Pagina 42, deel 2
Deel 2
30.
Jasmijn draaide de A12 af en reed de Benoordenhoutseweg op. Het was heel lang geleden dat zij voor het laatst in Den Haag was geweest. Desondanks was de omgeving haar nog steeds bekend.
Bij het kruispunt aarzelde ze zoals voorheen ook altijd het geval was geweest: moest ze de Van Alkemade of eentje verder... Ze sloeg af en merkte dat ze de juiste weg had gekozen. Ze kruiste de Landscheidingsweg en reed in een rustig drafje door.
Haar handen zaten strak om het stuur en hoewel ze moeite deed de vingers te ontspannen, voelde ze hoe het bloed door haar aderen joeg. Ze keek in de achteruitkijkspiegel en liet een fietser voorbij gaan, sloeg daarna het harde zandpad op en reed langs de bomen naar het parkeerterrein. Ze plaatste de auto in het vak met de weggevaagde lijnen en bleef een aantal minuten zitten voordat ze de portier opende. Dit rustmoment had nauwelijks geholpen om haar zenuwen tot bedaren te brengen.
Naast de auto staand, bekeek ze het grote gebouw dat als een baken tussen de bomen stond. Ze had hier een flink aantal jaar van haar leven versleten, maar had het nooit thuis genoemd. Het was geen thuis; het was een plek waar ze getolereerd werd totdat men van mening was, dat zij goed genoeg was om deel te nemen aan de maatschappij.
De lage muur met de spijlen omheining dat erboven aan vastgenageld was, omringde het gehele Instituut Maaiborg. De tuintjes erachter waren voorzien van voorjaarsbloemen, eenjarigen; langer konden zelfs de planten het hier niet uithouden.
Op een krukje bij een pilaar zat een forse man. Hij had geen aandacht voor de omgeving; het schilderwerk waarmee hij zich bezig hield vergde al zijn aandacht. Het stuk dat hij had gedaan, zag er friswit uit. Naast zijn benen, beschermd door het muurtje, lag een opengeslagen krant waarop een pot verf stond met daarnaast een aantal kwasten rustend in een lege pot waarin ooit eens rode kool had gezeten. Een flesje peut stond onder de kruk, afgeschermd van de felle zonnestralen, alsook een draagbare radio die betere tijden had gekend en louter statisch geruis voortbracht.
Er was iets bekends aan de gebogen houding, aan het vlassige donkerblonde haar en zelfs aan de manier waarop de voeten bij de enkels onder het krukje over elkaar waren geslagen. Met een lichte aarzeling liep Jasmijn op hem af en zei vragend:
‘Willem?’
De kwast bleef bewegingloos in de lucht hangen terwijl hij de stem liet inzinken. Toen hij omkeek veranderde zijn gezicht van vragend naar verbaasd.
‘Jas?’, zei hij. ‘Dat is lang geleden.’
‘Zekers. Hoe gaat het met je?’
Ze stak haar hand uit om hem een klopje op zijn schouder te geven, maar herinnerde zich op datzelfde moment, dat hij er niet van hield aangeraakt te worden. Vlak bij zijn schouder trok zij haar hand terug.
‘Zoals altijd, he’, antwoordde hij, een hand over de plek vegend waar zij hem bijna had aangetikt. ‘Wat kom jij doen?’
‘Kijken hoe alles is.’
Ze leunde tegen de stenen pilaar. Hij hervatte het schilderen. Ze volgde zijn bewegingen. Er was iets geruststellends in de op en neer gaande streken van de kwast.
‘Je ziet er goed uit’, zei Willem zonder haar aan te kijken. Het verven trok al zijn aandacht.
‘Jij ook, jongen, ondanks dat je nog hier bent.’
‘Waar moet ik anders naartoe?’ Even keek hij naar haar voordat hij verder ging. ‘Er is hier alles wat ik nodig heb.’
‘Zolang je maar tevreden bent’, zei ze.
Ze keek van de kruin van zijn hoofd, het opwapperende haar in de ochtendbries, naar de strak in het gelid zittende ramen van het instituut.
‘Ik kom eens kijken hoe het met Maaiborg junior is.’
De vader van Maaiborg junior had het instituut gesticht. De zoon had na het overlijden van zijn vader de leiding overgenomen. Onder zijn leiding was Jasmijn hier gekomen. Wanneer wist ze niet meer, zoals er zo vele dingen uit haar verleden in haar hoofd verloren waren gegaan.
‘Maaiborg junior is lang geleden gestopt’, zei Willem.
‘Werkelijk?’
‘Je bent hier echt lang niet geweest’, merkte hij op, de kwast over het hek strijkend waar een stukje niet naar zijn zin was.
‘En wie heeft het van hem overgenomen?’, vroeg ze.
‘Karel Otter.’
‘Ah.’
Ze grijnsde tevreden. Dokter Otter was altijd goed voor haar geweest. Ze was blij dat hij nu met het scepter zwaaide. Dat zou alleen maar positief voor de patiënten zijn.
‘Maar die is twee jaar geleden overleden’, vervolgde Willem.
‘Meen je dat nou?’
‘Ja.’
‘Jeetje, zeg. Was het plots?’
Hij trok de schouders op. Dokter Otter was overleden; meer hoefde hij niet te weten.
‘Wie is nu dan hoofd van het instituut?’
‘Eelco Schippers.’
Bij het horen van deze naam keek ze een aantal seconden vol ongeloof naar de rug van Willem, boog toen het hoofd en sloot de ogen. Van alle competente mensen die het instituut had, vond men het om een voor haar duistere reden wijs de incompetente Eelco Schippers als directeur aan te stellen.
‘Eelco Schippers’, herhaalde ze zacht.
‘Eelco Schippers’, zei ook Willem nogmaals.
‘Hoe bevalt het, zo onder hem?’
Hij trok de schouders op. Het geruis van de radio werd hoorbaar. Ze keek van hem naar de façade van het gebouw, de bijna smetteloos witte muren, hoorde het gegons van stemmen van de mensen die op het grindpad liepen waar stenen onder hun slippers kraakten, hoorde het zwijgen van de vogels. Ze was 30 jaar geleden weggegaan maar de tijd was hier stil blijven staan. Voor mensen als Willem was dit goed. Hij leefde in zijn eigen wereld en elke verandering kon hem dagen uit zijn element brengen.
‘Is Eelco er?’, vroeg ze uiteindelijk.
Haar stem klonk zelfs haarzelf scherp in de oren, toen het de serene stilte doorbrak. Hij knikte.
‘Kom je gedag zeggen?’, vroeg hij.
‘Eelco bedoel je?’, vroeg ze, niet zeker waar hij op doelde. Hij knikte weer. ‘Niet specifiek. Ik wilde jou weer eens zien’, zei ze.
Het was een leugentje om bestwil, hoewel Willem de eerste persoon was aan wie ze had gedacht toen ze zich voornam naar het instituut te gaan.
‘En ook wil ik mijn persoonlijke dossier opvragen.’
