Feuilleton
De afgelopen maanden hebben liefhebbers van mijn vertelsels gevraagd waarom ik geen boeken meer uitbreng. Da's heel eenvoudig: dat gedoe van reclame maken, de pers aanschrijven en al het verdere gelazer dat met publicaties gepaard gaat, werd mij te veel. Ik ben een schrijfster die wil schrijven en niet iemand van wie verwacht wordt dat ze er allerlei andere dingen omheen gaat doen. Dat vreet namelijk aan mijn schrijftijd.
Om de lezende mens tegemoet te komen, heb ik besloten om mijn verhalen in feuilletonvorm elke donderdag op deze site te zetten, te beginnen met éen van mijn recentste novellen. Op deze manier kun je ze toch lezen en kan ik verder gaan met wat ik het liefst doe, namelijk schrijven.
Feuilleton Pagina 42, dec 2025
Pagina 42 is een roman die in 2018 is gepubliceerd. Het betreft een fictieve tweedehandsboekwinkel in Alkmaar. Jasmijn werkt daar sinds kort met haar college Haaye, die louter in de boekwinkel werkt zodat hij heel de dag kan lezen, en Marleen, die de boekwinkel een paar jaar eerder heeft overgenomen.
De winkel loopt zoals de meeste panden waarin boeken verkocht worden: moeizaam, totdat Jasmijn voor de deur omver wordt gelopen door een paar mannen die elkaar achterna zitten, en niet op een vriendelijke manier. Wat hierna volgt, zijn inbraken, dreigementen, misverstanden, en een dooie in de gracht. Oh, en veel hilariteit, natuurlijk.
Voor de eerste hoofdstukken van Pagina 42, kijk onder de tab Pagina 42. In Feuilleton Pagina 42 worden de nieuwe hoofdstukken geplaatst.
Pagina 42
Deel 2
47.
‘Goed weekend gehad?’, vroeg Marleen, koffie voor Jasmijn inschenkend.
Ze was nog steeds de nodige informatie van de dag ervoor aan het verwerken en was niet in de stemming om hierover te praten.
‘Uh-huh’, zei ze uiteindelijk. ‘Jij?’
‘Prima.’ Marleen zette koffie naast haar neer. ‘Gistermiddag kwam Quentin langs.’
‘Hoe gaat het met hem?’
‘Een stuk beter.’
Ze zette de koffiemok aan haar lippen en bleef stil.
‘Mooi.’
Jasmijn pakte haar mok, draaide het tussen haar vingers om het oortje aan de juiste kant te krijgen en nam een slok.
‘Ik heb definitief besloten om het boek aan de Poolse ambassade te overhandigen’, zei Marleen uiteindelijk.
‘Jij of Quentin?’
‘Wat ik of Quentin?’
‘Die dat heeft besloten.’
‘Samen. Zo is iedereen van het gelazer af. Het kost me verdomme een fortuin om alle deuren te vernieuwen om over het bomvrije hang en sluitwerk maar te zwijgen. En het is allemaal geld dat ik niet heb, dat ik niet aan dit soort gehannes wil uitgeven. Dus om erger te voorkomen, kwamen we gisteren overeen dat we het boek beter kwijt dan rijk kunnen zijn.’
‘Hoe ga je dat doen?’
‘Hoe bedoel je?’
‘Maak je er een mooi doosje van en stuur je het via de pakketpost naar de ambassade of wat?’
‘Ah, zo bedoel je. Quentin gaat het overhandigen’, zei Marleen die meteen een sceptische blik op het gezicht naast haar zag verschijnen. ‘Hij gaat dit regelen met Schimmelpenninck omdat hij niet alleen met dit manuscript over straat wil gaan.’
‘Hij is best verstandig.’
‘Zekers.’
‘Is hij ook te vertrouwen?’
‘Naar mijn mening wel.’
‘Laten we niet vergeten dat dit de man is die jou op jullie eerste afspraak dronken wilde voeren.’
‘Ah, da’s ook waar, maar wel begrijpelijk. We kenden elkaar toen nog niet zo goed en vanzelfsprekend wilde hij meer over het boek te weten komen.’
Jasmijn vond dit een slap excuus, maar liet het voor wat het was.
‘Dit houdt in’, vervolgde Marleen, ‘dat we het boek nodig hebben.’
‘Ik zal het aan het thuisfront doorgeven.’
Een telefoon zoemde. Jasmijn voelde aan haar broekzak, maar het was niet de hare. Marleen pakte haar telefoon van het bureau, mompelde dat het Quentin was en beantwoordde het.
Jasmijn pakte haar mok en liep naar haar werktafel. Er was niets verschoven. Dit was haar eerste handeling geworden zodra ze bij haar eigen plek kwam.
‘Jas...’, riep Marleen van de toonbank vandaan. Ze keek op. ‘Wanneer kun je boek hier naartoe brengen?’
‘Woensdag.’
‘Woensdag’, herhaalde Marleen door de telefoon. Ze luisterde om meteen te vragen: ‘Kan het ook morgen?’
‘Morgen is het toch dinsdag?’, riep ze vragend terug.
‘Uh-huh.’
‘Ik hoorde mezelf woensdag zeggen.’
Ze ging zitten, zette de computer aan en sloeg het indexboek open. Quentin mocht zichzelf dan opwerpen als de ridder op het niet al te witte paard; zij was in elk geval niet van plan om aan zijn spelletje mee te doen. Anders dan Marleen zette zij vraagtekens bij zijn vriendelijkheid. Marleen vertrouwde mensen te snel op hun mooie ogen waardoor het haar ontging wat zij met hun handen deden.
Marleen liep naar achteren en ging naast haar tafel zitten. Met haar elleboog steunend op het blad, een boek van Daphne de Maurier eronder (las iemand die tegenwoordig nog? vroeg ze zich af), keek ze naar Jasmijn.
‘Doe ik er goed aan?’, vroeg ze.
‘Als je bedoelt het manuscript aan de ambassade geven dan is mijn reactie bevestigend’, antwoordde Jasmijn.
‘Wat zou ik anders bedoelen?’
‘Als je jouw omgang met Quentin bedoelt -en ik zeg er vantevoren bij, dat dit mij eigenlijk totaal niets aangaat, zou ik je willen verzoeken veel meer zout te strooien op alles wat hij zegt.’
‘Het is een aardige man.’
‘Sonia was ook aardig’, herinnerde ze haar eraan.
‘Ja, da’s waar.’
Marleen zuchtte en keek opzij naar Jasmijn die haar met een donkere blik beantwoordde.
‘Heb ik nu werkelijk zo’n slechte mensenkennis of zijn de mensen gewoon gewiekster geworden, Jas?’
‘De mens is altijd een gewiekst ondier geweest en altijd leugenachtig, maar met een greintje fatsoen om dat leugenachtige te onderdrukken. Sinds er in Amerika een kloothommel met het scepter zwaait en liegt alsof het gedrukt staat, zijn de labielen onder ons van mening dat het nu legitiem is om te liegen. En ik kan ze dat niet kwalijk nemen. Het laatste beetje fatsoen is doodgetrapt door de aangroeiende horde onnozelen.’
‘Ik was na die verkiezingen in Amerika even bang, dat die trend zich hier zou doorzetten’, merkte Marleen op.
Jasmijn lachte kort en zei:
‘Wat geeft je het gevoel dat dit niet zo is? Als je het zooitje ziet dat bij ons in de regering zit.’
‘Op wie heb jij gestemd?’
‘Ik ga nooit stemmen.’
‘Dus...’
‘Yep, dus ik ben degene die verantwoordelijk is voor dat zooitje in de regering’, vulde Jasmijn zelf aan. ‘Niet de mensen die daadwerkelijk op die lui hebben gestemd, maar degene die zich van de stem heeft onthouden omdat er niemand is die hun stem verdient, is daar verantwoordelijk voor. Althans, volgens de goegemeente. Mij best; ik heb me nooit geen ene lor aangetrokken wat anderen van me vinden en ben niet van plan daar nu mee te beginnen.’
‘Het beste is om je nergens druk om te maken.’
‘Dat doe ik dus ook niet.’
De screensaver kwam tevoorschijn. Beiden keken naar de gekleurde bandjes die zweverig over het scherm gingen, uiteen spatten en vervangen werden.
‘Voordat ik het vergeet’, zei Jasmijn toen: ‘Lotte’s nieuwste boek komt in september uit. Vantevoren heeft ze nog wat promotie op een éen of ander tv programma, zal wel bij de vpro zijn, en op de radio. Haar agente heeft een boektour uitgestippeld en Lotte zelf heeft daar jouw winkel voorgeplakt zodat jij de primeur hebt. Als je tenminste nog interesse hebt.’
