Onderstaand de hoofdstukken van het feuilleton van de voorpagina. Dit wordt regelmatig aangevuld zodat de voorpagina leesbaar blijft.
1.
Naast haar vrouw in bed zittend, at Jasmijn haar toast en veegde de kruimels van haar borsten terug op de houten plank.
‘Ik begrijp dus totaal niets van hetero relaties’, zei Lotte, berichten op haar iPad lezend. Ze nam een hapje van het stuk geroosterd brood dat Jasmijn voor haar op hield. ‘Ik bedoel’, vervolgde ze: ‘je ligt daar een kind te baren en twee kamers verderop ligt je man, de vader van dat kind van je, te rampetampen met jouw zogenaamde beste vriendin. Hoe achterlijk ben je om daarna nog steeds te beweren dat je van ‘m houdt.’
‘Liefde is een vreemd iets’, was Jasmijn’s neutrale opmerking.
‘Ik begrijp niets van hetero relaties’, herhaalde Lotte maar weer.
‘Vraag het aan je broer. Na drie huwelijken zou hij er kenner moeten zijn.’
‘Of juist niet aangezien ze allemaal in een scheiding zijn geëindigd.’
Lotte pakte het stukje toast dat tussen de lakens was gerold en at het op.
‘Ook dat lag zeker niet aan hem’, zei Jasmijn zacht, maar net hard genoeg voor haar vrouw.
‘Zit het jou nog steeds dwars dat hij niet op mijn verjaardag is gekomen?’, vroeg ze.
‘Nee.’ Jasmijn liep naar de badkamer om haar haar te borstelen. ‘Wat mij dwars zit, is dat hij te gierig was om een bijdrage aan het cadeau te doen “omdat hij geldproblemen heeft”.’
Lotte hoorde de aanhalingstekens waarmee Jasmijn sprak.
‘Dat komt zeker omdat hij die drie exen moet onderhouden.’
‘Het is al weer een half jaar geleden’, zei ze. ‘Laat gaan, Jas.’
Ze kwam terug de kamer in en pakte een oogpotlood uit de la.
‘Overigens had hij merkwaardig genoeg geen geldproblemen om kaarten te kopen voor dat concert van Coldplay pasgeleden. Jezis, da’s pas geld weggooien.’
‘Had je er minder moeite mee gehad als het Bowie was geweest?’, vroeg Lotte, de conversatie een andere richting uitsturend zodat haar vrouw niet bleef mopperen.
‘Stukken. Weet je...’ het oogpotlood wipte op en neer tussen haar vingers ‘...net zoals ik van mening ben dat je eerst een IQ test moet doen voordat je mag stemmen, zou je ook verplicht moeten worden om naar echte muziek te luisteren voordat je ook maar een mening over deze liftmuzak mag geven. Maar vijftig, zestig euro voor een kaartje naar een concert van supermarktgereutel maakt geen inbreuk op de portemonnee van iemand die geldproblemen heeft.’
Ze gooide de potlood terug in de la en kuste haar vrouw. Deze hield haar aan de kraag van haar hemd vast.
‘Veel plezier vandaag, mopperkont’, zei ze met een grijns.
‘Dat gaat helemaal lukken.’
Ze pakte haar tas en ging het huis uit, nam de twee trappen naar beneden, en kreeg onmiddellijk problemen met het keffertje van de buurvrouw dat altijd op de uitkijk stond om haar in de enkels te bijten. Bijna ongeschonden kwam ze bij haar auto terecht. De beneden buurman had zijn derdehands pooierbak weer zo geparkeerd, dat het veel moeite kostte uit het parkeervak te laveren zonder roest van hem op de motorkap te krijgen.
Ze reed langs het plein en de laatste huizen het dorp uit en werd onmiddellijk omringd door bomen aan beide zijden van de weg. Ze kwamen langzaamaan weer in de knop. Als het meezat, was het hier over een week een zee van groen.
Ze draaide de A9 op en reed richting Alkmaar, langs het kanaal. Sinds twee weken had ze weer werk nadat ze zeven maanden thuis had gezeten. Het was heel onverwacht geweest, waarbij ze gebruik maakte van een gelegenheid, zonder er verder bij na te denken.
De tweehands boekwinkel die zij in Alkmaar had ontdekt, zocht personeel. Niet officieel via de banenmarkt waarop ze kon solliciteren, maar als een terloopse opmerking. Marleen, de eigenaresse van de winkel, en Haaye, het enige personeelslid, waren in gesprek over de voorraad boeken in de kelder onder, die door de vorige eigenaar in dertig jaar bijeen vergaard was. Marleen wilde deze geïnventariseerd zien terwijl Haaye terecht vermoedde, dat deze bezigheid van zijn leestijd zou afgaan. Het hoofddoel van zijn aanwezigheid in de winkel bestond uit het zitten in een makkelijke fauteuil achter het oude bruine bureau, dat als toonbank dienst deed, en alle rekken leeglezen.
De twee collegae waren hierover druk in gesprek toen Jasmijn met een boek in de hand bij de kassa aankwam, het gekaats over en weer volgde en opmerkte:
‘Misschien kan ik helpen.’
Het gekibbel stopte en beide gezichten draaiden zich naar haar. De ene was van een vrouw rond begin vijftig met rommelig haar en vriendelijke ogen, het andere van een jongeman in de twintig, met een flinke donkere haardos en blauwe ogen.
‘Hoe?’ Haaye reageerde als eerste.
‘Bij mijn vorige werkgever heb ik altijd inventarisatie gedaan. Werkgevers.’
Ze noemde de meervoudsvorm om aan te geven, dat zij wist wat er in de wereld van het inventariseren te koop was. De twee tegenover haar wisselden een blik.
‘Hoe duur ben je?’, vroeg Marleen toen.
Ze trok de schouders op; een gebaar dat een glimlach op Marleen’s gezicht bracht.
‘Weekje op proef, onbetaald?’
Het was een hoopvolle vraag; eentje waarvan ze dacht dat deze niet zou worden geaccepteerd.
‘Och, waarom ook niet’, zei Jasmijn na kort nadenken. ‘Ik heb verder toch niets om handen en ik hou van boeken.’
Haaye haalde opgelucht adem halen, blij dat hij onder het echte werk kon uitkomen. Hij stelde zich aan haar voor, zakte in de fauteuil, pakte het opengeslagen boek op en las verder.
Marleen nam Jasmijn mee naar de kelder en wees naar de boekenkasten langs de wanden waar tientallen dozen kris-kras voor stonden. De boeken in de kasten lagen in een hoop op elkaar, sommigen zij een zij, anderen opgestapeld op planken die onder hun gewicht waren bezweken. Dozen waren geopend en achteloos weer gesloten; anderen hadden nooit het daglicht gezien.
‘Dit is het.’ Ze stond met de handen in de zij en keek om haar heen voordat ze naar Jasmijn keek. ‘Denk je dat je het aan kunt?’, vroeg ze.
‘Het meest tijdrovende zal zijn om alles uit te zoeken’, zei Jasmijn. ‘En dat is nu precies waar ik goed in ben.’
‘Mooi.’
‘Heb je nog een speciale voorkeur?’
‘Hoe bedoel je? Van hoe te inventariseren bedoel je toch hopelijk niet, want daar weet ik niks van.’
‘Nee, neenee: welke boeken de voorkeur hebben en welke direct in de ramsj kunnen.’
‘Ah. Streekromans zijn compleet uit. De vrouwen die dat lazen, zijn een uitstervend soort. Dus die en meer van dat genre boeken kunnen wat mij betreft in de dozen blijven. Mysterie en detectives blijven altijd verkopen. Momenteel zijn de Scandinaviërs in zwang, maar alles waarin iemand wordt omgebracht, is goed voor de verkoop. Niche boeken zijn goed. Hobby boeken eveneens, maar niet van die reeksen waar mensen simpel van worden, je weet wel: die nagellak voor dummies boeken enzovoorts. Kookboeken gaan nooit uit, evenals reisgidsen, maar niet ouder dan twee jaar. Zijn ze daarentegen weer heel oud, dan zijn ze wel weer goed voor de verkoop. Uhmm, wat nog meer...’
‘Ik denk dat ik het wel zo’n beetje door heb’, zei Jasmijn, en volgde haar de houten trap op terug naar de begane grond.
‘De koffie staat te pruttelen’, riep Haaye behulpzaam toe vanuit zijn fauteuil.
Marleen nam twee mokken mee en ging Jasmijn voor naar een tafel achterin de winkel, vlak naast de trap naar de kelder.
‘Dit is jouw werkplek’, zei ze. ‘Richt het in zoals je wilt. Ik zal er nog een stoel bij zoeken.’
Ze ging op tafel zitten. Jasmijn bleef schuin tegenover haar staan en leunde met haar rug tegen een pilaar.
‘Ik ben altijd benieuwd waarom iemand van boeken houdt.’
‘Ik kan het me niet voorstellen waarom iemand dat niet doet.’ Ze nam een slok koffie terwijl en keek over de rand van de mok naar Marleen. ‘Ik heb altijd gelezen. Niks was te slecht of te moeilijk of ik las het. En nog steeds. Mijn partner schrijft zelf romans, dus dat scheelt ook.’
‘Is hij bekend?’
‘Zij.’
‘Oeps, sorry.’
‘Maakt niet uit.’
‘Domme aanname van me’, zei Marleen als verontschuldiging.
‘Ze is redelijk bekend. Ik hoop alleen dat ik niet eentje van haar in die dozen tegenkom.’
‘Omdat je bang bent dat je niet weet waar je haar onder moet plaatsen?’, vroeg Marleen met een knipoog.
‘Het komt in elk geval niet in de bak met streekromans. Lotte Davelaar is mijn partner.’
‘Lotte Davelaar...’ Met een frons tussen de wenkbrauwen dacht Marleen na. ‘Ja, die ken ik. Ik heb boven twee boeken van haar.’ Ineens had het dalende kwartje in haar hersens de juiste plek bereikt. ‘Jeetje, Lotte Davelaar... Wauw. Hoor je dat, Haay?’, riep ze naar voren.
‘Wauw’, klok het braaf terug.
Marleen schudde grinnikend het hoofd om zijn lauwe reactie en zei:
‘Ik hoop dat je je zult vermaken hier. Kan ik jouw 06 krijgen zodat ik je kan bereiken?’
Ze wisselden telefoonnummers uit en Jasmijn beloofde de volgende morgen te zullen beginnen.
Dat was twee weken geleden en ze werkte er nog steeds. Het salaris was niet noemenswaardig, maar dat had ze ook niet verwacht. In elk geval deed ze het werk waar ze dertig werkzame jaren in het bedrijfsleven alleen van had kunnen dromen.
2.
De mok met koffie stond op de punt van de tafel koud te worden. Jasmijn zat over een dik boekwerk heen gebogen. Hierin waren alle boeken opgenomen die tot op heden waren uitgekomen bij een officiële uitgever. De rest van de tafel was volgebouwd met boeken die als een fort om haar heen stonden.
Ze had een aantal boeken gevonden in een Slavische taal. Vermoedelijk Pools, maar omdat de Slavische talen onderling zovele overeenkomsten hadden, was dit niet zeker. Het kon net zo goed Tsjechisch zijn. Ze probeerde de naam van de schrijver hardop uit te spreken, toen Marleen over de voorste stapel boeken heen boog.
‘Hoe gaat ie?’, vroeg ze.
‘Prima.’ Ze hield haar vinger op de bladzijde van het grote boek.
‘Je hebt het er maar druk mee.’
‘Druk, maar ook interessant om uit te zoeken.’
‘Mmh, ja, maak dat Haaye maar wijs.’
Ze nam een slok koffie en boog verder voorover, zodat een rij boeken angstig meeschoof. Jasmijn hield deze met haar vrije hand tegen.
‘Sorry.’ Ze ging meteen rechtop staan en schoof de rij terug. ‘Wat ik wil zeggen: er komt zo meteen een klant die boeken van zijn overleden vader brengt. Ik begreep dat zijn vader bibliofiel was en deze zoon niet het wiel heeft uitgevonden. Hij heeft er dus ook geen idee van wat die boeken waard zijn. Hij ziet alleen geld. Ik heb hem ongezien zeshonderd piek beloofd voor alles.’
‘Da’s een flinke prijs.’
‘Inderdaad’, stemde ze knikkend in. ‘Maar hij noemde een paar titels op die mij wel aanstonden. Punt is: ik moet er effentjes tussenuit, dus als die man komt, wil jij hem te woord staan? Aan ons leeswonder heb ik namelijk niks in dit soort zaken.’
‘Het leeswonder is niet doof, dames’, klonk het van achter het bureau.
‘Negeer ‘m maar; dat doe ik al jaren. Als je wat van de prijs af kunt pingelen dan is het meegenomen, maar het is geen heilig moeten. Ik wil namelijk niet dat hij de boeken ergens anders brengt.’
‘Okee. Gaat lukken.’
‘Hij komt zo rond tienen.’ Ze keek op haar mobiel om te zien hoe laat het was. ‘Ik ga een paar boodschappen doen en hopelijk ben ik op tijd terug. Wil je nog iets voor bij de koffie? Als ik dan toch in de stad ben...’
‘Boterkoek’, zei ze prompt. Ze was dol op boterkoek maar Lotte vond het spul moddervet en wilde het niet in huis hebben.
‘Boterkoek’, herhaalde Marleen en ging weg om twee tellen later weer terug te komen. Jasmijn was alweer in haar werk verzonken. ‘Overigens: het geld voor de boeken ligt in de la van het bureau.’
Ze vertrok en liet bij het weggaan de heer Van Zanten binnen. Deze man was een vaste klant van de boekwinkel waar hij bijna dagelijks te vinden was, zittend in een fauteuil die bij de reisboeken was opgesteld. Hij pakte dan een boek uit één van de vele kasten, ongeacht welke, en liep hiermee naar de fauteuil om te lezen. Het boek zou hij lukraak op een pagina openslaan en verdiepte zich hier de verdere dag in. Pas na drieën vertrok hij weer. Soms kocht hij het boek om er thuis mee verder te gaan en bracht het dan de andere dag weer terug om te verkopen.
Zodra hij meneer Van Zanten zag binnenkomen, schonk Haaye een mok koffie voor hem in en zette deze op het krukje naast zijn fauteuil. Ook deze morgen bracht hij koffie naar de man en ging op de terugweg bij Jasmijn langs. Hij bleef aan de zijkant van de tafel staan om te zien wat ze aan het doen was voordat hij zijn eigen fauteuil opzocht om verder te lezen.
Jasmijn legde het boek van de Slavische auteur op de anderen tegen de wand. Het was een stapel waar nader onderzoek naar gedaan moest worden. Ze ging de kelder in. Het was koel beneden, de juiste temperatuur voor boeken. Dat moest de reden zijn dat ze in zeer goede staat waren, zeker voor tweedehands boeken. Er waren geen vochtvlekken noch andere staten van ontbinding die aan weersomstandigheden te wijten waren.
Tijdens haar initiële zoektocht had ze opgemerkt dat er nog een doos met Slavische schrijvers was maar kon het zich niet meer herinneren waar, en zocht een paar dozen na. Het veertig Watt peertje dat sinds jaar en dag in deze kelder hing, had een okergele halo van tien centimeter diameter en ze moest haar telefoon gebruiken om bij te lichten. Het lukte haar de doos te vinden en nam het mee naar boven. Met het hoofd schuin langs de doos heen kijkend, kreeg ze het zonder kleerscheuren boven. Ze zette het neer, bond het rood-witte lint voor de opening van de kelder, en schoof de doos door naar haar tafel. Ze keek op toen de deur open ging. Een man wiens overhemd te ver was losgeknoopt in verhouding tot het weer, bleef bij de kassa staan.
‘Hallo’, zei hij op Haaye’s groet. ‘Ik kom een paar dozen boeken brengen. Dit heb ik met Margreet afgesproken.’
‘Marleen’, verbeterde Haaye hem. Zijn wijsvinger zat tussen de bladzijden waar hij was gebleven. ‘Mijn collega weet hier alles van.’
Hij wees naar achteren. Jasmijn stond op en liep langs de kasten op de man af.
‘Goedemorgen’, groette zij hem.
‘Hallo. Marleen...?’
‘Jasmijn. Marleen is er op dit moment niet, maar zij heeft mij over uw komst ingelicht.’
Haaye trok glimlachend de wenkbrauwen op over haar pompeuze manier van praten en ging weer zitten.
‘De boeken zijn in de auto?’, vroeg ze toen en ging samen met de man naar buiten.
