf hem een dankbaar knikje, scheurde een stukje plakband af en zette de laatste driehoek vast. Voordat ze het pakje aan hem gaf, controleerde ze of alles goed zat.

‘Nu mag het in je tas’, zei ze. 

‘Dank je.’ 

Hij had haar verder niets meer te zeggen. Na een glimlach als afscheid, liep hij langs Marleen, zei haar dat zij hem kon bellen om te weten hoe het was afgelopen, en ging de deur uit.

‘Is de postertijd aangebroken, denk je?’ 

Na Quentin’s vertrek keek Marleen naar achteren. Jasmijn zat achterover geleund en dronk haar koffie.

‘Waarschijnlijk wel. Het wordt een “Wanted” poster, vermoedelijk.’

‘Hoe bedoel je?’

‘Laat maar. Overigens, zouden we niet de Schimmel moeten bellen om te vertellen dat Quentin eraan komt?’

‘Denk je?’

‘Lijkt mij het handigst. Zal ik bellen?’

‘Ik doe het wel.’

‘Okee.’ 

Jasmijn knikte en ging aan het werk. Ze hoorde Marleen babbelen, sloeg er verder geen acht op en ging de kelder in om boeken weg te brengen en een nieuwe stapel mee terug naar boven te nemen. Het was stil in de kelder. De omgeving voelde unheimisch aan sinds het voorval met de twee ongenode gasten, maar ze was niet van plan zich hierdoor uit het veld te laten slaan. Ze gaf niet toe aan kwelgeesten; had dit nooit gedaan, nooit toegelaten. 

De naarste jaren van haar leven had zij in Maaiborg meegemaakt met de man die daar nu het scepter zwaaide. Ook hem had zij moedwillig opgezocht om de spoken in haar hoofd te laten verdwijnen. 

Ze stommelde de trap op terug naar boven met een stapel boeken in de armen. Marleen pakte er een aantal van haar over en zei:

‘Ik heb net met Schimmel gesproken en weet je wat hij zei?’

‘Dat hij geen afspraak met Quentin heeft’, merkte Jasmijn op.

‘Dat hij geen... Hoe weet jij dat?’ 

Voordat ze antwoordde, klopte Jasmijn eerst haar kleding  schoon en ging zitten.

‘Omdat hij zo fantasieloos is als de pest. Denk je nou werkelijk dat hij binnen een dag een afspraak met iemand van een ambassade kan krijgen en dat Schimmel trouw op het bureau blijft wachten totdat hij langskomt met het felst begeerde boek dat er momenteel in omloop is?’ 

Met grote ogen staarde Marleen haar aan. Ze opende de mond om iets te zeggen, maar er kwam niets uit. Jasmijn legde de boeken in stapels op tafel.

‘Maar’, zei ze toen, ‘als jij dit wist, waarom zei je dan niets?’

‘Je wilde koste wat het kost van het manuscript afkomen.’

‘Maar...’ Ze ging op de rand van de tafel zitten, minder gemakkelijk dan een kwartiertje geleden. ‘Maar hij kwam zo oprecht op mij over.’

‘Quelle surprise.’

‘Is dat sarcastisch bedoeld?’, vroeg ze bits.

‘Totaal niet, maar mijn opmerking haalt je tenminste uit de slachtofferrol.’ 

Marleen stopte de handen in het haar en kreunde geïrriteerd.

‘Dat ik daar ben ingetrapt’, zei ze. ‘Is dat wat je net bedoelde met de “wanted” poster?’

‘Wat denk je nou zelf.’ 

Het was een bevestiging, geen vraag.

‘Got, ik kan wel een drankje gebruiken.’

‘Is het al wodka tijd?’

‘Elke tijd is wodka tijd. Kan ik jou er ook mee verblijden?’

‘Doe maar. Zullen we een pizza voor de lunch bestellen?’, vroeg ze toen Marleen de trap naar boven nam.

‘Bel maar. Oh, en de Schimmel komt langs om het hele verhaal te horen’, riep Marleen van boven en verdween de keuken in.

De hoofdinspecteur kwam gelijktijdig met de pizza aan. Jasmijn betaalde de bezorger en nam de doos mee naar haar tafel. Marleen bleef besluiteloos staan. Aan de ene kant wilde ze met Schimmelpenninck praten, maar aan de andere kant was de aromatische geur die door de winkel dreef wel enorm aanlokkelijk. Ze koos een gulden middenweg en met kleine zijwaartse pasjes liep zij al pratende in de richting van Jasmijn.

‘Kan Quentin hiervoor opgepakt worden?’, vroeg ze, een stoel erbij trekkend en een punt pizza pakkend. 

Jasmijn schoof de doos in Schimmelpenninck’s richting, maar hij schudde het hoofd.

‘Voor wat?’, vroeg hij toen.

‘Voor het feit dat hij een onbeschofte liegbeest is’, merkte Jasmijn op. 

De hoofdinspecteur lachte haar toe.

‘Zo eentje hebben we nooit eerder achter de tralies gezet, wil je zeggen?’, vroeg hij met een hint van ironie.

‘Hij heeft een boek op valse voorwendsels ontvreemd.’ 

Marleen vond zelf, dat zij met deze woorden goed ambtelijke taal had gebruikt. Ook Schimmelpenninck ging zitten. Zijn lange lijf drapeerde zich onhandig om de voor hem iets te lage stoel heen.

‘Ja, dat is inderdaad een probleem’, zei hij knikkend. 

Hij opende de doos en nam er een punt uit. Marleen knipoogde naar Jasmijn vanwege dit gebaar. 

‘Als het boek weer boven water komt’, begon Jasmijn, ‘hoe gaat het dan in zijn werk wat betreft de ambassade? Mij lijkt het, dat Marleen de aangewezen persoon is dit te overhandigen, aangezien het in haar winkel is gevonden.’

‘Dat mag dan zo wel zijn, maar helaas werkt het niet op deze manier. Heb je een servetje?’ 

Ze schoof de stapel servetten naar hem toe. 

‘Op ambassade niveau wordt alleen met hoge boboos gewerkt. Het manuscript zou dan aan de betreffende minister worden overhandigd...’

‘Kunst- en cultuur?’, vroeg Jasmijn.

‘...en... ik denk dat het dat ministerie is, en vervolgens wordt iemand van binnenlandse zaken met buitenlandse betrekkingen erbij gehaald...’

‘Wie is dat dan?’, vroeg Marleen.

‘...uhmmm, geen idee; ik verzin ook maar wat.’ 

Hij leunde achterover, de handen aan een servet afvegend. Hij had de punt in de drie happen naar binnen gewerkt. 

‘Maar dit is allemaal hypothetisch.’

Er klonk spijt in zijn stem. De zaak was zo goed als rond en te elfder ure was hij in de luren gelegd door een stofdoos met een rond brilletje en kennis van oude boeken.

‘Kan er niet afgedwongen worden dat Marleen ook bij dit gesprek is? Ik vind namelijk wel, dat zij in heel deze situatie genoemd moet worden.’

‘Dank je wel, Jas. Helaas heb ik geen geld voor een bonus voor je.’

‘Balen. Daar zit ik dan m’n best voor te doen’, zei ze. 

Schimmelpenninck keek van de éen naar de ander. De twee vrouwen waren goed op elkaar ingespeeld, alsof het een echtpaar betrof dat elkaar door en door kende.

‘Dat is altijd mogelijk’, zei hij uiteindelijk. ‘Laten we wel wezen: het boek mag dan van groot belang zijn voor Polen, maar aan de andere kant is het boek het bezit van deze winkel, en dan komt het eigendomsrecht meespelen.’

‘Ook in dit geval?’, vroeg Marleen.

‘Ga maar na hoe lang het bijvoorbeeld duurt voordat de rechtmatige eigenaar van een kunstwerk gestolen door de nazis z’n best moet doen om dat terug te krijgen.’

‘Is dat te vergelijken?’ 

Jasmijn keek hem vragend aan. Zijn hoofdbeweging hield het midden tussen knikken en schudden.

‘Die kennis heb ik helaas niet. Mijn forte is boeven pakken en vastzetten; niet de kleine letters lezen. Daar zijn advocaten voor opgeleid. Is er nog een punt over?’

‘Neem maar.’ 

Hoewel Jasmijn op de laatste punt had geaast, schoof ze de doos naar hem toe. Hij was een grote, lange man en had voldoende energie nodig om de dag door te kunnen komen.

‘Maar, nogmaals: hypothetisch’, zei hij toen en nam een hap.

‘Als ik het onhypothetisch kan maken’, zei Jasmijn, ‘dan wil ik wel dat Marleen genoemd wordt. Ook en plein publiek.’ 

De hand met de pizza bleef in de lucht hangen. Het puntje ervan begon gevaarlijk om te buigen.

‘Hoe onhypothetisch kun je het maken?’, vroeg hij en nam een hap vlak voordat de topping eraf gleed. 

Ze opende de rechterla van haar tafel en haalde daar een in bruin papier verpakt pakje uit. Net zoals de pizzapunt hing de laatste driehoek van het papier er los bij.

‘Is dat wat ik denk dat het is?’, vroeg Marleen, de ogen groot, turend naar Jasmijn.

‘Ik heb geen idee wat je op dit moment denkt, maar ik denk dat jij juist denkt wat dit is.’

‘Maar ik heb Quentin toch hiermee de winkel uit zien lopen?’

‘Correctie: je hebt Quentin met een pakje de winkel uit zien lopen.’ 

Tijdens het gesprek tussen de twee vrouwen, had Schimmelpenninck het laatste van de pizza naar binnen gewerkt en al kauwend haalde hij het papier van het boek af.

‘Hoe heb je dat voor elkaar gekregen?’

‘De bekende wisseltruc’, antwoordde Jasmijn Marleen’s vraag: ‘Ik heb hem vanaf het jaar nul niet vertrouwd. Hij zal een beste kerel zijn, maar zijn hebberigheid speelde hem parten. Ik heb thuis een boek van soortgelijke grootte meegenomen en ingepakt. Omdat hij zelf onbetrouwbaar is, vertrouwt hij ons natuurlijk ook voor geen meter. Zo gaat dat met de waard en zijn gasten. Ik ben dus heel opzichtig het manuscript gaan inpakken. Helaas schoof het plakband van tafel af...’ ze maakte een schuifgebaar met haar vingers ‘...omdat ik nog wel eens onhandig ben, en op het moment dat hij zich bukte om dit op te rapen, heb ik de boeken verwisseld.’

‘Slim gedaan’, zei Marleen bewonderend.

‘Slim genoeg voor een bonus?’ 

De grimas die ze kreeg toegeworpen, sprak boekdelen. Hierna keken beiden naar Schimmelpenninck, die knikkend het boek door zijn handen liet draaien.

‘Ogenblikje’, zei hij, zijn telefoon tevoorschijn pakkend. 

Hij liep van de tafel vandaan en begon te bellen.

‘Ik heb het er helemaal warm van gekregen’, merkte Marleen op. 

Jasmijn nam het laatste slokje uit haar blikje en vroeg, het blikje ophoudend:

‘Weet je zeker dat het niet hier door komt?’

‘Zal ook wel meewerken. Wat denk je dat er nu allemaal staat te gebeuren?’

‘Geen flauw idee.’ 

Ze schoof haar stoel aan en pakte een boek om verder te gaan werken. Haar quota voor sociale contactpleging was voor vandaag opgebruikt. 

‘Vraag het de Schimmel’, zei ze zonder verder op te kijken. 

De hoofdinspecteur kwam terug.

‘Ik neem het boek mee’, zei hij. ‘Wat er gaat gebeuren is het volgende: mijn baas neemt contact op met de overheid die op hun beurt contact opnemen met de ambassade.’

‘Fijn om te weten dat wij al het werk hebben gedaan en dat er nu zo’n rechtse bal met de eer gaat strijken’, mompelde Jasmijn.

‘Zo werkt dat, helaas.’

‘Inderdaad helaas.’ Ze keek naar hem op. ‘Ik neem aan, dat Marleen in heel het gebeuren wordt vergeten?’

