Babbelkunst

Babbelkunst is een boek met gesprekken cq interviews die ik in 2023-2024 met diverse kunstenaars uit de regio Noord Holland heb gehouden. In totaal heb ik met 23 kunstenaars gepraat over kunst, wat zij als kunst zien, en ook hoe de kunst in hun pesoonlijke leven past. Want de meeste kunstenaars kunnen niet van hun product leven en moeten naast hun passie op de éen of andere manier aan geld zien te komen voor een bammetje kaas.

Het waren gesprekken die soms met enorme diepgang gepaard gingen, soms hilarisch waren, maar bovenal heel fijn om te merken hoe kunstenaars zich openstelden tegenover iemand die zomaar wat vragen stelde.

Uit de 23 gesprekken heb ik er 8 gekozen. Dit is gedaan op basis van puur mijn persoonlijke preferentie en zegt niets over de kunstenaars die onderstaand geen plek hebben gekregen. Het gaat gewoon om mijn eigen smaak en hoe het interview leest.

alle interviews zijn onderhevig aan copyright

Y. Janssens, juli 2026

Norbert Wille

Lucia Admiraal

Sjanneke van Herpen

Jan Kroeze

 

 

 

 

 

 

 

 

Mary Admiraal

Harm Jonker

Gea Nagel

Hanna Looye

Norbert Wille is een geweldig mens en een geweldige kunstenaar. En andersom. 

De eerste keer dat ik hem ontmoette, was bij hem thuis in Velserbroek. Hij opende de deur, keek me aan en zei dat hij me ergens van kende. Waarschijnlijk van Opsporing Verzocht, antwoordde ik met een stalen gezicht. Twee seconden lang was hij een hertje die in de koplampen van een aanscheurende auto keek, legde toen lachend een hand op z’n hart en vroeg me dit nooit meer te doen. 

Norbert is een liefhebber van katten, van goede kunst en van Don Martin. Vooral dit laatste vertelde mij dat dit een goed interview zou worden. Wat ik niet wist, was dat het een hilarische werd.

 

Norbert Wille

We lopen vanaf de benedenverdieping, waar zijn atelier is, naar boven, de ruime zitkamer in. Meteen zoom ik in op zijn boekenkasten en met het hoofd een tikje schuin begin ik titels te lezen. Zijn kat komt de kamer in en loopt door naar het balkon.

‘Ik heb ooit wel eens relaties afgewezen omdat ze geen boekenkast hadden’, zegt Norbert. ‘En dat staat hier nog maar een klein deel. Hier, dit is ook nog afgeladen met boeken. Ik heb tegen mezelf gezegd dat ik geen boeken meer mag kopen. Maar... Ja, kijk, dan kom ik deze weer tegen, dat is Lieve Gedichten van Joost Oomen en ik vind hem zo’n leuke man. Jong talent, nieuw talent.

‘Hierboven is nog een gigantische slaapkamer, je loopt dus van voor naar achter, en dan heb ik aan die kant een bed staan en aan die kant nog een keer een soort, ja, noem het maar een zithoek, om het veilig te houden.’

 

Zijn hoge uiterst gaaf uitziende schoenen vallen mij op en ik vraag hem of het Doc Martens zijn

‘Deze schoenen heb ik gisteren ingelopen. Ik dacht dat ik dood ging op de terugweg. Het zijn de German army boots van Mr B. en ik geloof dat dit al mijn vijfde paar is in dertig jaar tijd. Ze gaan gewoon heel lang mee. Die vorige heb ik gebruikt als atelier schoenen en dat moet je dan ook niet doen met deze schoenen. Maar ik had zoiets van ik wil ze indragen, want ik heb ze zo’n twee tot drie weken geleden gekocht en nog steeds geen tijd gehad om ze in te dragen. Ik wil ze wel dragen op de Walk of Pride. En ik had gisteren gezegd: okee, ik ga naar Zaandam, laat ik ze maar aandoen. Dat voel je dan. Ten eerste kom je de trap niet af want die enkels zijn helemaal gefixeerd dus ik liep echt op een hele rare manier. En dan kom je op station Zaandam aan en daar doet de roltrap het niet. En toen moest ik nog heel dat stuk naar een galerie lopen. Lang leve de lol. Ik heb het overleefd maar... Dan krijg je dat soort dingen. Ik had ze zaterdag ook nog heel even aan, moest ik naar het winkelcentrum, kwam ik iemand tegen die zegt: is er iets met je been? Neehee, nieuwe schoenen. 

‘Ik heb het éen keer gehad, dat waren laarzen -die heb ik boven nog staan maar zijn helaas kapot- die kwamen tot net onder m’n knie en toen moest ik naar Den Haag, een expositie van een vriendin. Ik had zoiets dat vanaf het station, dat is wel te lopen. Ehhh, nee dus. Omdat je zo heel recht loopt, krijg ik een knallende pijn onderin de rug. En ik moest nog maar éen halte met de tram, dus ik ben voor éen halte op de tram gestapt, en dat is echt helemaal niets voor mij. Maar ze zijn wel mooi. 

‘Zo liep ik gisteren helemaal in het zwart, met die schoenen, en dan zie je mensen toch even kijken, zo van: klopt dit wel? Ja, dat klopt. Ik heb daar schijt aan, hoor. Vroeger had ik een hele ouderwetse paardrijbroek met van die flappen aan de zijkant, maar toen had ik ook diezelfde laarzen aan waar ik het net over had en daar liep ik mee in Rotterdam en werd ik uitgescholden voor nazi. Toen kwam ik Haarlem aan, daar loop ik de stad in, kwam een vriend tegen en -dat was in de tijd dat je elkaar nog kon kussen op straat- en we kusten elkaar en toen werd ik uitgescholden voor kutnicht. Toen had ik zoiets van: ja, jongens, maak nu in godsnaam een keuze. Het leven is zo verwarrend. Maar naar Rotterdam gaan in zo’n broek is er om vragen, geloof ik.’

 

Norbert is een bron van hilarische anecdotes. Om hem naar het interview te leiden, vraag ik wat kunst voor hem betekent

’Wat is kunst voor mij? Jee... Nu ga ik al meer dan dertig jaar mee en ik weet het nog steeds niet. Weet je, het is iets wat je maakt en wat mensen ontroert of bindt of juist uit elkaar drijft. Het is een emotie. Het is in ieder geval niet een mooi plaatje. Er zit een gedachtengang achter, het is een proces. Is het maatschappelijk? Ja en ook nee. Kunst is wel een tijdsbeeld en wat nu wordt gemaakt, konden ze in de 17e eeuw niet maken en dat zullen ze over tweehonderd jaar ook niet meer maken omdat wij bepaalde technieken en al dat soort zaken hebben. Eigenlijk is alles kunst en dan zijn er mensen die plakken daar een labeltje op, en dat is het. Kunst... Als ik hier op een bank zit heel de dag en ik kijk voor me uit en er loopt allemaal volk langs dat naar mij kijkt, ben ik dan kunst? Abramovic zit aan een tafel waar ik tegenover kan zitten. Is het kunst of is het wat anders? Is het theater? Theater is ook kunst. Ik vind het moeilijk om die scheidslijn te bepalen of te zeggen wat is kunst en wat is geen kunst. Het is iets waar een emotie achter zit, een bewuste emotie -een onbewuste emotie is wat anders. Aan de andere kant heb je ook met... -ik kan nooit iemands naam onthouden... die heeft nu in de tuinen van het Rijksmuseum landschapsart gemaakt. Ik open m’n telefoon om erachter te komen wie het is.’ Terwijl hij zoekt, zegt hij: ‘Ik speel geen candy crush maar iets met lemmings. Die storten zich naar beneden en dan moet je ze op de éen of andere manier zien te redden, dat vind ik dan weer leuk. 

‘Waarom begrijp ik m’n telefoon nooit... Hoe lang geleden ben ik daar geweest? Dat is een maand en dat zijn een heleboel fotos. Ik kijk onder galerie, toch? Oh ja: fotos van kipnuggets en kaashapjes... Ah, Richard Long, landschapskunstenaar. Dat zijn rechte lijnen van buxus hagen of in het gras en daar zie ik weinig emotie in, maar dat is ook kunst en dat is een ingreep. Kunst is zo uitgebreid en zo alles omvattend, dat als ik om me heen kijk, dat is kunst. Ik heb een gebreide sjaal die kunst is. Mezelf. Dit ding, een plank die ik op een veiling heb gekocht, en dat is kunst. De aanleiding van die veiling was een verzamelaar die is overleden en dit zat in zijn collectie. Ik heb het indertijd in een galerie zien hangen en het was een gigantisch bedrag dat ervoor gevraagd werd. De prijslijst ligt hier nog ergens. Oorspronkelijk kostte het 1500 euro. Ik heb het gekocht voor 25. Dan kan ik er ook weer van genieten want ik vraag me af: wat is de waarde van kunst? Ik vraag bepaalde prijzen voor m’n werk, maar is dat een realistische prijs of niet. Want ik kom wel eens bij kunstveilingen, dat zijn vaak inboedel veilingen van verzamelaars, dan gaan daar dingen ook van mensen die nog leven en die ik ook ken. Ik snap dan ook niet dat ze niet zelf in de zaal zitten om hun eigen werk terug te kopen. Maar dat werk gaat weg voor een appel en een ei en dan kom je ze tegen op de KunstRai en dan heb je zoiets van ja, leuk, ik zag jouw werk vorige week voor 25 of 50 euro weggaan en hier vraag je voor hetzelfde werk een paar duizend. Dus hoe realistisch is dit, hoe absurd.’

 

Boedelbak

‘Ik zat op de academie en toen werd ook dezelfde vraag gesteld van wat is kunst. En toen antwoordde er iemand: kunst is geld of geld is kunst, ik weet niet meer of het ’t éen of het ander was. Ja, dus wat is kunst? Ik weet het niet en zal het ook nooit weten. Dat is hetzelfde als wat komt er na de dood, dat weten we ook niet. Daar komen we wel een keer achter, maar nu nog niet. Weet je, het is gewoon wat jij zelf vindt. 

‘Ik heb hier dingen hangen en boeken staan en de éen vindt het niks en de ander geeft het wel waarde. En dat is hetzelfde. Ik had het gisteren erover: wat gebeurt er met je werk op het moment dat je overlijdt. Bij het overgrote deel van de kunstenaars verdwijnt het in de boedelbak. Ja, wat moet je er mee? Ik heb tegen mijn broer gezegd -hij is acht jaar ouder en we lopen elkaar een beetje te treiteren over er weer: jij mag blij zijn dat je eerder dood gaat dan ik want anders moet jij het huis hier leegruimen. En je weet wat voor rotzooi er is? Ik zeg: je zit met al die schilderijen en daar moet je op de éen of andere manier af zien te komen, en ik weet hoe dat gaat: emotioneel gooi je dat niet weg. Maar waar laat je het? Al die onverkochte werken, al die rotzooi die ik in de afgelopen jaren heb verzameld.’

 

Kringloop

‘Laatst heb ik nog een heleboel spullen weggebracht naar het grofvuil. Niet m’n eigen werk, maar wel van die dingen die je bewaart, puur vanwege misschien kan ik dat nog wel een keer gebruiken. Maar dan heb ik een drie dozen systeem: éen met wat je absoluut niet wilt kwijtraken, dan heb je de doos van wat je het afgelopen jaar wel een keer hebt aangeraakt, en dan de doos die je afgelopen jaar niet hebt aangeraakt. Ja, dat werkt ook niet. Het is een leuk systeem maar het werkt niet. Ik heb datzelfde met kleding: rekken vol met kleding en dan heb ik iets aan dat ik al twintig jaar heb hangen en dan is het: oh, is dat nieuw? Niet nieuw, hartstikke oud. 

‘Noppes, die tweedehands, zit hierachter om de hoek. Ik mag van mezelf daar maar éen keer per maand naartoe gaan, want ik kom altijd met dingen thuis. Ook waar ik niks aan heb. Het is ook zo dat ik daar dingen naartoe breng, dus als ik iets weg doe, mag ik er ook iets kopen. Je doet een ding weg en je krijgt twee dingen terug. Vrienden weten het ook: ouwe stoel, wil jij ‘m hebben? Ja. Staat dat ding thuis: wat moet ik er mee? 

‘En dat is ook met kleding. Vooral de voor mij familiaire nichten zijn daar heel goed in. Ze hebben dan oude kleding van hun man of kinderen of got mag weten waar ze het allemaal vandaan hebben, die komen dan eerst hier langs om te dumpen: wat je niet kunt gebruiken, breng je maar bij Noppes. Ze weten maar al te goed dat ik tweederde daarvan gewoon hou, ook al draag ik het niet, maar ik gooi het niet weg. Hier in de buurt is het ook zo. Wordt er wat weggegooid, bellen ze eerst aan: heb jij hier wat aan? Uhm, hmm, nou ja, doe maar. Ik heb jaren lang met een primus gezeten, die staat boven. Of een oud verroest plantenrek wat ik nu twee huizen verderop door heb gegeven. Maar het gebeurt ook dat ik dingen weggooi dan bel ik bij anderen aan met heb je hier wat aan, en negen van de tien keer kom ik er toch van af. 

‘Ook hetzelfde met boeken. Mijn vader overleed, ja, okee: ik heb een hele lading sportboeken. Ik ben totaal niet geïnteresseerd, maar weggooien doe je niet. En woordenboeken. Wie gebruikt er nog een woordenboek? Een bijbel. Ik ben totaal niet gelovig maar ik heb er twee in huis. Waarom? En zo barst het van de boeken waar je nooit van je levensdagen in kijkt. Ook flessen wijn, net zo erg. Ik heb er hier eentje uit 1970 liggen, die is niet meer te zuipen. Ik drink geen rooie wijn, ik drink witte wijn. Ik vind het heel lief: doe je wat voor iemand, krijg je een fles rooie wijn. Okee, bedankt. En het verzamelt stof. Dessertwijn, drink ik ook niet. Hetzelfde geldt als ik van iemand een fles port of een fles whiskey krijg. Dat drink ik wel maar vind het weer zonde om open te maken. Dat zijn goede flessen, maar toch. Zo heb ik laatst maar een fles whiskey in een week tijd opgedronken. Dat is dan ook wel weer zo: het is wel heel lekker ’s avonds. Effen bij de tv en dan loop ik naar de winkel toe en wil ik wel zo’n zelfde fles. Maar zestig euro voor een fles vind ik zonde van m’n geld. Terwijl ik wel zo’n drie jaar geleden ofzo, voor zestig euro in de week oprookte. Had ik totaal geen moeite mee. Wat dat betreft is het zo absurd als wat.

‘Thee drink ik de hele dag door, van ’s ochtends vroeg tot laat in de avond. Ik ben iemand van hoe sterker de thee, hoe beter. Ik laat dus die pot heel de dag door trekken. Sterker en sterker en sterker.’

 

Kunst

‘Kunst moet je raken, je moet het mooi vinden. Als ik hier rondkijk: die dame met blote borsten was het eerste werk dat ik kreeg, dat hing bij mijn oma boven de oliekachel, dat zie je ook wel aan het craquelé en de staat waarin het verkeert. Ik durf ‘m ook echt absoluut niet meer te verplaatsen. Dat kan wel, hoor, maar... En dan heb je de kop die daar beneden staat en daar hangt iets boven, dat schilderijtje met die dooie mus. Of kanarie, maar hij is een beetje bruin geworden. Dit is van mijn betovergrootvader en dat is waarschijnlijk het laatste werk dat ie heeft gemaakt. Er wordt van gezegd dat het waarschijnlijk in het Boymans heeft gehangen. Dat weet ik niet. Er worden in mijn familie wel vaker dingen gezegd die niet kloppen. En deze ets heeft wat meer emotionele waarde. Die kop, of het wat is of niet, dat weet ik niet, maar er zit een verhaal achter. Toen ik voor het eerst bij mijn overleden partner in huis kwam, was het eerste wat ik zag die kop. Hij staat er nog steeds en zal er ook altijd blijven staan. Dat andere werk is een linosnede, die heb ik twee jaar geleden gekocht in Spaarndam. Dat is weer het uitzicht op Stompetoren, in Spaarnwoude dan, die Stompetoren. En daar heb je weer een emotionele band mee. Lisan van Dijk, die ken ik ook al een eeuwigheid, die stond in de verkeerde bak voor 25 euro. Dus ik was aan het graaien daartussen en zei tegen Lisan: 25 euro? Omdat jij het bent, zei ze. En zo verzamel je dingen bij elkaar. Sommige dingen krijg je en sommige dingen koop je, en zo krijg je steeds meer dingen in huis. 

‘Op dat schilderij ben ik, eind jaren ’80, geschilderd door een vriendin die overleden is. Die grote achter de bank was van Karin Verseput en die woonde in dat huis waar nu de ambulance voor staat. Zij heeft die gemaakt met de restanten verf die ze had toen ze hier kwam wonen en ik heb dat werk op een gegeven moment geruild voor een ander werk van mij, en ik weet niet meer wat. Ik dacht altijd dat het een tweeluik was van twee hermafrodieten die naar elkaar toesprongen, maar dat blijkt bij iemand anders te hangen. Die kwam ik laatst tegen en die zei: hoe moet ik dat eigenlijk schoonmaken? Wat? Nou, ik heb dat werk van jou. Heb jij dat? Volgens mij was het naar iemand anders gegaan. Heb je dat op straat gevonden dan? Neehee. Nou ja, kan zijn. 

‘Dit komt nog uit de tijd toen die rij hier bruisend en zo leuk was. Toen zaten we hier met z’n zevenen. Het was leuk. Er gebeurden rare dingen en we deden rare dingen en dat was niet al te gezond voor je lever want er werd heel wat afgezopen. Maar het was wel gezellig. En ik heb met haar nog dingen gedaan, het Velserbeek festival toen dat nog bestond, ook met restant materiaal. We hadden dingen in felle kleuren geschilderd en in bomen gehangen en daar hadden we een enorme ouwehoerverhaal omheen gehangen. En we kregen er geld voor. 

‘Wat vooral leuk was in die tijd: je bent dan dertig jaar jonger en Velserbroek was nog helemaal ontgonnen. Ik geloof dat we nog geeneens een stoep hier voor hadden en er lag allemaal bouwmateriaal. We hadden op een gegeven moment zoiets van: weet je wat, we gaan wat doen met dat bouwmateriaal. Een grote paal en daar hebben we allerlei dingen ingestopt en geschilderd en rechtop in de grond gezet onder het mom van een beeld. Vervolgens de krant gebeld, die kwam ook langs, artikel in de krant. Toen maakte iemand een opmerking: we missen eigen nog begonias er omheen. Volgende dag stonden er begonias. Uiteindelijk is dus de bliksem in dat ding geslagen. Ik was er niet maar het schijnt een enorme knal te zijn geweest. Daarna is tie ook weggegaan. Absurd, zo’n rare tijd, en dat mis ik wel hier. Maar, weet je, die heb ik dan wel weer op andere manieren.’

 

Paradiso

‘Gisteren werd ik gevraagd om 30 juli mee te doen aan een burlesk act in Paradiso. Ik heb daar in principe ja op gezegd, niet omdat zo graag wil meedoen, maar puur vanwege het feit: wie kan er zeggen dat ie op het podium in Paradiso heeft gestaan? Ik weet niet of ik er talent voor heb of niet, ik merk het wel. En ik moet als het goed is de ietwat sullige man spelen die verleidt wordt door de dame die daar een burlesk act opvoert. Dat is in het kader van de Milkshake festival, de afterparty, in de eerste week van de Pride, geloof ik. En dan heb ik zoiets van: lang leve de lol, gewoon doen. Vierentwintig uur later zijn ze je toch vergeten. Lekker meedoen. Hallo, ik ben 58; wie maakt dat mee dat je op de 58e je debuut maakt in Paradiso? Ik moet even wachten totdat het officieel is, maar ik kan haast niet wachten om het door te geven aan mijn broer. Sta je zelf op het podium waar de Stones hebben gestaan en Grace Jones en Bowie. Die grond is heilig. Ga je af? Prima. Ik ben afgegaan op een plek waar Bowie heeft gestaan. En er zijn heel weinig mensen die dat kunnen zeggen. Samen met Jasmien en die heb ik op een hele rare manier leren kennen. Toen was ik nog politiek actief en zou ik mezelf beschikbaar stellen voor het roze netwerk van de PvdA. Ik moest het tegen iemand opnemen die ik zelf had aangebracht en daar was een deel van de mensen niet blij mee. Uiteindelijk ben ik het niet geworden maar het speelde zich allemaal af in Utrecht en ik loop terug naar het station en Jasmien loopt met mij mee. En op de éen of andere manier was er een klik. Zij deed toen de opleiding fotografie en we konden het goed met elkaar vinden. Bleek dus dat Jasmien hiervoor een man was, dus transsexueel, en we hebben vanaf moment contact gehouden. Zij was afgestudeerd en ik heb haar geïntroduceerd bij Jeroen (galeriehouder Play room in Zaandam) en ze heeft daar een x aantal keer geëxposeerd.

‘Vorig jaar heb ik haar geholpen met een fotosessie op een kerkhof, wat ook uiteindelijk weer ronduit hilarisch was. Op De Biezen komt er normaal nooit een hond, maar zij moet daar fotos maken en wat gebeurt er? Er is een soort rendez vous tussen twee hoogbejaarden. Juist op de plek waar wij bezig zijn. En maar aan het ouwehoeren blijven en maar niet weggaan. Ga weg, ga weg, hoe lang moet dit nog duren? Uiteindelijk gingen ze wel weg maar toch. Maar dan kom je elkaar tegen en zij was gevraagd voor die act en ze zei: ik zoek nog iemand voor de rol van de man die verleid wordt. Dus ik zei: ooh, dat wil ik wel doen, met m’n grote bek. Waarop zij zei: ach ja, dat is ook wel redelijk veilig, want je valt toch niet op me. Ik heb zoiets van: nee, dat klopt. Dus ik ben heel benieuwd of het doorgaat, hoe het gaat en wat er gaat gebeuren. We zien het wel. En zo rol je van het ene in het andere. Uiteindelijk is het geheel niet doorgegaan.

‘Twee weken geleden heb ik twee fotos op facebook gezet waarop ik sta met een microfoon. Ik ben erachter gekomen dat in facebook je zoiets hebt als medialinks en documenten, dat is zo handig. Dat was ook zoiets: je bent op een feest en je krijgt de microfoon in je hand gedouwd en of je maar even wilt zeggen hoe je de gastvrouw hebt ontmoet. En dan in het Engels met vijf ladingen bier op. Okee, doen we. Maar daar staat een camera en daar staat ook een camera die jou aan het opnemen zijn. Je weet dat éen van die cameras voor een documentaire serie is en dan zit daar de gastvrouw en die moet je ook nog aankijken. Nu ben ik heel benieuwd of het wat wordt. Ik hoop dat ik eruit geknipt wordt. Die documentaire schijnt in december op bnn/vara uitgezonden te worden. Okee...’

 

Begin van de kunst

‘Ik weet, en dan ga ik terug naar éen van mijn eerste herinneringen als kind, dat ik op de lagere school een werkstuk moest maken en dat ging volgens mij over kunst. Mijn moeder kwam aan, die kwam met die ets aan, en ik denk dat dat een eerste vonk is geweest. Maar het scheen ook dat, voordat ik naar de kleuterschool ging, dat ik redelijk goed kon tekenen. Maar op die kleuterschool konden geen van de kinderen goed tekenen, dus ik ging imiteren en ging ook te hard poppetjes doen. En dan ga je daar mee door. 

‘Op de middelbare school was ik redelijk traag en onhandelbaar en had ik een docent tekenen die tegen mij en nog iemand zei, omdat ze wisten dat wij aspiraties hadden richting tekenen: hier is de sleutel van het tekenlokaal, ga je gang maar. Met als gevolg: ik zat wel altijd op school, maar altijd in het verkeerde lokaal. 

‘Die hele middelbare school is een drama geweest, maar mijn moeder had inmiddels wel door, dat die jongen niet iets normaals moet gaan doen. Omdat ik zo’n rampzalige leerling was, hebben ze mij naar het Luzac gestuurd. Dat was toen echt een school waar je twee jaar in éen jaar ging doen en het eindexamen was min of meer gegarandeerd dat ik dat ging halen, maar het was best pittig. Maar ja, ik had al toelatingsexamen gedaan voor de kunstacademie en aangenomen in Utrecht, en ik mocht van mijn moeder -mijn vader is hier nooit bij betrokken- ik mocht van mijn moeder naar de kunstacademie als ik iets zinnigs ging doen. Dus, okee, architectuur vond ik altijd interessant dus ik heb toelating gedaan voor de afdeling architectuur. Daar werd ik aangenomen, maar dat was al voor ik m’n eindexamen moest doen en toen kwam ik er ook nog achter dat je met een speciale test engels moest doen, dus dat had ik ook gedaan. Daar was ik ook voor geslaagd. Het was toen heel erg moeilijk om moeite te doen dat eindexamen havo te halen. Met hangen en wurgen is het gelukt, maar ook met dreigementen. 

‘Het is wel zo dat op de dag, dat was een zaterdag dat ik de brief van de academie kreeg, en ik zie nog heel de situatie voor me: mijn vader zit daar in de kamer en mijn moeder zit weet ik veel waar ergens, m’n broer zit op de bank en de post komt binnen. Er is post voor jou. Okee, ik maak ‘m open: oh, ik ben aangenomen op de kunstacademie. Mijn vader zit achter de krant die ritselt, zegt “godver” en heeft een maand niks tegen me gezegd. Kijk, en dan merk je dat mijn moeder uit een kunstenaarsfamilie komt. Ze had wel vantevoren gezegd dat er twee mogelijkheden zijn: of je wordt straatarm, of je wordt rijk, er is geen tussenweg. Het is een gevecht, ja. Toen ben ik architectuur gaan doen en op een gegeven moment was het toen zo: ik zat in een vijfjarige opleiding, tegenwoordig is het vier jaar, en we hadden in het basisjaar met elke kunstrichting te maken. Van mode tot architectuur, schilderen, beeldhouwen, dat vond ik het leukste jaar. Toen heb ik nog geprobeerd over te stappen naar een afdeling, dat werd dus heel erg afgeraden en toen ik bezig was met het afstuderen, waren er al docenten die zeiden: ga nooit wat ontwerpen maar ga alsjeblieft schilderen. Ik geloof dat ik éen interieuropdracht heb gedaan en dat is het. Ik ben daar niet geschikt voor. De reden waarom ze dat ook zeiden: ik ben te eigenwijs. Ik heb iets in m’n kop en zo moet het en ik kan geen concessies doen. Op het moment dat je met een interieur van iemand anders bezig bent, is het enige wat je moet doen: concessies. Als er in mijn visie een hangmat moet hangen dan komt er een hangmat te hangen en of dat nou functioneel is of niet, dat maakt niet uit, maar het zit hier in m’n kop. Daardoor hadden zij allang door: dat moet je niet doen. 

‘Het leuke is, voor zover ik het kan overzien van de mensen die in mijn jaar zijn afgestudeerd, die zijn allemaal nog actief. Of binnen de architectuur, of deels binnen de kunst. Eentje heeft een galerie, een stel mensen heeft een architectenbureau, er zit iemand in landschapsarchitectuur. Ik weet niet of er mensen de kunst in zijn gegaan, ik in ieder geval wel, en dat schijnt wel tekenend voor dat jaar te zijn.

