Onderstaand de hoofdstukken van het feuilleton van de voorpagina. Dit wordt regelmatig aangevuld zodat de voorpagina leesbaar blijft.
Deel 1
1.
Naast haar vrouw in bed zittend, at Jasmijn haar toast en veegde de kruimels van haar borsten terug op de houten plank.
‘Ik begrijp dus totaal niets van hetero relaties’, zei Lotte, berichten op haar iPad lezend. Ze nam een hapje van het stuk geroosterd brood dat Jasmijn voor haar op hield. ‘Ik bedoel’, vervolgde ze: ‘je ligt daar een kind te baren en twee kamers verderop ligt je man, de vader van dat kind van je, te rampetampen met jouw zogenaamde beste vriendin. Hoe achterlijk ben je om daarna nog steeds te beweren dat je van ‘m houdt.’
‘Liefde is een vreemd iets’, was Jasmijn’s neutrale opmerking.
‘Ik begrijp niets van hetero relaties’, herhaalde Lotte maar weer.
‘Vraag het aan je broer. Na drie huwelijken zou hij er kenner moeten zijn.’
‘Of juist niet aangezien ze allemaal in een scheiding zijn geëindigd.’
Lotte pakte het stukje toast dat tussen de lakens was gerold en at het op.
‘Ook dat lag zeker niet aan hem’, zei Jasmijn zacht, maar net hard genoeg voor haar vrouw.
‘Zit het jou nog steeds dwars dat hij niet op mijn verjaardag is gekomen?’, vroeg ze.
‘Nee.’ Jasmijn liep naar de badkamer om haar haar te borstelen. ‘Wat mij dwars zit, is dat hij te gierig was om een bijdrage aan het cadeau te doen “omdat hij geldproblemen heeft”.’
Lotte hoorde de aanhalingstekens waarmee Jasmijn sprak.
‘Dat komt zeker omdat hij die drie exen moet onderhouden.’
‘Het is al weer een half jaar geleden’, zei ze. ‘Laat gaan, Jas.’
Ze kwam terug de kamer in en pakte een oogpotlood uit de la.
‘Overigens had hij merkwaardig genoeg geen geldproblemen om kaarten te kopen voor dat concert van Coldplay pasgeleden. Jezis, da’s pas geld weggooien.’
‘Had je er minder moeite mee gehad als het Bowie was geweest?’, vroeg Lotte, de conversatie een andere richting uitsturend zodat haar vrouw niet bleef mopperen.
‘Stukken. Weet je...’ het oogpotlood wipte op en neer tussen haar vingers ‘...net zoals ik van mening ben dat je eerst een IQ test moet doen voordat je mag stemmen, zou je ook verplicht moeten worden om naar echte muziek te luisteren voordat je ook maar een mening over deze liftmuzak mag geven. Maar vijftig, zestig euro voor een kaartje naar een concert van supermarktgereutel maakt geen inbreuk op de portemonnee van iemand die geldproblemen heeft.’
Ze gooide de potlood terug in de la en kuste haar vrouw. Deze hield haar aan de kraag van haar hemd vast.
‘Veel plezier vandaag, mopperkont’, zei ze met een grijns.
‘Dat gaat helemaal lukken.’
Ze pakte haar tas en ging het huis uit, nam de twee trappen naar beneden, en kreeg onmiddellijk problemen met het keffertje van de buurvrouw dat altijd op de uitkijk stond om haar in de enkels te bijten. Bijna ongeschonden kwam ze bij haar auto terecht. De beneden buurman had zijn derdehands pooierbak weer zo geparkeerd, dat het veel moeite kostte uit het parkeervak te laveren zonder roest van hem op de motorkap te krijgen.
Ze reed langs het plein en de laatste huizen het dorp uit en werd onmiddellijk omringd door bomen aan beide zijden van de weg. Ze kwamen langzaamaan weer in de knop. Als het meezat, was het hier over een week een zee van groen.
Ze draaide de A9 op en reed richting Alkmaar, langs het kanaal. Sinds twee weken had ze weer werk nadat ze zeven maanden thuis had gezeten. Het was heel onverwacht geweest, waarbij ze gebruik maakte van een gelegenheid, zonder er verder bij na te denken.
De tweehands boekwinkel die zij in Alkmaar had ontdekt, zocht personeel. Niet officieel via de banenmarkt waarop ze kon solliciteren, maar als een terloopse opmerking. Marleen, de eigenaresse van de winkel, en Haaye, het enige personeelslid, waren in gesprek over de voorraad boeken in de kelder onder, die door de vorige eigenaar in dertig jaar bijeen vergaard was. Marleen wilde deze geïnventariseerd zien terwijl Haaye terecht vermoedde, dat deze bezigheid van zijn leestijd zou afgaan. Het hoofddoel van zijn aanwezigheid in de winkel bestond uit het zitten in een makkelijke fauteuil achter het oude bruine bureau, dat als toonbank dienst deed, en alle rekken leeglezen.
De twee collegae waren hierover druk in gesprek toen Jasmijn met een boek in de hand bij de kassa aankwam, het gekaats over en weer volgde en opmerkte:
‘Misschien kan ik helpen.’
Het gekibbel stopte en beide gezichten draaiden zich naar haar. De ene was van een vrouw rond begin vijftig met rommelig haar en vriendelijke ogen, het andere van een jongeman in de twintig, met een flinke donkere haardos en blauwe ogen.
‘Hoe?’ Haaye reageerde als eerste.
‘Bij mijn vorige werkgever heb ik altijd inventarisatie gedaan. Werkgevers.’
Ze noemde de meervoudsvorm om aan te geven, dat zij wist wat er in de wereld van het inventariseren te koop was. De twee tegenover haar wisselden een blik.
‘Hoe duur ben je?’, vroeg Marleen toen.
Ze trok de schouders op; een gebaar dat een glimlach op Marleen’s gezicht bracht.
‘Weekje op proef, onbetaald?’
Het was een hoopvolle vraag; eentje waarvan ze dacht dat deze niet zou worden geaccepteerd.
‘Och, waarom ook niet’, zei Jasmijn na kort nadenken. ‘Ik heb verder toch niets om handen en ik hou van boeken.’
Haaye haalde opgelucht adem halen, blij dat hij onder het echte werk kon uitkomen. Hij stelde zich aan haar voor, zakte in de fauteuil, pakte het opengeslagen boek op en las verder.
Marleen nam Jasmijn mee naar de kelder en wees naar de boekenkasten langs de wanden waar tientallen dozen kris-kras voor stonden. De boeken in de kasten lagen in een hoop op elkaar, sommigen zij een zij, anderen opgestapeld op planken die onder hun gewicht waren bezweken. Dozen waren geopend en achteloos weer gesloten; anderen hadden nooit het daglicht gezien.
‘Dit is het.’ Ze stond met de handen in de zij en keek om haar heen voordat ze naar Jasmijn keek. ‘Denk je dat je het aan kunt?’, vroeg ze.
‘Het meest tijdrovende zal zijn om alles uit te zoeken’, zei Jasmijn. ‘En dat is nu precies waar ik goed in ben.’
‘Mooi.’
‘Heb je nog een speciale voorkeur?’
‘Hoe bedoel je? Van hoe te inventariseren bedoel je toch hopelijk niet, want daar weet ik niks van.’
‘Nee, neenee: welke boeken de voorkeur hebben en welke direct in de ramsj kunnen.’
‘Ah. Streekromans zijn compleet uit. De vrouwen die dat lazen, zijn een uitstervend soort. Dus die en meer van dat genre boeken kunnen wat mij betreft in de dozen blijven. Mysterie en detectives blijven altijd verkopen. Momenteel zijn de Scandinaviërs in zwang, maar alles waarin iemand wordt omgebracht, is goed voor de verkoop. Niche boeken zijn goed. Hobby boeken eveneens, maar niet van die reeksen waar mensen simpel van worden, je weet wel: die nagellak voor dummies boeken enzovoorts. Kookboeken gaan nooit uit, evenals reisgidsen, maar niet ouder dan twee jaar. Zijn ze daarentegen weer heel oud, dan zijn ze wel weer goed voor de verkoop. Uhmm, wat nog meer...’
‘Ik denk dat ik het wel zo’n beetje door heb’, zei Jasmijn, en volgde haar de houten trap op terug naar de begane grond.
‘De koffie staat te pruttelen’, riep Haaye behulpzaam toe vanuit zijn fauteuil.
Marleen nam twee mokken mee en ging Jasmijn voor naar een tafel achterin de winkel, vlak naast de trap naar de kelder.
‘Dit is jouw werkplek’, zei ze. ‘Richt het in zoals je wilt. Ik zal er nog een stoel bij zoeken.’
Ze ging op tafel zitten. Jasmijn bleef schuin tegenover haar staan en leunde met haar rug tegen een pilaar.
‘Ik ben altijd benieuwd waarom iemand van boeken houdt.’
‘Ik kan het me niet voorstellen waarom iemand dat niet doet.’ Ze nam een slok koffie terwijl en keek over de rand van de mok naar Marleen. ‘Ik heb altijd gelezen. Niks was te slecht of te moeilijk of ik las het. En nog steeds. Mijn partner schrijft zelf romans, dus dat scheelt ook.’
‘Is hij bekend?’
‘Zij.’
‘Oeps, sorry.’
‘Maakt niet uit.’
‘Domme aanname van me’, zei Marleen als verontschuldiging.
‘Ze is redelijk bekend. Ik hoop alleen dat ik niet eentje van haar in die dozen tegenkom.’
‘Omdat je bang bent dat je niet weet waar je haar onder moet plaatsen?’, vroeg Marleen met een knipoog.
‘Het komt in elk geval niet in de bak met streekromans. Lotte Davelaar is mijn partner.’
‘Lotte Davelaar...’ Met een frons tussen de wenkbrauwen dacht Marleen na. ‘Ja, die ken ik. Ik heb boven twee boeken van haar.’ Ineens had het dalende kwartje in haar hersens de juiste plek bereikt. ‘Jeetje, Lotte Davelaar... Wauw. Hoor je dat, Haay?’, riep ze naar voren.
‘Wauw’, klok het braaf terug.
Marleen schudde grinnikend het hoofd om zijn lauwe reactie en zei:
‘Ik hoop dat je je zult vermaken hier. Kan ik jouw 06 krijgen zodat ik je kan bereiken?’
Ze wisselden telefoonnummers uit en Jasmijn beloofde de volgende morgen te zullen beginnen.
Dat was twee weken geleden en ze werkte er nog steeds. Het salaris was niet noemenswaardig, maar dat had ze ook niet verwacht. In elk geval deed ze het werk waar ze dertig werkzame jaren in het bedrijfsleven alleen van had kunnen dromen.
2.
De mok met koffie stond op de punt van de tafel koud te worden. Jasmijn zat over een dik boekwerk heen gebogen. Hierin waren alle boeken opgenomen die tot op heden waren uitgekomen bij een officiële uitgever. De rest van de tafel was volgebouwd met boeken die als een fort om haar heen stonden.
Ze had een aantal boeken gevonden in een Slavische taal. Vermoedelijk Pools, maar omdat de Slavische talen onderling zovele overeenkomsten hadden, was dit niet zeker. Het kon net zo goed Tsjechisch zijn. Ze probeerde de naam van de schrijver hardop uit te spreken, toen Marleen over de voorste stapel boeken heen boog.
‘Hoe gaat ie?’, vroeg ze.
‘Prima.’ Ze hield haar vinger op de bladzijde van het grote boek.
‘Je hebt het er maar druk mee.’
‘Druk, maar ook interessant om uit te zoeken.’
‘Mmh, ja, maak dat Haaye maar wijs.’
Ze nam een slok koffie en boog verder voorover, zodat een rij boeken angstig meeschoof. Jasmijn hield deze met haar vrije hand tegen.
‘Sorry.’ Ze ging meteen rechtop staan en schoof de rij terug. ‘Wat ik wil zeggen: er komt zo meteen een klant die boeken van zijn overleden vader brengt. Ik begreep dat zijn vader bibliofiel was en deze zoon niet het wiel heeft uitgevonden. Hij heeft er dus ook geen idee van wat die boeken waard zijn. Hij ziet alleen geld. Ik heb hem ongezien zeshonderd piek beloofd voor alles.’
‘Da’s een flinke prijs.’
‘Inderdaad’, stemde ze knikkend in. ‘Maar hij noemde een paar titels op die mij wel aanstonden. Punt is: ik moet er effentjes tussenuit, dus als die man komt, wil jij hem te woord staan? Aan ons leeswonder heb ik namelijk niks in dit soort zaken.’
‘Het leeswonder is niet doof, dames’, klonk het van achter het bureau.
‘Negeer ‘m maar; dat doe ik al jaren. Als je wat van de prijs af kunt pingelen dan is het meegenomen, maar het is geen heilig moeten. Ik wil namelijk niet dat hij de boeken ergens anders brengt.’
‘Okee. Gaat lukken.’
‘Hij komt zo rond tienen.’ Ze keek op haar mobiel om te zien hoe laat het was. ‘Ik ga een paar boodschappen doen en hopelijk ben ik op tijd terug. Wil je nog iets voor bij de koffie? Als ik dan toch in de stad ben...’
‘Boterkoek’, zei ze prompt. Ze was dol op boterkoek maar Lotte vond het spul moddervet en wilde het niet in huis hebben.
‘Boterkoek’, herhaalde Marleen en ging weg om twee tellen later weer terug te komen. Jasmijn was alweer in haar werk verzonken. ‘Overigens: het geld voor de boeken ligt in de la van het bureau.’
Ze vertrok en liet bij het weggaan de heer Van Zanten binnen. Deze man was een vaste klant van de boekwinkel waar hij bijna dagelijks te vinden was, zittend in een fauteuil die bij de reisboeken was opgesteld. Hij pakte dan een boek uit één van de vele kasten, ongeacht welke, en liep hiermee naar de fauteuil om te lezen. Het boek zou hij lukraak op een pagina openslaan en verdiepte zich hier de verdere dag in. Pas na drieën vertrok hij weer. Soms kocht hij het boek om er thuis mee verder te gaan en bracht het dan de andere dag weer terug om te verkopen.
Zodra hij meneer Van Zanten zag binnenkomen, schonk Haaye een mok koffie voor hem in en zette deze op het krukje naast zijn fauteuil. Ook deze morgen bracht hij koffie naar de man en ging op de terugweg bij Jasmijn langs. Hij bleef aan de zijkant van de tafel staan om te zien wat ze aan het doen was voordat hij zijn eigen fauteuil opzocht om verder te lezen.
Jasmijn legde het boek van de Slavische auteur op de anderen tegen de wand. Het was een stapel waar nader onderzoek naar gedaan moest worden. Ze ging de kelder in. Het was koel beneden, de juiste temperatuur voor boeken. Dat moest de reden zijn dat ze in zeer goede staat waren, zeker voor tweedehands boeken. Er waren geen vochtvlekken noch andere staten van ontbinding die aan weersomstandigheden te wijten waren.
Tijdens haar initiële zoektocht had ze opgemerkt dat er nog een doos met Slavische schrijvers was maar kon het zich niet meer herinneren waar, en zocht een paar dozen na. Het veertig Watt peertje dat sinds jaar en dag in deze kelder hing, had een okergele halo van tien centimeter diameter en ze moest haar telefoon gebruiken om bij te lichten. Het lukte haar de doos te vinden en nam het mee naar boven. Met het hoofd schuin langs de doos heen kijkend, kreeg ze het zonder kleerscheuren boven. Ze zette het neer, bond het rood-witte lint voor de opening van de kelder, en schoof de doos door naar haar tafel. Ze keek op toen de deur open ging. Een man wiens overhemd te ver was losgeknoopt in verhouding tot het weer, bleef bij de kassa staan.
‘Hallo’, zei hij op Haaye’s groet. ‘Ik kom een paar dozen boeken brengen. Dit heb ik met Margreet afgesproken.’
‘Marleen’, verbeterde Haaye hem. Zijn wijsvinger zat tussen de bladzijden waar hij was gebleven. ‘Mijn collega weet hier alles van.’
Hij wees naar achteren. Jasmijn stond op en liep langs de kasten op de man af.
‘Goedemorgen’, groette zij hem.
‘Hallo. Marleen...?’
‘Jasmijn. Marleen is er op dit moment niet, maar zij heeft mij over uw komst ingelicht.’
Haaye trok glimlachend de wenkbrauwen op over haar pompeuze manier van praten en ging weer zitten.
‘De boeken zijn in de auto?’, vroeg ze toen en ging samen met de man naar buiten.
De straat was smal en de auto stond onhandig krap tussen twee paaltjes geparkeerd. Hierdoor had het rijdende verkeer een rijbaan tussen auto en gracht. Ook tussen de auto en de winkel was een smal pad vrij gelaten. Hij opende de portier naar de achterbank. Het kon maar driekwart open. Hij schoof een doos van de achterbank af en gaf deze aan haar.
‘Het is zwaar’, waarschuwde hij.
Zonder een spier te vertrekken, liep ze met de doos in haar armen de winkel binnen en plaatste deze naast de deur. Weer terug buiten, zag ze Marleen aan komen. Ze nam de volgende doos mee naar binnen en kwam de man bij de deur tegemoet, die haar de volgende doos overhandigde.
‘Lukt het?’, vroeg Marleen. Ze zette de tas met boodschappen op het bureau. ‘Moet jij niet helpen?’, vroeg ze toen aan Haaye.
‘Je had deze opdracht toch gedelegeerd?’, was zijn wedervraag.
De man had de kofferbak van zijn auto geopend en Jasmijn pakte er een doos uit. Ze zag dat er ook nog plastic tassen met boeken tussen de dozen gepropt waren en zelfs boeken die los lagen. Er was nog heel wat heen en weer gesjouw nodig en er liepen nu al straaltjes zweet over haar rug.
Marleen en de man schoven opzij toen zij voorbij kwam en bleven voor de auto staan praten. Binnen zette ze de doos op de anderen en bleef een moment staan om op adem te komen.
‘Gaat het?’, vroeg Haaye, opkijkend van zijn boek.
‘Beweeg je vooral niet’, zei ze tegen hem.
‘Ik neem aan dat dit geen commentaar is maar een bevel’, zei hij terug en draaide zich een kwartslag in de fauteuil, zodat zijn rug tegen de ene armleuning kwam, en zijn benen over de andere konden bengelen.
Buiten boog Jasmijn zich voorover om de volgende doos te pakken toen ze een hoop herrie hoorde. Met de doos in haar armen keek ze om en zag een man haar richting uit rennen. Hij werd op de hielen gezeten door twee andere mannen, beiden een kop groter en een lichaam breder dan hijzelf was. Ze stapte opzij, niet wetende welke kant van de auto de mannen gingen nemen, en kwam erachter dat ze verkeerd had gegokt: de kleinere man duwde haar hard opzij en koos het smalle pad tussen auto en winkel. Ze klapte tegen de auto, stuiterde met doos en al naar de grond waar het karton open scheurde en de inhoud op straat werd gespuugd. Door deze actie was de weg voor de andere twee mannen versperd. Ze moesten om de auto heen rennen en eenmaal terug op de stoep, was de kleinere man uit het zicht verdwenen. Verder rennend naar het einde van de straat, keken ze links en rechts, zagen niemand meer, en besloten op de gok naar rechts te gaan.
Jasmijn werd door Marleen overeind geholpen. Ze hield een hand over haar mond gevouwen en voelde warm bloed tussen haar vingers sijpelen.
‘Wat was dat allemaal?’, vroeg Marleen.
Ze probeerde te antwoorden, dat ze er geen idee van had welke tank over haar was heen gewalst, maar kreeg de woorden niet uit haar mond. Plots zag ze het hoofd van Haaye die haar hand weghaalde zodat hij haar mond met een papieren zakdoekje kon schoonmaken. Het deed zeer en met een onwillekeurige beweging trok zij haar hoofd weg. Ze hoorde Marleen tegen de man zeggen, dat hij de boeken zelf naar binnen moest brengen, zodat de auto niet langer de weg zou versperren.
‘Gaat ie?’, vroeg Haaye. Ze knikte voorzichtig. ‘Hoeveel vingers steek ik op?’
Marleen gaf zijn hand een klap, toen hij zijn middelvinger omhoog deed. Zowel hij als Jasmijn grinnikten.
‘Het werkt in elk geval’, zei hij tegen Marleen.
Ze hielpen haar de winkel in.
‘Het gaat’, mompelde ze verlaat op de vraag.
‘Hou wel het zakdoekje tegen de lip aangedrukt’, adviseerde Haaye. ‘Zometeen doe ik er een verbandje op. Of wil je naar de SEH?’
Ze schudde het hoofd op deze suggestie. Binnen werd ze in de fauteuil van Haaye gedrukt en bleef daar een beetje daas zitten. Hij hurkte voor haar neer en keek naar de wond.
‘Ik ben ooit eens verpleegkundige geweest in een vorig leven’, zei hij tegen haar, ‘dus ben in elk geval bevoegd om jou een aspirine te geven.’
‘Helpt dat tegen de pijn?’, vroeg ze.
Hij moest er moeite voor doen haar woorden te begrijpen.
‘Laten we hopen. Neem er anders twee.’
‘Ben je verpleegkundige geweest om dit soort advies te kunnen geven?’, vroeg ze hem.
‘Ik versta je nauwelijks’, zei hij, ‘maar als ik vermoed dat wat jij heb gezegd en wat ik heb gehoord hetzelfde is, geef ik er geen antwoord op.’ Hij haalde het zakdoekje weg. ‘Het ergste bloeden is gestopt. Er zit een snee links boven de bovenlip. Effies zien of tie goed heelt zonder hechtingen, anders moet je toch naar de eerste hulp, Jas.’
Hij zocht in de verbanddoos naar een gaasje, vond deze niet en nam toen een brede pleister. Nauwkeurig plakte hij deze over de wond heen.
‘Hee, sterkte nog’, groette de man van de boeken haar, en stak zijn hand op.
‘Moet ze niet naar het ziekenhuis?’, vroeg Marleen aan Haaye.
Ze boog zich om Jasmijn in de ogen te kunnen kijken, checken of ze nog helder was.
‘Nah, niet nodig volgens mij.’ Hij drukte de plakranden wat steviger aan. ‘Dit moet helpen. Het kan wel zeer doen als je de pleister eraf haalt. Je zult misschien een stuk van je snor meetrekken, maar verder is er niets aan de hand.’
Marleen schoot in de lach.
‘Wil je wat drinken?’, vroeg ze toen. ‘Oh ja, ik heb boterkoek meegenomen.’
‘Ze kan haar mond nauwelijks openen’, merkte Haaye op, ‘dus hoe denk je dat ze kan eten of drinken?’
‘Met veel moeite.’
‘Of met een rietje.’
‘Wil je de boterkoek met een rietje opzuigen?’, vroeg Marleen haar.
Jasmijn ging overeind zitten en voelde aan de pleister op haar bovenlip. Het enige wat ze op dat moment hoopte, is dat ze niet zo getikt zou worden als die twee tegenover haar.
3.
‘Wat is er met jou gebeurd?’ Lotte keek over de bar van de keuken naar haar vrouw die vroeger dan anders thuis kwam. ‘Gevochten met een klant die het gebruik van een apostrof onzin vindt?’
Ze liet het koken voor wat het was en sloeg haar armen om haar heen. Dichtbij zag ze pas de pleister onder haar neus. Eerder was alleen het blauwe oog opgevallen.
‘Hoe krijg je dit nou weer voor elkaar?’
Jasmijn begon over de dozen met boeken te vertellen, de auto, de kleine man die haar wegduwde, maar na een aantal woorden schudde Lotte het hoofd en zei:
‘Ik begrijp geen moer van wat je zegt.’
Praten deed zeer. Het lukte Jasmijn niet haar lippen verder dan een goede ademinhaal uiteen te doen. Ze trok de schouders op, legde haar jasje over de leuning van een stoel en ging op de bank zitten. Op haar iPad schreef ze in het kort het verhaal op. Tijdens het typen, las Lotte over haar schouder mee.
‘Stop met het corrigeren van de typos’, merkte ze meteen op, ‘ik weet wat je bedoelt. Het is verdomme geen essay die je moet inleveren.’
Na alles gelezen te hebben, vroeg ze:
‘Heb je aangifte gedaan bij de politie?’
‘Waarvan?’, typte Jasmijn.
‘Dit is toch een geweldsdelict, zoals de politie het zo lekker knullig omschrijft.’
‘Het was een ongeklukje.’
‘Klukje of niet, je zou er werk van moeten maken.’
‘Hoe leg ik het uit? Ik kan niet lullen, verdorre.’
‘En nauwelijks typen.’ Ze kuste Jasmijn’s vingers. ‘Blijf lekker onderuit hangen’, zei ze, ‘en trek je spartelpak aan. Geen zorgen verder; ik heb voor het eten gezorgd vandaag. Weet je waarom? Ik heb m’n verhaal af. Jeeei, ikke.’
Ze stak haar handen juichend in de lucht. Jasmijn feliciteerde haar en ging door naar de slaapkamer om zich om te kleden. Met een jogging broek en lang t-shirt aan was ze benieuwd naar wat ze vanavond te eten zou krijgen. Lotte had welgeteld twee gerechten in haar repertoire, dus het was een keuze tussen pilav of een preischotel, en het rook niet naar prei.
‘Lukt het jou eigenlijk wel om te eten?’
‘Moet maar proberen’, zei Jasmijn zonder de lippen van elkaar te halen.
‘Anders zet ik dit in de koelkast en nemen we iets anders. Ik kan ook een patatje halen’, stelde ze voor. ‘Ik denk dat dat makkelijker is dan dit. Lepel versus vinger-eten. Ik haal wel een patatje’, besloot ze voordat Jasmijn tijd had te reageren. ‘Dan kun jij intussen het laatste stuk lezen. Ik stuur het via de mail naar je toe.’
Ze trok ze haar schoenen aan, keek of ze geld genoeg bij zich had en ging naar beneden. Het keffertje kwam door het kattenluikje naar buiten gestormd maar ze was hem te snel af.
Jasmijn las het laatste deel van het verhaal. Elk woord, elke letter hield haar vast en toen ze het allerlaatste stukje tweemaal had gelezen, zette ze haar iPad uit. Ze voelde een trots in haar opwellen; een trots dat Lotte zulke mooie verhalen kon schrijven, met emotie die zonder onduidelijke sentimenten gevuld waren, en toch veel humor had. Lotte zelf had ooit eens gezegd, dat ze geen serieus verhaal zou kunnen schrijven al werd er een pistool tegen haar slaap gehouden.
Ze typte dit uit om te laten lezen, en was nog bezig toen ze de buitendeur hoorde openen en Lotte terug kwam van de frieterie.
Na het eten viel ze in slaap.
Het zou een aantal vermoeiende dagen worden.
Ondanks dat de pijn haar ’s nachts een paar keer wekte, had ze na een cocktail van paracetamol en ibuprofen een goede nachtrust gehad waaruit ze uitgerust ontwaakte. Haar ledematen deden zeer en haar lip was nog steeds strak, maar minder erg dan de dag ervoor. De scherpte van de pijn was verdwenen en vervangen door een dof, zeurend geklop. Voor het ontbijt nam nog een cocktail aan pijnstillers en at langzaam de kom met havermout leeg.
‘Het was effies gokken met de hoeveelheid melk en havermout’, legde Lotte uit, ‘maar ik kreeg het uiteindelijk voor elkaar om toch een samenhangende consistentie van die drab te maken. Het is wel zo, dat je de rest van de week havermout voor ontbijt krijgt. We moeten niet vergeten melk te halen, want die is op.’
Ze ging naast haar op het bed zitten en kuste haar voorzichtig op de wang.
‘Hoe gaat ie nu, lieverd?’, vroeg ze.
‘Beter’, mompelde Jasmijn. ‘Uitgerust.’
‘Blijf je vandaag thuis?’ Jasmijn schudde het hoofd. ‘Moet je niet uitzieken dan?’ Als antwoord trok ze de schouders op. ‘Okee. Ik bel wel Marleen om te zeggen, dat je in elk geval vandaag thuis blijft. Ga lekker tukken en doen waar je zin in hebt. Morgen zien we weer verder. Wil je nog naar de dokter? Goed, maar wel tukken dan. En eet je havermout op want we hebben nog drie mut te gaan.’
Hierna liet ze Jasmijn met rust, ging naar de woonkamer en belde Marleen. Met dit eenmaal achter de rug, dronk ze haar koffie en ging naar zolder.
Vijf jaar geleden, toen ze bij Jasmijn introk, bouwden ze de zolder om tot een strak uitziende werkkamer voor haar. Ze maakten meteen een duidelijke afspraak, dat zij niet lastiggevallen mocht worden, zelfs niet als het huis in brand stond. Het was vroeg genoeg om het huis uit te gaan als ze het heet onder haar kont kreeg.
Boven sloot ze het luik, opende het dakraam op een kier en ging op de bank liggen denken. Beneden deed Jasmijn hetzelfde: ze bracht de lege kom naar de keuken, trok haar joggingbroek en t-shirt aan en zakte languit onderuit op de bank met een boek. Er was iets heel bevrijdends om op een werkdag onverwacht vrij te hebben. Zoveel tijd, zoveel dingen die ze kon doen. Tevreden met deze gedachte begon ze aan het boek en viel na iets meer dan een bladzijde in slaap.
Bij het ontwaken zo’n anderhalf uur later, lag er een plaid over haar heen. Ze voelde zich suffig en warm en schoof de plaid van haar af. In de fauteuil schuin tegenover zat Lotte met de benen in kleermakerszit, luisterend naar een muziekje. Ze keek op toen de plaid op de grond gleed.
‘Beetje bijgekomen, Jas?’, vroeg ze.
‘Uh-huh.’
‘Wil je wat drinken?’
‘Uh-huh.’
‘Water of wat anders?’
‘Water.’
Het praten ging iets beter. Ze ging rechtop zitten en bewoog haar kaak van links naar rechts en terug. Er was iets meer leven in haar lip en hoewel het nog zeer deed, leek het minder dan voorheen.
Ze kreeg een glas water voor met een rietje erin, dronk eraan maar voelde hoe haar bovenlip zich met elke slok moest inspannen. Zonder rietje lukte het beter. Lotte ging op de poef voor haar zitten en aaide haar handen over haar dijen.
‘Wil je wat eten?’, vroeg ze uiteindelijk. ‘Een zacht gekookt eitje of zo?’
‘Lekker.’
‘Zal ik de pleister vervangen?’
De gedachte dat de pleister er in één keer afgerukt zou worden, deed Jasmijn lichamelijk ineen kruipen.
‘Als je het voorzichtig doet’, mompelde ze.
‘Je kent me toch? Ik zet eerst water op voor de eitjes en dan een nieuwe pleister pakken.’
Ze ging naar de keuken, van daar uit door naar de slaapkamer, en plofte weer op de poef neer.
‘Even op de tanden bijten.’
Voorzichtig trok ze de pleister stukje bij beetje los en keek naar de snee in de bovenlip.
‘Het ziet er mooi uit’, concludeerde ze. ‘Het is goed dicht gegaan. Een beetje rauw aan de randjes, maar dat gaat wel over. Wil je een nieuwe pleister of het zo laten luchten?’ Voordat Jasmijn de kans had iets te zeggen, vervolgde ze: ‘Maar een nieuwe pleister op doen voor extra bescherming.’ Jasmijn zei iets tegen haar. ‘Wat zeg je?’
‘Ik zei: Fijn dat je me een vraag stelt en deze zelf beantwoordt.’
‘Ja, als ik op jou moet wachten... Maar serieus, het is beter om er een pleister op te houden. Het ziet er akelig vers uit en je moet niet willen dat er een infectie om de hoek komt kijken.’
Ze stond op en liet een paar eitjes in het kokende water glijden.
Nadat ze zonder al te grote problemen het eitje had weggewerkt, legde Jasmijn haar benen op de voetenbank en trok er een plaid bij.
‘Ik heb zo gedacht’, begon ze, ‘om Pools te gaan leren.’
‘Wat te gaan leren?’
‘Pools.’
‘Zei je nou Pools?’
‘Uh-huh.’
‘Da’s handig voor als we de keuken willen laten verbouwen.’
‘Wil je de keuken verbouwen dan?’
‘Nee. Maar waarom Pools?’
‘Moet toch ergens beginnen. Er zijn veel boeken in de winkel die vanuit die richting komen.’
‘Polen specifiek?’
‘En Rusland, Tsjechië, Hongarije; noem maar op. Als je één van die Slavische talen beheerst, kun je dat van andere landen ook goed volgen.’
Het duurde even voordat de zin eruit was en Lotte haar begreep.
‘Hoe wil je Pools leren?’
‘Woord voor woord lijkt mij.’
‘Last van je bekkie hebben, heeft jouw gevoel voor humor helaas niet scherper gemaakt.’
Jasmijn grijnsde en legde haar hand voorzichtig tegen haar zere lip aan.
‘Maar’, zei ze vanachter haar vingers vandaan, ‘er zijn apps om talen te leren, dus misschien dat ik dat ’ns ga doen.’
‘Mooi.’ Lotte stond op en keek om zich heen. ‘Als je niks meer nodig hebt dan ga ik naar boven. Mocht je iets willen, gil maar. Of in jouw geval: stuur me een luid berichtje.’
Ze kuste Jasmijn op het topje van haar hoofd en liep de kamer uit. Twee tellen later klonk het luide gepiep van de ladder naar de zolder die naar beneden getrokken werd en Lotte was verdwenen.
4.
Marleen zat onderuit in de fauteuil, voeten leunend op de papierbak. De uitgelezen Alkmaarder Courant lag naast de papierbak. Het was haar net niet gelukt de krant erin te gooien. De zon scheen schuin naar binnen en hoewel de luifels neergelaten waren, sijpelde zonlicht er langs zodra de wind het gestreepte stof heen en weer wapperde. Ze hield van dit moment van de morgen: de winkel was net open, het verkeer en de wandelende mensen op straat schaars, de wereld zag er schoon uit.
Ze had de winkel bijna zes jaar geleden overgenomen van de oude heer die hier dertig jaar had gestaan. Het was een opwelling geweest, eentje waarvan ze toen hoopte geen spijt te krijgen. Ze was ontslagen bij haar oude werkgever vanwege boventalligheid zoals men dat eufemistisch noemde omdat leeftijdsdiscriminatie verboden was, en toen zij mopperde dat zij de FNV zou inschakelen, had men haar diezelfde dag nog een zak geld aangeboden vanwege trouwe dienst. Ze had dit geaccepteerd. Ten eerste omdat ze het niet zag zitten nog langer deel uit te moeten maken van de financiële wereld; ten tweede omdat ze er niet zeker van was of ze de laatste jaren überhaupt contributie aan de bond had betaald. En ten derde: na dertig jaar had ze meer dan genoeg van oeverloos gelul dat als overleg vermomd ging, en doelloze powerpoint presentaties.
Ze zwaaide naar Aarnoud, de eigenaar van het café aan de andere kant van de gracht, en staarde weer voor zich uit. De warmte van de zon maakte haar soezerig. Ze werd ruw uit haar innerlijke rust gewekt toen de deur open klingelde en Jasmijn binnen kwam.
‘Mogge’, groette deze.
‘Hallo, Jasje... Wat doe jij nu hier? Wil je koffie?’
‘Het gaat beter’, zei ze. Marleen spande zich in om te horen wat er werd gezegd. ‘Een dag rusten heeft me goed gedaan. Graag koffie.’
‘Ik had je nog niet verwacht. Je bent trouwens mooi gekleurd.’
Ze wees naar haar eigen gezicht om aan te geven wat ze bedoelde. Jasmijn glimlachte voorzichtig.
‘Past goed bij het decor’, zei ze en liep door naar achteren. ‘Is Haaye er niet?’
‘Pardon?’
‘Haaye?’
‘Oh, Haaye. Nee, zijn moeder is gevallen en moest naar het ziekenhuis vanwege haar heup.’ Ze schonk de mok vol en bracht dit naar haar tafel. ‘Overigens hebben we de boeken van de dooie bibliofiel bij jou neergezet. Als je daar als eerste naar wilt kijken.’
‘Tuurlijk.’
‘En rustig aan. Als het niet meer gaat dan vertrek je gewoon, okee?’ Jasmijn knikte en ging zitten. ‘Ben je nog langs de dokter geweest?’
‘Nee. Het is maar een sneetje. Als het niet dicht zou gaan, was ik wel naar de dok gegaan, maar het ziet er goed uit. Zie je?’ Ze trok het gaasje van de pleister een stukje omhoog.