De straat was smal en de auto stond onhandig krap tussen twee paaltjes geparkeerd. Hierdoor had het rijdende verkeer een rijbaan tussen auto en gracht. Ook tussen de auto en de winkel was een smal pad vrij gelaten. Hij opende de portier naar de achterbank. Het kon maar driekwart open. Hij schoof een doos van de achterbank af en gaf deze aan haar.
‘Het is zwaar’, waarschuwde hij.
Zonder een spier te vertrekken, liep ze met de doos in haar armen de winkel binnen en plaatste deze naast de deur. Weer terug buiten, zag ze Marleen aan komen. Ze nam de volgende doos mee naar binnen en kwam de man bij de deur tegemoet, die haar de volgende doos overhandigde.
‘Lukt het?’, vroeg Marleen. Ze zette de tas met boodschappen op het bureau. ‘Moet jij niet helpen?’, vroeg ze toen aan Haaye.
‘Je had deze opdracht toch gedelegeerd?’, was zijn wedervraag.
De man had de kofferbak van zijn auto geopend en Jasmijn pakte er een doos uit. Ze zag dat er ook nog plastic tassen met boeken tussen de dozen gepropt waren en zelfs boeken die los lagen. Er was nog heel wat heen en weer gesjouw nodig en er liepen nu al straaltjes zweet over haar rug.
Marleen en de man schoven opzij toen zij voorbij kwam en bleven voor de auto staan praten. Binnen zette ze de doos op de anderen en bleef een moment staan om op adem te komen.
‘Gaat het?’, vroeg Haaye, opkijkend van zijn boek.
‘Beweeg je vooral niet’, zei ze tegen hem.
‘Ik neem aan dat dit geen commentaar is maar een bevel’, zei hij terug en draaide zich een kwartslag in de fauteuil, zodat zijn rug tegen de ene armleuning kwam, en zijn benen over de andere konden bengelen.
Buiten boog Jasmijn zich voorover om de volgende doos te pakken toen ze een hoop herrie hoorde. Met de doos in haar armen keek ze om en zag een man haar richting uit rennen. Hij werd op de hielen gezeten door twee andere mannen, beiden een kop groter en een lichaam breder dan hijzelf was. Ze stapte opzij, niet wetende welke kant van de auto de mannen gingen nemen, en kwam erachter dat ze verkeerd had gegokt: de kleinere man duwde haar hard opzij en koos het smalle pad tussen auto en winkel. Ze klapte tegen de auto, stuiterde met doos en al naar de grond waar het karton open scheurde en de inhoud op straat werd gespuugd. Door deze actie was de weg voor de andere twee mannen versperd. Ze moesten om de auto heen rennen en eenmaal terug op de stoep, was de kleinere man uit het zicht verdwenen. Verder rennend naar het einde van de straat, keken ze links en rechts, zagen niemand meer, en besloten op de gok naar rechts te gaan.
Jasmijn werd door Marleen overeind geholpen. Ze hield een hand over haar mond gevouwen en voelde warm bloed tussen haar vingers sijpelen.
‘Wat was dat allemaal?’, vroeg Marleen.
Ze probeerde te antwoorden, dat ze er geen idee van had welke tank over haar was heen gewalst, maar kreeg de woorden niet uit haar mond. Plots zag ze het hoofd van Haaye die haar hand weghaalde zodat hij haar mond met een papieren zakdoekje kon schoonmaken. Het deed zeer en met een onwillekeurige beweging trok zij haar hoofd weg. Ze hoorde Marleen tegen de man zeggen, dat hij de boeken zelf naar binnen moest brengen, zodat de auto niet langer de weg zou versperren.
‘Gaat ie?’, vroeg Haaye. Ze knikte voorzichtig. ‘Hoeveel vingers steek ik op?’
Marleen gaf zijn hand een klap, toen hij zijn middelvinger omhoog deed. Zowel hij als Jasmijn grinnikten.
‘Het werkt in elk geval’, zei hij tegen Marleen.
Ze hielpen haar de winkel in.
‘Het gaat’, mompelde ze verlaat op de vraag.
‘Hou wel het zakdoekje tegen de lip aangedrukt’, adviseerde Haaye. ‘Zometeen doe ik er een verbandje op. Of wil je naar de SEH?’
Ze schudde het hoofd op deze suggestie. Binnen werd ze in de fauteuil van Haaye gedrukt en bleef daar een beetje daas zitten. Hij hurkte voor haar neer en keek naar de wond.
‘Ik ben ooit eens verpleegkundige geweest in een vorig leven’, zei hij tegen haar, ‘dus ben in elk geval bevoegd om jou een aspirine te geven.’
‘Helpt dat tegen de pijn?’, vroeg ze.
Hij moest er moeite voor doen haar woorden te begrijpen.
‘Laten we hopen. Neem er anders twee.’
‘Ben je verpleegkundige geweest om dit soort advies te kunnen geven?’, vroeg ze hem.
‘Ik versta je nauwelijks’, zei hij, ‘maar als ik vermoed dat wat jij heb gezegd en wat ik heb gehoord hetzelfde is, geef ik er geen antwoord op.’ Hij haalde het zakdoekje weg. ‘Het ergste bloeden is gestopt. Er zit een snee links boven de bovenlip. Effies zien of tie goed heelt zonder hechtingen, anders moet je toch naar de eerste hulp, Jas.’
Hij zocht in de verbanddoos naar een gaasje, vond deze niet en nam toen een brede pleister. Nauwkeurig plakte hij deze over de wond heen.
‘Hee, sterkte nog’, groette de man van de boeken haar, en stak zijn hand op.
‘Moet ze niet naar het ziekenhuis?’, vroeg Marleen aan Haaye.
Ze boog zich om Jasmijn in de ogen te kunnen kijken, checken of ze nog helder was.
‘Nah, niet nodig volgens mij.’ Hij drukte de plakranden wat steviger aan. ‘Dit moet helpen. Het kan wel zeer doen als je de pleister eraf haalt. Je zult misschien een stuk van je snor meetrekken, maar verder is er niets aan de hand.’
Marleen schoot in de lach.
‘Wil je wat drinken?’, vroeg ze toen. ‘Oh ja, ik heb boterkoek meegenomen.’
‘Ze kan haar mond nauwelijks openen’, merkte Haaye op, ‘dus hoe denk je dat ze kan eten of drinken?’
‘Met veel moeite.’
‘Of met een rietje.’
‘Wil je de boterkoek met een rietje opzuigen?’, vroeg Marleen haar.
Jasmijn ging overeind zitten en voelde aan de pleister op haar bovenlip. Het enige wat ze op dat moment hoopte, is dat ze niet zo getikt zou worden als die twee tegenover haar.
3.
‘Wat is er met jou gebeurd?’ Lotte keek over de bar van de keuken naar haar vrouw die vroeger dan anders thuis kwam. ‘Gevochten met een klant die het gebruik van een apostrof onzin vindt?’
Ze liet het koken voor wat het was en sloeg haar armen om haar heen. Dichtbij zag ze pas de pleister onder haar neus. Eerder was alleen het blauwe oog opgevallen.
‘Hoe krijg je dit nou weer voor elkaar?’
Jasmijn begon over de dozen met boeken te vertellen, de auto, de kleine man die haar wegduwde, maar na een aantal woorden schudde Lotte het hoofd en zei:
‘Ik begrijp geen moer van wat je zegt.’
Praten deed zeer. Het lukte Jasmijn niet haar lippen verder dan een goede ademinhaal uiteen te doen. Ze trok de schouders op, legde haar jasje over de leuning van een stoel en ging op de bank zitten. Op haar iPad schreef ze in het kort het verhaal op. Tijdens het typen, las Lotte over haar schouder mee.
‘Stop met het corrigeren van de typos’, merkte ze meteen op, ‘ik weet wat je bedoelt. Het is verdomme geen essay die je moet inleveren.’
Na alles gelezen te hebben, vroeg ze:
‘Heb je aangifte gedaan bij de politie?’
‘Waarvan?’, typte Jasmijn.
‘Dit is toch een geweldsdelict, zoals de politie het zo lekker knullig omschrijft.’
‘Het was een ongeklukje.’
‘Klukje of niet, je zou er werk van moeten maken.’
‘Hoe leg ik het uit? Ik kan niet lullen, verdorre.’
‘En nauwelijks typen.’ Ze kuste Jasmijn’s vingers. ‘Blijf lekker onderuit hangen’, zei ze, ‘en trek je spartelpak aan. Geen zorgen verder; ik heb voor het eten gezorgd vandaag. Weet je waarom? Ik heb m’n verhaal af. Jeeei, ikke.’
Ze stak haar handen juichend in de lucht. Jasmijn feliciteerde haar en ging door naar de slaapkamer om zich om te kleden. Met een jogging broek en lang t-shirt aan was ze benieuwd naar wat ze vanavond te eten zou krijgen. Lotte had welgeteld twee gerechten in haar repertoire, dus het was een keuze tussen pilav of een preischotel, en het rook niet naar prei.
‘Lukt het jou eigenlijk wel om te eten?’
‘Moet maar proberen’, zei Jasmijn zonder de lippen van elkaar te halen.
‘Anders zet ik dit in de koelkast en nemen we iets anders. Ik kan ook een patatje halen’, stelde ze voor. ‘Ik denk dat dat makkelijker is dan dit. Lepel versus vinger-eten. Ik haal wel een patatje’, besloot ze voordat Jasmijn tijd had te reageren. ‘Dan kun jij intussen het laatste stuk lezen. Ik stuur het via de mail naar je toe.’
Ze trok ze haar schoenen aan, keek of ze geld genoeg bij zich had en ging naar beneden. Het keffertje kwam door het kattenluikje naar buiten gestormd maar ze was hem te snel af.
Jasmijn las het laatste deel van het verhaal. Elk woord, elke letter hield haar vast en toen ze het allerlaatste stukje tweemaal had gelezen, zette ze haar iPad uit. Ze voelde een trots in haar opwellen; een trots dat Lotte zulke mooie verhalen kon schrijven, met emotie die zonder onduidelijke sentimenten gevuld waren, en toch veel humor had. Lotte zelf had ooit eens gezegd, dat ze geen serieus verhaal zou kunnen schrijven al werd er een pistool tegen haar slaap gehouden.
Ze typte dit uit om te laten lezen, en was nog bezig toen ze de buitendeur hoorde openen en Lotte terug kwam van de frieterie.
Na het eten viel ze in slaap.
Het zou een aantal vermoeiende dagen worden.
Ondanks dat de pijn haar ’s nachts een paar keer wekte, had ze na een cocktail van paracetamol en ibuprofen een goede nachtrust gehad waaruit ze uitgerust ontwaakte. Haar ledematen deden zeer en haar lip was nog steeds strak, maar minder erg dan de dag ervoor. De scherpte van de pijn was verdwenen en vervangen door een dof, zeurend geklop. Voor het ontbijt nam nog een cocktail aan pijnstillers en at langzaam de kom met havermout leeg.
‘Het was effies gokken met de hoeveelheid melk en havermout’, legde Lotte uit, ‘maar ik kreeg het uiteindelijk voor elkaar om toch een samenhangende consistentie van die drab te maken. Het is wel zo, dat je de rest van de week havermout voor ontbijt krijgt. We moeten niet vergeten melk te halen, want die is op.’
Ze ging naast haar op het bed zitten en kuste haar voorzichtig op de wang.
‘Hoe gaat ie nu, lieverd?’, vroeg ze.
‘Beter’, mompelde Jasmijn. ‘Uitgerust.’
‘Blijf je vandaag thuis?’ Jasmijn schudde het hoofd. ‘Moet je niet uitzieken dan?’ Als antwoord trok ze de schouders op. ‘Okee. Ik bel wel Marleen om te zeggen, dat je in elk geval vandaag thuis blijft. Ga lekker tukken en doen waar je zin in hebt. Morgen zien we weer verder. Wil je nog naar de dokter? Goed, maar wel tukken dan. En eet je havermout op want we hebben nog drie mut te gaan.’
Hierna liet ze Jasmijn met rust, ging naar de woonkamer en belde Marleen. Met dit eenmaal achter de rug, dronk ze haar koffie en ging naar zolder.
Vijf jaar geleden, toen ze bij Jasmijn introk, bouwden ze de zolder om tot een strak uitziende werkkamer voor haar. Ze maakten meteen een duidelijke afspraak, dat zij niet lastiggevallen mocht worden, zelfs niet als het huis in brand stond. Het was vroeg genoeg om het huis uit te gaan als ze het heet onder haar kont kreeg.
Boven sloot ze het luik, opende het dakraam op een kier en ging op de bank liggen denken. Beneden deed Jasmijn hetzelfde: ze bracht de lege kom naar de keuken, trok haar joggingbroek en t-shirt aan en zakte languit onderuit op de bank met een boek. Er was iets heel bevrijdends om op een werkdag onverwacht vrij te hebben. Zoveel tijd, zoveel dingen die ze kon doen. Tevreden met deze gedachte begon ze aan het boek en viel na iets meer dan een bladzijde in slaap.
Bij het ontwaken zo’n anderhalf uur later, lag er een plaid over haar heen. Ze voelde zich suffig en warm en schoof de plaid van haar af. In de fauteuil schuin tegenover zat Lotte met de benen in kleermakerszit, luisterend naar een muziekje. Ze keek op toen de plaid op de grond gleed.
‘Beetje bijgekomen, Jas?’, vroeg ze.
‘Uh-huh.’
‘Wil je wat drinken?’
‘Uh-huh.’
‘Water of wat anders?’
‘Water.’
Het praten ging iets beter. Ze ging rechtop zitten en bewoog haar kaak van links naar rechts en terug. Er was iets meer leven in haar lip en hoewel het nog zeer deed, leek het minder dan voorheen.
Ze kreeg een glas water voor met een rietje erin, dronk eraan maar voelde hoe haar bovenlip zich met elke slok moest inspannen. Zonder rietje lukte het beter. Lotte ging op de poef voor haar zitten en aaide haar handen over haar dijen.
‘Wil je wat eten?’, vroeg ze uiteindelijk. ‘Een zacht gekookt eitje of zo?’
‘Lekker.’
‘Zal ik de pleister vervangen?’
De gedachte dat de pleister er in één keer afgerukt zou worden, deed Jasmijn lichamelijk ineen kruipen.
‘Als je het voorzichtig doet’, mompelde ze.
‘Je kent me toch? Ik zet eerst water op voor de eitjes en dan een nieuwe pleister pakken.’
Ze ging naar de keuken, van daar uit door naar de slaapkamer, en plofte weer op de poef neer.
‘Even op de tanden bijten.’
Voorzichtig trok ze de pleister stukje bij beetje los en keek naar de snee in de bovenlip.
‘Het ziet er mooi uit’, concludeerde ze. ‘Het is goed dicht gegaan. Een beetje rauw aan de randjes, maar dat gaat wel over. Wil je een nieuwe pleister of het zo laten luchten?’ Voordat Jasmijn de kans had iets te zeggen, vervolgde ze: ‘Maar een nieuwe pleister op doen voor extra bescherming.’ Jasmijn zei iets tegen haar. ‘Wat zeg je?’
‘Ik zei: Fijn dat je me een vraag stelt en deze zelf beantwoordt.’
‘Ja, als ik op jou moet wachten... Maar serieus, het is beter om er een pleister op te houden. Het ziet er akelig vers uit en je moet niet willen dat er een infectie om de hoek komt kijken.’
Ze stond op en liet een paar eitjes in het kokende water glijden.
Nadat ze zonder al te grote problemen het eitje had weggewerkt, legde Jasmijn haar benen op de voetenbank en trok er een plaid bij.
‘Ik heb zo gedacht’, begon ze, ‘om Pools te gaan leren.’
‘Wat te gaan leren?’
‘Pools.’
‘Zei je nou Pools?’
‘Uh-huh.’
‘Da’s handig voor als we de keuken willen laten verbouwen.’
‘Wil je de keuken verbouwen dan?’
‘Nee. Maar waarom Pools?’
‘Moet toch ergens beginnen. Er zijn veel boeken in de winkel die vanuit die richting komen.’
‘Polen specifiek?’
‘En Rusland, Tsjechië, Hongarije; noem maar op. Als je één van die Slavische talen beheerst, kun je dat van andere landen ook goed volgen.’
Het duurde even voordat de zin eruit was en Lotte haar begreep.
‘Hoe wil je Pools leren?’
‘Woord voor woord lijkt mij.’
‘Last van je bekkie hebben, heeft jouw gevoel voor humor helaas niet scherper gemaakt.’
Jasmijn grijnsde en legde haar hand voorzichtig tegen haar zere lip aan.
‘Maar’, zei ze vanachter haar vingers vandaan, ‘er zijn apps om talen te leren, dus misschien dat ik dat ’ns ga doen.’
