Informatie
De afgelopen maanden hebben liefhebbers van mijn vertelsels gevraagd waarom ik geen boeken meer uitbreng. Da's heel eenvoudig: dat gedoe van reclame maken, de pers aanschrijven en al het verdere gelazer dat met publicaties gepaard gaat, werd mij te veel. Ik ben een schrijfster die wil schrijven en niet iemand van wie verwacht wordt dat ze er allerlei andere dingen omheen gaat doen. Dat vreet namelijk aan mijn schrijftijd.
Om de lezende mens tegemoet te komen, heb ik besloten om mijn (kortere) verhalen in feuilletonvorm elke donderdag op deze site te zetten, te beginnen met éen van mijn recentste novellen. Op deze manier kun je ze toch lezen en kan ik verder gaan met wat ik het liefst doe, namelijk schrijven.
juni 2025
Levendig begraven
1.
Zittend op de rand van het bed met haar schoenen aan, de veters los als kronkelende slingers op het vloerkleed, liet Viv een diepe zucht ontsnappen.
Celi stond bij het raam, de armen over elkaar gevouwen, starend naar de andere kant van de straat zonder de huizen op te merken. Hun ruggen waren naar elkaar toegekeerd.
‘En nu?’, vroeg Celi.
Viv trok de schouders op.
‘De zaak valt niet meer te redden’, zei ze. ‘Heel de zooi moet verkocht worden. Misschien dat we er wat aan over houden.’
‘Wat als je nou eerst met de inventaris begint voordat je de rest verkoopt. Het zou kunnen meevallen.’
‘Welke inventaris?’ Viv’s wedervraag ging gepaard met het korte lachje waar Celi op dat precieze moment de kriebels van kreeg. ‘Alles is al verkocht, lieve schat’, vervolgde ze. ‘Het enige dat er nog staat, is het pand zelf en een paar computers. En overal zit een vette lening op.’
‘Waarom heb je me dat nou niet eerder verteld?’
De toon waarin Celi sprak was wanhopig. Viv scheen de kunst te hebben geperfectioneerd van het bijna niets meer delen met haar.
‘Denk je dat dat iets zou hebben uitgemaakt? Je zou je er alleen maar zorgen om maken en daar schiet niemand iets mee op.’
‘Denk je dat ik me nu geen zorgen maak?’, vroeg Celi en liep naar de deur. ‘Je bent niet een eiland, Viv. Je had jouw zorgen met mij kunnen delen.’
‘Juh.’
‘Er is een tijd geweest dat je dit deed. Wat is er veranderd?’
‘Is er iets veranderd dan?’
Ze keek naar Celi die zwijgend het hoofd schudde. Tijdens dit soort discussies was er altijd zoveel onnozelheid dat haar vrouw uitkraamde waarvan ze nooit wist of dit gespeeld was of dat het louter haar zonnige maar verdraaide wereldbeeld weergaf.
‘Ik dacht dat ik het ging redden’, ging Viv verder, een rationeel antwoord gevonden hebbend. ‘Maar met het terugbetalen van de NOW-regeling en die laatste klant die zijn order terugtrok, ging alles de mist in.’
‘En nu?’, vroeg Celi nogmaals.
‘Ja... Goede vraag.’
‘Een vraag waarop ik antwoord wil krijgen.’
Leunend tegen de deurpost keek ze lang naar haar vrouw. Viv hield haar blik op haar schoenen gericht, zichzelf afvragend of het de moeite was om hen dicht te knopen. Ze wilde naar buiten, de frisse lucht in, een ommetje maken op het strand en de zeewind proeven. Een wandeling op het strand maakte alles beter. De vraag was of ze de betonnen platen naar de andere strandopgang zou aflopen en via een rondje door het dorp terug huiswaarts zou gaan, of langs de waterlijn ging slenteren om in het zand neer te ploffen en naar de sterren gaan kijken.
‘Ga je jezelf failliet verklaren?’
Celi’s vraag bracht Viv terug naar de slaapkamer.
‘Waarschijnlijk. Maar als dat gebeurt, moeten de boeken open en dan ziet “men”’, zei ze met een wrang lachje, aanhalingstekens met haar vingers makend, ‘dat er hier en daar iets niet helemaal in de haak is, om het netjes te zeggen.’
‘Hoe bedoel je?’
‘In belastingkringen wordt het geloof ik een beetje als fraude omschreven.’
‘Er is gefraudeerd? Door wie?’
‘Ik zei de gek.’
‘Jezus, Viv, waar ben je in godsnaam mee bezig geweest. Ben je nou werkelijk helemaal van de pot gerukt? Laten we nou eerlijk zijn: je hebt helemaal niet het soort kapitaal om te frauderen. Dat doen die… die miljoenen bedrijven, geld heen en weer schuiven.’
‘Fraude, geld heen en weer schuiven: allemaal mooie woorden voor hetzelfde gedrag. Het gekke is dat ik dacht alles onder controle te hebben, maar, hah, een mens kan zich vergissen.’
Ze knoopte haar schoenen dicht en stond op. Het strand had het gewonnen.
‘Dus als de politie aan de deur staat: ik ben er niet’, zei ze.
‘Wat een...’ Celi zweeg. Het had geen zin om Viv voor rotte vis uit te maken als er een weg uit deze gierput gevonden moest worden.
De voordeurbel tringggde. Beiden keken elkaar aan. Celi’s ogen gingen van Viv naar de klok. Tien over half tien. Wie stond er nog zo laat onaangekondigd aan de deur?
‘Ik ga wel’, mompelde ze en liep door de woonkamer naar de voordeur. Aan de andere kant het rookglas zag ze twee figuren afgetekend. Als ze de éen of andere god kwamen brengen op dit goddeloze uur van de avond, zou ze hen naar hun heiligdom schoppen. Ze was daar plots voor in de stemming.
‘Goedenavond’, zei de politieman. ‘Bent u mevrouw Celi Park?’
Ze knikte waarop hij zichzelf en zijn collega voorstelde voordat hij vroeg:
‘Mogen wij binnen komen?’
‘Uhm, natuurlijk.’
Ze opende de deur verder en liet hen voorgaan. De politieagente veegde haar voeten tweemaal terwijl ze Celi lang aankeek.
‘Waar gaat het over?’, vroeg ze, hen naar binnen volgend waar ze in de woonkamer bleven staan. ‘Gaat u zitten, alstublieft.’
Die blauwe pakken met alle toeters en bellen bengelend aan de riemen waren staand luidruchtiger dan zittend. Ze namen op de bank plaats. Celi schoof een voetenbank iets naar achteren en plofte erop neer. Plots voelde ze de puf uit haar lichaam verdwijnen.
Langs de politielui heen zag ze in de gang Viv’s schaduw geweerkaatst op de deur van het toilet.
‘Er is helaas een ongeluk gebeurd en wij zijn bang dat uw vrouw daarbij betrokken was’, zei de man.
‘Wat?’ Ze lachte vol ongeloof.
‘Rijdt uw vrouw een...’ hij keek op zijn bloknootje, het hoofd iets naar achteren getrokken om zijn eigen handschrift te kunnen ontcijferen ‘...Audi A4?’
‘Limousine. A4 Limousine’, vulde de agente aan.
‘Audi A4 Limousine?’, herhaalde de agent. Celi knikte. ‘Deze Audi is bij een ongeluk betrokken geweest en volledig uitgebrand.’
‘Pardon?’
Met een verwarde blik keek ze hem aan. Er ging vanalles door haar hoofd. Uiteindelijk kwam ze tot de vraag:
‘Weet u zeker dat het de auto van mijn vrouw is? Er rijden veel Audis rond.’
‘Het kenteken is...’ weer dat hoofd naar achteren... ‘VIVINU.’
Hij sprak het uit als Vivinu.
‘VIV 1 NU’, verbeterde zijn collega hem, haar blik op Celi gericht.
‘VIV 1 NU’, herhaalde hij.
‘Dat is inderdaad...’
Ze stopte. Viv had vooraan gestaan in de rij voor persoonlijke kentekenplaten. Alsof dat het belangrijkste in het leven is als jouw bedrijf op springen staat. Ze maakte een gebaar in de richting van de gang om de agenten erop te wijzen dat de eigenaresse van Vivinu springlevend was en louter begraven onder schulden en frauduleuze praktijken, maar haperde. Er was iets… Ze was benieuwd wat er aan de hand was en veranderde het wijzen in een wijdse armbeweging om de vingers door haar haar te kunnen strijken.
Ze moest zich concentreren toen de de agent haar van het ongeluk vertelde: hoe het, vermoedelijk na een tikje van een andere auto, tegen de vangrail was gebotst en vandaaruit doorstuiterde naar het benzinestation waar het een pomp molesteerde. Door het schrapende metaal vatte de benzine vlam met als gevolg dat de auto helemaal uitbrandde en een paar andere autos alsook het benzinestation zelf in deze vlammenzee meenam.
‘De brandweer is nog steeds aan het blussen’, eindigde hij, achterwege latend dat de ondergrondse tank nog maar net gespaard was gebleven. Zou de brandweer een minuut later gearriveerd zijn dan was de puinhoop groter geweest dan het nu al was.
‘Omdat een andere weggebruiker het kentekenplaat van de Audi opviel’, nam de agente het gesprek over, ‘konden wij snel contact met u opnemen.’
‘Ja.’ Haar stem klonk hees. ‘Ja, ik begrijp het.’
‘Kunnen wij misschien iets voor u doen?’, vroeg de agente, een blik wisselend met haar collega.
Celi schudde het hoofd en stond op. Het duizelde haar. Er was veel dat zij niet begreep en het korte bezoek van deze mensen in blauw had haar verwarring alleen maar groter gemaakt. De agenten volgden haar naar de deur.
‘Dank u’, zei ze toen ze hen uitliet.
De agente gaf haar een kaartje en krabbelde daar haar eigen naam op.
‘Voor als u contact met ons wilt opnemen’, zei ze, het kaartje in Celi’s handen stoppend. ‘We komen weer langs zodra we meer weten.’
Celi knikte en sloot de deur achter hen. Ze bleef er tegenaan geleund staan totdat ze de benedendeur in het slot hoorde vallen en ging terug naar de woonkamer.
‘Misschien dat enige uitleg het een en ander voor mij kan ophelderen’, merkte ze op.
Viv leunde in de gang tegen de wand.
‘Zoals?’
‘Zoals: waar gaat dit in hemelsnaam over? Jij bent met auto en al verbrand en hebt een pompstation in de hens gezet. Help mijn hersens en zeg hoe je dit voor elkaar hebt gekregen. Daarna kun je me in een gesticht stoppen.’
‘Hoe kan ik iets gedaan hebben als ik thuis was?’, vroeg Viv.
Ze liep terug de slaapkamer in en trok haar schoenen uit. Dooien lopen niet over straat en ook niet op het strand. Zelfs Vikingen kregen dat niet voor elkaar.
‘Waar was je vanmorgen vroeg dan?’
‘In de zaak.’ Verdere uitleg scheen Viv niet nodig te vinden.
‘Moet ik nou werkelijk elk woord eruit trekken?’, vroeg Celi met de zoveelste diepe zucht van die avond.
Ze keek naar Viv en vroeg zich af waar de vrouw gebleven was die ze zeventien jaar geleden was getrouwd. Het leven was zo vrolijk toen: rennend over het strand, zittend op de bunkers de zon zien ondergaan en pas terug naar huis als de nasmeulende rode band vlak boven de horizon compleet was verdwenen. Tegenwoordig was het alsof ze nooit meer iets samen deden, alsof dit deel van hun relatie met het doven van de zon in de zee was uitgegaan. De verveling, het mondaine, het niet meer de moeite waard vinden om uit bed te stappen om iets leuks te gaan doen, was in hun samenzijn geslopen. Met tergend langzame stapjes was het ongemerkt dichterbij gekomen en was de spontaniteit, die hun huwelijk zo aantrekkelijk maakte, aan het opslorpen. Natuurlijk begreep ze dat dit vooral kwam omdat Viv zich een breuk werkte om haar bedrijf staande te houden. Nu bleek dat de vele uren die zij daar dag en nacht had doorgebracht tevergeefs waren geweest.
Viv wierp haar schoenen in de richting van het rek. Eentje belandde op de zij, de ander schuin tegen het metaal aan waar het langzaam vanaf gleed. Steunend, haar handen achter zich op het dekbed, keek ze naar Celi.
‘Vanmorgen ben ik naar de zaak gereden om wat papieren op te halen. Toen ik...’
‘Wat voor papieren?’, onderbrak Celi haar.
‘...weg... da’s niet belangrijk. Toen ik wegging, zag ik een vrouw om de auto heenlopen. We raakten aan de praat en zij zei dat ze altijd zo’n kar had willen hebben. Een goede manier om een centje te verdienen, dacht ik zo, en vroeg haar wat ze er voor over had. Uiteindelijk kwamen we op een prijs van 8.500 uit.’
‘8.000 maar?’
‘Plus 500. Beter dan niks. Als ik failliet verklaard word, is dat ding nog minder waard -als ik er al wat voor krijg. Maar, waar was ik... Ze wilde eerst een rondje rijden om te voelen hoe het was. Ik ben ook niet van gisteren en zei haar dat ze de helft van het aankoopbedrag moest betalen voordat ze ook maar een voet in m’n auto kon zetten. Dat had ze niet. Wat ze wel had, was haar paspoort.’ Ze boog zich voorover om haar jasje van de kruk te trekken, haalde het paspoort uit de zak en overhandigde deze. ‘Beter dan niks. Oh ja, en dit.’