‘Oh ja, zeker’, zei Marleen instemmend. ‘Dat is mooi bijgetrokken. Gelukkig maar, meid.’
Ze ging terug naar de fauteuil. Jasmijn keek naar alle boeken die om haar werkplek heen waren gestapeld. Haar tafel was volledig ingebouwd. Ze besloot om een aantal dozen die ze vanuit de kelder omhoog had gebracht maar weer terug te brengen. De deurbel klingelde en Haaye kwam binnen.
‘Hee’, riep Marleen verbaasd uit. ‘Da’s snel. Hoe gaat het met je moeder?’
‘Beter. Ze ligt in het ziekenhuis ter observatie’, antwoordde hij. ‘Misschien dat ze een nieuwe heup krijgt, maar dat weten we nog niet. In elk geval kwam m’n zus ook dus hoefde ik niet te blijven.’ Hij keek om en zwaaide naar Jasmijn. ‘Alles goed met jou?’
Ze stak een duim op en pakte een doos op om naar beneden te brengen.
‘Laat mij dat maar doen, Jas’, riep hij om daarna tegen Marleen te zeggen: ‘Kun jij een bakkie koffie voor me maken? Daar ben ik wel aan toe.’
Jasmijn ging zitten en leunde een elleboog op tafel. De pijnlijke zijkant van haar lichaam zat haar op dat moment meer dwars dan de snee boven haar lip. Ze zuchtte en nam een slok koffie.
‘Echt best gaat het niet zo te zien’, merkte Haaye op toen hij bij haar was.
‘Beetje vermoeid’, zei ze. ‘Die pijn vreet zoveel energie, dat ik de puf niet heb om de dozen weg te brengen.’
‘Laat ze dan staan’, zei hij, en toen hij aan haar gezicht zag dat dit geen optie was, stelde hij voor: ‘Ik zal ze achterin de hoek stapelen. Dan zijn ze hier in elk geval weg en kun je er makkelijk bij als je ze nodig hebt.’
‘Goed plan’, riep Marleen. ‘Haal de boeken uit de kasten daar en stapel ze ernaast zodat de klanten er nog bij kunnen. Het zijn toch alleen maar tuinboeken en als je tijd hebt om te tuinieren, heb je ook tijd om opgestapelde boeken te bekijken.’
‘Wel de buitenlandstalige boeken hier laten, alsjeblieft’, zei Jasmijn, ‘daar ben ik namelijk al mee bezig.’
De meesten hiervan stonden op tafel, maar een aantal had ze om een tafelpoot heen opgestapeld. Haaye boog zich voorover om te zien welke ze bedoelde. Omdat hij over een stapel heen boog, bezweek deze onder zijn gewicht en gleed als een pakje nieuwe speelkaarten van tafel af.
‘Sorry’, zei hij meteen.
De meeste boeken kon hij nog tegen houden, maar een enkele kwam op de grond terecht. In een reflex schoot Jasmijn naar voren om de vallende boeken te pakken, maar stootte haar voorhoofd tegen de rand van de tafel.
‘Au, godverdomme!’ Ze pakte haar voorhoofd vast. ‘Sorry’, zei ze erachter aan, een vlakke hand omhoog houdend.
Hierna hield ze beide handen om haar voorhoofd heen geklemd. Marleen kwam aangelopen en raapte de boeken van de vloer.
‘Het is niet jouw week, zo te zien’, merkte ze met een scheef glimlachje op.
Ze ging naar boven om een doekje te halen. Vanwege de harde knal was er koffie uit de mok geschommeld. Haaye pakte de overige boeken op en legde ze terug op de stapel. Marleen maakte de tafel koffievrij en de rust keerde terug in de winkel.
Jasmijn werkte zonder oponthoud door en merkte pas hoe laat het was toen Haaye om half één naar buiten ging om de benen te strekken. Marleen nam de fauteuil van hem over. Jasmijn stond op en opperde dat zij op een bankje buiten in de zon een tukkie ging maken.
‘Je kunt beter naar boven gaan’, zei Marleen tegen haar, ‘en effies onderuit gaan op de bank. Die is iets comfortabeler dan zo’n houten vlonder buiten.’
‘Dank je.’
‘En als je een boterhammetje of wat soep wilt’, zei ze toen Jasmijn naar boven liep, ‘vermaak je dan maar in de keuken. Als je hulp nodig hebt, hoor ik het wel.’
‘Mooi. Dank je nogmaals.’
Ze ging op de bank zitten. Het was rustig in huis ondanks dat de schuifdeuren naar het smalle balkon open stonden. In deze kamer stonden ook overal boekenkasten maar anders dan in de winkel, waren hier alleen interessante titels te vinden. Vanaf haar plek probeerde ze een paar ruggen te lezen, maar was te moe. Ze schopte haar schoenen uit, trok haar benen op de bank en viel als een blok in slaap.
Beneden had Marleen juist de voeten comfortabel op de prullenmand gezet toen de buitendeur opende en een kleine man binnenkwam. Hij kwam haar vaag bekend voor, maar ze kon hem niet direct plaatsen. Met omzichtige bewegingen sloot hij de deur achter zich en bleef bij het bureau staan, haar aankijkend, een doelloze glimlach om zijn mond.
‘Kan ik u helpen?’, vroeg ze aan hem.
‘Ja, mijn Nederlands niet zo goed, maar gisteren voor ben ik langs uw winkel gelopen’, begon hij aarzelend.
‘Gisteren voor?’, herhaalde ze om er zeker van te zijn dit goed gehoord te hebben.
‘Gisteren...’ hij maakte een halve maan beweging met ‘...voor. Gisteren voor’, zei hij nog maar eens, langzamer ditmaal.
‘Gisteren vroeg?’, probeerde Marleen.
‘Nee, voor; gisteren...’ weer die armbeweging ‘...voor.’
‘Eergisteren misschien?’, was haar tweede poging.
Dit keer lachte hij haar knikkend toe. Hij had meer tanden in zijn mond dan de gemiddelde mens en was niet beduusd deze allemaal te tonen.
‘Gisteren voor’, zei hij, ‘kwam ik langs, zo...’ Hij liet zijn gebogen armen in snelle bewegingen langs zijn lichaam gaan.
‘Dansen?’, vroeg ze, hoewel dit haar zelf onnozel leek.
‘Nee, zo...’
‘Rennen.’
‘Tak’, zei hij toen knikkend.
‘Pardon.’
‘Rennen.’ Zijn armen gingen weer snel langs het lichaam heen en weer.
‘Okee, dus eergisteren heeft u langs de winkel gerend’, vatte ze samen. En toen viel het kwartje. ‘Dus daar ken ik u van: u heeft mijn collega omver geduwd.’
‘Ja’, zei hij met die rij tanden.
‘Da’s niet om te lachen.’
‘Nee’, zei hij lachend, en ernstig toen: ‘Nee. Is zij schade?’
‘Behoorlijk schade’, knikte ze instemmend.
‘Hier.’ Hij pakte een wit pakje uit zijn binnenzak en stopte dit in haar handen. ‘Voor mevrouw schade.’
Ze opende het touwtje dat de envelop dicht hield en zag een aantal briefjes van vijftig en honderd euro zij aan zij in gelid.
‘Dat verlicht de schade misschien’, mompelde ze.
‘Sorry’, zei de man. ‘Heel veel sorry. Please. Geef aan mevrouw schade.’
‘Zal ik doen. Dank u wel; dit is heel genereus van u.’
Ze toonde hem haar breedste glimlach als afscheid, maar hij bleef staan. Toen haar kaken pijn begonnen te doen, vroeg ze:
‘Is er verder nog iets?’
Hij stak zijn hand weer in zijn binnenzak. Misschien zou er nog wat schadegeld voor de rest van het personeel komen, bedacht ze zich, maar in plaats hiervan haalde hij een kaartje tevoorschijn waarop zijn naam en telefoonnummer stond.
‘Ik zoek boek, oud boek van dziadek’, zei de man.
‘Die schrijver ken ik niet.’
Hij grijnsde om haar opmerking.
‘Dziadek ik vader...’ hij maakte de overtreffende trap armbeweging nogmaals.
‘Grootvader?’, probeerde ze.
‘Ja, grootvader. Zoek oud boek, Pools boek.’ Hij pakte zijn mobiel tevoorschijn en keek door de fotostream heen totdat hij vond wat hij zocht. ‘Hier. Boek van dziadek. Als jij vindt, mij bellen, ja?’ Hij tikte een paar keer op het kaartje dat tussen hen in op het bureaublad lag. ‘Niet veel waard, sentiments, you know.’
Ze knikte.
‘I’ll call’, zei ze toen tegen hem.
‘Don’t forget: monies for sick friend.’
‘Okee. Dank u.’
Ze glimlachte hem ten tweede male ten afscheid toe, en hoewel haar glimlach zijn rij tanden niet kon evenaren, ging hij ditmaal wel weg.
‘Vreemde man’, zei ze tegen haarzelf, ‘en zo gul.’
5.
‘Mijn hemel...’ Lotte stond bij de open balkondeur en keek naar de buren schuin tegenover aan de andere kant van de straat. ‘Dat nieuwe stel dat hier is komen wonen...’, begon ze.
‘Is er een nieuw stel komen wonen?’, onderbrak Jasmijn haar.
‘Ja, naast die macho. Het is een lesbo stel, dus ze hadden meteen mijn aandacht.’
Jasmijn ging naast haar staan om te zien wie ze bedoelde.
‘Kijk, die vrouw met de tas van de Praxis is de nieuwe bewoonster. Die achter haar loopt is haar vriendin.’
‘Weet je dit zeker of is dit weer éen van jouw speculaties?’
‘Maakt het iets uit? Speculeren is leuker dan weten.’
‘Maar wat is er met dat stel?’
‘Heb je die vriendin gezien? Als ze naar de naam Karel luistert, zou het mij niet verbazen.’ Ze nam een slok van haar whiskey zonder haar ogen van de twee af te laten. ‘En ze draagt nog lippenstift ook; volgens mij om aan anderen te laten zien welke kant boven hoort.’
‘Da’s niet aardig’, zei Jasmijn die desondanks moest grinniken.
‘Mijn lezeressen houden ervan. Ga je mee buiten zitten? Het is de eerste lekkere avond van het jaar. Ik maak wel een drankje voor je.’
Jasmijn plofte neer op het zachte kussen van een stoel en zette haar voeten tegen de reling van het balkon. De scherpe avondzon keek haar aan langs de duinen heen. Ze sloot de ogen en voelde de warmte van deze lentedag. Ze opende éen oog toen Lotte tegen haar bovenarm tikte en een glas drinken gaf.
‘Lekker zo.’ Ze knikte louter op de opmerking van haar vrouw en hield de ogen gesloten. ‘Het was wel lief van je om dat geld van die Poolse aanvaller aan Marleen te geven. Dom maar lief.’
‘Het is niet alsof wij het nodig hebben’, zei ze, ‘en Marleen kan het goed gebruiken voor de winkel. Ik vind het dapper als je in deze tijd nog een tweedehands boekwinkel draaiende probeert te houden, terwijl bijna niemand meer in staat is om 140 karakters of meer te lezen.’
‘Je gaat toch niet de barricade op vanavond?’
‘Nee, dit is het enige dat ik kwijt wilde.’ Ze nam een slokje van haar glas en zette het op het hangtafeltje neer. ‘En ik heb gelijk.’
‘Dat heb je zeker, maar of ons balkon nu de juiste plek is om dit soort problemen op te lossen...’
‘Is het een probleem?’
‘Niet voor mij; ik heb genoeg lezers, dus mij zul je niet horen.’ Ook zij sloot de ogen. Ze hield haar glas rustend op haar buik tussen haar handen in. ‘Waarom heeft die knaap überhaupt dat geld gebracht? Niemand van jullie heeft hem gezien of herkend...’
‘Of kan zijn naam uitspreken’, vulde Jasmijn aan.
‘Ook dat. Hoe gaat het met het Pools leren?’
‘Chodzi.’
‘Gezondheid.’
‘Het moet serendipiteit zijn. Mijn idee om Pools te gaan leren en aangevallen worden door een Pool heeft wel iets.’
‘Misschien is hij van de Poolse maffia en willen zij niet dat je hun taal leert’, opperde Lotte. ‘Het is een gesloten gemeenschap waar buitenstaanders niet aan deel mogen nemen. Oh, hallo: daar heb je de nicht van de overkant.’
Jasmijn opende een moment de ogen. Een blonde man liep in een uiterst strakke korte broek naar zijn auto. Hij was éen van de weinige bewoners die zij herkende.
‘Hij is getrouwd’, zei ze.
‘Wij toch ook? En dat maakt nog steeds geen hetero van me.’
‘Daar is geen speld tussen te krijgen.’
‘Het is vast een verstandshuwelijk, hoewel, als ik die blonde bom zie waarmee hij getrouwd is, zit het verstand niet in het hoofd.’
‘Bij hem of bij haar?’
‘Beiden.’
Hun blikken volgden de blonde man die over het parkeerterrein liep en in de bar aan de andere zijde van de straat verdween. Even later kwam hij met een glas bier en in het gezelschap van een andere man het terras op.
‘Da’s z’n clandestiene vriendje’, merkte Lotte op. ‘Dat is de dominante; onze blonde is het hondje.’
‘Een hondje dat bier drinkt?’, vroeg Jasmijn.
‘Hij moet toch iets drinken.’
‘Je zou verwachten dat een nicht een cocktail drinkt.’
‘Met een kersje erin. Nee, dit is een afleidingsmanoeuvre. Maar daar trappen wij niet in.’ Ze draaide haar hoofd een kwartslag. ‘En daar komt Karel weer.’ Beide keken naar de vrouw die in een witte Volkswagen busje stapte en weg reed. ‘Zeker een paar boodschappen halen bij de Praxis’, merkte Lotte op, keek weer naar de blonde buurman op het terras en sloot de ogen. ‘Overigens’, zei ze, ‘ik was vanmiddag op Facebook en ging op zoek naar iemand met dezelfde achternaam als jij.’
‘Hoezo?’
‘Misschien dat je nog ergens familie hebt zitten.’
‘Voor zover ik weet, zijn mijn ouders onbekend en mijn pleegouders verdwenen en wil ik niets met de instanties te maken hebben die mij hebben geholpen, zoals dat eufemistisch heet, noch met mijn zogenaamde familie. Da’s de compacte versie van mijn leven tot nu toe.’
Ze hadden dit gesprek eerder gehad, maar Lotte kennende liet deze het er niet bij zitten. Ze wilde weten of ergens in Nederland een verloren nicht of tante van Jasmijn ronddoolde die op zoek naar haar was.
‘Laat mij maar effies gaan en doen wat ik wil doen’, pleitte ze.
‘Maar waarom wil je dit weten?’
Er was ergernis in Jasmijn’s stem gekropen. Zonder haar ogen te openen gaf Lotte haar een kneepje in de bovenarm.
‘Pure nieuwsgierigheid’, zei ze. ‘Je weet toch hoe ik ben?’
Jasmijn knikte. De wind was lauw, Lotte op dreef, en na een paar dagen waarin ze zich wat minder had gevoeld, was ze nu eindelijk weer blij met het leven.
6.
‘Niet te geloven!’, riep Marleen uit. Ze ging rechtop zitten en staarde naar de foto in het Noordhollands Dagblad, pagina zeven. ‘Dat kan toch niet?’
Ze liet de krant zakken en keek om zich heen. Haaye was er niet en Jasmijn, druk in de weer achter stapels boeken, hoorde haar niet. Ze schraapte haar keel en zei luid:
‘Jasmijn.’ Vanachter de boeken schoot de kruin overeind en verscheen het bovenste deel van het gezicht. ‘Kom is...’
‘Wat is er?’, vroeg ze terwijl ze naar voren liep.
Marleen legde de krant plat op het bureau en tikte met haar wijsvinger op een foto.
‘Herken jij deze man?’, vroeg ze.
Jasmijn tuurde naar de foto en zei op vragende toon:
‘Is dat niet die knaap die achterna gezeten werd?’
Het was in een flits gegaan, maar zijn gezicht was in haar geheugen gegrift. Hoewel dat gezicht getekend was geweest van angst en de foto in de krant er eentje was van een man die rustte, was het niet moeilijk te zien dat het om dezelfde persoon ging.
‘Precies wat ik dacht.’
‘Wat is er met hem?’
‘De politie heeft hem twee dagen geleden in de gracht gevonden en wil nu weten wie hij is’, las Marleen op. ‘Hij had geen identificatie bij zich, vandaar deze oproep.’
‘Merkwaardig. Jij hebt toch een adreskaartje van hem?’
‘Klopt. Denk je dat ik naar de politie moet gaan?’
‘Lijkt mij wel.’
‘Is het mogelijk dat ze deze informatie willen ruilen voor de parkeerbon die ik vorige week heb gekregen?’
‘Je kunt het altijd proberen’, zei Jasmijn lachend. ‘Je weet maar nooit.’
Ze draaide de krant naar zich toe en las het bericht.
‘Merkwaardig’, zei ze nogmaals.
‘Hoezo merkwaardig?’, vroeg Marleen.
‘Dat zo’n man per ongeluk in ons leven komt, geld geeft en dood wordt gevonden. En dat allemaal in nog geen tien dagen tijd. Als hij ons was voorbij gelopen, was dit bericht ons niet eens opgevallen.’
‘Da’s waar.’
Marleen zwaaide naar Inge, die drie winkels verderop een antiekzaakje had.
‘Ga je naar de politie?’, vroeg Jasmijn.
‘Ik laat alles eerst bezinken en dan ga ik’, antwoordde ze toen Inge binnenstapte met vier kartonnen bekers met koffie.
‘Haie’, groette ze, ‘allemaal trek in koffie?’ Ze deelde de bekers uit en keek in het rond. ‘Is Haaye er niet?’
‘Vrije dag vandaag.’
‘Ah, jammer.’ Langs de kasten keek ze naar de reisafdeling. ‘Meneer van Zanten’, riep ze de man toe, ‘heeft u trek in koffie?’
Ze liep naar hem toe en kwam zonder beker terug.
‘Hoe is het met onze Jasmijn?’
‘Je ziet het: het kleurklavier trekt zich langzaam terug.’
‘Uh-huh, het ziet er zeker beter uit’, zei ze knikkend. ‘En je lip?’
Terwijl ze de vraag stelde, zette ze meteen haar wijsvingers op het sneetje.
‘Het ziet er nog gevoelig uit.’
‘Dat is het ook’, zei Jasmijn, snel het hoofd terugtrekkend.
‘Oh, sorry, meid. Ik lijk wel een klant die alles moet voelen om vervolgens zonder aankoop weg te gaan.’
Ze nam plaats op het lage houten boekenkastje dat ook als bankje dienst deed.
‘En hoe is het met jou?’, vroeg Marleen.
‘Pfffft.’
‘Dat klinkt niet hoopvol’, merkte Jasmijn op.
‘Is het ook. Niet goed, bedoel ik.’
Voorzichtig trok zij het dekseltje van de beker af en nam een slok koffie. Ze lepelde schuim met het roerstaafje op en zei:
‘Ik heb vandaag het expertise rapport van de psychiater ontvangen.’ Ze keek omhoog naar Jasmijn. ‘Jij weet toch ook dat ik in een depressie zit sinds mijn man en ik uit elkaar zijn? Niet dat dat de oorzaak is: ik werd juist depressief omdat we bij elkaar bleven, maar het is tot uiting gekomen sinds we uit elkaar zijn.’
‘Ik heb er iets van vernomen’, antwoordde ze vaag, aangezien Marleen haar heel het verhaal had verteld en er achteraan had gezegd, dat dit in vertrouwen was.
‘Nou, omdat er geen vooruitgang merkbaar was, heb ik een psychiater gezocht en die zou een expertiserapport maken voor de huisarts, zodat we van daar uit verder kunnen werken qua aanpak.’ Ze nam een slok koffie en lepelde meer schuim op. ‘Ik heb totaal niets met psychologen en psychiaters. Als er geen pilletje voor is dan hoeft het voor mij niet. Leuteren kan ik met mijn vriendinnen, dus waarom zou ik deze mensen nodig hebben?’
‘Ze hebben kennis van zaken’, opperde Marleen.
‘Ze hebben kennis van de ervaringen die ze met andere patiënten hebben gehad. Of nee: cliënten noemen ze ons tegenwoordig. Patiënt ben je alleen wanneer je een gebroken been hebt; als je depressief wordt omdat je vanwege dat been niet kunt lopen, word je tot cliënt omgedoopt.’
‘Maar dat expertise rapport?’, spoorde Jasmijn aan toen ze niet verder ging.
‘Oh ja: dat ding zit vol fouten.’
‘Werkelijk?’
‘Uh-huh.’
‘Ze hebben je gezond van geest verklaard’, grinnikte Marleen.
‘Met veel moeite. Ik mag dan wel depressief zijn, maar ik ben niet gek. Overigens: heb je geen last van je tanden na de smak die je hebt gemaakt?’, vroeg ze toen.
‘Nee. Alles in orde.’
‘Gelukkig maar.’
‘Expertise rapport?’, vroeg Marleen ditmaal.
‘Tjongejonge... Er stond bijvoorbeeld in, dat ik last van agorafobie heb. Ik heb van m’n leven nog nooit last van agorafobie gehad. Wel van uhmm....’
Ze moest lang nadenken.
‘Afasie?’, vroeg Jasmijn.
‘Waarschijnlijk.’ Marleen lachte. ‘Alleen kon de psychiater niet op het woord komen.’
‘Claustrofobie.’ Inge herinnerde het zich plots. ‘Dat is waar ik last van heb, en dat is toch behoorlijk het tegenovergestelde van agorafobie.’
‘Heeft dat niet iets met angst voor water te maken’, vroeg Marleen, ‘agorafobie?’
‘Da’s aquafobie’, zei Jasmijn.
‘Ik dacht dat dat angst voor viskommen was’, zei ze met een twinkeling in haar ogen.
‘Dat is piscesfobie’, verzon Jasmijn.
‘Dat klinkt meer als een blaasontsteking’, merkte Inge op.
‘Dat is pisfobie.’
‘Wat is angst voor vissen dan?’, vroeg Marleen.
‘Ichthyofobie. Sorry’, zei Jasmijn met een blik naar haar: ‘Ik weet dat soort dingen nu eenmaal.’
‘Dat klinkt als jicht’, zei Inge.
‘Misschien een vis die angst heeft voor drank.’
Inge dronk haar koffie en zette de halfvolle beker op het bureablad.
‘De huisarts heeft het rapport doorgebladerd’, zei ze, ‘mijn psychologe heeft het gelezen en beiden zijn tot de conclusie gekomen, dat ik last van een depressie heb. Dat had ik hen vijfhonderd euro geleden ook kunnen vertellen.’
‘Dus je bent niet alleen depressief’, concludeerde Marleen, ‘maar moet er ook nog eens flink voor dokken.’
‘Klopt. Een dubbele depressie.’
‘Die kun je bij de koffiecorner bestellen.’
Ze groette een klant die binnenkwam. Inge keek op haar horloge.
‘Oh hemel, ik had tien minuten geleden al open moeten gaan.’ Ze stond haastig op.
‘Je bent je eigen baas’, merkte Marleen op. ’En vergeet je koffie niet.’
Met de beker in de hand zei Inge gedag, snelde de winkel uit en liep gehaast langs de etalage.
‘Waarom heb ik altijd het gevoel, dat we een windhoos hebben overleefd als Inge weg is?’, vroeg Jasmijn.
7.
Het liep tegen vieren. In de regel was dit een rustig moment in de winkel. Een stel van middelbare leeftijd duimde door een aantal boeken en delibereerden of ze zonder iets te kopen zomaar de winkel uit konden gaan of een boekje moesten aanschaffen omdat ze hier zo lang hadden rondgelopen. Op het moment dat Marleen naar achteren liep, gaf de vrouw de man een por in de zij en gingen ze in een rustige vlotte tred naar de deur. Marleen zei hen over haar schouder gedag en vroeg hierna aan Jasmijn:
‘Kan ik je met iets fris verblijden?’
‘Welja, lekker.’
‘Kan ik dit verblijd momentje aantrekkelijker maken door het fris met iets sterkers te verbinden?’
‘Ooh, daar word ik nog blijer van.’
Marleen ging naar boven. Jasmijn stond op en strekte de ledematen. Ze was tevreden met haar werk. Ze liep naar de voorkant van de winkel en bleef bij de deur staan. Het was druk in de straat. Het toeristenseizoen was nog niet begonnen, maar mensen genoten al van een voorproefje hiervan in de vorm van de mei-vakantie. Sommigen bleven eventjes voor de etalage staan, de meesten waren op zoek naar bekende toeristische plekken en restaurants. Voor de bar van Aarnoud was het terras bijna vol.
‘Ik hoop dat je van wodka houdt.’
Ze draaide zich om en nam het blikje energiedrank van Marleen aan. Ze proosten met elkaar.
‘Ik ben dol op wodka’, zei ze na de eerste slok.
Ze leunde tegen de sponning van de deur. Marleen plofte in de fauteuil neer en vroeg:
‘Hoe zijn jij en je partner eigenlijk bij elkaar gekomen?’
‘Heel eenvoudig.’ Er kwam een vertederende glimlach op haar gezicht. ‘Ik zag haar staan, dat was in Amsterdam in een boekwinkel, en ik vroeg of zij een vuurtje voor me had. Ze zei, dat ze niet rookte. Ik ook niet, zei ik, dus misschien dat ze dan een drankje met me wilde drinken om het vuur dat ze in mij opwekte te kunnen doven.’
Marleen kreunde.
‘Ja, sorry’, verontschuldigde ze zich grinnikend, ‘het is vreselijk banaal, maar het werkte wel. Lotte zei later, dat als zij net zo schreef als ik praatte, zij geen lezers meer zou overhouden. Overigens was zij in de boekwinkel voor een boekpresentatie en om te signeren. Ik wist totaal niet wie ze was.’
‘Werkelijk?’
‘Serieus.’ Jasmijn nam een slokje en dacht aan dat moment terug. ‘Ik was daar om een paar Russen te vinden voor mijn collectie; weet ik veel dat zo’n mooi wijf schijfster kan zijn. In mijn beleving werden boeken geschreven door mannen met baarden die lang geleden overleden waren. Ik had nooit wat van haar gelezen.’
‘Maar ze schrijft literatuur waar je als lesbo in kunt wegduiken’, merkte Marleen op.
‘Dat klopt. Maar ik hou niet van dat niche gebeuren.’
Jasmijn ging op het boekenkastje zitten en zette haar blikje op het bureau.
‘Ik kan me best voorstellen, dat je je als lesbo thuisvoelt om te zingen in een lesbisch koor bijvoorbeeld, of dat je boeken wilt lezen waarin lesbi voorkomen, of naar muziek van een lesbische kweler wilt luisteren. Maar zelf heb ik daar niets mee. Weet je, de pest is, dat je dan iets middelmatigs gaat aanprijzen als goed, omdat je jezelf wilt wijsmaken dat je niet iets onnozels en tijdverspillend aan het doen bent.’
‘Lotte’s verhalen zijn niet middelmatig.’
‘Klopt. Daar kwam ik later achter. Soms ben ik best te gehaast om alles over één kam te scheren waarbij ik mensen die werkelijk getalenteerd en creatief zijn voorbij loop.’
Ze streek haar vingers door haar haar, leunde toen naar achteren, steunend op haar handen.
‘Aan de andere kant is mijn tijd te kostbaar om er door schade en schande achter te komen wie wel en niet leesbaar is. Sinds ik Lotte ken, ga ik van haar mening uit. Werkt ook niet altijd, maar meestal wel.’
‘Hoe lang kennen jullie elkaar nu?’
‘Zes jaar waarvan we er vijf getrouwd zijn.’
‘Grappig, meid.’
‘Zekers.’
Jasmijn pakte haar blikje. Er zaten condensdruppels aan de buitenkant. Ze nam een slokje en veegde haar hand aan haar broek droog. Marleen had haar blikje op een armleuning van de fauteuil staan. Er zaten een aantal oude kringetjes in het leer waaruit bleek, dat dit niet de eerste keer was.
‘En jij?’, vroeg Jasmijn. ‘Is er een significante ander in jouw leven?’
‘Mmm...’ Een moment lang fronste ze haar wenkbrauwen. ‘Weet je, het is er gek genoeg nooit van gekomen.’
‘Joh.’
‘Ja, serieus: toen ik jonger was, werd ik om de haverklap verliefd, heb wel eens affaires gehad, maar nooit dat ik dacht er iets permanent van te maken.’
Ze zette haar voeten op de prullenbak en vouwde haar handen achter haar hoofd. Een paar krullen haar kronkelden zich door haar vingers heen.
‘En nu heb ik dit, deze winkel, mijn werkelijke grote liefde, en mijn vrijheid. Want dat was iets waar ik altijd zwaar de pest in had als ik een affaire had: de manier waarop de ander mij altijd wilde bezitten, mij zei wat ik moest doen en laten. Niet direct, maar indirect door steken onder water te geven; je kent dat misschien wel. Daarom ben ik blij dat ik nu hier kan zijn en in de baas d’r tijd een borrel kan drinken.’
‘Je bent mijn soort baas.’ Jasmijn hield het blikje naar haar op en dronk het leeg. ‘Ik ga naar huis. Prettig weekend, Mar.’
‘Ja, jij ook.’
‘Je hebt me niet nodig morgen?’
‘Nee, Haaye werkt. Misschien volgend weekend.’
Ze namen afscheid en Jasmijn reed in een rustig tempo terug naar huis.
Bij thuiskomst parkeerde zij de auto op de parkeerplaats achter het huis en liep de twee trappen op naar boven. Op het moment dat ze de voordeur wilde openen, hoorde ze van binnenuit een kind hard praten. Dit betekende dat er bezoek was. Bezoek vond ze leuk, kinderen echter niet. De meeste kinderen waren onuitstaanbaar en als dit het kind was die ze dacht dat het zou zijn, stond deze bovenaan de lijst van etters. Ze draaide zich om en liep zachtjes terug naar de trap toen de deur opende.
‘Oh nee, Jassie; dat gaat je niet lukken’, waarschuwde Lotte haar, juist vanuit huis de hal inlopend.
Ze opende de deur van de voorraadkast tegen de wand naast de voordeur en haalde er een pak koffie uit.
‘Als ik er niet vandoor ga, heb je kans dat ik dat kreng een knal voor z’n harses geef’, zei Jasmijn, teruglopend. Ze kuste haar en zei zacht: ‘Er zijn twee dingen waar ik een hekel aan heb: kinderen, en lesbi die zo nodig kinderen willen hebben. Tillie en die kleine hufter van haar voldoen aan beide punten. Is dat niet reden genoeg voor mij om naar een bar te verdwijnen?’
‘Niet dit keer.’
‘Wat kom ze hier eigenlijk doen?’
‘Ze was in de buurt en kwam gedag zeggen.’
‘Ja, tuurlijk.’ Lotte duwde Jasmijn in de rug het huis in en zei:
‘Als je het niet volhoudt, veins dan een hoofdpijntje.’
‘Alweer?’ Ze opende de kamerdeur. ‘Hee, Tillie, ook hier. Gezellig. Hoe is het?’
De andere vrouw stond op en omhelsde haar. Een kleine blonde jongen van zes jaar leunde tegen de lage scheidingsmuur tussen keuken en woonkamer en staarde naar de nieuwkomer. Hij had haar al vaker meegemaakt en herinnerde haar als degene van wie hij niets mocht.
‘Hee, kleintje’, groette ze hem.
Ze woelde met haar hand door zijn haar en voelde haar trouwring vast komen in de combinatie haar, zoetigheid en gel. Ze keek om naar Tillie die alweer op de bank zat en met Lotte praatte, en rukte haar hand uit het hoofd vandaan. Een paar haartjes kwamen mee. In de keuken waste ze haar handen en de jongen ging zwijgend naast zijn moeder staan.
‘Ik ga door naar bed’, zei ze, ‘beetje last van m’n hoofd.’
Ze hing de handdoek terug over de stang van de ovendeur.
‘Oee, daar heb je nogaleens last van’, merkte Tillie bezorgd op. ‘Ik ken wel een goede homeopatische arts die daar naar kan kijken.’ Ze pakte haar tas en haalde haar mobiel tevoorschijn. ‘Ik weet dat de meesten van hen niet veel inhoud hebben...’
‘Net zoals hun zogenaamde medicatie’, mompelde Jasmijn.
‘...maar deze vrouw is werkelijk goed.’
Ze zocht het nummer van de arts in haar telefoon.
‘Nee, laat maar’, zei ze snel. ‘Ik heb het niet zo met artsen. Even rustig onderuit en straks ben ik weer mens.’
‘Zeker weten? Ik heb hier haar nummer voor je.’
‘Dank je, maar laat maar. Leuk je weer eens gezien te hebben.’
Ze liep de kamer uit, sloot de deur achter zich en ging door naar de slaapkamer waar ze haar schoenen uitschopte en op bed ging liggen. Het was rustig. Vanuit de woonkamer kwamen de stemmen als kabbelend gezoem bij haar binnen. Ze sloot de ogen en doezelde. Pas toen Lotte naast haar op bed plofte, werd ze weer wakker. Lotte draaide zich op haar buik en keek haar aan.
‘Is ze weg?’, vroeg ze slaperig.
‘Uh-huh. Waarom mag je haar eigenlijk niet?’
‘Ik heb niet werkelijk een probleem met haar’, zei ze, voornamelijk omdat Tillie Lotte’s beste vriendin was, ‘maar dat kind kan ik niet uitstaan. Vooral niet om telkens te moeten aanhoren hoe goed die etter is.’
‘Misschien is dat moeder’s eigen’, zei Lotte sussend.
‘Geen idee. Ik heb vaders en moeders alleen van verre meegemaakt; geen flauw idee hoe die zich tegenover kinderen gedragen. Maar als ze allemaal zoals Tillie zijn dan gaat deze wereld sneller naar de klote dan ik vermoedde.’
‘M’n armen slapen’, mompelde Lotte toen ze zich op haar rug keerde. S
amen staarden ze naar het plafond. Ze wapperde haar armen een paar keer heen en weer om er wat leven in te krijgen. Het hoofd naar haar vrouw draaiend, zei ze:
‘Maar is het werkelijk alleen dat, vanwege Jasper?’
‘Die naam alleen al...’, was het enige dat Jasmijn zei.
Beiden bleven stil. Ze voelde een elleboog in haar zij porren.
‘Ik ken je een beetje, Jassie’, zei Lotte, ‘en dit is niet het enige.’
‘Misschien is het ook de manier waarop ze met een neerbuigende toon tegen mij praat.’
‘Doet ze dat werkelijk?’
‘Is het jou niet opgevallen dan? Die sarcastische blik in haar ogen. Ik vraag me werkelijk af, wat jij ooit in haar hebt gezien.’
‘Da’s eeuwen geleden en in een zwak moment’, merkte ze op.
‘Toen wilde ze jou niet, maar vanaf het moment dat wij elkaar hebben leren kennen, drentelt ze als een haantje om jou heen alsof je loops bent.’
‘Uhmm...’
‘Verkeerde analogie, ik weet het, maar je begrijpt wat ik bedoel.’
‘Hee, lieverd...’ Lotte pakte de hand van Jasmijn en drukte deze tegen haar lippen aan. ‘Er is er maar eentje van wie ik hou en al zou Tillie hier naakt op bed liggen met de benen wijd en een gesigneerd exemplaar van Komrij’s gedichten op haar buik dan zou ik nog niet voor haar vallen.’
Jasmijn keek opzij en vroeg:
‘Wat zou je dan eigenlijk doen?’
‘Haar zeggen dat ze zich niet moet aanstellen en intussen bedenken hoe ik het gedichtenbundel steels te pakken kan krijgen.’
Beide vrouwen gniffelden.
‘En daarna hopelijk wel de lakens verschonen’, merkte Jasmijn op.
‘Ik moet ook alles doen hier in huis.’ Ze ging overeind zitten. ‘Ik had zo gedacht om vanavond uit eten te gaan. Er is een Indiaas restaurant in Castricum dus het leek me leuk om daar een happie te gaan eten.’
‘Je bedoelt dat je met mij en public gezien wilt worden?’
‘Willen is een sterke uitdrukking. Ik dacht omdat het vrijdag is dat ik mijn tolerantiegrens zal verlagen en jou meenemen, vooral omdat ik volgende week in Duitsland zit. Heb je zin?’
‘Heb je al geboekt?’
‘Uh-huh.’
‘Okee dan. Even opfrissen en dan gaan we. Voor hoe laat heb je afgesproken?’
‘Zeven uur, dus we redden het makkelijk.’