‘Zo ben ik begonnen met kunst. Op een gegeven moment, ik studeerde nog, kreeg ik van de gemeente Velsen dit huis aangeboden en, ja, daar zit je dan. Helemaal niet goed voor een student om zo’n huis te hebben. Ik kon het niet betalen maar mijn moeder was zo lief om bij te leggen. Dan zit je hier en dan weet je ook, dat zo’n huis als dit, zo’n ruimte, dat kan ik nooit meer krijgen. Dan ga ik niet meer weg en blijf gewoon bezig, met als gevolg dat je steeds meer rotzooi om je heen verzamelt. 

‘Het is wel zo: ik ben hiernaast begonnen, op nummer 8, want hier woonde iemand anders. We hadden met z’n drieën uiteindelijk een tuin, en degene in het midden ging weg. En toen hadden mijn buurvrouw, mijn huidige buurvrouw, en ik zoiets van: ja, straks komt er iemand wonen en die gaat een schutting neerzetten, en daar gaat onze tuin. Toen hebben we hemel en aarde bewogen dat uiteindelijk ik hier kwam wonen en dat ging zo: ik kreeg op vrijdag te horen dat ik maandag hier moest zitten. Toen zijn de kasten compleet met inhoud van het ene huis naar het andere gegaan. Dat heeft nog steeds als nadeel, en dan heb je het over twintig jaar geleden, dat er bepaalde dingen moeten worden geschilderd en nog steeds niet zijn gedaan. Toen kwam er iemand hiernaast wonen en het eerst wat er stond was een schutting. En het tweede wat er gebeurde was die tuin werd omgespit. Dat heeft pijn gedaan, want daar stond ook de grootste bonsai van Nederland, zoals ik altijd maar zeg. Dat was een klein gebleven krulwilg. Die was twee meter hoog en dat had een hele Japanse uitstraling. Weg. Toen kwam er nog iemand en daarna nog iemand, en die interesseert het helemaal niet en die is al een half jaar niet meer thuis geweest. Dus eindelijk is die tuin hiernaast groen, zo hoog gras. De buurvrouw woont er nog steeds en we delen éen tuin. Aan de voorzijde zijn wij de enigen met bomen en op de hoek staan er twee, en de rest heeft geen bomen, alleen steen. Degene die hier nieuw is komen wonen, gaat een heleboel steen weghalen en daar wordt ook geplant. Die zit hier net een maand dus ik zei tegen haar: ga maar eerst zorgen dat binnen alles op orde is, en de tuin die komt wel in de loop van het jaar. Maar het is wel een lekker gevoel dat er weer iemand komt die schildert, dat er niet een “normaal” mens is.’

 

Kunstgalerie Play room

‘Ik weet niet hoe ik bij Jeroen kwam. Ik weet wel dat er een expositie in Alkmaar was en daar was hij de curator van. Maar hoe ik nou bij die expositie terecht ben gekomen... Ik weet het niet. En vandaar uit, hij was bezig met dat Global Village gebeuren van hem, zei hij: ga mee. Dan ga je mee en dan kom je ineens terecht in zo’n hele rare groep buitenlandse en Nederlandse kunstenaars die dan op locatie ergens zitten en daar een expositie neerzetten en met z’n allen gewoon een hele leuke tijd hebben. Goed eten, goed drinken. Maar ik weet niet hoe we elkaar hebben leren kennen. Volgens mij moet dat inderdaad zijn vanuit Alkmaar. Maar hoe ik daar nou terecht ben gekomen... Of hij heeft mijn werk ergens gezien en heeft me gevraagd? Ik zal ’t hem toch een keer vragen. 

‘Maar dat is met heel veel mensen zo. Mensen vanaf de lagere school en de middelbare school: dat weet je. Ook een deel van de mensen uit het uitgaansleven. Maar er is een hele grote groep waarvan ik het niet weet. Ik kan me niet voorstellen dat ik hem op straat ben tegengekomen. Ik weet wel welke werken daar nog hingen in Alkmaar en ik heb daarna nog een keer geëxposeerd en dat was acht jaar geleden. Daarvoor ook, m’n vader leefde nog, dus ik moet hem inmiddels al zo’n vijftien jaar kennen. 

‘Dat heb ik ook op straat, daar kom ik een vrouw tegen en die is altijd heel vriendelijk. Ja, je bent een bekend gezicht en ik heb het vermoeden dat ze schildert maar weet dat niet helemaal zeker en ik durf het ook niet te vragen: waar kennen we elkaar van, want het is al jaren, dat: hee, hallo en dag. Dat is hetzelfde met iemand in de buurt, die noem ik de eeuwig rokende man, staat buiten te roken en heb je wel eens een gesprek mee. Tot een paar dagen geleden wist ik niet hoe hij heette. En dat kwam van een mevrouw die daar woont. Ik stond met hem te praten en zij kwam erbij en ging zich voorstellen, en nu weet ik dat ie Ronald heet. Ik had echt geen idee. Maar waarom je nooit vraagt: hoe heet je? Het rare is dat mensen in sportschool, die ken ik wel allemaal bij naam en dat zijn nou niet echt de mensen waarvan ik denk daar heb ik een innige band mee. Maar je ziet ze wel vaak. Het is een soort absurdisme. Het is heel raar, maar ik ben een ramp met namen. Waarom ik de namen van de mensen in de sportschool wel ken, en van een belangrijke galeriehouder niet? Absurd. Die galeriehouder, die daar, hij.’ Hij wijst naar een denkbeeldige galeriehouder en stelt zichzelf de vraag: ‘Wie bedoel je nou? Ja, die. De laatste tijd word ik er beter in.’

 

Jaap, Simon, Cornelis

‘Gisteren was er bij een galerie een optreden van iemand en die zei tegen mij -ik zat met twee mensen: leuk dat jullie er zijn. Hij kijkt naar mij en zegt: ook jij, ik heb je een tijdje niet gezien. Ik denk: in godsnaam, wie is u? Die man begint te zingen... Ik heb vijftien seconden opgenomen en doorgestuurd naar een vriendin, met daaronder de tekst “help”. Dat zegt al meer dan zat. Die man zong zò vals. Dit kan niet en ik begrijp ook niet dat hij die heeft uitgenodigd. Dan zit daar iemand heel serieus gitaar te spelen en te zingen, ook nog liedjes van Jaap Fischer en hoe heet die andere man... Niet Simon Vinkenoog... Simon, van de Nozem en de Non. Cornelis Vreeswijk, dat is ‘m. Die man zit daar serieus. Zou er dan nooit iemand tegen ‘m zeggen: doe nou niet. Hij was al over de leeftijd heen dat ie er een carrière van maakt. Ik vond het eigenlijk heel pijnlijk. Je gaat dan ook meteen twijfelen aan een hele hoop andere dingen. Waarom geef je zo iemand een podium. Maar ja, ik heb het overleefd, de drank is daar niet al te duur.’

 

Hooikoorts

‘Ik heb last van hooikoorts, dat is dit jaar heel erg veel. Ik moet niet in m’n oog wrijven. Kan pillen slikken wat ik wil. Ik weet niet hoeveel je mag slikken dus ik neem er maar éen per dag. Het was dit jaar wel eng. Ik heb een gigantische griep gehad en daarna bleef ik een benauwdheid houden. Omdat ik een stevige roker ben geweest dan heb je altijd ohhh, dat gezeik. 

‘Dus ik naar de huisarts en die heeft me een puffer voorgeschreven. Na een week dacht ik: waarom ga ik naar een huisarts toe terwijl ik onder behandeling ben van een longarts? Ja, ik ben eenderde van m’n longblaasjes kwijt. Ik heb gerookt, niks ernstigs, ja, wel ernstig, maar het is m’n eigen schuld en ik ga me er ook niet druk om maken. Ik die longarts gebeld en die belde mij na een week terug -ze hebben het druk- die zei: heb je ook last van hooikoorts? Ja. Vandaar die griep, daar blijf je wel een week vijf of tien last van houden en dan heb je ook hooikoorts. Ik zou me niet al te druk maken. Ik zei: wat ik wel het vreemde vind, is als ik twintig minuten hardloop op een loopband dan heb ik nergens last van. Kan het zijn dat mijn longen moeten opstarten? Hij zei: nee, dat is endorfine. Okee. Ik had zoiets van die longen moeten ’s morgens wakker worden. Maar ja, ik doe nu wel twee maal tien minuten cardio ’s morgens dus het wordt er alleen maar beter van.’

www.norbertwille.nl

 

*

Ik onmoette Lucia Admiraal tijdens de kunstweek in het dorp waar ik woon. Zij was aan het werk, legde gekleurd glas op de plaats in de vorm en keek er met een kritische blik naar. Het paste niet naar wens dus sneed zij het in model.

Niet moeilijk te raden dat ik meteen gefascineerd was door haar precieze werkwijze en deze vorm van kunst. Ik sprak mijn bewondering hierover uit en we raakten aan de praat. Dit werd gevolgd door een uitnodiging voor een bezoek aan haar atelier in Heiloo.

 

Lucia Admiraal

Voordat de vraagstelling begint, krijg ik een toer door haar atelier en naar haar werkplaats via de tuin.

‘Er staat altijd wat in de tuin.’ Het is zonnig en de tuin ligt er fraai bij. Een beetje wild, bloemen en kunstwerken. ‘’s Nachts haal ik het naar binnen maar overdag blijft het buiten staan. M’n werkplaats staat achterin de tuin en eigenlijk sta ik daar altijd te werken. Daar kan ik lekker rondom de tafel lopen en het is er goed geïsoleerd dus het is in de winter gewoon veel warmer. Een kachel en een wand met voorraad en werk-glas waar ik niet zonder kan als kunstenaar. Allemaal glas in lood glas. Bovenop een partij die ik heb meegenomen en overgenomen van iemand. Smeltglas in een andere uitzet coëfficiënt dan ik zelf gewend ben: alles staat hier gewoon apart per doel. Smeltglas is waar ik m’n kunstwerken van maak en die smelt ik bij 830 graden bij elkaar. Maar ze moeten allemaal dezelfde uitzet en krimp coëfficiënt hebben anders knalt het uit elkaar.’ Ze wijst naar verschillende plekken in haar werkplaats en zegt: ‘Dit is factor COE 96 glas om te fusen. Hier staat ook altijd werk wat binnenkort geplaatst wordt, en daar staat m’n smeltglas voor COE 90 glas om te fusen, de luxe glaslijn hier voor. Dat is echt superdeluxe en moet helemaal apart staan. Het gaat plat in de oven totdat het is wat je wilt en als je een schaal wilt maken, bij wijze van, dan doe je het een volgende keer in een mal. Afhangend van het doel en de gekozen glassoort: als het glas dan bij 700, 750 graden is, wordt het vloeibaar en dan zakt het in. Ik vergelijk glas met harde stroop. Stroop uit de koelkast is knetterhard en daar kan je niks mee en hoe warmer je stroop wordt, hoe vloeibaarder het wordt. Bij kamertemperatuur kan je het spuiten over je pannekoek, en ga je het toevallig in de magnetron verwarmen dan: splet. Dat is met glas ook eigenlijk een beetje zo. Of knalhard, of je kan er wat mee, of het vloeit alle kanten op.

‘De ovens staan loodrecht, anders kan het glas bij hoge temperatuur tegen de wand aan glijden. Éen oven is zo groot dat je er een normaal grafmonument in kan doen. Ook dat valt onder mijn activiteiten. En grote kunstwerken. Alle ovens zijn computer gestuurd, er zit een regelunit op, het zit op krachtstroom. Of de éen staat aan of de ander staat aan, dat is allemaal qua veiligheidseisen, en achter is een hitteschild omdat alles hier van hout is. Er gebeurt nooit wat, maar het moet. Het glas en materiaal om mee te werken staat en hangt overal en ik probeer het allemaal te ordenen. Des te meer ruimte je hebt, des te meer zooi erin komt. Er staan ook allemaal bakken met lood en dan nog kom ik altijd te kort want je hebt gewoon zoveel nodig als voorraad. Maar hoe groter je wordt, hoe meer je ook alles op voorraad moet hebben, want als ik elke keer moet bestellen, moet je ook afleverkosten betalen en dat kost zoveel geld. Je hebt lood van 20mm breed tot 15, 12, 10, 8, 6, 4 en dan twee maten in stalood. Dat geeft aan hoeveel verschillende bakken er nodig zijn. Er is een systeem voor als ik ramen sloop, alles genummerd. De ouwe ramen bevatten vele soorten in antiek glas, dus dat zijn de blauwe nummers en die heb ik op voorraad, kleine stukjes. Dat is gemakkelijk voor als je naar iemand toe moet om wat te repareren want dan hoef ik niet grote platen overal mee naartoe te nemen.’

 

Bushokje

‘Ik heb altijd fantasie. Dan zie ik mensen met glasvezelkabels in de weer en denk ik: eigenlijk moet ik glasvezelkabels hebben want dat is glas. Misschien dat ik daarmee kan haken of breien of smelten, dus dat heb ik nog niet verzameld. Maar als ik langs een bushok ga wat kapot is geslagen: shit. Ik durf m’n auto er alleen niet bij te zetten want dan lijkt het net alsof ik het heb gedaan. Nou was ik vorig jaar bij iemand in Alkmaar waar ik werk moest afleveren, afgehandeld: shit, bushokje kapot. Dus toen zei ik tegen die mevrouw: een hele rare vraag maar heb je voor mij een stoffer en blik en een ouwe big shopper? Kijkt ze me zo aan, want ik was al klaar en bij de auto. Dus ze kijkt zo en ik zeg: er is ergens een bushokje kapot en ik wil helpen opruimen. Een big shopper vol met glas. En wat wil ik ermee doen? Ik ben altijd heel erg benieuwd hoe glas smelt en wat het doet. En dit zijn allemaal facetjes, dus op een gegeven moment ga ik er met een hamer op slaan en heb ik allemaal kleine stukjes. Ik heb van bladeren mallen dus ik wil ervoor zorgen dat het ongeveer in het patroon van een blad is en dan daarin smelten. Lijkt me helemaal leuk. Òf het leuk is, weet ik niet, maar dat maakt me niet uit. En het is veel harder dan al het andere glas dus het zal wel weer een puzzelwerkje zijn maar het was allemaal heel vies. Het is nu weer mooi weer dus ik ga nu dat glas eerst schoonmaken dan kan ik het buiten laten drogen. Er staat een bak voor klaar. Daarna kan ik gewoon verder. Ik heb kleine proefstukjes gedaan en, afhankelijk van de hitte die ik gebruik, wordt het heel korrelig in elkaar gepuzzeld want het zit allemaal aan elkaar vast. Dus dat gaat heel veel gekke schitteringen geven. Dat wil ik proberen. Als je niks probeert, gebeurt er gewoon ook helemaal niks. 

‘Dit is dus mijn Walhalla. Dit is mijn werk. Er was gisteren iets op tv, zo’n programma over zangers over weet ik veel wat, dat ze het zingen heel erg leuk vinden en inkomsten maakt ze niet uit. Nou, dacht ik, dat is echt volslagen onzin. Als je een jaar aan het zingen bent en je kan er niet van leven... Dit is mijn lust en mijn leven maar als het geen geld opbrengt, ben ik echt gekke gerritje. Wat een onzin: ik wil alleen maar zingen en het maakt niet uit of het verkoopt. Dan moet je in de badkamer staan galmen. Da’s een beetje zielig. Ik hoef niet iedere drie maanden naar Japan maar je wilt gewoon een beetje leven.’

 

Rijksmonument

‘Ik moet zeggen dat ik hier heel erg geniet. Zie dat zonnetje daar, dat is toch een feestje. Met het zonnetje erop is het altijd de kers op de taart. 

‘Ik werkte eerst vanuit huis, we hadden een groot stuk aan het huis gebouwd. In 2000 was het af. Ik zei tegen m’n man: ik zou ook graag een atelier hebben en als we dat nu doen dan kan het in de toekomst onze slaapkamer worden. We hebben beneden een groot stuk aan het huis gebouwd om te gebruiken en als we oud, stijf en 80 zijn dan kunnen we beneden slapen. Al het sanitair is beneden, want het is een op alle leeftijden gerichte woning. Dus dat was helemaal heerlijk. Maar op een gegeven moment merkte ik dat je daar niet verder kan omdat mensen niet makkelijk bij jou over de vloer durfen te komen, opdrachtgevers. Ook al was het een aparte eenheid, was het toch nog voor een heleboel mensen een drempel dat het geen onafhankelijke ruimte is. 

‘Dit is een rijksmonument van de gemeente, de plek waar nu mijn atelier is, en op een gegeven moment wilde de gemeente vastgoed afstoten. Daar kon je op inschrijven. Je moest een bod doen en een goed plan hebben, wat we ermee wilden en de burgemeester en wethouders moesten ieder afzonderlijk instemmen, anders ging het niet door. We hebben een bod gedaan en dat moest op een bepaalde dag voor 12 uur ingeleverd zijn. Ik vond het idioot spannend, maar ik was de enige. Ik zei tegen de mevrouw bij de balie: en, heb je veel binnen gekregen? Ze keek me zo aan, want ik wilde het heel graag, en vroeg wat ik bedoelde. Nou, hebben er veel mensen een envelop gebracht met plannen? Nee, zeg ze, je bent de enige. Lachen. Dan moet het natuurlijk nog wel door de hele molen heen. 

‘Éen wethouder was het er niet mee eens, die dacht dat het een commerciële plek zou worden en als het was opgeknapt dan wordt het verkocht, blablabla. Je had voorheen premie A woningen en dat kocht je voor een bepaald bedrag en binnen 10 jaar, daar was een constructie mee, als je het verkocht dan zou de winst verdeeld worden. Dus dat hadden we voorgesteld: als je het koopt binnen 10 jaar met een afbouw van ieder jaar dan wordt de winst gedeeld met de gemeente, met aftrek van kosten, natuurlijk. Ik moest op gesprek bij die man en zei: joh, je kent me al heel lang: wat is dit voor insteek waar je mee zit? Hij zei dit en dat, en ik zei: gezien m’n werk is dit de mooiste plek die ik kan hebben. Je weet hoeveel werk het is omdat de gemeente van dit soort vastgoed af wil dus ik snap heus wel dat het niet voor de fun is voor een jaar, er gaat veel te veel geld inzitten. We hebben zitten praten en okee, zei hij, nu snap ik het. Weer eentje voor me gewonnen. Dus toen hebben we het kunnen kopen. 

‘Het is tot ongeveer 1960 bewoond geweest. Toen heeft de gemeente een rijksmonumenten status aangevraagd, dus ze hebben het éen keer helemaal goed gerestaureerd. In de jaren ’70 is het Loo hier gebouwd. Het stond vol met mooie huizen en omdat dit een rijksmonument was, moesten ze hier stoppen. Dus dat is de redding geweest van dit huisje. In ’63 is de rijksmonumentale status erop gekomen en in ’71 ofzo zijn de huizen weggegaan. Ik denk dat als ze het hadden geweten, hadden ze die status niet aangevraagd. Vandaar dat de parkeerplaatsen tot aan de rand zitten want verder komen ze niet.’

 

Stoffig

‘Ik ken bedrijfslocaties in Heiloo en als ik daar ben bij anderen, denk ik: wat een ruimte. Want dit is van alle kanten heel beperkt in werkruimte, opslagruimte. Maar dan denk ik ook: van mij is veel mooier. Het is je van alle kanten een beetje behelpen, maar de sfeer is groot, fantastisch. Ik vind dit leuk omdat het ook huiselijk is. De voorruimte is vroeger heel de woonruimte geweest, met kachel en de bedstee om te slapen, en dat maakt het er gewoon een hele leuke tentoonstellingsruimte van. Als ik met klanten ben, is het een hele relaxte ruimte. Het is wel altijd stoffig en altijd vies. Dat is wel een dingetje waar ik mee zit. Alles is open, alle stof waait door het hele dak hier naartoe en heb ik het schoon dan is het binnen een maand weer stoffig. Soms zeg ik tegen mensen: let maar niet op het stof. Als je het koopt dan zorg ik ervoor dat het schoon is voordat het de deur uitgaat. Anders ben ik altijd aan het schoon maken en dat is niet de bedoeling. Ik wil gewoon lekker m’n ding doen.’

 

Werken en bloemschikken

‘Ik kom uit een heel andere wereld. Ik heb medisch biologie gestudeerd. In Amsterdam heb ik bijna 12 jaar gewerkt als laboratorium assistente en wetenschappelijk onderzoeker en ik heb didactische aantekening op mijn hele vakgebied. Ik werd zwanger en je kon nog geen deeltijd werken. Dat is de leeftijd. Toen ben ik het onderwijs ingegaan, tenminste, ik wilde eerst een jaar lekker moederen en dan ga ik aan de volgende stap denken. Maar er lagen al aanbiedingen klaar dus ik ben na een half jaar al gaan werken in het onderwijs. Heel lang les gegeven op het Nova college, op de hoge school in Alkmaar, les gegeven in het ziekenhuis in Alkmaar.’

‘Dat heb ik bijna 10 jaar gedaan en toen was ik een beetje... niet overspannen, maar ik vond het echt niet meer leuk. Ik had het echt totaal gehad: altijd druk, ieder jaar andere vakken, je kon nooit een keer teruggrijpen op het andere jaar.

‘Ik dacht, ja, weet je, ik werk me te pleuris en ik vind het eigenlijk ook niet meer leuk op die manier en wil ik nou zo oud worden? Dat zat als een doem scenario in m’n hoofd. Kon niet meer genoeg tijd besteden aan m’n kinderen, niet genoeg tijd besteden aan m’n man, aan m’n thuis, aan mezelf. Jeetje, moet ik nou zo 67 worden? 

‘Ik heb altijd bloemschikken gedaan op een wat hoger niveau en als ze dan wedstrijden hadden, ging ik m’n eigen schaal met keramiek bakken -ik zat al heel lang op keramiek cursussen. Op een gegeven had ik een grote oven in m’n eerste atelier thuis, dat is zo’n beetje in die tijd gebeurd. Dat was leuk: lekker met je handen werken, wel een andere dimensie, en ik dacht: leuk, wat wil ik er dan bij doen? Glas. Van de ene cursus naar de andere en toen dacht ik op een gegeven moment: ik ga m’n werk opzeggen en ik word kunstenaar. Ik zag anderen heerlijk in hun atelier de hele week en wilde dat ook. Ik was toen rond de 40 en dat was ook zo’n beetje de tijd dat m’n jongste naar school ging -ik moest haar zelf natuurlijk halen en brengen, en de oudste ging naar de middelbare school. Tot die tijd heb ik buiten de deur gewerkt en was er oppas in huis. Ik vond het prima als er iemand 2 of 3 dagen luiertje en flesje en gaat wandelen met m’n kind, de huis, tuin en keuken dingen. Maar als ze naar de middelbare school gaan en met andersoortige problemen thuis komen dan wil ik er bij zijn. Dat was ook wel iets dat meespeelde. Want dat is de tijd dat ze gevoeliger worden voor andere dingen, invloeden van andere mensen om zich heen en dan wil ik gewoon thuis zijn. En dat kon makkelijk omdat ik een atelier aan huis had, was ik grotendeels gewoon thuis.’

 

Kunstenaar worden

‘Die combinatie van je baan meer dan zat zijn en er voor je kinderen willen zijn als ze je nodig hebben, dat was voor mij: ik ga kunstenaar worden. Het is leuk om dat te kunnen zeggen en om jezelf een doel te geven, want het gaat natuurlijk niet zomaar. Het was niet zo van: ik ga gewoon thuis zitten en zie wel wat er gebeurt. Wel heb ik 3 maanden als een sufkip op de bank gezeten om een beetje rust in m’n hoofd te krijgen. Daarna heb mijzelf een weektaak gegeven, zo van: deze week ga je tekenen, ontwerpen, nieuwe technieken uitproberen, en ik hield het allemaal keurig bij, want anders verzand je in niks. Dat gaat heel makkelijk en ontwikkel je je niet. Ik hoor van mensen dat als je heel de dag niks zit te doen dan is dat op een gegeven moment de vulling van je dag, en dat wilde ik niet. Ik wilde er structuur in krijgen en ging op ontdekkingsreis. 

‘Ik ben begonnen met smelten van glas. Het is een hele oude techniek die de laatste 20 jaar een hele enorme aanloop heeft gekregen. Ik was éen van de eersten die begon met smelten op de moderne manier. Dan kreeg je cursussen en was ik thuis en dacht: als dit het is, dat is toch ook shit. Het was wel echt thuis om je ondergronden beter op de rit krijgen, om allemaal materialen te ontdekken waarmee je beter uit de voeten kan. Dus ik smelt in feite al meer dan 20 jaar en dat is lang in ons vakgebied. Daar kwam ik een paar jaar geleden pas achter. Ik kijk niet zo heel erg wat anderen doen, dat maakt mij niet zo uit. Je kijkt heel veel maar meer naar vormen en beelden, plaatjes als ik op een tentoonstelling ben. 

‘Onafhankelijk van het materiaal: ik vind dingen leuk of niet leuk. Als de afwerking heel erg mooi is, vind ik het mooi. Bij heel veel dingen knap ik daarop af, voornamelijk als je op de markten kijkt. Dan loop je naar iets toe en denk je: dat ziet er mooi uit. Dichtbij zie ik dat ze het vergeten zijn af te maken. Dat kan in keramiek zijn, dat ik denk: waarom heb je niet een dag gepolijst aan je werk? Weet je, gewoon de hele basale dingen waarvan ik denk: je bent dol enthousiast begonnen en het ziet er goed uit, maar waarom heb je er nog niet twee dagen aan gezeten om het perfect te maken? Dat dus. En ik loop heel graag, ik ben heel graag buiten en hou van de natuur in alle vormen en dat wordt een brij in je hoofd waarmee je aan de bak gaat. 

‘Ik maak nooit iets na, dat vind ik helemaal niet leuk. Ik doe wel m’n opdrachten glas in lood dan moet ik dingen bij maken dan maak ik het gewoon na. Dat meet ik eerst alles op en fotografeer, meetlat ernaast, en dat is ook een kunst: iets precies namaken als het origineel. Maar dat noem ik geen kunst, dat is ambacht.’

 

Kleuren

‘Er bestaat een heel scala aan kleur. Heel soms moet je kleuren samensmelten. Ik heb een serie ramen achter m’n werktafel die uit een jaren ’30 huis hier in Heiloo komen, en er is éen kleur turquoise gebruikt die niet in het vaste assortiment zit. En daar is éen glaasje van kapot gegaan. Dat is dan lastig. Ik heb een stalenboek met kleurennummers, net zoals wanneer je gordijnen bestelt dan ga je naar een woninginrichtingwinkel en die hebben stalenboeken. Die heb ik van glas. Daarin heb je nummer 18, 19, 20 en 21, en de ene is meer groen en de ander is meer blauw. En dan zit ie tussen de 20 en 21 en dan blijkt dat in de jaren ’30 er een subvariant is gemaakt tussen die twee die al jaren niet meer gemaakt wordt en die was toevallig gebruikt in die ramen. Dus dan is het echt alles afzoeken totdat je een kleur hebt waarvan je denkt: de textuur lijkt er een beetje op en de kleur benadert het voor 80, 90%, nou dan ga ik die gebruiken. Maar wat doe je dan? Het zijn vier ramen naast elkaar en dan los ik het op door aan de ene kant eentje en aan de andere kant eentje, dat het in spiegelbeeld net lijkt alsof het in een hoekje zit en de schaduw net anders is. Dat het zo weinig mogelijk opvalt. Dus dat doe je dan niet middenin je raam, al zou die middenin je raam kapot zijn, dan haal je die uit de hoek die je daar kan plaatsen. Dus je gaat zo zitten schuiven dat het plaatje symmetrisch klopt. En dat is de puzzel uiteindelijk. Dan ben je soms twee dagen bezig: even naar die collega, even naar die andere collega, nog daar naartoe, gezellig koffie drinken, kletsen, dat hoort er ook bij. Dus je moet niet denken dat ik erheen fiets en weer terug fiets. Je ziet elkaar niet echt heel vaak dus als je daar heen gaat, neem je er de tijd voor.