‘Mooi.’ Lotte stond op en keek om zich heen. ‘Als je niks meer nodig hebt dan ga ik naar boven. Mocht je iets willen, gil maar. Of in jouw geval: stuur me een luid berichtje.’
Ze kuste Jasmijn op het topje van haar hoofd en liep de kamer uit. Twee tellen later klonk het luide gepiep van de ladder naar de zolder die naar beneden getrokken werd en Lotte was verdwenen.
4.
Marleen zat onderuit in de fauteuil, voeten leunend op de papierbak. De uitgelezen Alkmaarder Courant lag naast de papierbak. Het was haar net niet gelukt de krant erin te gooien. De zon scheen schuin naar binnen en hoewel de luifels neergelaten waren, sijpelde zonlicht er langs zodra de wind het gestreepte stof heen en weer wapperde. Ze hield van dit moment van de morgen: de winkel was net open, het verkeer en de wandelende mensen op straat schaars, de wereld zag er schoon uit.
Ze had de winkel bijna zes jaar geleden overgenomen van de oude heer die hier dertig jaar had gestaan. Het was een opwelling geweest, eentje waarvan ze toen hoopte geen spijt te krijgen. Ze was ontslagen bij haar oude werkgever vanwege boventalligheid zoals men dat eufemistisch noemde omdat leeftijdsdiscriminatie verboden was, en toen zij mopperde dat zij de FNV zou inschakelen, had men haar diezelfde dag nog een zak geld aangeboden vanwege trouwe dienst. Ze had dit geaccepteerd. Ten eerste omdat ze het niet zag zitten nog langer deel uit te moeten maken van de financiële wereld; ten tweede omdat ze er niet zeker van was of ze de laatste jaren überhaupt contributie aan de bond had betaald. En ten derde: na dertig jaar had ze meer dan genoeg van oeverloos gelul dat als overleg vermomd ging, en doelloze powerpoint presentaties.
Ze zwaaide naar Aarnoud, de eigenaar van het café aan de andere kant van de gracht, en staarde weer voor zich uit. De warmte van de zon maakte haar soezerig. Ze werd ruw uit haar innerlijke rust gewekt toen de deur open klingelde en Jasmijn binnen kwam.
‘Mogge’, groette deze.
‘Hallo, Jasje... Wat doe jij nu hier? Wil je koffie?’
‘Het gaat beter’, zei ze. Marleen spande zich in om te horen wat er werd gezegd. ‘Een dag rusten heeft me goed gedaan. Graag koffie.’
‘Ik had je nog niet verwacht. Je bent trouwens mooi gekleurd.’
Ze wees naar haar eigen gezicht om aan te geven wat ze bedoelde. Jasmijn glimlachte voorzichtig.
‘Past goed bij het decor’, zei ze en liep door naar achteren. ‘Is Haaye er niet?’
‘Pardon?’
‘Haaye?’
‘Oh, Haaye. Nee, zijn moeder is gevallen en moest naar het ziekenhuis vanwege haar heup.’ Ze schonk de mok vol en bracht dit naar haar tafel. ‘Overigens hebben we de boeken van de dooie bibliofiel bij jou neergezet. Als je daar als eerste naar wilt kijken.’
‘Tuurlijk.’
‘En rustig aan. Als het niet meer gaat dan vertrek je gewoon, okee?’ Jasmijn knikte en ging zitten. ‘Ben je nog langs de dokter geweest?’
‘Nee. Het is maar een sneetje. Als het niet dicht zou gaan, was ik wel naar de dok gegaan, maar het ziet er goed uit. Zie je?’ Ze trok het gaasje van de pleister een stukje omhoog.
‘Oh ja, zeker’, zei Marleen instemmend. ‘Dat is mooi bijgetrokken. Gelukkig maar, meid.’
Ze ging terug naar de fauteuil. Jasmijn keek naar alle boeken die om haar werkplek heen waren gestapeld. Haar tafel was volledig ingebouwd. Ze besloot om een aantal dozen die ze vanuit de kelder omhoog had gebracht maar weer terug te brengen. De deurbel klingelde en Haaye kwam binnen.
‘Hee’, riep Marleen verbaasd uit. ‘Da’s snel. Hoe gaat het met je moeder?’
‘Beter. Ze ligt in het ziekenhuis ter observatie’, antwoordde hij. ‘Misschien dat ze een nieuwe heup krijgt, maar dat weten we nog niet. In elk geval kwam m’n zus ook dus hoefde ik niet te blijven.’ Hij keek om en zwaaide naar Jasmijn. ‘Alles goed met jou?’
Ze stak een duim op en pakte een doos op om naar beneden te brengen.
‘Laat mij dat maar doen, Jas’, riep hij om daarna tegen Marleen te zeggen: ‘Kun jij een bakkie koffie voor me maken? Daar ben ik wel aan toe.’
Jasmijn ging zitten en leunde een elleboog op tafel. De pijnlijke zijkant van haar lichaam zat haar op dat moment meer dwars dan de snee boven haar lip. Ze zuchtte en nam een slok koffie.
‘Echt best gaat het niet zo te zien’, merkte Haaye op toen hij bij haar was.
‘Beetje vermoeid’, zei ze. ‘Die pijn vreet zoveel energie, dat ik de puf niet heb om de dozen weg te brengen.’
‘Laat ze dan staan’, zei hij, en toen hij aan haar gezicht zag dat dit geen optie was, stelde hij voor: ‘Ik zal ze achterin de hoek stapelen. Dan zijn ze hier in elk geval weg en kun je er makkelijk bij als je ze nodig hebt.’
‘Goed plan’, riep Marleen. ‘Haal de boeken uit de kasten daar en stapel ze ernaast zodat de klanten er nog bij kunnen. Het zijn toch alleen maar tuinboeken en als je tijd hebt om te tuinieren, heb je ook tijd om opgestapelde boeken te bekijken.’
‘Wel de buitenlandstalige boeken hier laten, alsjeblieft’, zei Jasmijn, ‘daar ben ik namelijk al mee bezig.’
De meesten hiervan stonden op tafel, maar een aantal had ze om een tafelpoot heen opgestapeld. Haaye boog zich voorover om te zien welke ze bedoelde. Omdat hij over een stapel heen boog, bezweek deze onder zijn gewicht en gleed als een pakje nieuwe speelkaarten van tafel af.
‘Sorry’, zei hij meteen.
De meeste boeken kon hij nog tegen houden, maar een enkele kwam op de grond terecht. In een reflex schoot Jasmijn naar voren om de vallende boeken te pakken, maar stootte haar voorhoofd tegen de rand van de tafel.
‘Au, godverdomme!’ Ze pakte haar voorhoofd vast. ‘Sorry’, zei ze erachter aan, een vlakke hand omhoog houdend.
Hierna hield ze beide handen om haar voorhoofd heen geklemd. Marleen kwam aangelopen en raapte de boeken van de vloer.
‘Het is niet jouw week, zo te zien’, merkte ze met een scheef glimlachje op.
Ze ging naar boven om een doekje te halen. Vanwege de harde knal was er koffie uit de mok geschommeld. Haaye pakte de overige boeken op en legde ze terug op de stapel. Marleen maakte de tafel koffievrij en de rust keerde terug in de winkel.
Jasmijn werkte zonder oponthoud door en merkte pas hoe laat het was toen Haaye om half één naar buiten ging om de benen te strekken. Marleen nam de fauteuil van hem over. Jasmijn stond op en opperde dat zij op een bankje buiten in de zon een tukkie ging maken.
‘Je kunt beter naar boven gaan’, zei Marleen tegen haar, ‘en effies onderuit gaan op de bank. Die is iets comfortabeler dan zo’n houten vlonder buiten.’
‘Dank je.’
‘En als je een boterhammetje of wat soep wilt’, zei ze toen Jasmijn naar boven liep, ‘vermaak je dan maar in de keuken. Als je hulp nodig hebt, hoor ik het wel.’
‘Mooi. Dank je nogmaals.’
Ze ging op de bank zitten. Het was rustig in huis ondanks dat de schuifdeuren naar het smalle balkon open stonden. In deze kamer stonden ook overal boekenkasten maar anders dan in de winkel, waren hier alleen interessante titels te vinden. Vanaf haar plek probeerde ze een paar ruggen te lezen, maar was te moe. Ze schopte haar schoenen uit, trok haar benen op de bank en viel als een blok in slaap.
Beneden had Marleen juist de voeten comfortabel op de prullenmand gezet toen de buitendeur opende en een kleine man binnenkwam. Hij kwam haar vaag bekend voor, maar ze kon hem niet direct plaatsen. Met omzichtige bewegingen sloot hij de deur achter zich en bleef bij het bureau staan, haar aankijkend, een doelloze glimlach om zijn mond.
‘Kan ik u helpen?’, vroeg ze aan hem.
‘Ja, mijn Nederlands niet zo goed, maar gisteren voor ben ik langs uw winkel gelopen’, begon hij aarzelend.
‘Gisteren voor?’, herhaalde ze om er zeker van te zijn dit goed gehoord te hebben.
‘Gisteren...’ hij maakte een halve maan beweging met ‘...voor. Gisteren voor’, zei hij nog maar eens, langzamer ditmaal.
‘Gisteren vroeg?’, probeerde Marleen.
‘Nee, voor; gisteren...’ weer die armbeweging ‘...voor.’
‘Eergisteren misschien?’, was haar tweede poging.
Dit keer lachte hij haar knikkend toe. Hij had meer tanden in zijn mond dan de gemiddelde mens en was niet beduusd deze allemaal te tonen.
‘Gisteren voor’, zei hij, ‘kwam ik langs, zo...’ Hij liet zijn gebogen armen in snelle bewegingen langs zijn lichaam gaan.
‘Dansen?’, vroeg ze, hoewel dit haar zelf onnozel leek.
‘Nee, zo...’
‘Rennen.’
‘Tak’, zei hij toen knikkend.
‘Pardon.’
‘Rennen.’ Zijn armen gingen weer snel langs het lichaam heen en weer.
‘Okee, dus eergisteren heeft u langs de winkel gerend’, vatte ze samen. En toen viel het kwartje. ‘Dus daar ken ik u van: u heeft mijn collega omver geduwd.’
‘Ja’, zei hij met die rij tanden.
‘Da’s niet om te lachen.’
‘Nee’, zei hij lachend, en ernstig toen: ‘Nee. Is zij schade?’
‘Behoorlijk schade’, knikte ze instemmend.
‘Hier.’ Hij pakte een wit pakje uit zijn binnenzak en stopte dit in haar handen. ‘Voor mevrouw schade.’
Ze opende het touwtje dat de envelop dicht hield en zag een aantal briefjes van vijftig en honderd euro zij aan zij in gelid.
‘Dat verlicht de schade misschien’, mompelde ze.
‘Sorry’, zei de man. ‘Heel veel sorry. Please. Geef aan mevrouw schade.’
‘Zal ik doen. Dank u wel; dit is heel genereus van u.’
Ze toonde hem haar breedste glimlach als afscheid, maar hij bleef staan. Toen haar kaken pijn begonnen te doen, vroeg ze:
‘Is er verder nog iets?’
Hij stak zijn hand weer in zijn binnenzak. Misschien zou er nog wat schadegeld voor de rest van het personeel komen, bedacht ze zich, maar in plaats hiervan haalde hij een kaartje tevoorschijn waarop zijn naam en telefoonnummer stond.
‘Ik zoek boek, oud boek van dziadek’, zei de man.
‘Die schrijver ken ik niet.’
Hij grijnsde om haar opmerking.
‘Dziadek ik vader...’ hij maakte de overtreffende trap armbeweging nogmaals.
‘Grootvader?’, probeerde ze.
‘Ja, grootvader. Zoek oud boek, Pools boek.’ Hij pakte zijn mobiel tevoorschijn en keek door de fotostream heen totdat hij vond wat hij zocht. ‘Hier. Boek van dziadek. Als jij vindt, mij bellen, ja?’ Hij tikte een paar keer op het kaartje dat tussen hen in op het bureaublad lag. ‘Niet veel waard, sentiments, you know.’
Ze knikte.
‘I’ll call’, zei ze toen tegen hem.
‘Don’t forget: monies for sick friend.’
‘Okee. Dank u.’
Ze glimlachte hem ten tweede male ten afscheid toe, en hoewel haar glimlach zijn rij tanden niet kon evenaren, ging hij ditmaal wel weg.
‘Vreemde man’, zei ze tegen haarzelf, ‘en zo gul.’
5.
‘Mijn hemel...’ Lotte stond bij de open balkondeur en keek naar de buren schuin tegenover aan de andere kant van de straat. ‘Dat nieuwe stel dat hier is komen wonen...’, begon ze.
‘Is er een nieuw stel komen wonen?’, onderbrak Jasmijn haar.
‘Ja, naast die macho. Het is een lesbo stel, dus ze hadden meteen mijn aandacht.’
Jasmijn ging naast haar staan om te zien wie ze bedoelde.
‘Kijk, die vrouw met de tas van de Praxis is de nieuwe bewoonster. Die achter haar loopt is haar vriendin.’
‘Weet je dit zeker of is dit weer éen van jouw speculaties?’
‘Maakt het iets uit? Speculeren is leuker dan weten.’
‘Maar wat is er met dat stel?’
‘Heb je die vriendin gezien? Als ze naar de naam Karel luistert, zou het mij niet verbazen.’ Ze nam een slok van haar whiskey zonder haar ogen van de twee af te laten. ‘En ze draagt nog lippenstift ook; volgens mij om aan anderen te laten zien welke kant boven hoort.’
‘Da’s niet aardig’, zei Jasmijn die desondanks moest grinniken.
‘Mijn lezeressen houden ervan. Ga je mee buiten zitten? Het is de eerste lekkere avond van het jaar. Ik maak wel een drankje voor je.’
Jasmijn plofte neer op het zachte kussen van een stoel en zette haar voeten tegen de reling van het balkon. De scherpe avondzon keek haar aan langs de duinen heen. Ze sloot de ogen en voelde de warmte van deze lentedag. Ze opende éen oog toen Lotte tegen haar bovenarm tikte en een glas drinken gaf.
‘Lekker zo.’ Ze knikte louter op de opmerking van haar vrouw en hield de ogen gesloten. ‘Het was wel lief van je om dat geld van die Poolse aanvaller aan Marleen te geven. Dom maar lief.’
‘Het is niet alsof wij het nodig hebben’, zei ze, ‘en Marleen kan het goed gebruiken voor de winkel. Ik vind het dapper als je in deze tijd nog een tweedehands boekwinkel draaiende probeert te houden, terwijl bijna niemand meer in staat is om 140 karakters of meer te lezen.’
‘Je gaat toch niet de barricade op vanavond?’
‘Nee, dit is het enige dat ik kwijt wilde.’ Ze nam een slokje van haar glas en zette het op het hangtafeltje neer. ‘En ik heb gelijk.’
‘Dat heb je zeker, maar of ons balkon nu de juiste plek is om dit soort problemen op te lossen...’
‘Is het een probleem?’
‘Niet voor mij; ik heb genoeg lezers, dus mij zul je niet horen.’ Ook zij sloot de ogen. Ze hield haar glas rustend op haar buik tussen haar handen in. ‘Waarom heeft die knaap überhaupt dat geld gebracht? Niemand van jullie heeft hem gezien of herkend...’
‘Of kan zijn naam uitspreken’, vulde Jasmijn aan.
‘Ook dat. Hoe gaat het met het Pools leren?’
‘Chodzi.’
‘Gezondheid.’
‘Het moet serendipiteit zijn. Mijn idee om Pools te gaan leren en aangevallen worden door een Pool heeft wel iets.’
‘Misschien is hij van de Poolse maffia en willen zij niet dat je hun taal leert’, opperde Lotte. ‘Het is een gesloten gemeenschap waar buitenstaanders niet aan deel mogen nemen. Oh, hallo: daar heb je de nicht van de overkant.’
Jasmijn opende een moment de ogen. Een blonde man liep in een uiterst strakke korte broek naar zijn auto. Hij was éen van de weinige bewoners die zij herkende.
‘Hij is getrouwd’, zei ze.
‘Wij toch ook? En dat maakt nog steeds geen hetero van me.’
‘Daar is geen speld tussen te krijgen.’
‘Het is vast een verstandshuwelijk, hoewel, als ik die blonde bom zie waarmee hij getrouwd is, zit het verstand niet in het hoofd.’
‘Bij hem of bij haar?’
‘Beiden.’
Hun blikken volgden de blonde man die over het parkeerterrein liep en in de bar aan de andere zijde van de straat verdween. Even later kwam hij met een glas bier en in het gezelschap van een andere man het terras op.