‘Uhmmm, dat is in de meeste gevallen zo, ware het niet, dat ik mijn meerdere ervan heb kunnen overtuigen een persconferentie te regelen. Mijn insteek was dat deze winkel zo veel schade heeft geleden en als we dan met stille trom de overdracht doen, zal dit waarschijnlijk niet ophouden. De winkel wordt genoemd en ook Marleen als degene die het boek heeft ontdekt.’

‘Da’s niet helemaal waar’, kwam Marleen tussenbeide. 

‘Laten we het op deze versie houden’, zei Schimmelpenninck tegen haar. ‘Dit zal er in elk geval voor zorgen, dat jullie in het vervolg met rust gelaten worden.’

‘Geef dan meteen door, dat in september Lotte Davelaar hier aanwezig is vanwege haar nieuwe boek’, zei Jasmijn. 

De hoofdinspecteur keek haar meewarig aan.

‘Het is een persconferentie’, zei hij, ‘geen reclamespot.’

‘Alsof iemand het verschil zal opmerken.’ 

Hij trok een mondhoek omhoog als reactie en stak het boek, waar het papier losjes omheen gewikkeld zat, in de zak van zijn colbert.

‘Dank jullie’, zei hij ten afscheid en liep naar de deur. 

Marleen hield hem tegen met:

‘Hee hee: eerst een handtekening voor ontvangst zetten.’ 

Ze schreef de titel van het boek op, nam de Poolse naam letter voor letter over, gevolgd door de ondertitel en het jaar. Schimmelpenninck zette zijn handtekening op het vel en ging hierna alsnog de deur uit.

‘Administratie is belangrijk hier’, zei Marleen tegen de vertrekkende rug. 

Hij keek niet meer om.

 

50. 

     ‘Hoe ging het vandaag?’, vroeg Lotte toen Jasmijn binnen kwam. 

Het vlieggordijn bij de openstaande balkondeur deinde zachtjes op en neer, lauwwarme wind naar binnen loodsend.

‘Precies zoals verwacht.’

‘Zei ze met een zelfvoldane grijns.’

‘Daar heb ik vandaag zeer zeker recht op.’ 

Ze boog zich voorover en kuste Lotte en zei: 

‘Ik heb de wisseltruc uitgehaald zoals ik had gezegd en...’

‘Ahh, dus ik ben de oude detective kwijt nu?’, stelde Lotte teleurgesteld vast.

‘Ik verwacht niet dat Quentin die zal terugbrengen, helaas.’ 

Het was het enige boek geweest die dezelfde grootte en dikte van het manuscript had. 

‘Maar het is voor het goede doel, moet je maar denken. De Schimmel heeft het boek meegenomen, die van de Pool bedoel ik, niet de detective’, zei ze er snel achteraan toen Lotte de mond opende om iets te zeggen, ‘dus nu maar afwachten wat er verder gebeurt.’

‘Krijgt Marleen een lintje hiervoor?’

‘Nah, ze mag blij zijn als er überhaupt aan haar gedacht wordt. Ze was wel zo slim om de Schimmel een formulier te laten tekenen waarop zij het boek had genoteerd. Zo heeft ze in elk geval bewijs dat het in haar bezit is geweest. Wil je voor mij ook wat inschenken?’, vroeg ze toen Lotte naar de keuken ging.

‘Wat?’

‘Gewoon water maar. Wel effies de kraan laten lopen. Volgens de Schimmel wordt alles nu naar een hoger niveau getild en gaat de politiek zich ermee bemoeien.’

‘Is dat hoger?’, vroeg Lotte, gevolgd door een schamper lachje. ‘Als er iets wel laag bij de grond is, zijn het politici. En advocaten, maar vooral politici.’

‘Helaas hebben die het voor het zeggen. Ik denk dat er een diplomaat op af wordt gestuurd en dat met een groots gebaar het boek aan de Poolse ambassade overhandigd gaat worden.’ 

Ze nam het glas koud water dankbaar in ontvangst en dronk het achter elkaar leeg.

‘Nog eentje?’

‘Nee, anders moet ik heel de avond weer piesen.’

‘Met dit weer verdampt het vanzelf.’

‘De Schimmel vertelde nog dat er een persconferentie volgt waarin hij Marleen zou noemen als de vinder van het boek.’

‘Denk je dat dit gebeurt?’

‘Hij komt wel oprecht over, die Schimmelpenninck.’ 

Ze verschoof zich en ging dwars op de bank zitten, een been onder haar getrokken. De plafondven draaide lui rond. 

‘Maar of zijn opmerking over Marleen de mensen bereikt, is een ander verhaal.’

‘Dat zou jammer zijn.’

‘Zeker gezien het feit dat de winkel waarschijnlijk het eind van het jaar niet haalt.’

‘Mhh.’ 

Lotte dacht na. Ze zette haar voeten tegen de voetenbank en tuurde voor zich uit. 

‘Wat ik kan doen: ik heb een connectie bij de NRC. Die krant heeft als éen van de weinigen nog steeds iets met kunst en cultuur. Ik zal kijken of het mogelijk is iemand daar warm te maken voor dit verhaal. Je hebt de kopietjes van het boek nog? Mooi dan kan ik die overhandigen om het gebeuren krediet te geven.’

‘Als je dat zou willen doen.’

‘Alles om m’n meissie gelukkig te maken’, zei Lotte. ‘Overigens, over m’n meissie gesproken: ik heb reactie gehad van Marie56. Ik weet dat je hier niet mee door wilt gaan, maar je moet toch effies luisteren.’ 

Met de iPad op schoot zocht ze de draad van de conversatie. 

‘Ik zal het van het begin af oplezen…’ ze negeerde Jasmijn’s gekreun: ‘Marie56 stuurt een bericht nadat dit account al een aantal weken in de lucht is met: Is dit een smakeloze grap of...? Wij: Hoezo smakeloze grap? Zij: Omdat de BQ -Belletien Quirijns bedoelt ze daarmee- die ik ken verdwenen is. Er zijn niet veel BQs. Wij: Wie is jouw BQ; waar komt zij vandaan? Zij: Vertel jij het maar. Wij: Ik hoor het liever van jou. Zij: Maarssen. Wij: Dan ben ik jouw BQ. Wie ben jij?’ 

Hierna bleef ze stil totdat Jasmijn vroeg:

‘En verder?’

‘Het laatste bericht is: Ik ben BQ’s tante.’ Ze liet een snelle blik over haar vrouw gaan, vroeg toen: ‘Zal ik hiermee doorgaan ?’

‘Dat moet je zelf weten.’ 

Na alle informatie die zij de achterliggende weken over zich heen had gekregen, keek ze er niet werkelijk van op een tante te hebben. Als het zich zo voortzette, zou het een drukke kerst worden.

‘Laat ik het anders zeggen: wil je dat ik verder ga?’ 

Dit was een vraag waarover Jasmijn diep moest nadenken.

‘Het is moeilijk’, zei ze uiteindelijk. 

‘Hoe ver wil je dat ik ga als ik een reactie krijg?’, vroeg Lotte uiteindelijk.

‘Speel het op gevoel’, klonk het antwoord. ‘Jij kent mij beter dan wie ook. Maak die keuze maar voor me, Lot.’

‘In dat geval gaan we door. Akkoord?’

‘Yep.’

‘Heb je al aan eten gedacht?’

‘Het is te warm om in de keuken te staan.’

‘Anders gaan we een patatje halen bij Onder de Toren. Wandelingetje naar het strand en lekker lummelen daar.’

‘Drankje mee?’

‘Mais bien sûr, ma petite.’

 

51. 

     ‘Mar, telefoon voor je. Iemand van de NRC.’ 

Haaye hield Marleen’s mobieltje omhoog en mompelde, toen hij haar de trap af hoorde rennen: 

‘Ik weet ook niet meer wat er allemaal aan de hand is. Twee weken vakantie en ik ben de weg kwijt.’ 

Ze griste de iPhone uit zijn hand. Terug in zijn stoel pakte hij zijn boek. Dit was tenminste iets waar hij van op aan kon, lezen.

Al pratend liep ze terug naar boven. Halverwege de trap begon ze in ademnood te komen. Tegelijk praten en klimmen was een bezigheid voor jongere mensen.

‘De NRC wil waarschijnlijk een interview met Mar vanwege dat manuscript’, lichtte Jasmijn Haaye in. 

Na alle verhalen die zij hadden uitgewisseld, was dit ergens in het niets blijven hangen. 

‘De winkel kan wel wat publiciteit gebruiken.’

‘Als het maar niet gaat stormlopen; houdt mij van het leeswerk af.’ 

Hij strekte de benen en zette zijn voeten op de prullenbak.

De persconferentie van de politie was door de meerdere van Schimmelpenninck gehouden. Deze man was zo hoog in de rangorde, dat hij een uniform droeg. Dit had Jasmijn altijd verbaasd: de politieagenten in uniform probeerden hogerop te komen zodat ze hun tweede huid konden afschudden. Waren ze eenmaal hoog genoeg dan wilden ze weer in uniform gestoken worden. Weliswaar eentje waarop veel goudkleurige prullaria zat waaruit niemand wijs kon worden wat de betekenis ervan was. 

Het belangrijkste verschil met een beginnend politieagent en dat uniform waarin ze een paar rangen later werden gestoken, was dat deze laatste nooit vuil werd door enige vorm van inspanning. Schimmelpenninck werd door deze schone meerdere geprezen en aan de naam Marleen Valentina werd niet eens gedacht laat staan genoemd. Het scheen dat deze meerdere eveneens de aangewezen persoon was om met de dienstdoende politicus een bezoek aan de Poolse ambassade te brengen. Daar werd het manuscript met veel bombarie overhandigd. Glimlachende hoofden en stramme houdingen met ineen geklemde handen sierden de kranten en het internetnieuws. De mensen die de inspanningen vooraf en al het loopwerk hadden gedaan, waren in vergetelheid geraakt.

‘Als ik dat had kunnen voorspellen’, had Marleen na dit poppenkast optreden opgemerkt, ‘had ik het boek aan Quentin meegegeven. Liever iemand die hebberig is voor de juiste redenen dan dit gelummel. Had ik er misschien nog een cent aan kunnen overhouden.’

‘Hoe is het verder met jou?’ 

Haaye liet het boek open op zijn borst rusten en keek over het bureau naar Jasmijn. Leunend tegen de deurpost staarde ze naar de straat.

‘Prima’, antwoordde ze en nam een slok koffie. ‘Lotte heeft een rel op facebook.’

‘Pffff, facebook’, mompelde hij. ‘Hoe dat zo?’

‘Afgelopen zaterdag hing er een drone voor ons raam...’

‘Ook éen van die vele ondingen van deze tijd.’

‘...en Lot nam een paar fotos van de man die doodleuk beneden op straat dat ding aan het heen en weer vliegen was en bij ons naar binnen loerde. Ze heeft een foto van die pik op een facebook pagina van het dorp gezet en kreeg meteen heel de teringzooi over zich heen.’

‘Werkelijk?’ 

Ondanks het feit dat hij volstrekt geen interesse had in het fenomeen sociale media, was hij altijd wel in voor een stevige roddel, vanuit welke hoek deze ook kwam. 

‘Hoe dat zo?’

‘Veel mensen, of liever: veel mannen waren van mening, dat Lotte de knaap’s privacy had geschonden door het plaatsen van die foto. Dat pareerde zij met dat hij zijn recht op privacy had verkwanseld door haar privacy binnen te dringen.’

‘Gelijk heeft ze.’

‘Uit sociaal psychologisch perspectief gezien, was het grappig op te merken dat de mannen schande over het plaatsen van die foto spraken, terwijl vrouwen het met Lotte eens waren. Ik vraag me af waar dat aan ligt.’

‘Hee, we piesen tegen een boom als we het nodig vinden; denk je dat wij ons druk maken over privacy?’, zei hij met een scheef glimlachje. ‘Wat een gedoe, trouwens, over zoiets onbenulligs.’

‘Da’s sociaal media. Die leeft van dit soort momenten.’ 