‘Er waren elf ramen en wat er nog meer mis ging, was dat bij het middenpatroon brandschilderen een ruitje kapot was gegaan. Dus die moet je dan ook bij maken. Je zorgt er dan voor dat in de vaste series die naast elkaar zitten helemaal klopt. Er zat éen raam boven de voordeur en die zat precies in lijn met wat in de voorerker zat. En dan zat er nog een raam aan de zijkant van het huis, en daar heb ik hele ruitjes uitgehaald. Daar zat in paars zo’n mini nuance verschilletje in en daar heb ik de ramen aan de zijkant van gemaakt en opnieuw gebrandschilderd. Dus je bent best wel bezig. Je moet de ruitjes eruit halen en opnieuw in lood stoppen, en dan ben je aan de achterkant oeverloos aan het puzzelen en doen. En de ene keer haal ik het zo uit m’n laatje: nummer 21 en 30, en ligt er niet het juiste maatje dan bestel je er een plaat bij, bij de groothandel. Die komt er de volgende keer wel op. Dat is het fine-tunen van de restauratie, maar dat noem ik ambachtswerk. En dat is ook leuk. Het is niet minder spannend maar als je bezig bent dan is het jouw opdracht en dan ga ik er helemaal op in. Het moet eruit zien alsof het altijd zo geweest is en of ik heb zitten worstelen of niet, dat moet niet uitmaken. Het moet er gewoon weer uitzien zoals het altijd geweest is. Dat is de missie.’

 

Samensmelten?

’Twee bijvoorbeeld paarse kleuren samensmelten, is geen optie. De antieke glassoorten hebben ook allemaal een textuur en als je die gaat smelten, verlies je die textuur. Het glas wat je voor glas in lood gebruikt, is gewoon glas dat gekleurd is en waar een textuur in is aangebracht, maar waarbij totaal niet gelet is op uitzetting en krimp. Dus al zou je denken om twee tegen elkaar aan te doen en vast te smelten dan krijg ik die kleur die ik wil hebben, nou, dat gaat dus niet. Je bent dan je textuur kwijt of je moet het minder heet smelten wat je bijvoorbeeld doet met brandschilderen, maar dan kan je geen twee glasplaatjes aan elkaar maken. En de andere kant is dat als je  glas gaat smelten, wordt het zes millimeter dik. En het glas voor glas in lood is altijd twee tot drie millimeter. Dus je kan het ook functioneel niet meer in je loodprofieltje zetten. Dus er hangt ook een technisch verhaal aan vast. Dit soort werk is eigenlijk meer de techniek. Als je de techniek niet beheerst dan kan je het ook niet maken.’

 

Tentoonstellingen

‘Ik heb een tijd hele grote tentoonstellingen gedaan -ik hou van groot werk. En ik heb iets gemaakt met een rioolpijp. Het is een hele grote rioolpijp. Een vriend van ons kwam ermee aanzetten en zei: Luus, is dat wat voor je? Ik zat ‘m zo aan te kijken en zei toen: ja hoor, leuk. Het heeft heel lang in de tuin gelegen en op een gegeven moment wist ik wat ik ermee moest doen. De buis heb ik laten maken met precies dezelfde loep als de rioolpijp, maar die moesten erin geslepen worden. Ik heb eerst een gat geslepen totdat ie een scheve bocht kon maken om erin te passen en dan heeft ie gelijk steuntjes, en er zitten twee glasplaten in. Met éen is tie te steriel en met twee heeft ie meer dieptewerking. Alleen je kan het in geen huiskamer kwijt. Villa Buitenhuis of je hebt een aparte ruimte in je huis om je kunstwerk neer te zetten. 

‘Ik heb ook éen keer een groot object gemaakt en dat staat ergens in opslag. Dat kan je gewoon niet kwijt in een huis. Dus al werk je heel graag groot dan moet je bedenken dat je beter kunt kiezen voor middelgroot, maar dat leer je vanzelf. Je kan ook je eigen huis vol gaan zetten, maar dan zeg je op een gegeven moment ook: okee...

‘Als ik iets heel moois heb gemaakt, ga ik ernaar zitten kijken. En dan ben ik er trots op.’

 

De tuin

‘Ik hou heel erg van tuinieren en ik hou heel erg van bloemen. Thuis heb ik al het gras eruit gespit en heb nu alleen maar vijvers en bloemen. Mijn man zei: je lijkt wel gek. Op Marktplaats kleine vijvertjes, grotere vijvers, gat graven, erin leggen, waterpas erop, zand eronder doen en weer wateren. Jeetje, wat een gedoe. Dus begonnen: vijvertje, vijvertje, vijvertje, al het gras eruit gespit, alles afgevoerd, overal planten en bloemen in gezet: het is prachtig. 

‘Hier wil ik ook dat het er bloemig uitziet maar iedereen moet ook overal kunnen lopen. Dat is uiteindelijk ook wel weer belangrijk. Dus heb ik naast de hutkoffer een strook met groen, en hierachter allemaal vierkante perken, maar er groeit ook heel veel naast die perken. Het is zonde om weg te halen. Laatst zei iemand: u wilt wat afgeschermd zitten, want uw tuin ziet er ook wel eh... Hij had er een heel mooi woord voor maar hij bedoelde dat het een beetje een rotzooi was. Uw tuin ziet er ook uit alsof u wel alles leuk vindt, zoiets zei die. Ik keek ‘m aan: er is heel erg over nagedacht, hoor. Oh, maar zo bedoelde ik het niet. Er zit hartstikke veel tijd in om het zo eruit te laten zien. Verkeerde woorden, net zoals apart. Als een vrouw zegt “het is apart” dan moet ze erover nadenken of ze het leuk, minder leuk of heel erg leuk vindt. Zegt een man “apart” dan vindt hij het gewoon niet leuk maar durft ie het niet te zeggen. Ook zo met interessant: als een man zegt dat hij het interessant vindt, dat vindt hij er geen moer aan, net zoals apart. Als ik een echtpaar heb dat iets moet uitzoeken, zegt de vrouw dat ze het heel erg apart vindt, en bedoelt ze dat ze het heel erg leuk vindt. En wat vindt u, meneer? Het is wel apart. En dan begin ik te lachen en vertel dan ook aan de vrouw: weet u wat het betekent als de man zegt dat het apart is? Dan bedoelt de man voor 99% zeker dat hij het niks vindt. Kijkt ze me heel geschrokken aan. Ja, hoe lang doe ik dit nu al? Als ik een beetje nuance in meningen ga ontdekken, wordt het wel heel moeilijk. Je mag gewoon ja of nee zeggen; dat maakt het gesprek ook heel makkelijk. Het is gewoon eigenlijk er omheen draaien.’

 

De do’s en don’ts

‘Een kunstwerk met veel kleuren dan heb ik al die kleuren in een bakje zitten en dan zet ik er twee bakjes naast, die noem ik de “do’s” en de “don’ts”. Deze kleur: weet ik niet. Die? Mooi, dus in de “do” bak. Zitten mensen te kijken maar je moet toch weten waar je mee moet werken? En dan heb ik het uitgesplitst en zeg ik: als ik aan de slag ga, neem ik er twee uit het bakje die je niet mooi vindt. Kijken ze me heel raar aan en dan zeg ik dat het psychologisch is. Want de éen is nog veel mooier als je er iets naast doet dat je minder mooi vindt. Als je iets maakt alleen maar met kleuren die je geweldig vindt dan mis je altijd iets. Dus ik doe er altijd iets bij uit het bakje dat je niet mooi vindt, om een extra prikkeling, een extra kleurschakering te geven. Soms komt ook zo uit, dus als ik zeg dat ik het niet doe en ze zegt: je hebt het toch niet gedaan, dan wil ik dat niet. Want waarom moet je anders komen uitkiezen als je er toch niet naar luistert? Dat is ook zo’n dingetje. Dan zeg ik altijd: een hele verzameling met mooie kleuren, ik pak evengoed iets van die erbij. Maar ik leg het ook altijd wel uit want anders heeft het ook geen zin om iets wel of iets niet te doen. Als je iets specifiek op maat maakt voor iemand en je gaat dan toch je eigen zin doen, dat gaat niet. Je moet daar een mengelmoes in vinden.

‘Éen collega kan heel goed brandschilderen en dan bedoel ik niet brandschilderen zoals je dat vroeger zag met die glasmedaillons die dan in een deur zaten met een afbeelding van een beroep ofzo. Dat vind ik niet leuk. Maar als je ramen kunt ontwerpen met heel veel patronen in een rand, dat vind ik heel erg mooi. Dat kan ik zelf echt niet. Heel erg mooi. Ik kan wel in zwart brandschilderen maar niet de ingewikkelde dingen waarvan je zegt: mooie randen, gekke dingen, nog een andere kleur erbij. Dat is een brug te ver voor mij. Daar heb ik me ook nooit op toegelegd. 

‘Ik dacht altijd dat ik kan smelten en ik kan glas in lood en ik kan zwart op een kleur goed brandschilderen, dat is het scala dat ik wil hebben van glas dingen. Want als je gaat kijken, zijn er heel veel verschillende mogelijkheden en veel soorten technieken om je glas te bewerken.’

 

Ondernemersprijs

‘Ik ben ook wel ondernemer. Vorig jaar ben ik genomineerd als beste kleine ondernemer voor een grote ondernemersprijs. Dat gaat per regio. Boven Amsterdam deel Noordkop ben ik genomineerd als kleine ondernemer en dat vond ik als kunstenaar/ambachts iemand een hele grote eer. Als jij je alleen presenteert als kunstenaar en alles goed vindt, kun je niet als ondernemer draaien. Je moet wel voelsprieten hebben overal met de groothandel, wat mensen willen, wat mensen willen op gebied van glas in lood, op isolatie, op de nieuwste mogelijkheden, op de nieuwste trends voor isolatie, vaste dingen. Tuurlijk moet ik me daarvan op de hoogte houden. Als ik dat niet doe, loop ik ook vast op iets en dat wil ik niet. Mijn samenwerking met andere ondernemers, met bouwbedrijven, aannemers, ik moet al die voelsprieten wel hebben en houden, want dat is uiteindelijk ook belangrijk voor jouw ambacht. 

‘Dat was op zich wel grappig dat ik daarin opval. Ik ben genomineerd door iemand die ik eigenlijk niet echt persoonlijk ken, maar die ik 10 jaar geleden heb ontmoet met een speciale lezing. Ik vond het heel bijzonder dat dat uiteindelijk opvalt in een hele grote regio. Zei een ander: je pand speelt mee. Ja, natuurlijk speelt mijn pand mee. Maar dat ben ik ook; dat kan ik niet los zien van wat ik doe. Het is éen plaatje. Het is niet zo: dat ben ik en dat heeft een ander voor me gedaan. Het is éen plaatje. Ik heb leuke, bijzondere dingen gedaan en daar ben ik op zich heel trots op.’

www.glasatelierheiloo.nl

 

Het gesprek met Lucia is éen van de fijnste die ik heb gehouden. Haar gekozen vak is een kunst apart en uiterst fascinerend om meer over te weten te komen. Daarnaast is zij iemand die boeiend kan vertellen en een goed gevoel voor humor heeft.

Het loont de moeite om haar website te bezoeken en ook een keer langs haar atelier/winkel te gaan. Rij er desnoods een extra straatje voor om, want dit is iets in het leven waarvan je geen spijt zult krijgen.

*

In de werkplaats van Sjanneke van Herpen zit alles onder stof. Niet het gewone huishoudstof dat te lang genegeerd is en meedeint als je langsloopt, maar stof dat bij het bikken van steen de wereld in gestuurd is. Wat, echter, indrukwekkender is, zijn de vele kunstwerken die op tafels, kasten, de vloer, werkelijk overal om je heen staan.

Sjanneke is éen van de kunstenaars waar ik enorm benieuwd naar was. De handen die grote brokken steen heen en weer sjouwen en gerei hanteren waarmee je een tientonner kunt ombikken, houden ook een viool vast en spelen de mooiste noten. Het woord “fascinerend” was hoe ik over haar dacht. En denk.

 

Sjanneke van Herpen

Ze maakt een stoel stofvrij en zet deze voor me neer.

‘Ik ben tweeënhalf jaar geleden begonnen aan een insecten-project. Dat loopt nog steeds door. Er komen steeds dingen tussendoor, maar dit is mijn eigen plan en het schuift steeds een stukje op. Ik weet nog niet precies hoe ik het ga eindigen. Ik kom iedere keer nog weer nieuwe verhalen tegen. Insecten is ook een wereld op zich en als je daar een beetje induikt, ga je er steeds dieper in en je komt niet tot een conclusie. Af en toe zit er een verhaal tussen, dan moet ik er wat mee en maak ik daar een beeld van. Dat maakt het voor mij ook leuk want ik probeer iedere keer technisch verder te komen, dat het voor mij ook interessant is om te maken. Behalve dat het leuk is iets te laten zien, wil ik voor mij ook verder komen, waar je grenzen liggen en wat je met steen kunt. Ik vind het dan inderdaad leuk om... Kijk, doorzichtige dingen in steen slaat nergens op, maar je kunt wel de suggestie wekken. En insecten in steen slaat ook nergens op want insecten zijn heel klein en kriebelig dus hoezo steen. Maar steen is nu eenmaal mijn ding. M’n lievelingsding.’

 

Waarom steen?

‘Ten eerste kan ik niet tekenen, of ik moet abstract gaan, maar dan moet je evengoed weten wat je doet. Als het echt moet, maak ik voor mezelf een schetsje en dan ben ik de enige die snapt wat er staat. Ik heb steen altijd mooi gevonden. In de drempel hier bij het toilet zit een stukje dat ik ooit als kind heb meegenomen uit Italië. We liepen door een stadje, er zat een steenhouwer en dit lag daar in de goot. En dus heb ik dat meegenomen en m’n moeder zei: wat ga je daarmee doen? Mam, dit is echt marmer hoor, zei ik.’ Ze lacht bij de gedachte aan dit moment. ‘Ik heb het al die jaren bewaard, weet ook niet waarom. En toen gingen we hier dit bouwen en heb ik dat in de drempel gelegd. 

‘Ik vind steen heel mooi. Het is een natuurlijk producten het komt overal, behalve in Nederland, in de wereld voor en het heeft karakter van zichzelf. Wat ik er ook mooi aan vind: het dwingt je tot een soort concentratie in je werk. Alles wat je weghaalt, is weg. Met wassen kun je eeuwig blijven plakken en toevoegen en steen moet je nadenken. En dat vind ik mooi. Eigenlijk is de basistechniek heel simpel maar je kunt je er verder in ontwikkelen en dat is interessant. Het blijft interessant.’

 

Het begin

‘Ik ben in ‘96 begonnen in Tsjechië met een bandje. Ik kwam mensen tegen die op de steenhouwschool zaten. We raakten aan de praat. Ik had net ontslag genomen en wist nog niet precies wat ik wilde behalve dat ik iets anders wilde. Ze zeiden: jij moet effies mee naar de school, en ik zei: ik moet spelen en morgen ben ik weer in Nederland. Uiteindelijk heb ik midden in de nacht een rondleiding gekregen. Ik liep door die school en dacht: als ik dit niet doe, ga ik de rest van m’n leven spijt hebben, heel de tijd zeggen waarom heb je dat nou niet geprobeerd. Weet je, je kunt er altijd heen en zo weer terug. Je tekent geen contract dat je daar tien jaar moet blijven. 

‘Toen ik daar zat, ik heb altijd een boekje bij me en ik zat ‘s avonds op m’n bed te schrijven, en ik dacht: dit is het gewoon. Ja… en toen leefde ik nog lang en gelukkig.’ Ze lacht met een zweem van ironie. Dan: ‘Want waarom zou je het niet doen? Omdat het eng is, onzeker, en uiteindelijk… Ik had dus ontslag genomen en hoefde daarover geen beslissing meer te nemen, dat was al gebeurd. Dus er was geen idealer moment om dat te doen. En daar heb ik geen spijt van gehad. Het was sowieso een mooie tijd. Je bent vier maanden heel geconcentreerd met éen ding bezig en dat is een luxe die je eigenlijk nooit hebt. Het was een school van meer dan honderd jaar oud en ik had les van een man die ook al heel zijn leven met steen bezig was en die wist alles. Het was geweldig. En van alles wat ik nu doe met steen, is daar de basis gelegd.’

 

Grenzen opzoeken

‘Er zijn door de eeuwen heen beeldhouwers geweest die ik bewonder en dan zie je iemand en denk ik: ach, dat had je zelf kunnen verzinnen. Met grenzen opzoeken van steen kijk ik wat er technisch mogelijk is, want je kunt niet alles. Je kunt niet heel dun. Ik vind het soms leuk om dingen open te werken maar dat kan ook niet in het oneindige. Maar ook dingen als een hard materiaal zacht laten lijken, kijken wat je kunt met die steen. Dat is een uitdaging. Voor zacht kun je schapenwol nemen, maar ik vind het leuker om steen eruit te laten zien als schapenwol. En dat kan met steen. Als je kijkt naar, om maar eens een grote held te noemen als Michelangelo, die heeft echt beelden gemaakt… het is wit maar het ziet eruit als huid. Ik was op een gegeven moment in Ierland en daar was een beeldhouwer en die had zo’n… Je hebt van die beeldhouwkussentjes en als je daar iets op zet dan heeft het een beetje stevigheid -ik gebruik daarvoor een autoband. Die Ier had van bruin steen een kussentje gemaakt en van ander steen zo’n beeldhouwerhamer erin en je moest het aanraken om zeker te weten dat het van steen was.’

 

Insecten

‘Die insectenvleugel wilde ik doorzichtig laten lijken. Het is van een serie, die is nog niet helemaal af -dat geldt voor veel uit die serie. Ik heb nog veel meer. Maar dan heb ik een idee en dat werk ik tot zover af, dat het duidelijk is wat het gaat worden. De afwerking laat ik dan nog zitten en dan ga ik door naar het volgende, want uit werk ontstaan ideeën. Dan ben je bezig en er ontstaat alweer het volgende, en dan zit ik te trappelen om daarmee door te gaan. 

‘Ik heb een zwarte houtbij die in het echt iridiscerend paars-blauw. is Ik heb ‘m éen keer gezien en je weet echt niet wat er langskomt. Hij is gigantisch, bijna net zo groot als ik ‘m heb gemaakt. Maar ‘t mooie van het vrouwtje is: ze maakt kamertjes in hout en daar doet ze genoeg stuifmeel in. Dat eitje dat ze daar in legt voor als het een larfje is geworden, is voldoende eten om een bijtje te worden. Ze graaft alvast een gangetje voor, zodat ie weet hoe die eruit moet en dan maken ze zo een hele rij kamertjes. Dit gaat ook een beetje over mijn moeder want die was nog maar net overleden. Ik was met allemaal dingen bezig, een doodgravertje maar dan heb je daar allemaal geen zin in. Toen ik het verhaal van de zwarte houtbij las, dacht ik aan m’n moeder. Zij heeft ons allemaal gegeven wat we nodig hadden en… Nou ja, zoiets. En op die vaas zitten klaprozen en dovenetels en dat zijn bloemen waarop tie foerageert.’

 

Verhalen

‘Bij mij begint alles met een verhaal. Mijn hele familie is wel een beetje verhalen vertellerig en we kiezen allemaal onze eigen manier om dat te doen. Schrijven vinden we ook allemaal leuk maar uiteindelijk is dit mijn manier om iets te vertellen. Sommige mensen zweren bij leegte maar ik heb altijd veel rotzooi om me heen. Maar je hebt ook veel nodig. Hier heb ik allemaal kleine gereedschapjes en voor het ene is dit handig en voor het andere dat. Je moet het allemaal binnen handbereik hebben. En weet je, dat is het fijne: het is mijn hok.

‘De witte noot die ik heb gemaakt, was een idee dat ik had toen ik in het Rijksmuseum was geweest. Daar zag ik “gebedsnoten”, bewerkte noten met bijbelse voorstellingen. Ik had die hommel en die bloem en toen heeft het nog een jaar gestaan voordat ik bedacht had hoe je dit maakt, dat ie echt open kan klappen. Dit was tijdens de lockdown dus ik kon ook nergens struinen naar dingetjes. Ik moest overal mijn eigen laatjes en voorraden gebruiken. Dit is een stukje van een lamp en dit is een dingetje van een soort display. Dit zijn oude armbanden. Alles wat messing was, werd verzameld. Dit was van een gordijnrail en het is leuk als je iets vindt dat past. Ik had de rand al gemaakt en als je dan een armband vindt die past, da’s zo leuk. Dat wit is marmer, de rest is messing. Op een houten plankje. De marmer komt uit Italië maar ik heb het niet zelf gehaald. Zeker kleinere stukken krijg ik heel vaak van mensen, want die hebben een steenasiel. Soms kondig ik een stop aan maar het is net als met jonge katjes, als er dan iemand voor je deur staat: geef dan maar weer.’

 

Steen

‘Als we met vakantie gaan, gaan we ook altijd op zoek naar een steengroeve. In Bretagne of in Ierland, in Duitsland en België enzo. Dat is het mooiste als je weet waar het vandaan komt, als je zelf bij die berg hebt gestaan. Je hebt hele specifieke steensoorten, maar aan de andere kant: dat grijzige is Belgisch hardsteen maar je hebt dat ook in Ierland en Azië. Er zitten dan wel kleine verschillen tussen maar qua samenstelling lijkt het erg op elkaar. Graniet heb je ook van Azië tot in het hoge noorden, maar wel allemaal verschillende kleuren. 

‘Wat ik erg leuk vindt, is op locatie werken. Dat komt niet vaak voor maar als je de kans krijgt, sta je op een plek met stenen uit de buurt en dan twee weken, twee maanden of drie maanden hakken. Dan ben je op een plek waar je niemand kent en dus heb je helemaal geen tijd nodig voor socialere dingen. Aan het eind van de periode is dat wel een beetje verschoven en dan moet je bij iedereen komen eten en muziek maken, en dat is ook weer heel leuk. 

‘In kalksteen zitten vaak fossielen en dan besef je je nog beter dat die steen honderd miljoen, tweehonderd miljoen jaar oud is en zit er een afdruk van een diertje in. Dan zeggen mensen wel eens: het schiet niet op met dat steen. Nou, en? Weet je wel hoe lang die steen erover gedaan heeft? Daarom wil ik altijd een plan maken als ik een steen heb; ik ga nooit zomaar hakken. Die steen heeft er een paar honderdmiljoen jaar over gedaan om te worden wat ie is dan mag ik er wel even over denken voordat ik er een beitel in zet.’

 

Waar komt de fascinatie met insecten vandaan?

‘Weet je, we willen naar de maan en we willen naar mars maar eigenlijk snappen we er nog niet veel van wat er hier allemaal is. Heel veel insecten zijn nog niet ontdekt, ook omdat we ze niet kunnen zien omdat ze veel te klein zijn of omdat ze op onmogelijke plekken zitten. Maar het grootste deel van alles wat leeft, is insect. Ze zijn heel belangrijk en ze hebben het heel slecht. En dat is onze schuld. Daar mag ook aandacht voor komen. Je kunt met een spandoek naar buiten gaan en zeggen: wij zijn slecht en we moeten de insecten redden, maar dit hier is dan een beetje mijn manier. Ik weet niet of dat een wereldschokkend verschil gaat maken. We zijn zo slim maar ook zo dom. Als de mensheid uitsterft, denk ik dat de aarde opgelucht adem haalt. Als insecten uitsterven (en we zijn al aardig op weg!) gaat het hele ecosysteem naar de ratsmodee. Weet je, het zijn fascinerende dieren. Zoveel soortjes kunnen iets wonderbaarlijks, iets dat je helemaal niet verwacht. Zoals doodgravertjes. Die zorgen voor hun nageslacht en dat is niet iets dat je verwacht bij insecten; dat is iets van knuffelige zoogdieren. Maar die leggen eitjes in een dood dier. Als die uitkomen, maken de ouders een geluidje en dan weten die larfjes waar ze naartoe moeten. Of die larfjes maken een geluidje -dat ben ik effies kwijt, maar er wordt geluid gemaakt- en dan worden ze gevoed totdat ze zichzelf kunnen redden. Dat vind ik mooi. Dan heb je zo’n verhaal en dan moet ik er een vorm bij vinden dus heb ik een heel schattige moeder doodgraver met een kindje gemaakt. Totaal onwetenschappelijk want ze zitten natuurlijk niet gezellig met hun kindje op schoot.’ Ze toont het beeld. ‘Dus hier zit de grote doodgraver met een dikke larve op schoot. Ze zijn heel mooi. Op die schildjes ook zie je bobbeltjes en dingetjes en dan denk ik: hoe zitten die pootjes aan zo’n beest.

‘Mot in kleurschakeringen van bijna wit tot bijna zwart. De berkenspanner. Naarmate de achtergrond waar ze op zitten viezer is, komen er meer zwarte voor omdat ze dan minder zichtbaar zijn en minder snel opgevreten worden. Het is een soort indicator voor luchtvervuiling, dus dit is een Wijk aan Zees motje. Ze zijn kleiner dan deze want insecten op ware grootte… Het is heel grappig als je dingen gaat vergroten want dan ziet het er ineens anders uit. Dit is een vlinder. Die heeft zo’n schattig gezichtje het is net een soort konijntje met horentjes. Die grote bolle oogjes… 

‘Als er hommels of bijen binnen zijn, heb ik een zwabber en die is een beetje warrig. En als ik ‘m dan zo tegen die bij aanhoud, dan raakt ie effetjes verstrikt en dan ga ik gauw naar buiten. Waarschijnlijk breek ik op een dag m’n nek omdat ik een bij of een vlinder wil redden, nou dat is dan maar zo.’

 

Hoe zit het met het schrijfwerk

‘Ik heb al heel lang geen blogs meer geschreven. Ik zou dat eigenlijk weer moeten doen, maar op een gegeven moment komt de klad erin en er waren ook een heleboel andere dingen, wat sterfgevallen in de buurt en dan heb je helemaal geen zin om iets onbenulligs te zeggen. En alles lijkt dan onbenullig en dan kom je niet aan schrijven toe. Wat ga ik hier nou zitten schrijven over een vlieg? En dan is het ritme eruit. Maar eigenlijk vind ik het heel leuk, dat schrijven. Ik schrijf ook alleen als ik iets te melden heb, als er een verhaaltje is, en dat wil ik dan ook vertellen. Het plan is, als ik vind dat de serie insecten klaar is, dan wil ik een mooie plek hebben om het exposeren, met een boekje met de verhaaltjes. Dit heb ik eerder gedaan met uitgestorven vogels. Dat was een heel interessant project. Ik ben toen bij dertien gestopt, want dat vond ik een mooi getal voor een ongelukkig verhaal. Ik had bij ieder beeld een quote van iemand die de vogels nog gezien of beschreven heeft, en dan mijn verhaal en foto van het beeld erbij. Die hebben in het Kennemer theater gestaan. Dat is een mooie plek. Eigenlijk zit ik ook te denken aan een ongebruikelijke plek, een natuurhistorisch museum ofzo, voor dat insectenproject. 

‘Ik wil graag eens een link maken met een bioloog of wetenschapper, maar die hebben al zo’n leuk vak en die zitten helemaal niet op een beeldhouwer te wachten. Ik heb hier en daar wel eens een vissie uitgegooid maar, nee. Misschien net het verkeerde vissie of de verkeerde persoon.