‘Sleutels?’, vroeg Celi verbaasd bij het zien van het tinkelende bosje dat aan Viv’s wijsvinger hing.
‘Huissleutels.’
‘Wie geeft er nou huissleutels als onderpand?’
‘Iemand die genoeg van het leven heeft en de auto van een ander gebruikt als zelfmoordwapen.’
‘Denk je dat werkelijk?’, vroeg Celi geshockeerd.
‘Als je alles bij elkaar optelt: ja.’
‘Oh? Dat was niet in mijn hoofd opgekomen. Zag ze er uit alsof ze zichzelf iets wilde aandoen?’
‘Geen idee. Hoe ziet iemand eruit die genoeg van het leven heeft...’ Ze trok de schouders op en dacht na.
‘Wat denk je...’, begon Celi maar stopte toen Viv een hand ophield. Ze zag aan de blik van haar vrouw dat deze in diepe gedachten was verzonken, zweeg en verdween uit de kamer.
In de keuken zette ze de ketel op voor een bak thee. Terwijl het water zacht borrelend aan de kook kwam, legde ze het paspoort en de sleutels op tafel en staarde naar buiten.
2.
‘Slaap je al?’, vroeg Viv zacht.
‘Nee.’
Celi draaide zich om en keek naar haar. Ze had zich in de comfort van haar eigen dekbed gewikkeld, echter, de slaap wilde maar niet komen. Het duurde even voordat haar ogen aan de duisternis wenden en met langzame stapjes zag ze het contour van haar vrouw afgetekend tegen de donkere achtergrond van de slaapkamer. Viv leunde met de rug tegen het hoofdbord, de knieën opgetrokken onder haar dekbed.
‘Ik heb een voorstel.’
‘Is het belangrijk?’
‘Ik heb alle tijd; per slot van rekening ben ik overleden’, merkte ze niet geheel zonder cynisme op. Toen Celi niet op haar opmerking in ging, vervolgde ze: ‘Het is belangrijk.’
Ook Celi ging overeind zitten. De omgevingslucht was koel vergeleken met de warmte onder het dekbed. Ze trok het dekje omhoog en sloeg de uiteinden om haar schouders.
‘Alles is belangrijk sinds gisteravond’, mompelde ze.
De kerkklok sloeg driemaal. Dit hield in dat het acht voor drie was. De stormwind die twee maanden geleden langs heel de kust had huisgehouden, had de klok van slag gemaakt.
‘Dat is zo’, beaamde Viv haar opmerking. ‘Aan de andere kant kun je het ook zien als een opportuun moment in ons leven.’
‘Hoe bedoel je dat?’
‘Eerst nog wat anders: wat vind jij dat wij met deze situatie moeten doen?’
Celi keek opzij en zag de glanzende ogen naast haar heel helder en heel afwachtend terugkijken.
‘Persoonlijk vind ik dat we moeten opbiechten dat er een misverstand is, want...’
‘Nou, ik dacht...’
‘Luister eerst naar mij, Viv, en dan ben jij aan de beurt.’
‘’kee.’
‘Uhm, waar was ik?’
‘Misverstand.’
‘Ja. Ja, we moeten opbiechten dat het een misverstand is. Want wat gaat er verder gebeuren?’
‘Dat wil ik juist...’
‘Luister, ik ben nog steeds niet klaar. Wat er verder gaat gebeuren, is dat er een begrafenis komt. Wie wordt er begraven? Een naam en foto uit een paspoort worden in een kist gelegd alszijnde Vivienne Verlinde.’
‘Ik heb liever een crematie.’
‘Heel de familie staat dan in tranen om een graf heen waarin een wildvreemd iemand ligt waarover een andere familie zich zorgen maakt. En daar moet ik mee leven? Nee, dat gaat me niet lukken.’
‘Was dat ’t?’, vroeg Viv toen de pauze na Celi’s woorden aanhield.
‘Als je geluisterd hebt wel.’
‘Ik heb geluisterd, Cel, ik heb jou gehoord. Wil je mijn idee horen?’
Beiden wisten dat Viv niet had geluisterd, louter de woorden langs haar heen had laten gaan totdat er pauze was groot genoeg om aan haar eigen verhaal te beginnen. Zonder op Celi’s bevestiging te wachten, ze ze:
‘Ik weet dat het onnozel is om een onbekende in mijn plaats te begraven.’
‘Onnozel?’, herhaalde Celi spottend.
Viv wuifde haar vraag weg en vervolgde:
‘Vul een woord naar eigen keuze in. Maar er zit een hele andere kant aan deze situatie, een mogelijkheid om onszelf een nieuwe kans te geven. Hoor me effies aan voordat je een mening geeft. Een puur hypothetisch voorstel: de auto en ik zijn in vlammen opgegaan. Er is voor de politie geen reden te denken dat iemand anders in de auto zat dan Viv Verlinde. Aangezien ik na dit ongeluk al half gecremeerd ben, zetten we dit proces voort en eindig ik in een blikje in een nisje op het kerkhof. Wat gaat er dan gebeuren, vraag je jezelf af.’ Ze keek naar haar vrouw en mompelde: ‘Of misschien ook niet... In elk geval is mijn plan dat ik naar Rolde ga om onder te duiken totdat alles rondom de begrafenis een beetje is gesust. Ik heb daar al eerder aan gedacht, m’n haar te verven, en met die gedachte, en dit is het geniale van heel het plan, verander ik in de vrouw van het paspoort.’
‘Wat?’, riep Celi verbijsterd uit.
‘Effies nog, voordat je begint met mij uit te foeteren. Denk eens aan de voordelen, aan de vele mogelijkheden: alle schulden worden kwijtgescholden, want jij bent daar niet aansprakelijk voor. Als de financiële kant is afgerond en de familie na een bak koffie met een plakje marmercake naar huis wordt gestuurd, begint ons nieuwe leven. Ons bestaan deel twee met in de hoofdrollen dezelfde spelers als voorheen. Ik neem die andere identiteit aan, we verkopen het huisje in Rolde en gaan van dat geld naar Spanje. Of verder, wat je maar wilt. Ik heb ook nog wat geld in een kluisje bij de bank liggen dus...’
‘Ik dacht dat je geen flikker meer had.’
‘...dat... een beetje achter de hand, lieverd, dus dat gaat naar jouw bankrekening. Mocht iemand er naar vragen dan is het spaargeld dat je tussen de lakens hebt uitgetrokken en veilig wilt stellen. Lijkt het je wat?’
In gedachten verzonken, antwoordde Celi niet.
‘Kom op, Ceel; dit is een tweede kans die we hebben gekregen.’
‘Er is iemand overleden’, herinnerde zij haar eraan.
‘We laten effies de morele kant voor wat het is. Daar valt toch niets meer aan te doen. Des te meer ik eraan denk, des te meer ik geloof dat m’n Audi door die vrouw als zelfmoordwapen is gebruikt. Als je dan toch een doodwens heb, doe het stijlvol.’
‘Ja, maar wat haar achterliggende gedachte ook mag zijn geweest, heeft haar familie dan niet het recht om te weten te komen wat er met haar is gebeurd?’
‘Tuurlijk, je hebt helemaal gelijk, ook daar heb ik aan gedacht’, verzon ze ter plekke en liet haar hersens alle kanten uitdraven om een gepaste reactie hierop te kunnen geven. ‘Daarom’, begon ze langzaam, ‘zou jij kunnen gaan uitzoeken wie ze is.’
‘Hoe?’
‘Via, ehh, facebook enzo. Je hebt een naam, zoek er een achtergrond bij.’
‘En dan vind ik haar en zie hoe haar moeder en zus en jonger broertje op facebook berichtjes sturen waarop zij geen sjoege geeft. Wat stel je voor dat ik dan doe? Wil je dat ik speel dat ik haar ben en in Moldavië werk heb gevonden?’
‘Uhhh, laten we nog niet zo ver doordenken.’
‘Nee, natuurlijk niet. Jij zit al met je kont in Spanje, maar ik mag niet naar morgen kijken?’
‘Jezus, Ceel, wat ben je toch een moralistische doos geworden’, zei Viv, plots geïrriteerd door alle vragen die op haar werden afgevuurd. ‘Ik probeer jou een nieuw leven te geven, eentje waar we beiden wat aan hebben, waar we kunnen doorgaan met wat we jaren geleden zijn verloren, namelijk onszelf. Jij en ik. Waar is de lol gebleven?’
‘De lol is in elk geval niet te vinden over de rug van een onbekende dooie.’
‘Maar denk eens aan dat ene woord: onbekend. Daar gaat het om. Misschien had ze al jaren geen contact meer met haar moeder. Het is niet voor niets dat ze een doodswens had.’ Viv richtte zich op om het bed uit te gaan. ‘Ik was gek op die auto maar bereid om haar voor jou te verkopen zodat we weer een paar maandjes verder konden doorgaan.’ Ze slaakte een diepe zucht. ‘Maar goed, als jij bezwaar hebt tegen dit plan dan gaat alles over. We sjokken sukkelig verder met wat we hebben en dat we in een positieve bui een goed leven blijven noemen. Whoeptiedoe. Zie je me lachen?’
Ze liep de slaapkamer uit naar de keuken waar ze het koude water uit de ketel smeet en het met vers vulde. Ze bedacht zich en opende de deur van de koelkast. Er moest nog een staartje Jägermeister staan.
Celi was onderuit geschoven met het dekbed strak om haar heen. De kilte had vat op haar gekregen. Ze sloot de ogen hoewel ze wist dat er vannacht van slapen niets zou komen en draaide zich op haar zij. Het nachtelijke licht, de gloed van straatlantaarns, het affakkelen van de Hoogovens gereflecteerd in de ramen van de flat aan de overkant van de straat, een auto die uit een parkeerhaven draaide om terug naar huis te rijden. Vast aangeschoten, bedacht ze grimmig. De zoveelste sukkel die dacht dat de regels van het leven voor hem niet golden.
Ze had grote bedenkingen over het plan van Viv. En toch was er iets in haar achterhoofd dat haar ervan wilde overtuigen dat het mogelijk was om Viv een andere identiteit aan te laten nemen en naar Spanje te vertrekken, het leven een nieuwe start te geven.
De vraag was: wilde zij dit eigenlijk wel?
Zittend op de bank met het flesje Jägermeister binnen grijpafstand, zag Viv in het straaltje licht dat tussen de luxaflex doorglipte, het kaartje van de politieagente op de leuning van de bank liggen. Ze pakte het op en draaide het zodanig, dat het leesbaar werd. Grinnikend legde ze het terug. Een politieagente die zich als maatschappelijk werker opstelt. En dan vond Celi haar plan een absurde.
3.
Celi werd wakker. Viv lag naast haar. Ze hoorde aan haar stille ademhaling, dat Viv niet sliep. Ze gleed het bed uit, trok een lang t-shirt aan en ging de kamer in. De ochtenden waren nog steeds fris. Ze keek uit naar de zomer, de warmte, de lange avonden en de zwoele nachten waarbij ze bovenop het laken kon liggen om te slapen.
Ze tikte de verwarming aan en draaide het naar twintig. De fluitketel was nog vol. Ze zette het op, pakte het lege flesje Jägermeister van het aanrecht af en stopte dit in de glastas. Toen ze aanstalten maakte om de luxaflexen open te draaien, keek ze om naar de gang.
‘Kun je die nog dicht laten?’, vroeg Viv, geeuwend de kamer inlopend. Ze deed wat haar werd gevraagd.
‘Wil je thee?’
‘Geef maar koffie.’
‘We hebben alleen instant.’
‘Maakt niet uit; het smaakt mij toch allemaal hetzelfde.’
Viv schoof op de bank onderuit, de benen over beide voetenbankjes verdeeld. Celi keek van haar naar de ketel en terug. Ze zuchtte en moest toegeven dat hun leven ontzettend alledaags en saai was geworden, enorm voorspelbaar. Door de week thuiswerken, dat was de norm geworden, eten maken, teeveetje aan en programmas opzoeken waarbij ze nog voor half negen in slaap kon vallen. Viv had wel eens schertsend gezegd dat dit geen leven was maar overleven. Tenminste, ze hoopte dat dit schertsend was bedoeld. Het enige dat een mens ervan weerhield spontaan te overlijden, was dat deze kunst had gevonden te blijven ademhalen totdat dit echt onmogelijk werd.
Ze liet haar thee op het aanrecht staan en bracht de beker koffie naar Viv. Terug in de keuken leunde ze met haar kont tegen het aanrecht en bestudeerde de muur. De klok tikte ritmisch de uren van weer een dag weg.
‘Wil je ontbijten?’, vroeg ze zonder zich om te draaien.
‘Nah, laat maar, ik neem onderweg wel wat.’
‘Ga je ergens naartoe dan?’
Nu draaide ze zich wel om en keek naar de bank waar het kruintje van haar vrouw boven de hoge rugleuning uitstak.
‘Naar de politie, zoals jij het wilt, om te vertellen dat er iets van een oepsje is gemaakt. Ik zal ze het paspoort geven zodat ze het juiste kunnen doen.’ Dit laatste zei ze niet zonder cynisme. ‘Iedereen om me heen blij, iedereen op facebook blij, jippie, en ik heb aan mijn burgerplicht voldaan. Goed plan, toch?’
Het was geen echte vraag en Celi beantwoordde het niet.