Leunend tegen de pilaar volgden haar ogen de lange verfstreken over het hek. Dit, samen met de ruisende radio, bracht haar tot rust, veegde de naam Eelco Schippers naar de achtergrond. Een jongeman met gitzwart haar stond in het gras en keek haar richting uit. Zijn ogen waren donker, evenals zijn kleding. Een momentlang deed hij haar aan haarzelf denken, staand in de tuin, turend naar de wereld achter het hek; een wereld die haar uiteindelijk in haar midden had opgenomen.
‘Vijftien jaar en drie maanden geleden ben ik begonnen de dossiers op microfiches te zetten.’ Terwijl hij sprak, schilderde Willem door. ‘Ik heb het niet kunnen afmaken. Ze zijn ingescand en geditigaliseerd.’ Hij dipte de kwast in de blik verf. ‘Door die ditigalisatie heb ik mijn werk niet kunnen afmaken.’
‘Is dat erg?’
Willem knikte en herhaalde:
‘Ik heb het niet kunnen afmaken.’
Dingen die onaf waren, achtervolgden hem. Als hij een draai naar links maakte, moest hij er ook eentje naar rechts maken. Zo werd de cirkel compleet. Cirkels die niet compleet waren, hielden hem uit zijn slaap.
‘Je kunt ook wat je al gedaan hebt als een afgerond deel beschouwen’, merkte Jasmijn op. In het verleden hadden deze woorden een gunstige invloed op hem gehad. ‘Als je A tot en met D hebt gedaan, bijvoorbeeld, is dat een afgerond deel. Digitalisatie maakt nu eenmaal onderdeel van de maatschappij uit, Willem.’
Hij dacht lang na, knikte en ging verder met verven.
‘Ik ga eens kijken waar Schippers is’, zei ze uiteindelijk. ‘Zie ik je straks nog?’
‘Om vijf uur ga ik eten.’
‘Voor die tijd ben ik terug.’
Weer wilde ze een hand op zijn schouder leggen, maar bedacht zich op tijd. Ze opende het hek en liep het terrein op.
Er waren momenten waarop zij in gedachten een voorstelling had gemaakt hoe het zou zijn om hier terug te komen. Of de omgeving een bedompte invloed op haar zou hebben, een drukkende gevoel op haar schouders zou geven; of alle gezichten van mensen die zij niet kende haar gemoed op een negatieve manier konden beïnvloeden. Ondanks dat zij zich betere plekken kon voorstellen waar zij op dit moment zou willen zijn, had het naderende gebouw noch de jongeman in het gras, die zijn lichaam liet meedraaien om haar te kunnen volgen, geen deprimerende uitwerking op haar. Jaren met Lotte, met Lotte’s positieve inborst, haar liefde, haar gekte zelfs, hadden een beter mens van haar gemaakt; eentje die sterk in de schoenen stond en de wereld aankon. Zelfs de gedachte Eelco Schippers te ontmoeten ontmoedigde haar niet, hoewel ze liever met een dokter Otter te maken had gehad.
Ze liep door de openstaande deuren de hal in en keek om zich heen. Voorheen bevond het bureau van Maaiborg junior zich op de tweede verdieping. Hoe de indeling het nu was, had zij geen weet van. Haar ogen zochten iemand om ernaar te vragen, maar de hal was leeg. Ze liep verder over de zwart-wit betegelde vloer. Dit was in elk geval in al die jaren niet veranderd. Willem kon hierover tevreden zijn.
‘Kan ik u helpen?’, hoorde ze achter zich.
Ze draaide zich om en zag een arts in een witte jas met de mouwen omgevouwen tot boven de ellebogen. Hij droeg een clipboard. In de bovenzak van zijn jas waren een aantal pennen gepropt.
‘Ik zoek...’, begon ze.
‘Jasmijn?’ Hoewel de man de naam vragend zei, glimlachte hij direct breed. ‘Mijn hemel, da’s eeuwen geleden.’
Met uitgestoken hand kwam hij op haar af. Op het moment dat zij de glimlach zag, herkende zij hem. Hij was beginnend arts geweest in de laatste paar maanden die zij hier had doorgebracht. Ze was zijn naam vergeten, maar hij was iemand aan wie de patiënten veel te danken hadden. Zijzelf eveneens. Hij had zijn shag met haar gedeeld en al rokende leunend op het open raam gepraat over wat de wereld een mens op zich, en haar in het bijzonder, te bieden had. Mede door hem had zij de stap naar buiten durven zetten.
Ze drukte hem de hand en vouwde haar andere hand er overheen. Dit was de enige manier waarop zij haar respect en genegenheid voor hem kon uitdrukken.
‘Je ziet er goed uit, meisje.’
‘Dank je. Het leven hier buiten is goed.’
‘Pffff’, zuchtte hij lachend. ‘Ik hoop het ook een keer te mogen meemaken. Hoe gaat het met je?’
‘Lekker’, antwoordde ze.
‘Ik las een tijd terug dat je getrouwd bent.’
‘Klopt.’
‘Alles goed?’
‘Kan niet beter.’
‘Da’s fijn om te horen.’
‘En hoe gaat het met jou?’
‘Nog steeds hier.’ Hij spreidde zijn armen wijd uiteen. ‘Maar ik zou niet anders willen.’
‘Dat is goed voor de patiënten’, zei ze.
‘Dat is mooi om te weten.’
‘En het mooiste is, dat ik het meen. Ik heb namelijk de ervaring.’
‘Wauw, om dat van jou te horen... Ben je hier zomaar?’
‘Ik ben op zoek naar Eelco. Hij is nu de directeur, toch?’
‘Inderdaad.’
‘Bevalt het, zo onder hem?’
‘Ik doe mijn werk, Jasmijn, en de patiënten zijn tevreden met mijn aanpak. Schippers kan niet zonder mij.’
Zijn gezicht gaf niets weg hoe hij het vond met Eelco aan het roer.
‘Verlies die toewijding nooit, man.’
‘Daar ben ik nu te doorgewinterd voor. Als je Schippers zoekt: hij zit in het oude bureau van Maaiborg. Niet te missen.’
‘Dank je.’
‘Hee...’ hij stak zijn hand naar haar uit, en vervolgde, toen zij deze pakte ‘...hou je haaks. Het gaat goed met je en ik wil je hier niet meer terugzien.’
‘Ik zal m’n best doen. Lukt dit niet dan zou ik graag willen dat jij je over mij ontfermt.’
Hij stak zijn duim naar haar op en liep verder.
Ze nam de twee trappen op naar boven. Eenmaal op de tweede verdieping bleef ze staan om op adem te komen. Misschien was het advies om minder te drinken en meer te sporten een goede. Zodra ze, echter, weer normaal kon ademhalen, verdreef deze gedachte naar de achtergrond.
