Feuilleton

De afgelopen maanden hebben liefhebbers van mijn vertelsels gevraagd waarom ik geen boeken meer uitbreng. Da's heel eenvoudig: dat gedoe van reclame maken, de pers aanschrijven en al het verdere gelazer dat met publicaties gepaard gaat, werd mij te veel. Ik ben een schrijfster die wil schrijven en niet iemand van wie verwacht wordt dat ze er allerlei andere dingen omheen gaat doen. Dat vreet namelijk aan mijn schrijftijd.

Om de lezende mens tegemoet te komen, heb ik besloten om mijn verhalen in feuilletonvorm elke donderdag op deze site te zetten, te beginnen met éen van mijn recentste novellen. Op deze manier kun je ze toch lezen en kan ik verder gaan met wat ik het liefst doe, namelijk schrijven.

Feuilleton Pagina 42, dec 2025

Pagina 42 is een roman die in 2018 is gepubliceerd. Het betreft een fictieve tweedehandsboekwinkel in Alkmaar. Jasmijn werkt daar sinds kort met haar college Haaye, die louter in de boekwinkel werkt zodat hij heel de dag kan lezen, en Marleen, die de boekwinkel een paar jaar eerder heeft overgenomen.

De winkel loopt zoals de meeste panden waarin boeken verkocht worden: moeizaam, totdat Jasmijn voor de deur omver wordt gelopen door een paar mannen die elkaar achterna zitten, en niet op een vriendelijke manier. Wat hierna volgt, zijn inbraken, dreigementen, misverstanden, en een dooie in de gracht. Oh, en veel hilariteit, natuurlijk.

 

Voor de eerste hoofdstukken van Pagina 42, kijk onder de tab Pagina 42. In Feuilleton Pagina 42 worden de nieuwe hoofdstukken geplaatst.

 

Pagina 42

22.

     Inge nam twee whiskey glaasjes mee naar buiten en ging naast Marleen op het bankje aan de gracht zitten. Ze klonken de glazen tegen elkaar en namen een slok. De schemering was ingevallen. Achter hen passeerden toeristen de winkels, bekeken de etalages alvorens verder te slenteren. De zachte bries was koel maar niet meer zo koud als amper twee weken eerder.

Ze zette haar glaasje naast zich op de bank en ging gemakkelijk achterover leunen. Ze hield van deze tijd als de dagen langer werden en de schemering treuzelend boven Alkmaar bleef hangen.

‘Ze ziet er wel leuk uit’, zei ze, de draad van het gesprek oppakkend waar ze het hadden gelaten voor zij naar binnen ging.

‘Dat is zeker waar, als je van dat type houdt.’

‘Vind je haar leuk?’ 

Inge probeerde dezelfde vraag in een iets andere toonzetting.

‘Pffff.’ Marleen trok de schouders op. ‘Ze is aardig’, zei ze uiteindelijk.

‘Alleen aardig?’

‘Hee, Ing, als je wilt weten of ik iets interessants voor haar voel: vraag het dan. We kennen mekaar nu lang genoeg om dit soort vragen rechtstreeks te stellen.’

‘Je hebt gelijk. En?’

‘Wat en?’

‘Wat is het antwoord op de vraag die jij jezelf hebt gesteld?’

‘Ik heb een geweldig leven zonder alle verwikkelingen van een relatie, dankjewel’, klonk het antwoord, ‘en daarbij maak ik geen onderscheid tussen man of vrouw. Ik heb het naar m’n zin met het leven zoals dit nu is. En, nogmaals: Sonia is leuk in de zin van aardig, maar ik val niet op dat type.’

‘Wat is jouw type dan wel?’

‘Qua vrouw bedoel je?’

‘Uh-huh.’

‘Mmh... Zo iemand als Jasmijn bijvoorbeeld. Daarmee bedoel ik niet Jasmijn als persoon, maar dat type: belezen, gevoel voor humor, open, donker haar, en ze heeft zo’n aanstekelijk lachje.’

Inge zag bij Marleen een lachje op het gezicht verschijnen terwijl ze Jasmijn beschreef. Verrast opende ze de ogen wijd en concentreerde zich op haar whiskey.

‘Maar geen type Sonia’, zei ze om de plots gevallen pauze op te vullen.

‘Nee. Ten eerste is ze zeker twintig jaar jonger en ik doe niet mee aan dat cougar gedoe of hoe ze die walgelijke larie ook noemen. Er moet niet meer dan tien jaar verschil zitten tussen mij en degene met wie ik het bed deel. Nogmaals, in dat laatste heb ik totaal geen bal zin, omdat ik niet van plan ben mijn vrijheid in te leveren.’

‘Of de vrijheid te delen.’ 

De twee vrouwen keken elkaar aan.

‘Heb jij iemand op het oog om jouw vrijheid mee te delen?’, vroeg Marleen toen.

‘Haaye is wel leuk.’ Inge lachte om haar eigen opmerking en porde haar in de zij. ‘Alleen om je te stangen, meid’, zei ze toen.

‘Als je toch aan het stangen bent, kun je dan meteen iets te drinken inschenken? En graag de glazen een slag groter maken zodat je niet om de vijf minuten hoeft heen en weer te lopen.’

‘Wat als ik de fles mee naar buiten neem?’, stelde Inge voor, al opstaand.

‘Beter, meid. Hee’, riep Marleen haar vriendin na die de straat overstak: ‘Zou jij niet mijn bed willen delen nu je toch goede ideeën hebt?’ 

Inge lachte. Een paar passanten keken van de één naar de ander en liepen verder.

‘Denk je nou echt dat ik het bed weer met iemand zou willen delen?’, vroeg Inge toen ze weer naast Marleen zat. Ze draaide de whiskeyfles open en schonk hun glaasjes vol. ‘Na Lex heb ik er m’n buik vol van. Die relatie kost me klauwen met geld aan therapie. Niets valt meer onder de zorgverzekering tegenwoordig. Je betaalt je scheel aan de maandelijkse bijdrage en dan moet je nog alles zelf bekostigen.’

‘Waarom stop je dan niet naar de psycholoog gaan?’

‘Ik moet toch tegen iemand aan kunnen lullen?’

‘Uhm...’ 

Marleen strekte haar armen zijwaarts om te laten zien dat zij er ook nog was om mee te kletsen. 

‘En tegen mij lullen’, zei ze, ‘kost je maar een fles whiskey in de week.’

‘Eén fles maar? Is er iets mis met je, Mar?’ 

‘Nah’, zei ze, ‘weet je wat het is, Ing: ik stond vanmorgen op en zag dat ik haren op mijn grote teen had. Op beiden. Die fase van m’n leven heb ik nu bereikt, dat ik m’n tenen moet scheren.’

