Feuilleton

De afgelopen maanden hebben liefhebbers van mijn vertelsels gevraagd waarom ik geen boeken meer uitbreng. Da's heel eenvoudig: dat gedoe van reclame maken, de pers aanschrijven en al het verdere gelazer dat met publicaties gepaard gaat, werd mij te veel. Ik ben een schrijfster die wil schrijven en niet iemand van wie verwacht wordt dat ze er allerlei andere dingen omheen gaat doen. Dat vreet namelijk aan mijn schrijftijd.

Om de lezende mens tegemoet te komen, heb ik besloten om mijn verhalen in feuilletonvorm elke donderdag op deze site te zetten, te beginnen met éen van mijn recentste novellen. Op deze manier kun je ze toch lezen en kan ik verder gaan met wat ik het liefst doe, namelijk schrijven.

Feuilleton Pagina 42, dec 2025

Pagina 42 is een roman die in 2018 is gepubliceerd. Het betreft een fictieve tweedehandsboekwinkel in Alkmaar. Jasmijn werkt daar sinds kort met haar college Haaye, die louter in de boekwinkel werkt zodat hij heel de dag kan lezen, en Marleen, die de boekwinkel een paar jaar eerder heeft overgenomen.

De winkel loopt zoals de meeste panden waarin boeken verkocht worden: moeizaam, totdat Jasmijn voor de deur omver wordt gelopen door een paar mannen die elkaar achterna zitten, en niet op een vriendelijke manier. Wat hierna volgt, zijn inbraken, dreigementen, misverstanden, en een dooie in de gracht. Oh, en veel hilariteit, natuurlijk.

 

Voor de eerste hoofdstukken van Pagina 42, kijk onder de tab Pagina 42. In Feuilleton Pagina 42 worden de nieuwe hoofdstukken geplaatst.

 

Pagina 42

Deel 2

36. 

     ‘Met Jasmijn Bendelof.’ 

Het was een onbekend nummer dat haar belde. Ze ontspande haar vingers en leunde achterover om haar rug te rekken. Het was aangenaam warm in de winkel en hoewel de zon haar niet bereikte, genoot ze van de stralen die langs de zonwering naar binnen glipten.

‘Jasmijn?’, hoorde ze aan de andere kant. Het was een bekende stem hoewel ze die niet een-twee-drie kon thuisbrengen.

‘Klopt’, zei ze.

‘Met Willem. Willem uit Den Haag.’

‘Hee, Willem, jongen. Hoe is het?’

‘Goed. Kun je langskomen?’

‘Wanneer; vandaag?’

‘Ja.’

‘Even kijken...’ 

De antiquair zou over pakweg twee uurtjes in Alkmaar komen en ze was razend nieuwsgierig naar wat hij had te zeggen. Een trip heen en weer naar Den Haag ging ze in die korte tijd niet redden.

‘Je zei dat ik kon bellen als ik je nodig had’, hoorde ze hem zeggen. 

Dat was de pest met autisten: ze namen elk woord dat je uitsprak letterlijk, daar waar de rest van de wereld het nooit zo nauw nam. Dat gezegd hebbende, wist men in elk geval waar men met autisten aan toe was.

‘Het komt momenteel moeilijk uit’, zei ze uiteindelijk.

‘Oh.’ 

Hoe éen woordje zoveel teleurstelling met zich kon brengen.

‘Maar’, voegde ze toe, ‘ik kom er aan. Met een uurtje ben ik bij je. Waar ben je eigenlijk?’

‘In Maaiborg.’

‘Okee, Willem. Ik zie je daar straks.’ 

Hij verbrak de verbinding zonder verder iets te zeggen. Jasmijn keek naar het tafelblad, haalde diep adem, sloeg toen het werk op en stopte de iPhone in haar broekzak. 

‘Marleen’s boven?’, vroeg ze aan Haaye, die bevestigend knikte.

Marleen zat aan de keukentafel naar haar laptop te staren. Er moest heel wat gebeuren om haar zaak draaiende te blijven houden. De financiën zagen er verre van rooskleurig uit. Ze deed haar computerbril af toen ze Jasmijn in de deuropening zag staan.

‘Sorry dat ik stoor’, zei deze, ‘maar ik heb net een dringende oproep gekregen om een maatje van mij te helpen en ga zo weg.’

‘Ah, jammer. Dus je bent straks niet bij de lunch?’

‘Ik vermoed dat ik dat niet ga redden.’

‘Je kunt die afspraak niet verschuiven?’

‘Nee’, antwoordde ze hoofdschuddend. ‘Laat ik het zo stellen: er is een tijd geweest dat ik een soort Remi was en deze knul heeft me daar doorheen geholpen.’

‘Remi?’

‘Alleen op de wereld.’

‘Ah, tuurlijk.’ Marleen glimlachte begrijpend. ‘Dom van mij. Dan moet je zeker gaan.’

‘Als ik het red, kom ik vanmiddag nog langs. Ik ben uiteraard nieuwsgierig.’

‘We zien je wel verschijnen. Hee, sterkte bij je maatje’, zei ze tegen de al vertrekkende Jasmijn.

Ze liep naar de auto, zich heel erg bewust van alles om haar heen sinds de aanval een paar dagen geleden. Ondanks dat het dag was en overal mensen waren, hield ze in de gaten wie haar wel en niet te dicht op de hielen zat. Lotte was hier veel beter in; zij onthield gezichten als ze deze maar een fractie van een seconde had gezien. 

Ze bereikte haar auto zonder schade en reed de stad uit naar de grote weg.