Het was stil om haar heen, stiller nog dan beneden. Ze kon zich deze stilte alleen voor de geest halen op dagen als het warm was en de loomte onder invloed van sterke zonnestralen onder haar huid kroop. Met een aarzeling in haar pas liep ze langzaam verder. Hoewel alles haar bekend voorkwam, was niets meer zoals het eens was geweest, was vooral zij niet meer degene die zij was geweest in de jaren die zij hier had doorgebracht. Hoeveel waren dat er? Ze kon dit niet met zekerheid zeggen; ze had er geen idee van hoe jong zij was toen zij in het instituut belandde. Eelco Schippers was vlak na haar gekomen, een jonge versgebakken hond die nog maar pas zijn opleiding achter de rug had. Zij werd al gauw aan hem toegewezen. Misschien ging professor Maaiborg junior er vanuit, dat zij een makkelijk pakketje was voor een jongeman als Schippers. Niets was minder waar. Eelco kwam er binnen enkele weken achter, dat zij niet aan het plaatje voldeed dat hij bij zijn opleiding had meegekregen. Vanaf dat precieze moment kwam zij te boek te staan als “moeilijk”. Ze was stil, deed wat haar werd opgedragen, maar werd desondanks moeilijk genoemd omdat zij na twee sessies nog steeds weigerde met hem te praten. Ze had deze accolade nooit meer van haar af kunnen schudden. Na deze stempel ontvangen te hebben, boterde het almaar slechter tussen hen twee. En nu moest zij bij hem zijn om de vragen te stellen die niemand anders kon beantwoorden.
Ze liep de overloop af en sloeg de gang in waar ooit Maaiborg junior’s bureau had gestaan. Deze Maaiborg was evenals zijn vader een arts bij wie de deur altijd open stond, bij wie je binnen kon lopen al was het alleen maar om gedag te zeggen. Nu stond ze voor een gesloten deur. Ze twijfelde of ze al dan niet zou kloppen of gewoon naar binnen zou lopen, en koos uiteindelijk voor de gulden middenweg van een halfhartige klop gevolgd door het openen van de deur.
De kamer was geheel anders dan zij het zich herinnerde. Waar het bureau van Maaiborg junior had gestaan, was nu een lege plek. Er stond wel een bureau, maar deze was naar het raam geschoven zodat het licht over de schouder van de vrouw viel die naar haar opkeek toen zij zo plots in de kamer stond.
‘Hallo’, zei ze als groet, de deurknop nog in haar handen. De vrouw knikte haar toe. ‘Ik zoek Eelco Schippers. Is hij er?’
‘En u bent?’
‘Jasmijn Bendelof. Ik ken Eelco van vroeger.’
Ze liet de deur los. Achter haar viel het met een zachte klik in het slot. Terwijl de vrouw op haar computerscherm het éen en ander erbij zocht, deed zij de handen op de rug en keek naar de schilderijen aan de wand die door kunstenaars in opleiding in elkaar waren geflanst.
Ze keek om toen de stoel van de vrouw kraakte en zag haar door de deur in de zijwand verdwijnen. Met haar aandacht bij een rode dubbeldekker die schokkerig geschilderd was, waarschijnlijk om beweging uit te beelden, bleef ze wachten. Naast de dubbeldekker was een vaag watertje met wat riet. Aquarel. De ongenaakbare zon had het in de loop der tijden lichter gekleurd.
‘Mevrouw Bendelof...’ de vrouw was weer terug. ‘Dokter Schippers kan u zien.’
‘Dank u.’
Ze knikte de vrouw toe en liep langs de deur die zij voor haar open hield.
Eelco Schippers was niet veel veranderd. Hij was in een oogopslag herkenbaar. Wat minder rank dan hij vroeger was, maar dat was wat een bureaufunctie in combinatie met middelbare leeftijd een mensenlichaam deed. Zijn lichtbruine haardos was aanzienlijk uitgedund. Door het gemillimeterd te houden, gaf hij de indruk het haarverlies voor te blijven.
Hij stond op en stak zijn hand over het werkblad naar haar uit. Maaiborg junior zou om het bureau heen gelopen zijn, ging het door haar hoofd, maar dan zou Eelco Schippers nooit een Maaiborg junior worden.
‘Je ziet er goed uit’, zei hij bij wijze van groet. Ze knikte louter. ‘Hoe gaat het met je?’
‘Goed. En met jou?’
Op haar vraag spreidde hij de armen om aan te tonen, dat alles kits was wat hem betrof. Zijn brede glimlach ondersteunde dit.
‘Wat brengt jou hier?’
Hij ging weer zitten. De aardigheden waren wat hem betrof uit de weg. Jasmijn ging eveneens zitten en nam de stoel die haaks op het bureau stond zodat ze de man niet recht aan hoefde te kijken.
‘Ik wil informatie over mijn jeugd hebben.’
‘Jouw jeugd?’
Hij herhaalde het alsof zij iets onhaalbaar vroeg.
‘Mijn jeugd’, zei ze nogmaals. ‘Recent heeft een vrouw mij benaderd en zei dat zij mij van de lagere school kende. Ik heb geen herinnering van haar noch van de lagere school. Ik zou hierover opheldering willen krijgen.’
‘Ja... ja, dat is te begrijpen.’
Hij pakte een potlood en tikte een aantal maal met het stufje op het bureaublad waarna hij het uit zijn handen liet glijden.
‘Het vervelende is, is dat wat wij hier hebben allemaal geclassificeerde informatie is.’ Met een schuine blik keek hij haar aan. ‘Ik kan jou er dus niet aan helpen.’
‘Sinds de vrijheid van informatie-wetgeving is dit niet meer iets waarachter je je kunt verschuilen’, merkte zij op.
‘Dat is een ongelukkige woordkeuze.’
‘Kan zijn, maar het punt blijft, dat ik recht heb op informatie omtrent mijn eigen persoon, mits het niet is gerubriceerd door de VIR.’
‘Ondanks de vrijheid van informatie-wetgeving, hebben wij zelf als instituut ook onze normen en waarden en geven wij niet zomaar informatie over patiënten vrij, zelfs niet voormalige.’
Het potlood zat weer tussen zijn vingers en het getik met het stufje hervatte. Het lukte haar nauwelijks een glimlach te onderdrukken; ze herkende de tekenen van irritatie bij hem die zelfs na al die jaren en de nieuwe positie niet was afgenomen.
‘Ik kan er een zaak van maken’, zei ze, ‘om deze informatie boven tafel te krijgen, maar ik doe het liever op een vriendelijke manier. Per slot van rekening ben ik er niet op uit om jou noch het instituut tegen de haren in te strijken.’
Het getik van het potlood ging door totdat Eelco het op het bureablad liet vallen en zijn laptop opende. Het potlood rolde een aantal maal en kwam tegen zijn drinkbeker tot stilstand. Ze bleef zwijgen terwijl hij op het toetsenbord rammelde, en keek naar buiten. Op een heldere dag was vanaf de tweede de zee te zien, ver over de duinen van Meijendel heen. Hoewel de zon scheen, was het niet helder. Een heiige waas over het landschap beperkte het zicht.
‘Hmmm...’ Eelco’s gebrom bracht haar aandacht terug naar binnen. ‘Helaas kan ik je niet helpen’, zei hij en sloot de laptop. ‘Een aantal jaren geleden hebben we alle dossiers gedigitaliseerd maar een flink aantal ontbreken, waaronder die van jou.’