Ze zette haar mok naast de koffiepot neer en wilde terug naar haar tafel gaan, toen Marleen de trap af kwam, de wangen rood van het vele praten.

‘Je zou toch denken’, begon ze, kijkend naar de laatste paar treden tijdens het lopen, ‘dat een journalist een afspraak maakt om langs te komen voor een gesprekje. Maar alles schijnt tegenwoordig allemaal telefonisch afgehandeld te worden. Ze stuurt me nog een paar vragen via de mail en morgen komt er een fotograaf langs. Beetje killetjes allemaal, maar ach...’

‘Was het een goed gesprek?’, vroeg Jasmijn.

‘Best, ja.’ Ze knikte. ‘Is er nog koffie? Alles verteld, vanaf het moment dat jij omver werd gelopen en dat zo het manuscript in ons bezit kwam tot en met de overdracht aan de Polen door de overheid.’

‘Leuk. Goed voor de klandizie.’

‘Je weet maar nooit.’ 

Haaye schoof haar een volle mok koffie over het bureaublad toe en zei:

‘Misschien word je zo bekend, dat Maite Vermeulen en Frank Westerman een programma over de Schapenbrug komen maken.’ 

Grijnzend om zijn eigen opmerking keek hij van de éen naar de ander. De blikken die terug staarden, waren op zijn zachts gezegd leeg te noemen.

‘Wie?’, vroeg Marleen uiteindelijk.

‘Godallemachtig’, zuchtte hij en ging zitten. ‘Het is maar goed dat jullie heel de dag door boeken omringd zijn, zodat jullie in elk geval gestegen zijn tot de status Neanderthaler. Nog effies volhouden en jullie kunnen misschien het barbaarse niveau halen.’ 

Hij sloeg zijn boek open en sloot zich van de wereld af.

‘Mooi’, was Marleen’s reactie op deze onderbreking. ‘In elk geval komt Pagina 42 eens in de belangstelling.’

‘Met jou als eigenaresse’, zei Haaye.

‘Eigenaar’, verbeterde Marleen hem.

‘Pardon?’

‘Geen eigenaresse maar eigenaar.’

‘Waarom?’

‘Om geen onderscheid te hebben.’

‘Waarvan?’

‘De mannelijke en de vrouwelijke vorm.’

‘Waar slaat dat nou op? Voel je je minder mens als je eigenaresse wordt genoemd in plaats van eigenaar?’

‘Nee, dat niet, maar het is goed dat het onderscheid wordt weggehaald.’

‘Waarom?’, vroeg hij nogmaals. 

Marleen draaide zich naar Jasmijn en zei:

‘Help me, Jas; jij bent per slot van rekening ook feminist.’

‘Klopt, maar ik hou me niet met dit soort lulligheidjes bezig.’ 

Haaye grinnikte om haar reactie. 

‘Als er nog steeds ongelijk loon is tussen man en vrouw die hetzelfde werk doen, ga ik me niet druk maken over eigenaar/eigenaresse. Overigens, Mar, heb je er al eens over nagedacht dat wij ook met dit weer conformeren aan de mannelijke vorm? Waarom wordt een man niet eigenaresse genoemd maar moeten wij als vrouw zijnde de mannelijke woorduitgang nemen?’ 

Ze herinnerde zich deze zelfde conversatie die zij en Lotte niet zo gek lang geleden hadden gehad.

‘Is dat een bestaand woord?’, vroeg Haaye aan haar. 

Ze trok de schouders op en zei:

‘Misschien in vrouwelijke vorm.’ 

Haar antwoord ontlokte een lach bij hem.

‘Het is korter’, merkte Marleen als verdediging op.

‘Juf is korter dan meester; wordt deze logica ook op scholen toegepast?’, wilde Haaye weten.

‘Daarvoor moet je bij andere mensen zijn’, wuifde ze zijn vraag weg. ‘In elk geval is het makkelijker om maar éen vorm te hebben om iets uit te drukken. Met dokter bedoel je toch ook man of vrouw? Nou dan; simpel, toch?’

‘En met hoer?’, vroeg Jasmijn. ‘Trouwens, waarom zouden we met woorden maar éen vorm moeten hebben als we voor elke splintergroep een nieuwe wc moeten aanleggen.’

‘Hoe bedoel je?’

‘Je hebt een mannen en een vrouwen wc. Nu zijn er lui die zich niet willen conformeren aan de noemers mannetje of vrouwtje. Waarschijnlijk willen de bisexuelen een eigen hij/zij toilet omdat ze toch nooit weten of ze vanavond staand of zittend willen piesen. Mensen met tatoeages en piercings willen een eigen wc, dwergen willen een mini-pispaaltje, en blinden willen braille op de bril zodat ze wat kunnen lezen als ze zitten te kakken. Ik vind het allemaal best en wat mij betreft vervalt het hij/zij toilet en wordt het éen groot hok voor iedereen zodat alle mannelijke en vrouwelijke eigenaressen gezamenlijk kunnen piesen. Zolang er maar invalide toiletten blijven waarop ik me kan terugtrekken als dat nodig is.’

‘Dus met invalidetoilet heb je geen probleem?’, vroeg Marleen haar.

‘Ik heb met geen enkel toilet een probleem. Thuis heb je toch ook dat iedere huisgenoot van dezelfde plee gebruik maakt? Dat zal mij worst wezen. Als ik moet piesen, houdt een bordje met een mannetje erop me echt niet tegen. Maar het verschil met gewone en invalide toiletten is, dat invalide wcs functioneel zijn en tevens de enige plek waarop kantoorlui in alle rust een tukkie kunnen doen na de lunch. Dat werkt perfect.’

‘Hoe zijn we eigenlijk op wcs gekomen?’, vroeg Haaye toen er een stilte viel.

Hij liet zijn blik vragend van de ene naar de ander gaan, zag dat ze elkaar grijnzend aankeken en vulde snel aan:

‘Geen antwoord, graag.’

 

52. 

     De tweede helft van het jaar begon met een week fikse regen. De dagen werden langzaamaan korter en hoewel de temperatuur na de buien warm bleef, werden de avonden frisser.

Na het artikel in de NRC was de clientèle in Pagina 42 toegenomen. Maar, in gelijke tred met de vakantiegangers in Alkmaar, ebde dit gestaag weg en de wereld in de winkel viel terug naar hetzelfde trage verkeer als voorheen. Het enige waarop Marleen hoopte, was dat de winkel het einde van het jaar zou halen. Haar schatting dat het nog een jaar kon uithouden, was een ambitieuze geweest. 

De winkelsluiting zou op meerdere fronten hachelijk zijn. Ze had heel haar ziel en zaligheid erin gestort en leefde zelf van het minimum om haar personeel te kunnen betalen. Daarbij kwam, dat ze zou moeten verhuizen, aangezien het woon gedeelte onderdeel van het pand was. Ze hield van haar woning boven de winkel, van de omgeving, het hartje van Alkmaar.

Helaas was er op financieel gebied geen ruimte meer om nog iets te kunnen doen. De rek was er uit.

Terwijl deze gedachten door haar hoofd gingen, kwam Inge binnen, een dienblad dragend met koffie en broodjes erop.

‘Goedemorgen’, groette ze zonnig. ‘Wat een heerlijke dag. Een heiige mist op het water en de zon die doorkomt. September is een mooie maand.’ 

Ze zette het blad op het bureau en begon de bekers en broodjes eraf te halen.

‘Jij bent vrolijk voor de vroege morgen’, merkte Marleen op.

‘Uh-huh. Sinds twee weken neem ik geen anti-depressiva meer en ik voel me fantastisch. Waanzinnig hoe die medicatie mijn gevoelsleven heeft afgestompt. Ik heb nu ineens weer zin in dingen. Misschien ga ik naar de wintersport, leren skiën.’ 

Ze schoof het dienblad onder het bureau en ging zitten. 

‘Ben jij wel eens op wintersport geweest?’, vroeg ze.

‘Ik kijk wel uit. Mij te koud allemaal.’ 

Marleen nam een hap van haar broodje, gevolgd door een slok koffie.

‘Misschien dat je het eens moet proberen’, zei Inge. ‘Het zou leuk zijn om met z’n tweetjes te gaan. Zwitserland ofzo... Frankrijk.’

‘Sneeuw, skiën...’ 

Marleen schudde het hoofd.

‘Wat interesseert jou dat skiën nou. Denk aan al die glühwein, de mannen met die stralende witte tanden.’

‘De glühwein trekt me wel aan. Maar, effies terug: wat lekker voor je dat het zo goed gaat. Nergens last meer van?’

‘Totaal niet. Soms, heel soms, sluipen sombere gedachten mijn hoofd binnen, als ik weer denk aan die ex van mij met die jonge snol van hem. Maar daar heb ik de glimmende spa remedie voor uitgevonden.’ 

Ze bleef stil, nam een slokje koffie. Het was te warm en haar bovenlip tintelde. 

Na haar opmerking gingen er allerlei gedachten door Marleen’s hoofd en om de éen of andere reden hadden die allemaal met water te maken.

‘Hoe bedoel je’, vroeg ze uiteindelijk, ‘de spa remedie?’

‘Een glimmende spa...’ 

Pas toen Inge een beweging maakte alsof zij zand aan het scheppen was, begreep ze dat haar eigen spa en die van Inge van verschillende afkomst waren. 

‘Als ik aan m’n ex denk, pakt mijn denkbeeldige ik een glimmende spa, zo’n glanzende die net uit de rekken van de Gamma is gepakt, en daar sla ik ‘m mee voor z’n harses. Je moet eens weten hoe goed dat voelt’, zei ze door Marleen’s lachen heen. ‘Het is zelfs zo, dat ik het nu voor iedereen gebruik die naar tegen mij doet. Het is een aanradertje, Mar.’ 

Ze probeerde nogmaals haar koffie te drinken en leunde lui achterover. Het was altijd een goed begin van de dag om met Marleen te ontbijten. 

‘Wat denk je ervan?’, vroeg ze.

‘Waarvan?’

‘Om samen weg te gaan?’

‘Lijkt me wel grappig. Maar als we gaan, kunnen we dan niet ergens naartoe sluipen waar het warm is? Om onze winter om te ruilen voor een winter in Zwitserland... En dat voor iemand zoals ik die niets met kou en sneeuw heeft.’

‘Waar zou je dan naartoe willen gaan?’

‘Geen idee. Italië misschien? Als je toch een man wilt die je in de taas grijpt, is Italië de aangewezen plek.’

‘Hoe kom je erbij dat ik een man in m’n taas wil laten grijpen? Dat heb ik helemaal niet gezegd?’

‘Jij had het over mannen met stralend witte tanden’, herinnerde Marleen haar eraan.

‘Ja, stralend witte tanden of in je taas laten grijpen, zijn twee hele andere dingen.’

‘In je taas laten bijten dan.’

‘Dat komt al dichter bij.’ 

Met een ondeugende glimlach keek Inge naar de vrouw aan de andere kant van het bureau. 

‘Lijkt me leuk, joh, jij en ik samen iets te ondernemen.’ 

Ze nam een hap van haar broodje en al kauwende hield ze een wijsvinger omhoog en wees daarmee naar Marleen. 

‘Hoe lang kennen we elkaar nu?’

‘Sinds ik Pagina 42 heb.’

‘Vijf jaar, zes jaar?’

‘Zoiets.’

‘Is dat niet iets om te vieren?’

‘Met een vakantie in Italië bedoel je?’

‘Jij kent me het beste’, zei ze met een steeds breder wordende grijns. 

Ze zag Marleen langs haar heen kijken en volgde haar blik. Over haar schouder turend, vroeg ze: 

‘Is dat niet Jasmijn?’

‘Uh-huh.’

‘Maar wie is dat bij haar?’

‘Dat is Lotte Davelaar. Vandaag signeert ze haar nieuwste boek hier.’ 

Beiden keken naar de twee die langzaam het plein over liepen in de richting van de brug. Ze hadden de handen ineen gestrengeld, en hun schouders botsten tegen elkaar aan met elke stap. Lotte lachte om iets dat Jasmijn vertelde en wierp een blik opzij. Haar ogen straalden.