‘Vanzelfsprekend’, riep Marleen blij verrast uit. ‘Wanneer is dat?’
‘Ik dacht 8 september, maar dat kan ik in de agenda naslaan.’
‘Goh, leuk. En wat lief van haar om hier te beginnen.’
‘Het is ook omdat het hier in de omgeving afspeelt, en dan is een boekwinkel in Alkmaar een perfect beginpunt. Er worden promotieposters gedrukt dus die kunnen we alvast in de etalage hangen. Brengt weer wat geld in het laatje.’
‘Da’s wel nodig ook. Ik ben benieuwd of de winkel het eind van het jaar haalt.’
‘Laten we daar nog maar niet aan denken.’
‘Je hebt gelijk.’
Marleen keek om. Meneer Van Zanten kwam binnen en groette de twee om daarna door te lopen naar zijn plek bij de reisboeken.
‘Maar leuk, Jas. Bedank Lotte van me en geef haar maar een stevige knuffel.’
‘Doe ik.’
Marleen kon een glimlach niet onderdrukken, stond op en zette nieuwe koffie voor de heer Van Zanten. Langs de markiezen heen scheen de zon alweer schuin naar binnen. Het zou wederom een warme dag worden.
48.
Jasmijn leunde achterover, de ellebogen in het zand verborgen. Lotte zat naast haar, de armen om haar opgetrokken benen gevouwen, kin rustend op de knieën.
‘Waar had je het manuscript eigenlijk verstopt, om het zo maar te noemen?’, vroeg Jasmijn.
De zon hing laag, de horizon was bont gekleurd. De schemering kwam langzaam in zicht.
‘In een locker bij de fitnessclub.’
‘Die achter de Breestraat?’
‘Yep.’
‘Waar al die bendeleden met Harley Davidsons en Hyundais of hoe die krengen ook allemaal mogen heten komen?’
‘Yep.’
‘Is dat niet link?’
‘Zelfs een Schimmelpenninck durft daar geen voet te zetten. Ik had nog een abonnement lopen en vrouwen zien zij niet als bedreiging maar als aanhangsel. Vrouwen van mijn leeftijd zien ze zelfs helemaal niet.’
‘Slimme plek.’
Ze nam een slokje bier. Het was lauw geworden door de rustplek in het zand.
‘Toen ik eenmaal doorhad dat dezelfde mensen dezelfde route name als ik, heb ik razendsnel nagedacht wat te doen. Weet je nog, die morgen dat ik het zou opbergen in de bankkluis? Ik zag dat ze bij de ING met de vloer bezig waren en toen er een paar werklui naar buiten liepen, ben ik met hen meegegaan en door geflitst naar de fitnessclub. Niemand zag mij. Via de toko terug de Breestraat in om thuis de post op te halen om een brief te vinden van de overheid die interesse in mijn bankkluis scheen te hebben.’
‘Ik blijf het irritant vinden hoe dit gegaan is.’
‘Ja, inderdaad. Het was toch ook wel leuk om dat hoofd van de Schimmel te zien toen hij niets in mijn kluis vond.’ Lotte grinnikte. ‘Ik heb nog wat whiskey in m’n tas; misschien een scheutje in het bier doen?’
Jasmijn hield haar blikje op en ze goot net zolang door totdat het weer vol was. Met een draaiende beweging van haar hand golfde Jasmijn de drankjes door elkaar en nam een slok.
‘Whoef!’, zei ze meteen. ‘Da’s sterk spul.’
‘Lekker.’
‘Wil je me helpen onthouden dat wanneer we dadelijk thuis zijn ik nog op zolder wil kijken?’
‘Ben je bang dat je dat vergeet?’
‘Met deze mix ben ik blij als ik me nog kan herinneren hoe ik moet adem halen.’
‘Lippen samen persen en blazen.’
‘Wat jij wilt, Slim.’
Jasmijn krabbelde moeizaam uit haar luie stand overeind en strekte de benen voor zich uit. Dit waren de beste avonden om aan het strand te wonen. Het was hier rustig zonder stil te zijn.
‘Oh, meid’, begin Lotte ineens: ‘voordat de dementie helemaal toeslaat: ik ben op het net geweest om een geboorteakte van jou aan te vragen in Maarssen, maar daar ben je niet bekend.’
‘Niet?’
‘Nee.’
‘Merkwaardig.’
‘Precies wat ik dacht. Het kan zijn, dat je in een andere gemeente bent geboren, maar dat is zoeken naar een naald in een hooiberg. Of jouw geboortedatum is niet juist.’
‘Klopt. Eigenlijk ben ik vierentwintig. Het verbaast mij niet: andere naam, andere geboortedatum... Ik hoop alleen dat ik niet ineens van het andere geslacht ben.’
‘Gelukkig niet, want ik heb geen zin om je vanaf nu Bob te moeten noemen. Ik heb pas nog gekeken en je bent nog steeds vrouw, dus daarover hoef je je geen zorgen te maken.’
Met de drank door haar lichaam wervelend, voelde Jasmijn zich minder gespannen dan ze zich de afgelopen tijd had gevoeld.
‘Wil je dat ik verder zoek?’, vroeg Lotte. ‘Naar jouw verleden, bedoel ik?’
‘Nee, laat maar. Ik heb zelf ook met die gedachte gespeeld, maar nogmaals: laat maar. Ik ben Jasmijn en niet Belletien.’
‘Zeker?’
‘Heel zeker. Het was leuk om fotos van vroeger te zien en zeker leuk, dat er ineens een gebeurtenis te binnen schoot vanuit een tijd die mijn geheugen was kwijtgeraakt, maar laten we het daar bij houden. Op die fotos zie ik niet mezelf, maar een jong meisje waarmee ik geen verbintenis heb.’
‘Okee. En als Marjolein weer contact opneemt?’
‘Ik denk niet dat dat gaat gebeuren. We hebben een leuke middag met elkaar doorgebracht en ik vermoed dat zij er vrede mee heeft, dat ook voor haar dit het was. Per slot van rekening heeft zij een ander leven opgebouwd waarin ik geen plaats heb. Buiten het fotoalbum om hadden we elkaar weinig te vertellen. Het is goed, zo.’
‘Okee’, zei Lotte nogmaals.
Ze tuurde naar de windmolens veel verderop in de zee, nu nauwelijks nog waar te nemen in het late avondlicht.
‘Waar heb je trouwens het manuscript gelaten?’, vroeg Jasmijn plotseling.
‘Waar ze het minst opgemerkt zal worden.’
‘Da’s een duidelijk antwoord.’ Ze knikte om haar woorden te bevestigen om daarop te zeggen: ‘Hoewel ik er geen idee van hebt, wat je hiermee bedoelt.’
‘Tussen andere boeken in.’
‘Sherlock stijl.’
Ze bleven tot laat op het strand. Pas toen het water dichterbij kroop en ze zich moesten verplaatsen, stonden ze op en liepen onvast naar huis terug.
Om twee uur ’s nachts kroop Lotte het bed uit om een glas water te drinken. Haar strot was droog vanwege de whiskey. Ze dronk anderhalf glas, ging op de bank zitten en pakte haar iPad. Zonder al te veel verwachting ging ze twitter op. Er was een persoonlijk bericht gestuurd. Ze opende het. De conversatie was tot dat moment een korte geweest: op de naam Belletien Quirijns had Marie56 gevraagd: Is dit een smakeloze grap?, en op Lotte’s reactie: Hoe smakeloze grap? was nu het antwoord gekomen:
“Omdat de BQ die ik ken verdwenen is. Er zijn niet veel BQs”.
Ze dacht na. Jasmijn had gezegd, dat zij geen verder onderzoek naar haar verleden wilde doen. Zelf wilde zij, echter, de draad van deze beginnende conversatie niet laten verslappen. Het jammere was, dat haar hersens niet op volle toeren werkten op dit uur van de nacht.
Ze ging naar de koelkast en sneed een stuk kaas van het blok. Al staande at ze dit in de keuken op en wist plots hoe op dit bericht te reageren. Terug bij haar iPad typte ze:
“Wie is jouw BQ; waar komt zij vandaan?”
Een aantal minuten lang tuurde ze naar het bericht in de hoop hier een antwoord op te krijgen, had toen door dat het kwart over twee in de nacht was en ging terug naar bed.
49.
Jasmijn pakte de plakbandhouder uit haar tas en zette deze tussen de stapels boeken in aan de rand van de tafel en stopte het manuscript van Kazimierz Wielki in de middelste la. Ze zou de tafel pas verlaten als het manuscript met Quentin mee de deur uitging. Ondanks zijn wens om dit werk aan het Poolse consulaat te willen overhandigen, zette zij vraagtekens bij zijn goede bedoelingen. Hij was een liefhebber maar vooral kenner van dit soort werken en wist wat de gulle gever ervoor zou neertellen.