 

     Quentin Alesloot bestudeerde de paar velletjes papier die voor hem lagen met even veel aandacht als hij aan zijn kleding had besteed. Hij droeg een driedelig donkergroen pak met donkerblauwe blokjes, een wit overhemd en een rood vlinderdasje. Haaye’s vriend had Quentin aan hen voorgesteld, een andere afspraak gefingeerd en was er snel vandoor gegaan, de bontgekleurde man bij hen achterlatend. Marleen vroeg zich af of Quentin zijn kledingstijl had aangepast aan het imago dat hij aan zijn beroep hechtte, of dat dit automatisch was gekomen bij het kiezen van zijn voornaam. Zijn grijs-wit golvend haar was achterover gekamd en bedekte het grootste deel van zijn kalende schedel. Ze schatte hem ergens tussen de veertig en zestig jaar, hoewel dit een man was die over dertig jaar nog steeds tussen de veertig en zestig zou worden geschat.

‘Het ziet er authentiek uit’, zei hij uiteindelijk, zijn ogen nog steeds op het papier gericht, ‘maar ik zou het origineel moeten zien om hier zeker van te zijn.’ Hij keek omhoog en richtte zijn aandacht op Marleen. ‘Heeft u het origineel tot uw beschikking?’

‘Helaas niet’, zei ze. ‘Wij doen navraag hierover voor een klant van ons.’ 

Dit was het verhaal dat zij, Haaye en Jasmijn overeengekomen waren. 

‘Jammer, heel jammer.’

‘Kunt u ons zeggen wat het is?, vroeg ze toen. Dit was per slot van rekening de reden waarom Haaye hem had uitgenodigd.

‘Natuurlijk’, antwoordde hij. ‘Wel zeg ik erbij, dat het pure speculatie is wat ik u vertel. Dit komt vanwege het feit’, vervolgde hij toen Haaye zijn mond opende om te vragen waarom, ‘dat weinig mensen dit manuscript onder ogen hebben gehad en er getwijfeld wordt aan de authenticiteit ervan. Desondanks...’ een momentlang spreidde hij de armen als een heilige die hen de zonden vergaf ‘...kan ik u enigszins wijzer maken.’ 

Hij leunde achterover toen Aarnoud een fles rode wijn op tafel zette en bekeek het label goedkeurend. 

‘Jullie zijn bekend met de nazi trein?’, vroeg hij toen Aarnoud was verdwenen, en keek van de éen naar de ander. Na hun instemmend geknik vervolgde hij: ‘Dit boek heeft hier indirect iets mee te maken. In de tijd dat de Nazis in Breslau, het tegenwoordige Wrocław, waren om goud, sieraden en ander kostbaar spul naar Duitsland te brengen, heeft een Duitse bibliofiel, zo gaat het gerucht, een boek van onschatbare waarde ontdekt. Voor Polen, althans, en vanzelfsprekend voor connaisseurs zoals ik, die altijd op zoek zijn naar iets bijzonders. Dit heerschap heeft het boek verborgen gehouden en meegesmokkeld naar Duitsland. Eenmaal daar heeft hij het naar zijn ouders gestuurd om te bewaren zodat hij er later profijt van kon hebben. Helaas werd hij in de laatste maanden van de oorlog omgebracht, zodat het boek jarenlang onontdekt bij zijn ouders in de kast is blijven liggen. Toen zij overleden, is het boek lange tijd nergens meer gesignaleerd. De Poolse familie van wie het boek was gestolen, heeft het verdwijnen ervan stil gehouden, omdat zij wisten wat voor waarde het voor Polen had. Het was een adelijke familie...’

‘In Polen?’, vroeg Marleen verbaasd.

‘... Zelfs daar is adel aanwezig’, zei hij met een glimlach. ‘Maar zo stilletjes aan is het in bibliofiele kringen bekend geworden, dat het nageslacht van Wladislaus één, zoals een goed adelijk voorouder dient te heten en die ook wel bekend staat als Wladislaus de Korte, dat het nageslacht een boek van wel heel grote waarde miste. Wijn?’ 

Hij schonk voor alle drie wijn in.

‘Wat mij aan dit verhaal stoort’, merkte Haaye nadenkend op, ‘is, dat de weg hoe dit boek zou zijn gegaan wel bekend is, maar niet wat het boek is.’

‘Ik wijs u op mijn eerdere woorden “pure speculatie”’, herhaalde Quentin. ‘Dit is louter een vermoeden dat bijeen geschraapt is via draadjes die door de jaren heen zijn vergaard. Het is een ingewikkeld relaas verteld door mensen die er naar op zoek zijn. En ik heb niet beweerd, dat niemand weet wat het boek is.’ 

Hij hief zijn glas naar de twee aan de andere kant van de tafel en nam een slok. Voor een etablissement als dit, werd er goede wijn geschonken.

‘Wij hebben de tijd’, merkte Marleen op. 

Met de heer Van Zanten als opvanghulp achter de kassa, had zij in elk geval geen haast. Quentin keek van haar naar zijn glas en liet vervolgens zijn blik door het café/restaurant gaan. Ook hij had tijd genoeg.

‘Voordat ik daar over begin’, zei hij uiteindelijk, zijn blik weer terug, ‘wil ik met u een aantal zekerheden vaststellen. Gaat u akkoord?’

‘Zolang ze redelijk zijn, gaan wij akkoord’, antwoordde Marleen.

‘Wat ik verlang is, dat het boek teruggaat naar de rechtmatige eigenaar.’

‘Korte Wladislaus?’, vroeg Haaye. 