Ze strekte de armen en trok Jasmijn overeind.
‘Crisis voorbij?’, vroeg ze.
‘Is dat kreng weg?’
‘Welke van de twee?’
‘Beiden.’
‘Yep.’
‘Crisis voorbij.’
8.
Het was dinsdag toen Marleen naar de politie ging om hen te vertellen, dat zij de dode man uit de krant kende. In het weekend was zij er niet aan toe gekomen en op maandag had ze er niet meer aan gedacht. Eigenlijk had zij dit telefonisch willen afwerken, maar volgens Haaye zou zij waarschijnlijk toch moeten langskomen om de man te identificeren, dus sloeg ze een stap over en ging naar het bureau.
Bij binnenkomst sloot ze aan achter een man die beklag deed over een bekeuring. Ze volgde het ping-pong gesprek met haar ogen en prijsde de dienstdoende agent die de kalmte zelf bleef. Nadat hij de man een aantal formulieren had gegeven om in te vullen, keek hij haar kant uit.
‘Mevrouw’, zei hij tegen haar.
Ze groette hem en zei:
‘Afgelopen vrijdag zag ik in het Noordhollands Dagblad een foto van een man. De politie is op zoek naar zijn identiteit. Ik denk dat ik hem ken.’
Hij tikte een aantal gegevens in en draaide zijn beeldscherm naar haar toe.
‘U bedoelt deze heer?’, vroeg hij. Ze knikte. ‘Ik zal kijken wie er vrij is. Uw naam is...? Dank u. Mevrouw Valentina, gaat u zitten. Er komt zo iemand bij u langs.’
Ze ging naast de man met de formulieren zitten en zag hoe hij deze op zijn dijbeen met blokletters aan het invullen was.
‘Mevrouw Valentino?’
Ze schrok op bij het horen van de aanranding van haar naam. Een man stond voor haar. Ze liet het voor wat het was, knikte en stond op. Hij stelde zich voor en vroeg of zij met hem mee wilde gaan. Hij was in burger, dus waarschijnlijk een belangrijke.
Hij hield de deur van een kamer voor haar open en ze glipte langs hem heen naar binnen. Ze bleef bij een bureau staan en zag een ingelijste foto van een hond en in een kleiner frame die van een vrouw, en glimlachte om dit verschil.
‘Gaat u zitten. Ik begrijp dat u deze man kent?’
Zoals de balie agent draaide ook hij zijn beeldscherm naar haar toe.
‘Niet kennen’, verbeterde ze hem, ‘maar herkennen.’
‘Legt u eens uit.’
‘Een week of twee, drie geleden waren mijn medewerkers en ik boeken naar binnen aan het brengen -ik heb namelijk een boekwinkel, Pagina 42 heet het, mocht u dit voor het rapport nodig hebben...’ ze keek naar zijn handen die weliswaar een pen tussen de vingers hadden, maar alleen om deze heen en weer te rollen ‘...toen deze man langs rende en mijn collega omver duwde. Ze heeft er een gescheurde bovenlip aan over gehouden.’
‘En u herkende hem van het voorbij rennen?’, vroeg de man met scepticisme in zijn stem.
Ze rechtte haar rug. Ze mocht dan niet het grootste ei in het doosje zijn, maar haar schaal was moeilijk te kraken. En de toon waarop deze man tegen haar praatte, deed bij haar alle haren overeind rijzen.
‘Als u mij wilt laten uitpraten’, zei ze nuffig met een strakke blik naar hem.
Hij gooide zijn pen op het bureau en leunde achterover in zijn stoel. Dit moest de indruk wekken, dat hij belang had bij wat het gepeupel hem te vertellen had.
‘Een paar dagen na dit voorval, kwam hij langs om zijn excuses aan te bieden. Ik herkende hem van de flits waarin hij de eerste keer was voorbij gerend.’
‘Goed’, zei hij toen ze hierna zweeg. ‘Heeft u een naam misschien?’
‘Hij heeft mij een kaartje gegeven met zijn gegevens erop.’
Ze pakte haar portemonnee uit de tas en haalde het kaartje tevoorschijn. Deze schoof ze over het tafelblad naar hem.
‘Dat is...’, begon hij, het kaartje aandachtig bekijkend, ‘Zbe... Wat staat daar in hemelsnaam?’
‘Zbigniew Szczot’, zei ze zonder hapering. Oefening baart kunst. ‘Hij is van Poolse afkomst.’
‘Okee. En u bent er zeker van dat deze man hier...’ hij tikte op het kaartje ‘...dezelfde is als die u op de foto heeft gezien?’
Ze knikte. Hij keek haar lang aan, zei toen:
‘Ik heb een andere vraag: waarom heeft u tot nu toe gewacht om dit aan ons kenbaar te maken?’
‘Omdat ik een leven heb en er dingen tussen kwamen’, antwoordde ze koel.
‘U had kunnen bellen.’
‘Ik had zo veel dingen kunnen doen, maar de dingen die ik heb gedaan, hadden niets met u of deze man te maken. Daarom ben ik er nu.’
Hij dacht na en stond op. Automatisch stond zij eveneens op.
‘Ik wil u vragen of u hem wilt identificeren’, zei hij toen.
‘Kunt u niet de Szczot familie in Polen bellen en vragen of iemand van hen wil langskomen om dit te doen?’
‘Misschien hebben ze andere dingen te doen en zijn ze niet te bereiken’, merkte hij op.
‘Da’s waar. Maar misschien ook wel.’
Desondanks ging ze met hem mee.
In de koelcel werd het lichaam uit de muur getrokken en het laken van zijn hoofd verwijderd. Ze staarde naar het gezicht. Het was een levenloos gezicht, niet zo maar dood, maar voorgoed levenloos. Hoewel zij haar ouders had verloren en een broer, was dit een heel ander verschijnsel dan dood op een natuurlijke manier.
Ze zei tegen de politieman, dat dit inderdaad de man was die bij haar in de winkel had gestaan.
‘Hoe is hij eigenlijk aan zijn eind gekomen?’, vroeg ze wat later toen beiden in de gang bij de koffieautomaat stonden. ‘Ik neem aan, dat de politie niet een annonce in de krant zet als het om een natuurlijke dood gaat.’
‘We willen natuurlijk altijd weten met wie we te maken hebben’, zei de politieman, koffie nippend die te warm en smakeloos was, ‘maar deze man is door een misdrijf om het leven gekomen.’
‘Wat voor misdrijf?’
‘Hij heeft de halve gracht leeggedronken en niet uit vrije wil. Een wandelaar met hond heeft hem ’s ochtendsvroeg in de gracht zien drijven.’
Marleen knikte en nam een slok. Het was gevaarlijk een hond hebben. Een hond hebben en joggen. Joggers en hondenuitlaters struikelden altijd over een lijk in de vroege morgenuren.
‘Het is vreemd om iemand zo te moeten zien’, merkte ze op. ‘Hij sprak gebrekkig maar verstaanbaar Nederlands. Hij had het zelfs over een oud Pools boek dat hij was verloren en die van zijn grootvader was.’
‘Een boek?’, vroeg de agent. ‘Wat voor één?’
‘Een oud Pools’, herhaalde ze. ‘Hij zei niet wat, maar het was familiebezit en hij wilde dit graag weer terug. Maar wij hadden geen oud Pools boek gezien.’
‘U heeft een boekwinkel’, herinnerde de politieman haar eraan.
‘Zeker, en er zijn vast ook Poolse boeken in onze collectie. Maar als een man het over een oud Pools boek heeft, maakt dat het zoeken er niet makkelijker op.’
Een tiental minuten later liep zij het bureau uit en stak de straat over. Ze pakte de sleutel uit haar broekzak en juist toen zij haar auto wilde open biepen, kwam er iemand langs gerend die probeerde haar tas mee te grissen. De band ervan zat kruislings tussen haar borsten en in plaats van de tas mee te jatten, gebeurde er niets meer dan dat zij een halve pirouette maakte en met een smak met haar linkerknie op de straatstenen terecht kwam. Ze krabbelde overeind en vloekte luid terwijl ze een blik naar het politiebureau wierp. Het was één en al raam, maar geen enkele agent wierp ook maar een steelse blik naar buiten. Mopperend veegde ze over haar knie.
‘Gaat het?’, hoorde ze achter haar.
Ze draaide zich om en toonde een grimlachje, nog niet helemaal blij met de wereld. Een vrouw met kort blond haar keek haar vragend aan.
‘Het gaat’, antwoordde ze.
‘Ik zag het gebeuren, maar het ging allemaal zo snel.’
‘Pfff, zeg dat wel.’
Voorzichtig nam ze een aantal passen. Haar knie deed zeer maar het was te doen.
‘Kan ik helpen?’
De vrouw had haar hand uitgestoken om haar bij te staan.
‘Het gaat, dank je. En niemand die iets doet, he’, zei ze met een duimpje over haar schouder wijzend naar het politiebureau.
‘Je hebt niks aan die lui’, stemde de vrouw in. ‘Ik heb een paar jaar in Kroatië gewoond en de enige keer dat ze iets voor jou willen doen, is als je ze wat geld toeschuift. Verder: ho maar.’
Marleen opende de portier en ging eerst op de stoel zitten voordat zij haar benen naar binnen draaide.
‘Bedankt’, zei ze, nu met een gemeende glimlach naar de vrouw.
‘Graag gedaan. En denk eraan: eerst koelen als je thuis komt’, was het advies.
‘Zal ik doen.’
Ze startte de auto en reed de parkeerplaats af. In de achteruitkijkspiegel zag ze de vrouw op de lege parkeerplek staan voordat ze terug naar de stoep ging en verder liep.
Zelfs tijdens het relatief kleine stukje terug naar huis merkte ze, dat haar knie steeds stijver werd.
9.
‘Wat is er met jou gebeurd?’, vroeg Haaye toen Marleen hinkend de winkel binnenkwam. ‘Heeft oom agent je afgetuigd?’
‘Praat me er niet van’, bromde ze. ‘Ik vertel de politie dat ik weet wie de man is, krijg een uitbrander dat ik pas na zoveel dagen langskom. Daarna ga ik naar buiten waar iemand mijn tas probeert te stelen en me voor de lol tegen de grond werkt. Als het niet voor die blonde vrouw was geweest, was mijn dag werkelijk verrot.’
‘Welke blonde vrouw?’, vroeg Jasmijn, naar voren lopend.
Haaye lachte en zei:
‘Hee, nu is ze ineens geïnteresseerd in het relaas.’
‘Negeer ‘m’, zei Marleen tegen haar; ‘doe ik ook altijd. Er was een vrouw die me heeft geholpen, want hoewel het tegenover het politiebureau gebeurde, kwamen er geen huilende sirenes naar buiten.’
‘Die zitten nog op de klippen’, merkte Haaye op.
‘Wat?’, vroegen zowel Marleen als Jasmijn.
‘Laat maar.’ Hij schudde het hoofd en mompelde: ‘Filistijnen.’
‘In elk geval ga ik naar boven’, zei Marleen, ‘en ben verder voor niemand thuis, behalve als er een paar Russen met een doos wodka aankloppen.’
‘Kan een doos wodka kloppen?’
‘De Russen. Moet je niet naar je moeder toe?’
Ze liep naar de trap, ondersteund door Jasmijn.
‘Iemand moet toch een oogje in het zeil houden...?’
Hij verdiepte zich weer in zijn boek en bemoeide zich met niets meer.
Jasmijn liep achter haar aan mee naar boven.
‘Ga op de bank zitten’, zei ze, ‘dan zorg ik voor een koelpak.’
‘Dat adviseerde die blonde ook’, zei Marleen met een scheef lachje.
‘Ze heeft nogal wat indruk achter gelaten.’
‘Nah, ze was gewoon aardig, en dat zie je niet veel meer tegenwoordig.’
Jasmijn stompte een paar kussens los en legde deze tegen de armleuning van de bank. Marleen deed haar broek uit en ging achterover zitten. In de keuken sloeg Jasmijn de ijsblokjes uit de houder, vulde deze weer met water en schoof het terug in het vriesvak. De ijsblokjes gingen in een plastic zakje waarom ze een theedoek wikkelde. Ze pakte een blikje Blue Bastard, goot een deel in de gootsteen en vulde het opengevallen gat met wodka. Met de blokjes en het drankje ging ze naar binnen.
‘Uitwendige en inwendige verzorging’, zei ze tegen Marleen het blikje overhandigend.
Ze wond de theedoek om haar knie en keek of alles in orde was.
‘Goed zo?’, vroeg ze toen.
‘Je bent een schat, Jas.’
‘Mooi, dat hoor ik graag. Als er wat is, roep maar. Ik zit vlak bij de trap dus ben zo boven.’
‘Voor nu is het in orde. Hoe lang moet die theedoek om blijven?’
‘Een minuut of tien, vijftien’, zei ze vanaf de deur.
‘Als je dan terug kunt komen om het weg te halen en weer een blikje voor me klaar te maken.’
‘Uiteraard.’
Grinnikend liep ze de trap af en sloot beneden de ketting er voor.
‘Alles in orde?’, vroeg Haaye toen ze terug was.
‘Prima. Mar is voor niemand thuis.’
Hij knikte en ging verder met zijn boek. Ze schoof haar stoel aan pakte haar iPhone, las een berichtje van Lotte en werkte hierna aan één stuk door. Haaye bracht een mok koffie en keek over haar schouder mee voordat hij weer terug liep naar het bureau en koffie voor meneer Van Zanten inschonk. Vanaf haar plek hoorde ze het geroezemoes van hun twee stemmen. Door de openingen tussen de treden door keek ze naar de buitenwereld. De deur stond open en de milde buitengeur dreef naar binnen. Het deed haar aan vroeger denken, deze geur vermengd met lentewarmte en het gonzende geluid van een schuurmachine ver weg aan de overkant. Normaliter dacht zij niet aan vroeger omdat er vrijwel niets was dat zij zich ervan herinnerde, maar de rust en de stilte vanuit die tijd herkende zij en miste het. Momenten zoals deze, de open deur waardoor de buitenlucht naar binnen dwarrelde en de zachte stemmen van de twee pratende mannen, deden haar aan die rust terug denken.
Ze vouwde haar benen bij de enkels over elkaar en nam de mok tussen beiden handen, af en toe kleine slokjes nippend. Ze was pas met het leven begonnen, toen ze Lotte tegenkwam. Die had haar een thuis gegeven, had ervoor gezorgd dat zij eindelijk van het leven kon genieten; iets dat zij tot dan toe alleen als woord kende maar nooit had gedaan. Lotte gaf haar geborgenheid zonder dat deze verstikkend was, zonder dat deze haar vrijheidsdrang inperkte.
‘Ik ga een broodje halen.’ De stem van Haaye verbrak haar gedachtengang. ‘Kan ik iets voor jou meenemen?’
‘Ga je naar de bio winkel? Dan graag een broodje met oude kaas zonder allerlei grasvelden erop.’
‘Okee. Ciabatta?’
‘Doe maar. Heb je geld nodig?’
‘Nee. Ga jij morgen maar.’
Ze ging naar boven om te zien of Marleen nog iets nodig had, maar deze lag op de bank te slapen. Zachtjes ging ze weer naar beneden waar een tiental minuten later Haaye terugkwam met de lunch.
‘Er waren vandaag ook broodjes gemarineerde tofu met groenvoer’, zei hij. ‘Ik heb er maar eentje voor je meegenomen.’
‘Lekker, man. Je bent een schat.’ Ze opende de zakjes en keek erin. ‘Hoe is het met jouw moeder?’
‘Het gaat. Ze moet een nieuwe heup krijgen, maar dat wil niet zo vlotten. Er is een wachtlijst van hier tot Tanganyika dus voorlopig rolt ze maar in een scootmobiel. Ik had het idee om een B op de rugleuning te zetten a la Batman. Leek me wel grappig als m’n moeder thuiskomt in de batcave, daar een cape omdoet en dan naar buiten rent om de wereld te redden, haar yorkie achter haar aan als Robin. Met een rode cape, natuurlijk; zo’n kleine die je bij my little pony kunt krijgen.’
‘Verder gaat het wel goed met je?’, vroeg ze quasi bezorgd, waarop hij lachte.
‘Wat is goed, eigenlijk? Kierkegaard er maar op nalezen.’
Hij ging terug naar het bureau en zakte neer in de fauteuil, waar hij zijn boek oppakte en een broodje nam. De rust keerde terug in de winkel.
Na de lunch kwamen twee mannen binnen en bleven bij het bureau staan. Haaye legde zijn boek neer en stond op.
‘Heren’, groette hij. ‘Waarmee kan ik u van dienst zijn?’
‘De Jong, recherche’, zei de voorste van de mannen, zijn penning ophoudend. ‘Dit is mijn collega Jansen. Wij zouden mevrouw Valentina willen spreken.’
‘Mevrouw Valentina is op dit moment niet te bereiken.’
‘Hoe bedoelt u?’
‘Waarmee ik bedoel, dat u mevrouw Valentina momenteel niet kunt spreken. Probeer het op een later moment.’
Voor Haaye was het gesprek afgedaan. Hij ging zitten en pakte zijn boek.
‘Bezwaar als we verder kijken?’, vroeg De Jong.
‘Het is een winkel’, antwoordde hij. ‘Zolang u niets meesteelt, vind ik het best.’
Jasmijn had het gesprek vanaf haar plek gevolgd en keek naar de twee mannen. Eentje liep langs de boekenkasten en de ander ging door naar achteren, haar kant uit. Ze dacht dat hij haar wilde spreken, maar zag hem voor de trap stoppen. Hij pakte de sluiting van de ketting met het bordje privé erop en knipte het open.
‘Hee!’, riep ze hem toe.
Hij legde de ketting over de balustrade en stapte op de eerste tree.
‘Heei!’, riep ze nogmaals, een stuk luider nu, en stond snel op.
Haar stoel viel naar achteren. De man bleef op de onderste tree staan.
‘Welke letter begrijp je niet van het woord “privé”? Staat het in Cyrillisch geschreven of is deze onnozelheid van jou aangeboren?’
Ze greep voor hem langs de ketting en maakte het dicht zodat hij niet verder kon.
‘Wij zijn op zoek naar mevrouw Valentina’, zei hij.
‘Mijn collega heeft al gezegd, dat zij niet te bereiken is’, zei ze kribbig. ‘Dit hier is privé.’
‘Ik zou toch graag het bovendeel willen bekijken.’
‘Da’s dan heel jammer, want dan wil ik graag eerst een huiszoekingsbevel bekijken.’
‘Die hebben we zo te pakken.’
‘Oh ja? Op welk grond: de boeken staan verdacht scheef opgestapeld?’
Ze keken elkaar lang aan. Geen van beiden was van plan als eerste de blik weg te draaien, maar de andere politieman vroeg aan Jasmijn:
‘Kan ik in de kelder kijken?’
‘Dat is onderdeel van de winkel, hoewel niet openbaar’, merkte ze op, ‘maar omdat jij het tenminste vraagt: ga je gang.’
Ze liep bij de trap vandaan, zette haar stoel overeind en ging zitten. Inspecteur Jansen vond dat het bordje “privé” genoeg tegen zijn buik had gedrukt en nam een stapje terug waarna hij naar Haaye liep.
‘Weet je waar ik mevrouw Valentina kan bereiken?’, vroeg hij.
Haaye legde het boek op zijn buik en vroeg:
‘Kan ik een boodschap overbrengen?’
‘Nee. Zeg maar dat we op een later moment terugkomen.’
‘Kan ik zeggen waarover het gaat?’
Hij probeerde dezelfde vraag in een andere bewoording.
‘Het betreft de Poolse man waarmee zij heeft gesproken. We hebben nog een aantal vragen.’
‘Ik geef het door.’
Inspecteur De Jong kwam uit de kelder terug, veegde zijn kleding schoon en ging op Jasmijn af.
‘Weet u misschien waar mevrouw Valentina is?’, vroeg hij haar.
‘Is het bij de politie problematisch om het woord “nee” te begrijpen?’, vroeg zij hem.
‘Bent u misschien mevrouw Valentina?’
‘Zelfde antwoord’, zei ze.
‘Wie bent u dan wel?’
‘Davelaar’, zei ze, de naam van Lotte gebruikend zoals zij meestal deed in officiële situaties.
‘En uw voornaam?’
‘Mevrouw.’
‘Wat doet u hier?’
‘Werken.’
Inspecteur De Jong zuchtte hoorbaar.
‘Wat voor werk?’, was zijn volgende vraag.
‘Boeken inventariseren.’
‘Heeft u ook Poolse boeken geïnventariseerd?’
‘Nee’, zei ze, zonder haar laptop te raadplegen.
Hij keek haar langdurig aan. Uiteindelijk zei ze om toegeeflijk te lijken:
‘Ik heb wel een boek over polka; misschien dat ik je daarmee blij kan maken...’
Een knorrend lachje van Haaye bereikte haar.
‘Zeg tegen mevrouw Valentina, dat we later op de dag terugkomen’, zei hij nors en ging bij haar vandaan.
‘Als ik het niet vergeet’, zei ze tegen zijn rug.
‘Polka?’, riep Haaye haar toe toen de mannen vertrokken waren, en lachte nogmaals.
‘Hij irriteerde mij’, zei Jasmijn, grinnikend om zijn lachen, ‘en die andere helemaal. Ik heb totaal niets met politie en alle andere autoriteiten.’
‘Dat was te merken.’
Hij pakte het boek van zijn buik om te lezen. Jasmijn draaide een stapel boeken met de rug naar haar toe en werkte verder.
10.
‘Ik mis geloof ik alle pret.’
Marleen kwam de trap aflopen, haar linkerbeen stijf met elke stap die ze nam. Jasmijn stond op en ging meteen op haar af.
‘Gaat ’t?’, vroeg ze, een hand uitstekend om haar de laatste paar treden af te helpen.
‘Nog niet, maar dat komt wel weer. Je bent de beste verpleegster die ik aan mijn bank heb gehad.’
‘Wil je hier zitten?’, vroeg Haaye zonder een beweging te maken waarmee hij aankondigde de fauteuil vrijwillig te willen afstaan.
‘Ja, graag.’ Moeizaam naar de fauteuil strompelend, vroeg ze: ‘Wat was er allemaal aan de hand? Ik hoorde allerlei stemmen.’
‘Je was aan het ijlen.’
Hij ging op de boekenkast zitten, zijn boek opengeslagen op zijn dijbeen.
‘De politie is daarstraks langsgeweest’, zei Jasmijn. ‘Ze hebben nog een paar vragen over die Pool.’
‘Oh? Hoe dat zo? Ik heb aan die knaap van het bureau alles verteld wat ik weet.’
‘Waarschijnlijk denken ze, dat je nog iets achterhoudt’, merkte Haaye op. ‘Het woord “waterboarding” viel, dus ik weet niet wat je ze hebt verteld, maar ze zijn niet blij met je.’
Vanuit zijn ooghoeken zag hij een beweging. Hij keek om en zei:
‘Daar komen Jansen en Tilanus weer aan, bereid om jou de handboeien om te slaan.’
‘Jezus, hebben ze voor de deur liggen wachten?’, vroeg Jasmijn zichzelf hardop af.
De twee mannen kwamen binnen. Vanaf buiten hadden zij hun blik op Marleen gericht gehouden en namen deze niet meer van haar af, waarschijnlijk bang dat zij in een moment van onoplettendheid in rook zou opgaan.
‘Mevrouw Valentina?’, vroeg inspecteur de Jong.
‘Ja.’
‘De Jong van de recherche. Dit is mijn collega Jansen. Wij hebben een paar vragen aan u. Kunnen wij ergens rustig gaan zitten?’
‘Hier is het, jongens’, zei ze.
‘We hebben liever, dat we u onder vier ogen kunnen spreken’, vulde inspecteur Jansen aan.
‘Zou dat niet zes moeten zijn?’, vroeg Haaye aan hem.
‘Wij spreken straks verder met u.’ Inspecteur Jansen keek hem langdurig aan.
Toen het hem te lang begon te duren, pakte Haaye zijn boek op en las verder.
‘Mag ik vragen waarom?’, vroeg Jasmijn toen.
‘En u ook.’
‘Mag ik vragen waarom?’, herhaalde zij.
‘U beiden heeft een ambtenaar in functie toegelogen door te zeggen, dat mevrouw Valentina niet aanwezig was. En dat is strafbaar.’
‘Uh-uh-uh’, zei Haaye zonder de ogen van zijn boek af te nemen. ‘Wij hebben gezegd dat mevrouw Valentina niet bereikbaar was; dat is heel anders dan beweren, dat zij er niet is. Het zit ‘m in de semantiek.’
‘Wat ook strafbaar is’, zei Jasmijn, ‘is artikel 461 van de WvS overtreden.’ Alle gezichten draaiden naar haar. ‘Dat is wat privé namelijk inhoudt.’
‘Het staat niet expliciet genoemd’, merkte inspecteur Jansen op.
‘Oh? Wat houdt volgens jou privé dan in?’
‘Ah, semantiek nogmaals’, zei Haaye met een grijns.
‘U wilt niet met ons meegaan?’
Inspecteur De Jong had genoeg van het geleuter en keek naar Marleen.
‘Het is niet een kwestie van willen, maar kunnen.’
Ze wees naar haar linkerbeen die op de papierbak rustte.
‘Toen ik vanmorgen bij jullie een verklaring heb afgelegd, werd ik twee meter buiten het bureau overvallen. En geen hond in het bureau die er naar keek. Daar ben ik op m’n knie gevallen en kan nauwelijks lopen.’
‘Je zou ze moeten aanklagen voor onachtzaamheid’, zei Haaye tegen haar.
‘Is dat in hun vak niet een pré?’, vroeg Jasmijn.
De politiemannen keken van de één naar de ander.
‘Jongens’, zei Marleen tegen het personeel, ‘kunnen jullie ergens anders gaan juichen?’
Jasmijn ging terug naar haar tafel en Haaye schoof bij meneer Van Zanten aan. Inspecteur Jansen haalde een notitieblokje tevoorschijn en bladerde er doorheen. Dit bracht een glimlach bij Marleen teweeg over het feit dat er veel veranderde, maar het notitieboekje van de politie zou altijd blijven.
‘Vanmorgen heeft u tegen onze collega gezegd’, begon de politieman, ‘dat het slachtoffer over een boek sprak dat hij zocht. Kunt u zich dat herinneren?’
‘Natuurlijk.’
‘Weet u ook welk boek?’
‘Nee.’ Ze trok de schouders op. ‘Hij had het over een oud boek waaraan hij gehecht was en die van zijn grootvader was geweest. Dat was alles.’
‘Hij heeft verder geen omschrijving gegeven, naam van de schrijver, titel...?’
‘Nee, helaas. Is er iets speciaals mee?’
‘Dat willen we uitzoeken. Heeft u hier boeken uit Polen?’
‘Vast wel. Degene aan wie u dit kunt vragen, is de vrouw achterin aan de tafel.’
‘Wij hebben bij haar al geïnformeerd. Helaas bleef de medewerking achterwege.’
‘In welk opzicht?’
‘Zij zei, dat er geen Poolse boeken zijn.’
Marleen keek van de ene man naar de andere en riep:
‘Jas? Kom ’s effies.’
‘Wat is er?’, vroeg Jasmijn, de stoel naar achteren schuivend. ‘Wat is er?’, herhaalde ze toen ze bij het bureau kwam.
‘Deze heren hebben aan jou gevraagd, of er Poolse boeken zijn, en volgens jou is dit niet het geval’, zei Marleen.
‘Bijna goed. Er is mij gevraagd, of ik Poolse boeken heb geïnventariseerd, en dat is niet het geval’, zei ze. ‘Ze moeten maar de anderstalige schappen raadplegen om te zien of die er al dan niet zijn.’
‘Het valt mij op’, begon inspecteur Jansen, ‘dat de medewerking in deze winkel wel heel erg moeizaam gaat.’
‘Mogelijk zou een andere aanpak uwerzijds hierin verandering kunnen brengen’, zei Jasmijn.
‘Waar zijn de anderstalige boeken?’, vroeg inspecteur De Jong.
‘Haaye’, riep Marleen, ‘kun jij deze heren de buitenland sectie aanwijzen?’
De mannen liepen naar achteren en begonnen hun zoektocht door de lange rijen boeken in en opgestapeld voor de kasten.
Jasmijn ging op de boekenkast naast Marleen zitten.
‘Waarom die interesse in een Pools boek?’, vroeg ze zacht.
‘En welk boek zoeken ze eigenlijk?’, was Marleen’s wedervraag. ‘Mijn kennis van literair Polen staat en valt bij Czeslaw Milosz en zelfs die is een halve Amerikaan.’
Beiden keken hoe de mannen neerhurkten bij de stapels op de grond.
‘Misschien willen ze dat boek van opa teruggeven aan de familie als aandenken’, merkte ze op.
Jasmijn keek haar verbaasd aan en vroeg:
‘Sinds wanneer doet de politie aan empathie?’
‘Mmh, daar heb je gelijk in.’
Ze bleven naar de mannen staren, zagen hen met gekromde nekken voor de kast met buitenlandstalige literatuur staan en zacht onder elkaar delibereren.
‘Kunnen we ze er misschien toe aanzetten om de kelder in te gaan en stapels boeken naar boven te slepen?’, opperde Jasmijn.
‘Probeer het.’ Marleen toonde een ondeugende glimlach. ‘Maar voordat je dat doet, kun je voor mij wat te drinken inschenken?’
‘Tuurlijk. Oh, trouwens: Haaye heeft een broodje voor je meegenomen. Ik hoop dat ie nog te pruimen is.’
Ze liep de trap met twee treden tegelijk omhoog, schonk een cocktail voor Marleen in en ging hiermee terug naar beneden. Toen ze het privé-bordje voor de trap schoof, liepen de politiemannen net naar buiten.
‘Kans gemist’, zei Marleen tegen haar.
‘Volgens mij willen ze jou ontlopen.’
Haaye gaf haar een kneepje in de bovenarm en ging op de lage boekenkast zitten.
‘Artikel 461 WvS. Welke is dat eigenlijk?’, vroeg hij.
‘Verboden toegang.’
Ze zette het blikje op het bureau en leunde tegen de kast achter Marleen.
‘Ik dacht voor een voor mij onbekende reden altijd, dat dat artikel 38 was.’
‘Dat gaat over vrijheidsstraffen en tbs’, zei ze tegen hem.
‘Verzin je dit nu ter plekke offe...?’
Marleen keek omhoog naar de vrouw naast haar.
‘Verloren jeugd’, antwoordde ze. ‘Heb ik goedgemaakt door rechten te studeren. Ik heb er verder niets mee gedaan, maar het is een goed wapen tegen opdringerige politiemensen.’
‘Je hebt het niet zo op de politie.’
‘Nee. Er zijn een aantal goede onder hen, maar de meesten zijn zoals militairen geil op wapens en macht, en dat irriteert mij mateloos. Mijn wapen tegen hen zijn woorden en kennis.’ Ze gaf Marleen een knipoog. ‘Het leven is zo eenvoudig.’
11.
Jasmijn reed de stad uit. In plaats van de snelweg op te gaan, reed ze langs het kanaal en ging via Akersloot, Uitgeest en Heemskerk terug naar Wijk aan Zee. Ze parkeerde de auto op de parkeerplaats achter het huis, pakte de post en liep met snelle passen de twee trappen omhoog waardoor het keffertje van de benedenbuurvrouw net te laat was voor haar enkels.
Eenmaal binnen deed ze de balkondeur open en keek of er iets interessants tussen de post zat. Ze legde het stapeltje op tafel naast de computer en ging zitten. Turend naar het beeldscherm toetste ze uiteindelijk “waardevolle poolse boeken” in de zoekmachine. De uitkomst was teleurstellend. Er waren sites die uitlegden wat men onder waardevolle boeken verstond en sites die Poolse literatuur aanprezen. Maar niets waar ze wat mee kon. Hierna zocht ze naar “poolse literatuur”, gevolgd door “geschiedenis van polen” en hield zich met deze twee onderwerpen de rest van de avond bezig, alleen onderbroken door de komst van een breng-Chinees.
Het was na enen toen ze opstond en zich uitrekte. Haar ledematen waren stijf van het lange zitten. Ze moest weer eens naar de sportschool gaan of anders fietsend naar het werk.
In de keuken stonden de restjes van de Chinees op het aanrecht. Ze pakte een vork, at de koude foe yong hai en keek door de luxaflex naar de huizen aan de andere zijde van de parkeerplaats. Het was overal donker. Uiterst rechts was een lichte schimmering waar de Hoogovens aan het affakkelen was.
Ze geeuwde, sloot de luxaflex en ging naar bed. Aangekleed viel ze op het dekbed. Lotte was in Duitsland en ze miste haar. Het was onaangenaam om alleen in bed te moeten liggen, niet het lichaam van haar vrouw tegen de hare te voelen. Al liggend deed ze haar broek los en trapte deze uit, boog zich toen voorover om haar iPhone uit de broekzak te halen en de klok in te stellen. Nauwelijks had ze dit gedaan toen de telefoon ging.
‘Hallo, lief’, zei ze na de eerste tingel.
‘Da’s snel.’
‘Ik ben nog maar net in bed.’
‘Hoe is tie?’
‘Lekker. Met jou?’
‘Prima. Ik heb geen klauwtje meer over vanwege de handtekeningen die ik heb gezet. Maar leuke mensen ontmoet en een paar die er vorige keer ook waren. Het is goed te doen hier. Oh, en ik heb een rasechte stalker.’
‘Werkelijk?’
‘Hij of zij -geen idee wat het is- blijft me naar elke nieuwe lokatie achtervolgen.’
‘Ziet het er leuk uit?’
‘Het ziet er bizar uit; het is zo’n type, waar zelfs het COC nog geen letter voor heeft bedacht. Benieuwd wat voor bordje er voor zo’n type op de wc komt. Waarschijnlijk een kruising van een mangoest en platipus. Verder is het leuk hier, maar vermoeiend. Ik ben juist terug van weer een orgie. Hoezo ben jij nog zo laat op?’
‘Ik heb nooit zin om naar bed te gaan als jij er niet bent.’
‘Ah, wat een watje ben je toch. Vrijdag ben ik er in elk geval weer, maar dat ligt eraan hoe dronken ik uit het afscheidsfeest kom, anders wordt het zaterdag.’
‘Prima, ik zie je wel verschijnen. Zal ik je van het station ophalen?’
‘Nah, ga maar doen wat je leuk vindt om te doen. Ik bel Taxi Zwart wel; daar hebben van die leuke rondborstige dames die je overal naartoe willen rijden.’
‘Je gaat toch niet weer via Castricum naar huis, hopelijk?’
‘Misschien.’ Lotte lachte. ‘Ligt eraan wie er achter het stuur zit. Hee, ga lekker slapen, lieverd. Ik belde alleen omdat ik effies jouw stem wilde horen. Ik bel je morgen weer, okee?’
‘Okee.’
‘Nou slapen.’
Lotte verbrak de verbinding. Jasmijn legde de telefoon naast haar neer en voordat deze was afgekoeld, viel ze in slaap.
12.
‘En wat deed de politie?’
Inge hield de koffiepot naar Marleen omhoog maar deze schudde het hoofd. Het was nog geen negen uur in de ochtend en dit was al haar derde kop.
‘Je mag een keuze maken’, zei ze: ‘Positieve actie of helemaal niets.’
‘Pffft.’ Inge vouwde de armen over elkaar. ‘En daar betaal je dan belasting voor.’
‘Ik kan het ze ook niet kwalijk nemen’, zei Marleen goedhartig. ‘Politiemensen zijn tegenwoordig niets meer dan veredelde ambtenaren die in een felgekleurd pakkie op de fiets mogen zitten.’
‘Maar ze hebben wel mensen genoeg om er twee naar jouw winkel te sturen.’
Ze zaten aan een tafel achterin de antiekwinkel. Door de openstaande deur kwamen de buitengeluiden mompelend binnen dwarrelen. De winkel stond vol met duizend en éen snuisterijen, schilderijen hingen aan de muren en hier en daar was er werkelijk iets dat smaakvol te noemen viel. Maar het grote publiek hield van de dingetjes die overal verspreid stonden en Inge was van mening, dat ook zij een inkomen moest hebben om de maand door te kunnen komen.
Stofdeeltjes dansten in de zonnestralen die schuin de winkel binnenvielen. Marleen zat achterover geleund op een keukenstoel met rieten zitting die onverwacht comfortabel bleek te zijn.
‘Hoe bevalt Jasmijn trouwens?’, vroeg Inge toen.
‘Prima.’ Ze glimlachte. ‘Ze is een goede aanwinst voor de zaak.’