Marleen kwam naar haar tafel met twee mokken koffie.
‘Is Quentin te vertrouwen?’, vroeg Jasmijn.
‘Ik denk het wel.’
Marleen nipte haar koffie terwijl zij een bil op de tafel plantte. De koffie was te heet om van te genieten
‘Denk het wel?’, herhaalde Jasmijn.
‘We moeten toch iets, Jas? Misschien moeten we het hierna kenbaar maken, dat het manuscript niet meer in ons bezit is.’
‘Zodat Quentin op zijn flikker krijgt in plaats van wij?’
‘Zo zou je het kunnen stellen.’ Ze lachte. Serieus weer, vervolgde ze: ‘Geef toe, dat dit leven niets voor ons is. Ik voel me niet meer veilig in mijn eigen omgeving, ben klauwen met geld kwijt aan nieuwe deuren en beveiliging, en als dit nog langer doorgaat, kap ik er mee.’
Ze schoof een stapeltje boeken opzij en plantte haar andere bil erbij. ‘Ik vermoed dat jij na die escapade in de kelder ook niet zit te trappelen om nog meer sensatie mee te maken.’
‘Nee, zeker niet. Als Quentin met het boek de winkel uitloopt, hangen we posters in de etalage met zijn bekkie erop met pijlen die wijzen welke richting hij is uitgegaan.’
‘Zoiets.’
Marleen lachte nogmaals. De wetenschap dat haar boekwinkel binnen niet al te lange tijd weer de rustige omgeving zou zijn waarin zij zich thuis voelde, stemde haar monter.
‘Ik heb zijn telefoonnummer’, zei ze. ‘Misschien dat we die ook op de posters kunnen zetten.’
‘Goedemorgen, dames.’
De man in kwestie kwam Pagina 42 binnen. Hij zag er vrolijk uit. De verwondingen die hij bij de ontmoeting met de Polen had opgelopen, waren maar nauwelijks zichtbaar.
‘Vandaag is de grote dag.’
‘Hoe gaat het eigenlijk in zijn werk?’, vroeg Jasmijn.
‘Hoe bedoel je?’
‘Als je het manuscript hebt, wat ga je dan doen? Naar Den Haag en aankloppen bij de Poolse ambassade met de mededeling, dat je een presentje voor hen hebt?’
‘Nee. Neenee, zo werkt dat niet, nee. Ik heb, eh, hoeheetie gebeld...’
‘De Sint?’, vroeg ze. ‘Vervroegde pakjesavond voor onze Poolse vrienden?’
‘Nee. Nee, die ehhh Schimmelpenninck -hoe kan ik zo’n naam vergeten- en hij heeft een afspraak met de ambassade gemaakt. We gaan er vandaag naartoe. Ik haal hem bij het politiebureau op.’ Hij keek op zijn horloge. ‘Niet al te lang meer nu. Waar is het boek?’
Ze pakte het uit haar la en gaf het hem. Voordat hij het van haar overnam, trok hij handschoenen aan.
‘Sorry, vraagje’, begon ze: ‘Dit werk heeft pakweg zeven eeuwen overleefd, is door vele handen gegaan en heeft ontiegelijk vele oorlogen meegemaakt. En jij gaat het met poezelige handjes aanpakken?’
‘Het zuur in de huid van de mens is een aanslag op oude boeken. Men mag dit voorheen dan met een zeker onbezonnenheid hebben behandeld; ik doe daar niet aan mee.’
‘Het siert je, deze gedachte.’
Ze overhandigde hem het boek. Zijn ogen werden zacht van verrukking, bijna teder te noemen, toen hij het in handen had. Hij rook er aan en opende het voorzichtig.
‘Oh, dit is...’, begon hij, maar kon de woorden niet vinden die zijn gevoelens van dat precieze moment omschreven. ‘Ik had nooit verwacht dit ooit in handen te krijgen’, vertrouwde hij de twee toe. ‘Om eerlijk te zijn, heb ik het bestaan ervan in twijfel getrokken. Maar dit, het werk van wat voor mij de belangrijkste man van Polen was... ongelooflijk. En in het Pools, het taal van het volk. Niet Latijn, maar Pools.’
Hij keek van de ene vrouw naar de andere.
‘Weet je wat dit betekent? Dit houdt in, dat deze grote man dit werk voor alle Polen, voor zijn mensen, heeft geschapen. Niet voor geestelijken, voor de elite, maar voor het volk. Is dat niet geweldig?’
Hij schoof zijn bril omhoog en depte zijn ogen met de rugkant van een handschoen. Er was geen twijfel aan, dat de ontdekking van dit werk hem in het diepste van zijn ziel raakte. Hij deed zijn bril weer goed op en glimlachte meewarig.
‘Ik zou dit voor mijzelf willen bewaren, maar helaas is dat niet mogelijk. Elk mens is verplicht om een werk als dit aan de mensen te geven die hier recht op hebben. In dit geval is dat het Poolse volk. Goed’, zei hij. Hij had zichzelf weer in de hand. ‘Ik ga naar Schimmelpenninck en dan door naar de ambassade.’
Hij nam een pas van de tafel vandaan, maar Jasmijn’s stem hield hem tegen.
‘Als je effies wacht’, zei ze, ‘doe ik er een papiertje om. Je kunt hiermee niet zo over straat lopen.’
Hij haalde een plastic tasje uit zijn zak en hield deze omhoog. Ze schudde het hoofd:
‘Ongelooflijk: mijn handen mogen het boek niet onbedekt aanraken, maar een tasje waarin gisteren nog een pond uien zat en een halfje knipwit is wel goed genoeg.’
Hij begreep wat zij bedoelde. Met veel weerzin gaf hij het boek terug.
‘Koffie?’, vroeg Marleen aan beiden.
‘Ik heb nog’, antwoordde Jasmijn.
‘Nee, dank je’, zei Quentin.
Hij hield nauwlettend in de gaten wat de vrouw aan de andere kant van de tafel deed. Nu hij het boek had, zou hij het geen seconde meer uit zijn gezichtsveld laten.
Jasmijn pakte een vel bruin pakpapier uit de rechter la van haar tafel, legde het manuscript erop, keek of het vel groot genoeg was en begon met inpakken. Ze plakte de lange kant dicht, sloeg de punt aan de bovenkant om en plakte ook deze dicht. Hierna vouwde ze de driehoek aan de onderkant om. Ze reikte naar de plakbandhouder en stootte met haar hand ertegen. Het schoof van tafel af. Quentin greep er naar maar kon de houder er niet van weerhouden op de grond te vallen en twee slagen over de kop onder de tafel te rollen. Met een zucht bukte hij om het op te pakken, voelde zijn blik twee tellen lang naar de fel gekleurde boots gaan die onder de strakke pijpen van Jasmijn’s broek vandaan staken, en kwam terug omhoog om de plakbandhouder op tafel neer te zetten. Jasmijn had gewacht met dat ene driehoekje omgevouwen papier. Ze gaf hem een dankbaar knikje, scheurde een stukje plakband af en zette de laatste driehoek vast. Voordat ze het pakje aan hem gaf, controleerde ze of alles goed zat.
‘Nu mag het in je tas’, zei ze.
‘Dank je.’
Hij had haar verder niets meer te zeggen. Na een glimlach als afscheid, liep hij langs Marleen, zei haar dat zij hem kon bellen om te weten hoe het was afgelopen, en ging de deur uit.
‘Is de postertijd aangebroken, denk je?’
Na Quentin’s vertrek keek Marleen naar achteren. Jasmijn zat achterover geleund en dronk haar koffie.
‘Waarschijnlijk wel. Het wordt een “Wanted” poster, vermoedelijk.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Laat maar. Overigens, zouden we niet de Schimmel moeten bellen om te vertellen dat Quentin eraan komt?’
‘Denk je?’
‘Lijkt mij het handigst. Zal ik bellen?’
‘Ik doe het wel.’
‘Okee.’
Jasmijn knikte en ging aan het werk. Ze hoorde Marleen babbelen, sloeg er verder geen acht op en ging de kelder in om boeken weg te brengen en een nieuwe stapel mee terug naar boven te nemen. Het was stil in de kelder. De omgeving voelde unheimisch aan sinds het voorval met de twee ongenode gasten, maar ze was niet van plan zich hierdoor uit het veld te laten slaan. Ze gaf niet toe aan kwelgeesten; had dit nooit gedaan, nooit toegelaten.