Een klein glimlachje speelde zich rond Quentin’s lippen om deze opmerking.

‘Wladislaus de Vierde, die Wladislaus de Eerste was toen hij koning van Polen werd, is helaas in de dertiende eeuw overleden. Zelfs als hij het boek in ontvangst zou willen nemen, is dit een tamelijk onoverkomelijk feit. Overigens was zijn voorganger in het koningschap Wenceslaus de Derde; een leuk weetje dat u kunt meenemen naar de kerst.’ 

Hij wachtte met zijn verhaal toen Aarnoud de kaasplateau in het midden van de tafel zette.

‘Verder nog iets gewenst?’, vroeg hij. 

Marleen schudde het hoofd en hij vertrok.

‘Met rechtmatige eigenaar bedoel ik het Poolse volk’, vervolgde Quentin en keek de twee strak aan. ‘Dit boek is voor hen bedoeld.’

‘Wat is de betekenis van het boek?’ 

Haaye probeerde op een andere manier dezelfde vraag te stellen.

‘Als ik jullie ervan kan overtuigen dat dit boek aan het Poolse volk toebehoort’, zei Quentin, de vraag negerend, ‘zijn jullie bereid jullie cliënt...’ 

“cliënt” werd gezegd met een smalend glimlachje 

‘...ervan te overtuigen, dat hij danwel zij dit boek afstaat?’

‘Afstaan als in gratis en voor niets?’, concludeerde Marleen vragend. Schouderophalend deed Quentin weer zijn handen zegenend uiteen.

‘Het gaat hier om de eer’, zei hij: ‘De eer van een volk aan welk door de eeuwen heen voortdurend gesjord is door de grotere broeders en zusters die haar omringen; de eer om dit verloren gewaande bijna mythisch epistel aan hen te mogen overhandigen; de eer om recht te zetten wat in de tweede wereldoorlog is misgegaan; de eer om een toom terug te geven aan hen die de rechtmatige eigenaar ervan zijn. Gratis en voor niets komt hier niet bij om de hoek kijken.’ 

Hij doopte een stukje oude kaas in de mosterd en nam er een hapje van. Haaye had zich inmiddels al over de Roquefort ontfermd terwijl Marleen het voorlopig bij een tweede glas wijn hield.

‘Weet je’, zei ze, het glas tussen haar handen houdend, ellebogen op tafel, ‘voordat wij een toezegging doen, zouden wij graag op de hoogte gesteld willen worden waarover het boek gaat.’

‘U staat niet afwijzend tegenover mijn voorstel?’, vroeg Quentin.

‘In het geheel niet.’

‘Mooi.’ 

Zijn gedachten gingen razendsnel door zijn hoofd. Als hij niets prijs gaf, kon het zijn, dat hij het boek nooit in handen kreeg. Gaf hij wel iets prijs dan was de mogelijkheid daar, dat hij ook dan het boek niet in handen zou kunnen krijgen. Hij was nooit een soort man geweest die zijn leven lang alle veilige wegen had bewandeld. Als hij dat had willen doen, was hij op een verzekeringskantoor gaan werken of ambtenaar geworden. Het was geven en nemen in dit vak. De twee tegenover hem hadden hun goede wil getoond door hem de kopieën van het boek te laten zien. Zij hadden niet aan zijn geloofwaardigheid getwijfeld noch aan zijn oprechtheid. Waar hij normaliter een bijzonder boek voor weinig geld aan de haak wilde slaan om deze duur door te kunnen verkopen danwel aan zijn eigen collectie toe te voegen, was hij hier nu louter voor het boek op zich, om zichzelf ervan te overtuigen dat dit daadwerkelijk hetgeen was dat jarenlang niet alleen door de gangen der bibliofielen gonsde, maar wat ook kenners van het oude Polen bezighield.

‘Mooi’, zei hij nogmaals. Hij had een beslissing genomen. ‘Ik neem jullie mee in de geschiedenis van het Polen in de veertiende eeuw, in de tijd van Casimir de Derde, Kazimierz Wielki.’ Hij wees de naam op het titelblad van de eerste kopie aan. ‘Nog wijn?’

‘Dit is anders dan geschiedenisles op school’, merkte Haaye op en schoof zijn glas naar hem toe. 

Marleen schudde het hoofd. Zij had het niet zo op wijn en wilde liever een echt drankje, maar liet het voor wat het was en schonk water bij het restje wijn in haar glas.

‘Kazimierz Wielki is misschien wel de belangrijkste heerser van Polen geweest’, vervolgde Quentin na een slok wijn en sneed een stuk kaas af. ‘Onder zijn bewind is er een heleboel in Polen veranderd, ten goede, wil ik hieraan toevoegen. Er zijn er vele hervormingen doorgevoerd die we heden ten dage misschien niet verwachten van een veertiende eeuwse koning.’

‘Wacht effies’, onderbrak Marleen hem: ‘Was de man heerser of koning?’

‘Is er een verschil?’

‘Duidelijk, en niet alleen semantisch.’

‘Daar ben ik het niet helemaal mee eens’, wierp Quentin er tegen in. ‘Tegenwoordig is het verschil tussen heerser en koning groter dan zeven eeuwen terug. In die tijd staken de koningen namelijk nog hun handen uit de mouwen en deden meer dan lintjes doorknippen en eens per jaar vanaf een balkon zwaaien. Kun je je daar in vinden?’ 

Marleen knikte en zei:

‘Helemaal mee eens.’

‘Voor het gemak zal ik hem koning blijven noemen.’

‘Ze gaan ook altijd skiën.’ 