‘En dan?’, vroeg ze in plaats daarvan.
‘Me failliet laten verklaren. Er is geen andere weg om mezelf onder deze puinhoop vandaan te trekken. Hopelijk krijg ik alleen met een lineaal een tik op de vingers vanwege de fraude en hoef ik niet de bak in. Hoewel: als dat laatste gebeurt, is er tenminste nog iets van vertier in m’n leven. En jij kan cakejes bakken met nagelvijltjes erin. Plastic danwel, anders komen ze niet langs de portier. Als je tenminste wilt langskomen.’
‘Tuurlijk kom ik langs’, zei Celi verongelijkt voordat ze doorhad waarover ze eigenlijk aan het praten waren. ‘Maar wat is dat gezeik over de bak indraaien? Failliet, jammer dan, maar het is jouw eigen tent die je gefraudeerd hebt, dus als iemand jou een afzeiker moet geven, ben je dat zelf.’
‘Daar heb ik jou toch voor?’, mompelde Viv voor zich uit.
‘Sorry?’, vroeg Celi.
‘Nee, niks; ik voel me mentaal niet al te best vanmorgen en zit te bedenken hoe het verder met ons gaat, ons leven, en of ik dat nog wel wil.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Of ik het nog aankan, deze sleur, de voorspelbaarheid van ons bestaan. Zelfs de dingen die we spontaan ondernemen zijn voorspelbaar geworden. Ik weet niet of ik dat nog wil.’
‘Wat is het alternatief: scheiden?’
‘Pfff, hoezo? Het mag misschien langs jou heen zijn gegaan, maar ik hou nog steeds ontzettend veel van jou en dat zal nooit anders zijn. Het is puur hoe we nu leven dat mij tegenstaat. En het weer helpt er ook niet aan mee’, zei ze toen ze de regen tegen de ramen hoorde slaan.
‘Ik begrijp het, maar kunnen we het veranderen?’
Celi liep achter de bar vandaan naar het woongedeelte. Ze tikte tegen een been van Viv aan, dat braaf opzij schoof, en ging op de voetenbank tegenover haar zitten.
‘Hoe dan?’, vroeg Viv, de voeten nestelend op Celi’s dijen. ‘We hebben geen cent te makken. Al het spaargeld is in de zaak gegaan. Ik heb een tiet geld weg kunnen moffelen maar als de overheid en de investeerder hier achter komen, zijn we dat ook kwijt.’
‘Hoeveel is het?’
‘Een paar duizend. Niets om over naar huis te schrijven, maar we kunnen er een paar maanden van leven. Ook als we het huisje in Rolde kunnen verpatsen.’
‘We hebben nergens anders nog wat liggen? We zouden onze levensverzekeringen kunnen afkopen.’
‘Al gedaan.’
‘Wat?’
‘Een kleine jaar geleden. Heb ik dat niet gezegd, dan?’ Viv zette grote zich van geen kwaad bewuste ogen op hoewel ze dondersgoed wist dit alles achter Celi’s rug gedaan te hebben. ‘Een deel is naar dat opzij gelegde geld gegaan; het andere in de zaak verdwenen.’
‘Oh, Viv, wat heb je in hemelsnaam allemaal gedaan.’ Viv trok de schouders op. ‘Waarom heb je het niet eerder verteld?’, vroeg Celi toen.
‘Jij was zo trots op me, blij dat ik iets deed waar ik goed in was en dat geld opbracht. Dat deed het aanvankelijk ook. Maar de klad kwam erin.’
‘Da’s bij veel zaken gebeurd tijdens de covid.’
‘Nee, dit was ervoor al, laat ik heel eerlijk zijn. Ik dacht dat ik een verschil kon maken, dat mensen mij nodig hadden. In mijn hoofd liep het zo gelikt, maar de realiteit heeft mijn droom ingehaald. Ik had beter in loondienst kunnen blijven; dan hadden we nog wat geld gehad.’
‘Je zat daar een partijtje dood te gaan’, herinnerde Celi haar eraan, ‘dus dat was werkelijk geen optie.’
‘Ja, maar...’ haar “maar hier ook” kon ze niet zeggen, dat was te cru, en ze eindigde de zin anders dan ze van plan was ‘...waarom heb ik geprobeerd een droom te verwezenlijken door een eigen bedrijf te starten? Eigen baas zijn; het klinkt zo aangenaam, zo machtig. Niet meer te hoeven luisteren naar dat oeverloze gezeik van een manager, geen klotevergaderingen meer waar ik liters espresso moest wegdrinken om wakker te kunnen blijven. Ik heb hartkloppingen gekregen van dat bocht, daar sta je dan ook niet bij stil. Ik moest zo nodig een pandje hebben waarin ik mijn eigen ding kon doen.’ Ze maakte aanhalingstekens voor dit laatste met haar wijs- en middelvingers. ‘En het resultaat? Mijn droom is verwezenlijkt en amper twee jaar later verdwenen. Poef, in rook opgegaan. Geen geld, geen zaak, geen droom, alleen de lange trek naar het ouder worden voor me. Zonder een cent op zak, maar dan schijnen de soepkeukens hier in Nederland nog niet zo slecht te zijn.’
‘Zo erg is het niet.’
‘Het voelt wel zo.’ Viv ging overeind zitten en pakte Celi’s handen tussen de hare. ‘Ik kom er wel overheen, schat’, zei ze, ‘maar op dit moment ben ik niet blij te maken.’
Minutenlang bleven ze op deze manier zitten. Soms keken ze elkaar aan, soms staarden ze langs elkaar heen, soms waren ze in gedachten verzonken. De keukenklok tikte een ritme dat sneller leek te gaan dan de gemiddelde seconde.
‘Waar is de lol gebleven, Viv?’ Celi’s vraag verbrak de stilte. ‘We hadden altijd zoveel lol, maar nu…’
‘Ik wou dat ik daar en pasklaar antwoord op had.’
‘Dat is er niet.’
‘Dat is er niet’, herhaalde Viv, ‘daar heb je gelijk in. Misschien heeft dit met het ouder worden te maken.’
‘Denk je?’
‘Nee, dat geloof ik zelf niet. Het vele werken hielp ook niet mee.’
‘Het kan ook zijn dat we nu in mijn en dijn denken en niet meer in wij.’ Celi legde haar handen over die van Viv. ‘Ik bedoel daar niet dat gekut met jouw bedrijf mee, maar in het algemeen. De lol schijnt uit onze relatie te zijn verdwenen. Het is routinematig geworden, jij en ik…’
‘Wij’, verbeterde Viv haar en haalde hiermee een weemoedig glimlachje uit Celi. ‘We moeten de routine verbreken, schat, anders gaat het echt fout tussen ons.’
‘Jij in de bak is een goede routine breker.’
‘Inderdaad.’ Viv grinnikte. ‘Maar de wekelijkse bezoekjes zullen dan wel weer routine worden. Of erger nog: plichtsgetrouwe routine.’
‘Hoe denk je dat we verder kunnen gaan? Zeg maar hoe jij het wilt hebben, lief.’
Viv kuste Celi’s vingers en liet haar handen los om achterover in de comfortabele kussens van de bank te kunnen hangen. Ze voelde dat ze verwachtingsvol aangestaard werd. Ze was altijd degene met de ludieke oplossingen. Celi verwachtte dit nu ook. Er speelde al een zweem van een plan door haar hoofd. Ze moest dit nog laten bezinken om het volledig uit te denken.
‘Misschien word ik gearresteerd door een voormalig schoolmaatje van me’, zei ze, en pakte het adreskaartje van de agente. Ze hield deze voor Celi op. ‘Ik ken Lorie van vroeger. Niet de braafste meid in de klas maar wel degene die altijd alles voor elkaar kreeg. Ik ergerde me daar lam aan. Maar goed, da’s oud zeer. Zal ik haar een plezier doen en haar winstmarge vergroten door met gestrekte polsen voor haar te gaan staan zodat ze de boeien er omheen kan slaan?’
‘Wat een waanzin.’
‘Je hebt gelijk. Al mijn ideeën zijn momenteel waanzin, net zoals mijn leven en mijn gedachte om er iets van te kunnen maken voor jou en mij. Voor ons. Mijn waanzinnige idee om de identiteit van een ander aan te willen nemen valt onder dezelfde noemer. Maar meer dan deze waanzin kan ik je nu niet bieden, Ceel. Sorry.’
‘Hee, we doen niet aan sorry in onze relatie, weet je nog?’
‘Okee, ik…’
‘Shhh, laat me even.’
Viv zweeg en Celi sloot de ogen om zich te kunnen concentreren op haar nadenk proces. Na een aantal stille minuten pakte ze uiteindelijk het paspoort van de leuning, wierp het in Viv’s schoot en zei:
‘Stephanie van Gilzen is sinds 2014 niet meer op facebook geweest.’
4.
‘Het lijk moet geïdentificeerd worden.’
Lorie zette een mok koffie op het bureau van haar collega en bleef staan.
‘Die van die gefrituurde lesbo?’, vroeg hij.
‘Je kunt het ook wat vriendelijker zeggen’, zei ze.
Hoewel ze gewend was aan het onbehouwen gedrag van veel mannelijke collegae, staken dit soort botte opmerkingen haar nog steeds.
‘Hoe wil je die identificatie doen?’
‘Aan de hand van het armbandje dat ze om had.’ Ze pakte een zakje met een geblakerde maar nog redelijk intact armbandje van haar bureau af. ‘Iemand van ons moet langsgaan om het te laten identificeren.’
‘Doe jij dat maar; jij spreekt Lesbiaans.’
‘En wat is daarin het verschil met gewoon Nederlands?’
‘Het is maar een grapje, Loor; niet de stekels opzetten.’ Jos ging gemoedelijk achterover zitten, voor zover zijn bureaustoel dat toeliet. ‘Ik bedoel te zeggen dat jij beter met vrouwen overweg kan dan ik.’
Dit was zijn manier om aan te geven dat hij niet van plan was de straat op te gaan, zeker niet met deze regen.
Lorie keek naar buiten. Hoewel het nog ver weg was, leek het alsof de lucht een beetje helderder werd. Ze trok haar jas aan en stopte het zakje met de armband weg.
‘Zorg er voor dat je voor de middag terug bent; we hebben nog meer te doen’, waarschuwde Jos haar.
Na een bevestiging gemompeld te hebben, verdween ze naar buiten.
Ze reed de stad uit en nam de randweg naar Wijk aan Zee. Zodra ze de Zeestraat op reed en aan beide zijden omringd werd door het eerste groen van de bomen, voelde ze haar schouders ontspannen.
Het was ooit eens haar droom geweest om bij de politie te werken, mensen te helpen, iets terug te doen voor de maatschappij door deze veilig te houden. Ruim twintig jaar later en flink gedemoraliseerd door de houding van haar collegae, door de halstarrigheid van de leiding en vanwege het beleid van verschillende overheden door de jaren heen, met bezuinigingen hoog in het vaandel, wilde ze niets liever doen dan eruit stappen en ander werk zoeken. Ze had zich verdiept in de wensen van de arbeidsmarkt en moest concluderen dat men niet zat te wachten op veertig plussers die louter goed waren in het herkennen van verdacht gedrag. Ze was te oud, had geen hbo diploma dat voor elk lullig baantje werd gevraagd, en het enige werk waar ze zo kon instappen was als beveiliger bij clubs. Maar ze paste ervoor om de kots van achttienjarigen over haar schoenen heen te krijgen.
Inmiddels had ze zich er min of meer bij neergelegd om de zeventien jaar tot aan haar pensioen bij de politie te blijven. Zeventien jaar van sleur en papier schuiven. Of ze dit kon volhouden, was nog maar de vraag.
Ze parkeerde de dienstauto in een vak aan de Zwaanstraat, voelde aan de buitenkant van haar broekzak of het armbandje er nog in zat en stapte uit. Zoals gewoonlijk keken mensen naar buiten, naar haar, peilend of er sensatie te beleven viel op deze morgen.
Celi bzzzde de benedendeur van het slot en opende alvast de deur naar het huis. Ze bleef in de opening staan en hoorde de politievrouw met zware stappen omhoog komen.
‘Goedemorgen’, groette deze haar met een knik. ‘Ik heb nog een paar vragen aan u.’
Celi liep de woonkamer in en wachtte totdat de agente binnen was.
‘Ga maar zitten’, zei ze. ‘Koffie?’
‘Nee, dankuwel.’
‘Moment, ik maak eerst een glas latte voor mezelf.’
Ze liep de keuken in. Lorie keek haar over haar schouder na en vroeg:
‘Kan ik me bedenken wat de koffie betreft?’
‘Latte?’
‘Ja, graag.’
Beiden glimlachten naar elkaar. Er was een groot verschil tussen koffie die je op de werkplek dronk en de bak die je thuis maakte.
Met een glas in de hand nam Celi tegenover haar plaats. Ze scheen een voorkeur voor de voetenbank te hebben, die van gelijke hoogte was als de bank. Voordat Lorie iets kon zeggen, vroeg Celi:
‘Is dat nou zwaar, al die dingen die je moet meezeulen?’ Ze wees naar de handboeien, de radio, de holster en alle andere hoezeetjes waarmee Lorie’s uniform bezaaid was.
‘Het weegt aardig door maar je went eraan.’ De koffie was heerlijk. ‘Het is goed voor de conditie. Waar ik voor kom, is het volgende. Vivienne moet nog geïdentificeerd worden…’
‘Je meent het.’