De naarste jaren van haar leven had zij in Maaiborg meegemaakt met de man die daar nu het scepter zwaaide. Ook hem had zij moedwillig opgezocht om de spoken in haar hoofd te laten verdwijnen.
Ze stommelde de trap op terug naar boven met een stapel boeken in de armen. Marleen pakte er een aantal van haar over en zei:
‘Ik heb net met Schimmel gesproken en weet je wat hij zei?’
‘Dat hij geen afspraak met Quentin heeft’, merkte Jasmijn op.
‘Dat hij geen... Hoe weet jij dat?’
Voordat ze antwoordde, klopte Jasmijn eerst haar kleding schoon en ging zitten.
‘Omdat hij zo fantasieloos is als de pest. Denk je nou werkelijk dat hij binnen een dag een afspraak met iemand van een ambassade kan krijgen en dat Schimmel trouw op het bureau blijft wachten totdat hij langskomt met het felst begeerde boek dat er momenteel in omloop is?’
Met grote ogen staarde Marleen haar aan. Ze opende de mond om iets te zeggen, maar er kwam niets uit. Jasmijn legde de boeken in stapels op tafel.
‘Maar’, zei ze toen, ‘als jij dit wist, waarom zei je dan niets?’
‘Je wilde koste wat het kost van het manuscript afkomen.’
‘Maar...’ Ze ging op de rand van de tafel zitten, minder gemakkelijk dan een kwartiertje geleden. ‘Maar hij kwam zo oprecht op mij over.’
‘Quelle surprise.’
‘Is dat sarcastisch bedoeld?’, vroeg ze bits.
‘Totaal niet, maar mijn opmerking haalt je tenminste uit de slachtofferrol.’
Marleen stopte de handen in het haar en kreunde geïrriteerd.
‘Dat ik daar ben ingetrapt’, zei ze. ‘Is dat wat je net bedoelde met de “wanted” poster?’
‘Wat denk je nou zelf.’
Het was een bevestiging, geen vraag.
‘Got, ik kan wel een drankje gebruiken.’
‘Is het al wodka tijd?’
‘Elke tijd is wodka tijd. Kan ik jou er ook mee verblijden?’
‘Doe maar. Zullen we een pizza voor de lunch bestellen?’, vroeg ze toen Marleen de trap naar boven nam.
‘Bel maar. Oh, en de Schimmel komt langs om het hele verhaal te horen’, riep Marleen van boven en verdween de keuken in.
De hoofdinspecteur kwam gelijktijdig met de pizza aan. Jasmijn betaalde de bezorger en nam de doos mee naar haar tafel. Marleen bleef besluiteloos staan. Aan de ene kant wilde ze met Schimmelpenninck praten, maar aan de andere kant was de aromatische geur die door de winkel dreef wel enorm aanlokkelijk. Ze koos een gulden middenweg en met kleine zijwaartse pasjes liep zij al pratende in de richting van Jasmijn.
‘Kan Quentin hiervoor opgepakt worden?’, vroeg ze, een stoel erbij trekkend en een punt pizza pakkend.
Jasmijn schoof de doos in Schimmelpenninck’s richting, maar hij schudde het hoofd.
‘Voor wat?’, vroeg hij toen.
‘Voor het feit dat hij een onbeschofte liegbeest is’, merkte Jasmijn op.
De hoofdinspecteur lachte haar toe.
‘Zo eentje hebben we nooit eerder achter de tralies gezet, wil je zeggen?’, vroeg hij met een hint van ironie.
‘Hij heeft een boek op valse voorwendsels ontvreemd.’
Marleen vond zelf, dat zij met deze woorden goed ambtelijke taal had gebruikt. Ook Schimmelpenninck ging zitten. Zijn lange lijf drapeerde zich onhandig om de voor hem iets te lage stoel heen.
‘Ja, dat is inderdaad een probleem’, zei hij knikkend.
Hij opende de doos en nam er een punt uit. Marleen knipoogde naar Jasmijn vanwege dit gebaar.
‘Als het boek weer boven water komt’, begon Jasmijn, ‘hoe gaat het dan in zijn werk wat betreft de ambassade? Mij lijkt het, dat Marleen de aangewezen persoon is dit te overhandigen, aangezien het in haar winkel is gevonden.’
‘Dat mag dan zo wel zijn, maar helaas werkt het niet op deze manier. Heb je een servetje?’
Ze schoof de stapel servetten naar hem toe.
‘Op ambassade niveau wordt alleen met hoge boboos gewerkt. Het manuscript zou dan aan de betreffende minister worden overhandigd...’
‘Kunst- en cultuur?’, vroeg Jasmijn.
‘...en... ik denk dat het dat ministerie is, en vervolgens wordt iemand van binnenlandse zaken met buitenlandse betrekkingen erbij gehaald...’
‘Wie is dat dan?’, vroeg Marleen.
‘...uhmmm, geen idee; ik verzin ook maar wat.’
Hij leunde achterover, de handen aan een servet afvegend. Hij had de punt in de drie happen naar binnen gewerkt.
‘Maar dit is allemaal hypothetisch.’
Er klonk spijt in zijn stem. De zaak was zo goed als rond en te elfder ure was hij in de luren gelegd door een stofdoos met een rond brilletje en kennis van oude boeken.
‘Kan er niet afgedwongen worden dat Marleen ook bij dit gesprek is? Ik vind namelijk wel, dat zij in heel deze situatie genoemd moet worden.’
‘Dank je wel, Jas. Helaas heb ik geen geld voor een bonus voor je.’
‘Balen. Daar zit ik dan m’n best voor te doen’, zei ze.
Schimmelpenninck keek van de éen naar de ander. De twee vrouwen waren goed op elkaar ingespeeld, alsof het een echtpaar betrof dat elkaar door en door kende.
‘Dat is altijd mogelijk’, zei hij uiteindelijk. ‘Laten we wel wezen: het boek mag dan van groot belang zijn voor Polen, maar aan de andere kant is het boek het bezit van deze winkel, en dan komt het eigendomsrecht meespelen.’
‘Ook in dit geval?’, vroeg Marleen.
‘Ga maar na hoe lang het bijvoorbeeld duurt voordat de rechtmatige eigenaar van een kunstwerk gestolen door de nazis z’n best moet doen om dat terug te krijgen.’
‘Is dat te vergelijken?’
Jasmijn keek hem vragend aan. Zijn hoofdbeweging hield het midden tussen knikken en schudden.
‘Die kennis heb ik helaas niet. Mijn forte is boeven pakken en vastzetten; niet de kleine letters lezen. Daar zijn advocaten voor opgeleid. Is er nog een punt over?’
‘Neem maar.’
Hoewel Jasmijn op de laatste punt had geaast, schoof ze de doos naar hem toe. Hij was een grote, lange man en had voldoende energie nodig om de dag door te kunnen komen.
‘Maar, nogmaals: hypothetisch’, zei hij toen en nam een hap.
‘Als ik het onhypothetisch kan maken’, zei Jasmijn, ‘dan wil ik wel dat Marleen genoemd wordt. Ook en plein publiek.’
De hand met de pizza bleef in de lucht hangen. Het puntje ervan begon gevaarlijk om te buigen.
‘Hoe onhypothetisch kun je het maken?’, vroeg hij en nam een hap vlak voordat de topping eraf gleed.
Ze opende de rechterla van haar tafel en haalde daar een in bruin papier verpakt pakje uit. Net zoals de pizzapunt hing de laatste driehoek van het papier er los bij.
‘Is dat wat ik denk dat het is?’, vroeg Marleen, de ogen groot, turend naar Jasmijn.
‘Ik heb geen idee wat je op dit moment denkt, maar ik denk dat jij juist denkt wat dit is.’
‘Maar ik heb Quentin toch hiermee de winkel uit zien lopen?’
‘Correctie: je hebt Quentin met een pakje de winkel uit zien lopen.’
Tijdens het gesprek tussen de twee vrouwen, had Schimmelpenninck het laatste van de pizza naar binnen gewerkt en al kauwend haalde hij het papier van het boek af.
‘Hoe heb je dat voor elkaar gekregen?’
‘De bekende wisseltruc’, antwoordde Jasmijn Marleen’s vraag: ‘Ik heb hem vanaf het jaar nul niet vertrouwd. Hij zal een beste kerel zijn, maar zijn hebberigheid speelde hem parten. Ik heb thuis een boek van soortgelijke grootte meegenomen en ingepakt. Omdat hij zelf onbetrouwbaar is, vertrouwt hij ons natuurlijk ook voor geen meter. Zo gaat dat met de waard en zijn gasten. Ik ben dus heel opzichtig het manuscript gaan inpakken. Helaas schoof het plakband van tafel af...’ ze maakte een schuifgebaar met haar vingers ‘...omdat ik nog wel eens onhandig ben, en op het moment dat hij zich bukte om dit op te rapen, heb ik de boeken verwisseld.’