‘Is zij nu werkelijk met Lotte Davelaar getrouwd?’
‘Uh-huh.’
‘Je zou die eens moeten uitnodigen om handtekeningen te komen zetten. Ik denk dat het storm loopt bij je.’
‘Ik verkoop tweedehands boeken, en die van Lotte Davelaar zitten er zelden tussen.’
‘Laat ‘r iets van promotie doen... Of stuur haar naar mij; ik verzin wel iets waardoor ik klanten kan aantrekken.’
‘Ik zal er eens over denken.’
Ze stond op om terug naar de winkel te gaan en bleef staan.
‘Hee, Ing: zin om vanavond wat te gaan drinken?’
‘In de Babbeldoos?’
‘Ja. Het is eeuwen geleden dat we een drankje hebben gedaan.’
‘Goed plan’, zei Inge toen ze het idee door haar hoofd had laten malen. ‘Geen echtgenoot in de buurt...’
‘Ex-echtgenoot.’
‘Correct: ex-echtgenoot, dus niemand die meer zeikt tegen me, dat ik niet teveel moet drinken. Ik laat ‘m flink uit de broek hangen vanavond.’
Ook zij stond op.
‘Misschien dat Jasmijn mee wil gaan?’
‘Ik zal het haar vragen.’
Marleen bleef staan om te peilen hoe het met haar knie was na het lange zitten en kwam toen langzaam op gang.
‘Neem dit mee voor ondersteuning.’
Inge pakte een wandelstok uit de paraplubak en hield deze aan de punt naar haar gestrekt.
‘Het ziet er nog zo nieuw uit.’
‘Klopt. Als je er een paar dagen mee loopt, krijgt het een ingeleefd uiterlijk en daar geloven de klanten meer in dan in nieuw. Ik verkoop per slot van rekening antiek.’
‘Ik ga er maar gauw vandoor voordat je mij ook verkoopt.’
Inge grinnikte en zei:
‘Vanavond een uurtje of zeven?’
‘Of eerder als we nog iets gaan eten’, merkte Marleen op.
‘Chinees?’
‘Nee, m’n ogen staan altijd schuin als ik ze toeknijp.’
‘Het wordt tijd dat je vertrekt, lieverd. Ik kom je wel ophalen.’
Marleen zei gedag en liep langs de bakker en de snoepwinkel naar Pagina 42. Haaye zat in zijn bekende fauteuil en Jasmijn kwam juist uit de kelder naar boven met een doos boeken.
‘Lukt ’t?’, vroeg Marleen van verre.
‘Ja, hoor.’
‘Ik heb nog aangeboden om te helpen’, zei Haaye.
‘In gedachten zeker’, riep Jasmijn hem toe.
Hij grijnsde louter en zei tegen Marleen:
‘Sjiek, die wandelstok. Je mist alleen nog een hoge hoed.’
‘Jij mist ook het één en ander, jongeman, maar daarover ga ik vandaag niet uitweiden.’
Ze liep verder naar Jasmijn.
‘Een vraagje, Jas: Inge en ik gaan vanavond lekker doorzakken. Zin om mee te gaan?’
‘Word ik niet gevraagd?’ riep Haaye.
‘Het is een meiden avondje.’
‘En? Val ik daar niet onder?’
‘Technisch gezien niet, helaas voor jou.’
Haaye mompelde iets van discriminatie en las verder. Marleen ging met één bil op het vrije puntje van de tafel zitten en vroeg:
‘En?’
‘Normaal gesproken graag, maar het is gisteravond laat geworden en ik zit er nu al doorheen’, zei Jasmijn. ‘Een andere keer ben ik van de partij.’
‘Hoezo laat geworden?’
‘Ook wij hebben een privé leven, chef.’
‘Negeer ‘m’, zei Marleen tegen Jasmijn zonder om te kijken. ‘Dat doe ik meestal ook en het werkt perfect.’
‘Lotte belde om twee uur.’
‘Zo laat nog?’
‘Ze was net terug van een drinkgelag, geloof ik, maar klonk helder, wat mij verbaasde’, zei Jasmijn met een lachje.
‘Hee...’ Haaye legde zijn boek neer, stond op en liep op de andere twee af. ‘Idee: zou Lotte niet een dagje hier kunnen komen om te signeren?’
‘Heb jij met Inge gesproken?’, vroeg Marleen over haar schouder. ‘We zijn een tweedehands boekwinkel. Schrijvers doen zoiets niet in tweedehands boekwinkels.’
‘Okee.’ Hij knikte. ‘Ik begrijp het. Maar wat als wij nu deze trend beginnen? We kunnen het altijd als een noviteit inbrengen en bijvoorbeeld maandelijks een auteur uitnodigen om hier te signeren. Het heeft geen zin om stil te blijven staan bij wat er eens was, als heel de boekwereld tot aan de nek in het drijfzand staat.’
De drie keken elkaar aan; Marleen van Haaye naar Jasmijn en terug terwijl Jasmijn’s ogen wisselden tussen de twee tegenover haar. Haaye’s donkere ogen schitterden onder zijn losse kuif, die heen en weer veerde met elke hoofdbeweging die hij maakte.
‘Wat vind jij ervan?’
Marleen’s vraag maakte een einde aan de stilte.
‘Ik kan het altijd aan Lotte vragen’, zei Jasmijn, ‘en ik denk dat zij wel positief reageert. Ze houdt van boekwinkels en dan vooral tweedehandsjes. De meeste gewone boekwinkels, om ze zo maar te noemen, verkopen tegenwoordig koffie, dvds, pennen en tijdschriften met hier en daar een boek, dus de tweedehandsjes zijn degenen die het boek in ere houden.’
‘We kunnen er een themamaand van maken.’
Haaye staarde voor zich uit en dacht na.
‘De etalage inrichten’, begon hij zijn opsomming, ‘het publiek warm maken voor wat er komen gaat. Eventueel een aankondiging in de krant om extra mensen aan te trekken.’
‘Alles leuk en aardig, lieve lui’, onderbrak Marleen hem, ‘maar er is nog zoiets als boeken verkopen. En boeken van mevrouw Davelaar zijn heel schaars aanwezig in mijn winkel.’
‘Ramsj?’, stelde Haaye voor.
‘Uhm, sorry collega’, kwam Jasmijn tussenbeide, ‘maar mijn vrouw doet niet aan ramsj. Haar boeken gaan goed in de verkoop, namelijk.’
‘Verkeerd woord.’ Hij grijnsde haar toe. ‘De uitgever kan toch een zwik toesturen, bedoel ik? Themamaand, nogmaals, en dit keer leggen wij de nadruk op lesbische literatuur.’
‘Oooh, als je Lotte kwijt wilt raken, moet je vooral “lesbische literatuur” tegen haar zeggen’, zei Jasmijn. ‘Zij schrijft literatuur waar in plaats van mannetje-vrouwtje het bij haar gaat om vrouwtje-vrouwtje. Mannetje-vrouwtje boeken omschrijf je toch ook niet als “hetero literatuur”?’
‘De meeste omschrijf ik amper als literatuur’, merkte hij op, ‘maar ik begrijp waar je op doelt. Sorry, excuus.’
‘Is goed, joh.’
‘Literatuur met een lesbisch thema?’, vroeg hij toen.
‘Klinkt al beter’, gaf Jasmijn toe.
De deur klingelde en een man stapte naar binnen, bleef bij het bureau staan en zette een linnen tas op het tafelblad.
‘Ik raak steeds meer gecharmeerd van dit idee, Haay’, zei Marleen, van de tafel afglijdend en haar stok pakkend om naar voren te gaan. ‘Laten we het nog een aantal dagen in het hoofd rondmalen en dan bespreken we wat we ermee gaan doen.’
‘Wanneer?’, vroeg Haaye.
‘Aan het eind van de week.’
Ze liep naar het bureau.
‘We lijken wel een serieus bedrijf dat een werkoverleg houdt’, zei hij tegen Jasmijn.
‘Als jij maar notuleert.’
‘Kan ik u helpen?’, vroeg Marleen aan de man.
Hij schoof de tas met boeken naar haar toe en vroeg of hij er nog wat voor kon krijgen.
Haaye ging terug naar zijn plek en nam de klant van Marleen over, die door ging naar boven om haar knie te laten rusten. Jasmijn zette de boeken op stapels van dertien op haar werktafel. Ze keek naar de lijst op de laptop en zag met een zeker gevoel van genoegen, dat het een orderlijk en overzichtelijk geheel aan het worden was. Er waren nog duizenden boeken in de kelder die geïnventariseerd moesten worden, maar ze had geen haast.
Haaye werd er tussen de middag op uit gestuurd om broodjes te halen en Marleen nam zijn plek achter het bureau in, een blikje energiedrank op tafel voor haar. Juist toen Jasmijn zich grinnikend afvroeg of deze zuiver was of een mixje van wodka, bleef een vrouw van ongeveer haar eigen leeftijd bij haar tafel staan. Ze keken elkaar lange tijd aan. Op het gezicht van de vrouw begon zich plots een brede glimlach af te tekenen.
‘Belletien?’, zei ze toen vragend. ‘Belletien Quirijns? Ken je me nog? Marjolein van der Does. Je weet wel: de Horsten, lagere school, Maarssen. Het is eeuwen geleden dat ik jou voor het laatst heb gezien. Jeetje, meid, waar ben je al die tijd geweest?’
‘Sorry, maar ik ben Jasmijn Bendelof’, zei ze tegen haar, de wenkbrauwen fronsend.
De glimlach tegenover haar taande niet.
‘Werkelijk? We waren beste vriendinnen op de lagere school.’
‘Dat zegt me werkelijk niets’, zei ze hoofdschuddend. ‘Sorry.’
‘Serieus?’ De glimlach verdween. ‘Ik zou toch zweren... Heb je misschien een zus ofzo?’
‘Nee.’
‘Ach. Mijn hemel. Sorry dan. Ik dacht werkelijk dat je Belletien was.’
‘Kan ik helpen?’
Marleen was naderbij gekomen en leunend op haar stok keek ze Marjolein aan, die het hoofd schudde.
‘Nee, het is een misverstand’, zei ze. ‘Ik dacht dat deze mevrouw een oude schoolvriendin was, maar het blijkt dat ik fout zit. Sorry’, zei ze over haar schouder naar Jasmijn.
‘Oude schoolvriendin?’, herhaalde Marleen zonder nadenken.
‘Belletien Quirijns. Met een q, zei ze er altijd bij. Maar...’
Ze duwde haar lippen op elkaar, zwaaide half ten afscheid en half verontschuldigend naar achteren en ging de winkel uit.
‘Waar ging dit allemaal over?’, vroeg Marleen.
Zowel zij als Jasmijn staarden naar de deuropening waardoor de vrouw was verdwenen.
‘Persoonsverwisseling, vermoed ik’, zei Jasmijn. ‘Ik schijn op een lagere school in Maarssen gezeten te hebben. Ik weet amper waar Maarssen ligt.’
‘In Utrecht, toch?’
‘Ik dacht het wel, maar zou het niet op de kaart aan kunnen wijzen.’
‘Dus je bent nooit in Maarssen geweest?’
‘Misschien wel, maar niet met haar.’
‘Heb je ooit een lagere school doorlopen?’, vroeg Marleen met een lachje.
Jasmijn knikte afwezig op haar vraag en toonde een automatische glimlach. Het nare was, dat ze zich niets vanuit haar vroege jeugd kon herinneren.
13.
‘Aaah, het is eeuwen geleden dat we dit hebben gedaan.’
Marleen legde haar been op de stoel naast de hare, en leunde de stok er tegenaan. Op tafel stond een glas wodka jus d’orange. Inge tikte zichzelf op de buik.
‘Weer een paar kilo erbij’, zei ze.
‘Maar dat is voor het goede doel.’
Ze hield het glas naar haar omhoog. De twee vrouwen proostten en namen slok.
‘Al wat nieuws gezien op het liefdesfront?’
‘Alsjeblieft, spaar me.’ Inge keek naar de mannen bij het biljart. ‘Ik ben er net eentje kwijt dus voor mij hoeft het voorlopig niet meer. Blij dat ik van dat gekoeioneer af ben.’
‘Was Lex er zo eentje dan?’
‘Mmm...’ Inge dacht na. ‘Meer eentje die dringende suggesties gaf.’ Marleen schoot in de lach om deze opmerking. ‘Werkelijk, Mar. Als er iets niet zinde, begon hij altijd met: Ik weet niet, hoor, maar als ik jou was... Of de variant: Je moet het natuurlijk zelf weten, maar... En vul maar aan met het tegengestelde van wat je op dat precieze moment aan het doen bent en dan heb je Lex.’
‘Hoe lang zijn jullie getrouwd geweest?’
‘Elf jaar. Of tweeëntwintig in tropenjaren. Zo voelde het wel; vooral op het eind.’
‘Dat zijn toch flink wat jaren.’
‘Ja, de stompzinnigheid van het willen volhouden tegen beter weten in.’
Ze pakte haar glas en leunde met beide ellebogen op tafel.
‘Het was al heel vroeg in ons huwelijk dat ik erachter kwam, dat dit het niet ging worden. Maar toch doorgaan, he.’
‘Dat begrijp ik nou niet.’
‘Nee, nou ja, ik kan me dat ook wel voorstellen, maar mijn moeder had van meet af aan gezegd, dat het niets zou worden, en liever dan mijn moeder gelijk geven...’
‘...ben je getrouwd gebleven’, maakte ze de zin af.
‘Inderdaad.’
‘Was het niet makkelijker geweest om een mea culpa naar moeders uit te spreken?’
‘Achteraf gezien wel, ja. Als ze er maar niet zo zelfvoldaan was geweest toen ze het zei, had ik er misschien eerder een punt achter gezet.’
Ze leunde haar kin in het kommetje van haar hand en keek naar Marleen.
‘Toen ik haar eenmaal vertelde van de scheiding, bleek dat ze totaal niet zelfvoldaan was, maar blij voor mij dat ik een eigen leven ging leiden. Ze zei dat Lex veel weg had van oom Hendrik, haar jongste broer, die ook op een sarcastisch manier mensen probeert te manipuleren.’
‘Ik heb gelezen, dat 20% van de bevolking psychopaat is of psychopathische trekjes heeft’, merkte Marleen op. ‘Of was het 25%? In elk geval schrikbarend veel.’
‘Wat houdt dat eigenlijk in, psychopaat zijn? Schreeuwend over straat lopen?’
‘Geen idee. Jij bezoekt psychologen, dus misschien kun je het daar eens vragen.’
Ze nam een slok en zag dat haar glas alweer half leeg was. Niet half vol maar half leeg. Dit had niets met pessimisme te maken maar alles met lekkere dorst.
‘Volgens mij vallen onder psychopathische trekjes ook’, vervolgde ze, ‘als je andere mensen wilt manipuleren.’
‘Zoals Lex, dus.’
‘Zo’n beetje wel, ja. ’t Is lullig om te zeggen want ik ken hem als een toffe kerel, maar dat is meestal zo met dat soort lui.’
‘Wie zijn dan die mensen die schreeuwend over straat lopen?’, vroeg Inge zich af.
‘Met een beetje mazzel’, zei Marleen met een lachje, ‘zijn wij dat straks. Proost, Ing.’
‘Daar drink ik zeker op.’
Ze nam een slok en zag Marleen in haar bijna lege glas kijken.
‘Nog maar eentje dan, toch?’
‘Graag. En vraag om een dubbele dosis wodka dit keer. Aan één vingerhoedje heb ik niet genoeg.’
Ze haalde haar been van de stoel af en probeerde het te buigen. Het ging al beter, maar dat kon ook komen vanwege de alcohol. Ze hadden bij de Chinees al een paar glazen weggewerkt en met deze cocktails er bovenop, maakte dat haar knie steeds minder te klagen had.
Ze hield van deze bar, hield vooral van het bordje op de buitendeur waarop stond, dat kinderen onder 18 jaar niet welkom waren. Dit betekende, dat er geen moeders met peuters en vaders met kleuters waren. Ze had niets met kinderen, wel met honden, maar niet met kinderen. De sfeer hier binnen trok haar aan, het gelach, het geroezemoes. Door dit geroezemoes heen hoorde ze iemand “hallo” zeggen. Ze liet haar blik naar Inge gaan, die met haar rug naar haar gekeerd aan de bar stond te leuteren met de man naast haar.
‘Hallo’, hoorde ze nogmaals, ditmaal gevolgd door een hand op haar schouder.
Ze keek vanaf de hand omhoog en zag de blonde vrouw die haar geholpen had na haar val.
‘Hee, hallo’, groette ze terug.
‘Hoe is het met je?’
De vrouw wees naar haar knie.
‘Het houdt nog niet over, maar ik kan me bewegen.’ Ze keek om zich heen. ‘Ben je alleen offe...?’
De vrouw knikte. Ze wilde haar been van de stoel afhalen zodat ze kon gaan zitten, maar de vrouw maakte een “laat maar” gebaar met haar hand en pakte een stoel bij een andere tafel vandaan.
‘Ik heb maar twee drankjes, helaas’, zei Inge die de glazen op tafel zette en een vragende wenkbrauw naar Marleen optrok.
‘Ik heb nog wat, dank je’, zei de vrouw met een ontwapenende glimlach.
‘Oh’, zei Marleen, ‘dit is de reddende engel toen ik bij het politiebureau omver getrokken werd. En dit is Inge.’
Ze herinnerde zich ineens, dat ze de naam van de vrouw niet wist.
‘Sonia’, zei de vrouw toen ze de hand van Inge schudde.
‘Inge’, zei Inge nogmaals, naar zichzelf wijzend, ‘en Marleen.’
‘Hallo Marleen.’
Sonia schudde ook haar hand en hield deze langer vast dan in beleefd gezelschap was toegestaan. Dit gebaar ontging ook Inge niet.
‘Je hebt een heel leuk accent’, zei ze. ‘Ben je niet van hier?’
‘Ja, hoor, maar ik heb een tijd lang in Kroatië gewoond en daar heb ik dit aan over gehouden.’
‘Kroatië? Dat hoor je niet vaak. Zitten die eigenlijk bij de EU?’
‘Geen flauw idee.’
Marleen pakte haar telefoon tevoorschijn toen ook Sonia de schouders ophaalde, en zocht Kroatië op.
‘Heb je daar gewerkt?’, vroeg Inge.
Sonia knikte maar wijdde er niet verder over uit.
‘Ik heb een antiekwinkel en ben ooit eens in Kroatië geweest, deels vakantie, deels zakelijk om te zien of ik daar antiek op de kop kon tikken voor een schappelijke prijs. Hun muntstelsel... hoe heet dat ook weer waarmee ze betalen?’
Nadenkend tikte ze haar vingers op het tafelblad.
‘Geld?’, suggereerde Marleen. Inge grinnikte.
‘Kronen’, zei Sonia.
‘Mmh, volgens Wikipedia heet het Kuna, HRK.’
‘Wikipedia!’ Sonia hief haar armen moedeloos in de lucht. ‘In de volksmond worden ze kronen genomen, net zoals in Zwitserland.’
‘Zo leer je elke keer weer wat.’
Marleen zag, dat haar glas alweer aardig leeg aan het raken was. Het leek alsof de bodem steeds dichter bij de bovenkant kwam.
‘In elk geval zijn ze sinds 2013 lid van de EU’, zei ze.
‘Nog een glaasje?’, vroeg Sonia aan haar.
‘Omdat je het zo lief aanbiedt.’
‘Jij?’
Inge schudde het hoofd.
‘Ik hou het hierop’, zei ze en vervolgde zacht toen Sonia opstond en naar de bar liep: ‘Moet ik er met een smoes vandoor gaan?’
‘Hoezo?’ Marleen was oprecht verbaasd. ‘Je bedoelt, Sonia en ik...? Ben je belazerd.’
‘Ik zie de manier waarop zij naar jou kijkt.’
‘Ach, man, wat een onzin.’
‘Nee, serieus.’ Beiden lachten lief naar Sonia die vanaf de bar naar hen omkeek. ‘Zeg maar.’
‘Onzin. Jij en ik zijn uit en Sonia geeft haar laatste kronen uit om een drankje voor ons te halen.’
‘Voor jou.’
‘Omdat jij niet wilt, doos.’
‘Hier een lekkere koele wodka.’
Sonia zette het glas voor haar neer en ging weer naast haar zitten.
‘Jullie waren druk in gesprek.’
‘Nee’, begon Marleen, maar Inge onderbrak haar met:
‘Inderdaad. Ik ga er zo tussenuit want ik heb nog het één en ander te doen.’
‘Zoals?’, vroeg Marleen met de tanden op elkaar.
‘De poezen voeren.’
Ze stond abrupt op voordat haar vriendin de kans had te zeggen, dat ze geen katten had, en dronk het restje uit haar glas op.
‘Veel plezier nog en leuk je ontmoet te hebben, Sonia. Misschien zien we elkaar nog eens.’
‘Je weet maar nooit’, zei Sonia met een brede grijns.
‘Doehoeg, Mar en tot morgen.’
‘Nah’, was de halve groet waarmee ze gedag zei tegen Inge.
‘Hoe is het met de knie?’
Sonia legde haar hand over de knie heen. Marleen voelde een zenuwtrekje door haar lichaam kruisen, die ze alleen kon blussen met nog meer wodka. Ze nam een paar slokken achter elkaar en zei:
‘Het zitten gaat in elk geval goed.’
‘En liggen?’
‘Waarschijnlijk ook.’
Ze nam nog maar een slok en voelde hoe plots de alcohol de overhand had in haar lichaam.
‘Oh jee’, mompelde ze zacht.
‘Gaat het goed met je?’, vroeg Sonia toe ze abrupt overeind schoot.
‘Effies plassen...’ ze keek om haar heen ‘...als ik de wc weet te vinden.’
‘Links langs het biljart.’
‘Dank.’
Ze probeerde zo recht mogelijk te lopen, lachte de mannen aan het biljart toe, en kreeg pas bij de zoveelste poging de deurknop te pakken. In het kleine voorstuk bij de toiletten maakte een vrouw zich op in de tamelijk verweerde spiegel boven de wasbak. De voorste wc deur was gesloten maar die ernaast niet en Marleen schoot naar binnen. Ze ging op de pot zitten en hield haar hoofd tussen haar handen.
En viel in slaap.
14.
Wat er na haar wc escapade gebeurde, zou Marleen nooit te weten komen. Ze vond het, echter, een goed teken dat ze in haar eigen bed wakker werd. Hoewel haar hoofd zeer deed, had de wodka veel goed gedaan voor haar knie. Ze boog beide benen. Haar knie voelde nog stram aan maar een stuk minder gevoelig dan de dag ervoor.
Ze rekte zich uit. Haar elleboog ontmoette een object dat er normaliter niet was. Opzij kijkend, zag ze Sonia’s gezicht op het kussen, de blonde haren in de war.
‘Shit’, mompelde ze zacht, maar niet zacht genoeg. Sonia opende haar ogen op hetzelfde moment dat zij uit bed probeerde te glippen.
‘Goedemorgen, lieverd’, zei ze.
‘Ja. Hallo.’ Marleen was naakter dan ze ooit had verwacht te kunnen zijn zonder kleding. Ze keek naar zichzelf en nam zich voor de rest van de dag onder het dekbed te blijven.
‘Alles goed met je?’
‘Uh-huh.’ Verward bleef ze stil. Sonia eveneens. Na een aantal seconden vroeg ze uiteindelijk: ‘Eh, wat doe jij eigenlijk in mijn bed?’
‘Slapen. Ik heb je gisteravond naar huis gebracht. Weet je dat niet meer? Je was op de wc in het café in slaap gevallen. Ik heb je eraf gehaald en naar huis gebracht. Onderweg begon het te regenen en wilde je aan een lantarenpaal hangen om te zingen -waar dat ook goed voor was.’
Het hoofd van Marleen was compleet leeg van al deze gebeurtenissen.
‘Ik schijn nogal een feestbiggetje te zijn zonder dat ik er zelf erg in heb’, merkte ze op.
Sonia lachte, Ze had een tinkelende lach; zo’n lach die aan dauwdruppels deed denken.
‘Dat was je zeker’, gaf ze toe. ‘En omdat het zo hard regende, zei je dat ik bij jou kon blijven slapen.’
‘En dat heb je dus gedaan.’
‘Dat hebben we dus gedaan.’
Marleen keek haar vluchtig aan, niet zeker wat zij hiermee bedoelde.
‘Hebben wij...’, begon ze, bedacht zich en zei: ‘Hoe laat is het?’
‘Tien over negen.’
‘Oh got, de winkel is al open.’
‘Ik moet ook weer weg.’
Sonia sprong het bed uit en zocht haar kleding bijeen. Marleen wilde niet naar haar kijken, maar kon het niet laten. Ze vond dat Sonia wel heel erg makkelijk met haar eigen naaktheid omging, gezien de manier waarop ze bukte om haar sokken op te pakken terwijl ze babbelde over hoe ze van de avond genoten had en dat ze het vooral nog een keertje moesten doen.
Ze was snel in de kleding en terwijl ze met haar vingers door het haar woelde, keek rond of ze iets was vergeten.
‘Hee, ik zie je vast weer’, zei ze als groet voordat ze de kamer uitging en de trap af drentelde.
Jasmijn keek op toen ze voetstappen op de trap hoorde. Ze was zelf nog maar net binnen. Met haar hand op de rugleuning van haar stoel zag ze een blonde vrouw de trap afkomen.
‘Doei’, groette Sonia haar.
‘Ehh, dag dan’, groette ze terug.
Haaye keek over de rand van zijn boek en toen de deur achter Sonia sloot, ging zijn blik door naar Jasmijn.
‘Wie was dat?’, vroeg hij. ‘Eén van jouw sloeries?’
‘Deze is van Marleen.’
‘Ah... Wacht effies: Marleen?’ Hij begon te lachen. ‘Mijn hemel, en ik maar denken dat ze net als de bruid van Frankenstein een elektriciteitskabel in d’r reet moet hebben om er leven in te krijgen.’
‘“Zij” hoort alles wat jij zegt’, grauwde Marleen hem toe, voorzichtig de trap aflopend, ‘dus een bonus kun je dit jaar ook wel weer vergeten.’
‘Zelfde verhaaltje als elk jaar.’
‘Wie was dat nou?’, vroeg Jasmijn. Ze kon een brede grijns niet onderdrukken.
‘Ze heeft me gisteravond naar huis gebracht omdat ik niet in staat was dat zelf te doen.’
‘Gezopen, dame?’, vroeg Haaye.
‘M’n knie’, zei Marleen fel tegen hem. ‘M’n knie, meer niet. Heeft iemand een aspirientje voor me?’
Ze greep haar hoofd beet toen de laatste tree te vroeg kwam en ze met een bonk op de vloer stapte.
‘Tegen kniepijn, zeker.’
‘Ik heb er wel eentje voor je.’
Jasmijn rommelde in het voorvakje van haar tas waar ze allerlei prullaria en medicijnen hield, en liep met een krom stripje paracetamol naar Marleen. Haaye bracht een glas water. Marleen pakte het glas maar toen zij de paracetamol wilde pakken om het met water door te spoelen, zei Jasmijn, dat ze beter eerst het glas leeg kon drinken en de paracetamol met koffie in nemen.
‘Werkt dat tegen kniepijn?’, vroeg ze.
‘Da’s de beste remedie tegen kniepijn.’
Terwijl ze met kleine slokjes het glas water leegdronk, schonk Haaye koffie voor haar in. Ze nam het zwart en spoelde het paracetamolletje naar binnen.
‘Nu nog wat vitamientjes en je bent weer de oude’, merkte Jasmijn op.
‘Ik heb boven nog wat perssinaasappelen liggen’, zei Marleen.
‘Ik kijk wel.’ Haaye liep met drie treden tegelijk naar boven.
‘De pers staat in... geen idee; in één van de kastjes. Zoek maar’, riep ze naar boven.
Ze schoof een paar boeken opzij en ging op de tafel bij Jasmijn zitten.
‘Wat was dat nou, die blonde?’, vroeg deze zacht.
‘Dat was Sonia. Da’s die vrouw die mij hielp toen ik op m’n knie was gevallen. En gisteravond was ze in de Babbeldoos toen Inge en ik er waren. Heel gezellig. Ik had wat teveel op en zij heeft me naar huis gebracht.’
‘En dat is alles?’
Jasmijn keek haar lang aan. Marleen veegde haar haar naar achteren en behield een neutrale blik.
‘Geen idee’, zei ze toen. ‘Ik werd vanmorgen wakker en ze lag naast me in bed, allebei naakt.’ Ze grinnikte. ‘Ik kan de beste nacht van m’n leven hebben gehad en herinner me er geen ene bal van.’
‘Da’s balen, zeg. Komt er nog een vervolg, denk je?’
‘Ik hoop het niet.’
‘Misschien als je wel kunt meemaken de volgende keer.’
‘Nee, dankjewel. Ze is erg lief, maar ik ben uitermate tevreden met mijn alleen zijn, en geen man of vrouw die daarin verandering kan brengen.’
‘Jammer. Ik zou graag bruidsmeisje op jouw huwelijk willen zijn. Overigens, even wat anders: heb jij mijn boeken verzet?’
‘Wat, hier bedoel je?’ Na Jasmijn’s bevestigende knik, zei ze: ‘Dit is de eerste keer dat ik hier ben. Misschien gisteravond, maar dat kan ik me niet herinneren. Ik heb alleen gehoord dat ik in de regen aan een lantarenpaal hing en aan het zingen was als Gene Kelly. Dat moet aardig gênant zijn geweest.’
‘Ik heb ooit eens een vriendin gehad die tapdanste toen we op de bus stonden te wachten. Als je gênant wilt hebben, zul je toch een aantal extra troeven op tafel moeten smijten.’
‘Jij wint. Maar om antwoord op jouw vraag te geven: voor zover ik weet, heb ik niet aan jouw stapels gezeten. Hoezo, mis je iets?’
‘Nee, dat niet, maar ik heb de stapels altijd op een bepaalde manier met een bepaald aantal boeken.’
‘Jus d’orange.’ Haaye kwam de trap af, een vol glas sinaasappelsap voor zich houdend. ‘Vers geperst uit de droogste sinaasappels die ik in tijden heb gezien. Ik heb heel de fruitmand leeggeplunderd om een glas vol te kunnen krijgen.’
‘Heb jij aan mijn stapels gezeten?’, vroeg Jasmijn aan hem.
Hij overhandigde het glas aan Marleen, veegde zijn handen aan zijn broek af en keek naar de tafel.
‘Nee’, zei hij, gevolgd door: ‘Of toch wel. Vanmorgen zag ik een boek voor de tafel liggen en ik dacht dat ie van een stapel was afgegleden, dus heb ik het teruggelegd. Op de verkeerde stapel, zo te horen. Wel alles opdrinken, Mar.’
‘Ik ben bezig, rustig maar. Hoe kan dit werken tegen kniepijn, als ik van al dat vocht naar de wc moet lopen?’
‘Hoezo?’, vroeg Haaye.
‘Hoezo wat?’, vroeg Jasmijn terug.
‘De stapels; mis je een boek?’
‘Nee, maar de stapels kloppen niet meer.’
‘Pardon?’
‘Ik maak altijd stapels van dertien. De meeste stapels zijn nog zo, maar ik heb er nu ook eentje van tien en vijftien en elf. Zo kom ik niet op dertien uit.’
‘Waarom niet zeventien?’, vroeg Haaye.
‘Te hoog voor de tafel. Die staan tegen de wand, zeventien en drieëntwintig.’
‘De paperbacks thuis in mijn kast zijn meestal drieëntwintig.’
‘Alleen maar meestal?’
‘De dikkerds negentien en de hele dunne negenentwintig.’
‘Mooi.’
‘Wat is er met die getallen?’, vroeg Marleen.
‘Da’s pas zuiver boekhouden’, zei Haaye tegen haar. ‘Je weet altijd wat waar staat en waarom. Heel belangrijk.’
‘Ik ga naar de wc; ook belangrijk.’ Ze stond op en liep van de tafel vandaan. Zich omdraaiend, zei ze: ‘Merkwaardig genoeg voelt mijn knie een stuk beter aan na al deze drankjes.’
‘Dat zei je gisteravond vast ook tegen haar.’ Haaye liep lachend terug naar zijn fauteuil.
15.
De avonden werden korter, de dagen warmer. Hoewel de zon nog maar even boven de duinen uitpiepte voor ze onderging, liet Lotte de parasols op het balkon staan. Het gaf haar een comfortabel gevoel, een gevoel van geborgenheid.
Ze was die zaterdag uit Duitsland terug gekomen, zonder kater, had zich omgekleed en ging na het avondeten het balkon op. Met de zeewind op haar gezicht voelde ze zich weer een beetje mens worden.
Ze keek naar de buren aan de overkant. De getrouwde hetero nicht kwam naar buiten in zijn te strakke en te korte broek. Hij liep de parkeerplaats over naar het restaurant, ging naar binnen om een paar tellen later het terras op te lopen met een groot glas bier in zijn handen. De Praxispot op de tweede verdieping zat met een aantal vrouwen op het balkon. Het zou of een gezellig orgie-achtig avondje worden, of ze zaten de essentie van Woeste Hoogten te bespreken om rond half tien naar te huis gaan.
Ze keek op toen Jasmijn naar buiten kwam met de drankjes.
‘Ik heb dark & stormy voor ons gemaakt’, zei deze, de glazen neerzettend.
‘Oee, lekker.’
‘Als tegenhanger van het weer.’
Ze ging terug naar binnen om de snacks te halen. Lotte zette haar voeten tegen de reling en keek naar de buren recht tegenover hen. De tuin zat vol met mensen.
‘Lekker druk aan de overkant’, zei ze toen Jasmijn ging zitten.
‘Klopt. Ik kwam haar vanmiddag tegen en ze zei dat ze een wijnproeverij hebben vanavond.’
‘Wijnproeverij. Doe maar duur. Gezondheid.’
‘Proost.’ Ze tikten hun glazen tegen elkaar en namen een slok.
‘Whoow, met zo’n dark zal stormy hopelijk niet al te gauw volgen.’ Ze nam nog een slok, gevolgd door een handvol borrelnootjes. ‘Ik kan’, begon ze en stopte om de laatste paar noten weg te slikken, ‘totaal niet tegen dat fenomeen wijnproeven. Kenners: a la, maar al die onbenullen die aan hun glas snuiven en proeven en dan tip-tip-tip-tip doen als ze het over hun tong slurpen. Parvenu gedoe.’
‘Misschien zijn ze dat gewend in Brabant’, merkte Jasmijn op.
‘Lieverd, in Brabant hebben ze nog maar net de beugelflesjes van Grolsch ontdekt, dus laten we ze alsjeblieft niet gek maken met een hogere klasse drank als wijn. Oee, kijk: de verhuisdoos heeft ook weer eens aan de wijn gesnoven. Pas op voor de hoge stoep, meid.’
De verhuisdoos was de bijnaam voor een vrouw van hun leeftijd, die het leven met een korreltje zout en veel tequila nam. Beide keken naar beneden waar de doos met zwengelende benen haar hondje uitliet. Tijdens het lopen omklemde ze elke lantarenpaal die ze ontmoette totdat ze een bankje bereikte waarop ze onelegant kon neerploffen.
‘Het is zo heerlijk om weer thuis te zijn.’ Ze leunde terug tegen het rugkussen en plaatste haar voeten weer op de reling.
‘Heeft die stalker van jou het overigens nog lang volgehouden?’
‘Nee, niet heel de reis. Beetje jammer. Ik denk dat het een Keulse stalker is, want hij-zij-het bleef me overal in het zuid-westen achtervolgen. Toen ik eenmaal in Berlijn was, zag ik ‘m niet meer. Maar in Berlijn zijn zoveel kleurrijke mensen, dat het me nauwelijks opgevallen zou zijn.’ Ze pakte Jasmijn’s hand en hield het vast, strengelde hun vingers. ‘Hoe is jouw week geweest?’, vroeg ze toen.
‘Kabbelend. De éen of andere vrouw hield mij voor iemand die ik niet was.’
‘Lopen er nog meer van jou rond dan?’
‘Waarschijnlijk wel. In elk geval denkt die vrouw dat dit zo is. Wat nog meer... Oh ja: de politie is langs geweest om vragen te stellen over de Pool die dood is gevonden. Herinner je je dat nog?’ Lotte knikte. ‘Marleen is op haar knie gevallen voor het politiebureau toen iemand haar tas probeerde mee te jatten en een mooie blonde heeft haar overeind geholpen.’
‘Toe maar.’
‘En...’
‘Wacht: ik dacht dat je zei, dat de politie was langsgeweest.’