‘Dat wilde ik nou ook altijd’, merkte Marleen op.

‘Wat, een vrouw?’

‘Nee. Nou ja, maakt mij eigenlijk niet uit, als het maar iemand is met wie ik zo kan lachen en praten en die mij op die manier aankijkt.’

‘Die ex van mij heeft dat ook eens gedaan’, gaf Inge toe.

‘Werkelijk?’, vroeg Marleen verrast.

‘Ja, het was op 23 september, een zondag, van tien over vier tot twaalf voor half vijf.’ 

Marleen schoot in de lach en ging staan toen de twee de winkel binnen kwamen. Jasmijn liet haar vrouw voor gaan en stelde iedereen aan elkaar voor. Hierna ging ze door naar haar tafel om haar spullen neer te zetten. Ze keek om zich heen, hoorde het geroezemoes van stemmen van de drie bij het bureau. Hoewel ze deze baan niet nodig had, hield ze van boeken, van het ontdekken van nieuwe schrijvers, nieuwe stromingen, verrast worden door een onbekende scribbelaar louter omdat de titel van het boek haar aanstond.

Haaye kwam binnen, even later gevolgd door meneer Van Zanten, die naar het groepje knikte en zijn plek bij de reisboeken opzocht. Ook Jasmijn ging zitten, deed haar laptop aan en wachtte totdat er leven in kwam.

‘Dus hier breng jij je dagen door?’, vroeg Lotte, op de punt van haar tafel plaatsnemend. Ze zag de stapels boeken en voelde de rust die hier werd uitgestraald. ‘En ik maar denken dat je elke dag hard aan het werk bent.’

‘Dit is hard werken.’

‘Boeken zijn nooit hard werk.’

‘Helemaal gelijk’, riep Haaye haar toe.

‘Wil je koffie, schat?’

‘Graag’, riep Haaye.

‘Ik heb het nu tegen m’n andere schatje, lieverd’, zei ze over haar schouder.

‘Kan het altijd proberen.’

‘Dit is éen boompje waar niet tegen gepiest kan worden. Koffie?’

‘Heb je het tegen mij nu?’, vroeg Jasmijn haar, zag haar blik en zei: ‘Graag.’

Lotte stond op en bleef staan, kijkend naar haar vrouw.

‘Waar denk je aan, lief?’, vroeg ze.

‘Hoe lang dit nog zal duren’, zei Jasmijn zacht. 

Hoewel Marleen, Inge en Haaye onderling aan het praten waren, wilde ze niet dat iedereen dit hoorde. 

‘Nooit gedacht dat werken zo leuk kon zijn.’

‘Hee, welkom in mijn wereld. Er is geen redden aan?’ 

Jasmijn schudde het hoofd en zei:

‘Redden is het enige wat deze winkel zou kunnen redden. Twee keer redden.’

‘Ah, da’s balen.’

‘Zekers. De zoveelste boekwinkel die weggevaagd wordt.’

‘Koffie’, riep Haaye. 

Lotte streek met haar wijsvinger over Jasmijn’s wang, ging toen weg om koffie te halen. Ze kreeg de mok van Haaye overhandigd, die zelf met een tweede mok vanachter het bureau vandaan wilde stappen.

‘Is dat voor meneer Van Zanten?’, vroeg ze hem om na zijn knik ook deze mok van hem over te nemen. 

Ze zette Jasmijn’s koffie op tafel en ging met de andere naar de reisboeken. 

‘Meneer Van Zanten, uw koffie’, zei ze tegen de man. 

Even lichtte hij zijn kont van de stoel en knikte om haar te begroeten, en ging weer zitten. 

‘U bent mevrouw Davelaar mag ik aannemen?’, vroeg hij.

‘Inderdaad.’

‘Mijn vrouw bewondert uw schrijfwerk enorm en moet altijd gniffelen om de conversaties erin die zij soms een tikkeltje ondeugend vindt.’

‘Alles voor een glimlach. Mag ik?’, vroeg ze, een stoel pakkend om bij hem te gaan zitten. 

‘Maar natuurlijk, mevrouw.’

‘U heeft veel gelezen, begrijp ik van mijn partner.’

‘Zeer veel. Altijd veel gelezen, maar na mijn pensionering ben ik helemaal losgeslagen, zoals dit in het moderne parlance heet.’

‘Wat fijn om te horen.’

‘Ik had ook kunnen vissen of biljarten, maar lezen is mijn hartelust. Van vissen hou ik niet en biljarten is mij vreemd, maar een boek vasthouden...’ 

Even tilde hij het opengeslagen boek dat op zijn hand rustte omhoog.

‘Dat is de beste manier om de tijd door te komen.’

Aangezien Lotte vroeger was gekomen dan verwacht, was nog niets in orde gemaakt. Haaye schoof een tafel tot bijna tegen de kast met Nederlandse romans, plaatste een stoel erachter en zette het nieuwste boek van Lotte op stapels door de winkel, met oudere titels van haar er naast. Hij had het niet zo met het fenomeen bekendheid, maar de manier waarop Lotte hem had begroet, hem recht in de ogen had aangekeken in plaats van langs hem heen, had hem aangenaam verrast. En ook hoe zij met meneer Van Zanten converseerde was een pluspunt in zijn optiek, vooral omdat de man geen prater was. Er was iets ontvankelijks aan Lotte, een onbevangenheid die je zelden zag in iemand die bekendheid had. Misschien zou hij eens iets van haar moeten lezen.

 

       Lotte geeuwde luidruchtig, veegde de tranen uit haar ooghoeken vandaan en zei:

‘Al met al is het een drukke dag geweest.’

Het had storm gelopen in Pagina 42. Op het hoogtepunt stond de rij met boekliefhebbers tot aan Inge’s winkel. Lotte maakte met iedere bezoeker een praatje voordat ze signeerde. Veel mensen hadden haar volledige oeuvre meegenomen en overal moest een handtekening in. Aan het eind van de middag waren haar vingers dusdanig verkrampt, dat ze nauwelijks nog haar eigen handschrift kon lezen.

‘Inderdaad’, beaamde Jasmijn. Ze reden het parkeerterrein tussen de huizen op. ‘Het is nog nooit zo druk geweest in de winkel. Je bent tamelijk populair.’ 

Haar ogen gingen van links naar rechts op zoek naar een parkeerplek.

‘Alleen maar tamelijk?’, vroeg Lotte quasi verongelijkt. ‘Daar’s een plekkie.’

Jasmijn reed er naartoe en bleef staan. Op de parkeerplek stonden twee klikobakken. Ze zette de auto in haar achteruit op hetzelfde moment dat Lotte de portier opende en uit stapte.

‘Wat ga je doen?’, vroeg ze.

‘Die bakken weghalen.’

‘De buurvrouw zet ze daar altijd neer.’

‘Kan ze ze niet op de stoep zetten?’

‘Da’s om de plek vrij te houden.’

‘Lieve schat, dit is een openbare parkeerplaats. Als ze een plek wil vrijhouden, neemt ze contact op met de gemeente en betaalt ze er maar voor, net zoals alle andere brave burgers dat doen.’ 

Met dit pakte ze de eerste bak en duwde deze de stoep op, gevolgd door de tweede. Toen ze deze naast de andere plaatste, stormde de buurvrouw in kwestie haar tuin uit.

‘Wat doe je?’, vroeg ze bits.

‘Waar ziet het er naar uit?’, was haar tegenvraag.

‘Die heb ik daar neergezet zodat mijn man een plek heeft om te parkeren.’

‘Dan parkeert hij zijn auto maar ergens anders.’ 

De buurvrouw staarde haar woest aan maar Lotte had zich al omgedraaid en wachtte totdat Jasmijn de auto had geparkeerd en was uitgestapt.

‘Volgende keer steek ik je banden lek!’, riep de buurvrouw haar toe.

‘Sorry?’ Lotte draaide zich terug en lachte met ongeloof. ‘Waar gaat dit over?’, vroeg ze. ‘Zo gaan we toch niet met elkaar om...’ 

De buurvrouw antwoordde niet meer en verdween achter haar tuinhek. Toen Jasmijn bij haar was, stak Lotte een arm door de hare en gezamenlijk liepen ze het pad op langs de schuurtjes naar de deur van hun flat. 

‘Is ze altijd zo?’

‘Ik laat het maar om dit soort dingen te voorkomen.’

‘Ik niet. Ik kan niet tegen bullies en deze bitch is een bully.’

‘Misschien de titel van jouw nieuwe boek: de bitch is een bully.’ 

‘Met buurvrouw Agressivo McBitchie als hoofdkarakter. Maar dan bedoel ik niet karakter als in Bordewijk. Trouwens: waarom heeft ze eigenlijk zo’n kerstboompje aan de binnenspiegel hangen? Wat doet ze in die auto dat een geurvreter nodig heeft?’

‘Dat wil je werkelijk niet weten.’

 

53. 

     ‘Wat is dat?’, vroeg Jasmijn bij binnenkomst. 

Op het bureau van de kassa stond een doos van CoolBlue. Haaye trok de schouders op.

‘Geen idee. Een knaap kwam dit in alle vroegte brengen en sindsdien staat het hier.’

‘Oh.’ 

Ze liet haar tas van haar schouder glijden en keek samen met haar collega naar de doos. 

‘Uitpakken?’, stelde ze voor.

‘Het is aan mevrouw Valentina geadresseerd, dus ik kom er niet aan. Anders word ik door de jongens en meisjes van de post in elkaar getremd.’

‘Het is van CoolBlue.’

‘Dat zijn nog grotere jongens en meisjes dan die van de post.’ 

Boven ging de deur open en sloot zich vlak daarna. Met een blik op de trap, zei Haaye: 

‘Misschien weten we zo wat er in zit.’ 

De voetstappen die de trap af kwamen, klonken anders dan van Marleen.

‘Heeft ze weer een privé feestje gehouden?’, vroeg Haaye vanuit zijn mondhoek aan Jasmijn, en luider: ‘Koffie?’

‘Graag.’

‘Goedemorgen’, groette Inge hen op de voorlaatste traptrede. ‘Alles goed?’ 

Haar gezicht straalde.

‘Bijna net zo goed als met jou’, merkte Jasmijn met een grijnsje op. 

Inge knipoogde haar toe en liep door naar buiten.

‘Toede en loe’, zei ze over haar schouder en verdween.

‘Hebben die twee wat?’, vroeg Haaye toen aan Jasmijn.

‘Hoe weet ik dat nou?’

‘Vrouwen weten dat toch van elkaar?’

‘Is dat zo?’

‘Geen idee.’ Hij trok de schouders op. ‘Volgens de Libelle wel.’

‘Jij leest de Libelle?’

‘Vroeger. Mijn moeder had een abonnement. Nu nog, geloof ik. Of was dat op de Margriet?’

‘Vraag je ook dit aan mij offe...’

‘Vrouwen weten dat toch van elkaar’, herhaalde hij.

‘Goedemorgen, kinders.’ Marleen kwam bijna huppelend de trap af. ‘Je hebt toch nog geen koffie gezet, hoop ik?’, zei ze tegen Haaye. 

Hij hield juist een scheplepeltje Moccona omhoog om deze in de filter te ploffen.

‘Want...?’, vroeg hij en volgde haar knikje naar de doos.

‘Een nieuw koffiezet apparaat’, zei ze. ‘Ook voor espresso, cappuccino en latte machiatto.’

‘Hee, hoor ik daar iets goed?’, vroeg Jasmijn vanaf achteren, en liep terug.

‘Yip. Speciaal voor jou.’ 

Marleen straalde. Haar glimlach ging van oor tot oor. De twee medewerkers keken van haar, naar elkaar en terug.

‘Okee’, zei Jasmijn toen. ‘Wie is het, wat is er gebeurd en waar is de echte Marleen gebleven?’

‘Meneer Van Zanten.’

‘Pardon?’ 

Beiden spraken op hetzelfde moment met dezelfde verbazing hetzelfde woord uit.

‘Het is niet wat jullie denken.’ 