‘Jij ook?’ Inge lachte luid. ‘Mijn hemel, ik ben al blij als ik wakker word en alles zit nog waar het moet zitten. Hier en daar wat extra, maar daarvan kan ik altijd de leeftijd de schuld geven.’

‘Niet als je cougar wilt worden.’

‘Mij niet gezien. Op mijn leeftijd is het beter dat ik een slechtziende man tegenkom die de haren op mijn tenen niet opmerkt.’

‘Daar drink ik op.’ 

Ze namen allebei een flinke slok en zette de glaasjes weer neer. 

Vanuit Aarnoud’s bar pal tegenover hen klonk muziek. Marleen keek omhoog. De hemel was open en inmiddels waren de sterren tevoorschijn gekomen. Ze genoot van de omgeving, van het leven in Alkmaar, van het dronken worden met haar goede vriendin naast haar op een bankje buiten in de avondlucht.

‘Heb jij ooit gerookt?’, vroeg ze Inge.

‘Vroeger op school. Dat hoorde er zo bij. Jij?’

‘Af en aan.’

‘Waarom vraag je dit eigenlijk?’

‘Omdat ik plots zin heb in een sigaretje heb. Een drankje, een roddel, een sigaretje; lijkt me heerlijk.’

‘Ik heb niets.’

‘Nah, laat maar.’

‘Ik wil wel Aarnoud vragen of hij wat te roken heeft.’ 

Inge stond op en liep de brug over naar de bar, de protesten van haar vriendin negerend. Marleen nam een slokje en staarde wederom naar de lucht. Een paar wolken kuierden langzaam aan de sterrenhemel voorbij. Ze hoopte dat het een goede zomer zou worden. De zomer van vorig jaar mocht een warme geweest zijn, ware het niet dat het enige dat zij zich ervan kon herinneren ononderbroken regen was vanaf juni tot en met september. 

Maar dit soort avonden... Zitten leuteren met Inge tot diep in de nacht, plezier hebben op een ongecompliceerde manier. Inge mocht dan wel vaste klant zijn bij een psycholoog, maar er was niemand met wie zij zo veel lol had als zij.

‘Ta-da!’, riep haar vriendin vanaf de brug, triomfantelijk een sigaret voor haar uit houdend. Ze plofte naast Marleen neer. ‘Ik heb zelfs een doosje lucifers meegekregen; wat een service.’

‘Dat is geen sigaret, maar een sjekkie.’

‘Als er maar rook uitkomt, toch?’ 

Ze stak het sjekkie aan en hoewel ze niet wilde inhaleren, deed ze dit desondanks. Marleen hield haar neus in de lucht en snoof hoorbaar.

‘Wie heeft het sjekkie gedraaid voor je?’, vroeg ze toen. ‘Roy?’

‘Roy, ja. Hoe weet jij dat?’, vroeg Inge verbaasd.

‘Laat ik het zo zeggen: deze kok weet hoe hij zijn kruiden moet gebruiken.’

‘Daar drink ik op.’ 

Inge’s hand tastte in het rond op zoek naar haar glas, toen Marleen zei:

‘Ik zou niet drinken als ik jou was.’

‘Waarom niet?’ 

Ze draaide het hoofd om haar vriendin aan te kunnen kijken, stopte halverwege de draai en haar neus begon te kwispelen. 

‘Ooooh, ik snap ‘m’, zei ze toen en gaf het sjekkie over. 

Ook Marleen nam een ferme trek van de sigaret. Het was eeuwen geleden dat ze voor het laatst had gerookt en ze voelde de neiging om te hoesten opkomen, maar hield zich in. Ze wist bijna zeker, dat aan de andere kant van de gracht Aarnoud en Roy in de gaten hielden hoe die twee vrouwen van middelbare leeftijd op het rokertje zouden reageren. 

Na deze laatste gedachte werd het leven voor hen een paar uur lang vager totdat uiteindelijk het licht uitging. 

 

23.

     Haaye keek op toen hij voetstappen op de trap hoorde. Voordat hij er erg in had wie het was, had Jasmijn al een blik omhoog geworpen om daarna zijn richting uit te kijken. Ze grinnikte zacht toen ze zijn wenkbrauwen omhoog zag gaan toen hij Inge de trap af zag komen. Ze zag er afgelebberd uit, alsof ze de hele nacht had doorgezakt. Hij groette haar met een “hallo” toen zij het bureau passeerde. Meteen stak zij haar hand waarschuwend in de lucht.

‘Niet te hard, graag’, waarschuwde ze, zonder zijn richting uit te kijken, omdat elke beweging een golvend effect in haar hersens teweeg bracht. 

Hij zei nogmaals “hallo”, maar dit keer fluisterend. 

‘Dank je’, zei ze zonder een hint van ironie. ‘Als iemand mij zoekt, zeg maar dat ik ben overleden.’

‘Zo zie je er ook uit’, fluisterde hij haar toe. 

Ze ging naar buiten. Jasmijn liep naar voren en samen met Haaye keek ze toe, hoe Inge naar de overkant van de straat ging en vanonder het bankje een lege fles whiskey pakte en een aantal glazen. Ze hield zich aan het bankje vast toen ze voorzichtig uit haar gebogen knieën omhoog kwam en liep langzaam naar haar eigen winkel.

‘Runt Marleen een hoerentent voor lesbi hier boven?’, vroeg Haaye uiteindelijk.

‘Als dat zo was, had ik het wel geweten. Wil je nog koffie?’

‘Ik zet wel.’ Hij stond op en pakte een koffiefilter uit een la. ‘Het moet niet gekker worden met die vrouwen van in de vijftig. Toen mijn moeder die leeftijd had, liep ze in een bloemetjesjurk en zorgde voor de plantjes in de tuin. Nu bezatten ze zich op een doordeweekse avond.’ 

Hoofdschuddend schepte hij een aantal lepels koffie in de filter, sloot het deksel en zette het apparaat aan. Pas toen keek hij of er nog genoeg water in zat, en vulde het bij uit de literfles die naast zijn stoel stond.

‘Ik geef je eenmaal de kans om te raden dat als ik die leeftijd heb, welk soort vrouw ik dan wil zijn’, zei Jasmijn.

‘Da’s geen weddenschap’, antwoordde hij lachend. ‘Maar, werkelijk, joh: wat zijn die vrouwen hier aan het doen, wat is Marleen aan het doen? Die blonde komt en gaat, en nu schuift Inge ineens de trap af.’

‘Volgens mij is het zo, dat Marleen een privé leven heeft en dat wij daar niets mee te maken hebben’, merkte Jasmijn op. ‘Ze hoeft in elk geval tegenover mij geen enkele verantwoording af te leggen over wat ze doet en met wie en hoezo.’