‘Hoe bedoel je: ontbreken?’, vroeg ze verward.
‘De dossiers werden bij een bedrijf in Rijswijk ingescand. Eén van de bestelwagens die de dossiers vervoerde, heeft een ongeluk gehad waardoor dossiers onherstelbaar beschadigd zijn geraakt. Het moet bijna wel dat die van jou daar tussen zat.’
‘Is dit boven tafel of probeer je me af te wimpelen?’
Haar opmerking deed zijn wenkbrauwen verbaasd omhoog schieten.
‘Geloof me: ik wil je helpen, maar jouw dossier is er gewoonweg niet. Heel spijtig, maar het is niet anders.’ Ze mompelde iets binnensmonds. ‘Sorry, wat zei je?’
Ze schudde het hoofd en stond op.
‘Bedankt dat je me meteen kon zien’, zei ze en liep de kamer uit.
Pas in de gang, weg van Eelco Schippers en zijn secretaresse, schopte ze hard tegen de muur. De pijn die door haar been schoot, maakte haar weer rustig. Na twee hinkende stapjes kon ze normaal lopen en ging de trap af, de hal door en de tuin in. Daar haalde ze diep adem en met het hoofd in de nek kruiste ze het grindpad.
Willem was nog aan het verven. Hij was een hekje verder en had het krukje, de radio en de peut verschoven. De krant waarop het verfblik rustte, stond nu links van hem in plaats van rechts.
‘Ziet er mooi uit’, zei ze tegen hem.
‘Eelco gezien?’, vroeg hij.
‘Ja, maar hij kon mij niet helpen. Mijn dossier is bij een auto-ongeval in het ongerede geraakt.’
Hoewel ze zelf hoorde, dat zij dit laatste tussen aanhalingstekens zei, zei Willem:
‘Dat klopt. De chauffeur is er goed vanaf gekomen.’
‘Oh. Okee. Da’s in elk geval iets. Beetje jammer dat ik nu geen inzage in mijn verleden heb.’
‘Is het belangrijk?’
Zijn grote vragende ogen keken haar aan. Ze trok de schouders op.
‘Eigenlijk wel’, zei ze uiteindelijk. ‘Wil jij niet weten hoe je hier bent gekomen -mocht je daarvan niet op de hoogte zijn?’
Willem keek haar met een blanco blik aan. Hij was de verkeerde om dit soort vragen aan te stellen. Voor hem telde het hier en nu, niet het ooit eens of straks.
‘Goed. Laat eigenlijk maar. Het gaat je goed, Willem’, zei ze als groet en liep bij hem vandaan.
Ze moest haar teleurstelling niet op hem afreageren, maar ze kon het niet verbergen.
‘Jas...’ Zijn stem hield haar tegen. Ze draaide zich om. ‘Zien we elkaar weer?’
‘Vast wel.’
Ze stak haar hand op en liep verder, bedacht zich en ging terug naar hem. Ze haalde een Ikea potloodje uit de achterzak van haar broek en vond een kassabonnetje van Albert Heijn waarop zij haar telefoonnummer schreef.
‘Hier’, zei ze, het papiertje naar hem ophoudend. ‘Mijn nummer. Bel me eens; kunnen we samen wat gaan drinken. Vind je dat een goed plan?’
De zachte blik die hierna in zijn ogen kwam, gaven aan dat hij het een pracht idee vond. Zijn reactie haalde de ergste scherpte van haar teleurstelling weg en ze was van mening, dat ze in elk geval niet voor niets naar Den Haag was gereden.
31.
Met haar elleboog leunend tegen de sponning van het keukenraam, hoofd in de hand, keek Lotte naar de parkeerplaats. Het werd omringd door de huizen met bewoners, de buren, die allemaal de auto voor de deur wilden hebben. Was dat bezet dan bleven ze wachten en vanachter de luxaflex kijken wanneer het plekje vrij kwam. Al was dit midden in de nacht: de buur zou naar buiten komen om zijn auto twee meter te verzetten.
Een auto reed achteruit het parkeervak uit, draaide en ging in een rustig drafje langs de andere autos de hoek om en keerde de straat op. Nog geen seconde hierna liep een buurvrouw haar hekje uit, stapte in haar auto en reed deze twee autos terug om op de plek te parkeren waaruit de andere zojuist was vertrokken. Dit bevestigde Lotte’s gedachtengang van even ervoor. Ze vroeg zich af of de buurvrouw heel de middag bij het hek had staan wachten totdat de auto eindelijk de plek zou vrijmaken. Het kon ook zijn dat het kartonnen dennenboompje, bengelend aan de binnenspiegel van haar auto, een waarschuwing-systeem had. Wat het ook was: Lotte begreep veel, wist veel, maar dit soort zinloze handelingen gingen aan haar verstandelijk vermogen voorbij.
De buurvrouw ging terug naar binnen, tevreden glimlachend nu de auto bij haar tuinhek stond. Op het moment dat Lotte van het raam vandaan draaide, zag ze uit haar ooghoeken hun eigen auto de parkeerplaats oprijden. Afwachtend bleef ze staan. Jasmijn parkeerde op de plek die de buurvrouw voor haar had vrijgemaakt, pakte haar schoudertas van de achterbank en liep het pad op naar huis. Ze keek omhoog, zag de schim van Lotte achter de opengedraaide luxaflex en zwaaide. Ze wuifde terug en pakte een glas uit de kast waarin ze alvast een drankje voor haar mengde. Ze zette het glas op tafel toen Jasmijn naar binnen stapte.
‘Ha, lief’, groette ze.
‘Hai.’
Jasmijn vouwde haar armen om haar heen en ze kusten elkaar.
‘Lange dag gehad?’
‘Pffft. Moeizaam. Ik ben naar Den Haag gegaan. Ah, lekker.’
Ze zag het drankje op de tafel staan, pakte het glas en ging op de bank zitten. Een weldadige slok bracht weer wat leven in haar lichaam.
‘Maaiborg?’, vroeg Lotte, naast haar zakkend. Ze knikte. ‘Ik vroeg me al af waar je was.’
‘Hoe dat zo?’
‘Ik heb je een paar keer gebeld, maar toen je niet opnam, begon ik me zorgen te maken en heb toen de winkel gebeld. Haaye zei dat je onverwacht vrij had genomen.’ Ze keek naar het profiel van haar vrouw. ‘Waarom heb je me dit niet verteld? Dit is overigens geen verwijt, maar ik ben gewoon nieuwsgierig.’
‘Ik wist vanmorgen vroeg nog niet, dat ik die kant zou op gaan’, antwoordde Jasmijn. Voordat ze het glas terugzette, nam ze nog een slok. ‘Onderweg naar Alkmaar kreeg ik het ineens op m’n heupen. Al dat gedoe met Belletien en me niets van mijn jeugd kunnen herinneren...’
‘Dus ging je naar Maaiborg toe.’
‘Inderdaad.’
‘Vond je het niet vreemd om te gaan? Je had ook mij kunnen bellen dan was ik met je meegegaan.’