‘Da’s z’n clandestiene vriendje’, merkte Lotte op. ‘Dat is de dominante; onze blonde is het hondje.’
‘Een hondje dat bier drinkt?’, vroeg Jasmijn.
‘Hij moet toch iets drinken.’
‘Je zou verwachten dat een nicht een cocktail drinkt.’
‘Met een kersje erin. Nee, dit is een afleidingsmanoeuvre. Maar daar trappen wij niet in.’ Ze draaide haar hoofd een kwartslag. ‘En daar komt Karel weer.’ Beide keken naar de vrouw die in een witte Volkswagen busje stapte en weg reed. ‘Zeker een paar boodschappen halen bij de Praxis’, merkte Lotte op, keek weer naar de blonde buurman op het terras en sloot de ogen. ‘Overigens’, zei ze, ‘ik was vanmiddag op Facebook en ging op zoek naar iemand met dezelfde achternaam als jij.’
‘Hoezo?’
‘Misschien dat je nog ergens familie hebt zitten.’
‘Voor zover ik weet, zijn mijn ouders onbekend en mijn pleegouders verdwenen en wil ik niets met de instanties te maken hebben die mij hebben geholpen, zoals dat eufemistisch heet, noch met mijn zogenaamde familie. Da’s de compacte versie van mijn leven tot nu toe.’
Ze hadden dit gesprek eerder gehad, maar Lotte kennende liet deze het er niet bij zitten. Ze wilde weten of ergens in Nederland een verloren nicht of tante van Jasmijn ronddoolde die op zoek naar haar was.
‘Laat mij maar effies gaan en doen wat ik wil doen’, pleitte ze.
‘Maar waarom wil je dit weten?’
Er was ergernis in Jasmijn’s stem gekropen. Zonder haar ogen te openen gaf Lotte haar een kneepje in de bovenarm.
‘Pure nieuwsgierigheid’, zei ze. ‘Je weet toch hoe ik ben?’
Jasmijn knikte. De wind was lauw, Lotte op dreef, en na een paar dagen waarin ze zich wat minder had gevoeld, was ze nu eindelijk weer blij met het leven.
6.
‘Niet te geloven!’, riep Marleen uit. Ze ging rechtop zitten en staarde naar de foto in het Noordhollands Dagblad, pagina zeven. ‘Dat kan toch niet?’
Ze liet de krant zakken en keek om zich heen. Haaye was er niet en Jasmijn, druk in de weer achter stapels boeken, hoorde haar niet. Ze schraapte haar keel en zei luid:
‘Jasmijn.’ Vanachter de boeken schoot de kruin overeind en verscheen het bovenste deel van het gezicht. ‘Kom is...’
‘Wat is er?’, vroeg ze terwijl ze naar voren liep.
Marleen legde de krant plat op het bureau en tikte met haar wijsvinger op een foto.
‘Herken jij deze man?’, vroeg ze.
Jasmijn tuurde naar de foto en zei op vragende toon:
‘Is dat niet die knaap die achterna gezeten werd?’
Het was in een flits gegaan, maar zijn gezicht was in haar geheugen gegrift. Hoewel dat gezicht getekend was geweest van angst en de foto in de krant er eentje was van een man die rustte, was het niet moeilijk te zien dat het om dezelfde persoon ging.
‘Precies wat ik dacht.’
‘Wat is er met hem?’
‘De politie heeft hem twee dagen geleden in de gracht gevonden en wil nu weten wie hij is’, las Marleen op. ‘Hij had geen identificatie bij zich, vandaar deze oproep.’
‘Merkwaardig. Jij hebt toch een adreskaartje van hem?’
‘Klopt. Denk je dat ik naar de politie moet gaan?’
‘Lijkt mij wel.’
‘Is het mogelijk dat ze deze informatie willen ruilen voor de parkeerbon die ik vorige week heb gekregen?’
‘Je kunt het altijd proberen’, zei Jasmijn lachend. ‘Je weet maar nooit.’
Ze draaide de krant naar zich toe en las het bericht.
‘Merkwaardig’, zei ze nogmaals.
‘Hoezo merkwaardig?’, vroeg Marleen.
‘Dat zo’n man per ongeluk in ons leven komt, geld geeft en dood wordt gevonden. En dat allemaal in nog geen tien dagen tijd. Als hij ons was voorbij gelopen, was dit bericht ons niet eens opgevallen.’
‘Da’s waar.’
Marleen zwaaide naar Inge, die drie winkels verderop een antiekzaakje had.
‘Ga je naar de politie?’, vroeg Jasmijn.
‘Ik laat alles eerst bezinken en dan ga ik’, antwoordde ze toen Inge binnenstapte met vier kartonnen bekers met koffie.
‘Haie’, groette ze, ‘allemaal trek in koffie?’ Ze deelde de bekers uit en keek in het rond. ‘Is Haaye er niet?’
‘Vrije dag vandaag.’
‘Ah, jammer.’ Langs de kasten keek ze naar de reisafdeling. ‘Meneer van Zanten’, riep ze de man toe, ‘heeft u trek in koffie?’
Ze liep naar hem toe en kwam zonder beker terug.
‘Hoe is het met onze Jasmijn?’
‘Je ziet het: het kleurklavier trekt zich langzaam terug.’
‘Uh-huh, het ziet er zeker beter uit’, zei ze knikkend. ‘En je lip?’
Terwijl ze de vraag stelde, zette ze meteen haar wijsvingers op het sneetje.
‘Het ziet er nog gevoelig uit.’
‘Dat is het ook’, zei Jasmijn, snel het hoofd terugtrekkend.
‘Oh, sorry, meid. Ik lijk wel een klant die alles moet voelen om vervolgens zonder aankoop weg te gaan.’
Ze nam plaats op het lage houten boekenkastje dat ook als bankje dienst deed.
‘En hoe is het met jou?’, vroeg Marleen.
‘Pfffft.’
‘Dat klinkt niet hoopvol’, merkte Jasmijn op.
‘Is het ook. Niet goed, bedoel ik.’
Voorzichtig trok zij het dekseltje van de beker af en nam een slok koffie. Ze lepelde schuim met het roerstaafje op en zei:
‘Ik heb vandaag het expertise rapport van de psychiater ontvangen.’ Ze keek omhoog naar Jasmijn. ‘Jij weet toch ook dat ik in een depressie zit sinds mijn man en ik uit elkaar zijn? Niet dat dat de oorzaak is: ik werd juist depressief omdat we bij elkaar bleven, maar het is tot uiting gekomen sinds we uit elkaar zijn.’
‘Ik heb er iets van vernomen’, antwoordde ze vaag, aangezien Marleen haar heel het verhaal had verteld en er achteraan had gezegd, dat dit in vertrouwen was.
‘Nou, omdat er geen vooruitgang merkbaar was, heb ik een psychiater gezocht en die zou een expertiserapport maken voor de huisarts, zodat we van daar uit verder kunnen werken qua aanpak.’ Ze nam een slok koffie en lepelde meer schuim op. ‘Ik heb totaal niets met psychologen en psychiaters. Als er geen pilletje voor is dan hoeft het voor mij niet. Leuteren kan ik met mijn vriendinnen, dus waarom zou ik deze mensen nodig hebben?’
‘Ze hebben kennis van zaken’, opperde Marleen.
‘Ze hebben kennis van de ervaringen die ze met andere patiënten hebben gehad. Of nee: cliënten noemen ze ons tegenwoordig. Patiënt ben je alleen wanneer je een gebroken been hebt; als je depressief wordt omdat je vanwege dat been niet kunt lopen, word je tot cliënt omgedoopt.’
‘Maar dat expertise rapport?’, spoorde Jasmijn aan toen ze niet verder ging.
‘Oh ja: dat ding zit vol fouten.’
‘Werkelijk?’
‘Uh-huh.’
‘Ze hebben je gezond van geest verklaard’, grinnikte Marleen.
‘Met veel moeite. Ik mag dan wel depressief zijn, maar ik ben niet gek. Overigens: heb je geen last van je tanden na de smak die je hebt gemaakt?’, vroeg ze toen.
‘Nee. Alles in orde.’
‘Gelukkig maar.’
‘Expertise rapport?’, vroeg Marleen ditmaal.
‘Tjongejonge... Er stond bijvoorbeeld in, dat ik last van agorafobie heb. Ik heb van m’n leven nog nooit last van agorafobie gehad. Wel van uhmm....’
Ze moest lang nadenken.
‘Afasie?’, vroeg Jasmijn.
‘Waarschijnlijk.’ Marleen lachte. ‘Alleen kon de psychiater niet op het woord komen.’
‘Claustrofobie.’ Inge herinnerde het zich plots. ‘Dat is waar ik last van heb, en dat is toch behoorlijk het tegenovergestelde van agorafobie.’
‘Heeft dat niet iets met angst voor water te maken’, vroeg Marleen, ‘agorafobie?’
‘Da’s aquafobie’, zei Jasmijn.
‘Ik dacht dat dat angst voor viskommen was’, zei ze met een twinkeling in haar ogen.
‘Dat is piscesfobie’, verzon Jasmijn.
‘Dat klinkt meer als een blaasontsteking’, merkte Inge op.
‘Dat is pisfobie.’
‘Wat is angst voor vissen dan?’, vroeg Marleen.
‘Ichthyofobie. Sorry’, zei Jasmijn met een blik naar haar: ‘Ik weet dat soort dingen nu eenmaal.’
‘Dat klinkt als jicht’, zei Inge.
‘Misschien een vis die angst heeft voor drank.’
Inge dronk haar koffie en zette de halfvolle beker op het bureablad.
‘De huisarts heeft het rapport doorgebladerd’, zei ze, ‘mijn psychologe heeft het gelezen en beiden zijn tot de conclusie gekomen, dat ik last van een depressie heb. Dat had ik hen vijfhonderd euro geleden ook kunnen vertellen.’
‘Dus je bent niet alleen depressief’, concludeerde Marleen, ‘maar moet er ook nog eens flink voor dokken.’
‘Klopt. Een dubbele depressie.’
‘Die kun je bij de koffiecorner bestellen.’
Ze groette een klant die binnenkwam. Inge keek op haar horloge.
‘Oh hemel, ik had tien minuten geleden al open moeten gaan.’ Ze stond haastig op.
‘Je bent je eigen baas’, merkte Marleen op. ’En vergeet je koffie niet.’
Met de beker in de hand zei Inge gedag, snelde de winkel uit en liep gehaast langs de etalage.
‘Waarom heb ik altijd het gevoel, dat we een windhoos hebben overleefd als Inge weg is?’, vroeg Jasmijn.
7.
Het liep tegen vieren. In de regel was dit een rustig moment in de winkel. Een stel van middelbare leeftijd duimde door een aantal boeken en delibereerden of ze zonder iets te kopen zomaar de winkel uit konden gaan of een boekje moesten aanschaffen omdat ze hier zo lang hadden rondgelopen. Op het moment dat Marleen naar achteren liep, gaf de vrouw de man een por in de zij en gingen ze in een rustige vlotte tred naar de deur. Marleen zei hen over haar schouder gedag en vroeg hierna aan Jasmijn:
‘Kan ik je met iets fris verblijden?’
‘Welja, lekker.’
‘Kan ik dit verblijd momentje aantrekkelijker maken door het fris met iets sterkers te verbinden?’
‘Ooh, daar word ik nog blijer van.’
Marleen ging naar boven. Jasmijn stond op en strekte de ledematen. Ze was tevreden met haar werk. Ze liep naar de voorkant van de winkel en bleef bij de deur staan. Het was druk in de straat. Het toeristenseizoen was nog niet begonnen, maar mensen genoten al van een voorproefje hiervan in de vorm van de mei-vakantie. Sommigen bleven eventjes voor de etalage staan, de meesten waren op zoek naar bekende toeristische plekken en restaurants. Voor de bar van Aarnoud was het terras bijna vol.
‘Ik hoop dat je van wodka houdt.’
Ze draaide zich om en nam het blikje energiedrank van Marleen aan. Ze proosten met elkaar.
‘Ik ben dol op wodka’, zei ze na de eerste slok.
Ze leunde tegen de sponning van de deur. Marleen plofte in de fauteuil neer en vroeg:
‘Hoe zijn jij en je partner eigenlijk bij elkaar gekomen?’
‘Heel eenvoudig.’ Er kwam een vertederende glimlach op haar gezicht. ‘Ik zag haar staan, dat was in Amsterdam in een boekwinkel, en ik vroeg of zij een vuurtje voor me had. Ze zei, dat ze niet rookte. Ik ook niet, zei ik, dus misschien dat ze dan een drankje met me wilde drinken om het vuur dat ze in mij opwekte te kunnen doven.’
Marleen kreunde.
‘Ja, sorry’, verontschuldigde ze zich grinnikend, ‘het is vreselijk banaal, maar het werkte wel. Lotte zei later, dat als zij net zo schreef als ik praatte, zij geen lezers meer zou overhouden. Overigens was zij in de boekwinkel voor een boekpresentatie en om te signeren. Ik wist totaal niet wie ze was.’
‘Werkelijk?’
‘Serieus.’ Jasmijn nam een slokje en dacht aan dat moment terug. ‘Ik was daar om een paar Russen te vinden voor mijn collectie; weet ik veel dat zo’n mooi wijf schijfster kan zijn. In mijn beleving werden boeken geschreven door mannen met baarden die lang geleden overleden waren. Ik had nooit wat van haar gelezen.’
‘Maar ze schrijft literatuur waar je als lesbo in kunt wegduiken’, merkte Marleen op.
‘Dat klopt. Maar ik hou niet van dat niche gebeuren.’
Jasmijn ging op het boekenkastje zitten en zette haar blikje op het bureau.
‘Ik kan me best voorstellen, dat je je als lesbo thuisvoelt om te zingen in een lesbisch koor bijvoorbeeld, of dat je boeken wilt lezen waarin lesbi voorkomen, of naar muziek van een lesbische kweler wilt luisteren. Maar zelf heb ik daar niets mee. Weet je, de pest is, dat je dan iets middelmatigs gaat aanprijzen als goed, omdat je jezelf wilt wijsmaken dat je niet iets onnozels en tijdverspillend aan het doen bent.’
‘Lotte’s verhalen zijn niet middelmatig.’
‘Klopt. Daar kwam ik later achter. Soms ben ik best te gehaast om alles over één kam te scheren waarbij ik mensen die werkelijk getalenteerd en creatief zijn voorbij loop.’
Ze streek haar vingers door haar haar, leunde toen naar achteren, steunend op haar handen.
‘Aan de andere kant is mijn tijd te kostbaar om er door schade en schande achter te komen wie wel en niet leesbaar is. Sinds ik Lotte ken, ga ik van haar mening uit. Werkt ook niet altijd, maar meestal wel.’
‘Hoe lang kennen jullie elkaar nu?’
‘Zes jaar waarvan we er vijf getrouwd zijn.’
‘Grappig, meid.’
‘Zekers.’
Jasmijn pakte haar blikje. Er zaten condensdruppels aan de buitenkant. Ze nam een slokje en veegde haar hand aan haar broek droog. Marleen had haar blikje op een armleuning van de fauteuil staan. Er zaten een aantal oude kringetjes in het leer waaruit bleek, dat dit niet de eerste keer was.
‘En jij?’, vroeg Jasmijn. ‘Is er een significante ander in jouw leven?’
‘Mmm...’ Een moment lang fronste ze haar wenkbrauwen. ‘Weet je, het is er gek genoeg nooit van gekomen.’
‘Joh.’
‘Ja, serieus: toen ik jonger was, werd ik om de haverklap verliefd, heb wel eens affaires gehad, maar nooit dat ik dacht er iets permanent van te maken.’
Ze zette haar voeten op de prullenbak en vouwde haar handen achter haar hoofd. Een paar krullen haar kronkelden zich door haar vingers heen.
‘En nu heb ik dit, deze winkel, mijn werkelijke grote liefde, en mijn vrijheid. Want dat was iets waar ik altijd zwaar de pest in had als ik een affaire had: de manier waarop de ander mij altijd wilde bezitten, mij zei wat ik moest doen en laten. Niet direct, maar indirect door steken onder water te geven; je kent dat misschien wel. Daarom ben ik blij dat ik nu hier kan zijn en in de baas d’r tijd een borrel kan drinken.’
‘Je bent mijn soort baas.’ Jasmijn hield het blikje naar haar op en dronk het leeg. ‘Ik ga naar huis. Prettig weekend, Mar.’
‘Ja, jij ook.’
‘Je hebt me niet nodig morgen?’
‘Nee, Haaye werkt. Misschien volgend weekend.’