Ze hield een verdedigende hand op.

‘Ik hoop het niet, want er gaan nu allerlei waanzinnige beelden door mijn hoofd.’ 

Haaye plofte in de stoel en pakte zijn boek. Misschien dat een flinke dosis Dostoevsky dit beeld kon wegwerken.

‘Luister. Ook jij, haarbol.’ Hij veerde weer op. ‘Gistermiddag toen iedereen weg was, kwam meneer Van Zanten naar mij toe. Ga lekker zitten want het is een lang verhaal.’ 

Ze volgden haar advies op. Zelf plantte ze haar kont op het bureau en vervolgde:

‘Meneer Van Zanten kwam op mij af. Automatisch wenste ik hem een prettige avond, maar hij bleef staan. Toen ik hem vroeg of er iets was, zei hij dat hij van de financiële problematiek van de winkel had gehoord. Ik bevestigde dit -het is per slot van rekening meneer Van Zanten- en toen zei hij, dat hij een stille partner wilde worden, een vennoot; eentje die de winkel op poten zou houden zonder zich met het dagelijkse reilen en zeilen te bemoeien.’

‘Je meent het.’

‘Reken maar dat ik het meen, Jas. Diezelfde avond nog hebben we een contract opgesteld, Inge erbij geroepen als onpartijdige en samen met haar heb ik het contract doorlopen. Het ziet er pico uit. Binnenkort naar de notaris om het officieel te maken en les voilà zoals men in Zweden zegt.’

‘Wauw’, was het enige dat Haaye er na een korte stilte kon uitbrengen. ‘Maar’, vervolgde hij, ‘waar haalt hij het kapitaal vandaan? Begrijp me goed: ik mag die man enorm, maar hij doet niets anders dan lezen en zo nu en dan een boekje van vijftig cent halen, dus hoe komt hij aan het geld.’

‘Door boekjes van vijftig cent te halen’, herhaalde Jasmijn zijn eigen woorden.

‘Is dat onze zaak?’, vroeg Marleen.

‘Misschien wast hij geld voor Holleeder’, mompelde Haaye.

‘Misschien is hij gewoon zuinig met zijn broekjes van vijftig cent. Zei ik broekjes? Boekjes, bedoel ik.’

‘Heb je nog broekjes van vijftig cent dan?’, vroeg Marleen aan Jasmijn.

‘Ik heb er eentje aan. Van Zeeman. Het begon als een uitdagende zwart slipje en is nu een degelijke grijze onderbroek die ik over m’n buik kan heentrekken.’

‘Daar is heel wat materiaal voor nodig’, merkte Haaye op.

‘Ja, dank u voor deze afzeiker van de maand. Ik ga aan het werk en geef mij maar een latte.’

‘Ik ga terug naar bed om wat verder te slapen. Jij zorgt voor het apparaat?’ 

Haaye knikte.

‘Wat deed Inge trouwens hier vanmorgen vroeg?’, vroeg hij haar terwijl ze naar boven liep.

‘Ben je mijn moeder?’, was haar wedervraag.

‘Nee, maar wel nieuwsgierig.’

‘Gisteravond’, zei Marleen in een zucht, ‘was het champagne en feest toen meneer Van Zanten was vertrokken.’

‘Bedoel je die bocht die je afgelopen kerst uit de supermarkt hebt meegenomen?’

‘Uh-huh.’

‘Had je die dan nog?’

‘Nu niet meer. Aangezien jij het niet wilde drinken, had ik nog een aantal flessen over.’ Ze geeuwde. ‘Tot laters, lieverds.’

 

54. 

     Kijkend naar de overkant van de straat, luisterde Lotte naar het verhaal van de redding van de winkel. Haar favoriete homo van de andere kant van de straat liep van zijn auto vandaan naar huis. In zijn werkkleding zag hij er butch uit. Een andere buurman had zijn pooierbak deels op de stoep geparkeerd zodat zijn achterbumper niet door een passerende HVC wagen eraf gereden kon worden. Het gevolg hiervan was dat de buurvrouw over de voorkant van zijn bak moest heen klimmen om haar keffertje in het gras te kunnen laten lopen.

‘Maar dat is toch fantastisch?’, zei ze toen Jasmijn klaar was met haar verhaal.

‘Inderdaad.’

‘Zo heb jij nog werk en Marleen een winkel.’

‘Inderdaad.’

‘Je vindt het heerlijk om daar te werken, toch?’

‘Inderdaad.’

‘Okee. Heb je ook een andere bevestiging?’

‘Heb ik.’ 

Jasmijn plantte haar voeten tegen de reling en nam een slok van haar drankje. Opzij kijkend, vroeg ze: 

‘Heb jij misschien iets met de beslissing van meneer Van Zanten te maken?’

‘Moi?’, vroeg Lotte in al haar onschuld. ‘Ik kwam daar alleen om een boek te verkopen en een paar mensen blij te maken. C’est tout.’

‘Je bleef een obsceen lange tijd met de heer Van Zanten beppen.’

‘Lang: a la, maar obsceen is weer een ander verhaal. Heb je trouwens de banden van de auto nog nagekeken toen je vanmorgen weg reed? Mooi’, zei ze na de bevestiging. ‘Hoewel ik vermoed dat de bitch bully niet zo gauw zoiets zal doen, maar je weet niet, he. Ik ben niet op de hoogte van de trieste kleinheid van dit soort medemens.’ 

Hun beider ogen volgden de buurvrouw die met de hond nu langs het restaurant liep en de richting van het strand uit ging. 

‘Ik heb haar altijd al wat vreemd gevonden, een aantal rangen lager op de ladder van de evolutie, maar dit...’

‘Onze buurvrouw?’, vroeg Jasmijn verbaasd.

‘Nee, de bitch bully.’

‘Da’s zelfs voor jou een beetje crue opmerking, Lot’, merkte ze op.

‘Meen je dat werkelijk?’, vroeg ze verbaasd. ‘Waarschijnlijk heb ik jou niet verteld dat ze mij een aantal weken geleden beschuldigde dat ik haar dochter beloerde.’

‘Is dat zo?’

‘Dat ik beloerde of dat ze mij beschuldigde?’

‘Je weet wat ik bedoel.’

‘Zekers, Jas. Ik had net de vuilniszak naar de container gebracht en liep langs hun huis. Ze stormde de tuin uit en zei dat ik moest stoppen haar dochter te beloeren. Om eerlijk te zijn, weet ik helemaal niet van het bestaan van de éen of andere dochter af. Om nog eerlijker te zijn, wist ik helemaal niet van het bestaan van deze buurvrouw af. Ik bemoei me zo min mogelijk met die lui hier omdat ik geen zin in hun gelul heb.’

‘Waarom zei ze dat dan?’, vroeg Jasmijn zich hardop af.

‘Je weet waarom: je bent lesbo ergo iedereen van het vrouwelijk geslacht die boven de vijftien is, is aantrekkelijk voor jou. Zo zien een heleboel lui van de broedgemeenschap ons.’ 

Ze vouwde haar handen achter het hoofd en sloot de ogen. Het zonlicht was nog fel. 

‘Beetje jammer dat zij hun eigen hetero moraliteit aan ons willen hangen.’

‘Nah, lesbi zijn anders wel aardig vlot in het samenhokken.’

‘Akkoord, dat is een kenmerk van lesbi, zoals slobberbroeken en ohne make-up. Maar wat geen kenmerk is van ons, is dat we naar elke vrouw staren. Of beloeren zoals zij dat zo subtiel noemde. Wat een larie van dat wijf.’

‘Wat zei je er eigenlijk op toen ze dat beweerde?’, wilde Jasmijn weten.

‘Ik vroeg haar of ze wel goed bij haar hoofd was en als haar dochter ook maar drie genen van haar had meegekregen, ik haar zelfs niet met een besmette grijptang wilde aanpakken.’

‘Subtiel als altijd’, zei ze lachend.

‘Hee, als mensen lullig tegen mij gaan doen, doe ik het terug. Ik heb verdomme diplomas aan de muur hangen in hoger sarcasme en cynisch gelul, dus kom niet bij mij aan met dit soort dingen.’

De buurvrouw en haar keffertje kwamen terug. Omhoog kijkend zag ze de twee op het balkon en zwaaide. Beiden zwaaiden terug.

‘Lekker weertje, he?’, riep ze hen toe.

‘Heerlijk’, stemden ze met haar in. 

Ze liep verder en verdween achter de hoge struiken.

‘Het is een lief mens’, zei Lotte toen. ‘Zo kun je ook met elkaar omgaan. Oh, trouwens: ik was vanmorgen in café De Zon en daar hadden ze het over de Polen hier in het dorp...’

‘Oh jee’, mompelde Jasmijn, bang wat voor xenofobisch geleuter hieruit zou volgen.

‘...en ik luisterde mee vanwege al dat Poolse gedoe met dat manuscript van de afgelopen tijd. Weet je dat de Polen zich niet met de dorpelingen mogen bemoeien?’

‘Huh?’

‘Die gasten die hen hier naartoe brengen, leggen dit op. Ze mogen zich niet met ons bemoeien, mogen hun boodschappen niet in de Spar halen en moeten zich gewoon overal buiten houden.’

‘Weet je dat zeker? Werd je niet in de maling genomen?’

‘Serieus, Jas. Ik vroeg nog of dit waar was, en die gasten beweerden van wel.’

‘Maar waarom dan?’

‘Naar mijn mening zodat ze niet te weten komen, dat ze geflest worden. Ze werken hier vast ver onder het minimum loon en die patjepeeërs die hun hier naartoe halen, willen niet dat ze van ons te horen krijgen dat ze meer kunnen verdienen.’ Ze nam een slokje en zette haar glas terug op het tafeltje. ‘Vandaar dat ze maar zelden gedag zeggen. Ik kom Duitsers, Fransen, Engelsen, noem maar op tegen, en iedereen groet je. De Polen: amper. Beetje jammer.’

‘Ik vind het moeilijk dit te geloven.’

‘Kan me voorstellen, maar waarom zouden die gasten in De Zon er om liegen? Aandikken, misschien, maar niet liegen.’

‘Dat zijn toch dingen die anno nu niet meer kunnen?’

‘Lieverd, vrouwen verdienen nog steeds minder dan mannen voor hetzelfde werk. Welkom in de realiteit van de ongelijkheid van het bestaan.’

‘Akkoord, maar...’

‘Vergeet niet, dat er nog steeds wordt beweerd, dat Harper Lee “To kill a Mockingbird” niet alleen kan hebben geschreven. Ze heeft tieten, ergo moet licht en luchtig werk in de trant van Barbara Cartland afleveren, maar niet zo’n kunstwerk als “Mockingbird”. Ook in Polen worden de vrouwen achtergesteld, en de importeurs van deze mensen stellen zelf iedereen achter. Iedereen wil van iedereen profiteren, zeker als ze er mee weg kunnen komen.’

‘Zit je op je tirade stoel?’, vroeg Jasmijn met een lachje.

‘Zekers. Waarom denk je dat vaders hun kinderen verkrachten? Omdat ze er mee weg kunnen komen. Voer emotionele druk uit en de kinderen zwijgen. Iedereen rijdt te hard, totdat ze een flitspaal naderen, waardoor ze ineens weten de rem te vinden. Eenmaal daar voorbij, gaan ze weer planken. En waarom? Omdat ze ermee weg kunnen komen. Er is geen moraliteit meer, niemand die meer een modicum van verantwoordelijkheid neemt. Hedonisme als ultieme levensstijl. Welkom in deze wereld en dat je er maar lang mag van genieten. Vind je gek dat ik blij ben mijn inkomen te kunnen ontvangen door het grootste deel van mijn tijd alleen door te brengen?’

‘Je bent veel socialer dan ik.’

‘Dat weet ik. Ik ben ook niet tegen het sociale aspect van mijn leven, maar alleen als ik zelf kan bepalen met wie ik mij bemoei.’

‘Met al die boekwinkels die je moet aflopen, heb je hier niet veel zeggespraak in.’