‘Het was iets dat ik alleen moest doen. Lief van je, maar ik wil van dat beeld van Maaiborg dat door mijn hoofd speelt afkomen. Het was inderdaad vreemd. Toen ik kwam aanrijden en alleen al de bomen zag, voelde ik m’n hart luid bonken. Bomen die ik jaar in jaar uit kaal en vol heb gezien en alle wisselende fases ertussen. Weet je wat me moed gaf?’ Ze wierp een blik naar Lotte die vragend de wenkbrauwen optrok. ‘Dat was toen ik Willem zag zitten verven. Ken je Willem nog? Hij zat met een gekromde rug bij het hek en de verfkwast ging met kalme streken heen en weer over de spijlen. Dat was zo rustgevend, de vertrouwde gestalte van Willem en dat verven... Als ik hem niet had gehad in Maaiborg, weet ik niet hoe het met mij zou zijn afgelopen.’
‘Iedereen heeft een Willem in het leven nodig’, merkte Lotte op, met haar wijsvinger over Jasmijn’s wang strijkend.
‘Een ander iets dat mij hielp om deze stap te nemen, zijn de jaren die ik met jou heb doorgebracht. Om het heel knullig te zeggen: met jou zijn heeft mij de kracht gegeven om mijn ergste nachtmerries met open ogen tegemoet te treden.’
‘Daar ben ik enorm blij om. Hoe is het gegaan?’
‘Niets wijzer geworden.’
Jasmijn zuchtte. De vermoeidheid van de spanning, het weerzien van het instituut na zo vele jaren, begon vat op haar te krijgen.
‘Iedereen die mij wat zou kunnen vertellen, is overleden.’
‘Oh?’
‘En nu is Eelco Schippers het hoofd van het instituut.’
‘Je meent het. Die man is zo onnozel als de pest.’
Hoewel Lotte in haar observatie louter van Jasmijn’s verhalen uit kon gaan, kende ze haar vrouw goed genoeg om te weten dat zij zowel objectief als eerlijk was. En Eelco Schippers had geen beste indruk op haar gemaakt.
‘En hij wilde je zeker niet helpen?’
‘Toch wel’, zei Jasmijn, ‘maar hij kon mij niet verder helpen.’
Ze vertelde van het digitaliseren en de brand in het busje. Lotte kon het niet nalaten een korte, hatelijke lach te laten horen.
‘Dat komt ‘m goed uit’, concludeerde ze in een stem die ernstige twijfels bij de echtheid van het gebeuren was.
‘Willem vertelde hetzelfde verhaal over het busje, en Willem kan nu eenmaal geen leugen vertellen.’
‘Gat, man: da’s balen.’
De keukenklok tikte rustig. Een merel had op het dak plaatsgenomen en bakende zijn plekje af met luid gefluit. De zomer kwam er nu heel snel aan en hij had nog geen maatje gevonden.
‘En nu?’, vroeg ze uiteindelijk.
Jasmijn trok de schouders op.
‘Waarvoor belde je eigenlijk?’, vroeg ze toen.
‘Wanneer?’
‘Vanmorgen. Naar mij.’
‘Oooh. Oh ja: da’s waar ook. Ik belde je om te zeggen dat ik gevraagd ben voor een seminaar.’
‘Te bezoeken offe...?’
‘Eén te geven.’
‘Over het schrijven?’
‘Ja. Ik wilde weten wat jij ervan vond.’
‘Wil je het nog weten?’
‘Altijd, maar ik heb het al afgewimpeld. Het is niets voor mij. Ik ben niet het type om mensen te vertellen hoe ze moeten schrijven, om het over spanningsbogen en al dat soort larie te hebben. Je schrijft of je schrijft niet; je kunt het of je kunt het niet. En als je onder deze laatste groep valt, dan is het jammer, maar dit houdt niet in dat je het moet opgeven, zeker niet als het jouw passie is.’
‘Dit is een beknopt seminaartje van je waarvan elke schrijver blij zou zijn deze gevolgd te hebben’, merkte Jasmijn op.
‘Ha, dank je. Maar het is gewoonweg helder denken, en daar heeft men mij niet voor nodig.’ Ze zette haar voeten op tafel en vouwde haar handen achter het hoofd. ‘In elk geval hebben seminaars geen plek in mijn leven.’
Ze bekeek Jasmijn’s profiel, het profiel dat haar zo bekend was en soms zo ondoorgrondelijk. Vaak kon zij het gezicht lezen, de stemming peilen naar de uitdrukking die erop was. Soms was het, echter, moeilijk te doorgronden wat er allemaal in dat hoofd rondging. Ze legde een hand om Jasmijn’s nek en masseerde deze zachtjes.
‘Ben je heel erg teleurgesteld?’, vroeg ze toen.
‘Maaiborg bedoel je? Nee. Je kunt het beter andersom zeggen, dat ik blij verrast zou zijn als ik wel informatie had gekregen.’ Ondanks haar woorden, liet ze zich een diepe zucht ontvallen. ‘Een beetje vervelend voel ik me er op dit moment wel over, maar dat gaat weer voorbij.’
Na een tweede zucht, zei ze:
‘Misschien is het wel goed dat die informatie er niet meer is.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Ik weet het ook niet precies... Misschien wordt er een beerput aan ongewenste informatie over me uitgestort en daarop zit ik werkelijk niet te wachten.’
‘Aan de andere kant’, begon de eeuwige optimistische Lotte, ‘kan het zijn, dat jij een buitenechtelijke dochter van ex-koningin Beatrix bent en nu dus de rechtmatige opvolgster van in het koningshuis.’
‘Mmh, daar zit iets in. Zullen we een coup plegen?’
‘Op iets waarop jij vanwege jouw afkomst recht hebt?’
Lotte keek haar vragend aan.
‘Je hebt gelijk.’
Jasmijn schoof onderuit, glas in haar hand, en nam een slok. Na de dag die zij had gehad, was deze rust, dit geleuter met haar vrouw een welkome afwisseling.
‘Vreemd, eigenlijk...’, begon ze.
‘De meeste dingen zijn vreemd’, beaamde Lotte zonder haar uit te luisteren. ‘Opgeblazen kogelvisjes in de straat vinden na een regenbui is vreemd.’
‘Meer bizar, eigenlijk.’
‘Een bizarre manier van vreemd zijn. Maar wat vind je vreemd, lief?’
‘Ehhh, waar hadden we het over?’
‘Dat jij een uitmuntende koningin zou zijn.’
‘Oh ja, ja. Ik bedoel dat opvolgen van het oudste kind als de heersende ouder letterlijk het scepter erbij neergooit. Wij zijn er zo aan gewend, dat we dit voor normaal aannemen.’
‘Wat eigenlijk nog erger is dan erfopvolging, of sterker nog: gênanter, zijn die ouwe rockers waarvan de kinderen nu meespelen in de band. Er was een moment dat rockers televisies uit hotelraam flikkerden en het volgende moment zit je met een couscoussalade in de hand met je zoon te praten over het optreden van eerder die avond.’ Ze schudde het hoofd. ‘Gênant... Misschien is pathetisch de beste omschrijving hiervan.’