Na deze opmerking keken zowel Quentin als Marleen naar Haaye. 

‘De vorsten van tegenwoordig’, verduidelijkte deze. ‘Zwaaien, skiën en lintjes doorknippen. Da’s bijna zwaar werk te noemen.’

‘Daar kan zittend lezen achter een bureau niet tegenop’, zei Marleen mokkend, bij hem een brede grijns ontlokkend.

‘Je hoort me dan ook niet klagen’, zei hij tegen haar. 

Het keelschrapen van de man aan de andere kant van de tafel bracht hen terug.

‘Om een voorbeeld te geven hoezeer Kazimierz Wielki een verlichte geest was’, vervolgde Quentin onverstoorbaar, ‘kunt u merken in zijn houding tegenover de Joden in Polen. Zo mochten Joodse kinderen niet meer ontvoerd worden om hen naar het christelijk geloof om te dopen. Deze wet was zelfs zo streng, dat er de doodstraf op stond als men hiermee doorging. Hij was de koning van het volk, van de gewone mens zoals wij dit heden ten dage zouden bestempelen. Daarnaast werden privileges van de bevoorrechte klasse gekortwiekt en lette hij daarbij niet op of iemand edelman of geestelijke was. Hij kwam op voor de zwakkeren in de samenleving. Verder heeft hij de universiteit van Kraków gesticht, de oudste universiteit van Polen.’

‘En niet alleen van Polen, lijkt mij’, zei Haaye, ‘als hij in de veertiende eeuw leefde.’

‘Het is niet de oudste, maar wel in de top twintig’, zei Quentin knikkend. ‘De oudste is overigens de universiteit van Bologna.’ 

Hij vergezelde deze opmerking met een minzaam glimlachje naar de jongere man tegenover hem.

‘Volgens sommigen is Al-Azhar de oudste.’ 

Marleen keek van haar glas naar Quentin, wiens hoofd een beweging maakte dat ergens lag tussen knikken en schudden. Hij moest niet denken, dat hij een paar sukkels bij zich aan tafel had. Uiteindelijk zei hij met een vergeeflijke glimlach:

‘Laten we dat voor vandaag in het midden houden.’ 

Hij dacht na waar hij met zijn verhaal was gebleven en vervolgde: 

‘Kazimierz heeft het juridische systeem in Polen hervormd en het recht gecodificeerd. Dit staat bekend als de Statuty Kazimierza, in het Nederlands vertaalt: de Statuten van Casimir.’ 

Zijn stem viel weg. Hij pakte het eerste vel papier op en hield het naar de twee tegenover hem omhoog. 

‘En dit, lieve mensen, is de handgeschreven versie van deze Statuten, de versie zoals deze uit het hoofd van Kazimierz op papier is terecht gekomen.’ 

Hij stopte om zijn bewering op de anderen te laten inwerken en zag tot zijn voldoening hoe de twee elkaar met grote verraste ogen aankeken. 

‘Ik hoop dat jullie beseffen’, vervolgde hij, ‘wat voor een onschatbare waarde dit voor het Poolse volk is? Om dit alleen maar in handen te hebben, zelfs zo’n modern geprint floddertje, geeft mij een warm gevoel van binnen. Wie weet wat de grote man er verder nog in vermeld heeft. Misschien heeft hij omschreven hoe hij tot de rada królewska is gekomen, of hoe hij van een houten Polen een stenen Polen wilde maken, om een Pools gezegde te verbasteren. Want op de titel pagina heeft hij het over de Statuten, maar onderaan de titel is ook geschreven...’ met aandachtige ogen keek hij door zijn bril heen naar het papier ‘“...en overige zaken die van belang zijn.” Dit is een vrije vertaling, want het is in oud Pools geschreven en daar ben ik nogal roestig in.’

‘Dat is knap heftig’, merkte Haaye op na een lange stilte die na de monoloog was gevallen. 

Quentin stemde met hem in.

‘Dat klopt’, zei hij, de draad weer oppakkend. ’En daarom is het van belang, dat jullie “cliënt” hiervan op de hoogte wordt gesteld.’

‘Hoor ik aanhalingstekens?’, vroeg Marleen aan hem. 

Weer die hoofdbeweging tussen knikken en schudden in. Ze liet het voor wat het was en vroeg: 

‘Hoe is het in Nederland terecht gekomen?’

‘Het verhaal gaat, dat een aantal Poolse nationalisten er naar op zoek gingen.’

‘Oh ja.’ Haaye grinnikte begrijpend.

‘Vergis je niet, jongeman’, zei Quentin op bestraffende toon tegen hem: ‘Nationalistisch houdt niet automatisch extremisme in.’

‘De scheidingslijn is vaag.’

‘Correct, maar we hebben het in dit geval over mensen die zich Pools voelen, die Pools zijn, die uit eerste hand ervaring hebben hoe het is tussen twee grootmachten heen en weer geslingerd te worden met daarbij kleinere omringende landjes die ook een vinger in de pap willen hebben. Was het niet Rusland dan was het wel weer Duitsland dat hen binnenviel, en Hongarije dat zich links en rechts grondgebieden toe-eigende. Vergeet niet, dat Polen tegen het eind van de tweede wereldoorlog tot satellietstaat van de toenmalige Sovjet Unie werd gebombardeerd en pas in de jaren ’80, door Lech Wałęsa en Solidarność, een zelfstandige republiek werd. Dit brengt een volk samen. Het gesjor van anderen zorgt ervoor dat je van je land gaat houden. En dat is nu het grote verschil tussen het Pools nationalisme en dat van de rest van de wereld. Akkoord, dit neemt niet weg dat ook daar extremisten rond lopen, maar dat is overal waar mensen zijn. Het Poolse volk heeft, echter, een trots die ergens op gebaseerd is; een trots opgebloeid uit een verkruimeld en platgetrapt land dat op eigen kracht is herrezen.’ 