‘Dankjewel voor deze wijze woorden.’ 

Marleen kwam de trap af. Ze zag er marginaal fitter uit dan Inge, hoewel ook zij door de mangel gehaald was.

‘Wijze woorden’, herhaalde Haaye, ‘maar dat neemt niet weg, dat we er wel over kunnen roddelen. Ik moet per slot van rekening ook de dag door komen.’

‘Daar heb je Dostojevski voor. Pffff, wat een avond.’ 

Ze ging in de fauteuil zitten en steunde haar hoofd tegen haar hand. Haaye schonk een mok water voor haar in en beval haar dit achter elkaar op te drinken. Toen ze hem de lege kop terug gaf, zei ze: 

‘Ing en ik waren wat aan het drinken aan de gracht...’

‘Het was een mooie avond ervoor’, zei Jasmijn knikkend.

‘...en toen hadden we trek in een sigaret.’

‘Werkelijk?’, vroeg Haaye verbaasd. ‘Ik heb meestal trek in een stukje oude kaas als ik drink.’

‘Vandaar dat jij er zo gezond uit ziet’, zei Marleen. ‘Dus Ing ging naar Aarnoud om een sigaretje te halen en kwam terug met een sjekkie van Roy.’ 

Haaye begon al te grinniken. Jasmijn keek van de één naar de ander. Ze wist dat Aarnoud de bar aan de overkant had, maar Roy zei haar niets. 

‘Roy’, begon Marleen haar uitleg, ‘is de kok van het restaurant en hij heeft altijd kruidige sigaretjes.’

‘Ik neem aan, dat je geen majoraan bedoelt?’ 

Hoewel het een vraag was, kon Jasmijn het antwoord al raden. Marleen schudde het hoofd, merkte direct dat ze dit vandaag achterwege moest laten, en zei: 

‘Inderdaad. Ik zei nog tegen Inge, dat ze niet meer moest drinken, want hoewel ik geen kenner ben wat wiet en al die dingen betreft, weet ik wel, dat het éen niet met het ander samen gaat. Maar toen we op “Slash Dot Dash” gedanst hadden, die in de tent van Aarnoud werd gespeeld, had Ing dorst als een baal stro en zette de fles whiskey aan de mond. Daarna ging het fout: ze kotste in de gracht en was misselijk als de pest. Ik wilde haar niet alleen laten dus heb haar mee naar boven genomen. Je weet hoe dat gaat als je gekotst hebt: je voelt je daarna goed. Ing wilde een pizza. Het was inmiddels na twaalven dus in plaats van een pizzeria te bellen, hebben we er eentje uit de diepvries gehaald en opgewarmd. Toen die klaar was, lag ze op de bank te slapen. Ik heb toen een punt of twee gegeten en ben naar bed gegaan. Ergens halverwege de nacht hoorde ik haar weer overgeven en daarna was het stil.’

‘Beetje zonde om zo te moeten eindigen’, merkte Haaye op. Marleen grijnsde breeduit.

‘Het was het meer dan waard’, zei ze. Hij gaf haar een mok koffie en een aspirine. Ze nam de aspirine in met de koffie en stond op. ‘Ik ga effies terug naar boven. Rustig aan, jullie.’

‘Wij?’, zeiden Haaye en Jasmijn tegelijk en schoten in de lach.

‘Eigenlijk zou ik jullie moeten ontslaan’, bromde Marleen toen ze de trap op liep, ‘maar helaas mag ik jullie wel.’

‘We zijn best lief als je ons leert kennen’, zei Jasmijn, naar haar omhoog kijkend toen ze onder de trap door liep.

‘Jij misschien’, was de reactie, ‘maar van hem ben ik niet zo zeker.’ Ze nam een slok koffie. ‘En ik ben er voor niemand’, vervolgde ze voordat ze naar boven verdween.

De verdere ochtend kabbelde rustig voorbij. Haaye zat lezend in zijn fauteuil en rekende de boeken van klanten af. Jasmijn was met de index bezig, zette de boeken die zij in het register had vastgelegd in de schappen achter haar, en meneer Van Zanten pakte in zijn hoek het volgende boek van de planken om te lezen.

Aangezien het drukker was dan normaal, had Jasmijn een moment lang niet door, dat er iemand onderaan de trap stond en naar boven keek. Pas toen ze dit vanuit haar ooghoeken opmerkte dat een hand naar de sluiting van de ketting ging, keek ze op en zag Sonia.

‘Hee’, riep ze om haar aandacht te krijgen. ‘Marleen is er voor niemand.’

‘Oh, en jij denkt dat jij haar persoonlijke waakhond bent?’

‘Nee, maar wie denk jij wel dat jij bent?’

‘Ik ben Marleen’s vriendin.’ 

Ze knipte de sluiting open en nam een stap de trap op. Jasmijn stond op en trok haar aan haar jasje omlaag, terug met beide voeten op de vloer, en sloot de ketting achter haar.

‘Je bent een vriendin van Marleen, meer niet’, zei ze. ‘En als ik nee zeg dan is het nee.’ 

Sonia ging vlak voor haar staan. Jasmijn was kleiner dan zij maar niet onder de indruk van de grote blauwe ogen die indringend in de hare keken. Bij het bureau hielp Haaye de nieuwsgierige klant bij de kassa zo vlot mogelijk om hem de winkel uit te krijgen.

‘Wil je er iets van maken?’, vroeg Sonia toe. 

Zonder haar blik van de ogen voor haar vandaan te halen, schoot Jasmijn in de lach.

‘Als je denkt indruk te maken’, zei ze, ‘zit je er naast.’

‘Ik kan je met een vinger omver duwen als ik dat wil.’

‘Oeee, da’s sterke taal. Ik kan met éen vinger het nummer van de politie bellen.’ 

Deze opmerking zorgde ervoor dat Sonia een stap terug nam. 

‘Je mag blij zijn, dat ik wat anders te doen heb’, zei ze. ‘Ik kom later wel terug.’

‘Ik mis je nu al’, zei Jasmijn lieflijk tegen de vertrekkende rug en lachte toen ze een vinger hiervoor terug kreeg. Met Sonia en de klant uit de winkel, liep Haaye naar Jasmijn toe.

‘Wat is het met de vrouwen hier vandaag?’, vroeg hij. ‘Hebben jullie allemaal kue klappies gegeten?’

‘Mooie woordspeling’, complimenteerde ze hem. ‘Dat wijf heeft iets, dat ik niet vertrouw. En Mar heeft gezegd, dat ze er voor niemand is en bij mij is iedereen niemand.’