‘Daarom is het maar goed dat wij geen dochter hebben’, merkte Lotte op. ‘Ik zou haar afmaken als zij schrijft en beter verkoopt dan ik.’
‘Er schrijft niemand beter dan jij.’.
‘Gelukkig kan ik altijd op jou vertrouwen om een gevoel van onbehagen bij mij weg te halen.’
‘Je bent jaloers op jouw imaginaire dochter.’ Ze schudde het hoofd. ‘En ik ben degene die in een instituut is gestopt. Merkwaardig.’
32.
Het was rustig in de winkel, zoals meestal het geval was in de tweede helft van de middag. Haaye zat lezend onderuit, Marleen was op bezoek bij Inge, en Jasmijn lummelde aan haar werktafel, genietend van een mok thee. Ergens in de winkel was meneer Van Zanten te vinden, maar ook hij maakte nauwelijks geluid, alleen als het omslaan van een bladzijde tegen het stof van zijn colbertje kraste.
Jasmijn zette haar mok neer en haalde haar vibrerende mobiel uit haar broekzak.
‘Ha lief’, zei ze.
‘Hai. Alles goed?’
‘Prima.’ Haaye sloeg een snelle blik naar de hoek en las verder. ‘Met jou?’
‘Ook. Ik bel effies om te zeggen, dat ik straks naar Hans ga. Er schijnt een crisis situatie met Ria te zijn.’
‘Welke ex is dat ook weer?’
‘Ex nummer drie.’
‘Okee.’
‘Ik ga pas als Hans uit zijn werk komt, dus dat zal rond een uur of vijf, half zes zijn.’
‘Je bent niet thuis voor het eten?’
‘Precies.’
‘Dan zie ik je later wel.’
‘Mooi. Ik eet wel een hapje bij hem. Zie je straks weer, lief.’
‘Tot straks.’
Ze borg haar iPhone weer op. Dit was een mooie gelegenheid om de verrampeneerde boeken in orde te maken. Thuis leek zij hier niet aan toe te kunnen komen en het toeval wilde, dat ze hen vanmorgen in een AH tas mee terug naar de winkel had meegenomen.
Haaye sloot zijn boek, stond op en rekte zich uit. Hij pakte zijn jas en tijdens het aandoen, liep hij naar Jasmijn.
‘Ik hou het voor gezien voor vandaag’, zei hij. ‘Zal ik de waterkoker vullen voor nog een bak thee?’
‘Nee, dank je. M’n blaas maakt al overuren vandaag.’
Alleen de gedachte al aan weer een mok thee deed haar popelen om naar het toilet te gaan.
‘Dan zie ik je morgen weer. Fijne avond nog.’
‘Jij ook, dank je.’
‘Fijne avond, meneer Van Zanten’, riep hij van verre.
‘Ik loop een stukje met je op.’
De man zette het boek terug in de kast. Haaye bleef op hem wachten en gezamenlijk liepen ze de winkel uit.
Na hun vertrek ging Jasmijn snel naar boven om haar blaas te legen en liep snel terug naar beneden, toen Marleen de winkel binnen kwam.
‘Dat gaat vlot’, merkte deze op, om zich heen kijkend.
‘Haaye is net weg.’
‘Ik kwam ‘m buiten tegen.’ Ze keek naar de klok. Het liep tegen half vijf. ‘Tijd voor een drankje. Wil jij ook wat of ga je zo naar huis?’
‘Geef mij ook maar wat; er zit thuis niemand op mij te wachten.’
‘Dat klinkt bijna zielig.’
‘Maar niet desperaat, hoop ik.’
‘Zeker niet. Tic erin?’
‘Doe maar.’
Jasmijn pakte de boeken uit de tas en zette deze op tafel. Van een aantal moest niet meer dan de rug vastgezet worden, maar een stuk of drie zagen er behoorlijk gehavend uit. Ze zette die apart om er zich morgen samen met Haaye over te buigen. Ze sloot het inventarisboek en maakte plaats voor de glazen drank. Marleen trok er een stoel bij en ging aan de smalle kant van de tafel zitten.
‘Effies lekker, zo’n rustmoment’, zei ze.
‘Daar drink ik op.’
Jasmijn hief het glas naar haar en nam een slok.
‘Alles goed gegaan gisteren?’, vroeg Marleen na de toost.
‘Ja. Het was een gekke dag.’
Omdat er verder niet op ingegaan werd, zei ze:
‘Je bent dus een beetje weduwe vanavond.’
‘Er schijnt een familiecrisis te zijn met Lotte’s broer, en daar hou ik me liever buiten. Ik heb het niet zo op familie.’
‘Degenen die ik heb, zitten ver weg’, merkte Marleen op en vulde lachend aan: ‘Gelukkig.’
‘Jij hebt ook niets met familie?’
‘Nah, ze storen me niet. We hebben een verjaardags- en kerstkaartenverhouding en wat mij betreft is dat voldoende. Op een gegeven moment groei je uit elkaar en dat is gezond.’
‘Ik zou het niet weten; ik heb nooit familie gehad dus ook niet die toestanden die ik wel eens met Lotte en haar broer meemaak.’
‘Er zijn ook leuke kanten aan familie hebben.’
‘Zoals?’
‘Als kind zijnde kerstcadeautjes uitpakken’, zei Marleen met een brede lach na de vraag lang overdacht te hebben. ‘En de grote kamer krijgen als de oudere zus het huis uitgaat.’ Ze hoorde de kerkklok slaan en keek op haar horloge. ‘Ga je naar huis? Zo niet dan kunnen misschien samen wat gaan eten.’
‘Okee. Leuk.’
‘Wat wil je? Ik heb achtereenvolgens een Chinees in de aanbieding, een pizza of een patatje.’
‘Een frietje gaat er wel in. Het is lang geleden dat ik dat heb genomen.’
‘Er is hier verderop een patattent waar ze Vlaamse friet verkopen. Enorm lekker.’
Ze opende een boek en liet de blaadjes langs haar vinger glijden totdat het weer dicht was.
‘Heb je er veel werk aan?’, vroeg ze met een knikje naar de boeken.
‘Bedoel je qua inventaris of...?’
‘Het plakken.’
‘Valt reuze mee, op deze paar na.’ Ze wees naar de boeken aan de andere kant van de tafel. ‘Er zit een oude bij, een soort manuscript, en daar ga ik de tijd voor nemen.’
‘Welke is dat?’
Jasmijn pakte het boek en gaf het aan haar. Marleen bekeek het aandachtig.
‘Ziet er aangetast uit’, was haar conclusie.
‘Zekers, maar het is altijd vreselijk mooi om te zien, zo’n oud boek.’ Ze pakte het terug en legde het weer op het stapeltje. ‘Het is geen vellum, maar gewoon papier. Even opzoeken welke methode er het beste hiervoor gebruikt kan worden.’
‘En de anderen?’
‘Een pleiade...’ Ze pakte het boek. ‘Wel zonde van zo’n boek. Maar ook die komt in orde.’
‘Mooi.’ Marleen nam een slokje en stond op. ‘He, sinds we het over het eten hebben gehad, heb ik trek. Ga je mee? We sluiten de tent voor vandaag.’