‘Met insecten kun je het heel erg breed maken, dat is een beetje het punt. Ik moet gewoon op een dag tegen mezelf zeggen: dit is het, gaan afwerken. Maar nu nog niet.’Fontein

‘De gemeente Beverwijk heeft mij benaderd voor een beeld van een eend voor op de Dr Schuijt fontein. Ze hebben een inschatting gemaakt hoe groot het allemaal is en daar hou ik me aan. Het is allemaal van oude ansichten en fotos af, dus de precieze vorm weet niemand meer. Als het ongeveer hetzelfde uitstraalt, is het wel goed. Af en toe ga ik op de grond liggen om te kijken hoe het eruit ziet als het op een sokkel staat en je er vanonder af tegenaan kijkt. Als een beeld geplaatst wordt dan is het pas echt af, zeker als je het voor een bepaalde plek maakt. 

‘Met die hooglanders ook: die stonden hier en leken toen heel groot. En dan zet je ze daar neer en denk je: oh ja, zo klopt het wel. Het leukste was dat ze vlak bij een school van Heliomare staan en iemand vertelde dat ze met therapie daar wel eens heen gaan omdat de kinderen uit de rolstoel op zo’n ding klimmen en weer terug. En dat is het leukste, dat het gebruikt wordt. Net als die rammen bij de kinderboerderij, daar klimmen de kinderen op. Toen ik ze ging plaatsen hadden ze een soort sokkeltje gemaakt waarop ze zouden komen, en ik zei dat ik dat niet wilde want dan gaan ouders zeggen: nee nee, daar mag je niet op. En ze mogen er wél op. Bij de mussen is dat anders, die zijn niet om op te klimmen, dus daar staat lekker groen omheen.

‘Eigenlijk had ik nu in Bretagne willen zitten. Er is een symposium maar ze hadden maar drie mensen nodig. Hoera, je zit in de top veertig, hoera je zit in de top tien, hoera je zit in de top vijf, jammer, je bent nummer vier. Net zoals bij de Olympische Spelen: het is best wel goed, maar je hebt er niks aan. De laatste mail begon ook zo: gefeliciteerd, en ik denk yes! Maar het was gefeliciteerd, je bent het net niet. Ach, wie weet, volgende keer.’

 

In Wijk aan Zee

‘Ik ben in Wijk aan Zee gekomen zoals heel veel mensen: een aangespoelde ziel, weet je wel. Relatie uit, op zoek naar een huis en ik kon hier wat krijgen, hier om de hoek, op de Relweg. Dat pand wat nou helemaal verbouwd is, dat witte, daar had ik twee kamers. Ik had boven geen water, geen keuken. Beneden zat een bloemenwinkel en daar was een keukentje. Dan moest ik met al m’n pannetjes naar beneden en ging ik koken en terug naar boven en weer naar beneden om af te wassen, alle emmers met rozen opzij zetten. Maar ik was superblij dat ik wat had. En eigenlijk al heel gauw voelde ik me heel erg op m’n plek in Wijk aan Zee. Het is een kunstenaarsdorp, maar anders dan Bergen. In Bergen wonen kunstenaars en hier wonen creatievelingen die dingen doen, dingen maken, en die het ook leuk vinden om hier en daar voor WaZ iets te doen. En veel muzikanten. Dat is voor mij natuurlijk een hele leuke combinatie. Ik speel viool, altviool en cello. Er is hier een kern is van creatievelingen en daar voelen anderen zich bij thuis. En water en ruimte in de buurt. 

‘Toen ik hier kwam wonen in januari, februari, het was een hele koude winter, en het strand leek de Noordpool met ijsschotsen enzo en er was niemand. Ik had een ontzettende behoefte aan alleen zijn en het was heerlijk, lekker zo over al die schotsen op het strand, geweldig. Het is net als met dit atelier: niemand zit me hier in de weg. Vroeger zat het achter ons huis en daar loopt een fietspad en een voetpad. Iedereen wist waar ik zat en iedereen zwaaide. En nu weet niemand waar ik zit en moet ik het uitleggen. Mensen die voor het eerste komen, denken: he, wat is dit. Dat had ik zelf ook toen ik hier voor het eerst kwam, er was helemaal niks. De tuin was tegels en gras en verder niks. Nu is het een groene oase. Het atelier stond er nog niet. Er stonden drie ouwe schuurtjes aan elkaar geplakt, van lelijk materiaal als gasbeton, asbest en plastic, alles waar ik niet blij van word. Maar we zagen die plek en ik dacht: ja, dit is wel… Eigenlijk zag ik dit voor me. We hebben het dak neer laten zetten en de rest hebben we zelf gedaan. En toen was het klaar en ik dacht: dit is altijd zo geweest. En ook de geluiden...’ Ze sluit het bovenstuk van een deur die kraakt, bijgestaan door tinkelend hang- en sluitwerk. ‘...Ik weet niet; ik vind dat mooi. 

‘Het tuintje is geen natuurgebied maar ik heb dit jaar weer vijf jonge koolmezen groot zien worden. Het is altijd wel een enorme bron van stress voor me want ik hou het heel de dag in de gaten. Een paar jaar geleden had ik ook een nestje met koolmezen hier en op een gegeven moment dacht ik nog maar éen van die ouders te zien. Ik ging opletten en inderdaad was er alleen het vrouwtje nog maar, en ik zag haar gewoon moe worden. Op het internet opgezocht: hoe red ik een koolmees, op het fietsje naar Beverwijk, meelwormen gehaald, en ik dacht: oh got, meelwormen, die koop je dan gewoon in een bakje voor tweevijftig en het zijn ook levende diertjes. Ja, ik ga jullie wel opvoeren, maar dat vinden jullie fijn: hoe ben ik lief voor m’n meelwormen voordat ze voer worden? Ze houden van appeltjes. Dus appeltjes voor de meelwormen. Had ik ineens een meelwormen kwekerij. Maakte ik me niet alleen druk om de koolmezen maar ook om de meelwormen. Vorige week vlogen de koolmeesjes uit, fantastisch om te zien. De laatste is natuurlijk de allerkleinste en die was eigenlijk nog te klein om uit te vliegen. Die ging terug naar binnen, ging in de rozenstruik zitten, waar die wel veilig zit, maar gelukkig bleef ze hem voeren. En ik de meelwormen iedere dag aanvullen. Na twee dagen zijn ze weggegaan en ik heb ze niet meer gezien. 

‘Zelfs in dit kleine tuintje probeer ik een diversiteit aan planten erin te gooien en ook niet teveel van het tuincentrum waar allemaal van dat gif opzit. Dus het zijn voornamelijk lokale dingen en als je ziet wat er hier voor kleine beestjes zitten, dat is echt heel leuk. En dan ga ik ze goed bekijken, maak ik een foto en zoek het op het internet op. Oh, dat is een gerande schildkever of zoiets. Die namen, dat is fantastisch. Ik heb ook eens een rups hier gehad met allemaal borstels, zeven kleuren en die ging zich inspinnen. Dat was iets heel bijzonders om te zien, maar het bleek dat het een vlinder was die hier veel voorkomt. Uiteindelijk was tie voor mij wel speciaal.

Dat is net als met mussen: mussen zijn op zich niet bijzonder maar als je ze goed gaat bekijken, zijn ze prachtig. Sperwers zijn ook mooi maar dankzij de sperwers heb ik geen mussen meer. Op een gegeven moment had een sperwer hier de snackbar ontdekt. Ze zaten altijd hier in dat boompje, toen is tie drie dagen achter elkaar langsgekomen en dan zo naar mij kijken en intussen zo dat beest plukken. En nu durven ze niet meer. 

‘Kauwtjes zijn prachtig, met dat zilveren petje en die blauwgrijze oogjes. Ze maken heel veel geluidjes dan praten ze met elkaar. Ik heb hier een ekster, ik heb ‘m wel een tijdje weggejaagd want ik ben veel te bang voor die kleintjes daar, maar nou mag ie gewoon weer terug. Gisteren zat ie zelf met een jong, zo éen met zo’n grote snavel die denkt dat ie wel kan vliegen maar niet zo heel goed. Ze zijn zo prachtig als de zon erop staat. Ergens haalt ie oud brood vandaan, hier gooit ie dat in het water en dan kan ie het opeten of aan z’n jong geven. Met heel veel van die dingen is het als je doet wat de natuur doet dan is het uiteindelijk voor jezelf en voor de wereld beter. Dat wil ik ook een beetje met dat insectenproject, mensen laten zien dat het belangrijk is, dat het mooi en bijzonder is, en wie ben jij om een beest dood te trappen. We horen bij elkaar, we zijn éen. We zijn zo arrogant. Zeggen ze: de ganzen zijn een gevaar voor het vliegverkeer. Dan denk ik: hè, ‘t is toch eigenlijk andersom, dat wij met die vliegtuigen de wereld verkloten? Mensen zijn gek, en een beetje dom. Als er dan iemand gaat nadenken als ze een beeld van me hebben gezien en die vertelt het weer door… wie weet, maakt het een klein beetje verschil.’

 

Beeldhouwers vs schilders

‘Wat zo leuk is in films dan zie je een kunstenaar en die gaat dan op een terras zitten wachten op inspiratie. Zo werkt het dus niet. Het komt wel; je moet iets doen. Ik krijg inspiratie door bezig te zijn met mijn werk. Nou is het ook zo met steen dat als je gaat zitten wachten, gebeurt er helemaal niks. 

‘Ik heb wel eens voor een symposium gezeten in Spanje, dat was prachtig. Er waren twee beeldhouwers, nog iemand en ik, en de rest allemaal schilders. Wij stonden vroeg op en dan gingen we een hele dag werken. Zij kwamen om een uur of tien langs met: we gaan eerst effe zwemmen. Kwamen ze elf uur terug en dan riepen ze: komen jullie niet? Het is tijd om te lunchen. Okee dan. Na de lunch zaten we dan: zullen we maar weer? En gingen zij een siësta doen, daarna een rondje lopen en dan even schilderen. Aan het eind van de veertien dagen hadden zij dan zeven schilderijen en wij éen beeld. Het is toch wel een ander slag, schilders of beeldhouwers. 

‘Een paar jaar geleden was ik in Bretagne en dat was voor mij een feest met vijf steenbeeldhouwers. Dat heb ik nog nooit meegemaakt. Normaal ben ik de stoere van het gezelschap en nu was ik bijna het watje. Echt allemaal van die tanige types: geweldig. En allemaal bereid om te helpen, bij elkaar kijken, en dan ‘s avonds lekker eten en muziek maken. Ideaal.

‘Gisteren zei iemand: werk jij nog? Wat denk je nou zelf. Ik ben beeldhouwer, ik ga nooit met pensioen. Het was een repetitie van het koor. Ik zat bij iemand en ik had het over mijn viool en hij zegt: die is bijna zeker wel net zo oud als jij. Ik zeg: ik hoop dat ik ooit zo oud word want die is meer dan honderd jaar oud; ik weet niet hoe oud je me schat. 

 

Microscoop

‘Uit een boek van Dokter Hooke uit 1665 (we denken allemaal Antony van Leeuwenhoek de microscoop heeft uitgevonden, maar die heeft hem alleen verbeterd), maar goed. Dr Hooke bouwde een microscoop die 30x kon vergroten. Toen kon hij allemaal dingen onder een microscoop bekijken. Hij heeft ook voor het eerst cellen beschreven (en het woord uitgevonden). Hij ging een mug bekijken en nadenken wat ie allemaal doet. Toen heeft hij zich in het kader van het onderzoek laten steken. Hij voelde alleen het prikje, verder zat die mug alleen te drinken. Hij kwam tot de conclusie dat hij het niet doet “uit kwaadaardigheid of wraak” maar omdat ie honger heeft. Die tekst heb ik dan achter op deze steen in spiegelbeeld. Ik heb iets met spiegelbeeld, alsof je dingen wilt zeggen maar niet hardop. In dit geval wil ik dat mensen moeite doen. Dit vind ik leuker dan een briefje bijhangen. Het is niet moeilijk om in spiegelbeeld te doen want als je letters hakt dan ben je eigenlijk alleen maar een vormpje aan het hakken, je bent niet een woord aan het schrijven. Maar ik kan ook in spiegelbeeld schrijven. 

‘Je hebt van die kevertjes in het water, waar Guido Gezelle een boek over heeft geschreven (“O krinklende winklende waterding”), en ik wilde er eentje maken die beweegt. Ook dat is met steen niet zo voor de hand liggend. Dan heb ik het volgende gemaakt. Als je hier door kijkt (ze draait aan een slingertje) lijkt het of het kevertje in beweging komt. Weer hetzelfde: dit is van een oude tafelpoot, een sigarenkistje, een wekkertandwieltje dus dan ben ik echt enorm aan het klooien en het uitvinden en dat vind ik heel erg leuk.

‘Tijdens de open dagen kwam op een gegeven moment een vrouw met een kindje en er stond een groot beeld, dat ik gemaakt heb, van een zeemeermin die door die steen heenzwom. En die vrouw zegt: hier moet die mevrouw nog heel veel aan doen. Dus ik ga zo naast dat jongetje staan en zeg: de mevrouw dacht eigenlijk zelf dat het klaar was, maar ja… Dan moet je lachen.’

 

Tegeltjes

‘Waar nu het keukentje is, is het oudste gedeelte van het huis. Het was lelijk en dat hebben we afgebroken, maar dit was leuk. We waren we hier aan het bouwen en toen zei iemand: oh, en gaan jullie dit ook aanpakken? Wat bedoel je? Ja, nou ja: netjes maken. Nee, dat is mooi. Het is een oude schoorsteen, er is ooit brand geweest, zwartgeblakerd. Ik heb er een oud aanrecht neergezet en dat is het. 

‘Mijn moeder spaarde peper- en zoutstellen en die kon ze niet zo goed wegdoen. Ik heb er nog een heel stel. Ik ga een keer een open dag doen en dan mag je pas weg als je er eentje meeneemt. Je moet het toilet nog zien. Ik kreeg van Willem (partner) op een gegeven moment een tegeltje van het concert des levens en toen hadden we dit gekocht en het was heel bizar hoe het allemaal gelopen was. Dus cliché, en waar, van dat concert. Ik zei: die hangen we in het toilet. Toen ontstond de rest vanzelf. In ben tegeltjes gaan struinen op de kofferbakmarkt en ik kreeg van iedereen tegeltjes, tot ik genoeg had om het hele toilet mee te betegelen. 

‘Eigenlijk, voordat ik hier terecht kwam, was ik echt op het punt dat ik dacht  ik stop ermee. Ik dacht, ik ben al zo lang bezig en ik heb nog steeds geen knappe ruimte. In de winter kan ik gewoon om drie uur stoppen want dan heb ik tien dooie vingers. Ik heb een stom bijbaantje want ik ga het gewoon niet redden financieel. Ik ga gewoon werk zoeken, bekijk het maar. Toen ging Willem bij Klaas van Amersfoort kijken en uiteindelijk kwamen we hier terecht en had hij dat tegeltje voor me gekocht. Ik moet nog steeds voegen, maar ja, dat komt allemaal wel.’

www.sjanneke.nl

Links: Sjanneke aan het werk met haar Mussies. En rechts: van steen een doorzichtige vleugel gemaakt. Wauw.

Voetnoot: ik schreef stukken over kunstenaars voor het plaatselijke sufferdje. Het stuk van Sjanneke was veel te lang voor dat krantje. Omdat ik er moeite mee had stukken te schrappen (want alles wat zij vertelde was machtig interessant en zonde om over te slaan) kwam ik op het idee om de interviews in boekvorm te publiceren. Dat is "Babbelkunst" geworden, het boek waaruit deze selectie is gegrepen.

*

Jan Kroeze is een man apart, een kunstenaar in elke porie van zijn lichaam. Schilderen, boeken en rode wijn zijn z’n grote passies. Ik leerde hem en zijn werk enkele jaren geleden kennen in de plaatselijke galerie. Hij exposeerde schilderijen uit een serie van vijf. Deze werken hingen naast elkaar op een witte muur. Tijdens het bekijken ervan werd ik plots naar binnen getrokken. Het was een merkwaardige maar zeer aangenaam gevoel om zo in een kunstwerk op te kunnen gaan. De doordachte eenvoud van zijn schilderen, de kleuren, de samenstelling van de verschillende vlakken. Alles klopte, alles was zoals het hoorde te zijn.

Ik was verkocht.

 

Jan Kroeze

‘Eigenlijk hou ik mij alleen maar bezig met schilderen en etsen, deed ik vroeger ook. Bijvoorbeeld blinddrukken waarvan dus alleen iets ingedrukt is in het papier.’ 

Jan zit tegenover mij aan de houten tafel in het huis dat hij samen met zijn partner Saskia Sluiter bewoont. Het is een groot huis met een tot tuin omgetoverde dakterras waarop meer weelderige kruiden bloeien dan in sprookjesboeken. Dat is het domein van Saskia. Jan houdt zich daar van verre.

‘Voor mij’, zegt hij na een moment nadenken, ‘betekent kunst verf op doek, op papier, een ondergrond. Kunst is datgene wat jij denkt dat kunst is. Als je iets ziet dat verschrikkelijk is en andere mensen staan erbij te kijken en zeggen dat het leuk is, moet ik dan zeggen dat het geen kunst is? Dat is het punt, een wrijving tussen meningen en smaken. Wanneer is het geen kunst; als het kitscherig wordt? Maar dat is ook weer een probleem, want waar ligt die grens. Ik ken mensen die hebben fabelachtige technieken maar als ik hun werk zie dan val ik in slaap, heel raar is dat. Dan krijg ik neigingen om te denken: wat moet ik hiermee. Ik ken iemand die impressionistisch werk doet al vanaf 1970 zo ongeveer, en het is altijd hetzelfde. Moe met kinderen aan het strand, dat soort dingetjes, en daar is tie dan een zomer mee bezig met die aquarelletjes. Er zit geen vooruitgang in, geen verandering, er gebeurt niets mee, en hij verkoopt het allemaal. Als je hem spreekt, hoor je altijd: heb je al iets verkocht? Het gaat bij hem daar om. Daar vraag ik nooit naar. Het is onzin dat iemand gedefinieerd wordt als kunstenaar als je ervan kunt leven.’

 

Kunst komt tot leven

‘Er zijn een heleboel kunstenaars die hebben er altijd baantjes bij gehad en waarom ook niet. Zeker in deze tijd. Want je kunt wel zeggen dat je iets groots gaat maken waar je geen geld voor hebt en je krijgt geen subsidie, dan zul je toch iets anders moeten verzinnen. 

‘Wat is kunst, wat is een kunstenaar... Alleen maar iemand met een opleiding dit of dat? Het is ook geen beroep, vind ik, meer een roeping want met een beroep kan je nog een keer switchen. Maar als je met kunst bezig bent, valt er weinig te switchen. Je kunt alleen maar ophouden. Verder is er niks, meer mogelijkheden zijn er niet. 

‘In de eerste plaats moet je belangstelling voor kunst hebben, je moet er lol in hebben, noem ik het maar. Het kwam bij mij toen ik een jaar of tien was. Ik zat in de vierde klas van de lagere school en toen was de leraar op het idee te komen om naar een museum te gaan in Enschede. Daar in het rijksmuseum van Enschede hadden ze schilderijen en heel veel opgravingen uit Noord-Twente, stenen bijlen enzovoort, machtig interessant en daar had ik veel belangstelling voor. Toen kwam ik in een ruimte die vol hing met schilderijen. Er waren van die portretten uit de 18e eeuw, geen idee meer van wie, maar het was voor het eerst in m’n leven dat ik schilderijen zag. Sommigen van een formaat dat ik dacht: jezus, kan dat allemaal zo? Ik was meteen verkocht want: dat is het. En die portretten interesseerden me eigenlijk niet. Portretten zijn eigenlijk altijd vervelend vond ik, en vind ik nog steeds. Er hingen ook een paar landschappen tussen, van zo’n Hobbema-achtig laantje en daar was ik totaal weg van. En dat perspectief vond ik zo mooi want of je nou links of rechts gaat staan, dat laantje gaat altijd met je mee. Ik was er helemaal weg van, helemaal onder de indruk, en ik geloof dat ik wel een half uur of drie kwartier heb rondgezworven daar. Ik vond het bijzonder en toen dacht ik bij mezelf: dit wil ik later worden.’

 

Exposities

‘Ik ging naar galerieën en exposities in de buurt, in Hengelo, want er was niet zoveel in die tijd, zo rond 1960. Ik ben van ’49, en in de jaren ’60 ging ik kijken bij galeries. Toen had je de Vietnam oorlog en er waren een paar kunstenaars uit de buurt die ertegen protesteerden en ging ik daar ook naar kijken, naar dat soort schilderijen. Ik las in de kranten alles wat met recensies te maken had en op een gegeven moment kom je dan wel tot de ontdekking dat: ja, je kan dan wel kunstenaar worden, maar ik zag een kunstenaar uit Hengelo die ’s avonds op de markt stond om een paar centen bij te verdienen. En dat schiet ook niet echt op als je alleen maar hier bezig bent. Dus ik dacht op een gegeven moment: ik ga maar studeren. Zodoende ben ik met een studie begonnen en daarnaast ben ik gaan tekenen en schilderen en dat beviel prima. Dan werkte ik vier dagen en dan weer eens veel ’s avonds, dat kon in dat vak, en in de weekenden, dus ik was altijd wel bezig. Op m’n veertigste ben ik daarmee opgehouden en kwam ik in een uitkering terecht en toen had ik alle tijd. Veel geld heb ik toch nooit nodig gehad dus ik vond het prima. 

‘Eerst woonde ik in Haarlem en naderhand in een bovenwoning hier in Velsen Noord en daar heb ik tien jaar gewoond met veel plezier. Prachtig. In mijn kamer had ik een apparaat om naar muziek te luisteren en voor de rest was het gewoon een paar ezels en dat was fantastisch. Een tafel en een stoel dus wat had je nog meer nodig? Helemaal niks. Op die manier ben ik gaan werken en dat beviel me prima.’

 

Samenwonen

‘Toen ik met Sas ging samenwonen, zijn we hier terecht gekomen. Eerst werkte ik beneden in een grote ruimte. Stond ik daar een tijdje en dan liep Sas achter me langs en dan dacht ik: moet dat nou allemaal? Dan kan ik niet werken als iemand staat te kijken of iemand loopt langs. Het moet een afgesloten ruimte zijn anders kan het niet. Ik neem heel die handel mee naar boven in die kamer van drie bij vier en dat was een prima idee, had ik meer dan zat aan. Dat was een beter idee dan beneden. Sas nam steeds meer plek in met haar houtwerk en beeldhouwen. Als je Sas ruimte geeft dan is het ook vol. Dus ik vond het fijn dat ik naar boven ging en Sas beneden bleef werken.’

‘Meestal werk ik vrij snel, behalve als er wat pietepeuterige dingen zijn. Normaal gesproken als ik ideeën heb dan probeer ik vrij snel te werken. Ik wil niet dat ik de boel weer ga vergeten. En tussendoor heb ik ook nog geëtst. 

‘Toen ik in Haarlem woonde, had je een school en daar ging ik etsen. Daar heb ik heel vele plezier aan gehad. Ik heb nog een paar etsjes uit die tijd, een stuk of tien, en een paar blinddrukken. Blinddrukken maak je bijvoorbeeld met een stuk staal of met een voorwerp, dat druk je af zonder te inkten. Zo krijg je alleen de vorm. Bij de latere etsjes staat geen datum meer, daar ben ik op een gegeven moment mee opgehouden. Ik heb veel met sepia gewerkt met etsen, en zwart, heel weinig met kleuren. In Haarlem hadden ze prachtig materiaal staan. Ik ging er elke week een dag naartoe, met de hond.’

 

Boeken

‘Er staan hier boeken’, zegt Jan. In zijn werkkamer staat een ezel, veel verf, een stoel en boeken. ‘Beneden boeken, op de zolder boeken, overal boeken. Hier werk ik dan. Ik heb me hier zo’n beetje geïnstalleerd, heb altijd weinig plek nodig om te werken. Overal ligt verf, alles binnen handbereik. Dat komt, denk ik, omdat ik opgegroeid ben in een heel klein huis. De eerste drie, vier jaar hebben mijn ouders ingewoond na de tweede wereldoorlog omdat er geen huizen waren, en ze woonden in zo’n voorkamertje bij een grootmoeder van me. Toen ze daar weggingen, kwam mijn vader een heel klein huisje tegen met een heel klein kamertje, alles was heel klein. Ik ben niet anders gewend dan kleine hokjes en dat bevalt me prima. Grote zalen vind ik ook niet prettig, hou ik niet zo van. Ik ga dan altijd aan de zijkant zitten. 

‘Hier werk ik en daar ga ik zitten lezen, meer heb ik niet nodig. Er liggen hier allemaal spullen die ik kan gebruiken, er komt alleen maar bij en dan weet ik niet meer wat hier zit. Wat plantjes neergezet die ik leuk vind en dat is het, dan ben ik tevreden. In m’n vorige woonruimte was het ook zo, alleen was de kamer iets groter en daar zat een keukenblokje in. Fotos aan de muur en op die manier hobbel ik verder.’

In de grote benedenruimte, een voormalige sauna, staat veel werk van Jan, heel veel werk. Ik wil alles zien, maar dat is onbegonnen werk. 

‘Er staan hier allemaal boeken. Ook lege dozen waarvan ik denk dat ik ze nog kan gebruiken en die bewaar je dan. Je weet nooit waar je het voor nodig hebt. Hier stond ik dan te werken, kwam Sas langs, ik werd helemaal gek, daar kan ik niet tegen. Hier staan 600 of zoiets werken. Volgend jaar ga ik weer verder met bepaalde werken, dat soort werk. Dat zijn allemaal voorlopertjes van jaren terug en dan zie je dus al dat het heel langzaam... groei wil ik niet zeggen, maar het heeft een soort loop en daar kun je een paar jaar mee bezig zijn. Veel kleine dingetjes. 

‘Zoals ik al zei, werk ik vrij snel, en dan een tijd weer niet want dan komen er weer allerlei ideeën op en daar ben ik dan mee bezig. Daar staan nog wat etsjes en wat groter werk. Het meeste heb ik gemaakt tussen ’95 tot 2008, 2009 ongeveer. Toen heb ik het meeste gemaakt van wat er hier staat. Ik heb een soort tussenserie voordat ik begon aan de mathematische werken. Daar ben ik nog een tijd mee bezig geweest. Ze hebben ooit eens gehangen in de kerk van Beverwijk. En zo klooi je maar door.

‘Vroeger bracht ik werk naar een vrouw, een soort zetbaas, vanuit Haarlem. Ik kwam daar met een map binnen en zei: moet je luisteren, ik ga niet vantevoren inlijsten want daar heb ik geen zin in. Ik ga er vanuit dat je daar doorheen kan kijken en dan hoor ik het wel of het iets is of niet voor jullie. Ging ik ’s middags terug, stond dat ding nog op dezelfde plek. Ik zei: heb je het nou gezien? Wat? zei ze. Dus: doei, hier kom ik niet meer. Heel vervelend.’

 

Het begint erop te lijken

‘Dit is een werk uit 2005, 6, of 7. Dat heb ik eerst ietsjes laten drogen en dan weer opnieuw, dan weer afhalen en weer opnieuw opzetten, water en tjongejonge, ik weet alleen dat ik er heel lang mee bezig ben geweest. Je kunt ook weer met wissers afhalen, opbrengen, afhalen, water... Met dit soort dingen ben je tijden bezig voordat je eindelijk denkt: het begint erop te lijken. Op het eind van de dag dan stop ik en laat ik het wachten tot de volgende dag. Hetgeen dat er dan op zit, hoeft er in principe niet meer af. Je kunt er dan met dunne dingen overheen. Op die manier werkt dat een beetje. Stukje papier, water, een kleurtje: wit, rood, meer rood, zo gaat dat.