‘Slim gedaan’, zei Marleen bewonderend.
‘Slim genoeg voor een bonus?’
De grimas die ze kreeg toegeworpen, sprak boekdelen. Hierna keken beiden naar Schimmelpenninck, die knikkend het boek door zijn handen liet draaien.
‘Ogenblikje’, zei hij, zijn telefoon tevoorschijn pakkend.
Hij liep van de tafel vandaan en begon te bellen.
‘Ik heb het er helemaal warm van gekregen’, merkte Marleen op.
Jasmijn nam het laatste slokje uit haar blikje en vroeg, het blikje ophoudend:
‘Weet je zeker dat het niet hier door komt?’
‘Zal ook wel meewerken. Wat denk je dat er nu allemaal staat te gebeuren?’
‘Geen flauw idee.’
Ze schoof haar stoel aan en pakte een boek om verder te gaan werken. Haar quota voor sociale contactpleging was voor vandaag opgebruikt.
‘Vraag het de Schimmel’, zei ze zonder verder op te kijken.
De hoofdinspecteur kwam terug.
‘Ik neem het boek mee’, zei hij. ‘Wat er gaat gebeuren is het volgende: mijn baas neemt contact op met de overheid die op hun beurt contact opnemen met de ambassade.’
‘Fijn om te weten dat wij al het werk hebben gedaan en dat er nu zo’n rechtse bal met de eer gaat strijken’, mompelde Jasmijn.
‘Zo werkt dat, helaas.’
‘Inderdaad helaas.’ Ze keek naar hem op. ‘Ik neem aan, dat Marleen in heel het gebeuren wordt vergeten?’
‘Uhmmm, dat is in de meeste gevallen zo, ware het niet, dat ik mijn meerdere ervan heb kunnen overtuigen een persconferentie te regelen. Mijn insteek was dat deze winkel zo veel schade heeft geleden en als we dan met stille trom de overdracht doen, zal dit waarschijnlijk niet ophouden. De winkel wordt genoemd en ook Marleen als degene die het boek heeft ontdekt.’
‘Da’s niet helemaal waar’, kwam Marleen tussenbeide.
‘Laten we het op deze versie houden’, zei Schimmelpenninck tegen haar. ‘Dit zal er in elk geval voor zorgen, dat jullie in het vervolg met rust gelaten worden.’
‘Geef dan meteen door, dat in september Lotte Davelaar hier aanwezig is vanwege haar nieuwe boek’, zei Jasmijn.
De hoofdinspecteur keek haar meewarig aan.
‘Het is een persconferentie’, zei hij, ‘geen reclamespot.’
‘Alsof iemand het verschil zal opmerken.’
Hij trok een mondhoek omhoog als reactie en stak het boek, waar het papier losjes omheen gewikkeld zat, in de zak van zijn colbert.
‘Dank jullie’, zei hij ten afscheid en liep naar de deur.
Marleen hield hem tegen met:
‘Hee hee: eerst een handtekening voor ontvangst zetten.’
Ze schreef de titel van het boek op, nam de Poolse naam letter voor letter over, gevolgd door de ondertitel en het jaar. Schimmelpenninck zette zijn handtekening op het vel en ging hierna alsnog de deur uit.
‘Administratie is belangrijk hier’, zei Marleen tegen de vertrekkende rug.
Hij keek niet meer om.
50.
‘Hoe ging het vandaag?’, vroeg Lotte toen Jasmijn binnen kwam.
Het vlieggordijn bij de openstaande balkondeur deinde zachtjes op en neer, lauwwarme wind naar binnen loodsend.
‘Precies zoals verwacht.’
‘Zei ze met een zelfvoldane grijns.’
‘Daar heb ik vandaag zeer zeker recht op.’
Ze boog zich voorover en kuste Lotte en zei:
‘Ik heb de wisseltruc uitgehaald zoals ik had gezegd en...’
‘Ahh, dus ik ben de oude detective kwijt nu?’, stelde Lotte teleurgesteld vast.
‘Ik verwacht niet dat Quentin die zal terugbrengen, helaas.’
Het was het enige boek geweest die dezelfde grootte en dikte van het manuscript had.
‘Maar het is voor het goede doel, moet je maar denken. De Schimmel heeft het boek meegenomen, die van de Pool bedoel ik, niet de detective’, zei ze er snel achteraan toen Lotte de mond opende om iets te zeggen, ‘dus nu maar afwachten wat er verder gebeurt.’
‘Krijgt Marleen een lintje hiervoor?’
‘Nah, ze mag blij zijn als er überhaupt aan haar gedacht wordt. Ze was wel zo slim om de Schimmel een formulier te laten tekenen waarop zij het boek had genoteerd. Zo heeft ze in elk geval bewijs dat het in haar bezit is geweest. Wil je voor mij ook wat inschenken?’, vroeg ze toen Lotte naar de keuken ging.
‘Wat?’
‘Gewoon water maar. Wel effies de kraan laten lopen. Volgens de Schimmel wordt alles nu naar een hoger niveau getild en gaat de politiek zich ermee bemoeien.’
‘Is dat hoger?’, vroeg Lotte, gevolgd door een schamper lachje. ‘Als er iets wel laag bij de grond is, zijn het politici. En advocaten, maar vooral politici.’
‘Helaas hebben die het voor het zeggen. Ik denk dat er een diplomaat op af wordt gestuurd en dat met een groots gebaar het boek aan de Poolse ambassade overhandigd gaat worden.’
Ze nam het glas koud water dankbaar in ontvangst en dronk het achter elkaar leeg.
‘Nog eentje?’
‘Nee, anders moet ik heel de avond weer piesen.’
‘Met dit weer verdampt het vanzelf.’
‘De Schimmel vertelde nog dat er een persconferentie volgt waarin hij Marleen zou noemen als de vinder van het boek.’
‘Denk je dat dit gebeurt?’
‘Hij komt wel oprecht over, die Schimmelpenninck.’
Ze verschoof zich en ging dwars op de bank zitten, een been onder haar getrokken. De plafondven draaide lui rond.
‘Maar of zijn opmerking over Marleen de mensen bereikt, is een ander verhaal.’
‘Dat zou jammer zijn.’
‘Zeker gezien het feit dat de winkel waarschijnlijk het eind van het jaar niet haalt.’
‘Mhh.’
Lotte dacht na. Ze zette haar voeten tegen de voetenbank en tuurde voor zich uit.
‘Wat ik kan doen: ik heb een connectie bij de NRC. Die krant heeft als éen van de weinigen nog steeds iets met kunst en cultuur. Ik zal kijken of het mogelijk is iemand daar warm te maken voor dit verhaal. Je hebt de kopietjes van het boek nog? Mooi dan kan ik die overhandigen om het gebeuren krediet te geven.’
‘Als je dat zou willen doen.’
‘Alles om m’n meissie gelukkig te maken’, zei Lotte. ‘Overigens, over m’n meissie gesproken: ik heb reactie gehad van Marie56. Ik weet dat je hier niet mee door wilt gaan, maar je moet toch effies luisteren.’
Met de iPad op schoot zocht ze de draad van de conversatie.
‘Ik zal het van het begin af oplezen…’ ze negeerde Jasmijn’s gekreun: ‘Marie56 stuurt een bericht nadat dit account al een aantal weken in de lucht is met: Is dit een smakeloze grap of...? Wij: Hoezo smakeloze grap? Zij: Omdat de BQ -Belletien Quirijns bedoelt ze daarmee- die ik ken verdwenen is. Er zijn niet veel BQs. Wij: Wie is jouw BQ; waar komt zij vandaan? Zij: Vertel jij het maar. Wij: Ik hoor het liever van jou. Zij: Maarssen. Wij: Dan ben ik jouw BQ. Wie ben jij?’
Hierna bleef ze stil totdat Jasmijn vroeg:
‘En verder?’
‘Het laatste bericht is: Ik ben BQ’s tante.’ Ze liet een snelle blik over haar vrouw gaan, vroeg toen: ‘Zal ik hiermee doorgaan ?’
‘Dat moet je zelf weten.’
Na alle informatie die zij de achterliggende weken over zich heen had gekregen, keek ze er niet werkelijk van op een tante te hebben. Als het zich zo voortzette, zou het een drukke kerst worden.
‘Laat ik het anders zeggen: wil je dat ik verder ga?’
Dit was een vraag waarover Jasmijn diep moest nadenken.
‘Het is moeilijk’, zei ze uiteindelijk.