Ze namen afscheid en Jasmijn reed in een rustig tempo terug naar huis.
Bij thuiskomst parkeerde zij de auto op de parkeerplaats achter het huis en liep de twee trappen op naar boven. Op het moment dat ze de voordeur wilde openen, hoorde ze van binnenuit een kind hard praten. Dit betekende dat er bezoek was. Bezoek vond ze leuk, kinderen echter niet. De meeste kinderen waren onuitstaanbaar en als dit het kind was die ze dacht dat het zou zijn, stond deze bovenaan de lijst van etters. Ze draaide zich om en liep zachtjes terug naar de trap toen de deur opende.
‘Oh nee, Jassie; dat gaat je niet lukken’, waarschuwde Lotte haar, juist vanuit huis de hal inlopend.
Ze opende de deur van de voorraadkast tegen de wand naast de voordeur en haalde er een pak koffie uit.
‘Als ik er niet vandoor ga, heb je kans dat ik dat kreng een knal voor z’n harses geef’, zei Jasmijn, teruglopend. Ze kuste haar en zei zacht: ‘Er zijn twee dingen waar ik een hekel aan heb: kinderen, en lesbi die zo nodig kinderen willen hebben. Tillie en die kleine hufter van haar voldoen aan beide punten. Is dat niet reden genoeg voor mij om naar een bar te verdwijnen?’
‘Niet dit keer.’
‘Wat kom ze hier eigenlijk doen?’
‘Ze was in de buurt en kwam gedag zeggen.’
‘Ja, tuurlijk.’ Lotte duwde Jasmijn in de rug het huis in en zei:
‘Als je het niet volhoudt, veins dan een hoofdpijntje.’
‘Alweer?’ Ze opende de kamerdeur. ‘Hee, Tillie, ook hier. Gezellig. Hoe is het?’
De andere vrouw stond op en omhelsde haar. Een kleine blonde jongen van zes jaar leunde tegen de lage scheidingsmuur tussen keuken en woonkamer en staarde naar de nieuwkomer. Hij had haar al vaker meegemaakt en herinnerde haar als degene van wie hij niets mocht.
‘Hee, kleintje’, groette ze hem.
Ze woelde met haar hand door zijn haar en voelde haar trouwring vast komen in de combinatie haar, zoetigheid en gel. Ze keek om naar Tillie die alweer op de bank zat en met Lotte praatte, en rukte haar hand uit het hoofd vandaan. Een paar haartjes kwamen mee. In de keuken waste ze haar handen en de jongen ging zwijgend naast zijn moeder staan.
‘Ik ga door naar bed’, zei ze, ‘beetje last van m’n hoofd.’
Ze hing de handdoek terug over de stang van de ovendeur.
‘Oee, daar heb je nogaleens last van’, merkte Tillie bezorgd op. ‘Ik ken wel een goede homeopatische arts die daar naar kan kijken.’ Ze pakte haar tas en haalde haar mobiel tevoorschijn. ‘Ik weet dat de meesten van hen niet veel inhoud hebben...’
‘Net zoals hun zogenaamde medicatie’, mompelde Jasmijn.
‘...maar deze vrouw is werkelijk goed.’
Ze zocht het nummer van de arts in haar telefoon.
‘Nee, laat maar’, zei ze snel. ‘Ik heb het niet zo met artsen. Even rustig onderuit en straks ben ik weer mens.’
‘Zeker weten? Ik heb hier haar nummer voor je.’
‘Dank je, maar laat maar. Leuk je weer eens gezien te hebben.’
Ze liep de kamer uit, sloot de deur achter zich en ging door naar de slaapkamer waar ze haar schoenen uitschopte en op bed ging liggen. Het was rustig. Vanuit de woonkamer kwamen de stemmen als kabbelend gezoem bij haar binnen. Ze sloot de ogen en doezelde. Pas toen Lotte naast haar op bed plofte, werd ze weer wakker. Lotte draaide zich op haar buik en keek haar aan.
‘Is ze weg?’, vroeg ze slaperig.
‘Uh-huh. Waarom mag je haar eigenlijk niet?’
‘Ik heb niet werkelijk een probleem met haar’, zei ze, voornamelijk omdat Tillie Lotte’s beste vriendin was, ‘maar dat kind kan ik niet uitstaan. Vooral niet om telkens te moeten aanhoren hoe goed die etter is.’
‘Misschien is dat moeder’s eigen’, zei Lotte sussend.
‘Geen idee. Ik heb vaders en moeders alleen van verre meegemaakt; geen flauw idee hoe die zich tegenover kinderen gedragen. Maar als ze allemaal zoals Tillie zijn dan gaat deze wereld sneller naar de klote dan ik vermoedde.’
‘M’n armen slapen’, mompelde Lotte toen ze zich op haar rug keerde. S
amen staarden ze naar het plafond. Ze wapperde haar armen een paar keer heen en weer om er wat leven in te krijgen. Het hoofd naar haar vrouw draaiend, zei ze:
‘Maar is het werkelijk alleen dat, vanwege Jasper?’
‘Die naam alleen al...’, was het enige dat Jasmijn zei.
Beiden bleven stil. Ze voelde een elleboog in haar zij porren.
‘Ik ken je een beetje, Jassie’, zei Lotte, ‘en dit is niet het enige.’
‘Misschien is het ook de manier waarop ze met een neerbuigende toon tegen mij praat.’
‘Doet ze dat werkelijk?’
‘Is het jou niet opgevallen dan? Die sarcastische blik in haar ogen. Ik vraag me werkelijk af, wat jij ooit in haar hebt gezien.’
‘Da’s eeuwen geleden en in een zwak moment’, merkte ze op.
‘Toen wilde ze jou niet, maar vanaf het moment dat wij elkaar hebben leren kennen, drentelt ze als een haantje om jou heen alsof je loops bent.’
‘Uhmm...’
‘Verkeerde analogie, ik weet het, maar je begrijpt wat ik bedoel.’
‘Hee, lieverd...’ Lotte pakte de hand van Jasmijn en drukte deze tegen haar lippen aan. ‘Er is er maar eentje van wie ik hou en al zou Tillie hier naakt op bed liggen met de benen wijd en een gesigneerd exemplaar van Komrij’s gedichten op haar buik dan zou ik nog niet voor haar vallen.’
Jasmijn keek opzij en vroeg:
‘Wat zou je dan eigenlijk doen?’
‘Haar zeggen dat ze zich niet moet aanstellen en intussen bedenken hoe ik het gedichtenbundel steels te pakken kan krijgen.’
Beide vrouwen gniffelden.
‘En daarna hopelijk wel de lakens verschonen’, merkte Jasmijn op.
‘Ik moet ook alles doen hier in huis.’ Ze ging overeind zitten. ‘Ik had zo gedacht om vanavond uit eten te gaan. Er is een Indiaas restaurant in Castricum dus het leek me leuk om daar een happie te gaan eten.’
‘Je bedoelt dat je met mij en public gezien wilt worden?’
‘Willen is een sterke uitdrukking. Ik dacht omdat het vrijdag is dat ik mijn tolerantiegrens zal verlagen en jou meenemen, vooral omdat ik volgende week in Duitsland zit. Heb je zin?’
‘Heb je al geboekt?’
‘Uh-huh.’
‘Okee dan. Even opfrissen en dan gaan we. Voor hoe laat heb je afgesproken?’
‘Zeven uur, dus we redden het makkelijk.’
Ze strekte de armen en trok Jasmijn overeind.
‘Crisis voorbij?’, vroeg ze.
‘Is dat kreng weg?’
‘Welke van de twee?’
‘Beiden.’
‘Yep.’
‘Crisis voorbij.’
8.
Het was dinsdag toen Marleen naar de politie ging om hen te vertellen, dat zij de dode man uit de krant kende. In het weekend was zij er niet aan toe gekomen en op maandag had ze er niet meer aan gedacht. Eigenlijk had zij dit telefonisch willen afwerken, maar volgens Haaye zou zij waarschijnlijk toch moeten langskomen om de man te identificeren, dus sloeg ze een stap over en ging naar het bureau.
Bij binnenkomst sloot ze aan achter een man die beklag deed over een bekeuring. Ze volgde het ping-pong gesprek met haar ogen en prijsde de dienstdoende agent die de kalmte zelf bleef. Nadat hij de man een aantal formulieren had gegeven om in te vullen, keek hij haar kant uit.
‘Mevrouw’, zei hij tegen haar.
Ze groette hem en zei:
‘Afgelopen vrijdag zag ik in het Noordhollands Dagblad een foto van een man. De politie is op zoek naar zijn identiteit. Ik denk dat ik hem ken.’
Hij tikte een aantal gegevens in en draaide zijn beeldscherm naar haar toe.
‘U bedoelt deze heer?’, vroeg hij. Ze knikte. ‘Ik zal kijken wie er vrij is. Uw naam is...? Dank u. Mevrouw Valentina, gaat u zitten. Er komt zo iemand bij u langs.’
Ze ging naast de man met de formulieren zitten en zag hoe hij deze op zijn dijbeen met blokletters aan het invullen was.
‘Mevrouw Valentino?’
Ze schrok op bij het horen van de aanranding van haar naam. Een man stond voor haar. Ze liet het voor wat het was, knikte en stond op. Hij stelde zich voor en vroeg of zij met hem mee wilde gaan. Hij was in burger, dus waarschijnlijk een belangrijke.
Hij hield de deur van een kamer voor haar open en ze glipte langs hem heen naar binnen. Ze bleef bij een bureau staan en zag een ingelijste foto van een hond en in een kleiner frame die van een vrouw, en glimlachte om dit verschil.
‘Gaat u zitten. Ik begrijp dat u deze man kent?’
Zoals de balie agent draaide ook hij zijn beeldscherm naar haar toe.
‘Niet kennen’, verbeterde ze hem, ‘maar herkennen.’
‘Legt u eens uit.’
‘Een week of twee, drie geleden waren mijn medewerkers en ik boeken naar binnen aan het brengen -ik heb namelijk een boekwinkel, Pagina 42 heet het, mocht u dit voor het rapport nodig hebben...’ ze keek naar zijn handen die weliswaar een pen tussen de vingers hadden, maar alleen om deze heen en weer te rollen ‘...toen deze man langs rende en mijn collega omver duwde. Ze heeft er een gescheurde bovenlip aan over gehouden.’
‘En u herkende hem van het voorbij rennen?’, vroeg de man met scepticisme in zijn stem.
Ze rechtte haar rug. Ze mocht dan niet het grootste ei in het doosje zijn, maar haar schaal was moeilijk te kraken. En de toon waarop deze man tegen haar praatte, deed bij haar alle haren overeind rijzen.
‘Als u mij wilt laten uitpraten’, zei ze nuffig met een strakke blik naar hem.
Hij gooide zijn pen op het bureau en leunde achterover in zijn stoel. Dit moest de indruk wekken, dat hij belang had bij wat het gepeupel hem te vertellen had.
‘Een paar dagen na dit voorval, kwam hij langs om zijn excuses aan te bieden. Ik herkende hem van de flits waarin hij de eerste keer was voorbij gerend.’
‘Goed’, zei hij toen ze hierna zweeg. ‘Heeft u een naam misschien?’
‘Hij heeft mij een kaartje gegeven met zijn gegevens erop.’
Ze pakte haar portemonnee uit de tas en haalde het kaartje tevoorschijn. Deze schoof ze over het tafelblad naar hem.
‘Dat is...’, begon hij, het kaartje aandachtig bekijkend, ‘Zbe... Wat staat daar in hemelsnaam?’
‘Zbigniew Szczot’, zei ze zonder hapering. Oefening baart kunst. ‘Hij is van Poolse afkomst.’
‘Okee. En u bent er zeker van dat deze man hier...’ hij tikte op het kaartje ‘...dezelfde is als die u op de foto heeft gezien?’
Ze knikte. Hij keek haar lang aan, zei toen:
‘Ik heb een andere vraag: waarom heeft u tot nu toe gewacht om dit aan ons kenbaar te maken?’
‘Omdat ik een leven heb en er dingen tussen kwamen’, antwoordde ze koel.
‘U had kunnen bellen.’
‘Ik had zo veel dingen kunnen doen, maar de dingen die ik heb gedaan, hadden niets met u of deze man te maken. Daarom ben ik er nu.’
Hij dacht na en stond op. Automatisch stond zij eveneens op.
‘Ik wil u vragen of u hem wilt identificeren’, zei hij toen.
‘Kunt u niet de Szczot familie in Polen bellen en vragen of iemand van hen wil langskomen om dit te doen?’
‘Misschien hebben ze andere dingen te doen en zijn ze niet te bereiken’, merkte hij op.
‘Da’s waar. Maar misschien ook wel.’
Desondanks ging ze met hem mee.
In de koelcel werd het lichaam uit de muur getrokken en het laken van zijn hoofd verwijderd. Ze staarde naar het gezicht. Het was een levenloos gezicht, niet zo maar dood, maar voorgoed levenloos. Hoewel zij haar ouders had verloren en een broer, was dit een heel ander verschijnsel dan dood op een natuurlijke manier.
Ze zei tegen de politieman, dat dit inderdaad de man was die bij haar in de winkel had gestaan.
‘Hoe is hij eigenlijk aan zijn eind gekomen?’, vroeg ze wat later toen beiden in de gang bij de koffieautomaat stonden. ‘Ik neem aan, dat de politie niet een annonce in de krant zet als het om een natuurlijke dood gaat.’
‘We willen natuurlijk altijd weten met wie we te maken hebben’, zei de politieman, koffie nippend die te warm en smakeloos was, ‘maar deze man is door een misdrijf om het leven gekomen.’
‘Wat voor misdrijf?’
‘Hij heeft de halve gracht leeggedronken en niet uit vrije wil. Een wandelaar met hond heeft hem ’s ochtendsvroeg in de gracht zien drijven.’
Marleen knikte en nam een slok. Het was gevaarlijk een hond hebben. Een hond hebben en joggen. Joggers en hondenuitlaters struikelden altijd over een lijk in de vroege morgenuren.
‘Het is vreemd om iemand zo te moeten zien’, merkte ze op. ‘Hij sprak gebrekkig maar verstaanbaar Nederlands. Hij had het zelfs over een oud Pools boek dat hij was verloren en die van zijn grootvader was.’
‘Een boek?’, vroeg de agent. ‘Wat voor één?’
‘Een oud Pools’, herhaalde ze. ‘Hij zei niet wat, maar het was familiebezit en hij wilde dit graag weer terug. Maar wij hadden geen oud Pools boek gezien.’
‘U heeft een boekwinkel’, herinnerde de politieman haar eraan.
‘Zeker, en er zijn vast ook Poolse boeken in onze collectie. Maar als een man het over een oud Pools boek heeft, maakt dat het zoeken er niet makkelijker op.’
Een tiental minuten later liep zij het bureau uit en stak de straat over. Ze pakte de sleutel uit haar broekzak en juist toen zij haar auto wilde open biepen, kwam er iemand langs gerend die probeerde haar tas mee te grissen. De band ervan zat kruislings tussen haar borsten en in plaats van de tas mee te jatten, gebeurde er niets meer dan dat zij een halve pirouette maakte en met een smak met haar linkerknie op de straatstenen terecht kwam. Ze krabbelde overeind en vloekte luid terwijl ze een blik naar het politiebureau wierp. Het was één en al raam, maar geen enkele agent wierp ook maar een steelse blik naar buiten. Mopperend veegde ze over haar knie.
‘Gaat het?’, hoorde ze achter haar.
Ze draaide zich om en toonde een grimlachje, nog niet helemaal blij met de wereld. Een vrouw met kort blond haar keek haar vragend aan.
‘Het gaat’, antwoordde ze.
‘Ik zag het gebeuren, maar het ging allemaal zo snel.’
‘Pfff, zeg dat wel.’
Voorzichtig nam ze een aantal passen. Haar knie deed zeer maar het was te doen.
‘Kan ik helpen?’
De vrouw had haar hand uitgestoken om haar bij te staan.
‘Het gaat, dank je. En niemand die iets doet, he’, zei ze met een duimpje over haar schouder wijzend naar het politiebureau.
‘Je hebt niks aan die lui’, stemde de vrouw in. ‘Ik heb een paar jaar in Kroatië gewoond en de enige keer dat ze iets voor jou willen doen, is als je ze wat geld toeschuift. Verder: ho maar.’
Marleen opende de portier en ging eerst op de stoel zitten voordat zij haar benen naar binnen draaide.
‘Bedankt’, zei ze, nu met een gemeende glimlach naar de vrouw.
‘Graag gedaan. En denk eraan: eerst koelen als je thuis komt’, was het advies.
‘Zal ik doen.’