‘Toen we een keer in de kerk exposeerden met de stippels schilderijen, zei Harry: wat moet je nou met dat behang? Gewoon inlijsten, Harry, niet zeuren. Dat was een aardige man. En Gladys (Muller, lijstenmaker) was ook zo verdomde aardig. Ja. Zo jammer dat zij is overleden.’

 

Bewondering voor andere kunstenaars

‘Met schilderen bewonder ik Karin Lugtigheid. Die maakt allemaal malle dingen. En die man met die druipsels, die Italiaan, Cy Twombly, een Amerikaan die in Italië is blijven hangen. Bij een expositie in de Pont hingen grote doeken van hem met verf alsof het er tegenaan gegooid was en dat lekte, fantastisch. Ik was er helemaal weg van, wat was die man goed. 

‘We zagen ook een tentoonstelling waarin dingen spiegelden op de wand, en een soort tl-buis die raar deed. Er waren kleine dingen in een ruimte die je bijna niet kon terugvinden, eerst langzaam lopen en maar kijken. Kwamen mensen binnen die rondkeken en zeiden: oh, hier is niets te doen, en gingen weer weg. 

‘Frank Michael Zeidler is een tekenaar. Soutine, George Maertens, Willem van Althuis, allemaal schilders. Christiaan Kuitwaard, Tjibb Hooghiemstra, Richard Diebenkorn en Otto Hetterscheid zijn schilders van hier die ik bewonder. 

‘Er was ook zo’n ding van Anish Kapoor, een witte muur met een bobbel erop, gewoon een bult erop, helemaal rond. Als je van de ene kant binnenkwam, dan denk je: wat is dat? Als je gaat staan kijken, wordt het een heel apart ding. Als je later nog een keer komt via de andere kant, dan kijk je er ineens anders tegenaan, van een heel andere kant. Heel knap wat die man doet. Ik heb wel meer van die man gezien, ook in de grote kerk in Amsterdam. Daar was ie met blauw in de weer, pigmenten, bulten, gewoon in een hoek.

‘Er staat hier ook een werk van Thomasz Supryn. Daar kijk ik elke dag naar. Hij staat precies op de goede hoogte. Hij heeft in Warschau geëxposeerd en daar heb ik nog werk verkocht. Dat vond ik zo fantastisch wat die man deed, hele simpele dingetjes, dood simpel, geen gedoe, geen pretenties, precies goed. Zeeland, de zee, Anne Jung. Ze is overleden, heel zonde. Ze was iemand die niet voorop stond, heel bescheiden, had een paar kinderen, gewoon een prachtig mens. Niet moeilijk doen, niet vervelend doen, een leuk mens. En dan maakt ze prachtig werk, ik wist niet wat ik zag. We hebben een keer met haar geëxposeerd in een museum in Haarlem op de markt.’

 

Geen zin

‘Mijn jongste zus tekende nooit en deed verder nooit iets. Toen zag ze dat ik schilderende en ging ze ook tekeningetjes maken: helemaal te gek. Puur natuurtalent. Ze kon dat fotografisch doen. Leraren van de academie in Groningen hadden een cursus in elkaar gezet, daar had ze zich ingeschreven, en dat was alleen maar fantastisch en prima en goed, dat vond ze alleen maar leuk. En dat deed ze gewoon. Ze is daarna nog een korte periode bezig geweest met tekenen en zei op een gegeven moment: ik vind er toch eigenlijk niets aan. Zij kon fotografisch tekenen, maar ze had zich niet ontwikkeld. Die ziel moet erin geweven worden in je werk. Met abstract werk is dat soms heel erg moeilijk terug te vinden. 

‘Ze had een schilderij gemaakt op papier van m’n grootvader, en de kinderen van Hans T. Hij vroeg: kan je zus dat niet doen? Ik zei: moet je d’r zelf vragen. Dus naar aanleiding van fotos had zij twee een beetje ruwig met krijt getekend en ik vond het wel leuk wat ze gedaan had met die kinderen. Dus Hans zei: nou, bedankt. Ja, hallo, zei m’n zus. Wat? Moet ik daar voor betalen? Ik zit in een uitkering, ik heb helemaal geen geld. Nou, dan heb je pech, zei m’n zus. Ze pakte de tekeningen en rolde ze op en weg was ze: dahag. En langzaamaan is ze toen gestopt met tekenen. 

‘Ik had ook een tante, die kon zingen... Geweldig. Een man met geld woonde daar in de buurt en die ontdekte dat. Ze kon dus bij een zanglerares terecht en daar ging ze een paar keer naartoe en daarna zei ze: ik vind er niks aan, daar ga ik niet meer naartoe. Anders had ze bij een zanggroep gezeten, weet ik veel, iets met zingen. Ze had een stem als een klok. Jammer. In elke familie zit er wel wat van het een of ander, maar een heleboel mensen hebben er geen zin in. Prima.’

www.jankroeze.eu

Boven: Jan op zijn plek aan tafel met maar een deel van zijn boeken achter zich.

Rechts: éen van de vijf werken die mij zo enorm raakten. Dit werk in het bijzonder. Toen ik het zag, begreep ik ineens waarom deze man kunstenaar is.

Dit werk hangt nu bij mij thuis, geschonken door Jan. Geweldig.

*

Mijn bewondering voor Mary Admiraal is enorm. Zij maakt zulk mooi werk: van naakten tot landschappen en alles wat er tussenin te vinden is. Ook haar vliegensvlugge modeltekeningen zijn een pracht om te zien. Wat schilderkunst betreft lijkt er niets te zijn dat zij niet in haar vingers heeft.

Mary Admiraal

Het gesprek vindt plaats in haar atelier dat zich in een voormalige school in Heemskerk bevindt. Bij binnenkomst leidt een smal pad, geflankeerd door canvassen in allerlei soorten en maten, naar een openingetje waar een bank staat. Verderop, langs nog meer canvassen, is de piepkleine keuken.

 

De Etalage Kunstroute, Heemskerk

‘Voor de Etalage Kunstroute in Heemskerk zit ik bij de Kinderkapsalon. Ik dacht eerst: wat moet ik daarmee? Je moet werk hebben waar kinderen niet van schrikken. Misschien een landschap, maar kinderen weten tegenwoordig niets meer van landschappen. Je moet namelijk op het pad blijven en niet in een boom klimmen. Ik heb ooit eens een boekje gemaakt van kindertekeningen en ook schilderijen die ik samen met mijn kleinkind heb gemaakt. Uiteindelijk heb twee schilderijen uitgekozen: smal en breed. Dus of dat voor dat raam kan bij die kapper, ik weet het niet. Ik dacht: ik doe dit maar als reserve. De mensen moeten dat vantevoren allemaal organiseren natuurlijk en de laatste week van mei moet ik dat ophangen. De tunnel gaat ook nog een keer dicht dus dat heb ik ook maar opgeschreven, want…’ Ze pakt haar agenda erbij en zoekt. ‘Werk inleveren bij de winkel, dat is 1 juni, precies gelijk met Ezels en Kwasten. Nou ja, dan kunnen de mensen hier wandelen. Ik moet het opschrijven want ik weet het anders niet meer. Het gaat gewoon… dan denk je: oh ja en dan: oh, het is mooi weer, en dan vergeet je het.’ Ze lacht en gaat voorzichtig op een houten stoel zitten. ‘Ik ben hier een keer doorheen gezakt’, legt ze uit.

 

Je hebt zelf ook model gestaan?

‘Ja, dat is hartstikke leuk. Zij hadden geen model in de zomer. Toen kwam Cor Hak bij mij. Hij zegt: Mary, kan jij geen model zijn? Ja, ik zeg: ik heb altijd wel model getekend, maar ben nooit zelf model geweest. Dus ik dacht: laten we ‘t maar proberen. Heb ik gedaan. Ik heb die tekening van Cor Hak nog, een prachtige tekening. De tekening van Kees Verwey heb ik nooit gezien. Die was aan het schilderen, wilde een schilderij afmaken, maar hij had geen model. Dus ik moest ook liggen of een beetje half zitten, poseren hoe hij dat schilderij al had. Ik ben daar in dat huis geweest en mevrouw Verweij kwam heerlijke thee brengen. Dus wij zaten daar met z’n drieën lekker thee te drinken in de pauze, zo lekker. En daarna ben ik gewoon weer weggegaan. 

‘Hij vond het zeker zo geslaagd dat hij z’n vriendin, Charlotte van Pallandt, die ook een model zocht, mij aanraadde. Dus via Verwey ben ik bij Van Pallandt terecht gekomen. Daar was ik een heel jaar, iedere week een keer naartoe. Zij wilde iedere dag, maar ik zei dat dat me te veel zou worden. En dan kijk je er zo op terug en denk je: jeetje, dat heb je toch maar gedaan.’

 

Kijken

‘Ik ben altijd bezig. Ik woon natuurlijk op een hele mooie plek en daar kwamen altijd al schilders. Dat is gewoon heel inspirerend. Mijn oma had een hele mooie tekening van mijn opa in haar huis hangen, prachtig, en daar keek ik heel vaak naar. Zij had nog meer mooie dingen in haar huis dus zo leerde je al vroeg kijken. Mijn moeder nam ons ook mee naar een museum in Haarlem en daar keek ik m’n ogen uit. Ga je met de trein naar Haarlem, dat is gewoon hartstikke mooi. En de vrouw van de dominee heeft een ander meisje en mij wel eens meegenomen naar een atelier in Amsterdam. Daar konden we kijken, tekenen en schilderen. En met tussenpozen heb ik altijd zelf ook getekend en geschilderd. Ik heb nooit in Haarlem gewoond, altijd hier. In Wijk aan Zee en Duin geboren, zo heette dat toen. Het is gewoon Heemskerk. Altijd hier maar niet in het dorp. Ik woon daar helemaal, ver weg.’ Lachend gebaart ze zijwaarts een richting uit.

 

Modeltekenen

‘Vroeger hoorde dat er gewoon bij, modeltekenen. De vrouw van de dominee zei: je moet modeltekenen. Maar dat was hier helemaal niet dus je moest naar Haarlem of Amsterdam. Dus ik ben lid geworden daar in Haarlem van KZOD, Kunst Zij Ons Doel, en de tekenaars ontvingen mij heel hartelijk. Ik ben daar gewoon gebleven, iedere winter weer. In de zomer schildert iedereen buiten, dus alleen in de winter was het modeltekenen: met kleren aan, zonder kleren aan, rug-, sta- of zitstanden. Je leert kijken, daar gaat het om. Als je onderweg bent, zie je ook ineens vanalles. Sommige mensen hebben dat van nature, maar anderen moeten dat leren. Ik denk dat ik het ook moest leren. Soms zie ik dingen, en dan denk ik: kijk, en dan kijk ik terug. Dan zie ik een steentje ofzo en dan denk je: ja, als ik dat niet getekend zou hebben dan had ik het nu niet gezien. Nu zit ik terug te kijken, dat is wel grappig. In die tekenzaal in Haarlem, daar gebeurt wat. Ook de energie die daar opstijgt, die je pakt of meeneemt naar huis toe. Dat voel ik iedere keer weer. Vroeger waren we met een groepje mensen maar die zijn weg en éen is er overleden en een ander tekent niet meer. Wij liepen dan terug en nog heel lang na te praten en iedereen heeft dat gevoeld, die energie stroomde gewoon mee naar huis. En dat heb je eigenlijk nergens.

‘In de corona tijd 2020-2021 miste ik de tekenaars van KZOD in de Waag. Je ging de steile trap op naar de tekenzaal waar de zaalwacht al klaar staat met een lekker warm kopje thee. Langzaamaan komen er meer tekenaars en ook het model meldt zich. Klokslag acht uur wordt er gestart: een half uur korte standen van 10 minuten en na de pauze nog twee standen van een kwartier. Het leuke is dat je de tekeningen van collegas kunt bewonderen en je spreekt nog eens iemand. Na afloop inpakken en opruimen en een voor een de trap af. Meestal liep ik met dat groepje langs het Spaarne, over de brug heen en door een heel oud straatje waar we bij een galerie altijd gingen kijken.

‘Tekenen in de Waag heeft voor mij bijna iets magisch: die sfeer, de krachten van vroeger. Beroemde tekenaars uit 1821-2021 die ook in dezelfde ruimte gewerkt hebben. Dat neem je mee naar huis.’

 

Modellen

‘Dit zijn boeken van modellen die ik geschetst heb.’ Mary zet een stapel schetsboeken naast me neer op de bank. Er zitten prachtige tekeningen van modellen in, voornamelijk met houtskool geschetst. ‘Soms lijst ik ze mooi in. In sommige boeken zitten wel leuke dingen, maar niet in alle boeken. Soms zijn het zulke rare meiden; soms leuk en doen ze erg hun best. Soms kan je ook zien aan zo’n model dat ze helemaal geen zin heeft. Iedere keer denk ik, ik ga er nog wat aan doen, maar dan kom je er gewoon niet aan toe.’

‘Het zijn toch schetsen en het duur maar vijf of tien minuten, soms maar éen minuut, dus je moet ontzettend snel leren zijn. Je moet doorwerken en het is ook doodstil in zo’n tekentoestand. Soms zitten ze zomaar voor je, maar meestal zie ik dat allemaal niet. En daar moet je dan van profiteren als iemand goed voor je zit. Soms is het ook leuk om dingen door elkaar heen te tekenen. Soms valt het tegen en soms niet. Dan is het hartstikke leuk en dan is heel zo’n avond leuk. Soms heb je een heel leuk model die dan hele leuke haartjes heeft en dan denk je: ha, een leuk model, en dan valt het toch weer tegen. Soms is het heel koud en dan houdt iedereen hun kleren aan, maar ook daar kan je leuke tekeningen van maken. Als de kachel het niet doet, is het ijskoud daar en dan denk je: mensen dat kan gewoon niet. En dan gaan ze eerder koffie drinken en het model gaat eerder naar huis want het is veel te koud. Soms is er wel een leuke tekening. Kijk deze is ook leuk. Hele dikke vrouwen zijn er soms en dan doen ze ook heel uitdagend. En die vrouwen zijn vrij, dat kun je je gewoon niet voorstellen. Ze zijn zo zichzelf, en als je dat dan meemaakt dan denk ik: jeetje, geweldig.’

 

Hoe ben je bij Ezels en Kwasten terecht gekomen?

‘Via Kisjes, denk ik, Bert. Ik weet eigenlijk niet hoe ik met Bert in contact ben gekomen. Iedereen ging naar Bert toe. Kunstenaars zeiden tegen elkaar: je moet naar Wijk aan Zee, naar de schildersweek. En dat heb het eerste jaar gedaan en daarna de andere jaren ook. Ieder jaar een ander onderwerp. Éen keer “De kleuren van de zee”. Dat vond ik prachtig. Iedere dag de zee schilderen die telkens weer anders is: een rustige zee en een woeste, het avondlicht, en dat een week lang. Ik mocht die week in een strandhuisje van mijn broer schilderen en dat maakte die week wel heel bijzonder.

‘In 2008 met dat programma “Zembla”, waren we voor Ezels en Kwasten in de week van de zee bij Kisjes aan het werk. Je staat met de benen of eigenlijk met het hoofd in het water. We verzuipen in de vervuiling. Het was toen dat er in de haren van schoolkinderen teveel chroom zat. Daar heb ik toen een schilderijtje van gemaakt. Het is nog steeds actueel want er is nog teveel chroom. Kijk, ik heb de haren afgeknipt en op het schilderijtje geplakt. Toen dacht ik: er zit ook teveel chroom in het schilderij. We lachten erom, maar het is echt schande dat dit nog steeds zo is, en het is nu 2023. Daarom steun ik Frisse Wind. Tata kan niet zo doorgaan met vervuilen.’

 

Bewonderenswaardige kunstenaars

‘Iemand die ik heel erg bewonder, is Oepts, een kunstenaar uit de jaren ‘50. Hele mooie dingen maakt ie. En Kees Verwey heb ik altijd bewonderd. Er zijn nog meer Haarlemse kunstenaars waar ik geweest ben en die ik ook echt bewonder. Paul Jorritsma, die tekende ook. Hij kwam éen keer per jaar naar m’n atelier en dan gingen we over kunst praten. Dan zei hij wat hij mooi vond en wat hij niet mooi vond en: je moet hier eens aan denken, en daar aan... Ook gaf hij tips over belangrijke exposities. Dat was heel inspirerend en leerzaam. Dat mis ik. Zulke mensen kom ik niet meer tegen. In Haarlem niet maar ook niet bij de Kop. 

‘Weet je waar je ook inspiratie vandaan haalt? Ik ben op dansles gegaan, je leert dansen op muziek en als je thuis komt, ben je nog aan het dansen. Ik ben gaan schilderen: dansparen, beweging. Ik stond dansend voor mijn ezel. Het is een hele serie dansschilderijen geworden. Met golf heb ik precies hetzelfde gedaan. Eerst m’n gvb (golf vaardigheidsbewijs) gehaald in Beverwijk en tegelijkertijd begonnen met golf. Er was een pro die gaf les en hij heeft mij zo geïnspireerd, dat ik zijn bewegingen ging schilderen. Hij zag er ook heel sportief uit, heel mooi sportief. Met golf zijn er ook bewegingen die je gewoon moet voelen en dat moet ook groeien. 

‘Ik hou erg van series maken. We gingen een keer een expositie onthullen. Dan hang je iets voor je schilderij wat op de opening eraf gehaald wordt. Ik had een serie moderne tekeningen gemaakt en was helemaal in de ban van dat onthullen: bootjes, vogels, luchten, water, sluizen, veel roest kleuren. Op grote vellen die voor de schilderijen zouden komen te hangen. Daar heb ik een abstracte serie van gemaakt. In die periode kwam Paul Jorritsma bij mij op bezoek. Hij zei: Mary, dat zijn hele goede tekeningen. Die moet je inlijsten en ophangen. Zo is de serie “Noordersluis” ontstaan. Ze hingen op de expositie die nu met andere doeken onthult moest worden. Er zijn een aantal van verkocht. Zo werkt dat. Eerst denk je wat moet ik er mee en als je dan aan de slag gaat, komt er soms wat moois uit. Sta je dan zelf versteld van.’ 

 

Glimlach

‘Die kleuren zijn mooi maar...’ Mary toont een aantal schilderijen met blote billen ‘...die billen krijg ik niet echt goed hier. Op die andere is het echt heel mooi en dan denk ik: ik moet dat gewoon niet doen, niet gaan schilderen, maar tekenen. Dat gaat veel beter. Kijk, dit vind ik nou weer wel mooi, deze, en ik denk dat dat nou weer door die kleuren komt. Het was ineens in de mode, die ronde billen. Afrikaanse billen, nee, hoe heet dat ook weer…? Zuid Amerikaanse billen, Braziliaanse billen. Op zich is dat hartstikke leuk. Sommige dingen zijn gewoon goed maar andere dingen willen niet. Moet je kijken wat een leuk ding dit is. Wat dit allemaal is, weet ik niet, maar die lijnen lopen er mooi door. Het zijn dus twee tekeningen, misschien wel drie, door elkaar heen. Ik laat het zo. Het was allemaal in de corona tijd toen heb ik dit gedaan. Nou ja, zo zit ik te werken. Wat moet ik er nog aan doen? In elk geval niet met zwart en met groen en met een hoedje op. Ik moet het gewoon zo laten.

‘Dit is kunst met een glimlach. Die billen moeten heel dik, zei iemand tegen mij. Oh ja, die heb ik wel verkocht. Het is begonnen met een opdracht, hele dikke billen wilde die man hebben. Hij zegt: ze moeten veel dikker. Nou, ik ging het weer dikker maken, nog weer dikker. Hij heeft ze toch meegenomen. Ik vind deze billen wel leuk en dat zwarte is ook leuk. En dat vogeltje ook. Dit kan wel bij Bert in de kerk, vind ik. Ik dacht: weet je wat ik ga doen? Ik ga oude schilderijen kopen bij de Kringloop en daar stonden bloemetjes op. Die bloemetjes hier stonden er al op. En dan denk ik: weet je wat, ik ga van een oud schilderij van iemand anders, dus die bloemetjes zijn van iemand anders, daar ga ik die blote billen tussen schilderen. Kijk, dan heeft het nog een beetje zin. Het is niet makkelijk om er tussen te schilderen, want soms heb ik het helemaal weggeschilderd want het lukt gewoon niet. Dan ga ik dat allemaal wegschilderen en denk ik, ik doe maar wat en dan moet ik het weer oppakken. Abstracten zijn ook goed. Ik heb zo’n serie met dat abstracte geprobeerd, twee lichamen door elkaar heen. Je laat het een heel klein beetje zien, dus dat groene hoort bij de éen en dat blauwe bij de ander. Dit vind ik eigenlijk beter dan dat gewone. Die heb ik dan allemaal “Kunst met een glimlach” genoemd. Het is allemaal even gekkig en toch niet gek. Ik vind het eigenlijk wel goed dat je het zo bekijkt, kunst met een glimlach, want je kunt altijd wel heel serieus zijn, diepgravend, weet ik het allemaal. Daar geloof ik dan ook totaal niet in. Al die mensen die het zo beter weten. 

‘De meeste mensen vinden dit werk niks, want die durven daar gewoon niet voor uit te komen, dat is het. Je moet er ook in groeien. Het is heel leuk om te zien, om dat tegen te komen. Ik moet wel zeggen dat het heel erg moeilijk is om van een mooie tekening een mooi schilderij te maken. Dat is hartstikke moeilijk en dat wil ik nou.’

 

Buiten schilderen

‘Ik heb ook geschilderd met Piet Brandjes, dat is ook een hele beroemde schilder in Uitgeest. Daar ging ik in de zomer naartoe, gingen we Noord Holland in en dan daar landschappen schilderen. In coronatijd heb ik ook een kalender gemaakt met die landschappen uit Noord Holland, hartstikke leuk. En de meesten heb ik met hem gemaakt. Niet samen, maar hij was erbij en ging ook wat maken. Dat was wel leuk. 

‘In de Kop van WaZ kwam ik afgelopen maandag Wim de Goede tegen en die houdt ook van buiten schilderen. En daar heb ik mee gepraat en die zou aan me denken. Die man doet heel veel dingen, maakt ook muziek. Hij zegt: Mary, ik zal aan je denken met buiten schilderen. Ik ben benieuwd. Het was wel een goeie klant want hij heeft wat gekocht’, zegt ze lachend. ‘Dus dat was wel heel leuk. Er gebeuren toch leuke dingen en als je aan zoiets meedoet, kunnen er leuke dingen gebeuren. 

‘Wat wel een leuk idee was van Ezels en Kwasten: je kan wel aan iedereen die meedoet een doek geven met de naam erop of gedocumenteerd, want dan heb je ook dat iedereen dat ter plekke gehad heeft. Want dat scheelde er wel eens aan in vroegere periodes. Ik denk ook, dat is echt Wijk aan Zee. Je moet soms je hoofd schudden en dan denken: mens, mens, hoe krijg je het voor elkaar. Zo gebeurt het. Het mag allemaal niet duur zijn. Nou ja, dan denk ik: ook dat is Wijk aan Zee.’

www.maryadmiraal.nl; www.golfschilderijen.nl; www.naakttekeningen.nl; www.heemskerkerduin.com

Mary Admiraal, foto van Dirk Hakze.   Rechts: de bomen die ooit eens bij het station van Beverwijk stonden.

*

Harm Jonker is creatief fotograaf. Tijdens de eerste expositie die ik van hem zag, werd ik me meteen gewaar van zijn opvallende werk en was gepakt. De manier waarop hij met zijn camera omgaat, hoe hij zijn werken verfijnd, wat hij er mee doet. En toch staat hij ook open voor toevalselementen in zijn kunst en neemt deze “toevalligheden” mee in zijn werk.

Een gesprek met een bescheiden man die meer is dan zo maar een fotograaf.

Helaas heeft Harm vanwege persoonlijke omstandigheden zijn fotostoestellen opzij gezet en maakt alleen zo af en toe nog een foto met de camera van zijn mobiele telefoon. Er zijn nog wel werken van hem te zien en te krijgen via zijn website. Het adres volgt onder het interview.

Harm Jonker

We zitten in een café in Wijk aan Zee, koffie op tafel, muziek zacht op de achtergrond. Over de vraag: wat is kunst? hoeft Harm niet lang na te denken.

‘Kunst is voor mij een gevoel door iets wat gecreëerd is door iemand. Dan kun je het kunst noemen, maar het hoeft geen kunst te zijn. Gewoon iets dat gecreëerd is. Als het diepere lagen heeft dan zou je het kunst kunnen noemen. Ik noem mezelf ook geen kunstenaar maar creatief fotograaf en soms komt er echt een kunstwerk uit. Dat is meestal te beoordelen aan anderen of het zo is. Ik beleef daar plezier aan en ik vind het heel leuk om te doen, en daar gaat het eigenlijk om. Het is heel fijn als anderen daar ook wat aan beleven. Ik probeer me dat wel voor te stellen, zo: hoe zal de ander daar naar kijken? Maar wat ik er in zie, dat ziet soms de ander er helemaal niet in.

‘Het probleem, vind ik, is om het kunstwerk een naam te geven, want daarmee stuur je een ander hoe ze daar naar moeten kijken. Ik kijk dan ook naar andere dingen en dan denk ik: ja... Om gewoon te benoemen wat je ziet, maar niet wat je voelt. Daarmee zorg je dat je andere niet stuurt. Als er een bankje op staat: man op bankje. Zo, op die manier.

‘Ik heb het wel eens gehad met een foto van een stuk van een boomstam. Daar zag ik een gezicht in en dat was heel triest en daar werd ik emotioneel van. Het werk van mij “Alleen” bijvoorbeeld, wordt ook eenzaam genoemd. Alleen en eenzaam wordt wel eens door elkaar gehaald, maar het is niet hetzelfde. Ik wil me graag op de vlakte houden en “alleen” neerzetten, want ik ken de persoon die op de schommel zit en die soms eenzaam is.

‘Het is ook een stuk wat je zelf beleeft en gaat kaderen in een werk. Ik doe het met fotos omdat ik geen kunstenaar ben met schilderen en tekenen, dat heb ik niet. Het is ook mooi om bezig te zijn, het combineren van allerlei objecten, gefotografeerd, en daar weer iets heel nieuws van te maken. Ik doe andere dingen. 

‘Laatst mooie roze bloemen gefotografeerd -dat gaat in een seconde want ik moet ook nog wat op facebook zetten, dus dat zet ik daar dan neer. Er zit totaal verder niets bij. Het is leuk. Fotograferen is op een bepaalde manier naar dingen kijken en daar pik je dingen uit. Wat ik mooi vind, is details en dan enorm uitvergroten. Soms doe ik dat maar dat vind ik het mooiste om te zien van: maak het eens even duidelijk, ontzettend groot.’