‘Klopt, maar dat is werk. En de meeste mensen die langs mijn tafel lopen, zijn lief en aardig en zo doe ik ook terug. Privé, echter, zoek ik zelf de mensen uit met wie ik mij wil bemoeien, en dat is niet een bitch bully of haar onzichtbare dochter.’ 

Haar telefoontje pingelde. Ze negeerde het en zei: 

‘Nu ik toch die mensen noem: heb je gezien dat ze nu een werkbank en een klikobak op de parkeerplaats hebben neergezet in plaats van twee klikobakken?’

‘Ja. Ik heb de auto ernaast geparkeerd.’

‘Vind je dat niet irritant?’

‘Vroeger wel. Nu trek ik me er niets meer van aan.’ 

De zon ging snel onder. De zomer liep ten einde. Aan de temperatuur te voelen, was het einde nog niet werkelijk in zicht.

‘Ik denk dat ik een mail naar de gemeente stuur hierover.’

‘Waarom?’ Jasmijn keek opzij.

‘Omdat dit me irriteert. Telkens als ik vanuit de keuken naar buiten kijk, zie ik die werkbank en klikobak staan zonder dat er ook maar een spatje gewerkt wordt. Maar als je die man van haar ook ziet, kan die vermoedelijk nog geen hamer vasthouden. Of alleen om te proberen een schroef ermee in te draaien.’ 

Ze zag de blik van haar vrouw en las het nodige hieruit. 

‘Geen mail naar de gemeente sturen?’, vroeg ze uiteindelijk. 

Jasmijn schudde het hoofd en zei:

‘Geen mail, alsjeblieft.’

‘Mooi. Akkoord. Om jou te plezieren. Maar mijn volgend boek speelt zich in dit dorp af en daarin maak ik ze af.’

‘Heel goed. Je moet doen waar je sterk in bent en je niet verlagen naar het kleinburgerlijke gedrag van een aantal asocialen om je heen. Er zijn al te veel mensen die dat doen en de wereld is er hier niet beter door geworden.’ 

Na deze reactie boog Lotte zich voorover en trok Jasmijn naar zich toe voor een kus.

‘Wat ben ik toch met een wijze vrouw getrouwd.’ 

Haar telefoon pingelde nogmaals. Ditmaal haalde ze het uit haar broekzak en vroeg: 

‘Vind je het vervelend als ik kijk wat er is? Misschien heeft het iets met m’n bezoek aan Den Haag te maken.’

‘Ga je gang.’ 

Het roze-rode avondlicht hing als een deken over de duintoppen. Hoewel zij het al zo vaak had meegemaakt, kon Jasmijn er geen genoeg van krijgen. De kleurschakeringen bleven fascineren.

‘Oh, jeetje.’ 

Lotte’s gemompel haalde haar uit haar avondmijmering.

‘Wat is?’

‘Marie wil jou ontmoeten.’

‘Marie?’ 

Ze kon zich niemand met die naam voor de geest halen.

‘Die vermeende tante van je, weet je wel: sociaal media vriendin.’

‘Oh?’ Er was veel verbazing in het tweeletterige woordje gestopt. ‘Hoezo wil ze mij ontmoeten?’

‘Dat was toch heel de opzet van Belletien Quirijns?’, vroeg Lotte, bijna geïrriteerd. Als Jasmijn zich met iets niet wilde bemoeien, was zij daar enorm goed in. ‘Of heb je er geen belang meer bij waar je vandaan komt, hoe jouw verleden is?’

‘Hee, Lot, ik heb enorm veel meegemaakt de laatste tijd en dit is er bij ingeschoten. Maar je hoeft desondanks niet zo’n toon tegen mij te gebruiken.’

‘Sorry.’ 

Ze legde haar hand over de arm van haar vrouw heen en hief met het andere haar glas, dat ze in één teug leeg dronk. 

‘Nemen we er nog eentje?’

‘Lekker.’ 

Ze pakte de lege glazen en ging naar binnen, in het voorbijgaan een kus op Jasmijn’s hoofd gevend.

‘Denk effies na over de vraag of je haar wilt zien’, zei ze en liep door naar de keuken. 

Ze sloot de luxaflex en wierp geen blik meer naar de parkeerplaats. Met een wodka en een mix van whiskey en 7-up voor haarzelf, liep ze terug het balkon op. 

‘En?’, vroeg ze.

‘Nog aan het denken.’

 

     Later die avond in bed zei Jasmijn:

‘Okee.’

‘Huh?’ 

Lotte was half in slaap. Het ging om sex of een boterham pindakaas; zo niet dan had ze geen idee waarover zij het had.

‘Als jij een afspraak met haar maakt, wil ik haar wel ontmoeten.’

‘Wie bedoel je?’

‘Leymah Roberta Gbowee.’

‘Kunnen we dit gesprek morgenochtend voortzetten?’, vroeg ze na lang nadenken.

‘Marie’, zei Jasmijn uiteindelijk.

‘Oh. Mooi dan. Ik neem contact met haar op. En nou slapen.’

 

55. 

     ‘Ben je er klaar voor?’, vroeg Lotte aan Jasmijn die de badkamer uit kwam en haar armen zijwaarts hield om de deodorant te laten drogen.

‘Voor wat?’, was haar wedervraag.

‘Marie.’

‘Oh. Ja. Tuurlijk.’

Lotte had voor haar een afspraak met Marie gemaakt. Alles was via twitter gegaan en ze vervloekte de onhandigheid van het beperkte aantal karakters dat ze tot haar beschikking had. Het was een hoop gepiel om alles neer te zetten zonder abrupt te klinken. Uiteindelijk lukte het. Ze had het adres van het restaurant aan het strand gegeven en Marie had geantwoord daar rond twaalf uur te zijn.

‘Je klinkt niet enthousiast’, merkte ze op.

‘Nah.’ Jasmijn liet de armen zakken en trok een onderbroek aan. ‘Ik weet niet wat ik er van kan verwachten.’

‘Vermoedelijk kom je wat meer van jouw verleden te weten en...’

‘Wil ik dat?’, onderbrak Jasmijn haar. 

Lotte trok de schouders op en antwoordde:

‘Misschien worden hierdoor ongestelde vragen beantwoord. Overigens ga ik vanmiddag om vier uur weg.’ 

Ze staarde naar haar weekendtas, bedenkend wat er verder nog ingepakt moest worden. 

‘Ik kan jou ook rijden’, zei Jasmijn.

‘Neem de moeite niet, lief. Je hebt het al druk genoeg vandaag. En Tillie is gewend mij heen en weer te slepen.’

‘Als je het zeker weet...’ Ze hees zich op het bed en leunde achterover. ‘Laat ze dat joch van haar in een kennel achter of neemt ze hem mee?’

‘Bij haar ex.’ Lotte grinnikte. ‘Is het niet bijna tijd voor je?’ 

Jasmijn knikte en zei dat ze ging. Ze sprong van het bed af voor een knuffel en vroeg: 

‘Zie ik je straks nog?’

‘Ik blijf wachten. Als het te gek laat wordt, ben ik weg. Maar ik zie je liever nog even. En sterkte, lieverd’, zei Lotte na de afscheidskus. 

Met een handzwaai naar achteren verdween Jasmijn het huis uit.

Ze liep de trap af. De buurvrouw kwam juist met haar keffertje naar buiten. Ze liet de buur voorgaan en liep in de hal langs haar heen om de deur voor haar open te houden. Beiden staken de weg over naar de strandopgang. De buurvrouw verdween het terras van het dichtstbijzijndste restaurant op. Jasmijn vervolgde haar weg naar het strand.

Het was druk op de strandopgang voor een vrijdag in de late zomer. De mensen besloten van wat wel eens de laatste zonnige dag kon zijn te genieten. Het was een goed jaar geweest voor strandliefhebbers. De zomer begon in april en de zon had nagenoeg onafgebroken geschenen. De balkondeur was heel het jaar open geweest. Het was een zomer waarin de bomen vroegtijdig bladeren lieten vallen omdat er geen water genoeg was en waarin het gras wekenlang licht en dor in de velden had gestaan.

Het ruisen van de zee kwam naderbij. Een lauwe bries dribbelde langs het helmgras. Zodra de zon haar bereikte, voelde ze de kracht ervan op haar huid branden.

Ze ging op het terras van het restaurant zitten en bestelde een witte wijn. De jonge bediende keek haar lang aan. Als hij “Que?” zou zeggen, had ze een dikke fooi voor hem. Ze herhaalde haar bestelling en met een knik ging hij naar binnen.

Marie kon elk moment komen. Soms keek ze op als een vrouw alleen het terras op kwam, maar haar vragende blik werd door niemand beantwoord.

De bediende bracht haar wijn op een dienblaadje en zette het op een viltje op tafel. Condensdruppels kleefden aan de buitenkant van het glas en gleden gestaag naar het pootje.

Een vrouw met kort krullend blond haar betrad het terras. Jasmijn voelde direct dat dit Marie moest zijn. Ook de vrouw zoomde op haar in. Ze was tamelijk lang en een liefhebber van een bourgondisch leven. Ze droeg een zandkleurige lange broek met slippers, een paars shirtje waarover een losgeknoopt wit overhemd met korte mouwen in de wind wapperde. Dichterbij gekomen merkte ze op, dat het overhemd uit wit en lichtpaarse verticale strepen bestond.

‘Belletien?’, vroeg ze met een afwachtende blik. 

Ze knikte en stond op om de uitgestoken hand te schudden. 

‘Mijn hemel.’ Marie kon de ogen niet van haar afhouden. ‘Ik herkende je vanaf het moment dat ik je zag. Wat lijk je op je moeder. Als twee druppels...’ 

Ze ging zitten. 

‘Was het makkelijk te vinden?’, vroeg Jasmijn. 

‘Leve de TomTom.’ Marie lachte. ‘Wat heb jij?’, vroeg ze toen de bediende bij hun tafel stond.

‘Witte wijn.’

‘Doe mij er ook maar eentje.’ 

Hij staarde haar aan om uiteindelijk richting restaurant te verdwijnen. Marie vouwde de armen op het tafelblad en keek naar Jasmijn. 

‘Zo, dus eindelijk zien we elkaar. Dat was een lange conversatie op het net.’

‘Eerlijkheid gebied mij te vertellen, dat mijn partner die conversatie heeft gehouden.’

‘Oh? Dat heeft ie goed gedaan; ik dacht dat ik met Belletien sprak.’

‘Ze is goed daarin en...’

‘Sorry’, mompelde Marie.

‘...heeft mij van elk woord op de hoogte gehouden. Geeft niet; makkelijke vergissing.’

Zodra de kelner het glas voor haar neerzette, hief ze het naar Jasmijn. 

‘Op deze ontmoeting’, proostte ze. 

Jasmijn nam haar glas op en tikte het tegen de hare. 

‘Het is wel lekker wonen hier.’

‘Het is heerlijk’, bevestigde ze. ‘In de winter is het echt een dorp, maar in de zomer leeft het. We hebben de winter nodig om bij te komen van de zomerse drukte.’

‘Dat kan ik me voorstellen. Wat een mensenmassa op de strandopgang.’

‘Dat valt nog mee. Als je hier in juli was geweest, kon je er niet doorheen komen.’

‘Onvoorstelbaar. Maar er is wel mee te leven?’

‘Als ik om half zes ’s ochtends langs het water loop en er is verder niemand, is het voortreffelijk om mee te leven. Dat soort momenten pikt niemand van ons af.’ 

Ze nam een slokje wijn. De bodem kwam in zicht en ze vroeg zich af of ze er nog eentje zou bestellen.

‘Waarom ben jij sociaal media opgegaan met die naam.’

‘Belletien bedoel je?’ 

Marie knikte en vroeg:

‘Hoe kom je aan die naam?’

‘Mijn vroegere schoolvriendinnetje herkende mij en kwam ermee aanzetten. Omdat ik er niets van wist, hebben we een account gemaakt onder die naam. Jij was éen van de eersten die reageerde. Nee, jij was de enige die reageerde, op de naam bedoel ik.’ 

Ineens vroeg ze zich iets af. 