Ze startte de auto en reed de parkeerplaats af. In de achteruitkijkspiegel zag ze de vrouw op de lege parkeerplek staan voordat ze terug naar de stoep ging en verder liep.
Zelfs tijdens het relatief kleine stukje terug naar huis merkte ze, dat haar knie steeds stijver werd.
9.
‘Wat is er met jou gebeurd?’, vroeg Haaye toen Marleen hinkend de winkel binnenkwam. ‘Heeft oom agent je afgetuigd?’
‘Praat me er niet van’, bromde ze. ‘Ik vertel de politie dat ik weet wie de man is, krijg een uitbrander dat ik pas na zoveel dagen langskom. Daarna ga ik naar buiten waar iemand mijn tas probeert te stelen en me voor de lol tegen de grond werkt. Als het niet voor die blonde vrouw was geweest, was mijn dag werkelijk verrot.’
‘Welke blonde vrouw?’, vroeg Jasmijn, naar voren lopend.
Haaye lachte en zei:
‘Hee, nu is ze ineens geïnteresseerd in het relaas.’
‘Negeer ‘m’, zei Marleen tegen haar; ‘doe ik ook altijd. Er was een vrouw die me heeft geholpen, want hoewel het tegenover het politiebureau gebeurde, kwamen er geen huilende sirenes naar buiten.’
‘Die zitten nog op de klippen’, merkte Haaye op.
‘Wat?’, vroegen zowel Marleen als Jasmijn.
‘Laat maar.’ Hij schudde het hoofd en mompelde: ‘Filistijnen.’
‘In elk geval ga ik naar boven’, zei Marleen, ‘en ben verder voor niemand thuis, behalve als er een paar Russen met een doos wodka aankloppen.’
‘Kan een doos wodka kloppen?’
‘De Russen. Moet je niet naar je moeder toe?’
Ze liep naar de trap, ondersteund door Jasmijn.
‘Iemand moet toch een oogje in het zeil houden...?’
Hij verdiepte zich weer in zijn boek en bemoeide zich met niets meer.
Jasmijn liep achter haar aan mee naar boven.
‘Ga op de bank zitten’, zei ze, ‘dan zorg ik voor een koelpak.’
‘Dat adviseerde die blonde ook’, zei Marleen met een scheef lachje.
‘Ze heeft nogal wat indruk achter gelaten.’
‘Nah, ze was gewoon aardig, en dat zie je niet veel meer tegenwoordig.’
Jasmijn stompte een paar kussens los en legde deze tegen de armleuning van de bank. Marleen deed haar broek uit en ging achterover zitten. In de keuken sloeg Jasmijn de ijsblokjes uit de houder, vulde deze weer met water en schoof het terug in het vriesvak. De ijsblokjes gingen in een plastic zakje waarom ze een theedoek wikkelde. Ze pakte een blikje Blue Bastard, goot een deel in de gootsteen en vulde het opengevallen gat met wodka. Met de blokjes en het drankje ging ze naar binnen.
‘Uitwendige en inwendige verzorging’, zei ze tegen Marleen het blikje overhandigend.
Ze wond de theedoek om haar knie en keek of alles in orde was.
‘Goed zo?’, vroeg ze toen.
‘Je bent een schat, Jas.’
‘Mooi, dat hoor ik graag. Als er wat is, roep maar. Ik zit vlak bij de trap dus ben zo boven.’
‘Voor nu is het in orde. Hoe lang moet die theedoek om blijven?’
‘Een minuut of tien, vijftien’, zei ze vanaf de deur.
‘Als je dan terug kunt komen om het weg te halen en weer een blikje voor me klaar te maken.’
‘Uiteraard.’
Grinnikend liep ze de trap af en sloot beneden de ketting er voor.
‘Alles in orde?’, vroeg Haaye toen ze terug was.
‘Prima. Mar is voor niemand thuis.’
Hij knikte en ging verder met zijn boek. Ze schoof haar stoel aan pakte haar iPhone, las een berichtje van Lotte en werkte hierna aan één stuk door. Haaye bracht een mok koffie en keek over haar schouder mee voordat hij weer terug liep naar het bureau en koffie voor meneer Van Zanten inschonk. Vanaf haar plek hoorde ze het geroezemoes van hun twee stemmen. Door de openingen tussen de treden door keek ze naar de buitenwereld. De deur stond open en de milde buitengeur dreef naar binnen. Het deed haar aan vroeger denken, deze geur vermengd met lentewarmte en het gonzende geluid van een schuurmachine ver weg aan de overkant. Normaliter dacht zij niet aan vroeger omdat er vrijwel niets was dat zij zich ervan herinnerde, maar de rust en de stilte vanuit die tijd herkende zij en miste het. Momenten zoals deze, de open deur waardoor de buitenlucht naar binnen dwarrelde en de zachte stemmen van de twee pratende mannen, deden haar aan die rust terug denken.
Ze vouwde haar benen bij de enkels over elkaar en nam de mok tussen beiden handen, af en toe kleine slokjes nippend. Ze was pas met het leven begonnen, toen ze Lotte tegenkwam. Die had haar een thuis gegeven, had ervoor gezorgd dat zij eindelijk van het leven kon genieten; iets dat zij tot dan toe alleen als woord kende maar nooit had gedaan. Lotte gaf haar geborgenheid zonder dat deze verstikkend was, zonder dat deze haar vrijheidsdrang inperkte.
‘Ik ga een broodje halen.’ De stem van Haaye verbrak haar gedachtengang. ‘Kan ik iets voor jou meenemen?’
‘Ga je naar de bio winkel? Dan graag een broodje met oude kaas zonder allerlei grasvelden erop.’
‘Okee. Ciabatta?’
‘Doe maar. Heb je geld nodig?’
‘Nee. Ga jij morgen maar.’
Ze ging naar boven om te zien of Marleen nog iets nodig had, maar deze lag op de bank te slapen. Zachtjes ging ze weer naar beneden waar een tiental minuten later Haaye terugkwam met de lunch.
‘Er waren vandaag ook broodjes gemarineerde tofu met groenvoer’, zei hij. ‘Ik heb er maar eentje voor je meegenomen.’
‘Lekker, man. Je bent een schat.’ Ze opende de zakjes en keek erin. ‘Hoe is het met jouw moeder?’
‘Het gaat. Ze moet een nieuwe heup krijgen, maar dat wil niet zo vlotten. Er is een wachtlijst van hier tot Tanganyika dus voorlopig rolt ze maar in een scootmobiel. Ik had het idee om een B op de rugleuning te zetten a la Batman. Leek me wel grappig als m’n moeder thuiskomt in de batcave, daar een cape omdoet en dan naar buiten rent om de wereld te redden, haar yorkie achter haar aan als Robin. Met een rode cape, natuurlijk; zo’n kleine die je bij my little pony kunt krijgen.’
‘Verder gaat het wel goed met je?’, vroeg ze quasi bezorgd, waarop hij lachte.
‘Wat is goed, eigenlijk? Kierkegaard er maar op nalezen.’
Hij ging terug naar het bureau en zakte neer in de fauteuil, waar hij zijn boek oppakte en een broodje nam. De rust keerde terug in de winkel.
Na de lunch kwamen twee mannen binnen en bleven bij het bureau staan. Haaye legde zijn boek neer en stond op.
‘Heren’, groette hij. ‘Waarmee kan ik u van dienst zijn?’
‘De Jong, recherche’, zei de voorste van de mannen, zijn penning ophoudend. ‘Dit is mijn collega Jansen. Wij zouden mevrouw Valentina willen spreken.’
‘Mevrouw Valentina is op dit moment niet te bereiken.’
‘Hoe bedoelt u?’
‘Waarmee ik bedoel, dat u mevrouw Valentina momenteel niet kunt spreken. Probeer het op een later moment.’
Voor Haaye was het gesprek afgedaan. Hij ging zitten en pakte zijn boek.
‘Bezwaar als we verder kijken?’, vroeg De Jong.
‘Het is een winkel’, antwoordde hij. ‘Zolang u niets meesteelt, vind ik het best.’
Jasmijn had het gesprek vanaf haar plek gevolgd en keek naar de twee mannen. Eentje liep langs de boekenkasten en de ander ging door naar achteren, haar kant uit. Ze dacht dat hij haar wilde spreken, maar zag hem voor de trap stoppen. Hij pakte de sluiting van de ketting met het bordje privé erop en knipte het open.
‘Hee!’, riep ze hem toe.
Hij legde de ketting over de balustrade en stapte op de eerste tree.
‘Heei!’, riep ze nogmaals, een stuk luider nu, en stond snel op.
Haar stoel viel naar achteren. De man bleef op de onderste tree staan.
‘Welke letter begrijp je niet van het woord “privé”? Staat het in Cyrillisch geschreven of is deze onnozelheid van jou aangeboren?’
Ze greep voor hem langs de ketting en maakte het dicht zodat hij niet verder kon.
‘Wij zijn op zoek naar mevrouw Valentina’, zei hij.
‘Mijn collega heeft al gezegd, dat zij niet te bereiken is’, zei ze kribbig. ‘Dit hier is privé.’
‘Ik zou toch graag het bovendeel willen bekijken.’
‘Da’s dan heel jammer, want dan wil ik graag eerst een huiszoekingsbevel bekijken.’
‘Die hebben we zo te pakken.’
‘Oh ja? Op welk grond: de boeken staan verdacht scheef opgestapeld?’
Ze keken elkaar lang aan. Geen van beiden was van plan als eerste de blik weg te draaien, maar de andere politieman vroeg aan Jasmijn:
‘Kan ik in de kelder kijken?’
‘Dat is onderdeel van de winkel, hoewel niet openbaar’, merkte ze op, ‘maar omdat jij het tenminste vraagt: ga je gang.’
Ze liep bij de trap vandaan, zette haar stoel overeind en ging zitten. Inspecteur Jansen vond dat het bordje “privé” genoeg tegen zijn buik had gedrukt en nam een stapje terug waarna hij naar Haaye liep.
‘Weet je waar ik mevrouw Valentina kan bereiken?’, vroeg hij.
Haaye legde het boek op zijn buik en vroeg:
‘Kan ik een boodschap overbrengen?’
‘Nee. Zeg maar dat we op een later moment terugkomen.’
‘Kan ik zeggen waarover het gaat?’
Hij probeerde dezelfde vraag in een andere bewoording.
‘Het betreft de Poolse man waarmee zij heeft gesproken. We hebben nog een aantal vragen.’
‘Ik geef het door.’
Inspecteur De Jong kwam uit de kelder terug, veegde zijn kleding schoon en ging op Jasmijn af.
‘Weet u misschien waar mevrouw Valentina is?’, vroeg hij haar.
‘Is het bij de politie problematisch om het woord “nee” te begrijpen?’, vroeg zij hem.
‘Bent u misschien mevrouw Valentina?’
‘Zelfde antwoord’, zei ze.
‘Wie bent u dan wel?’
‘Davelaar’, zei ze, de naam van Lotte gebruikend zoals zij meestal deed in officiële situaties.
‘En uw voornaam?’
‘Mevrouw.’
‘Wat doet u hier?’
‘Werken.’
Inspecteur De Jong zuchtte hoorbaar.
‘Wat voor werk?’, was zijn volgende vraag.
‘Boeken inventariseren.’
‘Heeft u ook Poolse boeken geïnventariseerd?’
‘Nee’, zei ze, zonder haar laptop te raadplegen.
Hij keek haar langdurig aan. Uiteindelijk zei ze om toegeeflijk te lijken:
‘Ik heb wel een boek over polka; misschien dat ik je daarmee blij kan maken...’
Een knorrend lachje van Haaye bereikte haar.
‘Zeg tegen mevrouw Valentina, dat we later op de dag terugkomen’, zei hij nors en ging bij haar vandaan.
‘Als ik het niet vergeet’, zei ze tegen zijn rug.
‘Polka?’, riep Haaye haar toe toen de mannen vertrokken waren, en lachte nogmaals.
‘Hij irriteerde mij’, zei Jasmijn, grinnikend om zijn lachen, ‘en die andere helemaal. Ik heb totaal niets met politie en alle andere autoriteiten.’
‘Dat was te merken.’
Hij pakte het boek van zijn buik om te lezen. Jasmijn draaide een stapel boeken met de rug naar haar toe en werkte verder.
10.
‘Ik mis geloof ik alle pret.’
Marleen kwam de trap aflopen, haar linkerbeen stijf met elke stap die ze nam. Jasmijn stond op en ging meteen op haar af.
‘Gaat ’t?’, vroeg ze, een hand uitstekend om haar de laatste paar treden af te helpen.
‘Nog niet, maar dat komt wel weer. Je bent de beste verpleegster die ik aan mijn bank heb gehad.’
‘Wil je hier zitten?’, vroeg Haaye zonder een beweging te maken waarmee hij aankondigde de fauteuil vrijwillig te willen afstaan.
‘Ja, graag.’ Moeizaam naar de fauteuil strompelend, vroeg ze: ‘Wat was er allemaal aan de hand? Ik hoorde allerlei stemmen.’
‘Je was aan het ijlen.’
Hij ging op de boekenkast zitten, zijn boek opengeslagen op zijn dijbeen.
‘De politie is daarstraks langsgeweest’, zei Jasmijn. ‘Ze hebben nog een paar vragen over die Pool.’
‘Oh? Hoe dat zo? Ik heb aan die knaap van het bureau alles verteld wat ik weet.’
‘Waarschijnlijk denken ze, dat je nog iets achterhoudt’, merkte Haaye op. ‘Het woord “waterboarding” viel, dus ik weet niet wat je ze hebt verteld, maar ze zijn niet blij met je.’
Vanuit zijn ooghoeken zag hij een beweging. Hij keek om en zei:
‘Daar komen Jansen en Tilanus weer aan, bereid om jou de handboeien om te slaan.’
‘Jezus, hebben ze voor de deur liggen wachten?’, vroeg Jasmijn zichzelf hardop af.
De twee mannen kwamen binnen. Vanaf buiten hadden zij hun blik op Marleen gericht gehouden en namen deze niet meer van haar af, waarschijnlijk bang dat zij in een moment van onoplettendheid in rook zou opgaan.
‘Mevrouw Valentina?’, vroeg inspecteur de Jong.
‘Ja.’
‘De Jong van de recherche. Dit is mijn collega Jansen. Wij hebben een paar vragen aan u. Kunnen wij ergens rustig gaan zitten?’
‘Hier is het, jongens’, zei ze.
‘We hebben liever, dat we u onder vier ogen kunnen spreken’, vulde inspecteur Jansen aan.
‘Zou dat niet zes moeten zijn?’, vroeg Haaye aan hem.
‘Wij spreken straks verder met u.’ Inspecteur Jansen keek hem langdurig aan.
Toen het hem te lang begon te duren, pakte Haaye zijn boek op en las verder.
‘Mag ik vragen waarom?’, vroeg Jasmijn toen.
‘En u ook.’
‘Mag ik vragen waarom?’, herhaalde zij.
‘U beiden heeft een ambtenaar in functie toegelogen door te zeggen, dat mevrouw Valentina niet aanwezig was. En dat is strafbaar.’
‘Uh-uh-uh’, zei Haaye zonder de ogen van zijn boek af te nemen. ‘Wij hebben gezegd dat mevrouw Valentina niet bereikbaar was; dat is heel anders dan beweren, dat zij er niet is. Het zit ‘m in de semantiek.’
‘Wat ook strafbaar is’, zei Jasmijn, ‘is artikel 461 van de WvS overtreden.’ Alle gezichten draaiden naar haar. ‘Dat is wat privé namelijk inhoudt.’
‘Het staat niet expliciet genoemd’, merkte inspecteur Jansen op.
‘Oh? Wat houdt volgens jou privé dan in?’
‘Ah, semantiek nogmaals’, zei Haaye met een grijns.
‘U wilt niet met ons meegaan?’
Inspecteur De Jong had genoeg van het geleuter en keek naar Marleen.
‘Het is niet een kwestie van willen, maar kunnen.’
Ze wees naar haar linkerbeen die op de papierbak rustte.
‘Toen ik vanmorgen bij jullie een verklaring heb afgelegd, werd ik twee meter buiten het bureau overvallen. En geen hond in het bureau die er naar keek. Daar ben ik op m’n knie gevallen en kan nauwelijks lopen.’
‘Je zou ze moeten aanklagen voor onachtzaamheid’, zei Haaye tegen haar.
‘Is dat in hun vak niet een pré?’, vroeg Jasmijn.
De politiemannen keken van de één naar de ander.
‘Jongens’, zei Marleen tegen het personeel, ‘kunnen jullie ergens anders gaan juichen?’