‘Hoe ver wil je dat ik ga als ik een reactie krijg?’, vroeg Lotte uiteindelijk.
‘Speel het op gevoel’, klonk het antwoord. ‘Jij kent mij beter dan wie ook. Maak die keuze maar voor me, Lot.’
‘In dat geval gaan we door. Akkoord?’
‘Yep.’
‘Heb je al aan eten gedacht?’
‘Het is te warm om in de keuken te staan.’
‘Anders gaan we een patatje halen bij Onder de Toren. Wandelingetje naar het strand en lekker lummelen daar.’
‘Drankje mee?’
‘Mais bien sûr, ma petite.’
51.
‘Mar, telefoon voor je. Iemand van de NRC.’
Haaye hield Marleen’s mobieltje omhoog en mompelde, toen hij haar de trap af hoorde rennen:
‘Ik weet ook niet meer wat er allemaal aan de hand is. Twee weken vakantie en ik ben de weg kwijt.’
Ze griste de iPhone uit zijn hand. Terug in zijn stoel pakte hij zijn boek. Dit was tenminste iets waar hij van op aan kon, lezen.
Al pratend liep ze terug naar boven. Halverwege de trap begon ze in ademnood te komen. Tegelijk praten en klimmen was een bezigheid voor jongere mensen.
‘De NRC wil waarschijnlijk een interview met Mar vanwege dat manuscript’, lichtte Jasmijn Haaye in.
Na alle verhalen die zij hadden uitgewisseld, was dit ergens in het niets blijven hangen.
‘De winkel kan wel wat publiciteit gebruiken.’
‘Als het maar niet gaat stormlopen; houdt mij van het leeswerk af.’
Hij strekte de benen en zette zijn voeten op de prullenbak.
De persconferentie van de politie was door de meerdere van Schimmelpenninck gehouden. Deze man was zo hoog in de rangorde, dat hij een uniform droeg. Dit had Jasmijn altijd verbaasd: de politieagenten in uniform probeerden hogerop te komen zodat ze hun tweede huid konden afschudden. Waren ze eenmaal hoog genoeg dan wilden ze weer in uniform gestoken worden. Weliswaar eentje waarop veel goudkleurige prullaria zat waaruit niemand wijs kon worden wat de betekenis ervan was.
Het belangrijkste verschil met een beginnend politieagent en dat uniform waarin ze een paar rangen later werden gestoken, was dat deze laatste nooit vuil werd door enige vorm van inspanning. Schimmelpenninck werd door deze schone meerdere geprezen en aan de naam Marleen Valentina werd niet eens gedacht laat staan genoemd. Het scheen dat deze meerdere eveneens de aangewezen persoon was om met de dienstdoende politicus een bezoek aan de Poolse ambassade te brengen. Daar werd het manuscript met veel bombarie overhandigd. Glimlachende hoofden en stramme houdingen met ineen geklemde handen sierden de kranten en het internetnieuws. De mensen die de inspanningen vooraf en al het loopwerk hadden gedaan, waren in vergetelheid geraakt.
‘Als ik dat had kunnen voorspellen’, had Marleen na dit poppenkast optreden opgemerkt, ‘had ik het boek aan Quentin meegegeven. Liever iemand die hebberig is voor de juiste redenen dan dit gelummel. Had ik er misschien nog een cent aan kunnen overhouden.’
‘Hoe is het verder met jou?’
Haaye liet het boek open op zijn borst rusten en keek over het bureau naar Jasmijn. Leunend tegen de deurpost staarde ze naar de straat.
‘Prima’, antwoordde ze en nam een slok koffie. ‘Lotte heeft een rel op facebook.’
‘Pffff, facebook’, mompelde hij. ‘Hoe dat zo?’
‘Afgelopen zaterdag hing er een drone voor ons raam...’
‘Ook éen van die vele ondingen van deze tijd.’
‘...en Lot nam een paar fotos van de man die doodleuk beneden op straat dat ding aan het heen en weer vliegen was en bij ons naar binnen loerde. Ze heeft een foto van die pik op een facebook pagina van het dorp gezet en kreeg meteen heel de teringzooi over zich heen.’
‘Werkelijk?’
Ondanks het feit dat hij volstrekt geen interesse had in het fenomeen sociale media, was hij altijd wel in voor een stevige roddel, vanuit welke hoek deze ook kwam.
‘Hoe dat zo?’
‘Veel mensen, of liever: veel mannen waren van mening, dat Lotte de knaap’s privacy had geschonden door het plaatsen van die foto. Dat pareerde zij met dat hij zijn recht op privacy had verkwanseld door haar privacy binnen te dringen.’
‘Gelijk heeft ze.’
‘Uit sociaal psychologisch perspectief gezien, was het grappig op te merken dat de mannen schande over het plaatsen van die foto spraken, terwijl vrouwen het met Lotte eens waren. Ik vraag me af waar dat aan ligt.’
‘Hee, we piesen tegen een boom als we het nodig vinden; denk je dat wij ons druk maken over privacy?’, zei hij met een scheef glimlachje. ‘Wat een gedoe, trouwens, over zoiets onbenulligs.’
‘Da’s sociaal media. Die leeft van dit soort momenten.’
Ze zette haar mok naast de koffiepot neer en wilde terug naar haar tafel gaan, toen Marleen de trap af kwam, de wangen rood van het vele praten.
‘Je zou toch denken’, begon ze, kijkend naar de laatste paar treden tijdens het lopen, ‘dat een journalist een afspraak maakt om langs te komen voor een gesprekje. Maar alles schijnt tegenwoordig allemaal telefonisch afgehandeld te worden. Ze stuurt me nog een paar vragen via de mail en morgen komt er een fotograaf langs. Beetje killetjes allemaal, maar ach...’
‘Was het een goed gesprek?’, vroeg Jasmijn.
‘Best, ja.’ Ze knikte. ‘Is er nog koffie? Alles verteld, vanaf het moment dat jij omver werd gelopen en dat zo het manuscript in ons bezit kwam tot en met de overdracht aan de Polen door de overheid.’
‘Leuk. Goed voor de klandizie.’
‘Je weet maar nooit.’
Haaye schoof haar een volle mok koffie over het bureaublad toe en zei:
‘Misschien word je zo bekend, dat Maite Vermeulen en Frank Westerman een programma over de Schapenbrug komen maken.’
Grijnzend om zijn eigen opmerking keek hij van de éen naar de ander. De blikken die terug staarden, waren op zijn zachts gezegd leeg te noemen.
‘Wie?’, vroeg Marleen uiteindelijk.
‘Godallemachtig’, zuchtte hij en ging zitten. ‘Het is maar goed dat jullie heel de dag door boeken omringd zijn, zodat jullie in elk geval gestegen zijn tot de status Neanderthaler. Nog effies volhouden en jullie kunnen misschien het barbaarse niveau halen.’
Hij sloeg zijn boek open en sloot zich van de wereld af.
‘Mooi’, was Marleen’s reactie op deze onderbreking. ‘In elk geval komt Pagina 42 eens in de belangstelling.’
‘Met jou als eigenaresse’, zei Haaye.
‘Eigenaar’, verbeterde Marleen hem.
‘Pardon?’
‘Geen eigenaresse maar eigenaar.’
‘Waarom?’
‘Om geen onderscheid te hebben.’
‘Waarvan?’
‘De mannelijke en de vrouwelijke vorm.’
‘Waar slaat dat nou op? Voel je je minder mens als je eigenaresse wordt genoemd in plaats van eigenaar?’
‘Nee, dat niet, maar het is goed dat het onderscheid wordt weggehaald.’
‘Waarom?’, vroeg hij nogmaals.
Marleen draaide zich naar Jasmijn en zei:
‘Help me, Jas; jij bent per slot van rekening ook feminist.’
‘Klopt, maar ik hou me niet met dit soort lulligheidjes bezig.’
Haaye grinnikte om haar reactie.
‘Als er nog steeds ongelijk loon is tussen man en vrouw die hetzelfde werk doen, ga ik me niet druk maken over eigenaar/eigenaresse. Overigens, Mar, heb je er al eens over nagedacht dat wij ook met dit weer conformeren aan de mannelijke vorm? Waarom wordt een man niet eigenaresse genoemd maar moeten wij als vrouw zijnde de mannelijke woorduitgang nemen?’
Ze herinnerde zich deze zelfde conversatie die zij en Lotte niet zo gek lang geleden hadden gehad.
‘Is dat een bestaand woord?’, vroeg Haaye aan haar.
Ze trok de schouders op en zei:
‘Misschien in vrouwelijke vorm.’
Haar antwoord ontlokte een lach bij hem.
‘Het is korter’, merkte Marleen als verdediging op.