Hij sneed een stukje kaas. Het plankje was bijna leeg. Kauwend op het stukje Cheddar zei hij met een spottend glimlachje: 

‘En hier zien wij hen alleen maar als goedkope krachten die de keuken kunnen opknappen.’ 

Hij leunde achterover, had zijn verhaal gedaan en nu was het aan de anderen om ervoor te zorgen dat het geschreven werk bij de rechtmatige eigenaar terecht kwam. 

‘Is trots een eigenschap in de mens die men moet bewonderen?’, mijmerde Haaye.

‘Ligt eraan waarop je trots bent.’

‘Mijn vader werkte voor een verzekeringskantoor waar eens in de twee jaar een psychologische test van de op dat moment heersende waan werd afgenomen. Steevast stond hierin de vraag, of je als werknemer trots was op het bedrijf waar je werkte.’ Hij keek naar Quentin. ‘Mijn vader was van mening, dat trots iets persoonlijks was. Hij was trots op mij toen ik cum laude afstudeerde; trots op mijn moeder, zijn vrouw, die alle problemen met pragmatische oplossingen, vergezeld van een glimlach, de wereld uit hielp. Maar trots op het bedrijf waar hij werkte? Als ze zijn loon niet betaalden, was hij er geen dag langer gebleven. Als ik niet cum laude was afgestudeerd, zou hij nog steeds trots op mij zijn. Persoonlijk heb ik problemen met lui die trots op een abstract iets zijn zoals het land waarin zij per ongeluk ter wereld zijn gekomen en de mening hebben, dat zij dit met hand en tand moeten verdedigen.’

‘Dat laatste heeft niets met trots te maken, maar alles met fanatisme’, merkte Quentin op.

‘Waar houdt het ene op en begint het andere? De lijn tussen trots en fanatisme is een zeer dunne.’ Quentin gaf hierop geen reactie. ‘Zijn de Polen er trots op, dat zij systematisch de Nederlandste staat bestelen door hier zes maanden te werken en dan ww te gaan trekken? Ze keren terug naar Polen en anderen komen op hun naam weer hier naartoe en zo gaat dat verder.’

‘Dat is incidenteel.’ 

Quentin wuifde de woorden weg en richtte toen zijn aandacht op Marleen. Haaye liet het er, echter, niet bij zitten.

‘Het nieuws vermeld niet iets dat incidenteel is’, zei hij, ‘zelfs niet met het grote aantal slechte journalisten dat alleen op een scoop uit is zodat ze daar een slecht boek over kunnen schrijven. Dit gebeurt op grote schaal anders zouden de Polen niet als doelgroep genoemd worden.’

‘Hoe nu verder?’, vroeg Quentin aan Marleen, de jongere man negerend.

‘Trots...?’ Haaye liet een korte hatelijke lach horen.

‘Stel maar iets voor’, zei Marleen, een blik op Haaye werpend en onopvallend kort het hoofd schuddend.

‘Als jullie cliënt bereid is het manuscript aan de Poolse ambassade te overhandigen’, zei Quentin na een aantal tellen nagedacht te hebben, ‘lijkt mij dit de kortste en eenvoudigste manier om alle partijen tevreden te stellen.’

‘Wat als mijn cliënt hier iets tegenover gesteld wil hebben?’

‘Monetair?’, vroeg hij. 

Ze trok de schouders op.

‘Ik moet dit verhaal aan mijn klant verkopen’, zei ze toen, ‘en wil graag alle vragen vantevoren beantwoord hebben.’

‘Het is een erfgoed, iets dat van Polen is en op een onheuse manier is ontfutseld. Jouw klant mag zich in de handjes knijpen, dattie er zonder kleerscheuren vanaf komt.’

‘Dat klinkt zeer dreigend.’

‘Maar mijn lieve dame’, zei Quentin met een glimlach, ‘dit is figuurlijk bedoeld. Het manuscript is gestolen dus degene die het nu in handen heeft, heeft gestolen goed. En daar staat gevangenisstraf op.’

‘Niet als de klant er geld voor heeft neergelegd en onwetend was over de waarde van het ding’, kwam Haaye tussenbeide.

‘Daar zit iets in’, gaf hij toe.

‘In elk geval’, zei Marleen met een blik naar de klok, ‘zal ik contact met de cliënt opnemen en dit voorstel overleggen. En ik zal m’n best doen...’ vervolgde ze snel toen Quentin zijn mond opende om iets te zeggen ‘...om de klant te overreden het manuscript aan de Poolse ambassade te overhandigen.’

‘Dat is alles wat ik vraag.’ Achteruit gezeten haalde hij opgelucht adem. ‘Ik dank jullie beiden dat jullie mij deze kopietjes hebben getoond. Het is het op éen na mooiste dat ik ooit in handen heb gehad.’

‘En wat is het mooiste?’, vroeg Haaye nieuwsgierig.

‘Het originele manuscript in mijn handen te voelen.’

‘Ik zal mijn best doen’, zei Marleen nogmaals.

‘Daar twijfel ik niet aan. Voordat je je best gaat doen: kan ik je uitnodigen voor een hapje eten vanavond?’, vroeg hij aan haar. ‘Hier in Alkmaar, of elders, waar je maar wilt.’ 