‘Wat als ik naar boven wil?’

‘Probeer maar.’ 

Hij keek haar lang aan en schudde het hoofd.

‘Ik heb je net bezig gezien en bedank hier voor. Je bent werkelijk een waakhond.’ 

Hij liep terug naar de kassa. Ze pakte een boek en sloeg het open. Met haar hoofd over het titelblad gebogen, dacht ze na. Sonia was overdreven snel vertrokken toen ze over de politie begon. Misschien was dit een gezonde weerstand tegen de politie zoals zij dit zelf eveneens had, of misschien was het iets anders. In elk geval was het niet haar probleem.

Ze las de titel en schreef deze op.

 

24. 

     ‘Hoe was de sauna?’, vroeg Jasmijn bij binnenkomst. Ze nam Lotte in haar armen voor een kus.

‘Heerlijk. Net wat ik nodig had na zo’n drukke week in Duitsland.’ Met haar wijsvinger wreef ze over Jasmijn’s wang. ‘Er was nog plek in het hotel wat wel lekker was, omdat we dan niet de stress van het naar huis rijden hadden. Leuk hotel; zal jou ook wel bevallen. Ruime kamers, in het midden van niks, dus geen herrie. Wil je wat drinken?’

‘Een glas water, graag.’ 

Lotte liep naar de keuken en pakte een longdrink glas uit de kast.

‘Hoe was het vandaag?’, vroeg ze. Ze liet het water een paar seconden in een dikke straal lopen en vulde hierna het glas.

‘Zo’n vast dagje: Inge kwam vanmorgen met een kater de trap aflopen en had de nacht bij Marleen doorgebracht, en wat later kwam Sonia, die wulpse blonde die een oogje op Marleen heeft, en die heb ik gedreigd met de politie erbij te roepen. Marleen en Inge hebben op “Slash Dot Dash” midden in de nacht langs de gracht gedanst na een kruidig sigaretje gerookt te hebben...’

‘Dus niets bijzonders’, onderbrak Lotte haar, ‘althans, niet naar jullie maatstaven.’

‘Inderdaad.’

‘En dan te bedenken dat boekliefhebbers als stoffige mensen worden gezien.’ Ze schudde het hoofd. ‘Ik heb overigens een breng chineesje besteld en ze komen om half zeven langs.’

‘Je bent geweldig.’ Jasmijn ging onderuit op de bank en zette haar voeten op tafel. ‘Was dat kleine kreng van Tillie ook mee naar de sauna?’

‘Gelukkig niet. Die was bij haar ex ondergebracht.’ Lotte ging naast haar op de bank zitten. ‘Anders hadden we geen hotel geboekt, althans, had ik een excuus gezocht om naar huis te gaan.’

‘Heb je daarvoor een excuus nodig? Ik dacht dat het verlangen om naast mij te liggen genoeg was.’

‘Die tijd zijn we voorbij, schat’, zei ze met een knipoog. ‘Hee, trouwens: ik wist niet dat je een jeugdfoto had.’

‘Jeugdfoto?’

‘Op tafel bij de iMac.’

‘Oh dat. Nee, joh, dat ben ik niet; dat is een foto die die vrouw heeft gegeven die dacht dat ze mij van vroeger kende.’

‘Werkelijk?’, vroeg Lotte verbaasd. ‘Ik zou toch zweren dat jij dat was.’ 

Ze stond op en haalde de foto erbij. Na deze aandachtig bestudeerd te hebben, zei ze: 

‘Weet je het zeker?’

‘Lees de achterkant maar.’ 

Ze draaide de foto om.

‘Marjolein, Belletien en Puffer.’ Ze keek weer naar de foto. ‘Dus jij bent Belletien.’

‘Ik ben Jasmijn.’

‘Ja...’ Ze hield de foto voor haar op. ‘Ik kan me voorstellen dat, hoe heet ze, die Marjolein dacht dat jij Belletien bent, want...’ ze wees naar een plekje op het gezicht van het donkerharige meisje ‘...zij heeft ook zo’n klavertje naast het oog.’

‘Meen je dat?’ 

Jasmijn pakte de foto van haar over en zette haar leesbril op. In eerdere instanties had zij louter vluchtig naar de drie op de foto gekeken; alleen de hond had zij meer aandacht gegeven. Lotte wees naar het plekje dat ze bedoelde en haar ogen zoomden hier op in. Ze hield de foto dicht bij haar gezicht en vernauwde de ogen om scherper te kunnen zien. Het was waar wat Lotte had gezegd: er zat een moedervlekje in de vorm van een klavertje naast het oog van het meisje, precies zo eentje zoals zij zelf had. 

‘Maar’, begon ze en stopte. Ze schudde het hoofd en gaf de foto terug. ‘Toeval’, zei ze uiteindelijk.

‘Toeval’, herhaalde Lotte.

‘Ik hoor aan jouw stem dat je mij niet gelooft.’

‘Ik geloof jou altijd, maar ik geloof niet in toeval. Dat kind heeft zelfs dezelfde vorm mond als jij.’

‘De meeste monden lijken op elkaar.’

‘Ik ken jouw mond beter dan jij het kent’, bracht Lotte er tegenin. ‘Je moet eens weten hoe vaak ik naar je heb gekeken als je sliep of in de keuken bezig was. Ik ken elk hoekje en gaatje van je, vanaf je poezelige kleine teentjes tot aan het kruintje van jouw haar, en dit kind in de foto lijkt meer op jou dan jouw spiegelbeeld.’ Ze bedacht zich dat dit een mooie zin was om in een roman te gebruiken.

‘Okee, goed’, zei Jasmijn. ‘In plaats van hier tegenin te gaan, zal ik van de premisse uitgaan, dat ik Belletien ben. Of andersom.’

‘Doen we.’

‘Waarom weet ik hier niets van?’ Ze hield de foto op.

‘Dat is een goede vraag.’

‘Je klinkt als een politica die niets beters te zeggen heeft’, merkte ze op.

‘Het is natuurlijk zo...’, begon Lotte toen de bel van de buitendeur klonk. Ze stond direct op. ‘De chinees. Zet jij de borden alvast klaar?’ 

Ook Jasmijn stond op en pakte borden uit de kast en een aantal lepels. Ze haalde een blikje Warsteiner uit de koelkast, opende deze en nam er een slok uit.

‘Hoeveel mensen verwacht je?’, vroeg ze toen Lotte met een overvol plastic tasje de keuken in liep.

‘Jij, ik en Belletien’, was het antwoord. ‘Scheppen we in de keuken op?’

‘’sGoed. Ga maar zitten dan doe ik dat wel. Sambal?’

‘Niet te veel.’