‘Juf is korter dan meester; wordt deze logica ook op scholen toegepast?’, wilde Haaye weten.
‘Daarvoor moet je bij andere mensen zijn’, wuifde ze zijn vraag weg. ‘In elk geval is het makkelijker om maar éen vorm te hebben om iets uit te drukken. Met dokter bedoel je toch ook man of vrouw? Nou dan; simpel, toch?’
‘En met hoer?’, vroeg Jasmijn. ‘Trouwens, waarom zouden we met woorden maar éen vorm moeten hebben als we voor elke splintergroep een nieuwe wc moeten aanleggen.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Je hebt een mannen en een vrouwen wc. Nu zijn er lui die zich niet willen conformeren aan de noemers mannetje of vrouwtje. Waarschijnlijk willen de bisexuelen een eigen hij/zij toilet omdat ze toch nooit weten of ze vanavond staand of zittend willen piesen. Mensen met tatoeages en piercings willen een eigen wc, dwergen willen een mini-pispaaltje, en blinden willen braille op de bril zodat ze wat kunnen lezen als ze zitten te kakken. Ik vind het allemaal best en wat mij betreft vervalt het hij/zij toilet en wordt het éen groot hok voor iedereen zodat alle mannelijke en vrouwelijke eigenaressen gezamenlijk kunnen piesen. Zolang er maar invalide toiletten blijven waarop ik me kan terugtrekken als dat nodig is.’
‘Dus met invalidetoilet heb je geen probleem?’, vroeg Marleen haar.
‘Ik heb met geen enkel toilet een probleem. Thuis heb je toch ook dat iedere huisgenoot van dezelfde plee gebruik maakt? Dat zal mij worst wezen. Als ik moet piesen, houdt een bordje met een mannetje erop me echt niet tegen. Maar het verschil met gewone en invalide toiletten is, dat invalide wcs functioneel zijn en tevens de enige plek waarop kantoorlui in alle rust een tukkie kunnen doen na de lunch. Dat werkt perfect.’
‘Hoe zijn we eigenlijk op wcs gekomen?’, vroeg Haaye toen er een stilte viel.
Hij liet zijn blik vragend van de ene naar de ander gaan, zag dat ze elkaar grijnzend aankeken en vulde snel aan:
‘Geen antwoord, graag.’
52.
De tweede helft van het jaar begon met een week fikse regen. De dagen werden langzaamaan korter en hoewel de temperatuur na de buien warm bleef, werden de avonden frisser.
Na het artikel in de NRC was de clientèle in Pagina 42 toegenomen. Maar, in gelijke tred met de vakantiegangers in Alkmaar, ebde dit gestaag weg en de wereld in de winkel viel terug naar hetzelfde trage verkeer als voorheen. Het enige waarop Marleen hoopte, was dat de winkel het einde van het jaar zou halen. Haar schatting dat het nog een jaar kon uithouden, was een ambitieuze geweest.
De winkelsluiting zou op meerdere fronten hachelijk zijn. Ze had heel haar ziel en zaligheid erin gestort en leefde zelf van het minimum om haar personeel te kunnen betalen. Daarbij kwam, dat ze zou moeten verhuizen, aangezien het woon gedeelte onderdeel van het pand was. Ze hield van haar woning boven de winkel, van de omgeving, het hartje van Alkmaar.
Helaas was er op financieel gebied geen ruimte meer om nog iets te kunnen doen. De rek was er uit.
Terwijl deze gedachten door haar hoofd gingen, kwam Inge binnen, een dienblad dragend met koffie en broodjes erop.
‘Goedemorgen’, groette ze zonnig. ‘Wat een heerlijke dag. Een heiige mist op het water en de zon die doorkomt. September is een mooie maand.’
Ze zette het blad op het bureau en begon de bekers en broodjes eraf te halen.
‘Jij bent vrolijk voor de vroege morgen’, merkte Marleen op.
‘Uh-huh. Sinds twee weken neem ik geen anti-depressiva meer en ik voel me fantastisch. Waanzinnig hoe die medicatie mijn gevoelsleven heeft afgestompt. Ik heb nu ineens weer zin in dingen. Misschien ga ik naar de wintersport, leren skiën.’
Ze schoof het dienblad onder het bureau en ging zitten.
‘Ben jij wel eens op wintersport geweest?’, vroeg ze.
‘Ik kijk wel uit. Mij te koud allemaal.’
Marleen nam een hap van haar broodje, gevolgd door een slok koffie.
‘Misschien dat je het eens moet proberen’, zei Inge. ‘Het zou leuk zijn om met z’n tweetjes te gaan. Zwitserland ofzo... Frankrijk.’
‘Sneeuw, skiën...’
Marleen schudde het hoofd.
‘Wat interesseert jou dat skiën nou. Denk aan al die glühwein, de mannen met die stralende witte tanden.’
‘De glühwein trekt me wel aan. Maar, effies terug: wat lekker voor je dat het zo goed gaat. Nergens last meer van?’
‘Totaal niet. Soms, heel soms, sluipen sombere gedachten mijn hoofd binnen, als ik weer denk aan die ex van mij met die jonge snol van hem. Maar daar heb ik de glimmende spa remedie voor uitgevonden.’
Ze bleef stil, nam een slokje koffie. Het was te warm en haar bovenlip tintelde.
Na haar opmerking gingen er allerlei gedachten door Marleen’s hoofd en om de éen of andere reden hadden die allemaal met water te maken.
‘Hoe bedoel je’, vroeg ze uiteindelijk, ‘de spa remedie?’
‘Een glimmende spa...’
Pas toen Inge een beweging maakte alsof zij zand aan het scheppen was, begreep ze dat haar eigen spa en die van Inge van verschillende afkomst waren.
‘Als ik aan m’n ex denk, pakt mijn denkbeeldige ik een glimmende spa, zo’n glanzende die net uit de rekken van de Gamma is gepakt, en daar sla ik ‘m mee voor z’n harses. Je moet eens weten hoe goed dat voelt’, zei ze door Marleen’s lachen heen. ‘Het is zelfs zo, dat ik het nu voor iedereen gebruik die naar tegen mij doet. Het is een aanradertje, Mar.’
Ze probeerde nogmaals haar koffie te drinken en leunde lui achterover. Het was altijd een goed begin van de dag om met Marleen te ontbijten.
‘Wat denk je ervan?’, vroeg ze.
‘Waarvan?’
‘Om samen weg te gaan?’
‘Lijkt me wel grappig. Maar als we gaan, kunnen we dan niet ergens naartoe sluipen waar het warm is? Om onze winter om te ruilen voor een winter in Zwitserland... En dat voor iemand zoals ik die niets met kou en sneeuw heeft.’
‘Waar zou je dan naartoe willen gaan?’
‘Geen idee. Italië misschien? Als je toch een man wilt die je in de taas grijpt, is Italië de aangewezen plek.’
‘Hoe kom je erbij dat ik een man in m’n taas wil laten grijpen? Dat heb ik helemaal niet gezegd?’
‘Jij had het over mannen met stralend witte tanden’, herinnerde Marleen haar eraan.
‘Ja, stralend witte tanden of in je taas laten grijpen, zijn twee hele andere dingen.’
‘In je taas laten bijten dan.’
‘Dat komt al dichter bij.’
Met een ondeugende glimlach keek Inge naar de vrouw aan de andere kant van het bureau.
‘Lijkt me leuk, joh, jij en ik samen iets te ondernemen.’
Ze nam een hap van haar broodje en al kauwende hield ze een wijsvinger omhoog en wees daarmee naar Marleen.
‘Hoe lang kennen we elkaar nu?’
‘Sinds ik Pagina 42 heb.’
‘Vijf jaar, zes jaar?’
‘Zoiets.’
‘Is dat niet iets om te vieren?’
‘Met een vakantie in Italië bedoel je?’
‘Jij kent me het beste’, zei ze met een steeds breder wordende grijns.
Ze zag Marleen langs haar heen kijken en volgde haar blik. Over haar schouder turend, vroeg ze:
‘Is dat niet Jasmijn?’
‘Uh-huh.’
‘Maar wie is dat bij haar?’
‘Dat is Lotte Davelaar. Vandaag signeert ze haar nieuwste boek hier.’
Beiden keken naar de twee die langzaam het plein over liepen in de richting van de brug. Ze hadden de handen ineen gestrengeld, en hun schouders botsten tegen elkaar aan met elke stap. Lotte lachte om iets dat Jasmijn vertelde en wierp een blik opzij. Haar ogen straalden.
‘Dat wilde ik nou ook altijd’, merkte Marleen op.
‘Wat, een vrouw?’