‘Klopt. Eerst ging Mar naar het bureau en later zijn ze langs gekomen om verdere vragen te stellen. Ze hadden het over een Pools boek van de overleden man.’
‘Zijn ze in elk geval op de juiste plek in Pagina 42.’
‘Dat dacht ik ook. Alleen hebben Haaye en ik oom agent afgezeken waardoor ze er flink de pest in hadden en dreigden ons in de boeien te slaan vanwege belemmering van werkzaamheden van een ambtenaar in functie of soortgelijke wollige taal.’
Lotte lachte, zei toen:
‘Je was daar uiteraard enorm van onder de indruk.’
‘Vanzelfsprekend. Ik heb hen gewezen over het verbreken van artikel 461 WvS omdat éen van die knapen zonder toestemming de ketting weghaalde die de woning van Marleen afschermt van het winkeldeel.’ Ze nam een slok en knikte. ‘Het was wel weer lachen.’
‘Spannende aangelegenheid allemaal.’
‘Het mooiste komt nog: Marleen ging uit drinken met Inge, die vrouw die de antiekwinkel verderop heeft -heb ik jou daar al van verteld? In de Babbeldoos, het café waar ze waren...’
‘Die ken ik wel. Gezellige drukte altijd.’
‘...zal wel; geen idee. In de Babbeldoos kwamen ze die blonde tegen, die vrouw die haar had geholpen, en de volgende morgen zien Haaye en ik haar, die blonde dus, doodleuk de trap aflopen, de winkel doorlopen, dag zeggen en vertrekken.’ Lotte lachte luid. ‘Wat zo grappig is, is dat Marleen de avond ervoor straal bezopen was en er geen idee van heeft of ze nu wel of niet interessante dingen met dat wijf heeft gedaan.’
‘Fantastisch, dit. Daar drink ik op.’ Lotte hief nogmaals het glas, nam een flinke slok drank en vouwde toen haar handen achter het hoofd. ‘Heeft Marleen naar sapphisme neigende trekjes?’
‘Geen flauw idee. Ze zei me, dat ze het alleen zijn prefereert en dat vrouw noch man hierin verandering kan brengen.’
‘Totdat ze iemand tegenkomt die haar clit op de juiste wijze aanraakt en dan kun je haar van het plafond afschrapen.’
‘Misschien is dat die blonde wel.’
‘Ik hoop het voor Marleen.’ Ze nam een handvol borrelnoten. ‘Oh, kijk, die nicht van de overkant heeft gezelschap op het terras.’
‘Hij is geen nicht.’
‘Zeker weten dat hij er wel eentje is.’
De avond was warm en behaaglijk. Het beloofde een mooie zomer te worden.
16.
Marleen zag Sonia de verdere week niet meer en haar opgelaten gemoed bedaarde tot een acceptabele vorm. Later in de week was ze naar de Babbeldoos gegaan, op zoek naar haar wandelstok. Het was van Inge en ze zou er zwaar de pest in hebben als zij deze was kwijtgeraakt. De barman had de stok achter de bar hield het naar haar omhoog.
‘Er zijn nog eerlijke mensen op deze wereld’, zei hij toen hij het haar overhandigde.
‘En gelukkig komen ze allemaal hier drinken’, zei ze met een knipoog. ‘Bedankt, Bram.’
‘Kan ik nog wat voor je doen?’
Haaye keek over het boek heen naar Marleen die tegen de deurpost geleund stond en mijmerend naar buiten staarde.
‘Nee’, zei ze zonder om te kijken.
‘Dan ga ik maar naar huis.’ Ze keek naar de klok. Het was tien voor zes. Ze had er geen idee van, dat het al zo laat was. ‘Of zal ik afsluiten?’, vroeg hij nog.
‘Nee, ga maar; dat doe ik wel.’
‘De kas is al gedaan.’
‘Goed, dank je.’
‘Fijn weekend, Mar.’
‘Jij ook, en doe de groeten aan je moeder.’
‘Joo.’
Hij haalde zijn fiets van het slot en reed bij de winkel vandaan. Ze bleef nog wat langer staan voordat ze naar buiten ging om de kasten met ramsj naar binnen te duwen.
Het was lekker weer. Misschien dat ze naar Egmond kon rijden om wat te gaan eten aan zee. Nu het nog redelijk vroeg in het jaar was, zou het daar niet al te druk zijn, ondanks het zonnige weer.
Na de laatste kast binnen gebracht te hebben, sloot ze de deur en liet de luxaflex zakken. Het bleef scheef hangen en ze rommelde met de touwtjes om het goed te krijgen. Toen dit eenmaal was gelukt en de luxaflex recht hing, werd er aan de deur geklopt. Ze negeerde het. Tot haar irritatie bleef het kloppen aanhouden. Ze schoof de luxaflex opzij om de klopper op het bordje “gesloten” te wijzen en zag het lachende gezicht van Sonia. Ondanks haar vastbeslotenheid om alleen door het leven te gaan, ondanks allerlei andere voornemens die zij deze week had genomen, merkte ze dat haar adem ineens stokte bij het zien van deze vrouw. Ze liet de luxaflex vallen en opende de deur.
‘Hee, hoe gaat het met je?’, vroeg Sonia.
‘Goed, en met jou?’
‘Heel goed nu ik jou weer zie.’ Ze bleef voor de deur staan zodat Marleen deze uiteindelijk verder opende om haar naar binnen te laten. ‘Ik wilde net uit eten gaan en dacht of jij misschien zin hebt om mee te gaan.’
‘Ehh, ja, waarom eigenlijk niet.’ Marleen glimlachte vergoelijkend om haar aarzelende reactie vriendelijker te doen lijken. ‘Ik dacht er zelf ook net aan.’
‘Mooi. Waar wil je naartoe gaan? Heb je al een restaurant in gedachten?’
‘Nog niet, nee.’
Sonia liep langzaam door de winkel en keek in het rond. Automatisch sloot Marleen de deur en deed het op slot.
‘Het is zo heerlijk rustig hier; komt vast vanwege de boeken.’
‘En dat m’n personeel naar huis is.’
‘Heb je deze winkel al lang?’
‘Zo’n jaar of zes.’ Ze ging op de boekenkast zitten. Hoewel haar knie weer een stuk beter voelde, was het nog niet in orde. ‘De vorige eigenaar was op leeftijd en wilde het van de hand doen, en ik wilde toevallig iets anders met mijn leven doen. Dit is het resultaat.’
Ook haar eigen blik ging door de winkel maar ditmaal keek ze met de ogen van een buitenstaander. Het beviel haar hoe de winkel eruit zag. Het had een ingeleefd gevoel zonder dat het slordig was, en er zaten weinig openingen tussen de boeken in de kast. Ondanks zijn dagelijkse leesmarathon deed Haaye goed zijn best om de winkel een goede uitstraling te geven.
‘Heb je ook boeken over Kroatië?’ Sonia keek haar over haar schouder aan.
‘Bij de buitenland sectie’, zei ze wijzend. ‘Als je doorloopt en naar links gaat, sta je er recht voor.’
Ze deed wat haar werd gezegd en verdween uit zicht. Om wat te doen te hebben, keek Marleen in de lades van het bureau. Er lag louter wat los geld in het bakje; het papiergeld had Haaye al boven gebracht. In de andere la lag een NRC van drie weken geleden, een pak speelkaarten, een paar pionnetjes van “Mens erger je niet” dat zij en Haaye met de kerst hadden gespeeld, en een aansteker, een doos koffiefilters en een aantal bakjes gecondenseerde melk.
‘Weet je...’ ze schrok op toen Sonia plots aan het bureau stond ‘...we kunnen ook wat bestellen en hier opeten. Hoeven we niet naar buiten en kunnen we elkaar wat beter leren kennen.’
Mmh, dacht Marleen, ik heb jou naakt gezien, dus anatomisch gesproken valt er niet veel meer te leren kennen. Hardop, echter, zei ze:
‘Is ook goed.’
‘Leuk.’ Sonia glimlachte breeduit. ‘Chinees of Italiaans.’
‘Geef mij maar een pizza, vier kazen.’
‘Nog iets te drinken?’
‘Dat kan ik van boven halen. Wat wil je hebben?’, vroeg ze toen Sonia haar mobiel tevoorschijn haalde.
‘Heb je cola?’
Ze knikte en liep de trap op. In de keuken pakte ze twee longdrink glazen, deed er wat ijs in en vulde er eentje met cola en de andere voor de helft met wodka en de andere helft met een energie drankje. Voordat ze de wodka wegzette, nam ze er eerst een grote slok uit. Het spul brandde in haar borst maar ze vond dat ze dit verdiend had na deze turbulente week. Ze hoorde Sonia de trap oplopen en pakte de glazen van het aanrecht op.
‘De woonkamer is rechts’, zei ze, ‘of links voor jou.’
Ondanks dat de woonkamer was gevuld met boekenkasten, was het een lichte, heldere omgeving. De grote ramen lieten veel licht toe en hoewel er voor de twee zijramen luxaflex hing, was deze bontgekleurd zodat het eerder wat van een schilderij weghad dan raambedekking.
‘Wat een leuke kamer is dit’, complimenteerde Sonia haar. Ze was eerder in het huis geweest maar niet verder gekomen dan de slaapkamer.
‘Dank je. Ga maar zitten.’
Ze zette de glazen op tafel en wachtte totdat ze zat, nam toen tegenover haar plaats.
‘Ik heb de pizzeria gebeld. Ze komen over twintig minuten langs.’ Ze pakte haar glas op en hield deze op naar Marleen. ‘Proost.’
‘Gezondheid’, proostte Marleen terug en nam een grote slok uit haar glas.
‘Je woont echt leuk hier.’
‘Dit huis kwam bij de winkel. Ik ben er blij mee.’
‘Geen partner om mee te delen?’
‘Nee. Ik voel me prima zo. Jij?’ Ze schudde het hoofd. ‘Wat voor werk doe je?’
‘Ik heb nog geen werk kunnen vinden in Nederland, maar in Kroatië werkte ik als serveerster in een restaurant en soms ook in de keuken. Ik heb veel ervaring, maar in West Europa wordt werkervaring uit Oost Europa niet al te hoog aangeslagen. Dat is waarschijnlijk de reden, dat ik nog geen werk heb.’
‘Aarnoud, aan de overkant van de gracht, heeft een café-restaurant. Hij zit altijd om personeel verlegen. Als je wilt, kan ik hem wel vragen of hij iemand kan gebruiken. Nu met de zomerdrukte voor de deur, zul je vast een goede kans hebben.’
‘Werkelijk? Wat lief van je.’
‘Ik zal morgen bij hem langsgaan. Hoe ben je eigenlijk in Kroatië terecht gekomen?’
‘Ik was aan het rondreizen en kwam daar, werd verliefd en ben toen gebleven. De liefde ging uit, maar de liefde voor het land groeide alleen maar.’
‘Da’s een mooi verhaal.’
Een mobiel brrpte. Met gefronste wenkbrauwen haalde Sonia haar telefoon uit haar broekzak en keek naar de beller.
‘M’n vader’, zei ze. ‘Het gaat niet zo best met mijn moeder, dus ik wil deze opnemen.’
‘Ga je gang’, zei Marleen.
Ze nam een slok drank en keek of de plantjes water nodig hadden, vulde de gieter en ging ze allemaal langs. Toen ze alles water had gegeven, was Sonia klaar met het gesprek.
‘Sorry’, zei ze, ‘maar ik moet naar mijn moeder toe.’
‘Tuurlijk, da’s belangrijker dan wat dan ook.’
‘Als je wilt, kom ik morgen weer langs’, beloofde ze. ‘Misschien kan ik dan iets voor jou koken.’
‘Da’s goed, maar alleen als het jou uitkomt.’
Ze liepen achter elkaar de trap af. Marleen deed de deur van het slot.
‘Tot morgen’, groette Sonia.
‘Tot morgen. En succes met je moeder.’
Een moment keek ze Sonia na voordat ze de deur sloot. Op weg naar de trap werd er op de deur geklopt. Misschien dat Sonia iets vergeten was. Bij het teruglopen voelde een glimlach op haar gezicht komen. Ze opende de deur en zag de pizza bezorger voor haar staan, die automatisch met haar begon mee te lachen. Ze gaf hem twintig euro en liep met twee pizzas als gezelschap naar boven.
17.
Zondagmiddag. Marleen zat in een joggingbroek en sweater op de bank te lezen toen er aangebeld. Ze nam de moeite niet om naar beneden te gaan. Het was zondag, ze had een fantastisch boek en wilde niemand om zich heen hebben. Bij het tweede belletje legde ze geërgerd het boek neer en ging zuchtend naar beneden. Kijkend langs een kier in de luxaflex zag ze Sonia een paar passen bij de deur vandaan omhoog turen naar de woning. Bij het horen van de sleutel in het slot, glimlachte ze breeduit naar de deur.
‘Hai’, groette ze. ‘Stoor ik?’ Marleen schudde het hoofd. ‘Ik kom kijken of mijn pizza nog warm is.’
Hoewel ze haar dag had ingedeeld met lezen en boterhammetjes pindakaas eten, opende Marleen de deur verder en liet haar binnen. Ze wilde niet zo’n vrouw worden die op gezelschap zat te wachten en waar het gezelschap er vanuit ging, dat ze altijd thuis was omdat ze naast het werk geen leven had.
Sonia liep voor haar de trap op en door naar de zitkamer. Ze keek naar de titel van het boek dat opengeslagen met de rug naar boven op de bank lag.
‘Zondag is mijn dag om te ontspannen’, zei ze toen ze haar naar het boek zag kijken.
‘Herodotus is ontspanning?’
‘Voor mij wel. Ik ben de klassiekers aan het herlezen.’
Ze draaide de luxaflex voor de zijramen verder dicht om de zon buiten te houden.
‘Sinds de universiteit heb ik ze niet meer gelezen’, zei ze over haar schouder. ‘Zonde, eigenlijk. Hou jij van lezen?’
‘Mmh, zo-zo. Het is niet het eerst wat ik doe als ik thuis kom.’
Ze ging op de bank zitten. Marleen pakte Herodotus op en ging in de fauteuil tegenover haar zitten.
‘Wat doe je als eerste?’, vroeg ze.
‘Meestal koken. Ik hou van koken. Zal ik straks iets voor ons koken?’, stelde ze voor.
‘Ik heb niet zo veel in huis.’
‘Dat geeft niet. Dit maakt de uitdaging om iets lekkers voor te schotelen juist groter. Ik hou van uitdagingen. Het is net als met een vrouw die onwillig is dan is het voor mij een uitdaging haar te veroveren.’
‘En als dat gelukt is, wat dan?’
‘Dat ligt aan de vrouw. Laat me de keuken maar zien.’
Ze sprong overeind. Al die energie op een zondag vermoeide Marleen maar werkte op een onnavolgbare manier toch aanstekelijk. Ze toonde Sonia wat er in huis was en werd hierna de keuken uitgestuurd.
Terug in de kamer ging ze dwars op de fauteuil zitten en las verder, maar niets van de Perzische Oorlogen bleef hangen. Juist toen ze het boek opzij legde, kwam Sonia haar een drankje brengen.
‘Een wodka met ijs en energiedrankje’, zei ze en gaf haar het glas.
Ze proostte met een glaasje cola, zei geen tijd te hebben om te gaan zitten en ging terug naar de keuken. In plaats van te lezen zette Marleen een muziekje op en nam haar glas mee naar de balkondeuren van waar ze naar de gracht staarde. Ze wist niet wat ze met Sonia aan moest. Aan de ene kant was ze geflatteerd door de aandacht die de jongere vrouw haar gaf, aan de andere kant wilde ze, echter, niet in een affaire belanden waarin ze van meet af aan geen zin had gehad. IJdelheid gestreeld voelen was één ding, maar dit hield voor haar niet automatisch in dat ook de rest van haar gestreeld moest worden.
Ze nam een slokje van haar cocktail. Het was sterk, maar lekker. De ijsblokjes waren nog niet gesmolten; vandaar dat de wodka zo opvallend aanwezig was. Met haar pinkie drukte ze een ijsblokje naar beneden en nam nog een slok. De warmte van de alcohol zorgde ervoor dat ze zich geleidelijk losser ging voelen, zich minder zorgen maakte om wat er mogelijk komen zou. Ze nam zich voor te zien waar dit naartoe leidde en of het eten dat Sonia klaarmaakte goed smaakte. Ze grinnikte in zichzelf om deze laatste gedachte en opende de balkondeuren een stukje om frisse lucht binnen te laten en sloot de luxaflex ervoor om de vliegen buiten te houden.
‘Gaat het goed?’, vroeg ze toen Sonia de kamer binnenkwam om haar cola te drinken.
‘Uh-huh, zeker. Heb je ook sambal?’
‘Staat dat niet in de koelkast? In het zijvakje, geloof ik.’
Ze maakte aanstalten om naar de keuken te gaan, maar werd tegengehouden.
‘Ik kijk zo zelf wel’, zei ze. Ze bleef haar arm vasthouden, keek haar lang aan en zei uiteindelijk: ‘Weet je dat ik jou heel aantrekkelijk vind?’
‘Da’s lief van je.’ Marleen trok haar arm uit de greep vandaan en ging in de fauteuil zitten. ‘Weet je dat ik jou heel erg jong vind?’
‘Is dat een probleem?’
‘Hoe oud ben je?’, vroeg ze in plaats van te antwoorden. ‘Dertig misschien?’
‘Drieëndertig.’
‘Dat klinkt heel wat, maar niet voor iemand die vierenvijftig is.’
‘Wat heeft leeftijd ermee te maken?’
‘Aangezien ik niet Mick Jagger ben: alles. Het is onesthetisch, ongepast en vooral onsmakelijk.’
‘Dat vond je pasgeleden niet’, merkte Sonia op.
‘Wanneer?’
‘Toen ik je naar huis heb gebracht. Je weet wel, vanuit het café.’
‘Ik was moe, dronken en kan me niets herinneren, behalve dat ik naast jou wakker werd. Dat is alles dat ik weet en ik wil het graag daarbij laten.’
Goed.’ Sonia knikte een paar keer en keek om haar heen. ‘Wil je nog wel met mij eten?’
‘Natuurlijk. Waarom niet?’
‘Ik zal twee nieuwe drankjes maken.’
‘Zal ik het doen? Jij loopt al heel de middag heen en weer.’
Haar ogen volgden Sonia naar de kamerdeur.
‘Ik heb nog jonge benen’, was de reactie die ze kreeg.
Met eenmaal haar de kamer uit, haalde Marleen diep adem en schudde het hoofd een paar keer. Het leven zou een stuk makkelijker zijn als mensen hun trots niet zo hoog in het vaandel hadden hangen.
Sonia diende het eten aan de smalle tafel in de keuken op. Marleen was complimenteus over wat ze had gemaakt en genoot er van. Na pizza voor het avondeten alsook ontbijt en lunch, was ze blij van een echte maaltijd te kunnen genieten. Sonia had een kan met water op tafel gezet en zei dat de cocktails na het eten ingeschonken zouden worden, om niet tegen de smaak van het gerecht te botsen.
Ze bleven lang aan tafel. Sonia leek de afwijzing van eerder die middag vergeten te zijn en vertelde honderduit over Kroatië en de vreemde gasten die zij in de restaurants had meegemaakt, terwijl Marleen haar wat meer vertelde over haar verleden in de zakenwereld en hoe zij uiteindelijk had besloten tot de koop van haar winkel.
Het werd later dan verwacht. Beiden merkten dit pas toen Marleen het licht aan moest knippen omdat de duisternis opdringerig werd.
In de zitkamer plofte Marleen in de fauteuil neer, zette haar rug tegen de ene armleuning en zwengelde haar benen over de andere. Ze had een voldaan gevoel na het eten en nam dankbaar een weer volle glas in ontvangst. Ze proostten.
‘Oeee, deze is wel sterk’, zei ze naar de eerste slok. ‘Probeer je me dronken te krijgen?’
‘Nee, natuurlijk niet.’ Sonia lachte. ‘Er was wat minder energiedrank in het blikje dan ik dacht, dus heb ik er extra ijsblokjes in gedaan. Als ze smelten dan wordt het vanzelf minder sterk.’
‘Het was geen beklag’, zei ze met een scheef glimlachje, ‘maar zomaar een opmerking. Gezondheid.’ Ze hief het glas nogmaals naar haar. ‘Ik heb heerlijk gegeten’, zei ze toen. ‘Alleen word ik na zo’n rijke maaltijd altijd wat slaperig.’
‘Ga maar slapen. Er is genoeg te lezen dus ik vermaak me wel.’
‘Da’s lief van je.’ Ze zette het glas weg en viel als een blok in slaap.
18.
Veel en veel later werd Marleen wakker. Ze voelde zich groggy, maar redelijk uitgerust. Ook voelde ze aan haar houding, dat ze niet meer in de fauteuil zat maar op bed lag. Zodra deze wetenschap zich aan haar hersens vastklemde, keek ze snel opzij. Sonia lag naast haar te snurken.
‘Godver, niet weer’, zei ze zachtjes tegen zichzelf.
Ze keek op de klok. Het was half acht geweest. Vandaar dat ze zich zo uitgerust voelde: ze had bijna tien uur geslapen. Ze ging het bed uit, nam haar ondergoed mee naar de badkamer en nam een snelle douche om helder te worden. Terug in de slaapkamer werd Sonia net wakker.
‘Hallo’, groette deze slaperig met een dralende glimlach. Ze bromde iets terug en ging door met aankleden. ‘Kom je niet terug naar bed?’ Toen ze hierop geen antwoord kreeg, vroeg ze: ‘Hoe laat is het?’
‘Bijna kwart voor acht.’
‘In de ochtend?’ Ze schoot overeind. ‘Ik moet m’n moeder naar het ziekenhuis brengen. We moeten daar om negen uur zijn.’
‘Kun je beter maar opschieten.’
Marleen trok haar basketbalschoenen aan en een dunne trui over haar bloes en ging naar beneden. Bij het traplopen had ze het gevoel dat er iets niet in de haak was. De verwarming had het waarschijnlijk begeven, want de lucht in de winkel was een stuk kouder dan normaal het geval was. Pas bij de laatste twee treden zag ze de oorzaak van de koude lucht: de winkeldeur stond op een kier, een stuk ruit eruit geslagen. Hierdoor had degene die naar binnen wilde komen dit heel simpel kunnen doen om via de opening de sleutel om te draaien. Ze vervloekte het feit, dat ze de middag ervoor was vergeten de haken op de deur dicht te doen.
‘Wat is het koud hier’, merkte Sonia op toen ze de trap af kwam. ‘Is er iets mis... Ahhh, wat is er hier gebeurd?’
‘Iemand heeft ingebroken en flink huisgehouden.’
Nadat ze zich eerst op de deur had geconcentreerd, zag Marleen daarna pas de ravage die was aangericht. Boeken waren zonder pardon uit de kasten getrokken en lagen verloren op de grond. Gelukkig was niet alles verruïneerd, maar wel de boeken op de tafel van Jasmijn en de kasten daar omheen. Ook de kasten tegen de platte achterwand misten boeken, en sommige planken waren compleet leeg.
‘Hoe is dat mogelijk?’
Sonia hield haar gebalde vuisten tegen de mond gedrukt en keek met grote ogen in het rond. Marleen stond in het midden van de ravage, handen in de zij, en schudde vol ongeloof het hoofd. Toen pakte ze haar telefoon en toetste een nummer in.
‘Zal ik blijven?’, vroeg Sonia aan haar.
‘Ga naar je moeder toen; dat is belangrijker.’ Ze hield haar wijsvinger omhoog toen ze contact kreeg en zei: ‘Hallo, met Marleen Valentina. Ik ben eigenaar van boekwinkel Pagina 42 in Alkmaar. Er is vannacht bij mij ingebroken.’
‘Succes’, fluisterde Sonia haar toe en liep met voorzichtige passen langs de boeken en door het gebroken glas naar de deur, glipte er langs en verdween. Buiten passeerde Haaye haar op de fiets. Hij keek haar grinnikend na en zette zijn fiets op slot tegen de etalageruit. Nog voordat hij naar binnen kwam, had hij het gevoel dat er niets in orde was. In de deuropening bleef hij staan.
‘Wat is dit nou?’ De grijns verdween van zijn gezicht en een blik van ontzetting kwam daarvoor in de plaats. ‘Welke filistijnen...’
Hij maakte zijn zin niet af maar begon direct boeken van de grond af te pakken.
‘Laat liggen, Haay’, riep Marleen hem toe. ‘Ik heb net de politie gebeld en ze sturen iemand langs. Misschien is dat bewijsmateriaal.’
‘Hoezo bewijsmateriaal?’ Met een arm vol boeken kwam hij overeind. ‘Er is toch geen dooie gevallen, tenminste, dat mag ik hopen. Wat is er gebeurd, Mar?’
‘Geen flauw idee.’ Ze trok haar schouders zo hoog mogelijk op om haar ongeloof kracht bij te zetten. ‘Ik kwam vanmorgen beneden en dit was het.’
‘Jezus... Wat een zooitje.’
Hij legde de boeken op het bureau en bekeek alles aandachtig.
‘Goedemorgen’, riep Jasmijn van buiten, een plastic tasje omhoog houdend. ‘Ik heb iets lekkers meegenomen voor bij de koffie.’
Haar tred minderde vaart naarmate ze dichter bij de winkel kwam.
‘Tenminste’, ging ze zacht verder, ‘als de koffiepot nog heel is.’ Ze kwam binnen en keek van de Marleen naar Haaye. ‘Waarschijnlijk de bekendste zin die vanmorgen geopperd is’, begon ze, ‘maar wat is er gebeurd?’
‘Filistijnen hebben hier huis gehouden’, gromde Haaye.
‘Het was zo toen ik naar beneden kwam’, zei Marleen nogmaals.
‘Heb je degene die dit gedaan heeft nog gezien?’, vroeg Jasmijn.
‘Ik heb niets gemerkt’, zei ze.
‘Niets gemerkt?’, herhaalde Jasmijn verrast. ‘Het lijkt er niet op alsof ze met zachte handschoenen bezig zijn geweest. Wat een bende is het hier.’ Een stukje glas snapte onder haar schoen. ‘Hoe kan je nou niets merken hiervan’, zei ze toen.
‘Die blonde was weer hier’, zei Haaye tegen haar.
‘Ah, dat verklaart veel.’
‘Ho, jongens, even wachten nu.’ Marleen hield haar armen in de lucht gespreid. ‘Diep adem halen en tot rust komen. Sonia, die blonde heeft namelijk een naam, kwam gistermiddag bij mij eten. Mijn drankje was wat te sterk, waardoor ik in slaap ben gevallen. Sonia heeft daarna voor mij gezorgd en hier de nacht doorgebracht. Meer is er niet aan de hand. Ik denk omdat we allebei nogal wat drank op hadden, dat we daardoor niets hebben gemerkt van wat er hier gaande was. Dus graag geen aannames doen van welke aard dan ook. Sonia en ik zijn volwassen vrouwen die elkaar mogen. Is daar iets mis mee soms?’
‘Nee’, zei Haaye, ‘maar bij andere volwassen vrouwen die elkaar mogen, wordt er niet de boel verampeneerd.’
‘Niet alle vrouwen die elkaar mogen hebben een boekwinkel.’
‘Hee, lui’, kwam Jasmijn tussenbeide, ‘het is leuk om jullie te zien kibbelen als een getrouwd stel, maar laten we niet in onmin komen en allerlei negatieve emoties gaan uitstorten. Dit hier is een puinhoop; daarover zijn we het allemaal eens. Toch?’ De andere twee stemden met haar in. ‘Denk feniks’, zei ze tegen Marleen, en tegen Haaye: ‘denk Phoenix, en laten we de boel opnieuw inrichten en de boeken redden die er nog redelijk aan toe zijn.’
‘Degenen die dat niet zijn, neem ik wel mee naar huis om op te knappen’, stelde Haaye voor.
‘Akkoord?’, vroeg Jasmijn aan Marleen.
‘Akkoord’, zei ze. ‘Alleen mogen we nog niet beginnen met opknappen. Ik heb de politie gebeld en misschien willen ze eerst nog de puinhoop zien.’
Alle drie keken om zich heen.
‘Okee’, zei Haaye toen. ‘Koffie?’
‘Koffie’, stemden beide vrouwen in.
Jasmijn zag Marleen zo verloren tussen de rommel staan, dat ze op haar afliep en een bemoedigende arm om haar schouders legde.
‘Heb je van je zondag genoten?’, vroeg ze.
‘Ja, het was wel aardig. Maar het is de tweede keer dat ik met Sonia samen ben en de tweede keer dat ik stomdronken word. Of ik doe iets verkeerd of...’ Ze stopte, schudde toen het hoofd. ‘Laat ook maar’, zei ze.
‘Bij sommige dingen moet je nooit teveel nadenken’, zei Jasmijn.
‘Misschien heb je gelijk’, gaf ze toe.
‘Niet misschien; ik heb gelijk. En dat voor de maandag.’
‘Is Lotte al thuis?’
‘Ja, gisteren is ze komen binnen rollen.’
‘Heb je haar al van ons plan kunnen vertellen?’, vroeg Haaye. ‘Signeren’, vulde hij aan toen Jasmijn hem verbaasd aankeek.
‘Oh ja: ook dat. En ze vindt het een gaaf plan.’ Ze liet haar arm van Marleen’s schouders glijden en zei: ‘Misschien een idee om dit te doen als we de zaak weer helemaal opgeknapt hebben.’
‘Ik wil jullie niet laten schrikken, maar waarmee knappen we de zaak op? Al het geld dat ik heb zit hierin en ik kan me geen stuiver meer veroorloven.’
‘Hee...’ Haaye porde met zijn elleboog Jasmijn in de zij toen hij zijn handen aan Marleen liet zien. Ze volgde zijn voorbeeld. ‘Hier heb je een kwartet klauwtjes die meer azen hebben dan een royal flush.’
‘Er zit maar ten hoogste één aas in een royal flush’, herinnerde Marleen hem eraan.
‘Zie je!’, zei Haaye uitbundig. ‘Wij hebben er al drie meer. En de koffie is klaar, dus wat wil je nog meer op de maandagmorgen.’
Hij draaide zich om naar het koffieapparaat te lopen en zag een lange man in een driedelig grijs pak bij de open deur staan.
‘Sorry, maar we zijn nog effies gesloten’, riep hij hem toe. ‘De schoonmaakster heeft verstek laten gaan.’
De man stapte onverstoord naar binnen en ging op Marleen af.
‘Mevrouw Valentina?’, vroeg hij. ‘Hoofdinspecteur Schimmelpenninck. U heeft gebeld vanwege een vermeende inbraak.’
‘Vermeend?’ Jasmijn lachte en ging na een strenge blik van Marleen naar Haaye toe.
‘Inderdaad’, zei Marleen tegen de man. ‘Waarom wordt een hoofdinspecteur op een inbraak afgestuurd? Wat gebeurt er als er iemand wordt omgebracht: maakt de marechaussee dan een erehaag als u binnenkomt?’
Haaye en Jasmijn schoten in de lach. Het was duidelijk dat de bekende Marleen weer terug was.
Er zweefde een klein glimlachje rond de mondhoeken van de hoofdinspecteur.
‘Is er ergens waar we kunnen zitten?’, vroeg hij. Ze wees naar de lage boekenkast en plofte zelf in de fauteuil neer. ‘Kunt u me vertellen wat er is gebeurd?’
‘Koffie?’, vroeg Haaye. De hoofdinspecteur schudde het hoofd.
‘Ik kwam vanmorgen beneden...’, begon Marleen voordat ze werd onderbroken door Inge.
‘Jeetje, wat is er hier gebeurd?’, riep deze uit.
‘Inbraak’, zeiden Haaye en Jasmijn tegelijk.
‘Inbraak? Ja, het moest er van komen. Dit is geloof ik de enige winkel die nog inbraakvrij is in deze rij. En wat doet de politie ermee?’
Ze knipte haar duim en middelvinger om te laten horen wat ze van de aanpak van de politie vond. Pas toen viel haar de goed uitziende man in het driedelig grijs op.
‘Hee, hallo daar. Ik ben Inge.’
Ze stak haar hand uit en nam hem van top tot teen op. Hij stond op om haar een hand te geven.
‘Hoofdinspecteur Schimmelpenninck’, stelde hij zich voor.
‘Ooh, werkelijk?’ Ze bleef zijn hand vasthouden. ‘Mijn antiekwinkel krijgt twee dagen na de inbraak bezoek van de wijkagent en een tweedehandsboekwinkel ontvangt een hoofdinspecteur? Wat doet zo’n dure naam in een omgeving als deze?’
‘Erachter komen wat er gebeurd is’, zei de hoofdinspecteur, ‘als ik de kans krijg.’
‘Ing...’ Marleen maakte een hoofdbeweging naar buiten, maar Inge was niet van plan om te gaan, en liep met Jasmijn mee naar haar werktafel.
‘Wat is er gebeurd, joh?’, vroeg ze. Haaye kwam er ook bij.
‘Geen flauw idee’, zei Jasmijn. ‘Dit was de puinhoop die ik zag toen ik binnen kwam.’
‘Is het nog maar net gebeurd?’
‘Vermoedelijk niet’, zei Haaye.
‘Heeft Mar de daders betrapt of gezien?’
‘Noop. Vanmorgen kwam ze naar beneden en zag dit.’
‘Al m’n stapels dooreen gesmeten’, bromde Jasmijn pissig. Ze begon de boeken die nog op tafel lagen op te stapelen en raapte daarna de andere boeken zo veel mogelijk op.
‘Vanmorgen? Lijkt mij dat je hiervan wakker wordt, als je dit zo bekijkt.’
‘Ze had gezelschap’, merkte Jasmijn vanonder de tafel op.
‘Oh?’
‘Die blonde’, vulde Haaye aan.
‘Ah.’
‘En ze was dronken’, zei Jasmijn. Ze krauwelde overeind met een paar boeken in de armen en kwam erachter, dat ze niet meer zo jong en lenig was zoals eens het geval was geweest.
‘Weer met Sonia en weer dronken.’ Inge schudde het hoofd. ‘Er is geen ergere gek dan een oude gek.’
‘Die bewijsvoering hielp Eva Braun ook niet’, merkte Haaye op.
‘Zij en Sonia zijn louter vriendin, ik bedoel, vriendschappelijk met elkaar’, zei Jasmijn.
‘Ik zei nog zo tegen haar: als je een vriendin wilt hebben, neem een poes.’ Inge keek van Haaye naar Jasmijn. ‘Veel boekwinkels hebben tegenwoordig een poes.’
‘Ik heb er ook eentje’, zei Haaye, ‘en die heeft tegen al mijn Christie’s gepiest. Ik heb ze boek voor boek schoon moeten maken, en je weet hoeveel Christie heeft geschreven.’
‘Wat is er met de poes gebeurd?’ Jasmijn was nieuwsgierig.
‘Ik heb ‘m nog. Bleek dat het een reu was -oh nee, da’s alleen bij honden. Een mannetje. De poes was een... ik kan verdomme niet op het woord komen.’
‘Kater’, vulde Inge in.
‘Ah, ik wist dat ik aan Marleen moest denken.’ Hij grijnsde ondeugend. ‘De poes die een kater bleek te zijn, Aeschylus heet ie overigens, heb ik uit de boekenkamer verbannen en hij mag er alleen binnenkomen als ik er ben.’
Iedereen keek om toen het glas bij de deur kraakte onder een nieuwe voetval.
‘U bent vandaag vermoedelijk niet open?’ Meneer Van Zanten keek van de ravage naar Marleen.
‘Sorry’, zei ze. ‘Er is een inbraak geweest.’
‘Hoe onfortuinlijk.’ Met lede ogen keek hij naar de ravage, knikte een aantal keer en vertrok weer.
‘Heb jij een poes?’, vroeg Haaye aan Jasmijn.
‘Wat een vreemde vraag aan een vrouw’, zei Inge lachend.
‘Als Haaye zoiets vraagt, bedoelt hij poezen van het feline soort. En: nee, ik heb geen huisdieren.’
‘Maar je hebt wel boeken in huis.’
‘Natuurlijk. Sterker nog: ik heb een schrijfster in huis. En die laten meer rommel achter dan katten.’
‘Werkelijk?’, vroeg Inge verbaasd. Ze knikte.
‘Piest ze ook tegen Christie’s?’, vroeg Haaye.
‘Da’s zo ongeveer het enige waar ze niet tegenaan gepiest heeft. Maar je zou toch denken’, zei ze, ‘dat een beroep waarbij je alleen maar hoeft te zitten en je vingers te bewegen minder rommel veroorzaakt dan als je bijvoorbeeld in de mijnen werkt?’