‘Mmh’, bromde Jasmijn na een blik in de tas. ‘Maar één zakje sambal. Het wordt tijd voor een andere chinees.’

‘Dit is één van de weinigen die ook brengt. Er staat een pot sambal oelek in de koelkast.’

‘Geen badjak?’

‘Keine Ahnung. Jij bent degene van de keuken.’ 

Lotte ging zitten terwijl Jasmijn in de keukenkastjes keek. Na de derde kast besloot ze om de sambal uit de koelkast te nemen. 

‘Hee, maar wat ik wilde zeggen’, vervolgde Lotte: ‘Het is zo, dat jij geen jeugdherinneringen hebt, dus misschien is dit wel een herinnering; een herinnering van iemand anders waarin jij meespeelt.’

‘Goed, als dat zo is, waarom staat er dan niet Jasmijn maar Belletien?’

‘Ehmm, het kan zijn, dat één van die opvanggezinnen jouw naam heeft veranderd.’

‘Da’s mogelijk’, gaf ze toe. ‘Maar waarom?’

‘Dat zou je aan die mensen moeten vragen.’ 

Jasmijn bracht twee rijkelijk gevulde borden naar binnen. Ze pakte een servetje erbij en ging op de bank zitten.

‘Eet ze’, zei ze.

‘Jij ook.’ Het was tijdens de eerste paar happen stil. ‘Waarom heb je trouwens geen jeugdherinneringen?’

‘Vanwege een trauma’, antwoordde ze en trok de schouders op. ‘Volgens de artsen tenminste. Ik kan me pas dingen herinneren vanaf het moment dat ik dertien, veertien was, en dan ook maar schaars. Er is zoveel heen en weer geschuif in mijn jongere jaren geweest, dat alles is samengesmolten tot één ondoorzichtige brij. Vandaar de medicatie.’

‘Vraagje: als je daar mee stopt, zou het in jouw hoofd dan helderder worden?’ 

Nog voordat Lotte was uitgesproken, schudde Jasmijn al het hoofd.

‘Ik heb het verschillende keren geprobeerd’, zei ze, ‘en aanvankelijk lijkt het dat het in mijn hoofd wat helderder wordt. Maar na twee dagen komen angstbeelden tevoorschijn en die zijn zo ingrijpend, dat ik niet meer durf te slapen.’

‘Wat voor angstbeelden?’, vroeg Lotte. ‘Kun je ze beschrijven?’ 

Het was voor het eerst sinds hun samenzijn, dat Jasmijn hierover openlijk sprak. In het verleden trok ze de schouders op, mompelde wat en begon over een ander onderwerp. In de regel vroeg Lotte dan niet verder.

‘Het is moeilijk te omschrijven.’ Ze nam een paar slokken bier en veegde haar mond met de knokkel van haar wijsvinger droog. ‘Vaak sta ik op een grote vlakte, helemaal alleen, geen mens in de buurt. Er is dan een onbeschrijflijke leegte in mijn lichaam. Zo’n gevoel van verlaten te zijn en niemand te kunnen bereiken.’ Ze glimlachte een moment meewarig. ‘Ik zei net dat het onbeschrijflijk was, want ik kan het werkelijk niet goed uitleggen.’

‘Ga maar door; ik volg je wel.’

‘En als er dan mensen komen’, vervolgde ze na een stil moment, ‘kan ik ze niet bereiken en dit vergroot dat verlaten gevoel in mij alleen maar. Het is niet alsof ik genegeerd word, maar ik kan hen niet bereiken en zij mij niet.’ 

Ze nam een hapje eten maar kon er niet meer van genieten. Het bord rustte op haar dijen. Ze leunde tegen het rugkussen en hield het blikje bier tussen haar handen.

‘Herken je die mensen om je heen?’, vroeg Lotte zacht.

‘Niet en toch ook weer wel. Sorry’, zei ze met een lachje, ‘een niet werkelijk duidelijk antwoord, maar zo is het. Het vreemde is, dat er ook altijd een hond door deze ehmm droom, laat ik het zo noemen, rent, en die hond lijkt enorm veel op de hond in de foto. Toen ik de naam Puffer las, verbaasde het mij niet dat die hond zo heette. Dat is namelijk de enige naam die in de droom voorkomt.’

‘Wauw, da’s best heftig.’ 

Lotte zette haar bord op haar voetenbankje en die van Jasmijn ernaast.

‘Het duurde even voordat ik me dit realiseerde, maar des te meer ik naar de hond keek, des te duidelijker het werd.’

‘Het is niet zo, dat je de hond die je in die droom ziet hebt aangepast naar de hond in de foto?’

‘Is natuurlijk ook mogelijk’, gaf Jasmijn toe. ‘Maar de naam...’ 

Ze schudde het hoofd, niet om te ontkennen, maar om het beeld eruit te krijgen dat er doorheen liep. 

‘De ik in mijn droom roept die naam namelijk naar de hond. De hond wil naar mij toe komen, maar dat lukt hem niet, omdat er telkens wat tussenkomt -je weet hoe dat gaat in dromen. En dit vergroot de leemte, de leegte, de eenzaamheid.  Eenzaamheid omschrijft de geladenheid van het gevoel, dat ik op dat precieze moment meemaak, niet helemaal. Ik denk dat leemte het juiste woord hiervoor is.’ 

Ze draaide zich een kwartslag en trok een been onder zich. Ze keek naar Lotte, zag haar vertrouwde ogen terug kijken. Als ze haar niet had, zou zij haarzelf inmiddels van kant hebben gemaakt om aan de ondraaglijkheid van het bestaan te kunnen ontsnappen. Lotte mocht dan niet die leemte in haar volledig weg kunnen halen, ze maakte het leven wel meer dan draagbaar, leefbaar eigenlijk. Ze zuchtte diep en zei: 

‘En er zijn constant stemmen in mijn hoofd, zelfs met de zware medicatie die ik gebruik.’

‘Herken je de stemmen of wat ze zeggen?’

‘Nee. Het is een Babylonisch gebabbel, een hoop gekrakeel, en iedereen bemoeit zich met iedereen, behalve met mij. Zelfs in mijn eigen hoofd word ik genegeerd.’ 

Ze stond op en zette de tv aan, gevolgd door de radio, ging toen naar de computer om een muziekje aan te zetten. En alles luid. Lotte deed de handen over haar oren en keek met toegeknepen ogen naar Jasmijn, die onverstoord in het midden van de kamer stond. Na een twintigtal seconden zette ze alles uit en ging weer zitten en zei:

‘Dit is zo’n beetje hoe het dag en nacht in mijn hoofd aan toe gaat. Ik zou graag eens een moment rust willen hebben, één momentje maar.’