‘Nee. Nou ja, maakt mij eigenlijk niet uit, als het maar iemand is met wie ik zo kan lachen en praten en die mij op die manier aankijkt.’
‘Die ex van mij heeft dat ook eens gedaan’, gaf Inge toe.
‘Werkelijk?’, vroeg Marleen verrast.
‘Ja, het was op 23 september, een zondag, van tien over vier tot twaalf voor half vijf.’
Marleen schoot in de lach en ging staan toen de twee de winkel binnen kwamen. Jasmijn liet haar vrouw voor gaan en stelde iedereen aan elkaar voor. Hierna ging ze door naar haar tafel om haar spullen neer te zetten. Ze keek om zich heen, hoorde het geroezemoes van stemmen van de drie bij het bureau. Hoewel ze deze baan niet nodig had, hield ze van boeken, van het ontdekken van nieuwe schrijvers, nieuwe stromingen, verrast worden door een onbekende scribbelaar louter omdat de titel van het boek haar aanstond.
Haaye kwam binnen, even later gevolgd door meneer Van Zanten, die naar het groepje knikte en zijn plek bij de reisboeken opzocht. Ook Jasmijn ging zitten, deed haar laptop aan en wachtte totdat er leven in kwam.
‘Dus hier breng jij je dagen door?’, vroeg Lotte, op de punt van haar tafel plaatsnemend. Ze zag de stapels boeken en voelde de rust die hier werd uitgestraald. ‘En ik maar denken dat je elke dag hard aan het werk bent.’
‘Dit is hard werken.’
‘Boeken zijn nooit hard werk.’
‘Helemaal gelijk’, riep Haaye haar toe.
‘Wil je koffie, schat?’
‘Graag’, riep Haaye.
‘Ik heb het nu tegen m’n andere schatje, lieverd’, zei ze over haar schouder.
‘Kan het altijd proberen.’
‘Dit is éen boompje waar niet tegen gepiest kan worden. Koffie?’
‘Heb je het tegen mij nu?’, vroeg Jasmijn haar, zag haar blik en zei: ‘Graag.’
Lotte stond op en bleef staan, kijkend naar haar vrouw.
‘Waar denk je aan, lief?’, vroeg ze.
‘Hoe lang dit nog zal duren’, zei Jasmijn zacht.
Hoewel Marleen, Inge en Haaye onderling aan het praten waren, wilde ze niet dat iedereen dit hoorde.
‘Nooit gedacht dat werken zo leuk kon zijn.’
‘Hee, welkom in mijn wereld. Er is geen redden aan?’
Jasmijn schudde het hoofd en zei:
‘Redden is het enige wat deze winkel zou kunnen redden. Twee keer redden.’
‘Ah, da’s balen.’
‘Zekers. De zoveelste boekwinkel die weggevaagd wordt.’
‘Koffie’, riep Haaye.
Lotte streek met haar wijsvinger over Jasmijn’s wang, ging toen weg om koffie te halen. Ze kreeg de mok van Haaye overhandigd, die zelf met een tweede mok vanachter het bureau vandaan wilde stappen.
‘Is dat voor meneer Van Zanten?’, vroeg ze hem om na zijn knik ook deze mok van hem over te nemen.
Ze zette Jasmijn’s koffie op tafel en ging met de andere naar de reisboeken.
‘Meneer Van Zanten, uw koffie’, zei ze tegen de man.
Even lichtte hij zijn kont van de stoel en knikte om haar te begroeten, en ging weer zitten.
‘U bent mevrouw Davelaar mag ik aannemen?’, vroeg hij.
‘Inderdaad.’
‘Mijn vrouw bewondert uw schrijfwerk enorm en moet altijd gniffelen om de conversaties erin die zij soms een tikkeltje ondeugend vindt.’
‘Alles voor een glimlach. Mag ik?’, vroeg ze, een stoel pakkend om bij hem te gaan zitten.
‘Maar natuurlijk, mevrouw.’
‘U heeft veel gelezen, begrijp ik van mijn partner.’
‘Zeer veel. Altijd veel gelezen, maar na mijn pensionering ben ik helemaal losgeslagen, zoals dit in het moderne parlance heet.’
‘Wat fijn om te horen.’
‘Ik had ook kunnen vissen of biljarten, maar lezen is mijn hartelust. Van vissen hou ik niet en biljarten is mij vreemd, maar een boek vasthouden...’
Even tilde hij het opengeslagen boek dat op zijn hand rustte omhoog.
‘Dat is de beste manier om de tijd door te komen.’
Aangezien Lotte vroeger was gekomen dan verwacht, was nog niets in orde gemaakt. Haaye schoof een tafel tot bijna tegen de kast met Nederlandse romans, plaatste een stoel erachter en zette het nieuwste boek van Lotte op stapels door de winkel, met oudere titels van haar er naast. Hij had het niet zo met het fenomeen bekendheid, maar de manier waarop Lotte hem had begroet, hem recht in de ogen had aangekeken in plaats van langs hem heen, had hem aangenaam verrast. En ook hoe zij met meneer Van Zanten converseerde was een pluspunt in zijn optiek, vooral omdat de man geen prater was. Er was iets ontvankelijks aan Lotte, een onbevangenheid die je zelden zag in iemand die bekendheid had. Misschien zou hij eens iets van haar moeten lezen.
Lotte geeuwde luidruchtig, veegde de tranen uit haar ooghoeken vandaan en zei:
‘Al met al is het een drukke dag geweest.’
Het had storm gelopen in Pagina 42. Op het hoogtepunt stond de rij met boekliefhebbers tot aan Inge’s winkel. Lotte maakte met iedere bezoeker een praatje voordat ze signeerde. Veel mensen hadden haar volledige oeuvre meegenomen en overal moest een handtekening in. Aan het eind van de middag waren haar vingers dusdanig verkrampt, dat ze nauwelijks nog haar eigen handschrift kon lezen.
‘Inderdaad’, beaamde Jasmijn. Ze reden het parkeerterrein tussen de huizen op. ‘Het is nog nooit zo druk geweest in de winkel. Je bent tamelijk populair.’
Haar ogen gingen van links naar rechts op zoek naar een parkeerplek.
‘Alleen maar tamelijk?’, vroeg Lotte quasi verongelijkt. ‘Daar’s een plekkie.’
Jasmijn reed er naartoe en bleef staan. Op de parkeerplek stonden twee klikobakken. Ze zette de auto in haar achteruit op hetzelfde moment dat Lotte de portier opende en uit stapte.
‘Wat ga je doen?’, vroeg ze.
‘Die bakken weghalen.’
‘De buurvrouw zet ze daar altijd neer.’
‘Kan ze ze niet op de stoep zetten?’
‘Da’s om de plek vrij te houden.’
‘Lieve schat, dit is een openbare parkeerplaats. Als ze een plek wil vrijhouden, neemt ze contact op met de gemeente en betaalt ze er maar voor, net zoals alle andere brave burgers dat doen.’
Met dit pakte ze de eerste bak en duwde deze de stoep op, gevolgd door de tweede. Toen ze deze naast de andere plaatste, stormde de buurvrouw in kwestie haar tuin uit.
‘Wat doe je?’, vroeg ze bits.
‘Waar ziet het er naar uit?’, was haar tegenvraag.
‘Die heb ik daar neergezet zodat mijn man een plek heeft om te parkeren.’
‘Dan parkeert hij zijn auto maar ergens anders.’
De buurvrouw staarde haar woest aan maar Lotte had zich al omgedraaid en wachtte totdat Jasmijn de auto had geparkeerd en was uitgestapt.
‘Volgende keer steek ik je banden lek!’, riep de buurvrouw haar toe.
‘Sorry?’ Lotte draaide zich terug en lachte met ongeloof. ‘Waar gaat dit over?’, vroeg ze. ‘Zo gaan we toch niet met elkaar om...’
De buurvrouw antwoordde niet meer en verdween achter haar tuinhek. Toen Jasmijn bij haar was, stak Lotte een arm door de hare en gezamenlijk liepen ze het pad op langs de schuurtjes naar de deur van hun flat.
‘Is ze altijd zo?’
‘Ik laat het maar om dit soort dingen te voorkomen.’
‘Ik niet. Ik kan niet tegen bullies en deze bitch is een bully.’
‘Misschien de titel van jouw nieuwe boek: de bitch is een bully.’
‘Met buurvrouw Agressivo McBitchie als hoofdkarakter. Maar dan bedoel ik niet karakter als in Bordewijk. Trouwens: waarom heeft ze eigenlijk zo’n kerstboompje aan de binnenspiegel hangen? Wat doet ze in die auto dat een geurvreter nodig heeft?’
‘Dat wil je werkelijk niet weten.’