Jasmijn ging terug naar haar tafel en Haaye schoof bij meneer Van Zanten aan. Inspecteur Jansen haalde een notitieblokje tevoorschijn en bladerde er doorheen. Dit bracht een glimlach bij Marleen teweeg over het feit dat er veel veranderde, maar het notitieboekje van de politie zou altijd blijven.
‘Vanmorgen heeft u tegen onze collega gezegd’, begon de politieman, ‘dat het slachtoffer over een boek sprak dat hij zocht. Kunt u zich dat herinneren?’
‘Natuurlijk.’
‘Weet u ook welk boek?’
‘Nee.’ Ze trok de schouders op. ‘Hij had het over een oud boek waaraan hij gehecht was en die van zijn grootvader was geweest. Dat was alles.’
‘Hij heeft verder geen omschrijving gegeven, naam van de schrijver, titel...?’
‘Nee, helaas. Is er iets speciaals mee?’
‘Dat willen we uitzoeken. Heeft u hier boeken uit Polen?’
‘Vast wel. Degene aan wie u dit kunt vragen, is de vrouw achterin aan de tafel.’
‘Wij hebben bij haar al geïnformeerd. Helaas bleef de medewerking achterwege.’
‘In welk opzicht?’
‘Zij zei, dat er geen Poolse boeken zijn.’
Marleen keek van de ene man naar de andere en riep:
‘Jas? Kom ’s effies.’
‘Wat is er?’, vroeg Jasmijn, de stoel naar achteren schuivend. ‘Wat is er?’, herhaalde ze toen ze bij het bureau kwam.
‘Deze heren hebben aan jou gevraagd, of er Poolse boeken zijn, en volgens jou is dit niet het geval’, zei Marleen.
‘Bijna goed. Er is mij gevraagd, of ik Poolse boeken heb geïnventariseerd, en dat is niet het geval’, zei ze. ‘Ze moeten maar de anderstalige schappen raadplegen om te zien of die er al dan niet zijn.’
‘Het valt mij op’, begon inspecteur Jansen, ‘dat de medewerking in deze winkel wel heel erg moeizaam gaat.’
‘Mogelijk zou een andere aanpak uwerzijds hierin verandering kunnen brengen’, zei Jasmijn.
‘Waar zijn de anderstalige boeken?’, vroeg inspecteur De Jong.
‘Haaye’, riep Marleen, ‘kun jij deze heren de buitenland sectie aanwijzen?’
De mannen liepen naar achteren en begonnen hun zoektocht door de lange rijen boeken in en opgestapeld voor de kasten.
Jasmijn ging op de boekenkast naast Marleen zitten.
‘Waarom die interesse in een Pools boek?’, vroeg ze zacht.
‘En welk boek zoeken ze eigenlijk?’, was Marleen’s wedervraag. ‘Mijn kennis van literair Polen staat en valt bij Czeslaw Milosz en zelfs die is een halve Amerikaan.’
Beiden keken hoe de mannen neerhurkten bij de stapels op de grond.
‘Misschien willen ze dat boek van opa teruggeven aan de familie als aandenken’, merkte ze op.
Jasmijn keek haar verbaasd aan en vroeg:
‘Sinds wanneer doet de politie aan empathie?’
‘Mmh, daar heb je gelijk in.’
Ze bleven naar de mannen staren, zagen hen met gekromde nekken voor de kast met buitenlandstalige literatuur staan en zacht onder elkaar delibereren.
‘Kunnen we ze er misschien toe aanzetten om de kelder in te gaan en stapels boeken naar boven te slepen?’, opperde Jasmijn.
‘Probeer het.’ Marleen toonde een ondeugende glimlach. ‘Maar voordat je dat doet, kun je voor mij wat te drinken inschenken?’
‘Tuurlijk. Oh, trouwens: Haaye heeft een broodje voor je meegenomen. Ik hoop dat ie nog te pruimen is.’
Ze liep de trap met twee treden tegelijk omhoog, schonk een cocktail voor Marleen in en ging hiermee terug naar beneden. Toen ze het privé-bordje voor de trap schoof, liepen de politiemannen net naar buiten.
‘Kans gemist’, zei Marleen tegen haar.
‘Volgens mij willen ze jou ontlopen.’
Haaye gaf haar een kneepje in de bovenarm en ging op de lage boekenkast zitten.
‘Artikel 461 WvS. Welke is dat eigenlijk?’, vroeg hij.
‘Verboden toegang.’
Ze zette het blikje op het bureau en leunde tegen de kast achter Marleen.
‘Ik dacht voor een voor mij onbekende reden altijd, dat dat artikel 38 was.’
‘Dat gaat over vrijheidsstraffen en tbs’, zei ze tegen hem.
‘Verzin je dit nu ter plekke offe...?’
Marleen keek omhoog naar de vrouw naast haar.
‘Verloren jeugd’, antwoordde ze. ‘Heb ik goedgemaakt door rechten te studeren. Ik heb er verder niets mee gedaan, maar het is een goed wapen tegen opdringerige politiemensen.’
‘Je hebt het niet zo op de politie.’
‘Nee. Er zijn een aantal goede onder hen, maar de meesten zijn zoals militairen geil op wapens en macht, en dat irriteert mij mateloos. Mijn wapen tegen hen zijn woorden en kennis.’ Ze gaf Marleen een knipoog. ‘Het leven is zo eenvoudig.’
11.
Jasmijn reed de stad uit. In plaats van de snelweg op te gaan, reed ze langs het kanaal en ging via Akersloot, Uitgeest en Heemskerk terug naar Wijk aan Zee. Ze parkeerde de auto op de parkeerplaats achter het huis, pakte de post en liep met snelle passen de twee trappen omhoog waardoor het keffertje van de benedenbuurvrouw net te laat was voor haar enkels.
Eenmaal binnen deed ze de balkondeur open en keek of er iets interessants tussen de post zat. Ze legde het stapeltje op tafel naast de computer en ging zitten. Turend naar het beeldscherm toetste ze uiteindelijk “waardevolle poolse boeken” in de zoekmachine. De uitkomst was teleurstellend. Er waren sites die uitlegden wat men onder waardevolle boeken verstond en sites die Poolse literatuur aanprezen. Maar niets waar ze wat mee kon. Hierna zocht ze naar “poolse literatuur”, gevolgd door “geschiedenis van polen” en hield zich met deze twee onderwerpen de rest van de avond bezig, alleen onderbroken door de komst van een breng-Chinees.
Het was na enen toen ze opstond en zich uitrekte. Haar ledematen waren stijf van het lange zitten. Ze moest weer eens naar de sportschool gaan of anders fietsend naar het werk.
In de keuken stonden de restjes van de Chinees op het aanrecht. Ze pakte een vork, at de koude foe yong hai en keek door de luxaflex naar de huizen aan de andere zijde van de parkeerplaats. Het was overal donker. Uiterst rechts was een lichte schimmering waar de Hoogovens aan het affakkelen was.
Ze geeuwde, sloot de luxaflex en ging naar bed. Aangekleed viel ze op het dekbed. Lotte was in Duitsland en ze miste haar. Het was onaangenaam om alleen in bed te moeten liggen, niet het lichaam van haar vrouw tegen de hare te voelen. Al liggend deed ze haar broek los en trapte deze uit, boog zich toen voorover om haar iPhone uit de broekzak te halen en de klok in te stellen. Nauwelijks had ze dit gedaan toen de telefoon ging.
‘Hallo, lief’, zei ze na de eerste tingel.
‘Da’s snel.’
‘Ik ben nog maar net in bed.’
‘Hoe is tie?’
‘Lekker. Met jou?’
‘Prima. Ik heb geen klauwtje meer over vanwege de handtekeningen die ik heb gezet. Maar leuke mensen ontmoet en een paar die er vorige keer ook waren. Het is goed te doen hier. Oh, en ik heb een rasechte stalker.’
‘Werkelijk?’
‘Hij of zij -geen idee wat het is- blijft me naar elke nieuwe lokatie achtervolgen.’
‘Ziet het er leuk uit?’
‘Het ziet er bizar uit; het is zo’n type, waar zelfs het COC nog geen letter voor heeft bedacht. Benieuwd wat voor bordje er voor zo’n type op de wc komt. Waarschijnlijk een kruising van een mangoest en platipus. Verder is het leuk hier, maar vermoeiend. Ik ben juist terug van weer een orgie. Hoezo ben jij nog zo laat op?’
‘Ik heb nooit zin om naar bed te gaan als jij er niet bent.’
‘Ah, wat een watje ben je toch. Vrijdag ben ik er in elk geval weer, maar dat ligt eraan hoe dronken ik uit het afscheidsfeest kom, anders wordt het zaterdag.’
‘Prima, ik zie je wel verschijnen. Zal ik je van het station ophalen?’
‘Nah, ga maar doen wat je leuk vindt om te doen. Ik bel Taxi Zwart wel; daar hebben van die leuke rondborstige dames die je overal naartoe willen rijden.’
‘Je gaat toch niet weer via Castricum naar huis, hopelijk?’
‘Misschien.’ Lotte lachte. ‘Ligt eraan wie er achter het stuur zit. Hee, ga lekker slapen, lieverd. Ik belde alleen omdat ik effies jouw stem wilde horen. Ik bel je morgen weer, okee?’
‘Okee.’
‘Nou slapen.’
Lotte verbrak de verbinding. Jasmijn legde de telefoon naast haar neer en voordat deze was afgekoeld, viel ze in slaap.
12.
‘En wat deed de politie?’
Inge hield de koffiepot naar Marleen omhoog maar deze schudde het hoofd. Het was nog geen negen uur in de ochtend en dit was al haar derde kop.
‘Je mag een keuze maken’, zei ze: ‘Positieve actie of helemaal niets.’
‘Pffft.’ Inge vouwde de armen over elkaar. ‘En daar betaal je dan belasting voor.’
‘Ik kan het ze ook niet kwalijk nemen’, zei Marleen goedhartig. ‘Politiemensen zijn tegenwoordig niets meer dan veredelde ambtenaren die in een felgekleurd pakkie op de fiets mogen zitten.’
‘Maar ze hebben wel mensen genoeg om er twee naar jouw winkel te sturen.’
Ze zaten aan een tafel achterin de antiekwinkel. Door de openstaande deur kwamen de buitengeluiden mompelend binnen dwarrelen. De winkel stond vol met duizend en éen snuisterijen, schilderijen hingen aan de muren en hier en daar was er werkelijk iets dat smaakvol te noemen viel. Maar het grote publiek hield van de dingetjes die overal verspreid stonden en Inge was van mening, dat ook zij een inkomen moest hebben om de maand door te kunnen komen.
Stofdeeltjes dansten in de zonnestralen die schuin de winkel binnenvielen. Marleen zat achterover geleund op een keukenstoel met rieten zitting die onverwacht comfortabel bleek te zijn.
‘Hoe bevalt Jasmijn trouwens?’, vroeg Inge toen.
‘Prima.’ Ze glimlachte. ‘Ze is een goede aanwinst voor de zaak.’
‘Is zij nu werkelijk met Lotte Davelaar getrouwd?’
‘Uh-huh.’
‘Je zou die eens moeten uitnodigen om handtekeningen te komen zetten. Ik denk dat het storm loopt bij je.’
‘Ik verkoop tweedehands boeken, en die van Lotte Davelaar zitten er zelden tussen.’
‘Laat ‘r iets van promotie doen... Of stuur haar naar mij; ik verzin wel iets waardoor ik klanten kan aantrekken.’
‘Ik zal er eens over denken.’
Ze stond op om terug naar de winkel te gaan en bleef staan.
‘Hee, Ing: zin om vanavond wat te gaan drinken?’
‘In de Babbeldoos?’
‘Ja. Het is eeuwen geleden dat we een drankje hebben gedaan.’
‘Goed plan’, zei Inge toen ze het idee door haar hoofd had laten malen. ‘Geen echtgenoot in de buurt...’
‘Ex-echtgenoot.’
‘Correct: ex-echtgenoot, dus niemand die meer zeikt tegen me, dat ik niet teveel moet drinken. Ik laat ‘m flink uit de broek hangen vanavond.’
Ook zij stond op.
‘Misschien dat Jasmijn mee wil gaan?’
‘Ik zal het haar vragen.’
Marleen bleef staan om te peilen hoe het met haar knie was na het lange zitten en kwam toen langzaam op gang.
‘Neem dit mee voor ondersteuning.’
Inge pakte een wandelstok uit de paraplubak en hield deze aan de punt naar haar gestrekt.
‘Het ziet er nog zo nieuw uit.’
‘Klopt. Als je er een paar dagen mee loopt, krijgt het een ingeleefd uiterlijk en daar geloven de klanten meer in dan in nieuw. Ik verkoop per slot van rekening antiek.’
‘Ik ga er maar gauw vandoor voordat je mij ook verkoopt.’
Inge grinnikte en zei:
‘Vanavond een uurtje of zeven?’
‘Of eerder als we nog iets gaan eten’, merkte Marleen op.
‘Chinees?’
‘Nee, m’n ogen staan altijd schuin als ik ze toeknijp.’
‘Het wordt tijd dat je vertrekt, lieverd. Ik kom je wel ophalen.’
Marleen zei gedag en liep langs de bakker en de snoepwinkel naar Pagina 42. Haaye zat in zijn bekende fauteuil en Jasmijn kwam juist uit de kelder naar boven met een doos boeken.
‘Lukt ’t?’, vroeg Marleen van verre.
‘Ja, hoor.’
‘Ik heb nog aangeboden om te helpen’, zei Haaye.
‘In gedachten zeker’, riep Jasmijn hem toe.
Hij grijnsde louter en zei tegen Marleen:
‘Sjiek, die wandelstok. Je mist alleen nog een hoge hoed.’
‘Jij mist ook het één en ander, jongeman, maar daarover ga ik vandaag niet uitweiden.’
Ze liep verder naar Jasmijn.
‘Een vraagje, Jas: Inge en ik gaan vanavond lekker doorzakken. Zin om mee te gaan?’
‘Word ik niet gevraagd?’ riep Haaye.
‘Het is een meiden avondje.’
‘En? Val ik daar niet onder?’
‘Technisch gezien niet, helaas voor jou.’
Haaye mompelde iets van discriminatie en las verder. Marleen ging met één bil op het vrije puntje van de tafel zitten en vroeg:
‘En?’
‘Normaal gesproken graag, maar het is gisteravond laat geworden en ik zit er nu al doorheen’, zei Jasmijn. ‘Een andere keer ben ik van de partij.’
‘Hoezo laat geworden?’
‘Ook wij hebben een privé leven, chef.’
‘Negeer ‘m’, zei Marleen tegen Jasmijn zonder om te kijken. ‘Dat doe ik meestal ook en het werkt perfect.’
‘Lotte belde om twee uur.’
‘Zo laat nog?’
‘Ze was net terug van een drinkgelag, geloof ik, maar klonk helder, wat mij verbaasde’, zei Jasmijn met een lachje.
‘Hee...’ Haaye legde zijn boek neer, stond op en liep op de andere twee af. ‘Idee: zou Lotte niet een dagje hier kunnen komen om te signeren?’
‘Heb jij met Inge gesproken?’, vroeg Marleen over haar schouder. ‘We zijn een tweedehands boekwinkel. Schrijvers doen zoiets niet in tweedehands boekwinkels.’
‘Okee.’ Hij knikte. ‘Ik begrijp het. Maar wat als wij nu deze trend beginnen? We kunnen het altijd als een noviteit inbrengen en bijvoorbeeld maandelijks een auteur uitnodigen om hier te signeren. Het heeft geen zin om stil te blijven staan bij wat er eens was, als heel de boekwereld tot aan de nek in het drijfzand staat.’
De drie keken elkaar aan; Marleen van Haaye naar Jasmijn en terug terwijl Jasmijn’s ogen wisselden tussen de twee tegenover haar. Haaye’s donkere ogen schitterden onder zijn losse kuif, die heen en weer veerde met elke hoofdbeweging die hij maakte.
‘Wat vind jij ervan?’
Marleen’s vraag maakte een einde aan de stilte.
‘Ik kan het altijd aan Lotte vragen’, zei Jasmijn, ‘en ik denk dat zij wel positief reageert. Ze houdt van boekwinkels en dan vooral tweedehandsjes. De meeste gewone boekwinkels, om ze zo maar te noemen, verkopen tegenwoordig koffie, dvds, pennen en tijdschriften met hier en daar een boek, dus de tweedehandsjes zijn degenen die het boek in ere houden.’
‘We kunnen er een themamaand van maken.’
Haaye staarde voor zich uit en dacht na.