‘Ahhh, arme schat.’ Lotte trok haar naar haar toe en kuste haar voorhoofd. ‘We gaan er iets aan doen. Ik weet nog niet wat, maar we gaan er voor zorgen dat ook dit uit jouw leven verdwijnt. Ik ben in elk geval blij dat je het mij hebt verteld.’

‘Het heeft even geduurd’, merkte Jasmijn vanonder de omhelzing op.

‘We hebben de tijd, lieverd’, zei Lotte. ‘Want anders dan de mensen in jouw droom en jouw hoofd, ben ik degene die altijd bij jou blijft en je nooit zal negeren.’

‘Een zwaar woord: nooit.’

‘Ik kan het dragen.’

 

25. 

     ‘Ik laat mezelf wel uit’, zei Sonia toen Marleen opstond om haar naar beneden te begeleiden. 

Met snelle stappen liep ze de trap af en nam de laatste drie treden met een sprong. Ze opende de buitendeur en riep naar boven: 

‘Zal ik van het weekend langskomen om wat te eten voor je te maken?’

‘Heel lief van je, maar ik heb het druk.’

‘Okee. Dag dan.’ 

De deur werd dichtgetrokken en Marleen kon weer ademen. Ze liep naar beneden om de deur op slot te doen en met de sleutelbos bengelend aan haar wijs- en middelvinger ging ze terug naar boven.

Sonia had vlak voor sluitingstijd voor haar deur gestaan. Marleen had van Haaye gehoord, hoe Jasmijn haar eerder die dag de winkel had uitgewerkt en gniffelde hierom. Maar om vijf voor zes kwam ze binnen wandelen. Ze was te moe geweest om tegen te spartelen toen Sonia voorstelde wat te gaan drinken. In plaats van weg te gaan, had zij geopperd dat ze boven een drankje konden delen. Sonia was direct de trap op geklommen en stond al mixend in de keuken toen zij boven kwam. Ze liep door naar de woonkamer en zette de balkondeuren verder open. Het was klam. Het zou haar niet verrassen als er later op de avond een donderbui kwam.

Sonia bracht de twee glazen binnen en ging tegenover haar zitten. Ze overhandigde er eentje aan Marleen en hief haar glas.

‘Op jou’, zei ze.

‘Hoe dat zo?’

‘Zomaar’, zei ze, schouderophalend. Ze nam een slok en zette het glas terug. ‘Drink jij niet?’

‘Zometeen.’ Marleen zette het glas op tafel. ‘Ik ga dadelijk eerst wat eten.’ 

Ze voelde zich nog wat gammel na de avond ervoor.

‘Zal ik wat eten maken voor je?’, stelde Sonia voor.

‘Lief van je, maar ik doe het zometeen zelf wel.’ Ze waren stil. ‘Kwam je voor een speciaal iets of...?’

‘Nee, zomaar. Ik wilde je zien.’ 

Marleen knikte. Sonia had haar intussen gezien dus wat haar betrof, kon ze nu weer haar huis uit.

‘Ik heb nog veel te doen vanavond’, hintte ze uiteindelijk.

‘Ik begrijp het.’ 

Sonia stond op en liep de kamer uit.

Toen zij was verdwenen, maakte Marleen een boterham met pindakaas en ging hiermee naar de woonkamer. Er waren momenten in het leven, dat er niets boven een bammetje pindakaas ging. 

Ze belde Inge om te vragen hoe het met haar was en omdat er niet werd opgenomen, sprak ze een kort berichtje in. Met een zakje borrelnootjes als gezelschap ging ze op de bank zitten en zette de televisie aan. Terwijl ze van de ene zender naar de andere knipte, liet ze het geluid uit en ploegde van reclame naar reclame, van de ene slechte Amerikaanse serie naar de volgende, om uiteindelijk de tv maar weer uit te zetten. Ze zwaaide haar benen op de bank en maakte het zich gemakkelijk. Starend naar het plafond dacht ze aan niets, alleen dat ze blij was dat ze deze dag achter zich kon laten. Het was doorploegen geweest. Op haar leeftijd ging bijkomen van een dronken nacht niet meer zo gemakkelijk. Ze grinnikte bij de gedachte hoe zij en Inge langs de gracht hadden gedanst. Het was lang geleden dat zij zo’n onverbloemde lol had gehad met iemand. Wat dat betrof was Inge een goede vriendin die net zo gek was als zijzelf.

Ze herinnerde zich het glas drinken dat Sonia voor haar had gemaakt en reikte er naar, maar het stond te ver weg. Ze had er geen behoefte aan om van haar gemakkelijke plek op te staan voor een slokje. Zonder er erg in te hebben, viel ze in slaap. Eerst voelde ze zich soezelig worden waarbij een loom gevoel in haar ledematen kroop, om na deze korte aanloop volledig weg te zinken in een droomloze slaap.

Veel later werd ze wakker door het kraken van het parket in de woonkamer. Nog groggy van de slaap kwam ze overeind. Het was donker. Ze rilde van de avondkou die door de openstaande balkondeuren naar binnen sloop. Het kostte haar een tel zich te oriënteren waar ze was. Ze kwam langzaam overeind. Pas op dat moment bedacht ze zich, dat het kraken van de vloer haar had gewekt. Behalve zijzelf en haar ledematen, was er verder niets in huis dat spontaan kon kraken. Ineens heel erg wakker keek ze om zich heen en stond op om een licht aan te doen. Een brede vreemde hand vouwde over haar mond en haar armen werden op haar rug gepind. Ze had niet eens tijd om verrast te reageren. Haar ogen flitsten groot en angstig over de naar tabak ruikende vingers door de kamer heen.

De man die haar vasthield, zei wat tegen haar dat klonk als: “Gedjie est ksanka?”. Toen ze niet reageerde, herhaalde de man zijn zin. Vanachter de vingers vandaan mompelde ze “Muh-huh”. Het werd stil. Een stem vanaf de deur zei iets, waarop de man achter haar reageerde voordat hij tegen haar zei:

‘Where is the book?’ 

Hij liet zijn hand zakken. Ze hapte naar frisse lucht en vroeg in het Engels:

‘Wat voor boek?’

‘Het boek! Het boek van Szczot. Waar is het?’

‘Heb ik niet.’ 

Ze werd terug naar de bank gesmeten waar ze zich klein maakte. Ze was zich meer dan bewust van elke beweging die de mannen maakten, elke ademhaling. Eentje had een fluitend neusgat. Moest ze hen misschien geld aanbieden in ruil voor een boek waarvan ze het bestaan niet wist?