Celi schrok van haar opmerking. Dit was een stap waaraan zij niet had gedacht. Lorie stak een sussende hand op en zei:
‘Ik heb een armband bij me die we bij haar hebben gevonden. We kunnen haar aan de hand hiervan identificeren.’
Ze wilde niet zeggen dat Viv zelf tot een verkoold stukje vergeten vlees op een zomerse barbecue was geroosterd. Dat soort dingen wilden nabestaanden niet horen. Ze haalde het zakje tevoorschijn en liet het zien. Celi pakte het aan en staarde ernaar. Ze had dat ding nooit eerder gezien maar wist dat ze moest knikken, moest bevestigen dat dit iets was dat Viv trouw droeg. Nu ze eenmaal het pad van de leugens waren ingeslagen, zou de weg alleen maar langer worden totdat er een moment kwam waarop waarheid en leugen niet meer van elkaar te onderscheiden waren.
Ze knikte en gaf het terug, concentreerde haar blik op de latte zodat ze Lorie niet hoefde aan te kijken. De agente zei nog wat tegen haar maar zag aan haar verwarde blik dat ze er niet meer bij was. Begrijpelijk: iets tastbaars van een dierbare bracht het feit haar nooit meer te kunnen zien nog dichter bij huis.
Ze keek een aantal seconden naar Celi’s gebogen hoofd, dronk snel haar glas leeg en stond op.
‘Dankjewel’, zei ze, een hand naar haar uit stekend. ‘Heel veel sterkte de komende tijd. Als je iemand nodig hebt om tegenaan te praten, nou ja…’ Ze stopte. Dit was niet waarvoor ze was opgeleid maar het kwam uit haar hart.
Celi hield haar hand vast, mompelde een dank je en liep met haar mee naar de deur. Ze hoorde Lorie de trappen aflopen. Op hetzelfde moment dat de buitendeur dichtviel, kwam Viv grinnikend de kamer binnen.
‘Wauw, ik ben officieel dood nu’, zei ze. Ze ging languit op de bank liggen en tikte op de rand. ‘Kom lekker bij me zitten.’
‘Nuh-uh.’ Celi schudde het hoofd. ‘Er moet veel geregeld worden.’
‘Zoals?’
‘Onze families op de hoogte stellen van jouw overlijden.’
‘Dat komt allemaal wel.’
‘Dat komt niet allemaal wel.’ Er was een scherpte in Celi’s stem die Viv niet eerder had gehoord. ‘Als iemand overlijdt, is het eerste wat je doet dit aan je naasten doorgeven. Die willen langskomen, het hoe en waarom weten en dat komt allemaal op mijn schouders terecht.’
‘Welnee, ik help je wel.’
‘Nee, heb je nou nog niet door waaraan we begonnen zijn’, riep Celi uit, moedeloos van de achteloze manier waarop Viv met de situatie omging. ‘Er is iemand overleden. De begrafenis moet geregeld worden, mensen komen op bezoek. Ik moet kaarten uitzoeken en versturen en het belangrijkste is: jij moet uit m’n leven verdwijnen.’
‘Nog eens?’
‘Je moet weg. Weg van hier. Zodra iemand jou hier opmerkt, zijn wij de lul. Denk je dat ik daarop zit te wachten? Ik verkoop goddomme heel de dag leugens aan iedereen omdat ik me heb laten omlullen door jou.’
‘Wil je er mee stoppen dan?’, vroeg Viv, ineens serieus.
‘Wat wil jij?’
‘Nee, ik stel een directe vraag. Wil je ermee stoppen?’
‘Ja. Maar kan dat nog?’
‘Dat ligt aan jou.’
‘Niet de oplossing om uit de bagger van jouw idee te komen naar mij doorschuiven, Viv.’
‘Je ging er vrijwillig in mee.’
‘Ik… Laat maar.’
Het had geen zin met Viv te redeneren wanneer deze niet tot een oplossing wilde komen en niet het gevolg van haar drammerijen inzag. Ze had gelijk: ze was er vrijwillig in meegegaan, maar wel met behulp van haar.
‘Viv’, zei ze, ‘verdwijn uit m’n leven. Ga naar Rolde, hou je gedeisd in het huisje. In de tussentijd zal ik proberen hier alles op te knappen.’
‘En dan?’
‘Dat hoor je later wel.’
‘Wanneer?’
‘Viv, gedraag je voor eens als een volwassen vrouw en niet als een dreinerig kind. Ik weet eenvoudigweg niet wat waar wanneer en hoezo. Het enige dat ik nu wil proberen is mezelf uit de drek trekken waar ik steeds verder in wegzak door deze situatie.’
‘Nogmaals, als je wilt stoppen…’
‘Viv’, onderbrak Celi haar met een ijzige stem. ‘Luister alsjeblieft voor deze ene keer naar mij: ga naar Rolde, koop een prepaid en gebruik jouw eigen mobiel niet meer, ook niet om berichtjes te sturen. Laat mij de rotzooi hier opknappen.’
Later diezelfde dag ging Celi naar beneden om na te gaan hoe ze ongezien bij de auto konden komen. Het was een rustige buurt en de schuurtjes langs het pad naar de parkeerplaats gaven voldoende dekking om clandestien weg te kunnen komen. Natuurlijk moest er rekening worden gehouden met iemand die midden in de nacht wakker werd, in de keuken een glas water ging drinken en toevallig naar buiten keek, maar dat viel verder niet in te calculeren.
Aan het begin van de avond bracht ze Viv’s kleding en een noodrantsoen van blikvoer, koffie en pakken melk naar de auto. Ze had dit in boodschappentassen gedaan. Niemand die daarop lette, anders dan wanneer ze met een koffer sjouwde.
Met de spullen veilig in de kofferbak, draaide ze zich om naar huis te gaan toen een buurman voor het laatste rondje met de hond zijn tuin uitkwam.
‘Ceel’, riep hij, de hond met zich meesjorrend haar kant op. ‘Het is toch niet waar wat ik heb gehoord over Viv?’
Na haar halfhartige knik begeleid met het ophalen van de schouders, legde hij een hand rond haar bovenarm.
‘Gat, wat naar. Gecondoleerd. Ik heb er geen woorden voor. Wat een verlies voor jou.’
Ze mompelde wat. Hij kneep haar bemoedigend in de arm voordat hij beide handen weer nodig had om de hond gedeisd te houden.
‘Als we iets voor je kunnen doen, gewoon zeggen.’
‘Dank je.’
‘Geen vreemde zijn voor ons, hoor. Trek aan de bel en we komen bij je.’
‘Ja. Dank je. Ik wil voorlopig even alleen zijn.’
‘Begrijpelijk; kan ik helemaal begrijpen.’
Hij had hierna niets meer te zeggen, beet met zijn ondergebit op het randje van zijn snor, zei nogmaals gecondoleerd en liet zich door de hond meeslepen. Pas toen hij van de parkeerplaats af was, durfde ze weer adem te halen.
Dit dus was vanaf nu haar leven.
De nachtelijke rit naar Rolde verliep vlot. Er was weinig verkeer op de weg en met een bijna constante snelheid van 130 was het niet de lange reis die zij gewoon waren overdag te maken. Ze zette Viv bij het huis af en bleef zelf in de auto zitten. Bij het zien hoe Viv de spullen in haar eentje naar binnen sjouwde, stapte ze uit. Ze kon het niet over haar hart verkrijgen haar vrouw zo plompverloren in het midden van niets zonder een aardig woordje achter te laten. Ze hielp mee alle keukenspullen op te bergen en samen maakten ze het bed op.
‘Ga je het redden zo?’
Met de handen in de zij keek ze de kamer rond.
‘Welja.’ Viv grinnikte. ‘Ik ga me verdiepen in wie Stephanie van Gilzen was en me haar persoonlijkheid aanmeten.’
‘Is dat verstandig?’
‘Verstandig of niet heeft er niets mee te maken. Ik heb haar paspoort en dat is het enige bewijs dat ik van nu af aan kan gebruiken. Een kleurtje in m’n haar, een ander loopje uitproberen en over een paar maanden kunnen we naar Spanje vertrekken en ons huwelijk opnieuw starten.’
Ze keek naar Celi die geen pas had gezet en louter voor zich uit staarde.
‘Ga jij het zo redden?’, vroeg ze toen.
‘’t Moet maar.’ Viv knikte en herhaalde haar woorden. ‘Ik ga naar huis. Sorry dat ik een beetje kortaf ben vandaag. Het is allemaal zo...’
‘Ik begrijp het, lief.’
‘Neem alleen contact op als het werkelijk nodig is, Viv. Als we er dan toch in zijn gedoken, moeten we proberen het tot een goed eind te brengen.’
‘Zal ik doen.’ Ze liep naar Celi en sloeg de armen om haar heen en kuste haar nek. ‘Let goed op jezelf, schat. Het komt allemaal goed. Voor je het weet zitten we in Spanje en lachen we om heel deze absurde situatie.’
Celi gaf haar een knuffel. Ze wist dat Viv dit goed bedoelde, maar dat zijzelf ooit om deze situatie zou kunnen lachen, was op dat moment wat al te ver gezocht.
‘Pas goed op jezelf’, zei ze zacht.
5.
Zittend aan haar bureau bekeek Lorie het armbandje aandachtig. Het was verwonderlijk hoe sommige metalen goeddeels stand hielden in een brand waarvan de temperatuur veel hoger lag dan het brandpunt ervan. Zoals zilver. Van de armband waren sommige delen weggesmolten waar andere delen, de dikkere, er louter aangetast uitzagen. Zette je een katoenen hemd in de fik dan was binnen enkele seconden het materiaal vergaan. Bij wol lag dat weer anders. Echter, het smeltpunt van goud en zilver was vrijwel gelijk, evenals dat van brons. Aluminium verging al net boven de helft van het brandpunt van deze drie metalen.
Dit soort informatie intrigeerde haar. Scheikunde was een favoriet vak geweest op school. Anders dan ze verwacht had toen ze als jong broekie bij de politie kwam, kon zij deze kennis niet gebruiken. Zoals zovelen wilde zij iets in de richting van forensisch gaan doen en volgde naast haar werk een opleiding om zich hierin te specialiseren. Des te langer ze bij de politie zat en van die slopende dagen banjerend door de binnenstad meemaakte om aan het publiek te tonen dat de politie pro-actief werkte, des te meer zij na haar dienst te afgepeigerd was om deze studie te vervolmaken. Hoewel dit jammer was, wist ze maar al te goed dat deze vermoeidheid werd bijgestaan door een gezonde dosis luiigheid: de wetenschap dat ze een vast inkomen had en werk deed dat haar niet helemaal tegenstond.
Dat was lang geleden.
In de tussenliggende jaren had ze nauwelijks vooruitgang geboekt en moest met lede ogen toezien hoe nieuwkomers haar binnen de kortste keren in rang voorbij holden. Haar collega Jos was daar een goed voorbeeld van: acht jaar na haar hier binnen gekomen en inmiddels hoofdagent waar zij nog steeds agent was. Ze werd neerslachtig van de gedachte dat ze het nooit verder zou schoppen.
Met haar vingers drukte ze een licht geblakerd stukje zilver tegen het plastic aan en bekeek het met aandacht, stond toen op en liep naar Jos.
‘Ben je nog niet op straat?’, vroeg hij voordat ze de kans had iets te zeggen.
‘Nee, maar…’
‘Wijkteam West heeft extra mensen nodig en ik heb jou daarvoor als vrijwilliger aangewezen.’ Hij grijnsde haar toe. ‘Is dat niet aardig van mij?’
‘Hartstikke’, antwoordde ze toonloos.
‘Is dat een cadeautje voor mij?’, vroeg hij met een knikje naar het plastic.
Ze trok haar vinger van achter het plaatje vandaan. De armband zonk naar de bodem van het zakje.
‘Nee, ik wilde het juist wegbrengen’, zei ze en pakte de betreffende envelop van zijn bureau.
‘Mooi. We gaan verder geen tijd aan die lesbo besteden.’
‘Dank je hartelijk.’
‘Hee, ik heb het niet over jou. Jij bent er eentje van ons.’
‘Dat doet m’n hart goed’, zei ze met onverholen sarcasme en ging terug naar haar bureau om haar spullen te pakken.
‘Als je het naar binnenshuis houdt’, mompelde Jos.
6.
De dag van de crematie was op zijn zachts gezegd surrealistisch te noemen. Heel de aanloop naar deze dag toe eigenlijk al. Ze had nooit tegen haar moeder gelogen, zelfs als tiener niet, en nu vertelde ze haar de ene leugen na de ander. Ook tegen Viv’s moeder, die weliswaar niet veel met haar dochter op had maar wel van mening was dat ze het tegenover haar buren niet kon maken om de crematie over te slaan.
Wat Celi het meest verbaasde, was het feit dat het liegen haar steeds makkelijker afging. Werd haar aanvankelijke gehakkel onder de noemer “verdriet” geschoven, kon ze na een paar leugens de mensen recht aankijken en de grootst mogelijk verzonnen larie met een strak gezicht verkondigen. Ze hield niet van deze kant van haarzelf, deze nieuwe Celi die een verknipte versie was van iemand die zij ooit eens had gekend en gemogen. Ze mocht dan wel anderen recht aan kunnen kijken, maar de spiegel was geen fijne plek meer voor haar. Alle zelfrespect was onder het badkamermatje geschoven waarop ze ‘s avonds stond om haar tanden te poetsen met de deurtjes van de spiegelkast opengeslagen.