Nadat ze de vraag door het hoofd had laten gaan, zei ze:

‘Prima. Half zeven?’ Quentin knikte. ‘Waar ontmoeten we elkaar?’

‘Ik haal je bij de boekwinkel op. Waarom heet de winkel eigenlijk Pagina 42? Heeft die pagina een bepaalde mening.’

‘’t Is universeel’, antwoordde Marleen. 

Haaye glimlachte om haar antwoord en ging naar buiten, even later gevolgd door Marleen.

‘Is hij te vertrouwen?’, vroeg hij toen ze de brug overstaken en terug liepen naar de winkel.

‘Wie is er tegenwoordig nog te vertrouwen.’ 

Het was geen vraag en Haaye ging er niet verder op in.

 

37.

     Er klonk een ingeblikt deuntje in haar oren terwijl Lotte wachtte doorverbonden te worden met de persoon die over de juridisch brief ging. Op het moment dat het deuntje verstomde, hoorde ze aan de andere kant:

‘Schimmelpenninck.’

‘Dag, met Lotte Davelaar. Ik heb een brief ontvangen in verband met mijn bankkluisje’, begon ze, in het geheel niet verbaasd dat zij deze man aan de lijn kreeg. ‘U bent toch van de politie?’

‘Klopt.’

’Is dit niet een zaak van justitie aangezien he een justitieel schrijven is?’

‘Inderdaad. Ik ben aangesteld om dit te onderzoeken.’

‘Wat valt er te onderzoeken als ik vragen mag?’

‘Wij hebben uit vertrouwelijke bron vernomen, dat er oneigenlijke spullen in uw bankkluis liggen die in verband kunnen worden gebracht met belastingontduiking.’

‘Oh, dus in het kort: ik heb daar zwart geld liggen.’

‘Dat zijn uw woorden.’

‘En een stuk korter dan die van u. Wie is die vertrouwelijke bron?’

‘Dat mag ik niet prijsgeven.’

‘Dat vermoedde ik al.’ 

Ze was stil. De hoofdinspecteur eveneens. Een moment lang dacht zij eraan een deuntje te neuriën, de indruk wekken dat hij in de wachtstand stond, om uiteindelijk te vragen: 

‘En nu?’

‘Ik zou graag inzage in de inhoud van uw bankkluisje willen hebben.’

‘Ik kan u een A4-tje sturen met wat erin zit.’ 

Na deze opmerking hoorde ze de hoofdinspecteur kort lachen. Zelf kon ze eveneens een glimlach niet onderdrukken.

‘Het is de bedoeling, dat ik dit persoonlijk inspecteer.’

‘Ook goed. Morgen?’

‘Vandaag.’

‘Waarom deze haast?’

‘Wij kunnen het maar afgehandeld hebben zodat wij u van de lijst kunnen halen.’

‘Ik weet niet of ik vandaag tijd heb hiervoor.’

‘Mevrouw Davelaar: als u geen tijd heeft vandaag, maken wij uw bankkluisje zelf open.’

‘Mag dat zomaar?’

‘Het is een Europese richtlijn dat in de volksmond bekend is geworden als Lockbox2014.’

‘Uhmmm, we leven in 2018.’

‘Ambtenaren...’, was alles dat Schimmelpenninck zei. 

Na een korte stilte, vervolgde hij: 

‘Als u om...’ hij keek op zijn horloge ‘...elf uur bij het ING kantoor in de Breestraat kunt zijn dan zie ik u daar.’

‘Ik heb geen eigen vervoer en ben niet van plan om dat roteind te gaan fietsen. Als ik wat later ben omdat er een bus is uitgevallen, geef me dan die ruimte.’

‘Elf uur, uiterlijk half twaalf.’ 

Schimmelpenninck was zo’n slecht mens nog niet.

‘Hoe herken ik u?’

‘Ik zal de enige zijn tussen het winkelend publiek die er goed gekleed uit ziet.’ 

Met deze woorden legde hij de hoorn neer. Ze stopte de telefoon in de zak van haar broek en staarde nadenkend voor haar uit. Toen kwam er een brede grijns op haar gezicht. Ze pakte haar jas en tas, keek naar de klok en verdween richting bushalte.

Even voor twaalven liep ze door de Breestraat. Ze herkende de hoofdinspecteur al van verre. Hij was een lange man in een driedelig pak met daarover een regenjas, hoewel er geen wolkje aan de lucht was te bekennen. Een politieagente in uniform stond bij hem in de buurt. Zijn blik was op Lotte gericht en hij keek hoe zij in rustige tred op hem af kwam lopen. Zij was niet een vrouw die zich haastte omdat een hoofdinspecteur van politie op haar wachtte.

‘Mevrouw Davelaar?’, vroeg hij in vragende stem hoewel hij wist dat zij het was.

‘Inspecteur?’, was haar wedervraag.

‘Hoofdinspecteur’, verbeterde hij.

‘Ooh, toe maar.’ 

Met een scheef lachje ging ze hem voor de bank in. Schimmelpenninck passeerde haar, knikte naar de bankmedewerker achter de balie en een zijdeur opende zich. Het viel Lotte op, dat de hoofdinspecteur direct wist naar welk kluisje hij moest gaan. Hij had zijn huiswerk goed gedaan.

‘Zal ik ‘m openen?’, vroeg ze aan hem.

‘Het is uw kluisje.’

‘Werkelijk, ondanks slokbox 2014?’

‘Lockbox2014’, verbeterde de agente haar. 

Schimmelpenninck wuifde haar woorden geïrriteerd weg.