De twee waren onderling in gesprek. Ze spraken met korte zinnen. Hoewel ze de taal niet kon thuisbrengen, klonk het Slavisch. Heel omzichtig liet zij haar ogen van de éen naar de ander gaan. De man vlak bij haar stond met de rug naar haar toe. Hij was een spierbonk zonder nek. De andere bij de deur leek dik maar tezelfdertijd zeer gespierd. Hij droeg een jack en een donkere broek. Buiten trok een auto op. Het licht van de zwenkende koplampen gleed naar binnen en viel streepsgewijs door de luxaflex heen over het plafond. Het gaf net dat beetje extra licht waardoor ze zag, dat de man bij de deur een laag uitgesneden shirt droeg. Op zijn borst zat de bovenkant van een grote tatoeage van een Keltisch kruis. De auto reed weg en liet de kamer in het donker achter. 

De man voor haar draaide zich om en beval haar op de grond te gaan zitten. Zonder hierover met hem in discussie te gaan, deed ze wat haar werd gezegd. Gewoon meewerken, was wat de politie altijd beweerde. Hij haalde een plastic kabelbinder tevoorschijn en bond haar polsen aan de tafel vast. Ditzelfde deed hij met haar enkels waarna de twee door de kamer heen liepen en vluchtig haar boekenkasten bekeken, geholpen door het licht van hun mobieltjes.

‘Do you have other books?’, vroeg eentje toen ze alle kasten waren langsgegaan. 

Hij had een zwaar accent en ze kon nauwelijks uitmaken wat hij zei. Op goed geluk schudde ze het hoofd. De twee zeiden wat tegen elkaar en liepen hierna de kamer uit. Ze waren vertrokken voordat ze er erg in had. 

Hoe lang ze bleef liggen, wist ze achteraf niet. Het was wachten of de mannen werkelijk weg waren of louter op de loer lagen om te zien wat zij zou doen. Terwijl ze daar lag, merkte ze in haar broek geplast te hebben. Het voelde klammig koud aan. Het plastic bandje zat strak aangetrokken en haar armen tintelden. Ze probeerde te gaan verliggen, een betere houding te krijgen en kreeg toen haar telefoon in de gaten, vlakbij op tafel. Met ingehouden adem luisterde ze of ze beneden gerommel hoorde. Alles was stil. Stukje bij beetje lukte het om haar handen wiebelend heen en weer langs de tafelpoot omhoog te schuiven. Bovenaan klemde ze de topjes van haar vingers om het tafelblad heen en schoof met haar kin de telefoon naar haar handen toe. Met haar duim drukte ze de thuisknop in. De telefoon kwam tot leven. Omdat het lang duurde voordat ze haar duim in de aanslag kreeg om in het systeem te komen, ging het weer uit. Ze kreunde geërgerd en probeerde het nogmaals, nu haar duim startklaar houdend. Bijna huilend van vreugde zag ze het startscherm. Met de zijkant van haar wijsvinger drukte ze op “Toetsen”, draaide toen met haar vingertopjes de iPhone een stukje, net zolang totdat haar duim bij de cijfers kon bereiken. Ze drukte 112 in en wachtte. Door de vriendelijke vrouwenstem aan de andere kant van de lijn te horen, viel een last van haar schouders. Ze gaf snel haar adres door voordat de mannen zouden terugkomen, en zei dat ze was overvallen en vastgebonden op de grond lag. Het rustige praten van de vrouw gaf haar een gevoel van vertrouwen dat alles goed zou komen.

De politie had binnen zeven minuten haar pand bereikt.

 

26. 

     Zachtjes stapte Jasmijn het bed uit. Ze pakte haar iPhone van het nachtkastje af, nam haar leesbril mee en ging naar de wc. Tijdens het plassen keek ze hoe het weer morgen zou zijn. Het was zeven voor half drie. Lotte en zij hadden heel de avond weggepraat en uiteindelijk waren ze doodmoe naar bed gegaan. Hoewel Lotte vermoedde eindelijk in de gedachtenwereld van haar vrouw toegang te hebben gekregen, had Jasmijn amper wat losgelaten. Ze had niet verteld hoe de stemmen in haar hoofd haar niet met rust lieten, hoewel ze haar wel buitensloten; alsof het scholieren waren die over een lerares roddelden en de klep dichthielden zodra deze binnen hoorafstand was. Ze had niet verteld over de geesten die haar najoegen en regelmatig haar dromen binnendrongen. Ze had niet verteld van het water dat haar aan alle kanten omringde zonder een uitweg te bieden, noch van de gesloten deuren die zij niet kon openen. Ze had niet verteld van het lichaam dat er lag, de omsluitende bergen, de steile hellingen en alle andere dingen die haar ’s nachts uit slaap hielden. Dit waren dingen die zij niet kon uitspreken, zelfs niet tegen die ene vrouw die haar leven leefbaar draaglijk had gemaakt en het uitzichtloosheid van het bestaan had weggewist. Sommige onderwerpen zouden ongrijpbaar worden als zij de vrijheid kregen.

Ze legde de telefoon op de wasbak en trok de wc door. Op hetzelfde moment werd er gebeld. Zonder te kijken, wist ze dat het Marleen was, omdat “Books from Boxes” van Maxïmo Park door de wc schalde. Ze nam snel op voordat heel de buurt wakker werd.

‘Hallo’, zei ze. ‘Wat bel je nog laat.’

‘Jasmijn Bendelof?’, vroeg de onbekende vrouwenstem aan de andere kant.

‘Inderdaad. Met wie spreek ik?’

‘Met de politie, agent José Venema.’

‘Is er iets met Marleen?’, vroeg ze verschrikt.

‘Mevrouw Valentina is vanavond in haar huis slachtoffer geworden van een overval. Zij is er gelukkig goed aan toe.’

‘Kut!’

‘U zegt het. Zij heeft morele steun nodig en kan momenteel niet alleen thuis blijven. Kunt u...’

‘Ik ben al onderweg.’ 

Ze verbrak de verbinding en stormde van de wc af. In de slaapkamer plukte ze haar kleding geluidloos van de dressgirl en liep de slaapkamer uit.

‘Wat ga je doen, lief?’, vroeg Lotte, juist toen ze een stap in de gang zette. Ze bleef staan, begon zich aan te kleden en zei:

‘De politie belde net: Marleen is overvallen.’

‘Wat?’ 

Was Lotte aanvankelijk nog loom van gedachten en lichaam geweest, dit nieuwtje schudde haar wakker.

‘Meer weet ik ook niet.’

‘Is er iets met haar gebeurd?’

‘De politieagente zei, dat ze in orde is. Goed aan toe waren haar woorden.’

‘Jezus Christus, wat is er daar allemaal aan de hand in die tent? Zei ze nog waarom Mar is overvallen?’ 