Simon, Viv’s accountant, had Celi bezocht om de financiële situatie uiteen te zetten. Hij was een grote man met gemillimeterd rood haar en een te korte bovenlip die zijn tandjes niet kon bedekken, waardoor het leek alsof hij een onafgebroken grijns droeg. Naar zijn mening was zij er nu financieel gezien stukken beter af dan toen Viv nog leefde. Ze kreeg verzekeringsgeld uitgekeerd, smartengeld “waar ik persoonlijk voor heb gezorgd”, zei hij niet zonder trots. Ook de verkoop van Viv’s goederen bracht nog een aardige duit binnen, zelfs nadat de belastingdienst en overige schuldeisers waren langsgekomen.
In haar hoofd berekende ze hoeveel het zou kosten om in Spanje te verblijven en zelfs in het negatiefste geval, kwam ze positief uit. Kwamen zij positief uit, verbeterde ze zichzelf. Sinds het alleen wonen en de pseudo Viv gecremeerd te hebben, begon ze meer in de ik-vorm te denken in plaats van wij, zonder dat het haar duidelijk was waarom. Ze miste Viv als klankbord, als gesprekspartner, hoe irritant haar reacties soms ook mochten zijn, maar dat was typisch Viv. De avonden zonder haar waren lang en ze verlangde naar gezelschap, iemand om tegenaan te kletsen.
Uiteindelijk brak het constante binnenzitten haar op. Ze besloot naar Beverwijk te gaan, zich tussen de mensen begeven. Het weer was aardig, lente-achtig en ze wilde stemmen om zich heen horen zodat ze niet meer naar de stemmen in haar hoofd hoefde te luisteren.
Ze reed naar Beverwijk en parkeerde in de Breestraat, de winkelstraat. Hoewel er veel mensen op de been waren, net zoals zij aangetrokken door het lekkere weer, vond ze makkelijk een parkeerplek en zelfs een vrij tafeltje op een terras.
Ze bekeek de menukaart. Hoewel ze een glas wijn wilde, bestelde ze thee. Ze was blij mensen om zich heen te hebben, naar het gehuppel van hun vrolijk geklets te luisteren en hun zorgeloze gezichten te zien. Er was een tijd geweest dat zij hieraan had deelgenomen, aan deze zorgeloosheid van het bestaan. Pas nu realiseerde zij zich hoezeer ze hier naar terug verlangde.
‘Heei, hallo’, hoorde ze. ‘Mag ik erbij komen zitten?’ Zonder op antwoord te wachten, trok Lorie een stoel naar achteren en ging naast haar zitten. ‘Hoe is het met je?’
‘Goed. Ondanks alles gaat het goed.’
Het duurde een moment voor Celi om tot het besef te komen dat de vrouw in het loszittende witte shirt met de koffiebruine broek dezelfde was als de vrouw in blauw die haar het armbandje had getoond.
‘Fijn om te horen. Geef mij maar een glas witte wijn’, zei ze tegen de serveerster. ‘Wil jij ook een wijntje?’
‘Uhm, okee.’
De zon stond op het zuid-westen en voelde warm aan. Celi vouwde de mouwen van haar shirt om tot net onder de ellebogen.
‘Je ziet er een stuk lichter uit’, zei ze tegen Lorie.
‘Hoe bedoel je? Oh, ja hahaa. Gelukkig heb ik nog andere kleding in m’n kast hangen.’
Ze knikte naar de serveerster die de glazen op tafel plaatste.
‘Misschien een vreemde vraag, maar mag jij je wel met mij bemoeien?’
‘Uhh, hoe bedoel je?’
‘Omdat je als politievrouw bij mij bent geweest en nu…’
Haar stem werd zachter. Ze had ineens door dat ze onzin aan het verkopen was. Op tv mocht dit soort dingen niet als het een moordzaak betrof, maar in haar geval was er geen moordzaak. Persoonsverwisseling, dat wel, maar geen moordzaak.
Lorie pakte haar glas en hield naar haar op.
‘Dat alles van nu af aan beter voor je mag gaan’, zei ze, een slok nemend. ‘Overigens, ik heet Lorie.’
‘Celi.’
‘Mmh, ja, weet ik.’ Ze glimlachte haar toe. ‘We hebben al eerder kennisgemaakt. Hoe gaat het nu echt met je? Dit is van vrouw tot vrouw; de politieagente is hier niet aanwezig.’
‘Het gaat niet al te best’, gaf Celi toe, ‘maar ik kom er wel uit.’
‘Heb je een vangnet of modder je in je eentje door?’
‘Dat laatste, maar zo wil ik het ook.’ Ze dacht aan Viv, aan dat plan dat inmiddels zo ver was doorgevoerd, dat er geen weg meer terug was. ‘Familie met hun goedbedoelde gemeenplaatsen; ik kan daar niet meer zo goed tegen’, vervolgde ze. ‘M’n moeder wil dat ik weer terug bij haar kom wonen. Ik ben midden veertig en nog denkt ze dat ik niet voor mezelf kan zorgen.’ Meewarig schudde ze het hoofd.
‘Zo zijn moeders nu eenmaal. Goede moeders, bedoel ik. Ze blijven zich zorgen om je maken, hoe oud je ook bent.’
‘De jouwe ook?’
‘Ik heb helaas geen moeder meer.’
‘Sorry daarvoor.’
‘Ze is lang geleden overleden. Ik was nog jong en onschuldig. Een diefstal die misging.’ Ze zag Celi’s vragende blik en zei: ‘Een tasjesdief probeerde m’n moeder’s handtas mee te stelen. Mam wikkelde het hengsel altijd eenmaal om haar pols, juist om dit te voorkomen, om een potentiële dief te ontmoedigen. Ze zei dat als iemand het wilde pikken, deze er moeite voor zou moeten doen. En helaas ontmoette zij uitgerekend die ene volhouder. Mijn moeder liet niet los maar hij ook niet. Uiteindelijk smeet hij haar opzij. Ze kwam met haar hoofd tegen een ijzeren hek aan en overleed ter plekke.’
‘Ach, jezis.’
‘Het rotjoch is gelukkig opgepakt en ik als veertienjarige nam me toen voor om bij de politie te gaan. Ik zat vol goede voornemens, hoe ik de boeven in de kraag zou vatten’, zei ze met een grinnik, ‘en bijna vijfentwintig jaar later doe ik dat nog steeds. Weet je…’ ze keek opzij ‘…het geeft minder voldoening dan ik had verwacht. Maar ik ben nergens anders geschikt voor dusse…’ De rest van de zin liet ze onuitgesproken. ‘En wat is jouw verhaal?’, vroeg ze Celi.
‘Minder ingrijpend dan de jouwe.’
Gemoedelijk leunde ze achteruit, haar rug nestelend in de leuning van de stoel. Dit was de eerste keer in weken dat ze zichzelf bijna ontspannen durfde te noemen. Het was een geweldig gevoel. Lorie’s rustige uitstraling, haar dralende manier van praten alsook die oprechte blik in haar ogen met dat gekortwiekte springerige nepblonde kapsel erboven, hadden een betoverende uitwerking op haar. Zodra ze dit tegenover zichzelf toegaf, zag de absurditeit ervan in. Ze had nog maar juist het laatste restje van de pseudo Viv gecremeerd en hier op een terras in de Breestraat was ze bereid te flirten met de politieagente die het nieuws van dit overlijden aan haar had meegedeeld.
Haar mobiel klingelde. Lorie stopte met praten. Celi wist wie belde. Zonder er verder acht op te slaan, drukte ze ongezien het geluid weg en nam een slokje wijn.
7.
‘Waarom nam je vanmiddag niet op?’, was het eerste dat Viv vroeg toen Celi haar aan het eind van de avond belde. Ze had lang getreuzeld om contact met haar op te nemen, wilde de aangename onderbreking van de middag met Lorie zo lang mogelijk bij zich houden en belde pas tegen elf uur naar Viv. De balkondeur stond open en een verfrissende zeewind waaide het gordijn voor de opening dansend opzij.
‘Ik was met andere dingen bezig’, antwoordde ze.
‘Zoals?’
‘Andere dingen.’
‘Moet je niet treuren om jouw verloren echtgenote?’ Viv lacht om haar eigen vraag.
Celi ging niet mee in haar humor.
‘Belde je voor iets speciaals?’, vroeg ze door het gegrinnik heen.
‘Zekers. Ik heb op facebook een zwik fotos van Stef van Gilzen gevonden. Ze zijn zo’n tien jaar oud, maar dat doet er niet toe. Een mens verandert niet zo snel. En…’
‘En?’, vroeg Celi gelijktijdig.
‘…ik ben met een metamorfose bezig en heb m’n haar zwart geverfd.’
‘Je bent de stad in geweest?’
‘Niemand kent me hier en ik heb een muts opgezet. Ook een mondkapje alsof het weer coronatijd is. We hebben hier nog een doos met die kapjes liggen. Jouw vrouwtje is zo dom nog niet. Ik heb haarverf gehaald, heb m’n haar geknipt en zie er meteen anders uit. Ik zal je een foto toesturen.’
‘Nee nee nee, niet doen’, zei Celi snel. ‘Dat soort dingen moet je niet doen. Als iemand dat vindt, gaan we de mist in.’
‘Oh. Okee. Het zit in elk geval gaaf. Ik ga me in Stephanie morfen aan de hand van die fotos en kan zo met die nieuwe identiteit naar Spanje gaan. Ze lijkt me een beetje tomboy-achtig, zo’n slungelige maakt-mij-niet-uit houding. Die ga ik perfectioneren.’
‘Da’s een goed idee’, beaamde Celi. ‘Hoe gaat ie verder met je?’
‘Niet slecht. Ik mis jou, dat wel.’
Beiden zwegen. De hond van de overburen blafte om niks. Celi zei zacht:
‘Ik ben een beetje moe nu en ga naar bed. Blijf opletten, hoor je? We praten een andere keer weer verder.’
‘Doen we, Ceel. Welterusten en in gedachten ben ik bij je.’
Ze verbraken de verbinding en Celi zette het geluid van de telefoon uit. Viv kennende, zou ze midden in de nacht in een opwelling weer bellen. Ze liet haar mobiel op de leuning van de bank achter en ging naar bed waar ze tot diep in de nacht wakker bleef, de handen achter het hoofd gevouwen, denkend. De kerkklok sloeg drie keer. Acht voor drie, dus, haar favoriete tijd om wakker te liggen. Ze dacht aan Lorie op het terras en aan Viv alleen in het huisje. In al hun jaren samen waren ze nooit een nacht uiteen geweest. Dat was wat een huwelijk voor haar betekende, alles delen, ook de moeilijke tijden. Ooit zouden ze deze fase in hun leven te boven komen. Ooit.
Met dit woord slingerend door haar gedachten, viel ze in slaap.
8.
Na die eerste ontmoeting kreeg Celi twee dagen later een berichtje van Lorie.
“Zin in een drankje?” klonk de vraag, gevolgd door een adres in de Koningstraat.
Ze keek op de klok. Het was half acht. Ze twijfelde wat te doen. De eerste keer was een toevallige ontmoeting geweest en hoewel ze van Lorie’s gezelschap had genoten, bleef het in haar achterhoofd knagen dat ze politieagente was. Éen verkeerd woord en ze viel door de mand. Aan de andere kant kon ze deze gelegenheid in haar voordeel gebruiken, peilen hoeveel de politie wist, of zij ergens vraagtekens bij hadden gezet. Zichzelf ervan overtuigd hebbende dat dit een geldige reden was om naar het café te gaan, kleedde ze zich om en reed naar Beverwijk.
De locatie van het café zag er louche uit. Naast de regenpijp waarvan onderaan een stuk was afgebroken, lag een plakkaat kots. Ze liep er met een grote boog omheen en probeerde naar binnen te kijken. Van buitenaf gezien leek het café gesloten. Het licht van de naam boven de ingang was jaren geleden al gedoofd. Voorzichtig duwde ze de deurknop naar beneden en tot haar verbazing gaf het mee. Binnenin was alles donkerbruin op de jukebox na, waaruit een muziekje klonk vanuit de tijd waarin de jukebox was neergezet, en dat moest vijftig jaar geleden zijn, minimaal. De mannen aan de bar keken een moment naar de nieuwkomer en concentreerden zich weer op hun bier en het praatje over visplekken.
Ze zag Lorie zitten aan een van de schaarse tafels langs de wand. Ook zag ze een brede glimlach verschijnen toen zij haar opmerkte. Haar hart sloeg een slag over door de oprechtheid van die glimlach.
‘Leuk dat je toch gekomen bent’, zei Lorie toen Celi haar stoel naar achteren schoof. ‘Ik had je niet meer verwacht.’ Ze wenkte de barman.
‘Ik zat in m’n thuisblijfkleding: korte sportbroek en lang t-shirt, en moest me omkleden.’
Ze ging zitten in de stoel die geheel tegen haar verwachting in enorm comfortabel was.
‘Wil je wat drinken?’
‘Een wijntje, graag’, zei ze.
‘Dat is een drankje voor op een terras. Nu iets echts?’
‘Oh. Doe dan maar een uhm whiskey-up.’
‘Whiskey-up en nog eentje voor mij.’ Lorie gaf haar glas aan de barman. ‘Dus je was niet meer van plan naar buiten te gaan, begrijp ik’, zei ze hierna en bekeek haar aandachtig.
‘Eigenlijk niet. En eigenlijk wilde ik afzeggen.’