 

Eerste camera

‘Van jongs af aan ben ik bezig geweest met fotografie. M’n eerste camera kocht ik toen ik achttien was. Ik had wel eerder cameras, maar een betere camera dus, die ik op afbetaling kocht. Mijn broer was er mee bezig en een vriend van hem. Ik ging altijd veel met hen op stap en fotograferen. Op een gegeven moment loop je daar in vast want je wilt meer maar hoe moet dat. Dus een opleiding volgen op de fotovakschool, drie jaar om dat te doen. Ik was zevenentwintig, geloof ik, toen ik van iemand de tip kreeg om daar een opleiding te volgen. Ik kon ergens een praktijkopleiding volgen en ergens theorie, twee echte opleidingen, maar los van elkaar. Dat is een jaar en aan het eind van het jaar kun je examen doen bij de fotovakschool want dat staat vrij; je hoeft de opleiding niet te volgen. En dat heb ik gedaan en in éen keer gehaald. Het percentage wat van buiten kwam, lag heel laag, want het was foto opdrachten, theorie examen, dan had je een praktijk examen. Verschillende disciplines moest je dan doen en dat was voor vakfotograaf, want je hebt ook reportage fotograaf. Als vakfotograaf moest je ook reportage inleveren en portret, architectuur. Je moest met verschillende cameras kunnen werken en je moet kunnen vertellen dat als ik van hier de kerk wil fotograferen en ik sta op een stellage, wat voor lens moet ik gebruiken? Dat moet je kunnen berekenen met formules. Zo kwam ik achter dingen zoals: waarom wordt het niet beter als ik tien lampen van honderd watt ergens op zet? Het haalt weinig uit, ja, dat leer je dan. 

‘Toen ben ik het Stedelijk Museum in Amsterdam in gegaan om te fotograferen, Amsterdam Historisch. Dat is nu het Amsterdam Museum. Het Stedelijk Museum had ook een atelier voor jonge kunstenaars, aankomende kunstenaars, Fodor, dat allang niet meer bestaat. Daarna, toen ik daar wegging, bij het Rijksmuseum om te fotograferen. Ik fotografeerde de kunst daar, maar ook buiten van de beeldende kunstenaars regeling, de BKR, dus objecten die in de buitenlucht stonden. 

‘Voor het Amsterdam Historisch Museum was ik ook fotograaf voor de boekwerken conservator. Daar heb ik toen meegewerkt met Zilver en ging ik in de kerk en ook bij mensen thuis kandelaars fotograferen enzo. De conservator heeft een boek gemaakt over -ze was nog geen conservator, maar liep daar stage geloof ik, en zij ging een boek maken over een kunstenaar. Daar moest ook werk voor gefotografeerd worden bij de mensen thuis die zijn werk hadden gekocht. Zelfs op de zolder waar die kunstenaar had gewerkt, in Blaricum, om daar te fotograferen, kijken wat er nog zichtbaar was van toen hij daar was. Maar ja, dan moet je daar ook bij die mensen binnen zien te komen, want de aanstaande conservator lukte het niet. Dus werd ik er op afgestuurd. Mij is het wel gelukt’, zegt hij met een scheef lachje. ‘Zo verschillende boekwerken over affiches gedaan, maar dat was op het atelier, dat fotograferen. Dat moest heel snel want er was een deadline. Dus achter elkaar doorschieten; binnen twee dagen moest het zijn gedaan.’

 

Opstellen

‘Als je servies moet fotograferen, maak je er een opstelling van. De Museumvereniging had een legaat en was besloten dat hun leden zich konden inschrijven om daar prentbriefkaarten te maken. En die heb ik gefotografeerd, zo’n beetje heel het land door gegaan. Dat is ook mooi want je komt in zo’n museum daar hebben ze dat en dat. Okee. Een tafel, dingen opstellen, maak zelf je compositiebewerking. 

‘Er zat ook een zaal bij in een kasteel, dat fungeerde ook als museum, ga dat maar fotograferen. Dan ga ik toch dingen in scene zetten want dan zie ik een stopcontact en dat vind ik niet zo leuk. Er komt door het raam ook licht binnen en zo fotograferen dat dat goed belicht is, maar binnen ook. Daar heb je de technieken voor die je met zo’n opleiding hebt geleerd. Daar ben je een halve dag bezig. 

‘Meestal is het zo dat je meer bezig bent met het opzetten, het afbreken dan met foto maken zelf. Dat is in een paar minuten gedaan. Je werkt meestal met schermen om de belichting goed te houden.’

 

Ander werk

‘Dat werk doe ik nu niet meer. Toen mijn zoon naar school ging, ben ik op school gaan werken. Dan kon ik de vakanties dat hij vrij was, kon ik hem opvangen want dan was ik ook vrij. Soms nam ik een week te veel, dat kreeg ik dan achteraf te horen: ah, sorry. Op een gegeven moment, ik werkte toen op de universiteit, kreeg ik te horen: je bent toch fotograaf? Ik heb gefotografeerd, ja. Ik had Ellen (van Ombergen, kunstenares) als collega en zij vroeg: zou je mijn werken die ik ga maken willen fotograferen? Prima. Zij ging toen naar Italië. Daar ben ik toen naartoe gegaan en heb daar haar werk gefotografeerd. Dat vergaat, wat niet meer bestaat, dat moet je zo vastleggen, de natuur. Dat klonk goed want zij wist wat zij wilde. Dan liep zij daar en wees aan wat zij gefotografeerd wilde hebben. Zo werkt het goed samen, ik weet wat zij bedoelt en ik vroeg: wil je dat? Okee, dan weet ik dat ook wel te vinden. 

‘Een jaar later ben ik ook nog een keer gegaan, toen hebben we ook weer werken gefotografeerd. Toen dacht ik: ik kan dat zelf ook, alleen op een andere manier. Intussen was de digitale fotografie er en kun je dus veel meer. 

‘Met analoog heb ik ook wel dingetjes uitgehaald, een raadzaal gefotografeerd in Amsterdam en door de burgemeester worden gevraagd: wat doe je hier, wat heb je daar gedaan? Ja, ik moest Amsterdamse beroepen fotograferen. Dat kun je ook als beroep zien. 

‘Ik heb daar wel met de fotos gespeeld en heel groot gemaakt. Een raadzaal en wat zie je dan: daar zit de burgemeester, maar je ziet de raadsleden als schimmen. Een beetje een schimmig spel vond ik het. De conservator vond het wel leuk. 

‘Het ijkwezen moest je ook fotograferen, weegschaal met zo’n kunstbrood erop ofzo. Of de IT, de computerafdeling van Amsterdam, een hele grote zaal. Daar ook gefotografeerd. Ze zeiden: je mag niet flitsen want dat kan invloeden hebben. Net zoals de mobiele telefoon bij een tankstation, dat effect. Maar daar heb ik ook een compositie gemaakt: twee fotos geplaatst en daar dan weer een foto van gemaakt. Met digitaal gaat dat veel makkelijker. 

‘Ik heb zelf fotos ontwikkeld, alleen in kleur werd uitbesteed aan een laboratorium. Maar dan moest je wel allerlei kleurschalen mee fotograferen voor de exacte kleur. Vooral voor schilderijen was dit belangrijk, en niet elk laboratorium kon dat aan.’

 

AI

‘Digitaal kun je kleur softwarematig aanbrengen. De meeste van de werken van het project “Wenssteen” heb ik in gedeeltes gedaan. De wenssteen, dat geen steen is want het is zacht, heb ik op éen foto na. Dat zag ik laatst weer in een overgang naar een ander soort werk. Die heb ik er met software uitgehaald en teruggeplaatst, zodat die altijd zijn eigen vorm en kleur behield. De technieken gaan steeds verder. Er zijn nu programmas die dat nog nauwkeuriger en beter doen, dat ik dan echt pixel voor pixel, bij wijze van spreken, bezig ben en die dat in éen keer doen. 

‘AI (Artificial Intelligence) maak ik heel veel gebruik van, nu veel meer. Ik vind het leuk. Kijk, ik doe het, en ik zie het als een stuk gereedschap dat ik gebruik. Dat zal bij de volgende expositie heel duidelijk naar voren komen en je mag daarover discussiëren. Bij sommigen zie je de foto niet meer, maar dat had ik ook met m’n eerste werken, daar zag je ook niet meer de foto. En nu is het zo dat ik soms niet meer de foto weet.’ 

 

‘AI is ingebouwd in fotoprogrammas. Dat is een opdracht die je kunt geven, op meerdere vlakken. Er bestaan ook programmas die uitsluitend op AI zijn gebaseerd en daar kun je door middel van een tekstopdracht het programma wat laten doen. Maar je kunt het ook direct in combinatie van een eigen foto of een geleende foto, om het zo te noemen, om daar ook AI een stuk aan te laten toevoegen. Er zijn zoveel dingen maar uiteindelijk moet jij het doen. Het is net zoals een camera: hoe duur, hoe groot het is, maar degene die ‘m bedient, die bepaalt wat er gebeurt. En zo zie ik AI ook. Ik weet wat ik wil en dan geef ik soms een programma een opdracht en die bakt er wel wat van. Of helemaal niks. Dan heb ik het verkeerd aangestuurd. Dat is hetzelfde met een camera, dat je net dat ene knopje vergeet en dan kun je doen wat je wilt, maar als je dat knopje niet vindt: vergeet het maar. 

‘Zo heb ik ooit eens een nieuwe camera teruggestuurd van: hij stelt niet scherp. Veel later toen ik het allemaal wat meer kende -ik wil de camera echt gaan gebruiken, ik zet ‘m gewoon op automaat en hij doet ’t. Maar ik wilde toch er echt wel meer mee gaan doen, al die knopjes gaan benutten. Die camera teruggestuurd, enorme heisa geweest, dat kwam alleen door degenen die het verkochten, dat waren dozenschuivers. En als jij je beroept op garantie dan schelden ze je de huid vol en sturen ze advocaten op je af. Nou ja, dat spelletje heb ik wel gewonnen. Maar later kwam ik erachter dat het dat ene knopje was dat ik zo ingesteld had, waardoor ik dat ene knopje moest gebruiken in plaats van dat andere knopje. Zo leer je er van. 

‘Als die mensen nou anders hadden gereageerd dan waren we er wel uitgekomen. Maar nee, ze hadden geen verstand van zaken.’

 

Nieuw werk

‘Het allernieuwste werk, ik heb een tussenstapje gemaakt, dat is heel veel op AI gebaseerd en op bestaande kunstwerken, van oude bekende kunstenaars waarvan het werk mij aanspreekt. De naam zegt mij soms niets, maar het werk wel, en dat is veel belangrijker. Daar maak ik dan gebruik van. Dan krijg ik dingen die ik mooi vind en misschien anderen ook wel. 

‘Kleur vind ik erg belangrijk, vooral vrolijke kleuren. Maar aan de andere kant ook surrealistische afbeeldingen, dat spreekt me ook erg aan. Heel onwerkelijke dingen, maar de sfeer die erin zit die doet ’t ‘m. Daar ben ik nu mee bezig, als ik tijd krijg. Ik heb gisteren gelukkig een paar uur ongestoord kunnen werken, maar als ik bezig ben en ik krijg een telefoontje tussendoor dan ben ik uit m’n ritme. Ik kan uren doorgaan. Soms moet ik stappen terug doen want dan zat ik op het verkeerde spoor, en dan weer verder. Maar om een werk voor een tweede keer te maken, dat zie ik niet zo zitten. 

‘Dat is nu met de digitale fotografie zo dat als ik het goed opsla, kan ik het zo weer tevoorschijn halen. Maar dat was met analoog: je maakte wat meer afdrukken. Er was er geloof ik eentje besteld, dan maak je er drie, vier ofzo. Maar als je opnieuw zou moeten doen, en dan vooral die afdrukken, want die opnames heb je al, maar ook met afdrukken ben je bezig met doordrukken en tegenhouden. Het soort papier wat je gebruikt is ook belangrijk. Om dat dan weer helemaal terug te halen...’

 

De regel van derden

‘In het begin heb je nog een beeld voor hoe het moet zijn en dan lukt dat wel. Je gooit dan misschien vier of vijf weg, maar nummer zes is goed. En dan ga je door: oh, dat deed ik zo, dan ga je er nog een paar bij doen. Ik heb ideeën en dan doe ik het zo en fotografeer ik dat en dat, en dat wordt dan de foto. Vergeet dat maar, want het licht is verschillend, het contrast is anders, het past niet meer bij elkaar. Het zijn dan echt losse onderdelen. 

‘Maar ja, aan de andere kant heb ik ideeën: dat schip heb ik daar en daar gefotografeerd en, okee, de duinen daar ga ik speciaal de achterkant van doen. En ik heb een reddingsboot toen gefotografeerd en die ga ik uit die foto halen, en ik wil een soort Van Gogh dingetje erbij, dat haal ik uit dat programma. De lucht wil ik hebben, even kijken: in dat programma staan voorbeelden met lucht, daar heb ik wel een goeie en die plak ik daar in en dan kom ik tot een geheel. Maar achteraf denk je: aaarghhh, het ziet er allemaal heel mooi uit, maar je bent éen regel vergeten: de regel van derden. Au. Het is zo, we laten het maar zo, om dat weer opnieuw te doen... Ik kan het wel zo kaderen dat het wel voldoet maar dan moet ik wat opgeven. En daar had ik geen zin in. 

‘Ik ga er niet vanuit dat je aan die regel van derden moet vasthouden, maar als jij een werk hebt en je kunt er geen rustpunt in vinden -dat is de regel van derden- dan is het niet goed. En ik zit daar ook wel eens mee te schipperen: er staat alles op wat ik wil laten zien maar dat rustpunt zit er niet in. 

‘Ik heb wel eens een foto met opzet zo gemaakt, dat je daar horendol van werd, want je kon geen rustpunt vinden. Het perspectief omgedraaid. Dat kan helemaal niet. Als je zo kijkt dan kun je het zo niet zien. Dat vind ik het mooie om zo bezig te zijn. Dan ben je creatief bezig en soms is het een kunstwerk.’

 

Afvallige

‘Ik liet laatst een werk dat ik had gefotografeerd aan iemand zien en die ging het ontleden: dat is dat, wat is dat? Oh, kijk je er zo naar? Dat had ik helemaal niet verwacht. Ik kijk ernaar en zie daar meteen een wolf, al die strepen en dat grijze, maar qua compositie... Iedereen mag erin zien wat die erin ziet. Prima, het maakt niet uit, want ik denk dat niemand het ziet zoals ik het zie. 

‘Er was een serie van de wenssteen met wensen en de titel was “Afvallige”. Iemand die niet meedoet en als oud vuil weggezet wordt. Maar zoals ik werk maak, is niet altijd al vantevoren bepaald wat het is, dat achteraf het verhaal erbij komt. Zoals met dat afval: daar leg ik dan de wenssteen bij en op dat moment bedenk ik wat het is. Iets zo van dat vind ik mooi, wat kan ik daar van maken. Nou dat heb ik dan heel snel van: oh ja, dat is een gevangene in zichzelf. Er zit een verhaal achter, maar soms een verhaal achteraf. Ik heb hier het onderwerp en dat fotografeer ik in verschillende omstandigheden en daar maak ik dan het verhaal bij. 

‘Zo had ik die wenssteen op een plaats gefotografeerd en, ja, allemaal leuk, jongen, maar hier bak je niks van. Je bent leuk bezig geweest, veel werk wat ik niet gebruik. Dan komt het later weer en kan ik daar wat mee doen. Maar op dat moment zie ik niet wat het eindresultaat zal zijn. Ik zie wel dat het me boeit, dit doet me wat als ik het puur zoals het is vast kan leggen en laten zien. Dan ontbreekt er wat, dat is het niet. Maar als onderdeel van anderen kan het een heel mooi beeld zijn. 

‘Zo heb ik net hier in de duinen ook wat gefotografeerd, met m’n telefoon. Ah, juist: die schelp, die moet ik hebben, die ga ik gebruiken en dat zie ik al in m’n hoofd waar die terecht komt. Want ik zocht nog iets ter aanvulling van dat plaatje om het compleet te maken.’

 

Stappen en tussenstappen

‘Toen ik in loondienst fotografeerde, kwam het schilderij in het atelier. Ik stelde twee lampen op, camera, kijken welke, want waar wordt het voor gebruikt. Een simpele lichtmeter dat het goed belicht is. Dat heb je met kleur, dat is allemaal diawerk, dat moet in éen keer goed want dat kun je niet tegenhouden en doordrukken. 

‘Dat gaat nu anders, dat is het mooie. Het is ook ter ontspanning. Alleen af en toe word je opgehouden door de techniek, moet je bepaalde technieken onder de knie krijgen en dan duurt het wat langer. Of je moet op zoek gaan naar een programma die doet wat ik wil. Er zijn meer wegen die naar Rome leiden, dus je kunt het op de ene manier doen maar op een andere manier kun je ook het resultaat krijgen. En in de juiste volgorde, dat is ook belangrijk. 

‘Soms weet ik het eindresultaat nog niet en ben ik op weg daar naartoe en denk ik: dit is het net niet. Maar daar moet ik wel uitkomen dus vijf stappen terug linksaf gaan en weer wat tussenstappen nemen in een andere volgorde en dan kom je er ook. Maar dan is het belangrijk, en wat ik soms vergeet, om zo’n tussenstap vast te leggen want dan kun je teruggaan. Vooral als je met meerdere programmas werkt. Als je met éen programma werkt, kun je met een klikje een stapje teruggaan, maar dat werkt dan niet. Dan moet je kijken in welk stadium je in een overgangsprogramma werkt en dan moet je terug. En die technieken moet je dan ook beheersen en vaak spelenderwijs aanleren. 

‘Ik leer door te doen, niet door een cursus te volgen. Fotoprogrammas zijn op het algemeen gebaseerd op een goede foto als resultaat te leveren. Ik hoef geen goeie foto, ik moet een goed kunstwerk hebben. Ook in het begin: hoe kom ik nou tot zo’n mooi kunstwerk. 

‘Daar kwam ik later achter, want je hoort wel eens wat en je leest wel eens wat, dat ik een fout heb gemaakt en op die fout ben ik voort gaan borduren en daardoor kreeg ik zo’n mooi kunstwerk. Maar ik wist niet dat ik een fout had gemaakt, fotografisch gezien. En daar heb ik dankbaar gebruik van gemaakt. 

 

Fotoprogramma

‘Dus een fotoprogramma moet je me niet leren want als je een goede foto wilt hebben, die heb ik af en toe ook nodig, dan weet ik wel hoe dat moet. Dat is vaak met éen of twee handelingen voldoende: op een knopje drukken, even uitkaderen en je hebt een goede foto. Dat uitkaderen moet ik op het allerlaatste moment doen want ik mis vaak ruimte. Moet ik achteraf randen toevoegen, da’s ook weer een techniek. Wil je iets op linnen afdrukken met een frame, gaat het om de rand heen. 

‘Soms geef ik die randen gewoon een kleur en een andere keer moet ik er randen bijbreien zonder dat je ziet dat dat gedaan is. Wat dat betreft moet ik vantevoren weten wat het eindresultaat gaat worden. Wordt het een foto met een lijst of wordt het op linnen afgedrukt of metaal of perspex dan moet je daar vantevoren rekening mee houden.’

 

Zijn er fotografen of andere kunstenaars die je bewondert?

‘In het verleden, toen ik nog analoog aan het fotograferen was, bewonderde ik Fred van der Elsken. Van andere kunstenaars heb ik niet zo.... ’t Is meer het werk wat ik dan zie. Ik ga weinig naar musea want ik raak niet altijd geïnspireerd, juist het tegenovergestelde. Zo van: het is allemaal al gedaan. 

‘Dat is met fotografie ook zo: als ik het niet heb gefotografeerd, heeft een ander het vast gedaan. Het is allemaal al vastgelegd dus wat moet ik daar nog aan toevoegen. Nu voeg ik er wat aan toe op mijn manier. 

‘Ik heb wat Filipijnse volgers omdat mijn broer daar wat contacten heeft en als ik daar fotos van ze zie, echt, elke foto die ze maken, wordt op facebook gezet. Rustig zo’n zevenentwintig fotos. Dan denk ik: ja, ze weten niet hoe je een reportage maakt, hoe je dat in vijf vakjes vast kunt leggen. 

‘Ik had met dat wildbreien ruim tweehonderd fotos gemaakt. Daar heb ik een selectie uit gemaakt van twintig in eerste instantie en die zou ik verder gaan bekijken. Maar ik laadde ze verkeerd in, in een fotoprogramma en er kwamen er maar tien uit. Dat is ook al veel. Maar je kunt inderdaad zoveel fotos maken dat er tweehonderd zijn. Dat komt omdat ik iets te weinig geduld heb en al op het knopje druk en er dan achter kom, dat er een iets andere compositie moet zijn, een iets andere scherpte. Meestal is het zo dat de eerste of de laatste foto goed is. Er tussenin komt niet zo veel voor. Het is geen filmrolletje, het is gewoon digitaal en dat kun je heel makkelijk weggooien.’

 

Een droom

‘Ik droom er soms van dat er iemand van een galerie wat ziet en het leuk werk vindt: ik wil een tentoonstelling van jouw werk maken. Maar... ja. Als ik overleden ben dan krijg ik een tentoonstelling van m’n werk hahahaa. 

‘Soms heb ik werk gemaakt en dat vind ik mooi maar dan kan ik een paar maanden verder zijn en denk ik: dat vind ik mooi maar dat was een tussenstap. En nu ben ik bezig en dat is waarschijnlijk ook weer een tussenstap. 

‘Ik vind het leuk om die ontwikkeling te zien. Het zou mooi zijn om niet die stappen terug te hoeven doen, hoewel ik nu ook werk uit 2006 zie en denk: hee, simpel maar het heeft iets. 

‘Ik heb een keertje abstract werk gemaakt, m’n vrouw wilde wat abstracts: okee. Dat had ik in tien minuten gemaakt en toen was het een kwestie van achter de computer zitten en een foto bestellen. Maar wat ik toen maakte, was niet zomaar effen in tien minuten gedaan. De foto is zo bewerkt dat ik moet zeggen wat de foto geweest was, en er zijn sommigen bij dat kun je wel tien keer zeggen, maar je ziet het er niet in. Een stukje interieur van een auto en je ziet daar een portret van een robot, dan kun je die link niet leggen. 

‘Het ligt er ook aan welke technieken, dus programmas, ze aanbieden en er op een goede manier gebruik van maken. Soms grijp ik terug naar fotos die tien jaar of nog ouder, die toen uitgebracht zijn. Daar weet ik van: daar zit een module in en die kan ik gebruiken. 

‘Het laatste fotoprogramma dat ik heb die een speciale module heeft. Die gebruik je met macrofotografie want daar is het scherptegebied zo klein dat als je het steeds verlegt en een foto maakt en die fotos allemaal op elkaar, dan krijg een veel grotere scherpte. Dan krijg je het onderwerp helemaal scherp.’ 

 

Techniek

‘Ik hou van techniek; ik heb een technische opleiding gehad. We moesten op een gegeven moment een beroep kiezen, zo ging dat vroeger. En wel een beroep waarin je je brood kunt verdienen. In een boekje kijken, ja, weet ik veel... ja, dat ga ik doen: autotechniek. Automonteurs hebben nog steeds werk dus wat dat betreft was het een goede keus. Als je dan eindigt in een administratieve functie en vooral dingen organiseren, want dat zeiden ze op een gegeven moment in een beroepskeuzetest. 

‘De autotechniek had ik na twee jaar gezien, want de mentaliteit daar voel ik me zo niet bij thuis. Nou, dingen regelen, verkeersagent ofzo werd er gezegd. Toen later nog een test gedaan, een psychologische test, en daar kwam uit: fotograaf, vergeet dat maar. Dat ging ik dus op een gegeven moment wel doen. 

‘Die beroepskeuzetest had ik gedaan toen ik uit militaire dienst kwam. Daarvoor had ik in een garage gewerkt en op een gegeven moment ermee gestopt en vakantiewerk gedaan totdat ik in dienst moest. Dat was wel leuk: studieboeken verzamelen en versturen met vakantiekrachten die allemaal een andere opleiding deden, havo of vwo, en daar voelde ik me heel goed bij thuis. 

‘Nu, decennia later, ben ik met pensioen en kan ik mij bezighouden met die dingen die mij ook voldoening geven. 

‘Mijn werk kent weinig samenhang. Projectmatig werken vraagt discipline, tijd en concentratie. Dat breng ik niet altijd op. Mijn werk is dan ook meestal heel verschillend. Ik maak dát wat op het moment mij boeit. En die onderwerpen hebben vaak weinig met elkaar te maken. Toch probeer ik nu een samenhang in het werk aan te brengen, vooral als het voor een expositie gebruikt wordt. 

 

Website

‘Op mijn website probeer ik dan ook met themas te werken, maar misschien wijzig ik dat weer. Dan denk ik: moet ik het op onderwerp doen of op kleur, of op formaat? Dat zijn ook dingen die mij bezig houden.

‘Om werk te verkopen is verkoopvaardigheid en vooral veel contacten nodig. Helaas is dat iets dat mij niet is gegeven. Mijn voldoening haal ik uit het maken en bedenken van werken. Het toepassen van nieuwe digitale technieken en mijzelf aanleren die toe te passen. De resultaten wil ik graag laten zien in de hoop dat het bij andere mensen iets losmaakt en zij het kunnen waarderen.’

www.harmjonker-digitalekunst.nl

Bovenstaand werk van Harm hangt bij mij thuis. Het heet "Alleen". De leegte, de jongen op de schommel, de windmolen en de overheersende grijze lucht, geven mij een gevoel van eenzaamheid dat het alleen-zijn overschrijdt. Prachtig.

*

Gea Nagel is een kunstenares voor wie ik enorm veel bewondering heb. Ze gaat haar eigen gang en heeft een hele andere kijk op hoe zij haar kunst naar buiten wil brengen. Behalve dit is zij ook als mens een geweldig type. Wat mij bij onze eerste ontmoeting opviel, is haar gevoel voor humor: droog en heerlijk onderkoeld. De beste manier om Gea te omschrijven kan met twee woorden: humor en relativeren. 

Waarom ik haar interview wil plaatsen, is omdat zij meer aandacht verdient. Ze zal het niet opeisen, zo'n mens is zij niet, maar zij verdient het wel. Haar werk steekt met kop en schouders boven dat van anderen uit. Maar het beste kan zij hier zelf over vertellen.

Het interview begon met een verwijzing van Gea naar een verhaaltje van mij waarin ik iets beschreef waarvan wij allebei niet blij worden…

Gea Nagel

Vloeibaar

‘Ik moest zo lachen om jouw verhaal over spinnen. Ik ben zelf ook als de dood voor spinnen. Het is een beetje absurd bij mij. Heb je ook zo’n ding in huis, zo’n grijper? Ik laat het je straks zien. Als de spinnentijd weer komt dan ben ik echt vloeibaar. Ik vind het een verschrikking. Niet in de tuin, daar vind ik het wel meevallen, maar in huis… Nee, ik moet er niks van hebben. Mijn broer werd eens wakker en voelde iets kriebelen. Zat er zo’n spin op z’n arm. Nou, dan heb ik het helemaal niet meer. Ik ben niet bang voor muizen maar spinnen moet ik niks van weten.’

We zitten in de tuin in een prieel, omringd door bloemen en met koffie en zelfgemaakte appeltaart op tafel. Gea’s kat doet pogingen om bij de slagroom te komen.

‘Dinsdagochtend sporten we in het bos en daar is altijd een nachtegaal, tenminste, ik wist niet wat dat was totdat éen van ons het zei. Leuk, dat wist ik helemaal niet. Nooit gehoord. Het is hier altijd wel vrij stil achter. De buren werken en hiernaast wonen mijn kinderen en als die lawaai maken, vind ik het niet erg. De meiden zitten op de trampo en dat vind ik niet zo’n ramp, of die rennen gewoon naar binnen, komen effe lekker langs.’