‘Dat weet ze, Jochems’, knauwde hij haar toe. 

Met het deurtje eenmaal open, keek Lotte over haar schouder en vroeg:

‘Zal ik de inhoud eruit halen offe...’

‘Jochems’, was het enige dat de hoofdinspecteur zei. 

Lotte liet de agente voor gaan, nam een stapje terug en keek toe hoe haar persoonlijke spullen op tafel werden gelegd. Bij het opmerken van allerlei stapels papier die met er omheen geknoopt touw bijeen gehouden werden, kwam er een zelfverzekerde glimlach om de lippen van de politieman. Hij pakte een pakketje van de stapels en vouwde de blaadjes uiteen.

‘Was u niet op zoek naar geld?’, vroeg Lotte hem.

‘Onder andere’, antwoordde hij, de volgende pakkend. Na de derde verdween de glimlach en vroeg hij: ‘Wat zijn dit voor stapels?’

‘U heeft geen tijd om ze allemaal te bezoedelen?’ 

Na een blikkenwisseling zei ze uiteindelijk: 

‘Dat zijn mijn originele handgeschreven manuscripten. Daar ben ik voorzichtig mee dus is zou het op prijs stellen, als u er niet zo nonchalant mee om gaat.’

‘Waarom liggen ze in de kluis?’

‘Het zijn mijn originele handgeschreven manuscripten’, herhaalde ze. 

Dat de overheid haar bankkluis wilde onderzoeken was tot daar aan toe, maar ze was niet van plan antwoord te geven op vragen waarmee deze zelfde overheid niets te maken had.

Schimmelpenninck bekeek alle manuscripten voordat hij vroeg:

‘Waar is het?’

‘Waar is wat?’

‘U weet wat ik bedoel.’

‘Dan weet u meer van weet ik weet dan dat ik zelf doe, maar als u naar het briefje van tweeënhalve gulden met Wilhelmina op zoek bent dan zit u hier verkeerd.’ 

Schimmelpenninck keek haar aan, gebaarde geïrriteerd naar de agente die direct uit de ruimte vertrok en zei tegen Lotte:

‘Speel geen spelletjes met mij, Davelaar; daar heb ik tijd voor noch zin in. Ik zoek het manuscript dat je gisteren hier hebt gebracht.’

‘Dat was de bovenste van de stapel, en ligt nu onderop.’

‘Ik heb het niet over deze prullaria maar over het boek waar jij en je vrouw mee aan de haal zijn gegaan.’

‘Pardon?’

‘Je weet wat ik bedoel’, zei hij nogmaals, hoewel minder vormelijk als voorheen.

‘Ik heb geen flauw idee waarover je het hebt.’

‘Vergeet niet, dat ik je naar het bureau kan meenemen voor ondervraging.’

‘Op grond van wat: dat ik mijn manuscripten in een bankkluisje stop? Is dat in tegenspraak tot EU regulatie boekbox2018? Vergeet niet, dat ik jullie kan aanklagen vanwege onheuse behandeling.’

‘Onder Lockbox2014 zijn wij gemachtigd om elke activiteit die ons verdacht lijkt na te trekken.’

‘Op welke activiteit van mij is dit gestoeld?’

‘Daar mag ik mij niet over uitlaten.’

‘Ooh...’, Ze lachte en korte staccato lach. ‘Dat is een makkelijke. Je mag wel op grond van een EU regelgeving, die overigens louter om witwassen handelt, mijn bankkluis zonder omhaal openen, maar als ik vraag wat dit in beweging heeft gezet, mag je je daar niet over uitlaten. Handig, zo’n systeem. Het is godverdorie godgeklaagd dat dit zomaar kan en het wordt tijd, dat er meer Snowdens opstaan.’ 

Ze was werkelijk pissig nu en deed alle manuscripten in het kluisje terug waarvan ze het deurtje met een harde slag sloot. 

‘De eerstvolgende keer dat je mijn bewegingen in de gaten houdt, en niet zo zuinig opvallend ook, ga ik er werk van maken.’

‘Op grond van wat?’

‘Wat dacht je van stalking? De overheid stalkt mij; het moet niet gekker worden.’ 

Ze liep naar de deur toen ze Schimmelpenninck hoorde zeggen:

‘Denk maar niet, dat je er mee weg kunt komen.’ 

Zonder hier verder een woord aan vuil te maken, opende ze de deur en liep door de hal heen naar buiten. Eenmaal daar kwam er een glimlachje op haar gezicht. Ze keek op de telefoon naar de tijd. Als ze doorliep, kon ze de bus van kwart voor één nog halen.

 

38.

     Terwijl Lotte zich met de bankkluis bezighield, Marleen en Haaye zich over de antiquair ontfermden, reed Jasmijn naar Den Haag. Eenmaal tussen de bekende maar desondanks toch anders uitziende straten, voelde ze haar hartritme omhoog gaan. Het was vreemd dit gevoel weer te hebben. Ze was langer van het instituut weg dan de tijd die zij erin had doorgebracht. Echter, de verwachting, dat nare gevoel in de wachtkamer bij een tandarts te zitten en de boor in de kamer ernaast te horen, dat verstikkend dat haar verleden omkleefde, was haar lichaam binnen geslopen. 

Ze betrapte zichzelf erop, dat ze probeerde niet naar het instituut te kijken bij het oprijden van de parkeerplaats. Er stonden meer autos dan vorige keer. Ze parkeerde zo dicht mogelijk bij de uitgang en stapte uit. De bries waaide lusteloos door het bladerdak boven haar. Het was zomer. Boomblaadjes ritselden als een kalme golfslag tegen het strand. 