‘Maar je bent hier nu.’
‘En eigenlijk ben ik met de auto dus of whiskey-up nu zo verstandig is…’
De barman zette de glazen op tafel. Lorie pakte haar glas en hield dit naar Celi op.
‘Dat er eigenlijk maar betere tijden mogen volgen’, zei ze. ‘Eigenlijk is het woord van de avond. Daar drink ik op.’
Celi knikte instemmend en nam een slok. Het was sterk maar heel lekker. Ze hield van de geur van whiskey vermengd met 7-up, hoewel de up in haar jongere jaren beter smaakte. Nu was het een veredelde Sprite: bubbeltjes water met een citroensmaakje.
Ze keek over haar glas naar Lorie die haar onverbloemd aanstaarde.
‘Is er een speciale reden waarom je me hier hebt gevraagd?’, vroeg ze om haar verwarring vanwege die indringende blik te verdoezelen.
‘Uh-huh. En is er voor jou een speciale reden waarom je gekomen bent?’, klonk de wedervraag.
‘Je hebt me gevraagd. Waarom?’
‘Omdat ik je weer wilde zien.’
‘Oh. Okee.’
‘Celi, Ik weet dat je niet zit te wachten op de aandacht van een ambtenaar die op dit moment volstrekt niet in functie is, maar ik ben een pluk de dag mens. En ik vind jou heel erg leuk. Als je dit ongepast vindt: even goede vrienden. We nemen een drankje, wisselen onze mening uit over vrouwenvoetbal en gaan aan het eind van de avond beiden met een goed gevoel naar huis.’
Ze zat ontspannen in haar stoel, scheef leunend tegen de rugsteun, een arm eromheen gevouwen. In het zwakke licht van de bar zag haar helblonde haar er wit uit, opstandige vlammetjes. Ze nam een slok en hield het glas vast, haar hoofd schuin erlangs om Celi te kunnen aankijken. Dat deze bleef zitten en niet verongelijkt opsprong na haar bekentenis, deed haar goed.
‘Wat vind je van Miedema?’, vroeg ze toen. Celi schoot in de lach.
‘Er moeten toch andere dingen zijn om over te praten?’
‘Hou je niet van vrouwenvoetbal?’
‘Er niet over willen praten en er niet van houden, zijn twee verschillende dingen. Ik vind Miedema geweldig, maar in een café over voetbal praten is zo’n cliché.’
‘Akkoord. Ander onderwerp: vertel eens over jezelf. Leg me uit waarom ik jou nooit eerder heb gezien?’
‘Ik speel niet vaak buiten. Dat is waarschijnlijk de reden.’
‘En waarom speel je niet vaak buiten?’
‘Ik ben geen zestien meer.’
‘Zou je weer zestien willen zijn?’
‘Ikke niet. Als die onzekerheden.’ Een kort zacht lachje ontsnapte aan haar lippen. ‘Alhoewel ik soms wel een zestienjarige in me heb die de buitenwereld wil verkennen. Ken je dat gevoel?’
Lorie boog zich naar voren en met de ellebogen steunend op het tafelblad, kin tussen haar handen, keek ze haar dromerig aan.
‘Sinds ik jou heb ontmoet, ken ik dat gevoel. Vertel eens over die zestienjarige in jou die naar buiten wil barsten.’
Ze praatten heel de avond weg en liepen pas tegen sluitingstijd de deur uit.
De Koningsstraat was leeg, de nachtelijke hemel donkerpaars met felle sterren verborgen achter flarden sluierbewolking. Celi liep op haar auto af. Ze voelde zich niet dronken maar wel flink aangeschoten. Autorijden zou geen verstandig besluit zijn.
Lorie pakte haar hand. Ze gingen van de smalle stoep af de straat op en liepen in onvaste tred naar het station. Er stond een taxi te niksen. Lorie tikte op het raampje. De chauffeur keek op van zijn spelletje en legde zijn telefoon opzij toen zij instapten. Hij reed hen naar Wijk aan Zee en stopte bij de strandopgang aan de Zwaanstraat. Lorie betaalde en liep achter Celi aan naar de spoorboom. Erop leunend keken ze elkaar aan.
‘Ik heb nog geen zin om naar binnen te gaan’, zei Celi zacht, wetende hoe het geluid hiervandaan naar de omringende huizen golfde. ‘Ik hou het niet vol daar in m’n eentje.’
‘We kunnen het strand opgaan, zeesterren tellen.’
Celi knikte afwezig en tuurde naar de donkere duinen, golvend afgetekend tegen het nachtelijk zwart. De maan kroop vanachter de sluierbewolking vandaan en bleef tussen de wolken hangen. Haar witte schijnsel viel op de kalme Noordzee.
‘Ik vind jou een mooie vrouw.’ Lorie’s stem verbrak de stilte. ‘Vanaf het moment dat ik je zag staan, begreep ik dat ik jou in mijn leven wilde hebben. Dit is me nooit eerder gebeurd. Overval ik jou hiermee?’
Celi voelde dat Lorie opzij keek, haar observerend. Ze wilde die blik niet beantwoorden.
‘Een beetje’, zei ze toen, ‘maar het is niet onverwacht.’
‘Gelukkig. Ik verlang naar meer met jou maar wil je niet haasten’, zei Lorie toen. ‘Je hebt genoeg meegemaakt de afgelopen tijd.’
Celi zweeg en keek voor zich uit zonder iets te zien. Wat er verder ook zou gebeuren, of dit een betekenisloze flirt was of het begin van iets nieuws in haar leven: de opgestapelde leugens over Viv zouden altijd tussen haar en anderen in blijven staan. En het was niet zomaar een leugentje, een smoes, een uitvlucht voor eigen bestwil. Als het op leugens aankwam, was iemand laten leven op de dood van een ander een aardige grote, eentje die niet zomaar onder de mat geveegd kon worden.
Ze richtte zich op. Ze was moe en de kou begon vat op haar te krijgen. Langzaam liep ze van de strandopgang af. Lorie volgde een paar passen achter haar, kwam naast haar terecht en sloeg een momentlang een arm om haar schouders.
‘Het komt allemaal goed’, zei ze zacht.
Celi schudde de arm van zich af en liep zwijgend verder. Pas voor de deur naar haar flat keek ze om.
‘Bedankt voor deze avond’, zei ze. ‘Ik had het nodig.’
‘Wanneer zie ik je…’
‘Effies niet meer’, onderbrak ze haar. ‘Ik heb de ruimte nodig, ruimte om te denken.’
Lorie knikte en zei:
‘Ik begrijp het. Zorg goed voor jezelf.’ Ze legde een hand om haar wang en kuste het puntje van haar neus. ‘Je kunt me altijd bellen.’
Ze wachtte totdat de deur achter Celi dicht viel en begon aan de wandeling terug naar Beverwijk.
9.
Na een onrustige nacht werd Celi wakker van een pingeltje op haar telefoon. Zonder te kijken schoof ze het van het nachttafeltje naar zich toe en zag dat het een berichtje van Viv was. Ze legde de telefoon terug om eerst goed wakker te worden voordat ze aan de dag begon. Haar maag was opstandig. Ze had dus toch meer gedronken dan ze gisteravond vermoedde.
In de keuken zette ze water op voor thee en om een paar eitjes te koken. Zachtgekookte eitjes met zachte witte puntjes waren heilzaam voor een maag als de hare. Ze opende de balkondeur en de zeewind kroop langs haar heen naar binnen. Turend naar de duinen dacht ze aan Lorie die er onder elke omstandigheid ontspannen uitzag. Hoe had Viv haar omschreven? Iets in de geest dat ze altijd met alles weg kon komen. En na twee keer in haar gezelschap te zijn geweest, verbaasde dit haar niet.
Een tweede pingeltje haalde haar cru naar het heden. Beter maar kijken wat er was voordat Viv belde. Ze had volstrekt geen zin in een gesprek zo vroeg. Deze gedachte was nog niet uit haar hoofd verdwenen toen de telefoon ging.
‘Hallo’, zei ze mat.
‘Heb ik jou gewekt?’
‘Bijna.’
‘Okee. Hee, ik heb net twee fotos naar jou gestuurd. Je moet ‘ns effies kijken wat je er van vindt.’
‘We hadden toch afgesproken dat er geen fotos gestuurd zouden worden?’, riep ze geërgerd uit.
‘Ja joh, wat dan ook. Kijk eerst voordat je wat zegt.’
Celi opende de berichten en zag een vrouw met kortgeknipt gitzwart haar en zware make-up. Ze wist dat het Viv moest zijn, maar had moeite haar te herkennen. Op de bank neerploffend, zette ze de telefoon op de speaker en zei:
‘Dat heb je goed gedaan.’
‘Vond ik ook.’ De triomf in Viv’s stem was overduidelijk. ‘Dit gaat richting Stephanie. Ik heb op facebook of youtube, waar dan ook, een filmpje gevonden van een feest waar zij op staat en probeer nu haar loopje na te doen. Als ik dit geperfectioneerd heb, kunnen we het land uitgaan. Trouwens, ik heb je gisteravond nog gebeld maar je nam niet op.’
‘Klopt. Ik had m’n telefoon uitgezet.’
‘Oh? Waarom?’
‘Omdat ik rust wilde hebben.’
Ze schonk een mok thee vol en plofte er een zakje sterrenmix in.
‘Neem je ook niet op als je ziet dat ik bel?’
‘Ik had het uitgezet en me er verder niet mee bemoeid.’ Ze scrollde door de lijst en zag dat Viv vier keer had gebeld. ‘We moeten trouwens toch minder contact hebben, alleen als het nodig is.’
‘Waarom?’
‘Waarom moet je nu altijd vragen naar de bekende weg’, viel ze plots uit en zette haar thee neer voordat ze deze door de kamer smeet. Alle spanning van de afgelopen paar weken vloeide naar buiten. ‘We weten allebei wat er gebeurd is en het enige waar jij je mee bezig houdt, is om in iemand anders te veranderen.’
‘Dat was toch heel de bedoeling?’ Viv was verbaasd waar Celi’s plotse irritatie vandaan kwam.
‘Ik weet het. Sorry, schat. Gisteravond is het laat geworden en het is nog te vroeg voor mij en ik ben niet helemaal bij de pinken. Had je verder nog iets?’
‘Nah. Behalve dat ik hier een partijtje zit dood te gaan in m’n uppie.’
‘Ja’, onderbrak Celi het lange zwijgen dat hierop volgde. ‘We zouden alsnog alles aan de politie kunnen uitleggen en met onze normale leven doorgaan.’
‘Met alle saaiheid ervan’, herinnerde Viv haar.
‘Jouw bedrijf is op de fles gegaan, je hebt fraude gepleegd en weet ik veel wat voor dingen je verder allemaal hebt gedaan en waarover je mij niet hebt verteld. Als dat saai is, dan prefereer ik saaiheid. Ik wil de rust terug in m’n leven.’
‘Je hebt hier zelf mee ingestemd.’
‘Ja, ik weet het. Vergeet niet dat jij me hebt kromgeluld. Je hebt me kromgeluld toen je zo nodig een eigen bedrijf wilde beginnen terwijl we ons dat niet konden veroorloven; kromgeluld dat je een te dure auto wilde hebben die we ons niet konden veroorloven.’
Ze was doodmoe en haar irritatiegrens was bereikt. Morgen zou alles weer beter gaan, maar nu kon ze niets hebben.
‘Heh’, hoorde ze haar vrouw grinniken. ‘Voor een lesbo ben je wel enorm ingenomen met kromlullen. Maar wat…’
‘Dag, Viv.’
Abrupt verbrak ze de verbinding, zette het geluid uit en smeet de telefoon naar de slaapkamer. Het haalde het bed net niet en rolde over de grond naar de kast. Uit ergernis sloeg ze op de wc deur en ging op de grond zitten, het hoofd tussen beide handen geklemd. Het werd tijd om een einde aan deze situatie te maken.
10.
De eitjes lagen in de pan. Het water was afgekoeld. De mok thee op het aanrecht eveneens. Celi boog zich voorover en koelde haar gezicht af met handjesvol koud water. Ze pakte een nieuwe keukenhanddoek uit het kastje onder de wasbak en depte haar gezicht droog. Een vermoeide zucht ontsnapte aan haar lippen. Dat akelige gevoel in haar maag was verdwenen.
Ze wilde zich concentreren op het goede in het leven, het positieve, de mooie dingen om haar heen. Een zorgeloos leven leiden, eentje dat niet gevuld was met gesjoemel en leugens. Viv’s ingevingen volgen was éen ding, maar het triomfantelijke gezever aanhoren van iemand die ver weg van de brandhaard zat, dacht ze wrang, was van een heel ander niveau.
Ze realiseerde het zich wel degelijk dat, hoewel ze met tegenzin had ingestemd met het voorstel over haar nieuwe identiteit, de realiteit was dat zij zelf eveneens schuld droeg. Zij degene was die had gezegd dat het armbandje van Viv was. Hierdoor was een wildvreemde met haar goedkeuring gecremeerd, alsof ze er nog niet geblakerd genoeg uitzag.
Ze wilde van deze chaos af, wilde niet meer dat schouderkrommende schuldgevoel met zich meedragen. Ouders, familie en vrienden waren belazerd en terwijl deze haar hadden bijgestaan op het zogenaamde moeilijkste moment van haar leven.