 

Wat betekent kunst voor jou

‘Kunst. Kunst met een grote K. Nou ja, voor mij… Kunst. Ik moest er nog aan denken, wanneer ben ik er ooit mee begonnen? Ik ben begonnen, dacht ik, toen ik op de lagere school zat. Toen vond ik het al leuk: tekenen, schilderen. En op de mavo had ik een leraar -ik vond het een enge man, hoor, maar achteraf… je bent puber dan, hè- en die zag wel wat in me. Hij zei: je moet er mee doorgaan. En ik dacht: ja, doei. Als jij het zegt, geloof ik het helemaal niet. Beetje een aparte man, maar dat bekijk je door de ogen van een puber.

‘Nou, later ben ik al eens wat meer gaan tekenen en toen dacht ik: ik vind het eigenlijk wel leuk. Ik vond niet dat ik het kon. Nou ja, toen kwamen de kinderen. Ik naaide wel heel veel zelf, breide heel veel -bree, hoe zeg je dat?... breide heel veel zelf en ik heb heel veel gehaakt, ongelooflijk veel gehaakt, genaaid, gebreid. Toen werden de kinderen groter en wilden ze geen eigengemaakte kleren meer en ben ik met opleidingen begonnen. Ik wilde werken, of tenminste, ik werkte al in de verpleging en dan heb je nergens tijd voor. 

‘Ik heb vrij veel opleidingen gedaan en toen ik hier kwam wonen, was ik net veertig en ben ik gaan schilderen bij Irene van der Oest* (kunstenares). Dat was volgens mij in ‘96. Ze gaf les en via via hoorde ik het. Irene heeft een kunstopleiding gedaan en we waren met een groepje vrouwen dus het was heel gezellig. Daar heb ik beginselen geleerd. Toen heb ik nog een cursus antroposofisch schilderen gedaan, dat is met speciale kleuren. Het is eigenlijk meer therapie, want er waren ook vrouwen die zaten te huilen. En ik had zoiets van: nou, ’ns kijken of dit iets voor mij is, of ik hier therapie in kan geven want ik was inmiddels maatschappelijk werker geworden dus dacht dat ik misschien therapie kon geven. Maar ik vond mezelf helemaal niet goed met schilderen dus dacht: ik doe ’t maar niet. Ondertussen bleef ik wel steeds schilderen bij Ireen. 

‘Twee jaar geleden zat ik in de vijfde reorganisatie van m’n werk en toen was ik er klaar mee. Ik was zo klaar met die gezondheidszorg en al die stress en al die overuren en al die personeelstekorten. Ik was meer maatschappelijk werker voor het personeel dan dat ik aan m’n werk toekwam voor al die mensen. Het was echt niet normaal: dan lag die weer in scheiding en was die weer hopeloos ziek en dan was daar… man man man. De goeie daargelaten. In 2014 raakte ik zonder werk. Ik was zorgmanager bij de Hartekamp. Zij gingen reorganiseren en ik ben eruit gegaan want er moesten zoveel zorgmanagers uit. Samen met een hele grote groep moesten we eruit en heb ik overal en nergens gewerkt: bij Evian, bij Wilgaarde… Op de dag dat ik bij Wilgaarde startte, begonnen die net met een reorganisatie, dus twee jaar later stond ik weer buiten. En bij Evian heb ik twee of drie jaar gewerkt. Na twee jaar begonnen hun aan hun vijfde reorganisatie en toen dacht ik, nou ben ik er zo klaar mee. Ik was een beetje op, ook. En toen ben ik in januari gestopt en heb me gelijk opgegeven voor de kunstacademie van Crejat kunstatelier voor september. Nou, dat is nu twee jaar geleden. Toen mocht ik insteken in het derde jaar en toen zat ik daar in het derde jaar en dacht: ja, het derde jaar, maar dat kan ik helemaal niet want ik heb die basis niet gehad hier. Dus ik een mailtje gestuurd naar Bas, Bastiaan, en ik zeg: volgens mij heb je je vergist want ik kan dit helemaal niet. Hij zegt: ik heb jouw werk gezien. Je denkt toch niet dat ik je aanneem in het derde jaar als je het niet kan? Nou ja, dan moet ik maar effe doorzetten. En het was een hartstikke leuk jaar, achteraf gezien. Daarna ging ik naar het academisch jaar, dat was het vierde jaar, en toen ben ik in april gestopt, want ik kreeg een nieuwe heup, dus kon het jaar niet afmaken. Daarom ga ik in september opnieuw en maak het af. Daar heb ik wel van geleerd, hoor.

 

Heb je nu een beetje het besef dat je kunt schilderen?

‘Nee. Ik zeg tegen iedereen: ik rotzooi maar wat an. Peter (echtgenoot) wordt daar wel een beetje boos over. Hij zegt: je moet niet zo stom doen, je kan best leuke dingen maken. Ja, als ik zie wat andere mensen maken, denk ik nog steeds ik rotzooi maar wat aan.’

Zelf ga ik speciaal naar exposities als ik weet dat Gea daar werk heeft hangen. Nadat ik dit aan haar vertel, zegt ze:

‘De expositie in Velsen Zuid was in een hele mooie locatie. Dat was de groep van het academisch jaar. Ik schilder bijna iedere dag, behalve als het heel warm is want dan is het boven ook erg heet, maar normaal gesproken schilder ik veel. Het staat rijen dik op zolder, de dingen die ik maak. Ik ontdek ook wel steeds nieuwe dingen en ik heb van Crejat geleerd: je moet het doek volgen. Dus het doek leert jou wat je moet doen. Bastiaan heeft éen keer ingegrepen bij mij bij het schilderen. Hij zei: nou leg je je kwast neer en stop je. Want ik ga te lang door. Het moet perfect zijn in mijn beleving maar dan wordt het alleen maar slechter. Dus zo heb ik geleerd om het doek te volgen in de zin van kijken wat het doek vraagt.’

 

Realisme

‘We hebben in het derde jaar allerlei stromingen gehad en van elke stroming moest ik een schilderij maken. En op een gegeven moment kwamen we bij het realisme en dat was voor mij echt een dieptepunt. Ik zat te janken in de klas: ik kan helemaal niet realistisch schilderen. Bas zegt: maar wil je het dan? Nee, ik wil het helemaal niet, ik wil helemaal niet realistisch schilderen. Hij zegt: stop er dan ook mee. Want als je dit kan maken -toen wees ie naar een schilderij van mij- dan hoef je helemaal niet realistisch te schilderen, want dat is prima. Nou, dat heb ik dan een beetje losgelaten. Ik kan wel kleine tekeningetjes maken maar echt portretten enzo, nee, dat is niet mijn ding. Ik ga meer voor het abstracte en het figuratieve, voor het ontdekken, voor allerlei dingen. 

‘Ik had een doek dat ik onlangs had afgemaakt op een site gezet van facebook, een site van abstract schilderen. Daar moet je voor aangemeld worden en wat insturen. Dat had ik gedaan en werd toegelaten, en toen kreeg ik 85 likes. Ik zei tegen Peter: moet je nou eens kijken… Dat is grappig, dat mensen dit leuk vinden. Ik heb wel eens wat verkocht ooit. Sommige dingen verkoop ik ook wel. Als mensen het leuk vinden dan is het prima. Het is wel mijn passie dus ik ga er mee door. 

‘Intussen doe ik nu ook een cursus fotografie, hartstikke leuk, bij Hans van der Most. En ook daar kan ik m’n abstractie in kwijt. Je kunt hele leuke abstracte fotos maken en ik denk dat ik me er ook op wil toeleggen. Ik kijk heel vaak op Pinterest. Daar zijn heel veel voorbeelden en soms gebruik ik dat als uitgangspositie en op een gegeven moment als je geen inspiratie hebt, ga ik daar op kijken naar fotos en zie dan iets leuks qua belijning, kleur of sfeer. Dan ga ik daaraan beginnen en wordt het toch weer iets van mezelf, altijd. Ik wil het ook niet naschilderen, dat is niets voor mij. Naschilderen is niet erg, want daar leer je heel veel vaardigheden door, maar het moet wel van jezelf blijven, vind ik.’ 

 

Naschilderen

‘In de tijd dat ik gestopt ben vanwege m’n heupoperatie en wachtend op de nieuwe cursussen in september, heb ik weer bij Irene geschilderd. Maar ik merk dat ik liever alleen schilder. De feedback die ik altijd wel vroeg, dat doe ik niet meer. Ik vraag nog wel eens aan Peter: hoe vind je het vorderen? Maar dat is het. Ik doe het nu veel meer op eigen houtje, ik ontdek veel meer. Door die fotografie cursus ben ik ook gestopt bij Irene omdat ik me meer daarop ga toeleggen. Het was ook meer voor de gezelligheid, hartstikke leuk, zo’n groepje van vijf vrouwen die allemaal zitten na te schilderen. Leuke wijven, hoor, ik kan wel met ze lachen, maar het is niet meer mijn ding. Het is prima zo. 

‘Bij Irene thuis neem je je spulletjes mee, je doeken en dan ga je daar lekker schilderen. Maar ik merkte dat ik rustiger in m’n eentje boven lekker kan schilderen. Dat doe ik soms heel de middag, zeker als het weer slechter is dan ga ik na het eten naar boven en kom ik pas om een uur of vijf, half zes naar beneden. Heel de middag bezig dan heeft Peter ook geen last van mij. Ik ben ook moe daarna, maar ik vind het wel heel erg lekker. Het is wel mijn passie. Nou ja, en de familie heeft al schilderijen van mij. Soms geef ik ook wel eens wat weg en als de kinderen iets mooi vinden, mogen ze het hebben van mij. Bij mijn zoon hangt er eentje van mij van Noorwegen, zo’n mooi plaatje. Maar katjes naschilderen ofzo, nee, niet mijn ding, vind ik moeilijk. Eigenlijk is het niet zozeer moeilijk, maar dan voel ik me zo beperkt. Ik wil die beperking niet want dan zit je vast aan een voorbeeld en kan ik niet mijn eigen ding doen. Ik kan bijvoorbeeld wel een bloem schilderen maar dan doe ik dat met de gedachte: dat is een bloem, en niet: zo moet het eruit zien. Knap als mensen dat kunnen maar ik voel me daar ongeduldig in worden, zelfs rusteloos, van: hou toch op, neem dan een foto als je die bloem wilt.’

 

Andere kunstenaars

‘Toen ik in de zorg werkte, had ik weinig tijd om iets te doen maar schilderde tussendoor wel eens wat. Ik weet nog dat iemand vanuit mijn team een schilderij van mij heeft gekocht. Ik heb dus wel dingen tussendoor gedaan, maar weet je: dan heb je je studie, je hebt je huishouden, je werk -ik werkte 32 uur- dan is de tijd snel op. Dus toen ik met prépensioen ging, dacht ik: dit is m’n kans. Ik had geen zin om heel de tijd thuis te zitten, niks voor mij, dus ik vind het heerlijk daar bij Crejat. Ik kon naar Haarlem, Den Haag en Alkmaar en ik ben een lui mens dus ik dacht ik ga naar Alkmaar. Voor mij makkelijker. Haarlem had ook nog wel gekund. 

‘Ik heb ook nog wel in Utrecht op school gezeten en dan ging ik met de trein omdat ik niet zo’n held ben met de auto naar zulke verre oorden. Op een gegeven moment heb ik wel mensen ontmoet in die kring van kunstenaars. Zo heb ik ook Angela Delsasso (kunstenares) leren kennen. Met Angela doe ik nu samen de workshops en dat gaat hartstikke leuk. Maar waar heb ik haar leren kennen... Ik weet dat Irene haar al kende voordat ik dat deed. Misschien via een expositie waar we elkaar ontmoet hebben, jaren terug. Ik ga het eens vragen aan haar; ik weet het helemaal niet. Jola Brokking (kunstenares) heb ik ontmoet tijdens Ezels en Kwasten** en zo doe je allerlei dingen op. Angela was bevriend met Hannie van Rijn, bij het atelier van Hannie in Beverwijk. Toen zijn zij uit elkaar gegaan en via via heb ik Angela leren kennen. Zoiets was het. Maar hoe we nou tot die workshops zijn gekomen... We hebben het nu allebei druk, ik met m’n fotografie, maar in augustus, september gaan we weer aan de gang.’ 

 

Ontwikkeling

‘Ireen schildert helemaal niet meer. Ze kan prachtig schilderen, schitterend gewoon, en ze kan alle stijlen: portretten, abstract, realistisch, model, ze kan alles. Die heeft echt talent. Ze heeft er geen tijd meer voor, is met heel veel dingen bezig. We zitten altijd met z’n tweeën bij de Kop en dan spoor ik haar wel aan om verder te gaan. Ze had iets op het doek gezet, zei ze, maar heeft het weer weggezet omdat ze geen tijd heeft. Kan ook gebeuren. 

‘Zelf merk ik dat ik wel een ontwikkeling heb doorgemaakt van dingen maken tot nu. En iedere keer ontdek ik weer wat nieuws en dan denk ik weer: ooh, dat is het. Ik vind alles leuk, hè. Geweldig als je zo’n hobby hebt waarin je vanalles kwijt kunt. Ook dat anderen het kunnen waarderen, maar daar doe ik het niet eens voor. Ik doe het omdat ik het leuk vind. Ook doe ik het wel eens met mijn kleindochters, vooral de oudste is vrij creatief, die kan echt leuke dingen maken. De jongste is heel snel klaar, die vergeet dan de kwasten uit te spoelen. Ze zijn twaalf en tien. En mijn kleinzoon is ook tien en die is meer van het sporten.’

 

Zijn er voorbeelden voor jou in de kunstwereld?

‘Er zijn mensen die ik bewonder en dan heb ik het niet over een Rembrandt ofzo. Voor ik het vergeet: mijn oom, de jongste broer van mijn moeder, hij leeft niet meer, niemand leeft meer, hij zat naar een schilderij van mij te kijken in de kamer en zei: dat is toch geen kunst? Rembrandt, dat is pas een kunstenaar. Ik zei: dat is een tijd geleden dat je die ontmoet hebt, ome Geert. Hij vond het maar niks wat ik maakte, hij herkende er niks in. Mensen vinden het moeilijk als ze er niets in herkennen. Als er iets in herkent wordt dan vinden de mensen het vaak mooi. 

‘Wie bewonder ik? Er zijn mensen als ik die op facebook voorbij zie komen dan denk ik: ik wou dat ik zo kon schilderen. Ik kan niet zo goed op namen komen. Ja, Karel Willink, dat is wel een realistische kunstenaar maar in zijn beginjaren niet. Die kan geweldig schilderen. Zo zijn er nog wel een paar. Hoe heet ie ook weer, die heel abstract schildert, de duurste schilder die nog leeft... Ik pak m’n telefoon erbij.’ 

Terwijl ze zoekt naar de duurste schilder, vervolgt ze: ‘Op Pinterest heb ik een eigen map aangemaakt, daar ga ik in kijken. Oh, wie ik ook heel erg mooi vind is Nicola Bennett. Ik heb er een paar van haar opgeslagen. Zij schildert eten en dat doet ze zo ontzettend leuk. Als ik iets mooi vind dan zet ik ’t erin. Later kijk ik ernaar terug; het is voor mij een soort studiemateriaal. 

‘Willem de Koning! Die bedoel ik: geweldig. Hij doet maanden over een schilderij. Die bewonder ik enorm. Ik weet niet of hij nog leeft. En met de opleiding leer je ook allerlei namen en stromingen en van sommige denk ik, nou dat is niet wat ik leuk vind, en het andere is weer prachtig. Dus dat zijn toch wel mensen die hun sporen verdiend hebben in de kunst. 

‘Die Willem de Koning is schatrijk, maar dat zijn wel mensen die met abstractie weten om te gaan en dat is niet zo makkelijk als het eruit ziet. Het moet eruit zien als: dat kan ik ook, maar dat is het dus niet. Dat is wel een beetje mijn streven, dat ik dat op die manier zo wil laten zien. En voor de rest hou ik van kleur en sfeer en belijningen.’

 

Plakken en scheuren

‘Waar ik momenteel bezig ben, dat heb ik uit mezelf per ongeluk ontdekt: behangerstape scheuren, plakken, scheuren, plakken en dan de rest schilderen en er weer afhalen. Scheuren, plakken en dan heb je een prachtige ondergrond. En dan er wel iets op maken en op die manier is het weer een ontdekking voor mezelf. Ik had wat afgeplakt omdat ik iets niet wilde schilderen en toen dacht ik: oh, dat kan je ook scheuren en dacht toen: oh, maar dat is ook leuk. Dat is geweldig, bezig zijn, dus ik heb al een hele dikke rol opgemaakt. En wat ik ook heel leuk vind, ook een zelfontdekking, is dat je heel waterig schildert en huishoudfolie erop plakt en dat trek je eraf, dat je hele mooie resultaten krijgt. De verf droogt, die is heel dun, dan trek je de folie eraf en krijg je hele mooie dingen. Zo heb ik er een in de kamer hangen. Ook met huid, dat je een structuur maakt. Daar ben ik nu wel een beetje klaar mee, want dat heb ik jaren gedaan, en ben nou aan het scheuren. Ik heb m’n scheurperiode. En zo ontdek je steeds meer dingen en dat je denkt dat je het dan daar voor kan gebruiken en dat weer hier voor. Er hangt ook een schilderij aan die muur en daar zit aluminiumfolie op. Die is al oud, maar ik vind experimenteren leuk, leuk om te doen, en daar ben ik veel tijd mee kwijt. En ook al is het niks, ik heb geleerd van Bas dat te accepteren en ermee verder te gaan, niet alles terzijde te schuiven. 

‘Soms maakte ik dingen, die vond ik lelijk en gooide het weg, maar Ireen zei: dat mag je nooit meer doen, want zo leer je niet. Met alles wat je maakt, ga je een ontwikkeling door. Daarin had ze gelijk. Ik heb ook nooit meer iets weggegooid. Bij de kunstuitleen heb ik ook wel eens dingen verkocht, heel goedkoop hoor, maar daar had ik niet eens fotos van. Nu denk ik: ja, waarom heb je dat nooit gedaan dan? Maar dan vond ik het niet belangrijk. En dan werd het verkocht en krijg je het nooit meer terug. Nou ja, daar hebben we allemaal van geleerd. Het kan niet gelijk perfect.’

 

Emotie

‘Kunst is ook emotie; sommige dingen zijn gewoon emotie. Als ik dingen zie van anderen of op Pinterest of op de televisie. Ik heb heel lang ook YouTube filmpjes gekeken van hoe doen mensen nou dingen. Op een gegeven moment moest ik een zelfportret maken. Nou... Toen dacht ik al: ik zit op de verkeerde opleiding. Ik heb het gedaan en ik ben eerst op YouTube gaan kijken om te zien hoe ze dat doen. Ik had nog nooit een zelfportret gemaakt maar ik moest het wel doen want ik moest het inleveren. En het was heel komisch, want met papier en pen ben ik gewoon gaan doen wat zij zeiden. Af en toe was het net een travestiet; ik moest er vreselijk om lachen. Maar je leert er wel weer van. Als je ‘m ook ziet dat zelfportret van mij... Ik heb er ook zo om gelachen, maar ik heb ‘m wel gelaten. Laat maar lekker zitten. En dan moest je ook nog een houtsnede van maken en daarna moest je ‘m afdrukken. Nou nou, ik heb de grootste gein gehad, echt waar. En ik moest nog lachen om mijn kleindochter, want die vond ‘m ook nog mooi. Maar Bastiaan zei: hij lijkt niet, maar hij is wel de beste die geschilderd is. Hij is niet mooi, maar ik vind ‘m prima. 

‘Ik heb ‘m met houtskool en witte verf gemaakt, sjaal erbij, en hij vond ‘m wel grappig. Je leert zoveel technieken en ik heb leuke dingen gedaan daar, en daar krijg je energie van, kun je lekker doorgaan. Dan zie ik hun werk en zij zien mijn werk, we hebben het erover: geweldig. Daar kan ik van genieten hoe anderen dingen maken. Dan vraag ik: hoe doe je dat? Nou, daar en daar mee. 

‘Ik had een walvis gemaakt en toen vroegen zij: hoe doe je dat nou. We moesten een thema maken van een actualiteit die op was gevallen. Dan heb ik al gelijk zoiets van: daar gaan we weer. Maar er was toen een tram geland op een walvis in, ik weet niet meer hoe die plaats heet. En die tram was toen stuk, die bleef er op hangen, en daar heb ik een schilderij van gemaakt. Ik heb ‘m aan m’n broer gegeven. Maar de aderen in de walvis; niemand wist hoe ik dat gedaan had. Eerst wilde ik dat niet vertellen, maar dat heb ik toch maar gedaan. Dat doe je met een föhn met heel dun water, dat stuur je gewoon. Kom er maar eens op. 

‘We moesten ook een alledaagse handeling doen en had ik twee linkerhanden een knoop aannaaien gedaan. Je verzint wat en dan komt er wat uit en dat is echt heel leuk om te maken. In eerste instantie moest ik een portemonnee namaken en ik dacht gatverdamme, dat bestaat al. En toen moest ik een hoek van m’n aanrecht tekenen, vind ik ook niks aan. maar je leert er wel van. Dan een zelfportret, hoe verzint ie ’t. Ik zei: volgens mij ben je hier om mij te treiteren. Maar als je dat niet doet dan leer je er ook niet van. 

‘Ik ben leergevoelig; ik vind het leuk om te leren. Lekker bezig zijn en ik vind mezelf niet echt een kunstenaar ofzo. Ik had een keer geposeerd bij Hannie van Rijn in haar atelier en toen vroeg iemand: wat maakt nou dat je een kunstenaar bent? Nou, zegt Hannie, dat weet ik wel. Dat is als je jezelf kunt bedruipen met je kunst. Ze zegt: ik ben een kunstenaar, ik kan er van leven. Ja, als ik ervan moet leven, was dit het alleen. Ik meng me nooit in dat soort discussies. Van de week was er iemand -ik doe de planning voor de workshops van Ezels en Kwasten- die zei: ik voel me geen kunstenaar. En ik zei: dat maakt niet uit, dat is helemaal niet nodig. Als jij een leuke workshop wilt geven dan geef je een leuke workshop. Als het aanslaat bij mensen dan ben je toch blij? 

‘Ik heb ook wel eens een keer een dingetje verkocht met Ezels en Kwasten bij de veiling. En toen vroeg die mevrouw mij: u bent toch wel echt een kunstenaar? Toen dacht ik: ja, koop je het anders niet, dan? Ik zei: nou ja, ik heb het gemaakt, dus klaar. Vindt u het mooi? Ja, ik vind het heel mooi. Nou, klaar. Dus ja: kunstenaar... Ik vind misschien dat als je de kunstacademie hebt gedaan, afgestudeerd bent... ik weet het niet.’

 

Workshop

‘Pasgeleden zaten Ireen en ik in de Kop en kwam er een echtpaar uit Duitsland dat Engels sprak. Ze wilden een workshop volgen van Angela en mij. Maar we zijn er nu mee gestopt en pakken het weer op in augustus, september. Grappig, hè? Komen ze helemaal uit Duitsland om een workshop te volgen. Er kwamen ook nog twee dames uit het Gooi. Ik vraag altijd aan iedereen: waar kom je vandaan? Uit het Gooi. Is hier ook een Spar in de buurt? Ja, dan moet u zo en zo. Kwam die andere binnen, ik zeg: u zoekt ook een Spar? Ach, maar het is wel leuk om daar te zitten.’

 

De grijper

‘Kijk, ken je die? Dat is een spin grijper. Je pakt de spin zo op, die zit er dan in, en dan zet je ‘m zo buiten. Van Irene gekregen want die wist dat ik heel bang was voor spinnen. Ik weet niet waar ze het vandaan heeft maar sinds die tijd durf ik het wel, hè, Peet?’

‘Ja, zo’n kleintje durf je wel, maar zo’n grote zwartloper vind je nog steeds niks.’

‘Daar krijg ik nou alweer kippenvel van, dat lukt toch nog steeds niet.’

‘Die kleintjes pakt ze gelukkig zelf. Het is altijd als ik net in slaap ben gevallen: Peeeeet! Dan word je wakker met een hartslag van 250.’

‘Ja, als ik weet dat dat ding niet weg is dan ga ik niet m’n bed in.’

Terug naar de kunst zegt Peter:

‘Ze is altijd al heel artistiek geweest. Vroeger maakte ze kleren voor de kinderen en dat is toch een uiting van zoiets. En op de basisschool kreeg ze van een leraar te horen, dat ze naar een tekenacademie moest.’

‘Dat was de mavo’, merkt Gea op. ‘Ik was toen een puber en dacht doei. Ik vond al die mannen maar raar. Daar was ook nog een leraar scheikunde die zei daar moet je mee doorgaan. Ik vond het een enge man. Hij zei: je moet medisch analist worden, daar ben je gewoon een heel goed type voor. Toen dacht ik: dat doen we maar niet en ik ben dus maatschappelijk werker geworden. Zo gaat dat in het leven. 

‘Ik kom nu ook te hangen in de Etalage Kunstroute. Dat had hoeheetzeook weer opgezet. Namen, verschrikkelijk als je over de 60 bent. Ik kan haar zo uittekenen... Joke, Joke Breeveld heet ze. Zij had het opgezet en elk restaurant of winkel in Heemskerk gaat zometeen in de etalage kunst zetten.’

We gaan naar haar atelier in de zolderkamer, vol met schilderijen en lijsten.

‘Het is hier bloedheet. Erg warm. Al mijn schilderijen staan hier. Ik hou wel van zooi. Het is een heerlijk hokkie en als het heel warm is dan doe ik het scherm naar beneden. Het is alleen niet het juiste licht, maar het is lekker zoals het is. De kamer is precies op het zuiden en eigenlijk moet je een kamer op het noorden hebben. 

‘Ik kreeg van een mevrouw, die had een handgeschilderde schelp van mij gekocht in de Kop, een mailtje: ik heb je gezocht op Instagram, daarop kon ik je niet vinden, dus stuur ik je een mail. Had ze fotos van die schelp gemaakt op het strand. Zo schattig. Het is leuk om ze te schilderen, maar ik ben er nu wel een beetje klaar mee met al die schelpen. Het zijn er nou zo veel. In die mand zitten ook nog schelpen, kan ik ook nog maken. Op een gegeven moment was ik een beetje klaar met die découpage en toen dacht ik: het is ook leuk om ze zelf te schilderen met kleine dingetjes erin. Daarin kun je je ook nog ontwikkelen. Een bootje, grappig, vuurtorentje, bloemetje, je probeert het toch een beetje op de kust te houden. Deze vind ik leuk, Terschelling, de Brandaris. Soms zit er eentje tussen dan denk ik, dan maar wat minder. Of ik zeg tegen m’n kleindochter: je vindt ‘m leuk? Neem maar mee. En zo klodder ik een end heen en maak vanalles en nog wat. 

‘Ik barst van de schilderijen, boven en beneden. Dit zijn oude werken maar die laat ik staan, en twee hele grote. Die kun je niet in de kamer hebben want die zijn veel te zwaar. Die zakken naar beneden. Jammer. En soms ga ik ook weer over schilderijen heen. 

‘Als ik werk, sta ik meestal. Ik maak ook veel op papier. Af en toe ruim ik nog wel eens op. Laatst nog de tafel leeggehaald en dan ga ik een beetje zuigen en opruimen. Voor je het weet, staat ie alweer vol. Soms heb ik een schilderij en denk ik: zal ik ‘m als ondergrond gebruiken of zal ik er nog wat mee doen? Dan laat ik ‘m maar even staan. 