‘Was je bewust op zoek naar die naam?’, vroeg ze toen.

‘Inderdaad. Eens in de zoveel tijd type ik die naam overal in. Belletien was mijn kleine nichtje. Er is mij altijd verteld dat zij was overleden, maar dat heb ik nooit geloofd. In elk geval ben ik altijd op zoek geweest naar informatie over haar. Uit pure nieuwsgierigheid? Geen idee.’

Het was etenstijd en het terras werd nog voller dan het al was. Toen twee echtparen rond keken naar een vrije tafel, stelde Jasmijn voor om weg te gaan. Ze moest al het hoofd naar Marie toebuigen om haar te kunnen verstaan en dat maakte het gesprek er niet makkelijker op. Ze wenkte de bediende en rekende af. De twee stellen stonden blij en geduldig bij hun tafel te wachten.

‘We kunnen het strand opgaan’, zei ze, eenmaal buiten de omheining van het terras, ‘maar daar is het vreselijk druk zoals je ziet. Als je dat geen punt vindt...’

‘Is er een alternatief?’

‘De duinen. Daar is het altijd rustig. Alleen de dorpelingen gebruiken het.’

Terwijl ze van het restaurant vandaan liepen, kwam het gesprek op de A9 terecht. Marie vertelde over de reis en volgde Jasmijn over de steile afloop dat naar het duingebied leidde, waar ze het gele grasveld op liepen. De zon duwde hun lange schaduwen voor hen uit. Aan de voet van een heuvel gingen ze zitten. Jasmijn vouwde de benen en leunde naar achteren op haar gestrekte armen. Marie keek naar de omgeving, zich verbazend over de rust die hier hing.

‘Weet je’, begon ze toen Jasmijn bleef zwijgen, ‘toen ik jouw naam tegenkwam, moest ik eerst bijkomen. Ik voelde het bloed uit m’n gezicht wegtrekken. Hoewel ik vrij regelmatig naar die naam op zoek was, schrok ik bij het zien er van. Aanvankelijk dacht ik dat iemand een crue grap maakte.’ 

Even keek ze naar Jasmijn die haar blik beantwoordde. 

‘Nu ik jou zo zie, realiseer ik me dat het geen grap was.’ 

Ze hees zich hoger op de heuvel om haar benen te kunnen strekken. Jasmijn vroeg zich af hoe oud zij was. Waarschijnlijk niet veel ouder dan zijzelf of ze zag er gewoonweg jong uit. 

‘Omdat ik in Ghana woon en werk en ik niet altijd wifi verbinding heb daar, kon ik de berichten niet zo vaak beantwoorden als ik wilde. Ik was als de dood dat het account zou worden opgezegd nog voordat ik goed en wel wist wie er achter zat en of dat daadwerkelijk Belletien was.’ 

Een moment plaatste ze een hand op Jasmijn’s schouder en glimlachte kort. 

‘Ik ben blij dat mijn negatieve gedachten niet zijn uitgekomen en dat ik hier met jou zit. Ik had dit nooit verwacht.’ 

Omhoog kijkend naar de zon zag ze deze schitteren in de honderden prismaatjes in haar ogen. Ze wilde niet sentimenteel worden, had zich voorgenomen om zo zakelijk mogelijk te blijven Maar bij het zien van Jasmijn, die zoveel op haar moeder leek, Marie’s enige zus, werd dit haar plots te veel. Ze schraapte de keel en zei: ‘Vertel eens de reis die je hebt gemaakt om in Wijk aan Zee terecht te komen. Waar ben je grootgebracht; wie heeft je grootgebracht.’

‘Er valt weinig te vertellen. Ik ben in opvanggezinnen geweest, daarna tot mijn achttiende in een instituut. Dat was de leeftijd waarop men mij een waardig mens vond dat aan de samenleving kon deelnemen. Tot mijn eenentwintigste heb ik een meldingsplicht gehad aan het instituut’, zei ze met onverholen ironie, ‘en daarna stond ik op mijn eigen benen. Ik heb bij werkgevers een hoop dom werk gedaan, heb studies gevolgd om wijzer te worden, ben mijn partner tegengekomen en dat is het.’

‘Heb je nog contact met de opvanggezinnen?’

‘Nee.’

‘Met iemand van het instituut?’

‘Nee.’

‘Met iemand uit het verleden?’

‘Nee. Mijn verleden begint op mijn twaalfde. Dertien, misschien.’

‘Pardon?’

‘Wat er voor deze leeftijd is gebeurd, heb ik geen flauw idee van.’

‘Whoow...’ 

Marie dacht lang na. De stemmen van mensen die over het zeepad naar het restaurant liepen, kwamen in vlagen bij hun terecht.

Zij kon het zich niet voorstellen dat iemand en deel van haar leven miste. In Ghana had men niet alleen een tastbaar verleden, maar ook een spiritueel verleden dat bestond voordat het lijflijk leven een aanvang nam. Bij Jasmijn was het alsof een deel van haar genetisch erfgoed was weggeslopen.

‘Is er een aanvulling op de opsomming die je juist hebt gemaakt?’, vroeg ze uiteindelijk.

‘Hetzelfde met meer woorden. En die heb ik niet.’

‘Zal ik een aanvulling geven?’ 

Toen Jasmijn na haar vraag bleef zwijgen, zei ze: 

‘Denk er rustig over na.’ 

De zon was warm. Ze trok de hals van haar shirtje naar beneden om meer lucht te krijgen. De kustduinen hielden de zeewind tegen waardoor het hier behoorlijk warm was. Ze wilde er, echter, niet vandaan gaan. Er hing ook een serene rust. Twee bruine honden renden voorbij. Heel even nam eentje van hen de tijd om naar de twee vrouwen te kijken voordat hij verder rende.

‘Je kunt het ook zien als een invulling’, zei ze zacht. 

Ze wilde de stilte tussen hen in niet verbreken, wilde Jasmijn’s keuze niet beïnvloeden.

‘Het enige’, begon deze langzaam, ‘dat ik weet van voor mijn twaalfde, is wat mijn jeugdvriendin heeft verteld.’

‘En dat is?’

‘Dat ik in Maarssen ben opgegroeid en daar op school heb gezeten. Ik heb een hond en een zusje.’

‘Puffer.’ 

Ze keek op toen Marie de naam uitsprak.

‘Puffer’, herhaalde ze.

‘En Lorie.’

‘Lorie?’

‘Jouw zusje.’

‘Ah, heet ze zo. Marjolein wist het niet meer.’

‘Jij en Marjolein waren hecht samen.’

‘Jij kent Marjolein?’, vroeg ze verrast.

‘Meer uit de verhalen die ik heb gehoord van mijn ouders, jouw grootouders dus. Ze leven niet meer, mocht je je dat afvragen. Jouw moeder en ik waren niet hecht en ik ben al jong naar het buitenland vertrokken, Afrika.’ 

Ze opende haar schoudertas en pakte er twee reuze blikken Grolsch uit. Verontschuldigend glimlachend zei ze: 

‘Ik had het vermoeden, dat ik dit nodig zou hebben’, en gaf een blik aan Jasmijn. 

Beiden namen een slok. Marie veegde met de achterkant van haar hand haar mond droog en vervolgde:

‘Jouw moeder trouwde toen ze negentien was. Ze moest trouwen, zoals dat in die tijd heette. Haar man was een jaar jonger, dus beiden waren vreselijk jong. Zijn moeder was zwaar tegen het huwelijk. Haar man moest van haar tegen jouw opa zeggen, dat hij wel iemand kende die met breinaalden tekeer kon gaan.’ Ze lachte kort. ‘Hij werd nog net niet het huis uitgeslagen maar dat scheelde niet veel.’

‘Mijn opa’, mompelde Jasmijn. 

Ze had deze woorden nooit gesproken. Marie hoorde haar niet.

‘Hoewel jouw vader een boerelul was’, vervolgde ze het verhaal, ‘was hij wel een eerbare boerelul en stond erop dat hij en Annie zouden trouwen.’

‘Annie?’

‘Jouw moeder. Oh, je weet de namen natuurlijk niet: Annie is jouw moeder en Koos jouw vader. Lorie hebben we al genoemd. Ze trouwden en jij werd geboren. Ik was twaalf en zat nog op de lagere school. Hoewel ik als kind zijnde al niets voor kinderen voelde, moest ik soms op jou passen als jouw ouders naar een feestje wilden. Ze waren per slot van rekening nog zeer jong en dat soort dingen lieten ze niet voorbij gaan. Ik heb jouw luiers verschoond’, zei ze met een glimlach, ‘en we hebben samen met blokkendozen gespeeld. Jij was gek op blokkendozen, om te bouwen. En op lezen; je zat altijd te lezen. Zittend op de bank met een boek voor ons, leerde ik jou woorden die ver boven jouw leeftijd waren. Maar dat wilde je. In die tijd leefde ik meer bij Annie dan thuis omdat ik daar de vrijheid had om te roken. Dat was een spannende bezigheid op vijftien, zestienjarige leeftijd, en van thuis mocht ik niet roken. Toen ik vijftien was, was mijn pa al overleden en stond het huwelijk van Annie en Koos op z’n laatste benen. Hoe brengen stellen nieuw vuur in hun samenzijn? Door weer een kind te brouwen. Zes jaar na jou werd Lorie geboren. Ik was achttien, bijna negentien en ging een eigen leven leiden. Bij Annie kwam ik nauwelijks meer omdat Koos vanwege een akkefietje gedreigd had mij in elkaar te slaan.’

‘Wat voor akkefietje?’ 

‘Niks bijzonders. Hij had een zak drop in de kast en daar had ik een paar van gepakt. Dat pikte hij niet, het over en weer gemekker escaleerde en hij flikkerde mij het huis uit. Als hij dat niet had gedaan, had hij mij in elkaar gemept. Hij had een kort lontje en het was geen loos dreigement.’

‘Wat deed hij eigenlijk?’

‘Werk, bedoel je?’

‘Uh-huh.’ 

‘Hij werkte bij een garage, hoewel ik geen idee heb wat hij daar deed. Olie verversen misschien; meer verstand had hij namelijk niet. Hij werkte bij die garage, kwam thuis en kleedde zich om in een bermuda en poloshirt, waarna hij op de grond ging liggen slapen. Dat was zijn meest enerverende activiteit van de dag.’ 

Ze keek Jasmijn aan. 

‘Sorry dat ik je vader afbek, maar ik vond hem een boerelul.’ 

Het was haar vaste omschrijving voor de man van haar zus.

‘Ik heb totaal geen affiniteit met die mensen’, merkte Jasmijn op. ‘Met mijn vermeende ouders niet noch met mijn zusje. Ze hebben nooit deel van mijn leven uitgemaakt en ik heb geen gevoel naar hen toe.’

‘Dat is goed om te horen. Dit kan jou helpen met het verdere relaas. Uhm...’ Marie dacht met gefronste wenkbrauwen na  ‘...Lorie werd geboren zes jaar na jou, ja. Ondanks dit en ondanks het feit dat beiden probeerden goede ouders te zijn, dat geef ik hen mee, strandde het huwelijk. Maar net zoals ze bij elkaar waren gekomen door een eerbare geste van Koos, zoals je het zou kunnen zien, bleven ze om die reden ook bij elkaar. Geen van beide wilde het opgeven. De gestes van Koos werden op een gegeven moment omgezet in hardhandige meppen, hoorde ik tenminste van mam, jouw oma, en hij had er geen moeite mee Annie in elkaar te tremmen. Maar vast en zeker met eerbaarheid’, zei ze er cynisch achteraan. 

Ze nam een slok. Het blikje was niet koel meer, maar als ze het blikje heen en weer klotste, voelde het in elk geval kouder aan dan de buitenlucht. 

‘Omdat Lorie alle aandacht opeiste en jij toch wat achtergesteld werd, kwamen ze op het idee om voor jou een hondje te kopen.’

‘Dat was Puffer?’

‘Dat was Puffer, een bruine mormel, dat het midden hield tussen en spaniël en nog iets. Jij liep weg met dat kreng en andersom ook. Jullie gingen overal met z’n tweeën naartoe.’ 