Na een diepe zucht herpakte ze zich. Alles zou goed komen, zei ze tegen zichzelf; er zou een tijd komen dat zij deze periode in haar leven achter zich kon laten. Ze nam zich voor om er persoonlijk voor te zorgen dat er gauw een punt achter werd gezet.
De bel van beneden klonk. Het was tien voor drie en ze verwachtte niemand. In de gang pakte ze de telefoon van de haak. Het schermpje toonde louter een schouder.
‘Hallo?’, zei ze.
‘Politie.’
‘Oh. Okee.’
Ze bzzzde de buitendeur open, deed de voordeur van het slot en wachtte. Lorie kwam met twee passen tegelijk naar boven gesprint.
‘Wat doe jij nou hier?’, vroeg Celi verbaasd.
‘Ik heb je een paar keer gebeld en toen je niet opnam, begon ik me zorgen te maken.’ Ze schopte de voordeur met haar hak dicht en vouwde haar armen om Celi heen. ‘Omdat je afgelopen nacht plots zo neerslachtig werd toen je naar binnen ging, maakte ik mezelf helemaal gek met wat er gebeurd kon zijn.’
Celi plaatste een hand achter haar hoofd en trok haar naar zich toe voor een innige kus. Lorie liet haar handen naar Celi’s kont zakken en haar vingers omcirkelden de ronding van haar billen.
‘Celine, m’n partner zit buiten te wachten’, zei ze tussen twee kussen door.
‘Heb ik daar een boodschap aan?’
‘Totaal niet’, antwoordde ze lachend. ‘Maar ik ben aan het werk. Als het te lang duurt, krijg ik problemen.’ Ze trok Celi’s armen los en hield haar bij de polsen vast. ‘Na het werk kom ik meteen naar jou toe. Als je dat wilt, tenminste.’
‘Ik wil niets liever.’
‘Tot straks.’
Lorie liep de deur uit, kwam terug voor een laatste kus en snelde huppelend de trap af.
Bij het raam keek Celi door de luxaflex heen naar beneden en zag Lorie naar de auto lopen. Voor het instappen wierp ze een blik naar boven, een brede glimlach op het gezicht.
11.
‘Kunnen we de zaak afsluiten?’
Met een ongeïnteresseerde maar desondanks vragende blik keek Jos naar Lorie.
‘Welke zaak?’, vroeg ze.
‘Hoeveel lopende zaken hebben we in Beverwijk? Die van de gegrillde lesbo natuurlijk.’
‘Die is afgehandeld’, zei ze. ‘Alles staat in het systeem en is gearchiveerd.’
‘Daar hebben we dus ook geen omkijken meer naar.’ Met de onderarmen steunend op zijn dijen, bleef hij naar haar kijken. ‘Ken jij ze?’, vroeg hij toen ze uiteindelijk zijn kant uitkeek.
‘Waarom zou ik ze moeten kennen?’, vroeg ze verrast.
‘Ik dacht dat jullie elkaar allemaal kenden.’
‘We zijn lesbi, geen vrijmetselaars.’
Na het woord “lesbi” keek Jos vluchtig om zich heen. Voor een relatief nog jongeman had hij een jaren ‘50 inborst. Hoofdschuddend keek ze hem aan. Ze was niet boos; vandaag kon niemand haar tegen de haren instrijken.
‘Ben je een snor aan het kweken?’, vroeg ze na het zien van een donzige vacht op zijn bovenlip.
‘Ja.’ Liefdevol streek hij over het dons. ‘Ik denk dat ‘t mij wel zal staan.’
‘Denk ‘t ook. Wel op letten dat je er niet als een pornoster uit gaat zien.’
‘Dat heb je al gauw met snorren’, zei een vrouwelijke collega achter Lorie. Ze draaide haar stoel en tuurde naar de bovenlip van Jos.
‘Om dat te weten, moet je wel porno hebben gekeken’, merkte hij op.
‘Loor kijkt vast lesbische porno.’
‘Inderdaad’, bevestigde Lorie. ‘Maar daar zitten de snorren een stuk lager.’
Beide vrouwen lachten. Jos deed alsof hij niets had gehoord.
‘Ik heb wel eens naar porno gekeken’, bekende hij. ‘Vond er niet veel aan.’
‘Je zou lesbo porno moeten proberen. Er zijn heel wat mannen die daar dol op zijn.’
‘Mhh.’ Hij vouwde zijn lippen in een preuts mondje.
Lorie gaf de collega achter haar een knipoog en keek naar de klok: nog drie uur voordat haar dienst erop zat. Hopelijk waren er geen inbraken of noodmeldingen die ze moest opvolgen.
De dienst verliep kabbelend. Jos bracht de tijd door met de overweging of hij de beginnende snor al dan niet zou houden, Lorie tuurde dromerig naar haar beeldscherm, tikte af en toe iets in om de indruk te wekken dat ze aan het werk was, en de collega achter haar had een dossier open liggen waarboven ze zat te dutten, het hoofd ondersteund door haar handen.
Na drie langzaam weggetikte uren kleedde Lorie zich snel om, pakte de auto en reed naar Wijk aan Zee. Ze was uitgeput na de late nacht gevolgd door de lange dag, maar adrenaline zweepte haar door de rit heen.
Boven de zee rustte in het westen een zweem donkerrode lucht op de daken die de schapenwolkjes een dieproze tint gaf. Ze parkeerde bij de Dorpsweide en liep het Julianaplein over naar de Zwaanstraat. Bijna alles was donker; alleen bij het Boegbeeld was er leven. Ze kon het zich nog herinneren dat de Zwaanstraat vol stond met cafés en er elk weekend herrie was. Niet ideaal maar er viel wel wat te beleven. De laatste paar jaar was het bruisende Wijk aan Zee van weleer veranderd in een Castricum of zelfs in een Bergen aan Zee: een beetje doods, saai en gezapig.
Ze belde aan, hoefde niet lang te wachten en duwde de deur open. Met een paar stappen was ze boven. Celi stond in de deuropening met een glimlach en verder weinig anders. Lorie’s vermoeidheid was iets uit een ver verleden.
12.
‘Weet je’, zei Viv, met een wijsvinger porrend in de borst van de man naast haar aan de bar, ‘er wordt veel beweerd over hoeheetie, die minishtpresident van ons, van jou en van mij, maar wie kan ‘m opvolgen, huh, wie kan in zijn schoen stappen?’
Aangezien ze zich sinds veel eerder die dag aan het verzuipen was in alcohol, werden haar woorden met de minuut onduidelijker. De man knikte louter.
‘Niksh voor mij, die minishtpresident, niksh voor mij, maar wie andersh? Huh? Partij van de Arbeid. Partij van de Arbeid, ha. Vanaf Den Uijl zijn ze onzichtbaar geworden. Ja, je had nog die knaap van de vakbond, hoeheetie, die met dat haar. Maar kun jij iemand noemand uit die partij, kun je dat, iemand noemand uit die partij? Nah. Kun je niet. Of die VVDersh met die Reichführunggruppenaltersh kapshels. Ken je er iemand van, ken je? Geen gezichten, geen namen, geen inhoud -net als m’n glash.’
De man bestelde twee biertjes.
‘Dank je, maat, je bent een goede gasht. Of die, die, hoeheetie, die nieuwe lichting van D66. Altijd een verdachtige partij geweesht, D66. Wash de D voor: Domoren? Dingdong66? Hahaa. Klok horen luiden, maar ze hebben geen klepel die het land kan leiden. Allemaal Quashimidomodosh. Modosh. Klokkenluidersh maar niet alsh, niet alsh die knaap die nu in Thailand zit. Of Vietnam. Waar dan ook. Dat ze die achterna zitten, schande. Hij moet gelauwerd worden voor de informatie die hij heeft uitgeshpuugd. Niet letterlijk. Maar hoeheetie heeft veel voor onsh gedaan, onsh als volk. Hoe heetie toch?’
Ze gaf de indruk aan het denken te zijn. De man, die zoals zij ook niet werkelijk helder was, dacht met haar mee.
‘Snowden’, zei de barman.
Dit waren zijn enige twee klanten nog. Met een oog op de klok volgde hij het gesprek.
‘Shnowden’, herhaalde Viv. ‘Je hebt gelijk: Shnowden, Eric Shnowden.’
‘Edward.’
‘Zei ik. Eric Shnowden. Kijk, die gashten mieshten, mieshten? moeten een lintje krijgen voor wazze voor het klootjeshvolk hebben gedaan. Niet opgejaagd worden. Neeneenee, niet.’ Ze keek in haar glas en vroeg: ‘Schenk je het bier tegenwoordig in jeneverglaashjesh?’
Ze schoof het glas naar de barman. Hij bleef tegen de wand geleund staan, armen over elkaar.
‘Je hebt genoeg gehad’, zei hij toen ze met een wijds theatraal gebaar hem op haar lege glas attendeerde. ‘En ik ga zo afsluiten.’
Hij pakte een doekje en maakte de rand van de bar schoon.
‘Ken ik jou trouwens niet?’, vroeg hij toen, naar Viv kijkend.
‘Noop. Ik ben hier voor het eersht. Of kom je uit Putt’n? Of wash het Pett’n? Putt’n of Pett’n, kiesh er een uit. Pitt’n of Putt’n of Pett’n.’ Ze schoot in de lach om haar eigen accent. ‘Hier ben ik voor het eersht. Waar ben ik eigenlijk?’
‘Rolde.’
‘Drenthe?’
‘Drenthe.’
‘Wauw, ik ben een eind van huish. In welke richting ligt Putt’n?’ De barman wees een willekeurige kant op. Viv knikte. ‘Krijg je nig nog wat van me, behalve een punthoofd?’
De barman keek naar de man naast haar die hem een kort knikje gaf.
‘Het is goed zo. Wel thuis en voorzichtig. Je bent niet met de auto, toch?’
‘Neh. Ik ben niet ontverwantwoordelijk. Dronken, maar niet dat wat ik net zei.’
Bij het naar buiten lopen, stak ze haar hand naar de twee op.
Ze was met een reden naar het café gegaan om dronken te worden. Wat de reden was, wist ze niet meer. De drank had z’n werk dus goed gedaan. Met de handen in de zakken zwalkte ze de straten door op weg naar het huisje en dacht aan Celi.
13.
Met gestrekte armen lag Celi op de vloer, zweetdruppeltjes parelend over heel haar lichaam. Lorie bracht twee bakken koffie mee naar binnen en ging naast haar zitten, voorzichtig de bakken bij de oren met éen hand vasthoudend.
‘Ahh, dank je. Nu nog overeind zien te komen.’
Ze bleef liggen. Lorie, in de kleermakerszit naast haar, streelde haar wang.
‘Voel je je een beetje lekker?’, vroeg ze.
‘Ik voel me heerlijk. Jij?’
‘Beter dan heerlijk.’ Ze nam een slok koffie. ‘Hebben jouw buren jou er wel eens op aangesproken dat je behoorlijk luid kan zijn?’
‘Behoorlijk niet, nee. Onbehoorlijk… mmh, zouden ze niet durven.’ Ze keek naar de vrouw naast haar die met de rug geleund tegen de zijkant van de bank koffie dronk. ‘Jij bent goed voor mij, weet je dat? Het is lang geleden dat ik me zo goed heb gevoeld, zo heerlijk. Moet je nog werken vandaag?’
‘Het ene moment ben ik goed voor je, het volgende wil je me de deur uit hebben om naar het werk te gaan.’
‘Je weet wat ik bedoel’, zei Celi lachend.
‘Straks nog werken en dan een lang weekend vrij.’
‘Heb je plannen voor het weekend?’
‘Zekers. Het plan is om elke minuut van elke dag met jou door te brengen.’
‘Da’s een goed plan.’
‘Een strak plan. Ik moet wel een tukkie doen anders haal ik de avond niet.’
‘Kom op, we gaan naar bed.’
Celi strekte haar armen en werd door Lorie overeind getrokken. Ze pakte haar hand en nam haar mee naar de slaapkamer.
Ze waren gisteravond niet verder gekomen dan de woonkamer waar ze de kleding van elkaars lichaam wegklauwden en de verdere nacht op de vloer van elkaar genoten.
Bij het zien van het tweepersoonsbed vroeg Lorie:
‘Vind je het niet bezwaarlijk dat ik hier ga liggen?’
‘Nee. Jij? Ik heb de lakens verschoond.’
‘Okee.’
Lorie kroop onder het eenpersoonsdekbed dat over het midden van het bed uitgespreid lag. Celi nestelde zich tegen haar aan en voelde meteen Lorie’s armen om haar heen cirkelen. Een minuutje later waren beiden in slaap.
Lorie kwam als eerste uit een heel ontspannen droom weer bovendrijven. Celi zat recht overeind, de armen om haar opgetrokken benen gevouwen, staarde ze langs een kier in het gordijn naar een stukje duin. Lorie streelde de achterkant van haar dij maar ze reageerde niet.
‘Gaat ie goed met je?’, vroeg ze toen. Celi antwoordde haar met een korte negatieve hoofdbeweging. ‘Iets waar ik je mee kan helpen of heeft het misschien met de dood van jouw vrouw te maken.’
‘Dat laatste.’
‘Oh… Au, eigenlijk. Wil je dat ik wegga?’
‘Ik weet niet of ik jou kan vertrouwen.’
‘Je kunt het altijd proberen.’
‘We kennen elkaar nog maar pas.’ Eindelijk keek Celi haar weer aan. ‘Hoe weet ik dat jij te vertrouwen bent?’