‘In mijnen werken veroorzaakt weinig rommel’, merkte Haaye op, ‘aangezien er vrijwel geen mijnen meer zijn. Er zijn meer auteurs dan mijnwerkers.’
‘Dus meer rommel’, concludeerde Inge.
Ze keek Haaye na die naar het bureau ging om de koffiemokken te halen, en maakte van de gelegenheid gebruik om aan Jasmijn te vragen:
‘Denk je dat Mar en Sonia iets hebben? Met elkaar, bedoel ik.’
‘Nee’, zei ze meteen. ‘Volgens mij zijn ze gewoon vriendin.’
‘Sonia heeft wel een destructieve invloed op Mar: twee afspraken en twee keer dronken. Goed gemiddelde.’
‘Wil jij ook koffie?’, vroeg Haaye aan haar.
‘Nee, ik ga terug naar de winkel.’ Ze draaide zich om weg te gaan en kwam weer terug. Met een duimpje wijzend over haar schouder zei ze: ‘Schimmelpenninck was toch een raadpensionaris?’
‘Zou best kunnen’, zei Jasmijn die er geen idee van had.
‘Wat doet een raadpensionaris eigenlijk?’
‘Da’s iemand die de pensioenen regelt voor adviseurs’, zei Haaye.
‘Oh. Joh, nooit geweten.’
Ze zwaaide en ging weg.
‘En nu weet ze nog niet wat een raadpensionaris is’, zei Jasmijn tegen hem. Beiden leunden met de kont tegen de tafel. Zwijgend dronken ze hun koffie. De puinhoop om hen heen bracht hun stemming in een depressieve sfeer.
‘Zullen we maar beginnen met opruimen?’, stelde ze uiteindelijk voor.
‘Goed plan.’
Hij knikte, pakte haar lege mok en bracht deze terug naar het bureau. Daar hield de hoofdinspecteur hem staande en stelde een aantal vragen. Jasmijn begon boek voor boek de plek om haar heen op te ruimen en maakte stapels tegen de boekenrekken aan. De boeken die per rij uit de kasten waren gesmeten, zette ze zoveel mogelijk op dezelfde plek terug. Er was weinig dat er triester uitzag dan lege boekenkasten.
Marleen was aanvankelijk vooraan gebleven, haar afgekoelde koffie drinkend. Met langzame passen liep ze naar achteren en kwam bij haar terecht. Ze keek hoe de boekenkasten weer vol gezet werden en voelde zich plotseling oud, oud en vermoeid. Ze schoof de stoel bij de tafel vandaan, ging zitten en staarde voor zich uit. Ze werd zich pas bewust waar ze was toen ze een hand op haar schouder voelde.
‘Waarom ga je niet naar boven?’, vroeg Jasmijn. ‘Effies onderuit op de bank. Haaye en ik ruimen hier de boel wel op.’
‘Zeker weten?’
‘Zeker weten’, bevestigde ze. ‘Je hebt een rare week achter de rug, dus ik kan me voorstellen, dat dit allemaal teveel is geworden. Onderuit op de bank, boek erbij of een muziekje aan en niets doen dan ben je straks weer de oude.’
Marleen knikte. Het was goede raad. Ze stond op en liep de trap op. Jasmijn keek haar na en ging verder met ruimen.
‘Zou je hier niet mee moeten wachten totdat de verzekeringsagent is langsgeweest?’
Met de handen in de zakken van zijn broek keek de hoofdinspecteur naar haar.
‘Hoezo? Er is vrijwel geen schade. Alleen het glas in de deur.’
‘Sommige boeken zien er niet al te best meer uit.’
‘Daar heeft een verzekeringsagent geen boodschap aan. Een goed boek, een uniek boek uit de zeventiende eeuw bijvoorbeeld, is altijd nog minder waard dan een moderne auto die van de lopende band wordt afgespuugd. Maar ik neem aan dat u hier niet bent om uw blauwe bandjes verzameling van Jules Verne vol te krijgen?’
‘Klopt. U bent Jasmijn Davelaar danwel Jasmijn Bendelof. Welke naam prefereert u?’
‘De naam waarmee ik de minste moeilijkheden met jullie krijg.’
‘Met jullie bedoel je de politie, neem ik aan?’
‘Of het adelijke geslacht Schimmelpenninck moet een vendetta tegen mij uitgevaardigd hebben.’ De hoofdinspecteur grinnikte kort.
‘Mijn familie heeft niets tegen jou’, zei hij. ‘En het is tegenwoordig minder adelijk dan je vermoedt.’
‘Misschien ben je in de verkeerde zijtak geboren.’
Zonder het te merken, tutoyeerden zij elkaar.
‘Misschien. Wat kun jij vertellen van de inbraak?’
‘Helaas weinig.’
Ze stopte met boeken wegzetten en draaide zich naar de hoofdinspecteur. Straaltjes zweet liepen over haar slapen langs haar oren naar haar kaaklijn.
‘Ik kwam hier vanmorgen aan, Marleen en Haaye waren er al, en zag wat er was gebeurd.’
‘Misschien enig idee wie hierachter zit?’
‘Nee’, zei ze hoofdschuddend. ‘Ik ben niet van hier en ken verder ook niemand, dus zou niet iemand kunnen aanwijzen die verdacht overkomt.’
‘Helaas.’
‘Het is wel opvallend’, ging ze verder op het moment dat de politieman zich omdraaide om weg te gaan, ‘dat dit de zoveelste flauwekul is dat ons de laatste weken is overkomen.’
‘Hoe bedoel je?’ Hij bleef staan.
‘We krijgen een paar dozen boeken en tijdens het naar binnen brengen, word ik tegen de grond gelopen door een Pool. Vlak daarna bezoekt die man ons en wordt een paar dagen later dood gevonden. Marleen herkent de Pool dus gaat naar het politiebureau om dit door te geven en iemand doet een poging haar tas te stelen. En nu dit.’
‘Vergeet niet’, begon Haaye die bij de twee was komen staan, ‘dat Jansen en Tilanus overdreven veel interesse hadden in het boek van die Pool.’
‘Ook dat is waar, ja.’
‘Jansen en Tilanus?’, vroeg de hoofdinspecteur.
‘Collegae van jou’, legde Haaye uit. ‘Kwamen hier binnen, dachten dat ze in een tweederangs Amerikaanse televisieserie zaten en dreigden ons met alles en nog wat.’
‘Ik ken mijn collegae en ze zijn beter dan dit.’
‘Ik ken Jasmijn ook, maar alleen als collega. In het weekend stapt ze misschien op de motor en wordt de schrik van de Bijlmer, waarmee ik wil zeggen: die twee zijn als collegae waarschijnlijk anders dan wanneer ze de politieman uithangen bij het grote publiek.’
‘Da’s waar’, bevestigde Jasmijn toen de hoofdinspecteur naar haar keek.
‘Wat mij interesseert’, begon hij, ‘is: hoe liep de Pool jou tegen de grond?’
‘Heel makkelijk’, zei Haaye.
‘En pijnlijk.’ Ze wees naar haar lip waar het litteken nog zichtbaar was. ‘Hij werd door twee mannen achterna gezeten en was in het nauw gedreven tussen hen en mij. Ik denk dat ik de makkelijkste prooi was om omver te lopen.’
‘Het gebeurde allemaal heel snel’, zei Marleen die eveneens bij het groepje was komen staan. Ze had na de inbraak geen rust kunnen vinden ondanks dat ze zich hondsmoe voelde, en was terug naar beneden gegaan.
‘En jullie zijn er zeker van dat het de Poolse man was die in de gracht is gevonden?’
‘Hij zei tegen mij, dat hij het was geweest en dat hij er spijt van had’, zei Marleen.
‘Ik herkende zijn gezicht’, zei Jasmijn. ‘Voordat ik op de grond viel, hoorde ik gekrakeel achter me, keek om en zag de Poolse man met een panische blik op me afkomen. Zo’n blik vergeet je niet gauw.’
‘En de mannen door wie hij achterna werd gezeten; kan iemand van jullie die omschrijven?’
De drie keken elkaar aan. Haaye schudde het hoofd en Marleen trok de schouders op. Alleen Jasmijn staarde peinzend voor haar uit en dacht na.
‘Er was een kale bij’, zei ze uiteindelijk. ‘Kaal en vadsig.’ Ze glimlachte verontschuldigend. ‘Dat zal de omschrijving er niet duidelijker op maken, aangezien de meeste vadsige mannen kaal zijn.’
‘Of andersom’, merkte Haaye op.
‘Kip en ei, he? Ehmmm...’, bromde ze nadenkend, ‘hij zat onder de tatoeages.’
‘Hoe zag je dat zo snel?’, vroeg Marleen.
De hoofdinspecteur had juist zijn mond open gedaan om hetzelfde te vragen en bleef stil.
‘Hij had een t-shirt aan met zo’n lage hals -misschien was het wel een hemd, geen idee- en daar zag ik het bovenstuk van een kruis.’ Ze maakte een kruisteken met haar wijsvingers. ‘Althans, ik dacht dat het een kruis was. Er zat zo’n ronding omheen; deed me aan een Keltisch kruis denken, en toen werd ik tegen de auto gesmeten.’
‘Weet je het zeker?’, vroeg de hoofdinspecteur. Ze knikte bevestigend.
‘Het is belachelijk hoeveel je in een enkele seconde kan opmerken’, zei ze, ‘want ik weet nog dat ik dacht, dat dit heel smaakvol was gedaan, en dat is sarcastisch bedoeld.’
‘Waarom heb je hiervan geen melding gemaakt?’
‘Waarom zou ik?’ Ze keek de politieman lang aan. ‘De man heeft later via Marleen zijn verontschuldigingen aangeboden en dat is voor mij voldoende.’
‘Je hebt geen verdere omschrijving van de twee mannen?’
‘Ik vind dat ze aardig wat heeft meegegeven’, zei Haaye.
‘Niks verder’, zei Jasmijn.
‘Goed. Ik dank jullie voor de medewerking. Als er nog iets is, zien jullie mij weer verschijnen.’ Schimmelpenninck knikte de drie toe en ging de deur uit.
‘We gaan zo weer aan het werk’, zei Marleen om de stilte te verbreken die na het verdwijnen van de politieman was gevallen. ‘Ik heb m’n verzekeringsagent gebeld en vandaag nog wordt de deur gemaakt. Voordat we beginnen: eerst koffie en kijken wat Jasmijn heeft meegenomen.’
19.
Rond half drie waren alle boeken goeddeels ingeruimd. Het glas in de deur was vervangen en de vloer schoongeveegd. Marleen had voor de lunch gezorgd terwijl Haaye en Jasmijn doorwerkten. De zwaar gehavende boeken legden ze opzij op Jasmijn’s tafel. Toen Haaye een doos pakte om deze boeken erin te stoppen, deed Jasmijn hetzelfde.
‘Ik wil ze allemaal wel doen’, merkte hij op.
‘Laten we het verdelen. Ik heb er nog een paar thuis liggen van die keer dat ik omver werd gelopen.’
‘Goed. Dan neem ik de boeken mee die er het ergst aan toe zijn. Niet dat ik deze jou niet toevertrouw, maar het is voor mij een uitdaging om ze weer in een goede staat te krijgen.’
‘Ga je gang, Haay.’
Boeken wisselden handen, gingen over en weer, en uiteindelijk had Haaye een volle doos en was die van Jasmijn voor amper de helft gevuld.
‘Zal ik je naar huis brengen?’, vroeg ze hem.
‘Ik ben wel gewend om dit soort dozen op mijn fiets te vervoeren, maar bedankt voor het aanbod.’
‘Zeker weten?’
Hij knikte. Ze liepen naar voren en zetten de dozen op de boekenkast. Marleen bedankte hen voor het harde werken dat ze vandaag hadden gedaan en zei:
‘We houden het voor gezien voor vandaag. Ga lekker naar huis en morgen gaat de winkel gewoon weer open.’
Haaye pakte direct zijn doos op, groette de twee en ging naar buiten.
‘Niks anders waarmee ik je kan helpen?’, vroeg Jasmijn.
Marleen schudde het hoofd en zei:
‘Het is mooi geweest. Morgen is er weer een dag.’
‘Okee. Fijne avond, Mar.’
‘Jij ook, en tot morgen.’
Alleen in de winkel liep Marleen nadenkend langs de boekenkasten. Ze stopte om een boek recht te zetten of aan te schuiven maar had niet werkelijk door wat ze aan het doen was. Pas toen de deur naar de winkel open ging, werd ze uit haar gedachten gehaald. Automatisch keek ze naar de klok. Het was inmiddels bijna half vier. De vrouw die bij het bureau bleef staan en om haar heen keek, kwam haar vaag bekend voor.
‘Oh, hallo’, zei de vrouw toen ze Marleen opmerkte, en kwam een paar stappen naar haar toe. ‘Ik ben op zoek naar Belletien.’
‘Wie?’, vroeg ze.
‘Naar de vrouw die daar zit.’ Ze wees naar de tafel van Jasmijn. Plots herinnerde Marleen zich wie de vrouw was. ‘Ik was hier pas geleden ook, omdat ik dacht dat die vrouw een vriendinnetje uit mijn jeugd was. Ze zei toen, dat ze Belletien niet was. Maar...’ ze rommelde in haar tas en pakte er een mapje uit ‘...ik heb hier een foto van ons tweeën van vroeger en daarop kunt u duidelijk zien, dat die vrouw Belletien is.’
‘Is dit werkelijk zo belangrijk?’, vroeg Marleen toen het gezicht van de vrouw rood aanliep van agitatie.
‘Nou ja, ik hou er niet van om voor schut gezet te worden. Kijk...’ ze hield de foto naar haar gedraaid omhoog ‘...hier is duidelijk te zien, dat dit Belletien is. Op de foto heeft ze een klavervormig moedervlekje bij haar linkeroog, en dat viel me bij deze mevrouw meteen op. Dat kan geen toeval zijn.’
Marleen pakte de foto over en keek ernaar. Het was inderdaad een kenmerk dat niet te ontkennen was.
‘Jasmijn is er op dit moment niet’, zei ze, de foto teruggevend. ‘Morgen is ze er weer.’
‘Morgen ben ik weg. We vliegen vanavond naar Griekenland voor drie weken. Zou u misschien de foto aan -hoe zei u dat ze nu heet...?’
‘Jasmijn.’
‘...aan Jasmijn willen geven? Het hondje, overigens, is Puffer.’ Ze tikte op de foto waar een blonde hond tussen hen in lachend naar de camera keek. ‘Bel en Puffer waren onafscheidelijk. Wij ook. Wat gek dat ze mij niet herkende.’ Ze bedacht zich iets. ‘Is Jasmijn misschien haar getrouwde naam? Niet dat je je voornaam verandert als je trouwt, maar misschien vond ze Belletien geen mooie naam.’
‘U kent haar van school?’, vroeg Marleen voor de zekerheid. De vrouw knikte. ‘Wat is uw naam ook weer?’
‘Marjolein van der Does. Bel en ik waren vanaf de kleuterschool onafscheidelijk’, zei ze. ‘Hoewel Bel wat ver van de lagere school af woonde waar ik vanuit de kleuterschool naartoe ging, heeft ze zoveel gejengeld en gezeurd, dat haar ouders zijn gezwicht. Op die manier konden Bel en ik bij elkaar blijven. Maar in de tweede klas ben ik haar uit het oog verloren.’
‘Oh? Is ze verhuisd?’
‘Daar ben ik nooit achter gekomen. In de herfstvakantie zou ze een paar dagen bij mij logeren maar ze is nooit komen opdagen. Ik weet nog goed, dat ik op de fiets naar haar huis ben gegaan -hoewel ik dat niet mocht van mijn moeder, omdat ik de grote weg over moest. Toen ik bij haar huis kwam, werd er niet open gedaan.’ De band van haar tas glipte langzaam van haar schouder af. Ze wipte de tas omhoog op de band weer goed te krijgen. ‘Ik heb dagen zitten huilen. Na de herfstvakantie zei meneer Den Haring, hoofd van de school, tegen de klas, dat Bel in de vakantie was verhuisd. Maar ik vond dat vreemd, want ik zag haar moeder nog altijd dat huis binnen gaan.’ Ze staarde naar een punt achter Marleen. Terugdenkend aan die tijd bracht tranen in haar ogen. ‘En toen ik Bel hier pasgeleden zag, kon ik mijn geluk niet op. Er is in al die tussenliggende jaren nooit een dag geweest, dat ik niet aan haar heb gedacht. Maar toen zij zei mij niet te kennen, mij zelfs niet te herkennen... Nee.’ Ze schudde het hoofd. ‘Ik dacht dat ik een vergissing had gemaakt, maar deze foto zegt iets anders.’ Marleen recht aankijkend, vroeg ze: ‘Wilt u deze foto aan Bel of Jasmijn laten zien?’
‘Natuurlijk. Wilt u het nog terughebben?’
‘Nee hoor, het is een kopie. Het origineel heb ik nog.’ Ze stak haar hand uit. ‘Ik dank u alvast hartelijk voor uw bemiddeling hier in. Ik moest vandaag langskomen, anders zou ik geen rustige vakantie hebben.’
‘Graag gedaan’, zei Marleen, de hand schuddend. ‘Ik zal er voor zorgen, dat Jasmijn de foto onder ogen krijgt. Ik vertel het verhaal erbij en wens u verder een hele prettige vakantie.’
‘Dank u.’ Ze knikte haar toe en ging de winkel uit.
‘Oh, een telefoonnummer waarop...’ Marleen’s stem werd zachter. De vrouw was als een wervelwind verdwenen en uit zicht. Toen ze de deur opende om haar na te roepen, liep ze al de hoek om. Ze wilde weer naar binnen gaan maar zag Sonia de brug oplopen naar haar winkel. Ze bleef in de deuropening staan, leunend tegen de deurpost.
‘Hallo’, groette Sonia haar. ‘Ik wilde kijken of ik kan meehelpen met opruimen.’
Ze bleef voor haar staan. Een vrouw met een kinderwagen duwde deze vlak achter haar langs om op de stoep te kunnen blijven. Sonia verzette zich geen centimeter.
‘Alles is al in orde’, zei Marleen.
‘Mooi. Dat is snel gegaan.’
‘Hoe is het met jouw moeder?’
‘M’n moeder? Oh ja, dat gaat weer goed. Nou ja goed; beter is het juiste woord. Afwachten maar.’ Ze wipte op haar schoenen heen en weer en keek van Marleen naar binnen. ‘Blijf ik hier staan of...?’
Ze liet de rest van de zin hangen.
‘Ja’, zei Marleen. ‘Ik ga zo weg.’
‘Vijf minuutjes?’
‘Ik ga zo weg’, herhaalde ze.
‘Okee. Zie ik je vanavond nog?’
‘Ik heb geen idee hoe laat ik thuis kom.’
Sonia knikte, keek links en rechts en zei uiteindelijk:
‘Veel plezier. Ik bel je nog wel.’
‘Jij ook veel plezier.’
Marleen keek het vertrekkende gestalte na. Met Sonia weg en niets meer te doen, sloot ze de deur, schoof de lage boekenkast ervoor, deed de lichten uit en ging naar boven. Wat haar betrof was deze dag voorbij.
20.
‘Wat ben je vroeg thuis.’
Lotte keek op naar Jasmijn die de deur achter zich sloot. Ze lag languit op de bank met een boek in de hand.
‘Ja, lekker’, zei Jasmijn. ‘Blij dat jij in elk geval hard aan het werk bent.’
Ze boog zich voorover en gaf haar een kus.
‘Onderzoek. Je bent trouwens vanmorgen vergeten jouw medicatie in te nemen.’
‘Ik doe het nu meteen.’
Ze ging naar de keuken om haar pillen te pakken en een glas water.
‘Hoezo zo vroeg? Is de winkel opgedoekt?’
‘Bijna. Er is ingebroken.’
‘Wie breekt er nu in hemelsnaam in een tweedehands boekwinkel in?’, vroeg ze na het hele verhaal gehoord te hebben.
‘Jij zou dat doen.’
‘Akkoord: ik wel. Maar ik zou het niet een puinhoop achterlaten en alleen wat boeken meestelen.’
‘Zoals je vroeger deed’, zei Jasmijn grinnikend.
Als kind zijnde had Lotte nauwelijks geld maar wel een schier onverzadigbare drang tot lezen. Omdat ze zich geen boeken kon veroorloven en de plaatselijke bibliotheek niet de kost had waarnaar zij op zoek was, schroomde ze zich niet om in winkels boeken onder haar jasje te steken en met een onschuldige blik hiermee naar buiten te lopen. Thuis verstopte ze de boeken in dozen zodat haar ouders er geen vragen over zouden stellen.
‘Wat wil je eten vanavond?’, vroeg ze op hetzelfde moment dat haar telefoon biepte.
‘Ben jij dat?’, vroeg Lotte. ‘Iets met pasta.’
‘Da’s m’n telefoon.’
‘Bedoel ik.’
‘Pasta di mama?’
‘Lekker. Een mama uit de oven, graag. Wie is het?’
‘Wat?’
Jasmijn bond een schort voor en haalde de nodige spullen uit de koelkast.
‘Telefoon?’
‘Oh, een berichtje, geloof ik.’
‘Moet je niet kijken dan?’
‘Nee, ik ben toch met jou aan het praten? Wil je er zongedroogde tomaten in?’
‘Lekker. Maar we praten over het berichtje dat je hebt ontvangen.’
‘Correctie: jij praat over het berichtje dat ik heb ontvangen; ik praat over het eten. Met jou.’
Jasmijn duimde een paar teentjes knoflook van de bol en pakte een aantal tomaten die ze naast de houten werkplank op het aanrecht legde. Ze dacht eraan om deze te ontvellen, vond het teveel gedoe en sneed hen in plaats daarvan in kleine stukjes.
‘Wat ben je stil’, zei ze en zag hoe Lotte zwijgend haar kant op bleef kijken.
‘Nu zijn we niet aan het praten dus kun je het SMSje bekijken.’
‘Straks. Ik ben nu met het eten bezig.’ Ze zette een pan op het vuur, goot er olijfolie in, wat kruiden en de fijngesneden knoflook. ‘Wat betekent SMS eigenlijk?’, vroeg ze toen.
‘Dat iemand jou een berichtje heeft gestuurd.’
‘Ik bedoel de letters; waar staan die voor?’
‘Sado-masochistische sex. Dus gauw lezen; misschien heb je mazzel vanavond.’
Jasmijn lachte louter en ging door met koken. Lotte dook het internet op. Een moment later zei ze:
‘Short Message Service.’
‘Wat is?’
‘SMS.’
‘Oh. Goed om te weten en te vergeten.’
‘Zal ik voor je kijken?’
Ze stond op en strekte haar ledematen, een wijsvinger als bladwijzer gebruikend.
‘Nee. Straks. Heb je nog kunnen werken vandaag?’, vroeg Jasmijn.
‘Nauwelijks. Het is altijd weer effies omschakelen na zo’n weekje weg.’
‘Daarom het onderzoek.’
‘Daarom het onderzoek’, bevestigde ze, haar boek omhoog houdend. Ze deed een smalle bladwijzer op de plek van haar wijsvinger en sloot het boek. ‘Is er veel schade in de winkel?’
‘Nee. De ruit van de deur was kapot, maar verder weinig schade. Er zijn wat boeken die hersteld moeten worden. Ik leg ze bij de anderen die nog liggen te wachten om wat liefde en aandacht.’ Ze pakte twee ovenschaaltjes uit de kast en begon aan de béchamelsaus. ‘En we missen ook geen boeken, althans, niet dat we weten omdat de kasten weer helemaal vol staan.’
‘Misschien heeft de inbreker boeken gebracht’, merkte Lotte op. ‘Zo eentje die spijt heeft van zijn verdorven verleden en nu boeken weggeeft. Robin Book.’
‘Zit een kort verhaal in. Wil je buiten eten?’
‘Liever niet.’
‘Dan binnen. Ik zoek wel een dvd uit.’ Lotte ging voor de kast staan, het hoofd schuin om de titels te bekijken. ‘Perry Mason vanavond met Raymond Burr. Zo lekker stilistisch. Zelfs de boeven zien er goed gekleed uit en niemand die in t-shirt en spijkerbroek loopt’
Ze pakte de doos uit de rij en liep terug naar de bank terwijl ze de achterkant las.
‘Heb je wel eens gedacht aan verhuizen?’, vroeg Jasmijn.
‘Hoezo?’ Verstoord keek ze op. ‘Waar naartoe?’
‘Geen idee.’ Ze trok de schouders op. ‘Het was zo maar een gedachte.’
‘Wil je weg dan?’
‘Het was zo maar een gedachte’, herhaalde ze.
‘Want als je weg wilt, gaan we zoeken.’
‘Het was...’ Ze zuchtte. ‘Zet de dvd er maar in dan kunnen we alvast gaan kijken.’
‘Een glas wijn erbij?’
Lotte trok een fles uit het rek en las het label. In haar jonge jaren had ze veel Liebfraumilch gedronken omdat dat het goedkoopste was dat ze aan alcohol kon vinden. Nu ze zich duurdere wijnen kon veroorloven, had zo nog steeds trek in Liebfraumilch, al was het maar om nostalgische redenen. De wijn die ze nu in handen had, was een supermarktwijn met een prima smaak. Ze draaide de dop los en schonk twee glazen vol. Ze hield haar glas op naar haar vrouw.
‘Op alle boeken die nog gelezen moeten worden’, zei ze en nam een slok. ‘Wat mij doet denken aan het berichtje dat je hebt ontvangen.’
Jasmijn pakte de iPhone uit haar broekzak en overhandigde het.
‘Dank u.’
Ze liep ermee naar de bank en begon te lezen. En bleef stil.
‘Eén van mijn minnaressen?’, vroeg Jasmijn uiteindelijk toen de stilte lang aanhield.
‘Nee. Of misschien’, was de wazige reactie voordat ze alle aandacht kreeg. ‘Of je moet iets met Marleen hebben...’
‘Nog niet.’
‘Het juiste antwoord’, zei Lotte. ‘Het is namelijk van Marleen. Ze schrijft dat die vrouw van vorige week weer is langsgeweest.’ Ze keek naar Jasmijn die verbaasd de wenkbrauwen optrok. ‘En die vroeg nogmaals naar jou’, ging ze verder. ‘Ze noemde de naam Belletien Quirijns...’
‘Oh, die vrouw!’, riep Jasmijn uit. ‘Ik weet het weer: die kwam inderdaad vorige week langs en zei mij van vroeger te kennen, van de lagere school in... weet ik veel, Gouda of één van dat soort plaatsen waar je alleen naar toe gaat als je iets nodig hebt. Staat er verder nog iets?’
‘Niet veel. Die vrouw heeft een foto achtergelaten van jou en haar.’
‘Van mij en haar?’
‘Dat staat hier.’
‘Oh? Ik weet weer eens van niets.’
‘Een schoolfoto’, vulde Lotte aan en gaf de iPhone terug. ‘Ken je haar werkelijk niet?’
‘Serieus, Lot. Ze sprak me aan, stond ineens voor m’n tafel met een grijns van oor tot oor en zei dat ze het leuk vond mij na al die jaren weer eens te zien. Of woorden van die strekking. Het was voor het eerst in m’n leven dat ik haar zag. Ze dacht dat ik die Belletien Quirijns was en toen ik zei dat ze zich vergiste, vroeg ze of ik misschien een zus had. En nu schijnt ze een foto te hebben van school?’
‘Het zal waarschijnlijk om iemand gaan die veel op jou lijkt.’
‘Denk ’t ook.’
De pasta stond in de oven. Jasmijn plofte neer op de bank en nam een slokje wijn.
‘Ik hou er niet van om lastig gevallen te worden door hysterische wijven’, zei ze
‘Mmh, da’s niet de Jassie die ik ken’, merkte Lotte op. Ze zette de tv en de dvd speler aan en keek door de half open luxaflex naar buiten. ‘Als dat geen nicht is...’
De blonde buurman liep in een strakke broek en een kort strak shirtje dat zijn middenrif bloot liet de parkeerplaats over.
‘Jij denkt dat elke goed geklede vent een nicht is’, zei Jasmijn.
‘Als je ziet hoe 99% van de hetero mannen gekleed gaat...’
‘Akkoord, daar heb je gelijk in.’
Perry Mason begon en ze gaven de tv hun volle aandacht. Na een paar stille minuten zei Jasmijn:
‘Dadelijk zeg je nog dat Raymond Burr een nicht is omdat ie zo goed gekleed gaat.’
‘Hij was ook een nicht.’
‘Oh ja.’
Ze sloeg een arm om Lotte’s schouders en dronk haar wijn.
21.
‘Mogge, Haay.’
‘Mogge, Jas.’
‘De kasten staan nog overeind, zie ik.’
‘Met de boeken erin.’
Hij zat onderuit in de fauteuil, benen gestrekt en bij de enkels over elkaar geslagen, rustend op de prullebak. Ze zette een kartonnen beker koffie voor hem neer en eentje voor Marleen.
‘Marleen nog niet gesignaleerd?’, vroeg ze toen.
‘Nee. Ik vermoed dat die blonde doos er weer is.’
‘Oh, dus dat betekent een kater.’
Ze liep door naar haar tafel, zette haar eigen koffie naast de laptop en keek naar de boeken op de grond. Deze moesten nog doorgezocht worden, zo ook de stapels waarmee ze bezig was geweest voordat alles op de grond was gesmeten. Alles moest opnieuw in orde gemaakt worden. Soms was het leven één grote herhaling.
‘Weet jij hier, trouwens, iets van?’
Haaye hield een papiertje omhoog. Dit was de enige vorm van beweging die hij had ondernomen sinds haar binnenkomst. Ze liep terug naar het bureau en zag dat het een foto was. Ze keek er naar en schudde het hoofd. Op de foto waren de hoofden van twee meisjes te zien met de kop van een hond tussen hen in. Beiden lachten zoals alleen onschuldige kinderen kunnen lachen. Na lang naar het hoofd van de hond gestaard te hebben, zei ze:
‘Zegt me niets.’
‘Jammer.’
‘Hoe kom je eraan?’
‘Het lag in de la, en omdat die meid met dat donkere haar wel iets van jou weg heeft, dacht ik dat het van jou was.’
‘Nee, ik heb geen fotos vanuit mijn kindertijd’, zei ze.
‘Werkelijk?’, vroeg hij verbaasd. ‘Merkwaardig.’
‘Hoezo?’
‘Ik dacht dat iedereen fotos vanuit hun kindertijd had, als is het maar liggend op een zacht vachtje met de blote billen omhoog.’
‘Dat is meer een standje voor een winterse woensdagavond.’
Hij lachte en vroeg toen:
‘Heb je serieus geen fotos van jou als kind?’
‘Werkelijk niet. Ik heb mijn ouders nooit gekend en heb verschillende pleeggezinnen gehad die waarschijnlijk geen fototoestel hadden’, zei ze wrang. ‘Mag ik het nog eens zien?’
Hij gaf haar de foto en ze keek er aandachtig naar. Het meisje met het donkere haar had inderdaad iets weg van haar, maar op dezelfde manier dat het blonde meisje iets van Marleen weg had. En ze kon zich niet herinneren opgegroeid te zijn met haar.
‘Misschien is het Marleen met een vriendinnetje’, zei ze toen.
‘Nee. Ik heb jeugdfotos van Marleen gezien en ze zag er niet als deze blonde uit.’
‘Hadden ze in haar tijd dan al cameras?’
‘Merkwaardig genoeg wel, ja. Het was wel zo, dat alle fotos zwart-wit waren.’
Ze grinnikte en draaide de foto om. De lach gleed van haar gezicht bij het zien van de namen: Marjolein, Belletien en Puffer.
‘Puffer?’, mompelde ze zacht voor zich uit.
Ze draaide de foto terug en bekeek de hond ditmaal aandachtiger. Dit was dus de foto waarover Marleen haar gisteravond een berichtje stuurde. Ze pakte haar iPhone erbij en herlas het bericht, waarna ze de foto nogmaals onderzoekend bekeek. Het ontging haar, dat Marleen de trap afkwam, en ze had pas in de gaten dat deze er was toen zij aan de andere kant van de tafel stond.
‘Goedemorgen, Jassie’, groette ze haar. ‘Je hebt de foto gevonden?’
‘Ik kreeg ‘m van Haaye.’
‘Ja, die vrouw was hier gistermiddag laat. Overigens bedankt voor de koffie; had ik net nodig.’ Ze parkeerde een bil op de tafel en nam een slok van haar beker. ‘Je kent haar werkelijk niet?’
‘Nee’, zei ze hoofdschuddend.
‘En de hond?’
‘Er is bij een pleeggezin waar ik was wel een hond geweest, maar dat was een witte poedel die dol was op mijn stoffen slippers.’ Marleen gniffelde om het beeld dat dit bij haar naar boven bracht. ‘Maar die heette geen Puffer, voor zover ik het me kan herinneren.’
‘Merkwaardig.’
‘Ik kan me vrijwel niets herinneren van vroeger.’
Marleen keek haar aan. Er was iets melancholisch in deze uitspraak.
‘Het eerste dat ik me kan herinneren’, zei ze zelf, ‘is toen ik een jaar of drie, vier was en op m’n step, zo’n stevige houten step als je die voor je kunt halen. Daarmee raasde ik op de stoep rond. Ik was zo in m’n eigen wereldje verzonken, dat ik op een gegeven moment op de hoek van een straat stond en niet meer wist waar ik was. Uiteraard kwamen toen de tranen. Een aardige mevrouw hurkte bij me neer en vroeg wat er was. Ze was zo slim om op het houten vlondertje aan de onderkant van m’n step te kijken. Daar zag zij het huisadres dat mijn moeder erop had geschreven. Die mevrouw heeft me toen naar huis gebracht. Ik zie haar niet meer voor me -ik zie wel een mevrouw voor me, maar dat was geloof ik de juffrouw van de tweede klas lagere school die ik in gedachten heb, maar dit gebeuren is mij altijd bij gebleven.’
‘Ik kan me allerlei kleine dingetjes herinneren’, begon Haaye die er bij was komen staan, ‘maar voornamelijk iets dat voorviel toen ik vijf was. Ik wilde de straat oversteken tussen twee autos door en vanuit het niets kwam een motorrijder aanscheuren. Ik schoot terug naar achteren alsof iemand aan mij trok, maar er was niemand; ik was helemaal alleen. Als dit niet was gebeurd, zou ik hier nu niet zitten.’ Hij keek naar Jasmijn. ‘Wat is jouw vroegste herinnering?’
‘Ook allemaal ditjes en datjes die ik niet aan elkaar kan rijmen’, zei ze, ‘maar mijn eerste duidelijke herinnering is, dat ik de Russische bibliotheek ontdekte toen ik pakweg 18 was.’
‘Da’s vrij laat’, merkte hij op. Ze knikte. ‘Niks uit je schooltijd, vriendjes of vriendinnetjes of zo?’
‘Noop.’
‘PTSS?’
‘Nee, gewoon normale shampoo.’
Ze streek haar vingers door het haar. Zowel Marleen als hij lachten.
‘Geen idee, luitjes’, zei ze toen. ‘Misschien is mijn geheugen gewoon naar de klote.’
‘Je bent de ideale persoon om geld van te lenen’, zei Haaye. ‘Als je het terug vraagt, zeg ik: Ik heb het je gisteren al gegeven, weet je nog?’
Grinnikend liep hij terug naar het bureau. Een moment lang legde Marleen een hand op Jasmijn’s schouder.
‘Geen zorgen maken hierom’, zei ze met een knik naar de foto. ‘De vrouw zal zich wel vergist hebben.’
Jasmijn knikte en schoof een boek over het tafelblad naar zich toe. Toen ook Marleen weg ging, keek ze er nogmaals naar.
‘Puffer...’, zei ze nadenkend.
‘Meneer Van Zanten’, groette Marleen de man die rondkijkend naar binnen kwam.
‘Juffrouw Marleen’, groette hij haar met een knikje. ‘Ik heb een aardigheidje voor u en uw personeel meegenomen ter gelegenheid van deze onverwachte sluiting en heropening.’
Hij zette een doos met gebakjes op het bureau. Haaye schoot naar voren om het te openen.
‘Koffie, meneer Van Zanten?’, vroeg hij.
‘Gaarne, jongeman.’
‘En een gebakje?’
‘Nee hoor, dankjewel.’
‘Het zijn er vier’, zei Marleen.
‘Dat is mij bekend’, zei hij met een glimlach. ‘De vierde is voor juffrouw Inge.’