Ze stopte, nam een hap adem om verder te gaan, stopte weer en nam een slok. Ze rookte al jaren niet meer, was op haar twintigste gestopt, maar dit was éen van die schaarse momenten waarop ze dacht dat een sigaretje best goed zou smaken. Jasmijn liet haar begaan. Ze had een blikje bier, zat in de zon, en had nu al veel te verwerken gehad. 

‘Je...’ Marie maakte de zin niet af. ‘Het is...’ 

Na nog een slokje, een keer diep adem halen, vervolgde ze: 

‘Je begrijpt dat alles wat ik vertel in een notendop is. Als je invulling van details wilt, moeten we dat op een later moment doen. Dit is een bliksembezoek want morgenochtend vroeg vertrekt mijn vliegtuig weer.’

‘Ik begrijp het.’

‘Mooi.’ 

Een paar kinderen kropen onder het prikkeldraad door en gleden het duin af. Beneden aangekomen renden ze verder de duinen in en verdwenen uit zicht. Hun onverwachte komst had Marie uit de wereld van het verleden gehaald waarin ze was gezonken. 

‘Wil je meer horen?’, vroeg ze. Jasmijn knikte, zei: “Natuurlijk”, waarna ze vervolgde: ‘Je moet begrijpen dat wat ik je nu vertel tweedehands informatie is: deels van mam, deels uit een andere bron.’

‘’kee.’

‘Het gerucht ging, dat jouw vader jou misbruikte. Ik weet niet op welke manier’, vervolgde ze toen Jasmijn een verraste blik naar haar draaide, ‘en in welke mate, maar dat gerucht deed zich de ronde in de familie. Vermoedelijk heeft jouw moeder iets tegen mijn moeder laten doorschemeren; de ware toedracht weet ik helaas niet. Nu was het zo dat jij anders was dan anderen, je anders gedroeg dan meiden van jouw leeftijd. Later heb ik hier speciaal naar gezocht...’

‘Waar naar?’

‘...naar jouw gedrag. Je was altijd onderkoeld, bijna zonder emotie zou je kunnen zeggen. Uhm, ik weet niet of je ooit hierover bent aangesproken door een arts of een psycholoog, maar zou het kunnen dat je iets hebt in het autisme spectrum?’

‘Het woord “Asperger” is wel eens gevallen’, gaf Jasmijn toe. ‘Maar dan zijn ook schizofreen, paniekstoornis, bipolair en andere soortgelijke woorden waar je niet vrolijk van wordt genoemd. Hierdoor heb ik er nooit extra aandacht aan geschonken.’

‘Ah. Ja. In elk geval begreep ik achteraf pas, dat jij waarschijnlijk daardoor beter met dieren om kon gaan dan met mensen.’ 

Ze klemde het blik tussen haar dijen en trok de hals van haar shirtje verder naar beneden. Het was warm en de alcohol werkte hier aan mee. 

‘Het punt is, dat jouw vader zich hier vreselijk aan stoorde. Hij kon namelijk geen grip op jou krijgen. Annie had hij in zijn macht door haar in elkaar te rammelen. Met Lorie liep hij weg. Met jou... Hij kon geen hoogte van jou krijgen. Als hij jou strafte, trok je de schouders op en liet het gelaten over je heen gaan, zo jong als je was. Des te meer hij invloed op jou wilde uitoefenen, des te minder jij dat toeliet. Een normaal denkend mens zou dit als jouw eigen wil beschouwen, een sterke karaktertrek. Een man als jouw vader, echter, kon dit niet bevatten. Uhm... hier moet ik goed nadenken. Het is lang geleden, maar heeft wel een krater achtergelaten waarin alles is opgeslagen.’ 

Ze keek naar de blauwe lucht, haar gedachten ordenend. Jasmijn onderbrak de stilte niet. 

‘Het was op een...’, vervolgde ze na kort nadenken, ‘...het moet in het weekend zijn geweest, omdat Koos thuis was. Op een dag, een zaterdag vermoedelijk, was jij met Puffer de straat opgegaan en kwam te laat thuis. Koos had jou op het hart gedrukt, dat je om vijf uur binnen moest zijn voor het eten, omdat hij daarna naar zijn ouders zou gaan. Jij kwam te laat en daar is hij enorm boos om geworden. Vanwege jouw onverschillige houding, ging hij door het lint.’ 

Ze zuchtte diep en wreef met een hand door haar haar. Zweetdruppels trilden over haar slapen en volgden haar kaaklijn waar zij hen met een achteloos gebaar wegzwiepte. 

‘Hij moest en zou jou straffen omdat je te laat was; zo was hij nu eenmaal. Hij was een impulsief mens en in mijn beleving is dat het soort mens op wie je het minst kunt bouwen. In het kort: hij heeft een mes gepakt en jou geraakt op de enige manier waarvan hij wist dat deze zou werken: hij stak het mes in Puffer. Sorry dat je dit moet aanhoren.’

‘Het is goed’, mompelde Jasmijn.

‘Uhm... Na dit incident pakte jij Puffer op en nam hem mee naar jouw slaapkamer waar je op bed ging zitten. Koos riep jou terug, maar je reageerde niet. Het verhaal gaat, dat toen Koos jouw kamer binnen kwam om jou tot orde te roepen, jij het mes uit Puffer trok en hem in zijn buik stak. Het toeval wil, dat je een slagader raakte waardoor Koos binnen de kortste keren dood bloedde.’ 

Het was een koele opsomming van feiten vermengd met supposities en vermoedens. De feiten waren dat Puffer dood was, dat haar vader dood was, dat er een mes en veel bloed mee gepaard waren gegaan. Ze zag de scene duidelijk voor zich; het was namelijk het droombeeld van haar dagmerrie waarmee zij altijd wakker werd. Door de jaren heen had zij deze goeddeels kunnen vervangen door zich te concentreren op een strand waarover Puffer rende. Ze was er zeker van dat het Puffer was, hoewel er verschillende hondensoorten haar droom bevolkten. Puffer als “iederhond”. Uiteindelijk bleek deze droom een weerspiegeling te zijn van het ware leven.

‘Weet je wat ik denk?’ Marie’s stem haalde haar uit haar gedachten. ‘Mijn persoonlijke vermoeden is dat jouw moeder jouw vader heeft neergestoken. Ze moest op de éen of andere manier van hem af zien te komen, en dit was de juiste gelegenheid.’ 

Jasmijn knikte na deze woorden, de zoveelste suppositie die ze deze middag hoorde.

‘Het... pffft, het is me allemaal een beetje veel geworden’, zei ze en stond op. 

Ze nam een slok en wierp het blikje hard van zich vandaan. Er was geen andere manier om haar onvrede te uiten. Zich omdraaiend om Marie aan te kijken, een vrouw van wie ze een paar maanden eerder het bestaan niet wist, die ze een paar uur geleden nog nooit had ontmoet, vroeg ze: 

‘Zeg je dat nou om mij van een last op m’n schouders af te helpen, dat mijn zogenaamde moeder hierachter zit? Want, geloof me, ik voel totaal geen schuld.’ 

Al tijdens haar eerste woorden schudde Marie het hoofd.

‘Kom nog even zitten’, zei ze. 

Jasmijn keek naar haar grillige lange schaduw die de paar passen terug naar de heuvel met haar meeliep. Ze ging zitten. Marie stootte haar aan en hield haar eigen blikje voor haar op. Met een paar slokken dronk Jasmijn het leeg en verkreukelde het. Een scherpe punt sneed haar in de wijsvinger. Het voelde goed. 

‘Ik zeg dit niet om jou van een eventuele last te bevrijden’, vervolgde de oudere vrouw. ‘Ik zeg het omdat ik mijn zus ken. Ze is even onbetrouwbaar als het water diep is en ze liegt zo goed dat ze zichzelf ervan kan overtuigen, dat de leugen de waarheid is. Heel haar leven heeft ze gelogen: tegen onze ouders, tegen haar vriendinnen, tegen haar vriendjes, tegen haar zusje. Omdat wij als kind zijnde een kamer deelden, ken ik haar beter dan anderen haar ooit gekend hebben. Tuurlijk, haar man kende haar, maar dan kende heel mannelijk Maarssen haar, dus dat is niets nieuws. De pest is dat we er nooit meer achter zullen komen wat wel en niet waar is in dit relaas. Ook niet als we Annie zouden vinden, want wanneer vertelt ze de waarheid en wanneer niet. Dat zal altijd de vraag zijn. Wil je mijn versie nog horen?’

‘Ja.’

‘Goed. Wat er in mijn beleving is gebeurd, is dat het verhaal klopt tot en met het moment waarop jij met Puffer de slaapkamer binnen gaat. Jouw vader gaat jou achterna voor wat voor reden dan ook. Misschien had ie niets kwaads in de zin, want je kunt mij nog meer vertellen, maar als je net het hond van je dochtertje hebt doodgestoken, word je cru wakker geschud. Volgens mij is Annie meegegaan en heeft zij het mes uit Puffer getrokken en heeft daarmee jouw vader doorboord. We zullen nooit weten wat de ware toedracht was, maar je kunt mij werkelijk niet wijsmaken, dat een achtjarig meisje haar vader zodanig hard in de buik kan steken, dat er een slagader geraakt wordt. Daar is meer kracht voor nodig dan een achtjarige kan opbrengen.’ 

Mistroostig schudde ze het hoofd. 

‘Helaas geloofde men Annie’s versie. De politie kwam erbij, jij werd uit het gezin gerukt en bij anderen ondergebracht. Je hebt een nieuwe naam gekregen en kwam uiteindelijk in een instituut terecht waar je heropgevoed werd.’ 

Ze keek opzij, Jasmijn’s profiel bestuderend. Al deze informatie moest rauw op haar dak vallen. Het viel haar, echter, op hoe neutraal haar gezicht bleef. Ook nu tuurde ze voor zich uit zonder enige vorm van emotie te tonen. Misschien dacht ze over de woorden na, over het voorval met haar vader, maar toen ze zag hoe de ogen een over het gras hoppende ekster volgden, vermoedde ze dat dit niet het geval was. Kort legde zij haar hand op haar bovenarm om de aandacht te krijgen.

‘Heb je misschien zelf nog vragen?’, vroeg ze toen. 

Hoewel haar nicht eerst het hoofd schudde, vroeg ze een moment later:

‘Wat is er met Lorie gebeurd?’

‘Geen flauw idee. Sorry. Ik heb al jaren geen contact meer met Annie, ongeveer sinds begin jaren ’80. Ook haar heb ik via sociaal media geprobeerd te traceren, maar dat is op niets uitgelopen.’ 

Ze was 61. Vijf jaar lang had ze via websites een teken van leven van haar nichtjes gezocht en alleen diegene kunnen vinden, waarvan zij nooit verwacht had deze ooit weer te zien.

‘Waarom dacht je dat ik overleden was?’

‘Hoezo dacht ik dacht?’

‘Op twitter zei je, dat de Belletien die jij kende overleden was of woorden van die strekking.’

‘Ach ja... Dat was meer om degene die aan de andere kant zat uit de tent te lokken. En omdat mij dat is wijsgemaakt. Meer niet.’ 

Hoewel ze het onopvallend deed, zag Jasmijn hoe zij op haar horloge keek. Marie ving haar blik op en glimlachte verontschuldigend. 

‘Sorry’, zei ze. ‘Het is een lange reis geweest, een heftige dag en morgen moet ik weer vroeg weg. Is er nog iets anders?’ 

Ze veerde overeind. Haar benen waren stram van het lange zitten.

‘Weet je mijn geboortedatum?’, vroeg Jasmijn. Dit was eigenlijk het enige waar zij benieuwd naar was.

‘Drie februari 1971. Ik zal die datum nooit vergeten.’ Ze keek nogmaals op haar horloge. ‘Ik moet nog naar Schiphol rijden vanmiddag en er zijn werkzaamheden.’ 

‘Ik begrijp het’, zei Jasmijn knikkend. 

Eindelijk een praatje waar zij wat mee kon: verkeerssituaties en de A9.