‘Ik had laatst een schilderij die ik van een ander had gekregen. Daar ga ik dan eerst met gesso overheen en die heeft een rand die gemaakt is en laat ik dus maar zitten. Er zaten figuren op, van die halma poppetjes, heel simpel, en die zie je er nog doorheen. Ik heb ook een schilderij waarop ik een ondergrond heb gemaakt en daarop vogels. Die heb ik nagetekend, ze zijn mooi, maar het is wel jammer want ik kan verder niets met dat schilderij. Die gaat dus nergens heen en wordt weer opnieuw gemaakt. Want je kunt er niks mee. Angela vond ‘m wel leuk, maar ik zei: ik kan er niks mee, want hij is niet van mij. Die vogels komen niet uit mij. 

‘Ik heb zoveel schilderijen waar ik tig keer overheen ga. Dit is de vuilnis en de zee, een boot en de wal. Dat was in een periode dat ik me daaraan heel erg stoorde. Hij is heel oud maar ik heb ‘m nog niet overgeschilderd. Misschien ooit een keer. En zo heb ik heel veel van die dingen.’

 

Kringloop

‘Ik koop ook doeken op de kringloop en krijg ook heel veel. Ze hebben het bij de kringloop nu wel door want het is niet meer zo goedkoop. Maar ik hou wel van kleur. Voor de rest probeer ik af en toe wat. Er staat ook veel oud spul toen ik nog dingen achter glas maakte. Dat zou ik nu ook niet meer doen.

‘Irene heeft een schilderij voor me gemaakt toen ik 50 werd, 2006. Ze kan fantastisch schilderen en het lijkt ook nog: dat is Peter en dat ben ik. Irene is een leuke schildersvriendin, een mooi mens.

 

*Irene van der Oest is een kunstenares uit Heemskerk. Ook zij heeft een heel eigen manier van werken en ik heb er eeuwig spijt van dat ik geen interview met haar heb gedaan. Was dit wel het geval geweest dan was ook zij in deze illustere rij terecht gekomen.

**Ezels en Kwasten is een jaarlijks terugkerend kunstfeest in Wijk aan Zee waaraan kunstenaars na inschrijving kunnen deelnemen. Het duurt tien dagen en vindt in de regel in mei plaats.

De Kop betreft de Kunst OntmoetingsPlek in Wijk aan Zee, de kunstwinkel en expo ruimte van het dorp.

*

Hanna Looye. Er valt zo veel te vertellen over deze kunstenares, maar het is beter om haarzelf aan het woord te laten.

Zodra wij voor het interview tegenover elkaar zaten in De Oude Keuken in Castricum en het woord "kunst" viel, kwam de passie in haar blik. Zij leeft voor haar kunst en haar kennis van het door haar gekozen vak gaat heel diep. Ik kende haar van een project dat zij eerder in Wijk aan Zee deed en waarvoor ik een korte interview maakte voor het dorpskrantje. Toen het idee bij mij opkwam om kunstenaars te laten praten, schoot zij meteen mijn gedachten binnen. En ik ben blij dat zij toezegde om eraan mee te willen werken.

Het gesprek met Hanna is mij altijd bijgebleven. Ook bij het teruglezen ervan, voelde ik hernieuwd de warmte die zij voor het onderwerp kunst heeft.

 

Hanna Looye

Wat betekent kunst voor jou?

‘Kunst doet me zoveel en meestal als ik erover begin met mensen die niet kunstenaar zijn, dan zitten ze van: okee, je wordt nu wel heel erg gepassioneerd. Voor mij is kunst... Het mooiste verhaal vind ik eigenlijk van mijn moeder. Mijn moeder is ook kunstenaar. Zij is opgegroeid in Rotterdam en toen zij voor het eerst naar Boymans ging en daar het werk zag, was voor haar het idee, dat de wereld niet compleet gek is. Je bent tiener en je snapt het niet meer, jaren ’60, major generatiebreuk met haar ouders, en dat ze echt zoekt naar dingen met zingeving. En puur het feit dat iemand de werkelijkheid schildert op een manier die jij voelt: nu heeft het zin, ik ben niet alleen. Ik denk dat ik dat ook wel heel erg mooi vind wat een bekende acteur laatst zei: in het dagelijks leven heb je niet echt kunst of gedichten of boeken nodig, maar op het moment dat jouw vader overlijdt of dat jij met liefdesverdriet zit, vraag je je af: ben ik nou de enige die zich zo voelt? En dan wordt kunst relevant, dan wordt kunst belangrijk.

‘Kunst is een manier dat iemand anders jou laat zien: zo ga ik om met mijn emoties of zo kan je omgaan met jouw ideeën of met jouw visie naar de wereld. En het hoeft niet eens mooi te zijn of gezellig of fijn. Ik bedoel Bacon of Lucian Freud zijn niet bepaald verfijnd. Hun schilderen is heel erg vlezig, heel pijnlijk. Het is rauw, maar het is nog steeds draaglijk en mooi. Dit onderdeel van het leven hoort er ook bij. Ik denk dat goede kunst is, verschillende facetten van het leven zien en dat je gezien wordt, het neemt je mee.

‘Als we het houden op mijn vakgebied is kunst als brood: ik heb het gewoon nodig, iedereen heeft het nodig, denk ik, in meer of mindere mate. Maar ook goed brood. Als je ooit eens een keer een echt baguette van een Franse bakker hebt gegeten dan wil je geen fabrieksbrood meer. Als je het geld hebt, wil je niet meer fabrieksbrood. Daarom kan ik ook zo ontiegelijk pissig worden als mensen met troep aankomen en roepen: het is kunst. Dat vind ik hetzelfde als mensen laten honger lijden. Ik weet dat men denkt: nou, zo heftig is dat ook weer niet, maar ik heb zoiets dat ik het verschrikkelijk vind. Wat ik het erge daaraan vind, is bij kunst als je vindt dat het echt niet te eten is, dat ze zeggen: maar dan snap je het niet. Een echte kunstliefhebber snapt dit. Dan mag je van mijn part van de berg afgeduwd worden, want dan ben je echt verschrikkelijk naar.’

 

De liefde van het spel

‘Omdat kunst op z’n best zo ontiegelijk voedend kan zijn en je het gevoel kan geven dat je niet alleen bent, dat je onderdeel bent van een groot geheel en dat het leven de moeite waard is, dat is kunst op z’n best. En daarnaast, de laatste tijd is er zo ontiegelijk veel gebeurd met werk door AI dat je zegt: is dat dan kunst? Je zou kunnen zeggen dat vanuit de consument gezien, degene die het ziet, zou je zeker kunnen beargumenteren dat dat kunst is, want het is echt mooi en het doet wat met je. Voor de maker is het niet kunst, want het is een beetje hetzelfde als zeggen dat de jongen die op zijn computer een voetbalwedstrijd speelt hetzelfde is als iemand die voetbalt. Dat is niet zo. Als tekenaar, schilder, beeldhouwer, dat soort dingen, heb je joy en de liefde van het spel, van het doen, van het jouw idee proberen zo goed mogelijk neer te zetten. Jouw tools zijn jouw hersens en jouw handen en dan is het maar hopen dat het maar enigszins in de buurt komt van wat je wilt. En de lol van het vakmanschap, dat is iets dat je iedereen gunt.

‘Ik heb ook werken van autodidacten hangen, die vind ik mooi en het is ook om mezelf eraan te herinneren dat techniek niet alles is. 

‘Vroeger was kunst het meesterwerk, het ding waarmee je afstudeerde bij de gilde en je meester kon worden. Wat ik heel erg leuk vind aan bepaalde schilderijen of een bepaald werk, iets dat je waarschijnlijk niet ziet als je niet zelf schildert of tekent, is dat ik zie: oh, dat is echt heel anders aangepakt, zit technisch heel goed in elkaar. Dat is ook leren van een ander van hoe breng jij je emoties over. Ik denk dat het uitmaakt dat, als je naar een voetbalwedstrijd kijkt, of je zelf voetbalt of niet. Ik denk dat er ook ergens zo iets is bij mensen die proberen hun geld ermee te verdienen, dat ze eigenlijk proberen te zeggen: luister, ik hoop dat ik lang genoeg heb getekend of geschilderd of gebeeldhouwd, dat ik helder ideeën kan overbrengen die communiceren, die mensen raken en voeden. Dat is wat ik wil. En dat je zoiets hebt van: dit wil ik in mijn huis, dit wil ik hebben, dit wil ik in mijn leven. Dat is, denk ik, mijn streven als kunstenaar.’

 

Kunstacademie

‘De reden waarom ik striptekenen ben gaan doen, is omdat in mijn ogen qua tekenen bij striptekenen een paar van de beste tekenaars zitten. Ik vind ze echt heel erg goed. De meeste ontwikkeling op dit moment is in animatie, dankzij Pixar enzo en in striptekenen. Ik beken dat ik niet voldoende weet van de hedendaagse graffiti kunstenaars of de klassiek getrainde portretschilders om te zeggen wie daar goed is en wie niet. Daarin speelt persoonlijke smaak ook een rol. Ik kan me helaas niet verdiepen in alle disciplines binnen de beeldende kunst.

‘Ik heb eerst de kunstacademie gedaan, de klassieke kunstacademie, en daar krijg je heel erg veel hele goede portretten te zien, dat je denkt: ja, dat is leuk, maar wat vertelt het mij nou en wat doet het me nou eigenlijk. Voor mij is het belangrijker dat een werk communiceert dan dat het heel erg mooi is. Want als je het niet hoort, wat voor zin heeft het dan dat die boom in het bos valt? 

‘Mijn moeder was kunstenaar, kostuumontwerpster en schilder, en mijn vader is architect, dus wij hadden boekenkasten vol met kunstboeken. Maar de eerste schilderijen en tekeningen die mij echt raakten, waren de kinderboekentekeningen, de illustraties van Winnie de Pooh, Brammert en Tissie en Moem. Alle andere kunstwerken die ik zag, deden me gewoon minder. Ik bedoel, dankzij mijn ouders ken ik de kunstgeschiedenis beter dan gemiddeld. En ik heb cultureel antropologie gestudeerd, gespecialiseerd in niet-westerse kunst. Dus ik heb kunstwerken gezocht buiten Europa. 

‘Een achtjarige die voor het eerst een boek heeft waar die over- en overnieuw in kan kijken, die plaatjes, dat gevoel. Dat je elke keer denkt: mag ik heel even in dit wereldje zijn, ik wil hier eigenlijk niet weg. Als het mij lukt een paar werken te maken die dat sfeertje oproept en volwassenen -want ik denk dat de beste kinderboeken tekeningen voor volwassenen en kinderen zijn-, als mij dat lukt dan ben ik goed, dan ben ik klaar, dan heb ik gehaald wat ik wil halen. Ik hoef niet per sé populair te zijn of dat soort dingen, maar ik zou wel iemand dat wereldje willen geven, al is het maar éen kind.’

 

Striptekenen

‘Sempé (Le Petit Nicolas), dat is bijna meer een illustrator maar dat sfeertje vind ik geweldig. Ik vind Hanco Kolk (Single) met wat hij kan doen met éen lijn, briljant. Maaike Hartjes (haar stripjes) vind ik heel schattig in haar kleur, en haar vlakverdeling en compositie vind ik heel goed. Bill Waterson (Calvin en Hobbes).

‘En dan een niveautje hoger: Moebius (Incal). Moebius heeft o.a. Incal getekend en Captain Blueberry. Ravian is van een tijdreiziger en is een vriend van Moebius. Grzegorz Rosinski (Thorgal): briljant getekend. Ik denk niet dat ik dat ooit kan en snap niet hoe iemand dat doet. Ook Franz (Broughe) en Jean-Claude Mézières (Ravian).

‘Laatst heb ik een tekenaar gevonden uit de jaren ’80 die de meest gave grafische werken maakt. Maar je hebt nu een paar tekenaars bij DC en bij Marvel die de meest briljante dingen doen. Je hebt Mr Fantastic: briljant. Ik ben niet heel erg van Batman. Jim Lee is heel erg goed maar het pakt me minder. Ik zie ze allemaal voor me, en er zitten een paar zo goeie bij, dat zie je gewoon in hun tekeningen, en die hebben het menselijk lichaam tot in de finesse door. De charme van Hanco Kolk is, dat de boodschap belangrijker is dan de techniek, het overbrengen van wat hij wil vertellen, staat als een huis. Maar als je het dan hebt over de geniale tekenaars dan heb je het over Moebius en Rosinski, en de striptekenaars die nu werken voor Marvel en DC. Dan merk je toch wel dat dat zijn de hele goeie.’

 

Animé

‘Ik ben nu met m’n kinderen in animé beland en dat is heel erg leuk. Met mijn jongste van 9 ben ik nu Dragonball Z aan het kijken tot we het allebei niet meer trokken omdat het zo tergend langzaam gaat en niemand iets doet. Het gave is, dat het veel dynamischer is dan Europese strips. Amerikaanse strips gingen heel erg vanuit de illustratie naar de strip en hebben op een bepaald moment de dynamiek overgenomen van de Japanse strips, de animé. De animé heeft veel meer van verkorting en dynamiek en de handen zijn steengoed getekend. De koppies lijken nergens op -in die zin zijn de Europese strips veel beter- maar de handen... Iemand vertelde mij dat als jij een portret hebt, heb je eigenlijk een portret van het gezicht en de handen, want de handen vertellen ontiegelijk veel. Het maakt dus niet zo veel uit wat het gezicht zegt, en blijkbaar kun je de neus helemaal weghalen, maar de handen moeten realistisch zijn. In animé heb ik nu Demon Slayer. Ik zou wel willen, maar ik kan niet tegen horror. Werken die ik heel erg goed vind maar waarvan ik denk dat de boodschap te negatief is, te eng, dat kan ik niet, dan word ik te emotioneel. Ik zou er dus ook niks zinvols over zeggen.’

 

Studie

‘Ik wou altijd al schilder worden, of tekenaar, maar mijn ouders hadden allebei zoiets van: je kan er geen droog brood mee verdienen en je bent slim dus ga de universiteit doen. Toen heb ik een studie gekozen waarmee je ook geen droog brood kan verdienen: culturele antropologie. Dat is de studie van niet-westerse samenleving. Het is eigenlijk een studie geënt op het colonialisme, van: laten we de plaatselijke bevolking kennen dan kunnen we die beter in het gareel houden. Het is eigenlijk een soort zwaar uitgebreide onderzoeksjournalistiek wat je daar deed. Maar kunst bleef me boeien. Als ik tijd over had, ging ik zelf naar de kunstgeschiedenis afdelingen en kunstboeken doornemen. Toen heb ik een onderzoek gedaan naar kunstenaars die opgegroeid zijn in de Sovjet Unie, want ergens hoopte ik toch dat er techniek geleerd kon worden. Mijn ouders hadden namelijk zoiets van: je kan geen techniek leren op de academie, waar ik het mee eens ben, want op de gemiddeld academie in Nederland leer je gewoon geen techniek. Maar waar dan wel? Toen heb ik Sovjet kunstenaars onderzocht die vanaf hun twaalfde echt met een rigoreuze technische opleiding bezig waren en die na de val van de muur naar Europa zijn gegaan en hier fulltime werk konden vinden. En de confrontatie met het feit dat kunst en smaak niet universeel zijn en wat zij hadden geleerd, was uit en niet relevant in de Nederlandse kunstwereld. En hoe je daar dan mee omgaat en waar jouw identiteit als kunstenaar dan op gestoeld is. En terwijl ik onderzoek deed, dacht ik alleen maar: ik wil dit ook, ik wil dit ook. Dus toen ik klaar was met mijn studie, scriptie geschreven, mocht ik van mezelf naar de kunstacademie. 

‘Je hebt een privé academie in Amsterdam, de Wackers Academie en daar leer je nog echt techniek. Twee jaar alleen maar met houtskool, alleen maar portretten, alleen maar modellen, alleen maar dit en dat. Ik was heel erg gelukkig daar. Bij de universiteit had ik altijd het idee dat ik zat te bluffen en ik snapte niet waarom ik een 8 had en ik snapte ook niet waarom ik een 5 had. Ik snapte niet wat ik deed. Ik kwam er mee weg, maar ik snapte het niet echt. Op het moment dat ik papier en potlood had, papier en houtskool, en iemand zei je moet dit en dit doen, snapte ik het ook, en ik snapte wat ik fout deed. Dat was voor mij zo fijn: dit snap ik, dit kan ik.

‘Voor mij is muziek een compleet ver van m’n bed show. Nooit een muziek instrument in handen gekregen, ik weet niet hoe dat werkt. Maar tekenen weet ik. Dus toen zat ik op de academie en kreeg ik mijn oudste, in de veronderstelling dat ik dat er wel naast kon doen, maar dat bleek niet zo te zijn. Dus ben ik gaan striptekenen uit pure wanhoop. Ik was bezig met schilderijen van olieverf waar ik 4 uur aan kon wijden. In mijn studio hangt een olieverfportret van een dame die uit kijkt, dat is academiewerk en dat kon niet meer. Maar ik moest wat, want er zit toch een redelijke verslavingsfactor aan tekenen. Ik denk dat de beste tekenaars een zooitje workaholics zijn. Nu ben ik minimaal twee uur per dag aan het tekenen en het liefst teken ik de hele dag. Toen ben ik gaan striptekenen om m’n frustraties op een grappige manier uit te beelden en omdat ik zelf al een enorme collectie had van strips, ben ik gaan kijken hoe het precies in elkaar zit. En toen realiseerde ik me hoe ontiegelijk steengoed striptekenen kon zijn en ben ik het zelf serieuzer gaan nemen.’

 

De Tuinman en de Dood

‘Laatst heb ik voor de lol een strip gemaakt van De Tuinman en de Dood, een gedicht uit 1900. Dat heb ik verstript. Ik heb een tijd strips gemaakt en heb ze aan de man geprobeerd te brengen, maar moet bekennen dat ik daar niet goed ik ben. Ik vind het verschrikkelijk, probeer het uit te stellen en ben heel erg blij met social media. Het is makkelijk om mezelf bij de nekharen te pakken en te zeggen: je moet dagelijks posten. Elke keer als ik iets af heb en denk dat is goed, stuur ik het op en dan... Maar zo gaat het: ze krijgen duizenden manuscripten per dag binnen dus ik neem het ze niet kwalijk. Ik moet zeggen dat hoe langer ik het doe, hoe makkelijker het is om weer op te staan en door te gaan.

‘In het begin, net klaar met de academie, had ik voor iemand een boek geïllustreerd, een paar prenten voor een boek voor m’n neefje. Hij wilde graag een broertje of een zusje en dat lukte maar niet. En dat heb ik opgestuurd naar een uitgeverij en daarmee heb ik een wedstrijd gewonnen. Ik dacht -dat was 9 jaar geleden: nu begint het. Ik mocht met behulp van een editor heel het boek uitmaken en toen het klaar was, zeiden ze: we doen het toch niet. Ik had er een jaar werk in gestopt. Eigenlijk had ik achteraf misschien moeten zeggen: prima, kan gebeuren, op naar de volgende. Maar ik was helemaal... Dat is iets wat je moet leren, in die zin eelt krijgen, want het is niet persoonlijk. Uiteindelijk denk ik dat het de mensen zijn die het meest aan de deuren kloppen en zeggen: geef me een kans en ik wil iets proberen. Je komt er niet alleen. Het is  mij nog niet gelukt om officieel uitgegeven te worden, maar ik vind het belangrijk om te doen. Het is voor mij in ieder geval een remedie tegen mijn perfectionisme. Als ik blijf denken: als ik nou de perfecte tekening maak, het perfecte schilderij, dan word ik wel uitgegeven, maar zo werkt dat niet. Andy Warhol zei: de enige reden waarom ik bekend ben geworden, is omdat ik naar elk feestje in New York ging. Iemand zei ook: werk verkopen is 70% acquisitie en 30% productie.’

 

Lesgeven

‘Los van de droom van iemand te kunnen raken, iets te bieden wat ik heb gekregen van kunst met mijn werk, vind ik dat als ik les geef ik dat ook moet blijven proberen voor mijn leerlingen. Ik ben het niet met de boodschap eens, dat je geen droog brood kan verdienen met kunst. Er is een behoefte aan, alleen is het aanbod vele malen groter dan de vraag. Wat mij ook verbaast, en dat is goed om te weten want dat haalt ook een beetje de druk eraf: een hoop mensen zien het niet. Collegas weten dat er een verschil van jaren werk, dat er jaren oefenen zit tussen een 8 en een 9. De meeste mensen zullen dat niet zien, net zoals ik dat niet bij een muziekstuk kan horen. Van een 4 naar een 5 dat lukt in een paar maanden, ook van een 5 naar een 6. Maar van een 8 naar een 9 duurt jaren. 

‘Ik vind het zo interessant als mensen mijn werk kopen of zien, dat het niet eens gaat om techniek, terwijl voor mij het hebben van techniek of het oefenen in techniek ervoor zorgt dat ik nu meer kan tekenen dan vroeger. Het is nu makkelijker een idee neerzetten en kijken of het werkt omdat ik zo ontiegelijk veel teken. Maar voor de kijker maakt die techniek niet zoveel uit, want daar gaat het niet om. Het gaat erom dat je de grap waardeert en dat het je persoonlijk iets doet, en je hebt heel weinig nodig dat het persoonlijk iets met je doet. Dus uiteindelijk ga je voor techniek en beter worden en groeien, en dat dit vooral bedoeld is voor je eigen arsenaal zodat je meer kan, maar niet per sé omdat je daarmee gelauwerd gaat worden, of gezien, of uitgegeven.

‘Er wordt beweerd dat je een kunstenaar definieert door wat die verkoopt. Daar ben ik het niet mee eens. Het zijn niet de goeie kunstenaars per sé die verkopen. Waar ik mezelf voor probeer te hoeden, is dat je niet die eenzame ziel bent die in z’n kamertje zit en zegt: niemand begrijpt mij, maar ik ben een kunstenaar. Ik heb wel heel erg veel baat bij het feit dat ik een hele goeie collega heb die trouwens prima verdient maar ook heel goed werk maakt. Mijn zus en mijn moeder, als ik werk laat zien, zeggen zij: dit is goed en dit is niet goed. En dat heb je nodig. Ik denk dat het, op de Lucian Freuds of de Picassos na, die ontiegelijke narcisten zijn, voor de meeste mensen gezond is om niet een eenzame stem te zijn met wat je wilt communiceren. Dat je schoonmoeder zegt “oh, wat mooi” is lief, maar dat stelt veel minder voor dan als een collega dat zegt. Dat is anders. Kijk, je schoonmoeder of moeder vindt alles geweldig. Mijn moeder dus niet want die is kunstenaar en die zal eerlijk zijn, die kijkt anders. Voor mij is dat belangrijker dan wel of niet geld verdienen, dat kan ik ook wel in het lesgeven. 

‘Ik vind het belangrijk om les te geven, echt belangrijk. Ik weet nog dat ik de frustratie had van: ik weet dat ik beter kan en niemand kan mij uitleggen hoe, zelfs mijn moeder niet. Ook zij kon mij niet uitleggen hoe het werkt met anatomie, met compositie, met donker en licht. En ik vind het geweldig. Het maakt niet uit hoe oud je bent, want ik geef vanaf 8 tot en met 90 les. Het is geweldig als ik bij mensen de realisatie zie dagen van: oh, ik kan het wel. Ik kan mijn ideeën op papier zetten, ik kan iets maken wat mooi is, wat fijn is om naar te kijken en waar mensen blij van worden. Dan heb je je doel bereikt en ben je klaar. 

‘Als ik iets wil, is dat mensen leren op school dat talent niet relevant is. Talent heb je ook niet nodig om te leren rekenen en ik vind dat tekenen aardig in de buurt komt van rekenen of taal. En dat iedereen creatief is. Ik heb nog niemand ontmoet die niet creatief is, alleen ze gebruiken hun creativiteit heel erg toegespitst of hebben ze het nooit getraind. Eigenlijk is in mijn ogen creativiteit niets meer dan: je neemt twee dingen en je probeert er een combinatie van te maken, en dat is het. Dus als dit wordt geleerd, is de wereld een betere plek.’

 

Bewondering

‘Er is een Italiaanse illustrator en toen ik haar werk zag, had ik echt zo iets van: bloody hell, dit is briljant. Zij heeft Soep voor Haas gemaakt en heeft een hele moeilijke Italiaanse naam, Mariachiari Di Giorgio. Het is een combinatie tussen aquarel en gacha met een vormtaal die realistisch is en tegelijkertijd cartoonesk. Die is echt heel goed. Als we het hebben over werk dat mij kan voeden, kan ik altijd naar Sempé kijken, daar word ik heel erg blij van. Calvin en Hobbs kijk ik heel erg vaak in, ik heb ze allemaal en dat blijft geniaal. 

‘Ik zit nu youtube filmpjes te kijken van hoe geef je les en dat soort dingen. De meeste Amerikanen hebben zoiets dat, als het gaat om het hoogtepunt van realistische kunst, is in hun ogen Singer Sargent de top. Norman Rockwell vind ik ook heel erg leuk om naar te kijken en Leidekker. Dat zijn allemaal kunstenaars die ik via het internet heb leren kennen, illustratoren -John Singer Sargent is een schilder. En dan heb ik zoiets van: ja, leuk, jullie Amerikanen die een geschiedenis hebben die niet ouder is dan 400 jaar, maar hebben jullie ooit wel eens Velasquez goed bestudeerd? Hebben jullie ooit wel eens Van Dyck goed bestudeerd toen hij werkte aan het Engelse hof? Holbein is zooo mooi, zo subtiel en zo gevoelig en ik heb een boek met al het werk van Hokusai uit Japan. En het gave is ook dat als je kijkt naar zijn tijdgenoten, Hiroshige enzo, dat je denkt: het is leuk, maar het is geen Hokusai. Hokusai is net effen een stapje meer, een stapje beter. En Van Gogh, maar dan vind ik van Van Gogh eigenlijk zijn pentekeningen op dit moment leuker dan zijn schilderijen. Maar zijn kleurgebruik is fenomenaal. Ik vind Toulouse Lautrec in zijn lijnvoering geniaal, het gebruik van kleur van Degas prachtig, ik vind het verstilde realisme van Manet heel mooi. 

‘Van de hedendaagse kunst... Je hebt een Amerikaan en die maakt de verrukkelijkste taartjes: Wayne Thiebaud. Hij schildert ze en dan denk je: zet mij daar maar neer. Ik denk dat Mariachiari Di Giorgio een goede balans heeft gevonden tussen de joie de vivre die ik zie in het werk van Sempé en zijn stijlgenoten en figuratieve kunst a la dat van Wayne Thiebaud. Brammert en Tissie valt daar ook onder, die losheid. 

‘En de liefde en de details van realistische kunst. Je hebt Kalf die 17e eeuwse stillevens schilderde waar je de liefde voor het product er van af ziet springen, zo mooi. Je ziet ook meer, ook een liefde voor kleur. Als je dat hebt, de losheid en het gemak van een lijn a la Sempé, Brammert en Tissie, en een kleurgebruik meer naar het realisme, de viering van de diversiteit aan kleur en dan proberen ook nog eens te kijken of het lukt qua compositie, licht en donker, en daar éen geheel van maakt, dat is het hoogst haalbare. Ik denk dat ik blij ben als ik een stukje in de buurt kom daarvan.’

 

Hokusai

‘Hokusai zei op z’n 80e: ik denk dat ik eindelijk een beetje begin door te krijgen hoe het moet, en ik hoop op mijn 80e dat ook te kunnen zeggen.’

www.hannalooye.nl

Links: zelfportret in potlood. Rechts: een pagina uit De Tuinman en de Dood.

*