Met een knikje ging hij bij hen vandaan en zocht zijn plek op bij de reisgidsen. Haaye zette een bak verse koffie en bracht een mok naar de gewaardeerde klant. Hij koos een slagroomgebakje uit en ging hiermee terug naar zijn fauteuil.
‘Op uw gezondheid, meneer Van Zanten’, riep hij.
‘Dat het u mag smaken’, hoorden ze vanachter de boekenkasten vandaan komen.
‘Ik ben twee kilo aangekomen sinds ik hier werk’, merkte Jasmijn op, een hap uit haar vruchtengebakje nemend.
‘Dat komt volgens mij van het vele zitten’, zei Haaye. ‘In elk geval niet van het gebak.’
‘Blij dat we het daar over eens zijn.’
‘En zeker die van jou: dat zijn al vier porties gezond die je van de zeven op een dag moet hebben.’
‘Perfect. Kan ik vanavond een Chineesje halen om de rest aan te vullen.’
Ze aten in stilte, soms naar elkaar glimlachend, soms starend. Uiteindelijk zei Haaye:
‘Zullen we over de wedstrijd van gisteravond praten?’
‘Welke wedstrijd?’, vroeg Marleen, naar Jasmijn kijkend die de schouders ophaalde.
‘Geen flauw idee’, antwoordde hij. ‘Misschien heb jij nog een modderworstelpartijtje met de blonde bom achter de rug.’
‘Zo’n relatie heb ik niet met haar.’
‘Met wie wel?’, vroeg Jasmijn.
‘Jullie zijn onverbeterlijk.’ Marleen vouwde het papiertje op en gooide deze terug in de doos. ‘Ik ga dit gebakje naar Inge brengen, want jullie zijn in staat om deze ook nog weg te werken.’
Ze deed de deksel op de doos en ging de winkel uit.
‘Alsof wij dat doen’, merkte Haaye quasi verongelijkt op. ‘Wat sta jij te grijnzen?’, vroeg hij toen aan Jasmijn.
‘Niks bijzonders; alleen dat beeld van Marleen en die blonde in de modder... Mmm. Daar kan ik de dag mee doorkomen.’
22.
Inge nam twee whiskey glaasjes mee naar buiten en ging naast Marleen op het bankje aan de gracht zitten. Ze klonken de glazen tegen elkaar en namen een slok. De schemering was ingevallen. Achter hen passeerden toeristen de winkels, bekeken de etalages alvorens verder te slenteren. De zachte bries was koel maar niet meer zo koud als amper twee weken eerder.
Ze zette haar glaasje naast zich op de bank en ging gemakkelijk achterover leunen. Ze hield van deze tijd als de dagen langer werden en de schemering treuzelend boven Alkmaar bleef hangen.
‘Ze ziet er wel leuk uit’, zei ze, de draad van het gesprek oppakkend waar ze het hadden gelaten voor zij naar binnen ging.
‘Dat is zeker waar, als je van dat type houdt.’
‘Vind je haar leuk?’
Inge probeerde dezelfde vraag in een iets andere toonzetting.
‘Pffff.’ Marleen trok de schouders op. ‘Ze is aardig’, zei ze uiteindelijk.
‘Alleen aardig?’
‘Hee, Ing, als je wilt weten of ik iets interessants voor haar voel: vraag het dan. We kennen mekaar nu lang genoeg om dit soort vragen rechtstreeks te stellen.’
‘Je hebt gelijk. En?’
‘Wat en?’
‘Wat is het antwoord op de vraag die jij jezelf hebt gesteld?’
‘Ik heb een geweldig leven zonder alle verwikkelingen van een relatie, dankjewel’, klonk het antwoord, ‘en daarbij maak ik geen onderscheid tussen man of vrouw. Ik heb het naar m’n zin met het leven zoals dit nu is. En, nogmaals: Sonia is leuk in de zin van aardig, maar ik val niet op dat type.’
‘Wat is jouw type dan wel?’
‘Qua vrouw bedoel je?’
‘Uh-huh.’
‘Mmh... Zo iemand als Jasmijn bijvoorbeeld. Daarmee bedoel ik niet Jasmijn als persoon, maar dat type: belezen, gevoel voor humor, open, donker haar, en ze heeft zo’n aanstekelijk lachje.’
Inge zag bij Marleen een lachje op het gezicht verschijnen terwijl ze Jasmijn beschreef. Verrast opende ze de ogen wijd en concentreerde zich op haar whiskey.
‘Maar geen type Sonia’, zei ze om de plots gevallen pauze op te vullen.
‘Nee. Ten eerste is ze zeker twintig jaar jonger en ik doe niet mee aan dat cougar gedoe of hoe ze die walgelijke larie ook noemen. Er moet niet meer dan tien jaar verschil zitten tussen mij en degene met wie ik het bed deel. Nogmaals, in dat laatste heb ik totaal geen bal zin, omdat ik niet van plan ben mijn vrijheid in te leveren.’
‘Of de vrijheid te delen.’
De twee vrouwen keken elkaar aan.
‘Heb jij iemand op het oog om jouw vrijheid mee te delen?’, vroeg Marleen toen.
‘Haaye is wel leuk.’ Inge lachte om haar eigen opmerking en porde haar in de zij. ‘Alleen om je te stangen, meid’, zei ze toen.
‘Als je toch aan het stangen bent, kun je dan meteen iets te drinken inschenken? En graag de glazen een slag groter maken zodat je niet om de vijf minuten hoeft heen en weer te lopen.’
‘Wat als ik de fles mee naar buiten neem?’, stelde Inge voor, al opstaand.
‘Beter, meid. Hee’, riep Marleen haar vriendin na die de straat overstak: ‘Zou jij niet mijn bed willen delen nu je toch goede ideeën hebt?’
Inge lachte. Een paar passanten keken van de één naar de ander en liepen verder.
‘Denk je nou echt dat ik het bed weer met iemand zou willen delen?’, vroeg Inge toen ze weer naast Marleen zat. Ze draaide de whiskeyfles open en schonk hun glaasjes vol. ‘Na Lex heb ik er m’n buik vol van. Die relatie kost me klauwen met geld aan therapie. Niets valt meer onder de zorgverzekering tegenwoordig. Je betaalt je scheel aan de maandelijkse bijdrage en dan moet je nog alles zelf bekostigen.’
‘Waarom stop je dan niet naar de psycholoog gaan?’
‘Ik moet toch tegen iemand aan kunnen lullen?’
‘Uhm...’
Marleen strekte haar armen zijwaarts om te laten zien dat zij er ook nog was om mee te kletsen.
‘En tegen mij lullen’, zei ze, ‘kost je maar een fles whiskey in de week.’
‘Eén fles maar? Is er iets mis met je, Mar?’
‘Nah’, zei ze, ‘weet je wat het is, Ing: ik stond vanmorgen op en zag dat ik haren op mijn grote teen had. Op beiden. Die fase van m’n leven heb ik nu bereikt, dat ik m’n tenen moet scheren.’
‘Jij ook?’ Inge lachte luid. ‘Mijn hemel, ik ben al blij als ik wakker word en alles zit nog waar het moet zitten. Hier en daar wat extra, maar daarvan kan ik altijd de leeftijd de schuld geven.’
‘Niet als je cougar wilt worden.’
‘Mij niet gezien. Op mijn leeftijd is het beter dat ik een slechtziende man tegenkom die de haren op mijn tenen niet opmerkt.’
‘Daar drink ik op.’
Ze namen allebei een flinke slok en zette de glaasjes weer neer.
Vanuit Aarnoud’s bar pal tegenover hen klonk muziek. Marleen keek omhoog. De hemel was open en inmiddels waren de sterren tevoorschijn gekomen. Ze genoot van de omgeving, van het leven in Alkmaar, van het dronken worden met haar goede vriendin naast haar op een bankje buiten in de avondlucht.
‘Heb jij ooit gerookt?’, vroeg ze Inge.
‘Vroeger op school. Dat hoorde er zo bij. Jij?’
‘Af en aan.’
‘Waarom vraag je dit eigenlijk?’
‘Omdat ik plots zin heb in een sigaretje heb. Een drankje, een roddel, een sigaretje; lijkt me heerlijk.’
‘Ik heb niets.’
‘Nah, laat maar.’
‘Ik wil wel Aarnoud vragen of hij wat te roken heeft.’
Inge stond op en liep de brug over naar de bar, de protesten van haar vriendin negerend. Marleen nam een slokje en staarde wederom naar de lucht. Een paar wolken kuierden langzaam aan de sterrenhemel voorbij. Ze hoopte dat het een goede zomer zou worden. De zomer van vorig jaar mocht een warme geweest zijn, ware het niet dat het enige dat zij zich ervan kon herinneren ononderbroken regen was vanaf juni tot en met september.
Maar dit soort avonden... Zitten leuteren met Inge tot diep in de nacht, plezier hebben op een ongecompliceerde manier. Inge mocht dan wel vaste klant zijn bij een psycholoog, maar er was niemand met wie zij zo veel lol had als zij.
‘Ta-da!’, riep haar vriendin vanaf de brug, triomfantelijk een sigaret voor haar uit houdend. Ze plofte naast Marleen neer. ‘Ik heb zelfs een doosje lucifers meegekregen; wat een service.’
‘Dat is geen sigaret, maar een sjekkie.’
‘Als er maar rook uitkomt, toch?’
Ze stak het sjekkie aan en hoewel ze niet wilde inhaleren, deed ze dit desondanks. Marleen hield haar neus in de lucht en snoof hoorbaar.
‘Wie heeft het sjekkie gedraaid voor je?’, vroeg ze toen. ‘Roy?’
‘Roy, ja. Hoe weet jij dat?’, vroeg Inge verbaasd.
‘Laat ik het zo zeggen: deze kok weet hoe hij zijn kruiden moet gebruiken.’
‘Daar drink ik op.’
Inge’s hand tastte in het rond op zoek naar haar glas, toen Marleen zei:
‘Ik zou niet drinken als ik jou was.’
‘Waarom niet?’
Ze draaide het hoofd om haar vriendin aan te kunnen kijken, stopte halverwege de draai en haar neus begon te kwispelen.
‘Ooooh, ik snap ‘m’, zei ze toen en gaf het sjekkie over.
Ook Marleen nam een ferme trek van de sigaret. Het was eeuwen geleden dat ze voor het laatst had gerookt en ze voelde de neiging om te hoesten opkomen, maar hield zich in. Ze wist bijna zeker, dat aan de andere kant van de gracht Aarnoud en Roy in de gaten hielden hoe die twee vrouwen van middelbare leeftijd op het rokertje zouden reageren.
Na deze laatste gedachte werd het leven voor hen een paar uur lang vager totdat uiteindelijk het licht uitging.
23.
Haaye keek op toen hij voetstappen op de trap hoorde. Voordat hij er erg in had wie het was, had Jasmijn al een blik omhoog geworpen om daarna zijn richting uit te kijken. Ze grinnikte zacht toen ze zijn wenkbrauwen omhoog zag gaan toen hij Inge de trap af zag komen. Ze zag er afgelebberd uit, alsof ze de hele nacht had doorgezakt. Hij groette haar met een “hallo” toen zij het bureau passeerde. Meteen stak zij haar hand waarschuwend in de lucht.
‘Niet te hard, graag’, waarschuwde ze, zonder zijn richting uit te kijken, omdat elke beweging een golvend effect in haar hersens teweeg bracht.
Hij zei nogmaals “hallo”, maar dit keer fluisterend.
‘Dank je’, zei ze zonder een hint van ironie. ‘Als iemand mij zoekt, zeg maar dat ik ben overleden.’
‘Zo zie je er ook uit’, fluisterde hij haar toe.
Ze ging naar buiten. Jasmijn liep naar voren en samen met Haaye keek ze toe, hoe Inge naar de overkant van de straat ging en vanonder het bankje een lege fles whiskey pakte en een aantal glazen. Ze hield zich aan het bankje vast toen ze voorzichtig uit haar gebogen knieën omhoog kwam en liep langzaam naar haar eigen winkel.
‘Runt Marleen een hoerentent voor lesbi hier boven?’, vroeg Haaye uiteindelijk.
‘Als dat zo was, had ik het wel geweten. Wil je nog koffie?’
‘Ik zet wel.’ Hij stond op en pakte een koffiefilter uit een la. ‘Het moet niet gekker worden met die vrouwen van in de vijftig. Toen mijn moeder die leeftijd had, liep ze in een bloemetjesjurk en zorgde voor de plantjes in de tuin. Nu bezatten ze zich op een doordeweekse avond.’
Hoofdschuddend schepte hij een aantal lepels koffie in de filter, sloot het deksel en zette het apparaat aan. Pas toen keek hij of er nog genoeg water in zat, en vulde het bij uit de literfles die naast zijn stoel stond.
‘Ik geef je eenmaal de kans om te raden dat als ik die leeftijd heb, welk soort vrouw ik dan wil zijn’, zei Jasmijn.
‘Da’s geen weddenschap’, antwoordde hij lachend. ‘Maar, werkelijk, joh: wat zijn die vrouwen hier aan het doen, wat is Marleen aan het doen? Die blonde komt en gaat, en nu schuift Inge ineens de trap af.’
‘Volgens mij is het zo, dat Marleen een privé leven heeft en dat wij daar niets mee te maken hebben’, merkte Jasmijn op. ‘Ze hoeft in elk geval tegenover mij geen enkele verantwoording af te leggen over wat ze doet en met wie en hoezo.’
‘Dankjewel voor deze wijze woorden.’
Marleen kwam de trap af. Ze zag er marginaal fitter uit dan Inge, hoewel ook zij door de mangel gehaald was.
‘Wijze woorden’, herhaalde Haaye, ‘maar dat neemt niet weg, dat we er wel over kunnen roddelen. Ik moet per slot van rekening ook de dag door komen.’
‘Daar heb je Dostojevski voor. Pffff, wat een avond.’
Ze ging in de fauteuil zitten en steunde haar hoofd tegen haar hand. Haaye schonk een mok water voor haar in en beval haar dit achter elkaar op te drinken. Toen ze hem de lege kop terug gaf, zei ze:
‘Ing en ik waren wat aan het drinken aan de gracht...’
‘Het was een mooie avond ervoor’, zei Jasmijn knikkend.
‘...en toen hadden we trek in een sigaret.’
‘Werkelijk?’, vroeg Haaye verbaasd. ‘Ik heb meestal trek in een stukje oude kaas als ik drink.’
‘Vandaar dat jij er zo gezond uit ziet’, zei Marleen. ‘Dus Ing ging naar Aarnoud om een sigaretje te halen en kwam terug met een sjekkie van Roy.’
Haaye begon al te grinniken. Jasmijn keek van de één naar de ander. Ze wist dat Aarnoud de bar aan de overkant had, maar Roy zei haar niets.
‘Roy’, begon Marleen haar uitleg, ‘is de kok van het restaurant en hij heeft altijd kruidige sigaretjes.’
‘Ik neem aan, dat je geen majoraan bedoelt?’
Hoewel het een vraag was, kon Jasmijn het antwoord al raden. Marleen schudde het hoofd, merkte direct dat ze dit vandaag achterwege moest laten, en zei:
‘Inderdaad. Ik zei nog tegen Inge, dat ze niet meer moest drinken, want hoewel ik geen kenner ben wat wiet en al die dingen betreft, weet ik wel, dat het éen niet met het ander samen gaat. Maar toen we op “Slash Dot Dash” gedanst hadden, die in de tent van Aarnoud werd gespeeld, had Ing dorst als een baal stro en zette de fles whiskey aan de mond. Daarna ging het fout: ze kotste in de gracht en was misselijk als de pest. Ik wilde haar niet alleen laten dus heb haar mee naar boven genomen. Je weet hoe dat gaat als je gekotst hebt: je voelt je daarna goed. Ing wilde een pizza. Het was inmiddels na twaalven dus in plaats van een pizzeria te bellen, hebben we er eentje uit de diepvries gehaald en opgewarmd. Toen die klaar was, lag ze op de bank te slapen. Ik heb toen een punt of twee gegeten en ben naar bed gegaan. Ergens halverwege de nacht hoorde ik haar weer overgeven en daarna was het stil.’
‘Beetje zonde om zo te moeten eindigen’, merkte Haaye op. Marleen grijnsde breeduit.
‘Het was het meer dan waard’, zei ze. Hij gaf haar een mok koffie en een aspirine. Ze nam de aspirine in met de koffie en stond op. ‘Ik ga effies terug naar boven. Rustig aan, jullie.’
‘Wij?’, zeiden Haaye en Jasmijn tegelijk en schoten in de lach.
‘Eigenlijk zou ik jullie moeten ontslaan’, bromde Marleen toen ze de trap op liep, ‘maar helaas mag ik jullie wel.’
‘We zijn best lief als je ons leert kennen’, zei Jasmijn, naar haar omhoog kijkend toen ze onder de trap door liep.
‘Jij misschien’, was de reactie, ‘maar van hem ben ik niet zo zeker.’ Ze nam een slok koffie. ‘En ik ben er voor niemand’, vervolgde ze voordat ze naar boven verdween.
De verdere ochtend kabbelde rustig voorbij. Haaye zat lezend in zijn fauteuil en rekende de boeken van klanten af. Jasmijn was met de index bezig, zette de boeken die zij in het register had vastgelegd in de schappen achter haar, en meneer Van Zanten pakte in zijn hoek het volgende boek van de planken om te lezen.
Aangezien het drukker was dan normaal, had Jasmijn een moment lang niet door, dat er iemand onderaan de trap stond en naar boven keek. Pas toen ze dit vanuit haar ooghoeken opmerkte dat een hand naar de sluiting van de ketting ging, keek ze op en zag Sonia.
‘Hee’, riep ze om haar aandacht te krijgen. ‘Marleen is er voor niemand.’
‘Oh, en jij denkt dat jij haar persoonlijke waakhond bent?’
‘Nee, maar wie denk jij wel dat jij bent?’
‘Ik ben Marleen’s vriendin.’
Ze knipte de sluiting open en nam een stap de trap op. Jasmijn stond op en trok haar aan haar jasje omlaag, terug met beide voeten op de vloer, en sloot de ketting achter haar.
‘Je bent een vriendin van Marleen, meer niet’, zei ze. ‘En als ik nee zeg dan is het nee.’
Sonia ging vlak voor haar staan. Jasmijn was kleiner dan zij maar niet onder de indruk van de grote blauwe ogen die indringend in de hare keken. Bij het bureau hielp Haaye de nieuwsgierige klant bij de kassa zo vlot mogelijk om hem de winkel uit te krijgen.
‘Wil je er iets van maken?’, vroeg Sonia toe.
Zonder haar blik van de ogen voor haar vandaan te halen, schoot Jasmijn in de lach.
‘Als je denkt indruk te maken’, zei ze, ‘zit je er naast.’
‘Ik kan je met een vinger omver duwen als ik dat wil.’
‘Oeee, da’s sterke taal. Ik kan met éen vinger het nummer van de politie bellen.’
Deze opmerking zorgde ervoor dat Sonia een stap terug nam.
‘Je mag blij zijn, dat ik wat anders te doen heb’, zei ze. ‘Ik kom later wel terug.’
‘Ik mis je nu al’, zei Jasmijn lieflijk tegen de vertrekkende rug en lachte toen ze een vinger hiervoor terug kreeg. Met Sonia en de klant uit de winkel, liep Haaye naar Jasmijn toe.
‘Wat is het met de vrouwen hier vandaag?’, vroeg hij. ‘Hebben jullie allemaal kue klappies gegeten?’
‘Mooie woordspeling’, complimenteerde ze hem. ‘Dat wijf heeft iets, dat ik niet vertrouw. En Mar heeft gezegd, dat ze er voor niemand is en bij mij is iedereen niemand.’
‘Wat als ik naar boven wil?’
‘Probeer maar.’
Hij keek haar lang aan en schudde het hoofd.
‘Ik heb je net bezig gezien en bedank hier voor. Je bent werkelijk een waakhond.’
Hij liep terug naar de kassa. Ze pakte een boek en sloeg het open. Met haar hoofd over het titelblad gebogen, dacht ze na. Sonia was overdreven snel vertrokken toen ze over de politie begon. Misschien was dit een gezonde weerstand tegen de politie zoals zij dit zelf eveneens had, of misschien was het iets anders. In elk geval was het niet haar probleem.
Ze las de titel en schreef deze op.
24.
‘Hoe was de sauna?’, vroeg Jasmijn bij binnenkomst. Ze nam Lotte in haar armen voor een kus.
‘Heerlijk. Net wat ik nodig had na zo’n drukke week in Duitsland.’ Met haar wijsvinger wreef ze over Jasmijn’s wang. ‘Er was nog plek in het hotel wat wel lekker was, omdat we dan niet de stress van het naar huis rijden hadden. Leuk hotel; zal jou ook wel bevallen. Ruime kamers, in het midden van niks, dus geen herrie. Wil je wat drinken?’
‘Een glas water, graag.’
Lotte liep naar de keuken en pakte een longdrink glas uit de kast.
‘Hoe was het vandaag?’, vroeg ze. Ze liet het water een paar seconden in een dikke straal lopen en vulde hierna het glas.
‘Zo’n vast dagje: Inge kwam vanmorgen met een kater de trap aflopen en had de nacht bij Marleen doorgebracht, en wat later kwam Sonia, die wulpse blonde die een oogje op Marleen heeft, en die heb ik gedreigd met de politie erbij te roepen. Marleen en Inge hebben op “Slash Dot Dash” midden in de nacht langs de gracht gedanst na een kruidig sigaretje gerookt te hebben...’
‘Dus niets bijzonders’, onderbrak Lotte haar, ‘althans, niet naar jullie maatstaven.’
‘Inderdaad.’
‘En dan te bedenken dat boekliefhebbers als stoffige mensen worden gezien.’ Ze schudde het hoofd. ‘Ik heb overigens een breng chineesje besteld en ze komen om half zeven langs.’
‘Je bent geweldig.’ Jasmijn ging onderuit op de bank en zette haar voeten op tafel. ‘Was dat kleine kreng van Tillie ook mee naar de sauna?’
‘Gelukkig niet. Die was bij haar ex ondergebracht.’ Lotte ging naast haar op de bank zitten. ‘Anders hadden we geen hotel geboekt, althans, had ik een excuus gezocht om naar huis te gaan.’
‘Heb je daarvoor een excuus nodig? Ik dacht dat het verlangen om naast mij te liggen genoeg was.’
‘Die tijd zijn we voorbij, schat’, zei ze met een knipoog. ‘Hee, trouwens: ik wist niet dat je een jeugdfoto had.’
‘Jeugdfoto?’
‘Op tafel bij de iMac.’
‘Oh dat. Nee, joh, dat ben ik niet; dat is een foto die die vrouw heeft gegeven die dacht dat ze mij van vroeger kende.’
‘Werkelijk?’, vroeg Lotte verbaasd. ‘Ik zou toch zweren dat jij dat was.’
Ze stond op en haalde de foto erbij. Na deze aandachtig bestudeerd te hebben, zei ze:
‘Weet je het zeker?’
‘Lees de achterkant maar.’
Ze draaide de foto om.
‘Marjolein, Belletien en Puffer.’ Ze keek weer naar de foto. ‘Dus jij bent Belletien.’
‘Ik ben Jasmijn.’
‘Ja...’ Ze hield de foto voor haar op. ‘Ik kan me voorstellen dat, hoe heet ze, die Marjolein dacht dat jij Belletien bent, want...’ ze wees naar een plekje op het gezicht van het donkerharige meisje ‘...zij heeft ook zo’n klavertje naast het oog.’
‘Meen je dat?’
Jasmijn pakte de foto van haar over en zette haar leesbril op. In eerdere instanties had zij louter vluchtig naar de drie op de foto gekeken; alleen de hond had zij meer aandacht gegeven. Lotte wees naar het plekje dat ze bedoelde en haar ogen zoomden hier op in. Ze hield de foto dicht bij haar gezicht en vernauwde de ogen om scherper te kunnen zien. Het was waar wat Lotte had gezegd: er zat een moedervlekje in de vorm van een klavertje naast het oog van het meisje, precies zo eentje zoals zij zelf had.
‘Maar’, begon ze en stopte. Ze schudde het hoofd en gaf de foto terug. ‘Toeval’, zei ze uiteindelijk.
‘Toeval’, herhaalde Lotte.
‘Ik hoor aan jouw stem dat je mij niet gelooft.’
‘Ik geloof jou altijd, maar ik geloof niet in toeval. Dat kind heeft zelfs dezelfde vorm mond als jij.’
‘De meeste monden lijken op elkaar.’
‘Ik ken jouw mond beter dan jij het kent’, bracht Lotte er tegenin. ‘Je moet eens weten hoe vaak ik naar je heb gekeken als je sliep of in de keuken bezig was. Ik ken elk hoekje en gaatje van je, vanaf je poezelige kleine teentjes tot aan het kruintje van jouw haar, en dit kind in de foto lijkt meer op jou dan jouw spiegelbeeld.’ Ze bedacht zich dat dit een mooie zin was om in een roman te gebruiken.
‘Okee, goed’, zei Jasmijn. ‘In plaats van hier tegenin te gaan, zal ik van de premisse uitgaan, dat ik Belletien ben. Of andersom.’
‘Doen we.’
‘Waarom weet ik hier niets van?’ Ze hield de foto op.
‘Dat is een goede vraag.’
‘Je klinkt als een politica die niets beters te zeggen heeft’, merkte ze op.
‘Het is natuurlijk zo...’, begon Lotte toen de bel van de buitendeur klonk. Ze stond direct op. ‘De chinees. Zet jij de borden alvast klaar?’
Ook Jasmijn stond op en pakte borden uit de kast en een aantal lepels. Ze haalde een blikje Warsteiner uit de koelkast, opende deze en nam er een slok uit.
‘Hoeveel mensen verwacht je?’, vroeg ze toen Lotte met een overvol plastic tasje de keuken in liep.
‘Jij, ik en Belletien’, was het antwoord. ‘Scheppen we in de keuken op?’
‘’sGoed. Ga maar zitten dan doe ik dat wel. Sambal?’
‘Niet te veel.’
‘Mmh’, bromde Jasmijn na een blik in de tas. ‘Maar één zakje sambal. Het wordt tijd voor een andere chinees.’
‘Dit is één van de weinigen die ook brengt. Er staat een pot sambal oelek in de koelkast.’
‘Geen badjak?’
‘Keine Ahnung. Jij bent degene van de keuken.’
Lotte ging zitten terwijl Jasmijn in de keukenkastjes keek. Na de derde kast besloot ze om de sambal uit de koelkast te nemen.
‘Hee, maar wat ik wilde zeggen’, vervolgde Lotte: ‘Het is zo, dat jij geen jeugdherinneringen hebt, dus misschien is dit wel een herinnering; een herinnering van iemand anders waarin jij meespeelt.’
‘Goed, als dat zo is, waarom staat er dan niet Jasmijn maar Belletien?’
‘Ehmm, het kan zijn, dat één van die opvanggezinnen jouw naam heeft veranderd.’
‘Da’s mogelijk’, gaf ze toe. ‘Maar waarom?’
‘Dat zou je aan die mensen moeten vragen.’
Jasmijn bracht twee rijkelijk gevulde borden naar binnen. Ze pakte een servetje erbij en ging op de bank zitten.
‘Eet ze’, zei ze.
‘Jij ook.’ Het was tijdens de eerste paar happen stil. ‘Waarom heb je trouwens geen jeugdherinneringen?’
‘Vanwege een trauma’, antwoordde ze en trok de schouders op. ‘Volgens de artsen tenminste. Ik kan me pas dingen herinneren vanaf het moment dat ik dertien, veertien was, en dan ook maar schaars. Er is zoveel heen en weer geschuif in mijn jongere jaren geweest, dat alles is samengesmolten tot één ondoorzichtige brij. Vandaar de medicatie.’
‘Vraagje: als je daar mee stopt, zou het in jouw hoofd dan helderder worden?’
Nog voordat Lotte was uitgesproken, schudde Jasmijn al het hoofd.
‘Ik heb het verschillende keren geprobeerd’, zei ze, ‘en aanvankelijk lijkt het dat het in mijn hoofd wat helderder wordt. Maar na twee dagen komen angstbeelden tevoorschijn en die zijn zo ingrijpend, dat ik niet meer durf te slapen.’
‘Wat voor angstbeelden?’, vroeg Lotte. ‘Kun je ze beschrijven?’
Het was voor het eerst sinds hun samenzijn, dat Jasmijn hierover openlijk sprak. In het verleden trok ze de schouders op, mompelde wat en begon over een ander onderwerp. In de regel vroeg Lotte dan niet verder.
‘Het is moeilijk te omschrijven.’ Ze nam een paar slokken bier en veegde haar mond met de knokkel van haar wijsvinger droog. ‘Vaak sta ik op een grote vlakte, helemaal alleen, geen mens in de buurt. Er is dan een onbeschrijflijke leegte in mijn lichaam. Zo’n gevoel van verlaten te zijn en niemand te kunnen bereiken.’ Ze glimlachte een moment meewarig. ‘Ik zei net dat het onbeschrijflijk was, want ik kan het werkelijk niet goed uitleggen.’
‘Ga maar door; ik volg je wel.’
‘En als er dan mensen komen’, vervolgde ze na een stil moment, ‘kan ik ze niet bereiken en dit vergroot dat verlaten gevoel in mij alleen maar. Het is niet alsof ik genegeerd word, maar ik kan hen niet bereiken en zij mij niet.’
Ze nam een hapje eten maar kon er niet meer van genieten. Het bord rustte op haar dijen. Ze leunde tegen het rugkussen en hield het blikje bier tussen haar handen.
‘Herken je die mensen om je heen?’, vroeg Lotte zacht.
‘Niet en toch ook weer wel. Sorry’, zei ze met een lachje, ‘een niet werkelijk duidelijk antwoord, maar zo is het. Het vreemde is, dat er ook altijd een hond door deze ehmm droom, laat ik het zo noemen, rent, en die hond lijkt enorm veel op de hond in de foto. Toen ik de naam Puffer las, verbaasde het mij niet dat die hond zo heette. Dat is namelijk de enige naam die in de droom voorkomt.’
‘Wauw, da’s best heftig.’
Lotte zette haar bord op haar voetenbankje en die van Jasmijn ernaast.
‘Het duurde even voordat ik me dit realiseerde, maar des te meer ik naar de hond keek, des te duidelijker het werd.’
‘Het is niet zo, dat je de hond die je in die droom ziet hebt aangepast naar de hond in de foto?’
‘Is natuurlijk ook mogelijk’, gaf Jasmijn toe. ‘Maar de naam...’
Ze schudde het hoofd, niet om te ontkennen, maar om het beeld eruit te krijgen dat er doorheen liep.
‘De ik in mijn droom roept die naam namelijk naar de hond. De hond wil naar mij toe komen, maar dat lukt hem niet, omdat er telkens wat tussenkomt -je weet hoe dat gaat in dromen. En dit vergroot de leemte, de leegte, de eenzaamheid. Eenzaamheid omschrijft de geladenheid van het gevoel, dat ik op dat precieze moment meemaak, niet helemaal. Ik denk dat leemte het juiste woord hiervoor is.’
Ze draaide zich een kwartslag en trok een been onder zich. Ze keek naar Lotte, zag haar vertrouwde ogen terug kijken. Als ze haar niet had, zou zij haarzelf inmiddels van kant hebben gemaakt om aan de ondraaglijkheid van het bestaan te kunnen ontsnappen. Lotte mocht dan niet die leemte in haar volledig weg kunnen halen, ze maakte het leven wel meer dan draagbaar, leefbaar eigenlijk. Ze zuchtte diep en zei:
‘En er zijn constant stemmen in mijn hoofd, zelfs met de zware medicatie die ik gebruik.’
‘Herken je de stemmen of wat ze zeggen?’
‘Nee. Het is een Babylonisch gebabbel, een hoop gekrakeel, en iedereen bemoeit zich met iedereen, behalve met mij. Zelfs in mijn eigen hoofd word ik genegeerd.’
Ze stond op en zette de tv aan, gevolgd door de radio, ging toen naar de computer om een muziekje aan te zetten. En alles luid. Lotte deed de handen over haar oren en keek met toegeknepen ogen naar Jasmijn, die onverstoord in het midden van de kamer stond. Na een twintigtal seconden zette ze alles uit en ging weer zitten en zei:
‘Dit is zo’n beetje hoe het dag en nacht in mijn hoofd aan toe gaat. Ik zou graag eens een moment rust willen hebben, één momentje maar.’
‘Ahhh, arme schat.’ Lotte trok haar naar haar toe en kuste haar voorhoofd. ‘We gaan er iets aan doen. Ik weet nog niet wat, maar we gaan er voor zorgen dat ook dit uit jouw leven verdwijnt. Ik ben in elk geval blij dat je het mij hebt verteld.’
‘Het heeft even geduurd’, merkte Jasmijn vanonder de omhelzing op.
‘We hebben de tijd, lieverd’, zei Lotte. ‘Want anders dan de mensen in jouw droom en jouw hoofd, ben ik degene die altijd bij jou blijft en je nooit zal negeren.’
‘Een zwaar woord: nooit.’
‘Ik kan het dragen.’
25.
‘Ik laat mezelf wel uit’, zei Sonia toen Marleen opstond om haar naar beneden te begeleiden.
Met snelle stappen liep ze de trap af en nam de laatste drie treden met een sprong. Ze opende de buitendeur en riep naar boven:
‘Zal ik van het weekend langskomen om wat te eten voor je te maken?’
‘Heel lief van je, maar ik heb het druk.’
‘Okee. Dag dan.’
De deur werd dichtgetrokken en Marleen kon weer ademen. Ze liep naar beneden om de deur op slot te doen en met de sleutelbos bengelend aan haar wijs- en middelvinger ging ze terug naar boven.
Sonia had vlak voor sluitingstijd voor haar deur gestaan. Marleen had van Haaye gehoord, hoe Jasmijn haar eerder die dag de winkel had uitgewerkt en gniffelde hierom. Maar om vijf voor zes kwam ze binnen wandelen. Ze was te moe geweest om tegen te spartelen toen Sonia voorstelde wat te gaan drinken. In plaats van weg te gaan, had zij geopperd dat ze boven een drankje konden delen. Sonia was direct de trap op geklommen en stond al mixend in de keuken toen zij boven kwam. Ze liep door naar de woonkamer en zette de balkondeuren verder open. Het was klam. Het zou haar niet verrassen als er later op de avond een donderbui kwam.
Sonia bracht de twee glazen binnen en ging tegenover haar zitten. Ze overhandigde er eentje aan Marleen en hief haar glas.
‘Op jou’, zei ze.
‘Hoe dat zo?’
‘Zomaar’, zei ze, schouderophalend. Ze nam een slok en zette het glas terug. ‘Drink jij niet?’
‘Zometeen.’ Marleen zette het glas op tafel. ‘Ik ga dadelijk eerst wat eten.’
Ze voelde zich nog wat gammel na de avond ervoor.
‘Zal ik wat eten maken voor je?’, stelde Sonia voor.
‘Lief van je, maar ik doe het zometeen zelf wel.’ Ze waren stil. ‘Kwam je voor een speciaal iets of...?’
‘Nee, zomaar. Ik wilde je zien.’
Marleen knikte. Sonia had haar intussen gezien dus wat haar betrof, kon ze nu weer haar huis uit.
‘Ik heb nog veel te doen vanavond’, hintte ze uiteindelijk.
‘Ik begrijp het.’
Sonia stond op en liep de kamer uit.
Toen zij was verdwenen, maakte Marleen een boterham met pindakaas en ging hiermee naar de woonkamer. Er waren momenten in het leven, dat er niets boven een bammetje pindakaas ging.
Ze belde Inge om te vragen hoe het met haar was en omdat er niet werd opgenomen, sprak ze een kort berichtje in. Met een zakje borrelnootjes als gezelschap ging ze op de bank zitten en zette de televisie aan. Terwijl ze van de ene zender naar de andere knipte, liet ze het geluid uit en ploegde van reclame naar reclame, van de ene slechte Amerikaanse serie naar de volgende, om uiteindelijk de tv maar weer uit te zetten. Ze zwaaide haar benen op de bank en maakte het zich gemakkelijk. Starend naar het plafond dacht ze aan niets, alleen dat ze blij was dat ze deze dag achter zich kon laten. Het was doorploegen geweest. Op haar leeftijd ging bijkomen van een dronken nacht niet meer zo gemakkelijk. Ze grinnikte bij de gedachte hoe zij en Inge langs de gracht hadden gedanst. Het was lang geleden dat zij zo’n onverbloemde lol had gehad met iemand. Wat dat betrof was Inge een goede vriendin die net zo gek was als zijzelf.