‘Dat weet je niet. Maar is het elkaar nog maar pas kennen een geldige reden om mij niet te vertrouwen? Ben jij nooit belazerd door iemand die je al jarenlang dacht te kennen?’
‘Mhh’, was de reactie hier op.
Ook Lorie ging overeind zitten, haaks op Celi.
‘Of heeft het met mijn ambtenaar in functie-zijn te maken?’, vroeg ze toen.
‘Ook. Hoewel ik me afvraag wat jouw functie momenteel is.’
‘Ik zal maar niet geheim geven waar ik m’n toegangspasje heb verstopt.’ Haar vingers liefkoosden Celi’s wang. ‘Als je met iets zit, kun je het aan mij vertellen. Ik zal alles als vertrouwelijk behandelen. Buiten jou en mij hoeft niemand te weten te komen waarover wij het hebben, Celine.’
‘Weet je dat jij de enige bent die me Celine noemt?’
‘Het is een mooie naam.’
‘Zekers, maar al sinds de schoolbanken ben ik Celi en dat is zo gebleven.’
Het dekbed lag op de grond. Het was warm en de zon kroop langzaam naar de voorzijde van de flat en viel als eerste op het openstaande slaapkamerraam.
Ze pakte Lorie’s hand en kuste de vingers terwijl zij haar aankeek. De grote blauwe ogen, de open blik, het vertrouwen dat zij voelde in haar bijzijn bracht Celi ertoe om te zeggen:
‘Mijn dilemma is dat ik een probleem heb, een grote.’
Lorie bleef haar aankijken zonder te reageren. Wilde Celi iets zeggen dan moest dit zonder aansporing van haar kant zijn.
‘Een groot probleem’, herhaalde ze. ‘Ik weet niet wat ik ermee aanmoet. Ik lieg tegen mensen, mensen die het beste met me voorhebben, en door dit liegen doe ik hen pijn. Mijn moeder, bijvoorbeeld, die mij nooit een haarbreed in de weg heeft gelegd. Tegen haar vertel ik nu de grofste leugens. Ik weet niet meer wat ik met mezelf aanmoet. Weet je, toen we gisteravond bij de strandopgang waren, voelde ik me intens gelukkig. Met jou. En toen realiseerde ik me plots dat ik zo’n gelukzalig gevoel niet verdien. En ineens was de optie om de zee in te lopen niet eens een vreemde.’
Lorie herinnerde zich de abrupte ommezwaai in het humeur van Celi heel duidelijk. Het was alsof ze met twee verschillende mensen te maken had, met yin en yang, Jekyll en Hyde, Holmes en Watson, Peppie en Kokkie.
‘Het is niet Viv die in de auto is verbrand maar iemand die een proefrit maakte’, zei Celi zonder verdere omwegen. ‘Viv heeft de identiteit van de overleden vrouw aangenomen.’
Ze vertelde alles wat ze er van kwijt wilde, ook haar eigen aandeel erin: het ongeluk, de politie, Viv’s faillissement, nieuwe kans, Spanje. Het enige dat ze achterwege liet, was waar Viv zich nu bevond. Lorie vroeg er niet naar, schoof naar het midden van het bed en nam haar in de armen.
‘Ik ben blij dat je me het verteld hebt’, zei ze. ‘Dan staat dit tenminste niet tussen ons. Weet je, Celine: toen ik de eerste keer bij jou hier aan de deur kwam met mijn collega en jij voor ons stond, kon ik m’n ogen niet van jou afhouden. Da’s niet professioneel voor een politieagente. Je zag er zo mooi uit, maar ook zo hulpeloos, dat ik niets liever wilde dan jou tegen al het kwaad in de wereld beschermen. En dat voel ik nog steeds.’
‘Ondanks wat ik net heb verteld?’
‘Ondanks alles. Ik was op slag verliefd op je en dat ik dit als een vrouw van in de veertig nog mag meemaken dan weet ik dat het echt is. Ik wil geen ander dan jij.’
‘Ondanks wat ik verteld heb?’, vroeg ze nogmaals.
‘Ondanks alles, ondanks alle déjà vu momenten die we in de toekomst nog zullen meemaken.’ Haar telefoon rinkelde. ‘Kut! M’n wekker. Ik moet naar het werk.’ Ze stapte het bed uit en zocht haar kleding bij elkaar. ‘Geen tijd om te douchen, geen tijd om te eten.’
‘Ik maak wel een boterhammetje voor je.’
Celine verdween naar de keuken en toen Lorie was aangekleed en gel in haar haar had gedaan, ontving ze bij het weggaan een zakje belegde bolletjes.
‘Wat huiselijk’, zei ze glimlachend. ‘Ik kan hier wel aan wennen.’ Ze kusten elkaar. ‘Ik neem vanavond een pizza mee. Quattro formaggi?’
‘Mijn favoriet.’
‘Dan neem ik er twee mee.’ Ze opende de voordeur en boog zich voorover voor een laatste kus. ‘Voordat ik het vergeet’, zei ze, een hand in haar broekzak stekend. Ze hield het armbandje op waarvan Celi haar van overtuigd had dat dit van Viv was. ‘Beetje geblakerd, maar sommige delen zijn nog goed te zien. Tot straks.’
Celi sloot de deur achter haar en liep terug naar binnen, de armband aandachtig bekijkend. Lorie had dit niet voor niets gezegd. Met gefronste wenkbrauwen trok ze het armbandje uit het plastic en draaide het langzaam rond. Haar oog viel op een rechthoekig stukje metaal waarop een paar krabbels te zien waren. Ze pakte een loep erbij om het vage schrift beter te kunnen zien en las: SvG. Ze vloekte binnensmonds. SvG, de initialen van Stephanie van Gilzen, de rechtmatige eigenaar van de armband en de vrouw wier identiteit Viv had aangenomen.
14.
‘Viv wil me spreken.’ Celi liet de telefoon zakken. ‘Nog éen keertje voordat ze uit m’n leven verdwijnt. Zegt ze tenminste.’
‘En?’
‘Hoezo “en”?’
‘Ga je d’r bellen of heb je andere plannen?’
Lorie lepelde het laatste restje schuimende melk uit haar glas latte en keek vragend naar Celi.
‘Ze wil me ontmoeten. Zal ik het doen?’
‘Alleen als je dit zelf wilt.’
‘Het liefst heb ik helemaal niets meer met haar te maken.’
‘Je hebt zoveel jaren met haar doorgebracht dus gun haar dit laatste stukje nog.’
Lorie schoof over de bank naar haar vriendin en trok haar naar zich toe. Het was de laatste dag van haar lange weekend. Zij hadden dit in elkaars bijzijn doorgebracht; een liefdevol, sensueel weekend dat ze met veel praten hadden gevuld. Lorie had haar bekend dat zij de initialen op het armbandje had gezien maar hiervan geen melding bij haar directe baas had gemaakt. Wat zij achterhield, was dat toen zij dit van plan was zij van gedachten veranderde door het gebrek aan subtiliteit van Jos, haar zogenaamde meerdere. Had hij dit niet gedaan dan was alles misschien heel anders gelopen. Maar dit deed nu niet meer ter zake.
‘Heeft ze al gezegd waar ze je wil ontmoeten?’, vroeg ze.
‘In Almere.’
‘Oh, got. Ja, als je de anonimiteit zoekt, is Almere de plek voor je.’
‘Misschien was het een opgooi tussen dat en Volendam.’
‘Dan maar Almere’, grinnikte Lorie.
‘Goed. Ik ga me aankleden.’
‘Zal ik met je meegaan?’
‘Nee, dit is iets dat ik alleen moet doen. Als jij er maar bent wanneer ik terugkom.’
‘Ik zal er altijd voor jou zijn.’
De afspraak was om twaalf uur bij een Delifrance in het treinstation Almere Centrum. De trein vanuit Assen maakte daar een stop.
Celi stapte om elf uur in de auto. Zelfs met eventueel oponthoud zou ze er ruimschoots op tijd zijn.
Na haar vertrek nam Lorie een douche, waste haar haar en voelde zich hierna als herboren. In de slaapkamer trok ze een t-shirt en korte broek aan en ging terug naar de badkamer voor een beetje gel. Met de vingers in het haar om haar platte pluizenkapsel in model te brengen, hoorde ze de voordeur openen. Stilletjes pakte ze een handdoek van de haak en veegde haar gelvingers droog. Iemand liep door de gang op weg naar de slaapkamer. Het waren niet Celi’s voetstappen. Ze hield zich achter de wand schuil totdat de voetstappen het zeil verlieten en in het slaapkamertapijt verder sloften. Een kastdeur schoof open. Zachtjes verliet ze de badkamer en posteerde zich in de deuropening. Toen de kastdeur sloot en de deur met de spiegel tevoorschijn kwam, zag Viv haar staan. Haar aanvankelijke schrikreactie ebde weg en op haar gezicht verscheen een grijns.
‘Was jij dat nou echt in dat politiepakkie?’, vroeg ze via de spiegel. ‘Je laat er ook geen gras over groeien om mijn vrouw in te pikken.’
‘Jouw weduwe bedoel je. Voor een dooie zie je er verdomd levend uit.’
‘Niet alle zombies zijn levende lijken.’ Ze draaide zich om en leunde tegen de kastdeur. ‘Wat doe jij hier?’
‘Dat kan ik beter aan jou vragen.’
‘Ik kom wat kleding halen en peer ‘m. Jij?’
‘Ik blijf hier nog wat langer hangen.’
‘Dus je sopt m’n weduwe als bijbaantje?’
‘Allemaal gratis en geloof me: ze had een echte vrouw nodig na zeventien jaar met jou te hebben doorgebracht.’ Lorie trok een zelfingenomen wenkbrauw op en speelde luchtpiano met haar lange vingers.
‘Oee, je bent ook zo’n butch, jij’, merkte Viv op in een stem die droop van sarcasme. ‘Bravo.’
‘Het plezier was geheel aan beide kanten’, zei Lorie en maakte een korte buiging. ‘Nou, pak je spullen en flikker uit ons leven. Hoe markant, trouwens, dat je ook ditmaal een leugen aan Celine hebt verteld om haar het huis uit te krijgen. Ben je ooit wel eens eerlijk tegen haar geweest?’
‘Dat gaat jou niets aan.’ Viv pakte een plastic Vomar tas van de grond en stopte er kledingstukken in. ‘Heb jij er wel eens over nagedacht dat niets mij in de weg staat om jou en Celi aan te geven?’
‘Op grond van wat: te hete sex op een zomerse dag?’
Viv trok haar lip venijnig omhoog. Al sinds de middelbare school hadden zij en Lorie mot met elkaar, en als het op vrouwen veroveren aankwam, werd zij altijd door haar verslagen. Dit zat haar nog steeds hoog, meer dan ze had verwacht.
‘Vergeet niet dat ik niets te verliezen heb’, zei ze.
‘Alleen jouw vrijheid, hoewel ik denk dat jij je best zult vermaken in een vrouwengevangenis. Daar zitten veel desperate types dus aan aandacht zul je geen gebrek hebben.’
‘Okee, nu we alle plezanterietjes uit de weg hebben geveegd: hoeveel heb jij er voor over om mij stil te krijgen?’
‘Waarom zou ik jou iets geven?’, vroeg Lorie op haar beurt.
‘Omdat ik een keffertje ben, zo’n kuitenbijtertje die op je afrent louter en alleen maar om te bijten.’
Ze gooide de tas op het bed en vulde een tweede. Ze had minder kleding dan ze dacht en de tweede tas werd tot amper de helft gevuld. Onder de sportkleding lag een t-shirt waarin een paar duizend piek was gewikkeld. Ook deze deed ze in de tas.
‘Ik ga naar het buitenland en heb geld nodig om de eerste weken mee door te kunnen komen totdat ik op m’n eigen benen kan staan.’ Ze schoof de kastdeur dicht en keek naar Lorie. ‘Beschouw het als een bedankje.’
‘Voor wat?’
‘Als ik niet was overleden, was je nog steeds alleen.’
‘Alleen ben ik zelden.’
‘Was je zonder Celi.’
Dat soort alleen bedoelde Viv dus. Lorie dacht snel na en zei:
‘Ik kan tweeduizend lospeuteren.’
‘Maak er vijf van en ik ken jou niet meer.’
‘Dat gaat me niet zo eentweedrie lukken.’
‘Hoe lang?’
‘Een dag of drie.’
Viv overdacht deze propositie en knikte.
‘Drie dagen, niet langer.’ Ze liep naar voren en stak haar hand uit. Lorie schudde deze. ‘Ik vertrouw erop. Wat is jouw nummer?’
‘Bel Celine maar als je mij wilt spreken.’
‘Okee, wat jij wilt. Ik bel je over drie dagen rond twaalven om een plek af te spreken waar we elkaar kunnen ontmoeten. En graag geen goedkope grappen met de jongens en meisjes in blauw die me op de afgesproken plek staan op te wachten.’
‘Dat zal niet gebeuren.’
‘Je bent best slim voor een nepblondje.’
Viv pakte de tassen en ging naar buiten. Ze had de huurauto in de Voorstraat geparkeerd en reed daar vandaan naar de parkeerplaats aan de Kruisbergweg. Drie dagen wachten in de buurt van de Patatoloog was een makkie.
Na Viv’s aftocht trok Lorie haar schoenen aan en reed naar de Koningstraat. Het café was nog gesloten. Ze belde de eigenaar die tien minuten later op zijn sloffies kwam aanlopen en haar binnenliet.