‘De etalage inrichten’, begon hij zijn opsomming, ‘het publiek warm maken voor wat er komen gaat. Eventueel een aankondiging in de krant om extra mensen aan te trekken.’
‘Alles leuk en aardig, lieve lui’, onderbrak Marleen hem, ‘maar er is nog zoiets als boeken verkopen. En boeken van mevrouw Davelaar zijn heel schaars aanwezig in mijn winkel.’
‘Ramsj?’, stelde Haaye voor.
‘Uhm, sorry collega’, kwam Jasmijn tussenbeide, ‘maar mijn vrouw doet niet aan ramsj. Haar boeken gaan goed in de verkoop, namelijk.’
‘Verkeerd woord.’ Hij grijnsde haar toe. ‘De uitgever kan toch een zwik toesturen, bedoel ik? Themamaand, nogmaals, en dit keer leggen wij de nadruk op lesbische literatuur.’
‘Oooh, als je Lotte kwijt wilt raken, moet je vooral “lesbische literatuur” tegen haar zeggen’, zei Jasmijn. ‘Zij schrijft literatuur waar in plaats van mannetje-vrouwtje het bij haar gaat om vrouwtje-vrouwtje. Mannetje-vrouwtje boeken omschrijf je toch ook niet als “hetero literatuur”?’
‘De meeste omschrijf ik amper als literatuur’, merkte hij op, ‘maar ik begrijp waar je op doelt. Sorry, excuus.’
‘Is goed, joh.’
‘Literatuur met een lesbisch thema?’, vroeg hij toen.
‘Klinkt al beter’, gaf Jasmijn toe.
De deur klingelde en een man stapte naar binnen, bleef bij het bureau staan en zette een linnen tas op het tafelblad.
‘Ik raak steeds meer gecharmeerd van dit idee, Haay’, zei Marleen, van de tafel afglijdend en haar stok pakkend om naar voren te gaan. ‘Laten we het nog een aantal dagen in het hoofd rondmalen en dan bespreken we wat we ermee gaan doen.’
‘Wanneer?’, vroeg Haaye.
‘Aan het eind van de week.’
Ze liep naar het bureau.
‘We lijken wel een serieus bedrijf dat een werkoverleg houdt’, zei hij tegen Jasmijn.
‘Als jij maar notuleert.’
‘Kan ik u helpen?’, vroeg Marleen aan de man.
Hij schoof de tas met boeken naar haar toe en vroeg of hij er nog wat voor kon krijgen.
Haaye ging terug naar zijn plek en nam de klant van Marleen over, die door ging naar boven om haar knie te laten rusten. Jasmijn zette de boeken op stapels van dertien op haar werktafel. Ze keek naar de lijst op de laptop en zag met een zeker gevoel van genoegen, dat het een orderlijk en overzichtelijk geheel aan het worden was. Er waren nog duizenden boeken in de kelder die geïnventariseerd moesten worden, maar ze had geen haast.
Haaye werd er tussen de middag op uit gestuurd om broodjes te halen en Marleen nam zijn plek achter het bureau in, een blikje energiedrank op tafel voor haar. Juist toen Jasmijn zich grinnikend afvroeg of deze zuiver was of een mixje van wodka, bleef een vrouw van ongeveer haar eigen leeftijd bij haar tafel staan. Ze keken elkaar lange tijd aan. Op het gezicht van de vrouw begon zich plots een brede glimlach af te tekenen.
‘Belletien?’, zei ze toen vragend. ‘Belletien Quirijns? Ken je me nog? Marjolein van der Does. Je weet wel: de Horsten, lagere school, Maarssen. Het is eeuwen geleden dat ik jou voor het laatst heb gezien. Jeetje, meid, waar ben je al die tijd geweest?’
‘Sorry, maar ik ben Jasmijn Bendelof’, zei ze tegen haar, de wenkbrauwen fronsend.
De glimlach tegenover haar taande niet.
‘Werkelijk? We waren beste vriendinnen op de lagere school.’
‘Dat zegt me werkelijk niets’, zei ze hoofdschuddend. ‘Sorry.’
‘Serieus?’ De glimlach verdween. ‘Ik zou toch zweren... Heb je misschien een zus ofzo?’
‘Nee.’
‘Ach. Mijn hemel. Sorry dan. Ik dacht werkelijk dat je Belletien was.’
‘Kan ik helpen?’
Marleen was naderbij gekomen en leunend op haar stok keek ze Marjolein aan, die het hoofd schudde.
‘Nee, het is een misverstand’, zei ze. ‘Ik dacht dat deze mevrouw een oude schoolvriendin was, maar het blijkt dat ik fout zit. Sorry’, zei ze over haar schouder naar Jasmijn.
‘Oude schoolvriendin?’, herhaalde Marleen zonder nadenken.
‘Belletien Quirijns. Met een q, zei ze er altijd bij. Maar...’
Ze duwde haar lippen op elkaar, zwaaide half ten afscheid en half verontschuldigend naar achteren en ging de winkel uit.
‘Waar ging dit allemaal over?’, vroeg Marleen.
Zowel zij als Jasmijn staarden naar de deuropening waardoor de vrouw was verdwenen.
‘Persoonsverwisseling, vermoed ik’, zei Jasmijn. ‘Ik schijn op een lagere school in Maarssen gezeten te hebben. Ik weet amper waar Maarssen ligt.’
‘In Utrecht, toch?’
‘Ik dacht het wel, maar zou het niet op de kaart aan kunnen wijzen.’
‘Dus je bent nooit in Maarssen geweest?’
‘Misschien wel, maar niet met haar.’
‘Heb je ooit een lagere school doorlopen?’, vroeg Marleen met een lachje.
Jasmijn knikte afwezig op haar vraag en toonde een automatische glimlach. Het nare was, dat ze zich niets vanuit haar vroege jeugd kon herinneren.
13.
‘Aaah, het is eeuwen geleden dat we dit hebben gedaan.’
Marleen legde haar been op de stoel naast de hare, en leunde de stok er tegenaan. Op tafel stond een glas wodka jus d’orange. Inge tikte zichzelf op de buik.
‘Weer een paar kilo erbij’, zei ze.
‘Maar dat is voor het goede doel.’
Ze hield het glas naar haar omhoog. De twee vrouwen proostten en namen slok.
‘Al wat nieuws gezien op het liefdesfront?’
‘Alsjeblieft, spaar me.’ Inge keek naar de mannen bij het biljart. ‘Ik ben er net eentje kwijt dus voor mij hoeft het voorlopig niet meer. Blij dat ik van dat gekoeioneer af ben.’
‘Was Lex er zo eentje dan?’
‘Mmm...’ Inge dacht na. ‘Meer eentje die dringende suggesties gaf.’ Marleen schoot in de lach om deze opmerking. ‘Werkelijk, Mar. Als er iets niet zinde, begon hij altijd met: Ik weet niet, hoor, maar als ik jou was... Of de variant: Je moet het natuurlijk zelf weten, maar... En vul maar aan met het tegengestelde van wat je op dat precieze moment aan het doen bent en dan heb je Lex.’
‘Hoe lang zijn jullie getrouwd geweest?’
‘Elf jaar. Of tweeëntwintig in tropenjaren. Zo voelde het wel; vooral op het eind.’
‘Dat zijn toch flink wat jaren.’
‘Ja, de stompzinnigheid van het willen volhouden tegen beter weten in.’
Ze pakte haar glas en leunde met beide ellebogen op tafel.
‘Het was al heel vroeg in ons huwelijk dat ik erachter kwam, dat dit het niet ging worden. Maar toch doorgaan, he.’
‘Dat begrijp ik nou niet.’
‘Nee, nou ja, ik kan me dat ook wel voorstellen, maar mijn moeder had van meet af aan gezegd, dat het niets zou worden, en liever dan mijn moeder gelijk geven...’
‘...ben je getrouwd gebleven’, maakte ze de zin af.
‘Inderdaad.’
‘Was het niet makkelijker geweest om een mea culpa naar moeders uit te spreken?’
‘Achteraf gezien wel, ja. Als ze er maar niet zo zelfvoldaan was geweest toen ze het zei, had ik er misschien eerder een punt achter gezet.’
Ze leunde haar kin in het kommetje van haar hand en keek naar Marleen.
‘Toen ik haar eenmaal vertelde van de scheiding, bleek dat ze totaal niet zelfvoldaan was, maar blij voor mij dat ik een eigen leven ging leiden. Ze zei dat Lex veel weg had van oom Hendrik, haar jongste broer, die ook op een sarcastisch manier mensen probeert te manipuleren.’
‘Ik heb gelezen, dat 20% van de bevolking psychopaat is of psychopathische trekjes heeft’, merkte Marleen op. ‘Of was het 25%? In elk geval schrikbarend veel.’
‘Wat houdt dat eigenlijk in, psychopaat zijn? Schreeuwend over straat lopen?’
‘Geen idee. Jij bezoekt psychologen, dus misschien kun je het daar eens vragen.’
Ze nam een slok en zag dat haar glas alweer half leeg was. Niet half vol maar half leeg. Dit had niets met pessimisme te maken maar alles met lekkere dorst.
‘Volgens mij vallen onder psychopathische trekjes ook’, vervolgde ze, ‘als je andere mensen wilt manipuleren.’
‘Zoals Lex, dus.’
‘Zo’n beetje wel, ja. ’t Is lullig om te zeggen want ik ken hem als een toffe kerel, maar dat is meestal zo met dat soort lui.’
‘Wie zijn dan die mensen die schreeuwend over straat lopen?’, vroeg Inge zich af.
‘Met een beetje mazzel’, zei Marleen met een lachje, ‘zijn wij dat straks. Proost, Ing.’
‘Daar drink ik zeker op.’
Ze nam een slok en zag Marleen in haar bijna lege glas kijken.
‘Nog maar eentje dan, toch?’
‘Graag. En vraag om een dubbele dosis wodka dit keer. Aan één vingerhoedje heb ik niet genoeg.’
Ze haalde haar been van de stoel af en probeerde het te buigen. Het ging al beter, maar dat kon ook komen vanwege de alcohol. Ze hadden bij de Chinees al een paar glazen weggewerkt en met deze cocktails er bovenop, maakte dat haar knie steeds minder te klagen had.
Ze hield van deze bar, hield vooral van het bordje op de buitendeur waarop stond, dat kinderen onder 18 jaar niet welkom waren. Dit betekende, dat er geen moeders met peuters en vaders met kleuters waren. Ze had niets met kinderen, wel met honden, maar niet met kinderen. De sfeer hier binnen trok haar aan, het gelach, het geroezemoes. Door dit geroezemoes heen hoorde ze iemand “hallo” zeggen. Ze liet haar blik naar Inge gaan, die met haar rug naar haar gekeerd aan de bar stond te leuteren met de man naast haar.
‘Hallo’, hoorde ze nogmaals, ditmaal gevolgd door een hand op haar schouder.
Ze keek vanaf de hand omhoog en zag de blonde vrouw die haar geholpen had na haar val.
‘Hee, hallo’, groette ze terug.
‘Hoe is het met je?’
De vrouw wees naar haar knie.
‘Het houdt nog niet over, maar ik kan me bewegen.’ Ze keek om zich heen. ‘Ben je alleen offe...?’
De vrouw knikte. Ze wilde haar been van de stoel afhalen zodat ze kon gaan zitten, maar de vrouw maakte een “laat maar” gebaar met haar hand en pakte een stoel bij een andere tafel vandaan.
‘Ik heb maar twee drankjes, helaas’, zei Inge die de glazen op tafel zette en een vragende wenkbrauw naar Marleen optrok.
‘Ik heb nog wat, dank je’, zei de vrouw met een ontwapenende glimlach.
‘Oh’, zei Marleen, ‘dit is de reddende engel toen ik bij het politiebureau omver getrokken werd. En dit is Inge.’
Ze herinnerde zich ineens, dat ze de naam van de vrouw niet wist.
‘Sonia’, zei de vrouw toen ze de hand van Inge schudde.
‘Inge’, zei Inge nogmaals, naar zichzelf wijzend, ‘en Marleen.’
‘Hallo Marleen.’
Sonia schudde ook haar hand en hield deze langer vast dan in beleefd gezelschap was toegestaan. Dit gebaar ontging ook Inge niet.
‘Je hebt een heel leuk accent’, zei ze. ‘Ben je niet van hier?’
‘Ja, hoor, maar ik heb een tijd lang in Kroatië gewoond en daar heb ik dit aan over gehouden.’
‘Kroatië? Dat hoor je niet vaak. Zitten die eigenlijk bij de EU?’
‘Geen flauw idee.’
Marleen pakte haar telefoon tevoorschijn toen ook Sonia de schouders ophaalde, en zocht Kroatië op.
‘Heb je daar gewerkt?’, vroeg Inge.
Sonia knikte maar wijdde er niet verder over uit.
‘Ik heb een antiekwinkel en ben ooit eens in Kroatië geweest, deels vakantie, deels zakelijk om te zien of ik daar antiek op de kop kon tikken voor een schappelijke prijs. Hun muntstelsel... hoe heet dat ook weer waarmee ze betalen?’
Nadenkend tikte ze haar vingers op het tafelblad.
‘Geld?’, suggereerde Marleen. Inge grinnikte.
‘Kronen’, zei Sonia.
‘Mmh, volgens Wikipedia heet het Kuna, HRK.’
‘Wikipedia!’ Sonia hief haar armen moedeloos in de lucht. ‘In de volksmond worden ze kronen genomen, net zoals in Zwitserland.’
‘Zo leer je elke keer weer wat.’
Marleen zag, dat haar glas alweer aardig leeg aan het raken was. Het leek alsof de bodem steeds dichter bij de bovenkant kwam.
‘In elk geval zijn ze sinds 2013 lid van de EU’, zei ze.
‘Nog een glaasje?’, vroeg Sonia aan haar.
‘Omdat je het zo lief aanbiedt.’
‘Jij?’
Inge schudde het hoofd.
‘Ik hou het hierop’, zei ze en vervolgde zacht toen Sonia opstond en naar de bar liep: ‘Moet ik er met een smoes vandoor gaan?’
‘Hoezo?’ Marleen was oprecht verbaasd. ‘Je bedoelt, Sonia en ik...? Ben je belazerd.’
‘Ik zie de manier waarop zij naar jou kijkt.’
‘Ach, man, wat een onzin.’
‘Nee, serieus.’ Beiden lachten lief naar Sonia die vanaf de bar naar hen omkeek. ‘Zeg maar.’
‘Onzin. Jij en ik zijn uit en Sonia geeft haar laatste kronen uit om een drankje voor ons te halen.’
‘Voor jou.’
‘Omdat jij niet wilt, doos.’
‘Hier een lekkere koele wodka.’
Sonia zette het glas voor haar neer en ging weer naast haar zitten.
‘Jullie waren druk in gesprek.’
‘Nee’, begon Marleen, maar Inge onderbrak haar met:
‘Inderdaad. Ik ga er zo tussenuit want ik heb nog het één en ander te doen.’
‘Zoals?’, vroeg Marleen met de tanden op elkaar.
‘De poezen voeren.’
Ze stond abrupt op voordat haar vriendin de kans had te zeggen, dat ze geen katten had, en dronk het restje uit haar glas op.
‘Veel plezier nog en leuk je ontmoet te hebben, Sonia. Misschien zien we elkaar nog eens.’
‘Je weet maar nooit’, zei Sonia met een brede grijns.
‘Doehoeg, Mar en tot morgen.’
‘Nah’, was de halve groet waarmee ze gedag zei tegen Inge.
‘Hoe is het met de knie?’
Sonia legde haar hand over de knie heen. Marleen voelde een zenuwtrekje door haar lichaam kruisen, die ze alleen kon blussen met nog meer wodka. Ze nam een paar slokken achter elkaar en zei:
‘Het zitten gaat in elk geval goed.’
‘En liggen?’
‘Waarschijnlijk ook.’
Ze nam nog maar een slok en voelde hoe plots de alcohol de overhand had in haar lichaam.
‘Oh jee’, mompelde ze zacht.
‘Gaat het goed met je?’, vroeg Sonia toe ze abrupt overeind schoot.
‘Effies plassen...’ ze keek om haar heen ‘...als ik de wc weet te vinden.’
‘Links langs het biljart.’
‘Dank.’
Ze probeerde zo recht mogelijk te lopen, lachte de mannen aan het biljart toe, en kreeg pas bij de zoveelste poging de deurknop te pakken. In het kleine voorstuk bij de toiletten maakte een vrouw zich op in de tamelijk verweerde spiegel boven de wasbak. De voorste wc deur was gesloten maar die ernaast niet en Marleen schoot naar binnen. Ze ging op de pot zitten en hield haar hoofd tussen haar handen.
En viel in slaap.