Ze herinnerde zich het glas drinken dat Sonia voor haar had gemaakt en reikte er naar, maar het stond te ver weg. Ze had er geen behoefte aan om van haar gemakkelijke plek op te staan voor een slokje. Zonder er erg in te hebben, viel ze in slaap. Eerst voelde ze zich soezelig worden waarbij een loom gevoel in haar ledematen kroop, om na deze korte aanloop volledig weg te zinken in een droomloze slaap.
Veel later werd ze wakker door het kraken van het parket in de woonkamer. Nog groggy van de slaap kwam ze overeind. Het was donker. Ze rilde van de avondkou die door de openstaande balkondeuren naar binnen sloop. Het kostte haar een tel zich te oriënteren waar ze was. Ze kwam langzaam overeind. Pas op dat moment bedacht ze zich, dat het kraken van de vloer haar had gewekt. Behalve zijzelf en haar ledematen, was er verder niets in huis dat spontaan kon kraken. Ineens heel erg wakker keek ze om zich heen en stond op om een licht aan te doen. Een brede vreemde hand vouwde over haar mond en haar armen werden op haar rug gepind. Ze had niet eens tijd om verrast te reageren. Haar ogen flitsten groot en angstig over de naar tabak ruikende vingers door de kamer heen.
De man die haar vasthield, zei wat tegen haar dat klonk als: “Gedjie est ksanka?”. Toen ze niet reageerde, herhaalde de man zijn zin. Vanachter de vingers vandaan mompelde ze “Muh-huh”. Het werd stil. Een stem vanaf de deur zei iets, waarop de man achter haar reageerde voordat hij tegen haar zei:
‘Where is the book?’
Hij liet zijn hand zakken. Ze hapte naar frisse lucht en vroeg in het Engels:
‘Wat voor boek?’
‘Het boek! Het boek van Szczot. Waar is het?’
‘Heb ik niet.’
Ze werd terug naar de bank gesmeten waar ze zich klein maakte. Ze was zich meer dan bewust van elke beweging die de mannen maakten, elke ademhaling. Eentje had een fluitend neusgat. Moest ze hen misschien geld aanbieden in ruil voor een boek waarvan ze het bestaan niet wist?
De twee waren onderling in gesprek. Ze spraken met korte zinnen. Hoewel ze de taal niet kon thuisbrengen, klonk het Slavisch. Heel omzichtig liet zij haar ogen van de éen naar de ander gaan. De man vlak bij haar stond met de rug naar haar toe. Hij was een spierbonk zonder nek. De andere bij de deur leek dik maar tezelfdertijd zeer gespierd. Hij droeg een jack en een donkere broek. Buiten trok een auto op. Het licht van de zwenkende koplampen gleed naar binnen en viel streepsgewijs door de luxaflex heen over het plafond. Het gaf net dat beetje extra licht waardoor ze zag, dat de man bij de deur een laag uitgesneden shirt droeg. Op zijn borst zat de bovenkant van een grote tatoeage van een Keltisch kruis. De auto reed weg en liet de kamer in het donker achter.
De man voor haar draaide zich om en beval haar op de grond te gaan zitten. Zonder hierover met hem in discussie te gaan, deed ze wat haar werd gezegd. Gewoon meewerken, was wat de politie altijd beweerde. Hij haalde een plastic kabelbinder tevoorschijn en bond haar polsen aan de tafel vast. Ditzelfde deed hij met haar enkels waarna de twee door de kamer heen liepen en vluchtig haar boekenkasten bekeken, geholpen door het licht van hun mobieltjes.
‘Do you have other books?’, vroeg eentje toen ze alle kasten waren langsgegaan.
Hij had een zwaar accent en ze kon nauwelijks uitmaken wat hij zei. Op goed geluk schudde ze het hoofd. De twee zeiden wat tegen elkaar en liepen hierna de kamer uit. Ze waren vertrokken voordat ze er erg in had.
Hoe lang ze bleef liggen, wist ze achteraf niet. Het was wachten of de mannen werkelijk weg waren of louter op de loer lagen om te zien wat zij zou doen. Terwijl ze daar lag, merkte ze in haar broek geplast te hebben. Het voelde klammig koud aan. Het plastic bandje zat strak aangetrokken en haar armen tintelden. Ze probeerde te gaan verliggen, een betere houding te krijgen en kreeg toen haar telefoon in de gaten, vlakbij op tafel. Met ingehouden adem luisterde ze of ze beneden gerommel hoorde. Alles was stil. Stukje bij beetje lukte het om haar handen wiebelend heen en weer langs de tafelpoot omhoog te schuiven. Bovenaan klemde ze de topjes van haar vingers om het tafelblad heen en schoof met haar kin de telefoon naar haar handen toe. Met haar duim drukte ze de thuisknop in. De telefoon kwam tot leven. Omdat het lang duurde voordat ze haar duim in de aanslag kreeg om in het systeem te komen, ging het weer uit. Ze kreunde geërgerd en probeerde het nogmaals, nu haar duim startklaar houdend. Bijna huilend van vreugde zag ze het startscherm. Met de zijkant van haar wijsvinger drukte ze op “Toetsen”, draaide toen met haar vingertopjes de iPhone een stukje, net zolang totdat haar duim bij de cijfers kon bereiken. Ze drukte 112 in en wachtte. Door de vriendelijke vrouwenstem aan de andere kant van de lijn te horen, viel een last van haar schouders. Ze gaf snel haar adres door voordat de mannen zouden terugkomen, en zei dat ze was overvallen en vastgebonden op de grond lag. Het rustige praten van de vrouw gaf haar een gevoel van vertrouwen dat alles goed zou komen.
De politie had binnen zeven minuten haar pand bereikt.
26.
Zachtjes stapte Jasmijn het bed uit. Ze pakte haar iPhone van het nachtkastje af, nam haar leesbril mee en ging naar de wc. Tijdens het plassen keek ze hoe het weer morgen zou zijn. Het was zeven voor half drie. Lotte en zij hadden heel de avond weggepraat en uiteindelijk waren ze doodmoe naar bed gegaan. Hoewel Lotte vermoedde eindelijk in de gedachtenwereld van haar vrouw toegang te hebben gekregen, had Jasmijn amper wat losgelaten. Ze had niet verteld hoe de stemmen in haar hoofd haar niet met rust lieten, hoewel ze haar wel buitensloten; alsof het scholieren waren die over een lerares roddelden en de klep dichthielden zodra deze binnen hoorafstand was. Ze had niet verteld over de geesten die haar najoegen en regelmatig haar dromen binnendrongen. Ze had niet verteld van het water dat haar aan alle kanten omringde zonder een uitweg te bieden, noch van de gesloten deuren die zij niet kon openen. Ze had niet verteld van het lichaam dat er lag, de omsluitende bergen, de steile hellingen en alle andere dingen die haar ’s nachts uit slaap hielden. Dit waren dingen die zij niet kon uitspreken, zelfs niet tegen die ene vrouw die haar leven leefbaar draaglijk had gemaakt en het uitzichtloosheid van het bestaan had weggewist. Sommige onderwerpen zouden ongrijpbaar worden als zij de vrijheid kregen.
Ze legde de telefoon op de wasbak en trok de wc door. Op hetzelfde moment werd er gebeld. Zonder te kijken, wist ze dat het Marleen was, omdat “Books from Boxes” van Maxïmo Park door de wc schalde. Ze nam snel op voordat heel de buurt wakker werd.
‘Hallo’, zei ze. ‘Wat bel je nog laat.’
‘Jasmijn Bendelof?’, vroeg de onbekende vrouwenstem aan de andere kant.
‘Inderdaad. Met wie spreek ik?’
‘Met de politie, agent José Venema.’
‘Is er iets met Marleen?’, vroeg ze verschrikt.
‘Mevrouw Valentina is vanavond in haar huis slachtoffer geworden van een overval. Zij is er gelukkig goed aan toe.’
‘Kut!’
‘U zegt het. Zij heeft morele steun nodig en kan momenteel niet alleen thuis blijven. Kunt u...’
‘Ik ben al onderweg.’
Ze verbrak de verbinding en stormde van de wc af. In de slaapkamer plukte ze haar kleding geluidloos van de dressgirl en liep de slaapkamer uit.
‘Wat ga je doen, lief?’, vroeg Lotte, juist toen ze een stap in de gang zette. Ze bleef staan, begon zich aan te kleden en zei:
‘De politie belde net: Marleen is overvallen.’
‘Wat?’
Was Lotte aanvankelijk nog loom van gedachten en lichaam geweest, dit nieuwtje schudde haar wakker.
‘Meer weet ik ook niet.’
‘Is er iets met haar gebeurd?’
‘De politieagente zei, dat ze in orde is. Goed aan toe waren haar woorden.’
‘Jezus Christus, wat is er daar allemaal aan de hand in die tent? Zei ze nog waarom Mar is overvallen?’
Hoofdschuddend zei Jasmijn:
‘Als ik dat wist...’ Ze ging terug de slaapkamer in om Lotte een kus te geven. ‘Ik zie je straks weer.’
‘’sGoed. Hou me op de hoogte. En...’, riep ze de vertrekkende rug na, ‘...neem een pepermuntje. Die knoflooklucht is niet te harden.’
Binnen dertig minuten en een halve zak zoute drop later parkeerde Jasmijn de auto voor de deur van de winkel. Ondanks het nachtelijk uur was er binnen volop licht. Ze liep de winkel in. Een jonge agent, zittend op de lage boekenkast, veerde op toen zij de deur opende. Verderop keek een man even om en vervolgde zijn werk.
‘Er is voor mij gebeld’, zei Jasmijn tegen de agent. ‘Jasmijn Bendelof.’
De knul keek haar aan alsof het niet tot hem doordrong wat ze zei. Hij had vlas onder zijn neus in een poging wat ouder te lijken dan hij in werkelijkheid was. Ze schatte hem op zeventien jaar; zo zag hij er tenminste uit. Hij glimlachte haar louter toe toen ze hem voorbij liep en de trap naar boven nam. Halverwege zag ze door de openstaande deur Schimmelpenninck. Naast de deur in de woonkamer was de achterkant van een politieagent zichtbaar. Agente zelfs, aan de bouw te zien. Ze nam de laatste paar treden en liep over de overloop naar het woonvertrek.
‘Hai’, groette ze iedereen terwijl haar ogen Marleen zochten. ‘Gaat ie, Mar?’, vroeg ze, haar jas uittrekkend.
‘Pffffff’, zuchtte Marleen uitgestreken.
Met de politie in de kamer, de rust die zij uitstraalden, was zij weer een beetje mens geworden. Ze had een joggingbroek aangetrokken en een sweater. Haar andere kleding lag op een hoop in de badkamer.
‘Ben je nu in staat om wat vragen te beantwoorden?’, vroeg de hoofdinspecteur. Hij had geduldig gewacht. Marleen knikte. ‘Vertel wat er gebeurd is.’
‘Ik, ehm’, begon ze aarzelend, nadenkend, ‘had afgesloten, was op de bank in slaap gevallen en werd wakker toen ik de vloer hoorde kraken. Nog half slaapdronken kwam ik overeind en werd vastgegrepen.’
‘Hoe werd je vastgegrepen?’
‘Eén van de mannen legde een hand over mijn mond, pakte mijn armen en drukte zich tegen mij aan zodat ik niet weg kon. Hij zei toen iets in een andere taal; het leek op een slavische taal.’
De wenkbrauwen van de hoofdinspecteur gingen omhoog bij deze laatste mededeling. Dit was de enige vorm van expressie die hij zichzelf toestond.
‘Weet je welke taal het was?’
‘Nuh-huh’, zei ze hoofdschuddend. ‘Even later zei hij in gebroken Engels, dat ik het boek aan hem moest geven. Ik heb geen idee welk boek hij bedoelde.’ Schimmelpenninck knikte. Jasmijn observeerde hem en verbaasde zich erover dat hij niet vroeg om welk boek het ging en of de mannen hierover verder nog iets hadden gezegd. Het was alsof deze informatie hem bekend was.
‘Daarna bond hij me aan de tafel en gingen ze mijn boekenkasten na. Uiteindelijk vertrokken ze.’
Ze schudde het hoofd en nam een slokje water. Het glas bleef tussen haar handen geklemd toen ze zei:
‘Hij noemde wel de naam van die overleden Pool.’ Ze grinnikte kort. ‘Het is de eerste keer dat ik hoorde, hoe die naam daadwerkelijk uitgesproken dient te worden.’
‘Waren het Polen?’, vroeg Schimmelpenninck.
‘Vermoedelijk. Ik weet het niet.’
‘Je weet het niet.’
‘Merkwaardig genoeg ben ik niet op de hoogte van slavische talen en klinkt voor mij Pools als Russisch als Hongaars. Sorry dat ik niet specifieker kan zijn’, zei ze geprikkeld.
‘Het was geen aanmerking’, zei de hoofdinspecteur bij wijze van excuus.
Er viel een stilte. De jonge politieman beneden kuchte.
‘Het is aannemelijk’, zei Marleen uiteindelijk, ‘dat het Polen waren.’
‘Kun je je herinneren wat hij precies zei, in het Pools dan wel?’
Tijdens het stellen van deze vraag, was Marleen al begonnen met langzaam haar hoofd te schudden.
‘Het enige dat ik heb onthouden’, zei ze’, is een woord dat als “ksanka” klonk. Het deed me namelijk denken aan Kafka en ik had het gevoel in een Kafkaësk schouwspel terecht te zijn gekomen, waarin ik geen idee had wat er gaande was.’
Ze zette het glas op tafel. Haar hand trilde. Jasmijn sloeg een plaid om haar schouders. Dankbaar glimlachte ze haar toe.
‘Vertel eens van deze dag...’ Schimmelpenninck nam tegenover haar plaats ‘...wat er allemaal is gebeurd. Is er iets geweest wat anders was dan normaalgesproken het geval is; dat soort feiten.’
‘Ik ben bijna niet in de winkel geweest’, zei ze. ‘Het is gisteravond, of eergister moet ik alweer zeggen, laat geworden en ik heb het grootste deel van de dag hier boven doorgebracht.’
‘Weet jij misschien iets meer te vertellen?’
De hoofdinspecteur richtte de vraag naar Jasmijn.
‘Het was dag als alle anderen’, antwoordde ze. ‘Niks bijzonders. Sonia kwam langs en wilde naar boven, maar dat heb ik voorkomen omdat Marleen had gezegd complete rust te willen.’
‘Sonia?’ Vragend keek de hoofdinspecteur van de één naar de ander.
‘Een kennis van me’, zei Marleen. ‘Ze is gisteravond nog langsgekomen maar was na vijftien minuten, hoogstens een half uurtje weer weg. Die telt niet mee in het verhaal.’
‘Nah’, begon Jasmijn en kuchte toen. ‘Sorry’, zei ze, haar hand ophoudend, ‘een droge strot.’
Ze ging naar de keuken om een slok water te nemen, waste een glas af en schonk het vol. Koud water drinken uit een warm glas was éen van die ongekende genoegens in het leven. Ze keek op haar iPhone. Het liep tegen half vijf. Een merel floot een zonnig melodietje om de dag aan te kondigen.
Ze zette het glas neer en liep terug naar de kamer.
27.
‘Hai.’
Zodra hij Jasmijn uit de kelder zag komen, stond Haaye op om koffie voor haar in te schenken. Ze hield, echter, haar hand omhoog. Vanaf het moment dat ze midden in de nacht in de winkel was aangekomen, had ze niets anders gedaan dan koffie drinken.
‘Hoe is het?’, vroeg hij, ging weer zitten, en vervolgde: ‘En wat is het?’
‘Je hebt al wat meegekregen wat er gebeurd is?’
Ze nam op de boekenkast plaats. Hij knikte en zei:
‘Er zijn een paar knapen binnen gekomen die op zoek waren naar “het boek”, zoals met het uitdrukt, en hebben Mar vastgebonden aan de tafel achtergelaten.’
‘Dat is het zo ongeveer.’
‘En de politie heeft jou ondervraagd.’
‘Klopt. Onze Schimmel wilde meer over Sonia weten.’
‘Het zou me volstrekt niet verbazen als zij er meer over weet. Heeft Schimmel hierover iets losgelaten?’
‘Nu-uh. Maar hij was wel overdreven geïnteresseerd in haar.’
‘Niet op de manier zoals Marleen dat is, mag ik aannemen.’
‘Marleen is niet geïnteresseerd in Sonia op de manier van jouw aanname. Heb je, trouwens, iets te eten? Ik ben sinds, wat was ’t...?, een uurtje of drie wakker en heb nog niets gegeten.’
Hij pakte het broodje oude kaas dat hij voor zijn lunch had meegenomen en gaf het aan haar.
‘Is er iemand bij Mar?’, vroeg ze toen.
‘De politieagente is vertrokken toen ik binnenkwam. Als Sonia er niet is dan is er niemand.’
‘Je bent ook zo’n cynische kater’, zei ze tegen hem en ging door naar boven. Ze vond Marleen aan de keukentafel, een bak koffie in de hand, en ging tegenover haar zitten.
‘Hoe is het met jou?’, vroeg ze.
‘Goed, gezien omstandigheden.’
Ze rustte haar ellebogen op tafel, de mok koffie op mondhoogte tussen haar handen geklemd. Ze keek door het raam naar buiten waar de blauwe lucht over de huizen heen hing.
‘In eerste instantie was ik doodsbenauwd’, zei ze zonder haar blik van buiten af te nemen, ‘toen ik vastgebonden op de grond lag. Ik heb zelfs in m’n broek gepiest van angst. Daarna werd ik bloedlink over wat er allemaal gebeurd is de laatste paar weken, en dat gevoel wil ik blijven vasthouden.’
Ze haalde haar ogen van het buitengebeuren af en keek Jasmijn aan.
‘Er wordt op een vreselijke manier met mij gesold en dat pik ik niet. Van niemand.’
‘Je hebt helemaal gelijk.’
Knikkend stopte het laatste stukje brood in haar mond. Ze had nog honger.
‘Ik heb een beetje door hoe het spelletje in elkaar steekt’, zei Marleen bijna als achteraf gedachte.
‘Ik ook’, bevestigde Jasmijn.
‘Al langer?’, vroeg ze, haar strak aankijkend.
‘Nee. Alleen vermoedens, maar complete volkeren zijn vanwege uitgesproken vermoedens uitgeroeid, dus daar geef ik niet aan toe. Het viel me alleen op, dat telkens als jij in contact met Sonia was geweest...’
‘...dat ik de andere dag van de wereld was’, vulde Marleen aan. ‘Helaas duurde het bij mij iets langer om tot dit besef te komen, maar ik ben er gekomen.’
‘Dat is het belangrijkste.’
‘Ik moet je eerlijk bekennen, dat ik me toch wel gevleid voelde door haar aandacht. Ze is een goed uitziende vrouw.’
‘Als je van dat type houdt’, merkte Jasmijn op. ‘Heb je wat te eten in huis? Ik sterf het af.’
‘Kijk maar in de koelkast. Het is ook niet mijn type, Sonia, maar... ach, mijn ijdelheid was wel gestreeld. Ik ben midden vijftig en als dan iemand die twintig jaar jonger is mij probeert het hof te maken, man of vrouw...’
De rest van de zin liet ze ongezegd. Jasmijn pakte kaas uit de koelkast en het stuk komkommer dat er lag, en sneed een paar sneden brood op het aanrecht.
‘Weet je, Mar’, zei ze, ‘je bent midden vijftig maar je bent een heerlijk mens en je ziet er schitterend uit.’ Ze zette het brood op tafel tussen hen in en ging weer zitten. ‘Het is omdat ik nogal weg ben van mijn vrouw’, vervolgde ze met een scheef glimlachje, ‘anders zou ik heel erg mijn best doen om jou in te palmen.’
Marleen grinnikte om haar uitspraak.
‘Dat is een prettig compliment om te ontvangen’, zei ze.
‘En eentje die gemeend is.’
‘Dank je. En nog bedankt dat je midden in de nacht hier naartoe bent gekomen. Ik wist niet wie ik anders zou kunnen bellen.’
‘Is prima. Graag gedaan.’
‘Mijn zus woont namelijk in Italië en de enige tante die ik rijk ben, woont in Bonn. Dus eer één van hen hier is...’
‘Graag gedaan’, herhaalde Jasmijn. Tijdens het eten van de tweede boterham begon ze weer een beetje mens te worden. ‘Volgens Schimmelpenninck zijn die twee kloothommels van gisteravond dezelfde lui die de Pool hebben omgebracht.’
‘Klopt.’ Ze knikte. ‘Eén van die twee had de tatoeage van een Keltisch kruis op zijn borst en pas later, toen ik wat tot rust was gekomen, kon ik me herinneren dat jij dit ook had gezien toen die gasten door de straat renden. Weet je misschien naar wat voor boek zij op zoek zijn?’
‘Helaas.’
‘Je moet wel een enorme bibliofiel zijn om een bepaald boek koste wat het kost te willen bemachtigen’, merkte ze met een dosis ironie op.
Jasmijn grinnikte en stond op.
‘Ik ga effies het thuisfront bellen’, zei ze, ‘zodat Lotte zich niet onnodig zorgen maakt. Rustig aan, jij.’
Met een stuk komkommer in de hand ging ze terug naar beneden.
28.
‘Gelukkig dat alles goed is met Marleen’, zei Lotte nog maar eens. Ze lag languit onderuit op de bank, het hoofd rustend op Jasmijn’s schoot en voelde de vingers van haar vrouw door haar haar strelen. Even keek ze omhoog en knipoogde toen Jasmijn haar blik beantwoordde. ‘Overigens heb ik nog eens nagedacht over ons gesprek van gisteravond’, vervolgde ze, ‘en ik dacht zo dat het misschien goed is als we wat meer over Belletien Quirijns te weten komen.’
‘Hoe en hoezo?’
‘Ook daar heb ik over nagedacht.’
‘Oeee, je hebt het maar druk gehad met denken vandaag.’ Ze grinnikte en nam een slokje van haar wodka.
‘Zekers. Ik heb zelfs meer gedaan dan alleen maar denken en ben op het net gaan zoeken naar die naam.’ Toen Lotte hierna lang bleef zwijgen, vroeg Jasmijn uiteindelijk:
‘En?’
‘Nada is de beste omschrijving hiervoor, hoewel niente, nulla en vacuo ook aardige omschrijvingen zijn.’
‘Niets?’
‘Dat is ook een goede’, gaf Lotte toe. ‘Maar totaal niets, lief.’
‘Nah. Jammer.’
‘Maar... Je kent me: niet voor één gat te vangen, niente buca, dus...’
‘Sorry, maar blijf je doorgaan met wat voor taal je ook bezig bent?’
‘Maffiataal.’
‘Okee, dan mag het. Ga verder.’
‘Waar was ik?’
‘Dus...’
‘Ah, dus toen had ik een idee: wat dacht jij ervan als ik een twitter account aanmaak met de naam Belletien Quirijns?’
‘Met de bedoeling dat...?’ Jasmijn keek naar het gezicht op haar schoot.
‘...dat mensen hierop reageren. Je weet maar nooit.’
‘Moet dat?’
‘Niets moet, lief, maar als je er zeker van bent dat je meer van BQ wilt weten, is dit misschien de beste manier om dit te doen. Geen facebook, want daar willen ze te veel informatie van je, maar BQ op twitter plaatsen met verder niet al te veel info, lijkt mij de juiste manier. Ik doe de foto die jij van hoeheetze hebt gekregen als avi. Misschien dat mensen reageren.’
‘Marjolein. Trouwens, zou Marjolein zelf niet meteen vrienden willen worden of hoe dat ook heet?’
‘En?’
‘Mmh, okee.’
‘En als er iemand reageert dan zien we daarna wel weer verder.’ Jasmijn steunde haar hoofd in haar hand. Ze voelde zich slaperig worden. Het was een lange dag geweest. ‘Weet je nog dat ik vertelde dat Tillie een nieuwe vriendin heeft?’
‘Huh?’ Lotte’s stem haalde haar uit haar soezelige staat. ‘Ik kan me dit niet herinneren.’
‘Jawel, joh. Dat was toen ze hier de laatste keer was, wanneer was dat, een week of drie, vier geleden.’
‘De screensaver in mijn hersens zal vast zijn aangegaan toen je over Tillie begon’, merkte ze op.
‘Ze is best lief.’
‘Vast. In elk geval wel tegen jou. Als ik in de buurt ben, kan ze het niet nalaten steken onder water te geven. En die zijn niet zo subtiel. Of lief.’
‘Zeg dan wat terug.’
‘Het is jouw beste vriendin en daar hou ik rekening mee.’
‘Da’s lief, maar jij bent mijn beste vriendin, Jas.’
‘In dat geval is zij jouw oudste vriendin dan. Het zou nog liever zijn als zij er ook eens rekening mee hield, dat ik jouw vrouw ben.’
‘Maar ze heeft nu een vriendin dus misschien wordt ze anders tegen jou.’
‘Wedje?’
‘Nee’, zei Lotte na een moment nadenken. ‘Laat maar. We zien wel.’
‘Valt het jou nou niet op, dat ze zo onaangenaam reageert op alles wat ik zeg of doe?’
‘Niet echt. Misschien ben jij er wat gevoelig voor.’
‘Hoezo gevoelig voor?’
‘Misschien zijn het dingen dat als iemand anders die zegt, dat je dan minder geprikkeld reageert.’
‘Ook dat is mogelijk’, gaf Jasmijn toe, ‘maar er is wel een gegronde reden waardoor dit is ontstaan. In de regel reageer ik mild tegen wie dan ook.’ Beiden waren stil. “Orinoco flow” speelde door de kamer. Ze bedacht zich, dat ze een speellijst van Lotte had aangezet. Ze zat nu echter te comfortabel om er iets aan te veranderen. ‘Maar moet ik iets met die informatie?’
‘Welke informatie?’ Lotte keek weer omhoog.
‘Dat Tillie een nieuwe vlam heeft.’
‘Oh nee, natuurlijk niet.’
‘Is het een blijvertje dit keer? Hoe heet die vriendin van haar eigenlijk?’
‘Rad.’
‘Red? Heeft Tillie een rooie aan de haak geslagen?’
‘Rad met aan a.’
‘Dus Rat.’
‘Je spreekt het uit als Rad op z’n Engels; het is namelijk een afkorting van Radclyffe.’ Jasmijn schoot in de lach.
‘Je meent het’, zei ze toen ze weer een beetje aanspreekbaar was na haar lange uithalen.
‘Reken maar’, zei Lotte grinnikend.
‘Got, Tillie heeft een vis aan de haak geslagen die ooit eens een slecht boek heeft gelezen en dat nu als haar bijbel gebruikt.’ Ze nam een slokje van haar drankje en hield het glas tussen haar handen, met haar duimen de condens wegvegend. De ijsblokjes waren zo goed als gesmolten. Na nog een slokje zette het glas terug op het tafeltje naast haar en zakte verder onderuit. De hele tijd in dezelfde houding zitten, maakte van haar kont een bijzettafeltje.
‘Mag ik jou naar alle waarschijnlijkheid iets merkwaardigs vragen?’, vroeg Lotte toen om na Jasmijn’s bevestiging te vervolgen: ‘Wat als jij nu werkelijk Belletien Quirijns bent? Nee, serieus, lief. Laten we wel wezen: dat kind op die foto is jouw jongere uitvoering, dus zo vreemd is mijn stelling niet.’
‘Voor zo lang ik weet, ben ik altijd Jasmijn Bendelof geweest’, merkte Jasmijn op.
‘Dat is juist het punt: je weet je niets te herinneren van voor jouw tiende jaar, en van jouw tienerjaren alleen maar schetsen. Ik bedoel, ik kan me nog voor de geest halen, dat ik op zondagmorgen steppend door de buurt ging en de bel van m’n step onafgebroken rinkelde omdat de mensen het bed uit moesten komen.’
‘De buurt moet zo blij geweest zijn met jou.’
‘Ongetwijfeld.’ Lotte grinnikte bij de gedachte. ‘Maar waar het om gaat, is dat ik zo’n vijf, zes jaar geweest moet zijn toen ik dit deed. Ik kan me herinneren, dat ik op de kleuterschool een tekening maakte van vogels in een boom en hartjes bij hun snaveltjes zette omdat dat in mijn beleving inhield, dat zij aan het fluiten waren. Hoe oud was is? Misschien vier jaar. Wat jij als vroegste herinnering hebt, is jouw eerste sigaretje waar je misselijk van bent geworden. Aannemende dat je niet in de tijd van Dickens bent geboren en dus niet op je achtste begon met roken, zal je misschien vijftien geweest zijn.’
‘Er is mij altijd verteld, dat ik door een trauma geen vroege herinneringen meer heb’, merkte Jasmijn op.
‘Ik weet het, lief, maar zou dat misschien iets met BQ te maken hebben? Was Bendelof niet de naam van dat pleeggezin waarbij je zat?’
‘Nee, die heten Peeters.’
‘Ach ja, da’s waar.’
Beiden vielen stil. Lotte had haarzelf ervan overtuigd, dat er een connectie moest zijn tussen haar vrouw en het meisje op de foto. Jasmijn, daarentegen, dacht dat het allemaal op een toeval berustte. Uiteindelijk zei Lotte:
‘Ik ga een twitter account opzetten en dan zien we wel weer verder. Laten we dat als uitgangspunt nemen.’
29.
‘Hoi. Is Marleen er niet?’
Jasmijn bleef bij binnenkomst bij het bureau staan.
‘Geen idee. Ik heb haar in elk geval nog niet gezien.’ Haaye legde zijn boek opzij en stond op. ‘Koffie?’
‘Straks maar. Ik heb net thuis op.’ Ze liep door naar haar tafel. ‘Is ze misschien nog boven?’
‘Ik heb niets gehoord’, antwoordde hij hoofdschuddend.
De twee keken elkaar zwijgend aan. Jasmijn zette haar tas op tafel en liep naar de trap om naar boven te gaan. Op datzelfde moment kwam Marleen via de voordeur naar binnen. Ze droeg een doos met bekers koffie en broodjes van de lunchroom verder in de straat.
‘Goedemorgen, luitjes’, groette ze. ‘Al weer aan het werk, of in elk geval aanwezig.’ Ze zette de doos op het bureau en begon de koffie uit te delen. ‘En een koffie voor meneer Van Zanten.’
Met de laatste beker in de hand en een papieren zak waarin een broodje zat, liep ze naar achteren.
‘Alstublieft, meneer Van Zanten’, zei ze tegen de man die rustig in een stoel zat te lezen. ‘Koffie en een versnapering. Ik hoop dat u van oude kaas houdt?’
‘Daar zeg ik geen nee tegen’, zei de man en bedankte haar hartelijk.
‘Ook broodjes voor jullie.’
Ze keek naar de letters op de zakjes voordat ze deze uitdeelde.
‘Waar kom je vandaan?’, vroeg Haaye.
‘Oee, je klinkt net als m’n moeder. Alleen had zij niet zo’n diepe stem. Ik ben bij Inge langsgeweest, als je het werkelijk wilt weten, en dacht dat het een goed idee was om mijn personeel te fêteren op een broodje zonder dat de Spaanse Inquisitie eraan te pas hoeft te komen.’
‘Sorry’, zei Haaye, ‘maar na wat er gebeurd is, ben ik wat bezorgd.’
‘Niet nodig, maar dankjewel.’
Ze gaf hem een moederlijk klopje op de bovenarm. Nu alle vriendelijkheden uit de weg waren, ging hij weer zitten en pakte zijn boek op, de koffie balancerend op de leuning van de fauteuil. Marleen pakte haar eigen koffie en broodje en ging naar boven.
Op een slinkse manier had ze de vraagstelling kunnen omzeilen en niet hoeven zeggen, dat ze de avond ervoor naar Inge was gegaan omdat het haar ineens benauwd werd om alleen in haar woning te overnachten. Ze hoopte dat dit geen blijvende angst was. In alle vroegte had ze een bedrijf gebeld dat gespecialiseerd was in inbraak beveiligde deuren. Zodra deze oude deuren waren vervangen, wist ze dat ze zich weer veilig in haar eigen huis kon rondlopen. Over de winkelruiten maakte ze zich geen zorgen, aangezien die al uit beveiligd glas bestonden. Alleen de deuren: die naar de winkel en de achterdeur in de smalle gang waar Haaye in de winter zijn fiets stalde en de vuilnisemmers stonden. De kosten ervan zouden een flinke hap uit haar spaargeld nemen, maar haar geborgenheid was dan in elk geval gewaarborgd en daar ging het om.
Ze was boos en vooral geërgerd, dat mensen zo makkelijk haar winkel konden binnendringen, zoals ze zich ook boos en geërgerd voelde, dat zij zich niet meer prettig kon bewegen in haar eigen omgeving.
Ze schrok op toen er op haar deur werd geklopt en Jasmijn om de hoek keek.
‘Sorry’, zei deze meteen. ‘Ik dacht om eerst te kloppen zodat je wist dat er iemand stond, maar het heeft geen positieve uitwerking, zie ik.’
‘Dat gaat vanzelf wel weer weg’, zei Marleen, de hand van haar borst wegtrekkend.
‘Er staan twee mannen beneden die een deur komen brengen.’
‘Klopt.’
Ze stond op om naar de winkel te gaan.
‘Ze zijn al bezig...’ Jasmijn’s woorden hielden haar tegen ‘...en dikke maatjes met Haaye die hen omkoopt met koffie.’
‘Dank je.’
Ze ging weer zitten. Jasmijn liet de deur los en liep verder de kamer in.
‘Gaat het een beetje met je?’, vroeg ze, plaats tegenover haar nemend.
‘Een beetje’, antwoordde Marleen. ‘Met de extra beveiligde deuren zal het nog beter gaan.’
‘Het is niet niks wat je hebt meegemaakt.’
‘Nee, je hebt gelijk. Ik kan wel doen alsof ik joie de vivre heb en dat ik zo makkelijk over het gebeuren heen stap, maar dat is helaas niet het geval.’
Ze wipte het dekseltje van haar koffiebeker en nam een slok, keek toen Jasmijn aan.
‘Gisteravond laat ben ik naar Inge gegaan om daar de nacht door te brengen. Het lukte me niet om hier te blijven. Heel de avond had ik een gejaagd gevoel.’
‘Verstandig dat je dat hebt gedaan’, zei Jasmijn knikkend. ‘Denk je dat de nieuwe deuren zullen helpen?’
‘Zeker weten. Ik heb vanmorgen pakweg een half uur met zo’n vakman aan de telefoon gehangen en dit zijn deuren die je niet in twee minuten openbreekt -als je als normale dief tenminste al een poging wilt doen om ze open te breken. Ik vermoed dat ik hierdoor weer m’n eigen leven kan oppakken.’
‘Da’s mooi. Het is makkelijk te zeggen dat je je leven niet door dat gespuis moet aanpassen, maar het voelt anders als je wat hebt meegemaakt.’
‘Inderdaad.’
‘Heb je intussen nog iets van Schimmelpenninck gehoord?’
‘Nee. Vreemd, eigenlijk, dat ze voor zoiets een hoofdinspecteur met zo’n naam in de strijd gooien.’
Jasmijn lachte om haar opmerking.
‘Sowieso een hoofdinspecteur in de strijd gooien is al vreemd’, zei ze, ‘maar dat vond ik al na de inbraak.’
‘En dat vanwege een boek?’ Marleen keek haar vragend aan.
‘Het schijnt, ja.’
‘Merkwaardig. Welk boek is zoveel waard, denk ik dan...’
‘Vooral in dit digitale tijdperk’, zei ze en stond op.
Terug beneden was Haaye bezig achter haar tafel boeken in de kast te zetten.
‘Ik weet niet of ze hier moeten’, zei hij met een blik over zijn schouder, ‘want dit zijn de boeken die we na de inbraak gered hebben.’
‘Oh, verrek: daar heb ik ook nog een stapel van.’ Ze liep naar hem toe en pakte een boek uit zijn handen. ‘Ziet er gaaf uit.’
‘Beetje plakband, he.’ Hij grijnsde om zijn eigen woorden. ‘Van sommigen heb ik de katernen opnieuw vastgezet, en van de wat minder interessante boeken de rug alleen maar gelijmd. Ik wil die van jou ook wel doen.’
‘Dank je, maar ik doe het zelf wel. Goede bezigheidstherapie.’
‘Dat is het zeker, maar het hakt wel in op m’n leeswerk. Wil je ze hier hebben?’
‘Zet maar neer dan loop ik alles nog een keer na.’
Ze ging aan haar tafel zitten en opende de index.