Nog geen tien minuten later liepen ze zij aan zij buiten langs de winkels. De stoep was smal en Jasmijn liep er soms op en veerde dan weer naar de straat. Hoewel er dikke wolken in de lucht hingen, was de temperatuur aangenaam en bijna warm te noemen.
‘Heeft Schimmel nog iets van zich laten horen?’, vroeg ze bij het binnenlopen van de frieterie.
‘Nee. Hij heeft nog één keer gebeld om te vragen of ik de overvallers nog had teruggezien en of het boek al boven water was gekomen’, antwoordde Marleen. ‘Wat wil jij?’
‘Een vlaamse friet, natuurlijk, en... effe kijken of ze hier groentekroketten hebben.’
‘Die hebben we’, zei de jonge vrouw aan de andere zijde van de toonbank.
‘Dan een vlaamse friet en twee kroketten’, zei Jasmijn.
‘Doe mij maar hetzelfde.’
‘Meenemen? Okee, en mosterd bij de kroketten?’
‘Nee, die heb ik thuis’, antwoordde Marleen.
Het meisje deed de frieten in het vet en Jasmijn rekende af.
‘Ik vraag me af wat er met dat Poolse boek aan de hand is’, zei ze tegen Marleen.
Beiden leunden met de rug tegen de wand naast de evenementenkalender van Alkmaar.
‘Geen flauw idee, maar als men bereid is daarvoor in te breken, zal het geen Havank zijn waarvan er duizenden van de pers zijn gekomen.’
‘Of Konsalik’, vulde ze grijnzend aan.
‘Mijn persoonlijke favoriet.’
Marleen lachte. Als ze lachte, kreeg ze lachrimpels naast haar mond die haar gezicht nog aantrekkelijker maakte in Jasmijn’s ogen. Hieraan denkend, vroeg ze:
‘Heb je Sonia nog gezien na die laatste keer?’
‘Nee.’ Ze schudde het hoofd. ‘Volgens mij zit zij overal achter.’
‘Dat vermoeden had ik ook. Hoezo denk jij dat?’
‘Het viel me op dat telkens als ik met haar ging drinken, ik de volgende dag wakker werd zonder te weten wat er de avond ervoor was gebeurd. En ik voelde me altijd ziekelijker dan ik normaal doe met een kater.’
‘Je denkt dat ze wat in jouw drankje heeft gedaan?’
‘Zeker weten. Ik heb het met José over gehad en...’
‘Eh, José?’, onderbrak Jasmijn haar.
‘Die politieagente die bij me was toen ik in huis was overvallen.’
‘Oh, die, ja. En?’
‘Haar vermoeden is, dat er iets in werd gedaan in de geest van rohypnol.’
‘Ach jezus, puur vergif, man.’
‘Zeg dat wel. Als ik het laatste glas dat zij voor mij had gemaakt had gedronken, had ik waarschijnlijk niets meegekregen van de overval.’
‘Heb je de inhoud daarvan nog laten onderzoeken?’
‘Nee. Ik had het al weggegooid toen ik er met José over begon.’
‘Jammer. En je weet zeker dat ze dat illustere boek zochten?’
‘De manier waarop ze door mijn boekenkasten klauwden, laat hier geen twijfel over bestaan’, antwoordde Marleen. ‘Zeker niet nadat ze eerder de kasten in de winkel overhoop hadden gehaald.’
‘Je denkt dat het hier om dezelfde mensen gaat?’
‘Zeker weten. Of er moet een bende bibliofielen zijn die koste wat het kost een bepaald boek willen hebben, maar dat lijkt mij sterk.’
‘Het idee is wel grappig’, zei Jasmijn met een lachje. ‘Ik zie me van die bebrilde mannen met verwilderde haardossen, gewapend met boekleggers alle boekhandels aflopen om de eerste editie van “de gebroeders Karamazov” te pakken te krijgen.’
Marleen grinnikte eveneens. Plots schoot er een gedachte door haar hoofd en ze voelde haar lichaam verstijven. Jasmijn was juist naar voren gestapt op het tasje van de toonbank te pakken, en had niet door wat er achter haar gebeurde. Pas toen ze zich omdraaide en Marleen’s strak starende blik ving, vroeg ze wat er was. Marleen antwoordde niet, liet Jasmijn met een knikje van het hoofd weten dat ze naar buiten moesten, ging haar voor en wachtte.
‘Dat boek dat je net liet zien’, zei ze.
‘Welk?’
‘Dat manuscript-achtige geval. Denk je niet dat we dat nader moeten bekijken?’
‘Huh? Je denkt dat...’ Jasmijn maakte haar zin niet af.
‘Zou heel goed kunnen’, antwoordde Marleen, langzaam knikkend.
Naast elkaar liepen ze terug, de passen gehaaster dan op de heenweg.
‘Het is zomaar een idee, maar dat boek valt enorm uit de toon naast al die andere boeken.’
‘Okee. Niet lullen, maar lopen’, klonk Jasmijn’s advies.
Marleen opende de deur naar de winkel. Zodra beiden binnen waren, sloot ze de deur snel achter zich en zette meteen het alarm aan. Jasmijn liep door naar haar tafel en deed het licht aan.
‘Licht uit, Jas’, beval ze direct. ‘Sinds de overval heb ik het gevoel dat ik in de gaten word gehouden en we zitten hier in een vissenkom als het licht aan is.’
Het lampje werd meteen gedoofd. Jasmijn pakte het boek en met dit in de ene, de tas met eten in de andere hand, volgde ze Marleen naar boven.
Ze legde het boek op de tafel in de woonkamer en vertrok naar de keuken voor de mosterd. Alles goed en aardig maar ze stierf van de honger. Marleen draaide de luxaflexen half dicht en riep haar na:
‘Mosterd staat in het kastje links van de wasbak en mayo in de koelkast.’
Ze deed het licht aan en ging op de bank zitten, starend naar het manuscript. Jasmijn zette de mosterd en mayonaise neer en wisselde een blik met haar.
‘Denk je dat dit het is?’, vroeg ze.
‘Misschien... Waarschijnlijk. Dit is het enige boek dat uit de toon valt tussen alle anderen.’
Ze pakte haar plastic bakje friet aan.
‘Wil je het op een bord?’
‘Nee, is goed zo.’
Met een vorkje schepte ze mayo op haar friet en nam een hapje. Het was heet. Door haar open mond liet ze koele lucht naar binnen stromen.
‘Hoe bedoel je: uit de toon vallen?’, vroeg Jasmijn toen zij naast haar ging zitten.
‘Het zit zo: de overige boeken zijn pleiades, sets van –gut, hoe heet die reeks ook weer, die van die Latijnse en Griekse boeken. Er zijn privé domeins en de Russische bibliotheek. Dat was allemaal van die overleden bibliofiel, weet je nog, toen jij tegen de grond werd gelopen door onze Poolse vriend. En als er dan zo’n boek als dit tussen zit dan zet het mij tot denken aan.’
‘Er waren ook nog anderen’, herinnerde Jasmijn haar eraan.