Hoofdschuddend zei Jasmijn:

‘Als ik dat wist...’ Ze ging terug de slaapkamer in om Lotte een kus te geven. ‘Ik zie je straks weer.’

‘’sGoed. Hou me op de hoogte. En...’, riep ze de vertrekkende rug na, ‘...neem een pepermuntje. Die knoflooklucht is niet te harden.’

Binnen dertig minuten en een halve zak zoute drop later parkeerde Jasmijn de auto voor de deur van de winkel. Ondanks het nachtelijk uur was er binnen volop licht. Ze liep de winkel in. Een jonge agent, zittend op de lage boekenkast, veerde op toen zij de deur opende. Verderop keek een man even om en vervolgde zijn werk.

‘Er is voor mij gebeld’, zei Jasmijn tegen de agent. ‘Jasmijn Bendelof.’ 

De knul keek haar aan alsof het niet tot hem doordrong wat ze zei. Hij had vlas onder zijn neus in een poging wat ouder te lijken dan hij in werkelijkheid was. Ze schatte hem op zeventien jaar; zo zag hij er tenminste uit. Hij glimlachte haar louter toe toen ze hem voorbij liep en de trap naar boven nam. Halverwege zag ze door de openstaande deur Schimmelpenninck. Naast de deur in de woonkamer was de achterkant van een politieagent zichtbaar. Agente zelfs, aan de bouw te zien. Ze nam de laatste paar treden en liep over de overloop naar het woonvertrek.

‘Hai’, groette ze iedereen terwijl haar ogen Marleen zochten. ‘Gaat ie, Mar?’, vroeg ze, haar jas uittrekkend. 

‘Pffffff’, zuchtte Marleen uitgestreken. 

Met de politie in de kamer, de rust die zij uitstraalden, was zij weer een beetje mens geworden. Ze had een joggingbroek aangetrokken en een sweater. Haar andere kleding lag op een hoop in de badkamer.

‘Ben je nu in staat om wat vragen te beantwoorden?’, vroeg de hoofdinspecteur. Hij had geduldig gewacht. Marleen knikte. ‘Vertel wat er gebeurd is.’

‘Ik, ehm’, begon ze aarzelend, nadenkend, ‘had afgesloten, was op de bank in slaap gevallen en werd wakker toen ik de vloer hoorde kraken. Nog half slaapdronken kwam ik overeind en werd vastgegrepen.’

‘Hoe werd je vastgegrepen?’

‘Eén van de mannen legde een hand over mijn mond, pakte mijn armen en drukte zich tegen mij aan zodat ik niet weg kon. Hij zei toen iets in een andere taal; het leek op een slavische taal.’ 

De wenkbrauwen van de hoofdinspecteur gingen omhoog bij deze laatste mededeling. Dit was de enige vorm van expressie die hij zichzelf toestond. 

‘Weet je welke taal het was?’

‘Nuh-huh’, zei ze hoofdschuddend. ‘Even later zei hij in gebroken Engels, dat ik het boek aan hem moest geven. Ik heb geen idee welk boek hij bedoelde.’ Schimmelpenninck knikte. Jasmijn observeerde hem en verbaasde zich erover dat hij niet vroeg om welk boek het ging en of de mannen hierover verder nog iets hadden gezegd. Het was alsof deze informatie hem bekend was. 

‘Daarna bond hij me aan de tafel en gingen ze mijn boekenkasten na. Uiteindelijk vertrokken ze.’ 

Ze schudde het hoofd en nam een slokje water. Het glas bleef tussen haar handen geklemd toen ze zei: 

‘Hij noemde wel de naam van die overleden Pool.’ Ze grinnikte kort. ‘Het is de eerste keer dat ik hoorde, hoe die naam daadwerkelijk uitgesproken dient te worden.’

‘Waren het Polen?’, vroeg Schimmelpenninck.

‘Vermoedelijk. Ik weet het niet.’

‘Je weet het niet.’

‘Merkwaardig genoeg ben ik niet op de hoogte van slavische talen en klinkt voor mij Pools als Russisch als Hongaars. Sorry dat ik niet specifieker kan zijn’, zei ze geprikkeld.

‘Het was geen aanmerking’, zei de hoofdinspecteur bij wijze van excuus. 

Er viel een stilte. De jonge politieman beneden kuchte.

‘Het is aannemelijk’, zei Marleen uiteindelijk, ‘dat het Polen waren.’

‘Kun je je herinneren wat hij precies zei, in het Pools dan wel?’ 

Tijdens het stellen van deze vraag, was Marleen al begonnen met langzaam haar hoofd te schudden.

‘Het enige dat ik heb onthouden’, zei ze’, is een woord dat als “ksanka” klonk. Het deed me namelijk denken aan Kafka en ik had het gevoel in een Kafkaësk schouwspel terecht te zijn gekomen, waarin ik geen idee had wat er gaande was.’ 

Ze zette het glas op tafel. Haar hand trilde. Jasmijn sloeg een plaid om haar schouders. Dankbaar glimlachte ze haar toe. 

‘Vertel eens van deze dag...’ Schimmelpenninck nam tegenover haar plaats ‘...wat er allemaal is gebeurd. Is er iets geweest wat anders was dan normaalgesproken het geval is; dat soort feiten.’

‘Ik ben bijna niet in de winkel geweest’, zei ze. ‘Het is gisteravond, of eergister moet ik alweer zeggen, laat geworden en ik heb het grootste deel van de dag hier boven doorgebracht.’

‘Weet jij misschien iets meer te vertellen?’ 

De hoofdinspecteur richtte de vraag naar Jasmijn.

‘Het was dag als alle anderen’, antwoordde ze. ‘Niks bijzonders. Sonia kwam langs en wilde naar boven, maar dat heb ik voorkomen omdat Marleen had gezegd complete rust te willen.’

‘Sonia?’ Vragend keek de hoofdinspecteur van de één naar de ander.

‘Een kennis van me’, zei Marleen. ‘Ze is gisteravond nog langsgekomen maar was na vijftien minuten, hoogstens een half uurtje weer weg. Die telt niet mee in het verhaal.’ 

‘Nah’, begon Jasmijn en kuchte toen. ‘Sorry’, zei ze, haar hand ophoudend, ‘een droge strot.’ 

Ze ging naar de keuken om een slok water te nemen, waste een glas af en schonk het vol. Koud water drinken uit een warm glas was éen van die ongekende genoegens in het leven. Ze keek op haar iPhone. Het liep tegen half vijf. Een merel floot een zonnig melodietje om de dag aan te kondigen.

Ze zette het glas neer en liep terug naar de kamer.