Ze haalde diep adem, rechtte de schouders en liep van de parkeerplaats af naar het hek waar Willem was. Hij zat op de kruk een paar hekken verder te schilderen dan waar ze hem vorige keer had gezien. Zo kende zij hem het best, verzonken in zijn eigen wereld met zijn eigen bezigheden. Alleen was Eelco Schippers nu zijn wereld binnen gedrongen. De manager van het instituut stond met de armen over elkaar gevouwen pratend naast hem. De oudere man antwoordde monosyllabisch en soms helemaal niet. Ze twijfelde of zij zich bij hen zou voegen. Op de parkeerplaats te blijven dralen was onnozel, was zo niet des Jasmijns van nu. Ze zette haar zonnebril op en liep op de twee af. Eenmaal vlak in zijn buurt, keek Eelco op. Zij wist dat hij haar al eerder had opgemerkt, net zo goed dat zij hem meteen had gezien, en schoof zijn verbaasde blik onder de noemer huichelachtig. Ze knikte hem kort toe en groette Willem.

‘Twee keer zo vlak na elkaar ons bezoeken’, begon Eelco. ‘Dat is wel een hele grote eer. Waar hebben wij die aan te danken?’ 

Ze wilde zeggen dat ze voor Willem kwam, dat Willem haar verzocht had hier naartoe te komen. Zo niet dan zou ze geen voet meer in de buurt van het instituut gezet hebben. Voordat ze haar mond opende, zag ze Willem’s donkere ogen toen hij over zijn schouder naar haar keek.

‘Ik wilde Willem nog eens zien’, zei ze toen. ‘Vorige keer was het bezoek te kort om nieuwtjes uit te wisselen.’ 

Met een indringende blik keek ze naar Eelco, hem hiermee dwingend weg te gaan, hen met rust te laten. Ze wilde weten waarom Willem haar had gevraagd langs te komen. De Willem die zij kende, vroeg nooit iets. 

Eelco, echter, knikte om haar uitleg en staarde naar de tuin, armen nog steeds over elkaar, benen recht, voeten stram op de grond, niet van plan zich te verplaatsen. Hij draaide zijn hoofd opzij, hiermee de indruk wekkend dat hij er geen interesse in had waarover zij en Willem met elkaar spraken.

Jasmijn keek van zijn achterhoofd naar Willem, die ononderbroken aan het verven was. Hij verschoof zijn krukje, schoof de gratis krantjes, opgevouwen onder de kruk mee, evenals degene die onder de emmer verf rustte.

‘Het ziet er goed uit, Willem’, zei ze uiteindelijk. 

Prietpraat was niets voor haar, ook niet voor Willem, maar zo stil blijven staan werkte niet. Ze begreep dat Eelco bij het hele gesprek aanwezig zou blijven. Zij kende hem, kende zijn maniertjes. Waren die maniertjes in het verleden al onaangenaam geweest toen hij beginnend arts was; nu hij de zaak runde, zou hij precies doen waar hij zin in had en zich aan niemand storen.

Willem reageerde niet op haar opmerking, knikte louter. De aanwezigheid van de hoofdarts had hem tot zwijgen gedwongen.

‘Ga je hekjes binnen ook nog doen?’, vroeg ze. 

Hij trok de schouders op, waarna ze zei: 

‘Ze hebben wel een opfrissertje nodig zo te zien.’ 

Alle drie keken ze naar de lage houten hekjes die de bloemperken afbakenden van het pad. 

‘En je hebt nog genoeg verf over.’

‘Moet het buitenhek helemaal doen’, mompelde Willem.

‘Dat gaat je lukken. Het is overigens lekker weer om het buitenwerk te schilderen.’ 

Hij knikte weer. Met haar duim en een wipje van haar schouder legde Jasmijn de band van haar schoudertas beter vast. Haar ogen volgden hoe Willem onverstoord de spijlen schilderde. 

Ze kwam tot het besef dat het geen zin had hier te blijven. Hij zou niets zeggen met Eelco om hen heen. Ze besloot terug naar huis te gaan en afwachten wanneer hij weer contact met haar opnam.

‘Hee, ik zal je met rust laten’, begon ze, ‘en misschien dat we volgende keer een bakkie kunnen gaan drinken.’ 

Hij knikte. Verder zei ze geen woord tegen Eelco en draaide zich om weg te gaan.

‘Hier’, zei Willem ineens, een krant van onder zijn stoel vandaan halend. ‘Dan heb je wat te lezen onderweg.’ 

Ze pakte de krant over en merkte, dat hij deze langer vast hield dan nodig was. Ze keken elkaar aan. Zijn donkere blik brandde door haar heen.

‘Dankjewel’, zei ze zo luchtig mogelijk. ‘Makkelijk voor als er file is. Tot ziens, Willem.’ 

Hij knikte, ging zitten en dipte de kwast in de verf. Teruglopend naar haar auto stopte ze de krant in haar tas. 

Ze reed bij het instituut vandaan en keek niet meer om. Bij elkaar genomen had ze ruim een uur gereden om tien ongemakkelijke minuten bij het hek van het instituut door te brengen.

Op de terugweg overwoog ze om terug naar Pagina 42 te gaan of rechtstreeks naar huis. Ze koos voor dit laatste. Marleen en Haaye zouden het zonder haar redden. Haar hoofd was moe, haar ledematen voelden onaangenaam aan, haar kleding leek tegen haar huid te schuren. 

Eindelijk thuis, legde haar spullen weg, nam een lange douche en kroop onder het dekbed.