‘Klopt, maar je kent bibliofielen: alles moet een reeks zijn, een serie. Als deze bibliofiel zo’n boek had gehad…’ ze wees naar de tafel ‘…dan zouden het er meerderen zijn geweest. Was dit het enige boek dan zou hij het apart hebben gehouden.’
‘Je kent bibliofielen, maar ken jij daarnaast ook de onnozele familie van een bibliofiel?’
Jasmijn nam een hap van haar kroket, kauwde het vlot weg en vervolgde:
‘Ze smijten alles bij elkaar omdat ze er niet snel genoeg geld voor kunnen binnen harken. Maar ik snap waar je naartoe wilt’, zei ze er snel achteraan toen Marleen de mond opende om hier iets tegenin te brengen. ‘Vraag blijft: wat is het?’
Ze keken elkaar aan. Marleen sloeg de omslag voorzichtig open. De titelpagina was met inkt beschreven. Jasmijn boog zich verder voorover maar het lukte haar niet op te maken wat het was.
‘Wat voor taal is dat in godsnaam?’, vroeg Marleen uiteindelijk.
‘Als we van het type boef uitgaan dat de laatste tijd om ons heen hangt’, antwoordde Jasmijn, ‘is mijn waarschijnlijk niet geheel de plank misslaande gis: Pools.’
‘Pools.’ Marleen knikte. Jasmijn’s deductie kon een juiste zijn. ‘Mooi. Ken jij Pools?’
‘Helaas. Het toeval wil dat ik een paar maanden geleden ben begonnen met Pools te leren, maar het is er totaal bij ingeschoten.’
‘Waarom wilde je Pools leren?’
Marleen keek haar verbaasd aan. Ze trok de schouders op en zei:
‘Het is wat anders. Ik hou er wel van om niet de al te platgelopen paden te betreden.’
‘Maar je bent er niet mee verder gegaan.’
‘Klopt. Na dobzre en jutro wieczorem is mijn kennis uitgeput.’
Ze lachte en vroeg wat het betekende.
‘Geen flauw idee meer’, zei Jasmijn met een grijns. ‘De klanken waren mooi, dus die heb ik onthouden. En daar stopt mijn kennis van alles wat Pools is.’
Al etende sloeg Marleen de volgende paginas open. Alles was in inkt geschreven. Beiden probeerden hier en daar een woordje eruit te pikken, maar de taal was onleesbaar, mede door de zwierige handgeschreven letters. Het manuscript zelf maakte een verweerde indruk.
Marleen voelde een pagina tussen haar vingers, en vroeg:
‘Vellum, denk je? Oh nee, jij dacht niet aan vellum.’
‘Nee. Mijn eerste indruk is papier.’
‘Dat was ook de mijne. Het voelt stevig aan; vandaar dat ik dacht dat het vellum was. Het is knap oud, maar hoe oud… Enig idee?’
‘Sorry, nee. Ik zou het niet durven zeggen.’
Ze bestudeerden de titelpagina aandachtiger dan voorheen, op zoek naar een datum, desnoods een indicatie ervan.
‘Kazi...’, begon Marleen, de letters bijna één voor één oplezend, ‘...mi... Is dat een e?’, vroeg ze, om na Jasmijn’s knikje te vervolgen met: ‘...erz. Wat spelt dat: Kazimierz?’
‘Inderdaad.’
‘Kennen we een Kazimierz?’
Met onderzoekende ogen keek ze Jasmijn aan.
‘Niet persoonlijk’, antwoordde deze met een schuin glimlachje. ‘Ik ken wel Hendrik Casimir, helaas ook niet persoonlijk. Die is bekend van zijn supergeleiding model.’
‘Ik begrijp bijna waar je het over hebt’, zei Marleen zonder overtuiging.
‘Hendrik Casimir was een Nederlands natuurkundige. Ik hou ervan dit soort dingen te weten. Maar onze brave Hendrik was van een later tijdperk dan dit papier, dus vermoedelijk zal het niet over hem gaan. Of we moeten met een Poolse Nostradamus te maken hebben, de man van de vage gissingen die men nu voor waar aanneemt.’
‘We gaan er vanuit dat het Pools is?’
‘Ik dacht dat we het daar over eens waren. Ken jij iemand die Pools kent?’
‘Nee’, zei Marleen hoofdschuddend. Toen: ‘Inge heeft een schoonmaakster en die is geloof ik Pools.’
‘Mooi. Misschien dat zij hier wijs uit kan worden.’
Jasmijn pakte haar laatste kroketje op en besmeerde het met mosterd. Marleen ging achteruit zitten en vouwde de armen over het hoofd.
‘Wat een toestand, zeg.’
Ze keek opzij naar Jasmijn, naar het profiel van de vrouw die zij ten volle vertrouwde. Sommige mensen straalden iets uit waardoor zij wist, dat het goede mensen waren, en Jasmijn viel onder dit selecte groepje.
‘Hoe gaan we het aanpakken, Jas?’, vroeg ze. ‘De schoonmaakster het boek onder de snufferd schuiven en vragen wat er staat?’
‘Dat is de eenvoudige manier.’ Ook Jasmijn leunde naar achteren en trok een been onder zich. ‘Maar ten eerste is het een oud boek dus voorzichtig zijn is hierbij de hoofdmoot. Ten tweede is een andere reden om voorzichtig te zijn: mocht dit daadwerkelijk het boek zijn waarvoor ruige types met immense tatoeages inbreken dan is het niet verstandig om hiermee rond te zeulen.’
Marleen moest toegeven dat zij hier een punt had.
‘Heb jij een idee?’, vroeg ze uiteindelijk. ‘Wil je trouwens iets drinken?’
‘Nee, ik ga zo naar huis toe, dank je. Ehmm, we kunnen kopietjes maken van een paar bladzijden en deze de schoonmaakster voorschotelen.’
‘Goed idee, maar ik heb niets waarmee je kopieën kunt maken.’
‘Wij wel, thuis. Wat dacht je ervan als ik het mee naar huis neem, een paar kopietjes maak en het boek op een veilige plek weg leg?’
‘Vind je het niet eng?’, vroeg Marleen nadat ze dit voorstel knikkend had ontvangen.
‘Ik maak wel vaker kopietjes.’
‘Ik bedoel’, vervolgde ze lachend, ‘om met dit boek over straat te gaan?’
‘Omdat jij het gevoel hebt in de gaten te worden gehouden?’
‘Het is niet een gevoel; ik weet gewoon dat dit zo is.’
‘Ik geloof je.’ Jasmijn stond op. ‘Ik zal het boek in een onnozel nietszeggend plastic tasje doen en daarmee naar de auto lopen. Misschien dat deze handeling de boeven op het verkeerde pad brengt.’
‘Misschien werkt dat’, beaamde Marleen en stond eveneens op.
Jasmijn pakte het boek van tafel en ging haar voor de trap af. Bij de tafel aan gekomen pakte ze een plastic tasje uit haar schoudertas, en pakte het boek.
‘Is de deur open?’, vroeg ze.
‘Momentje...’
Marleen liep met de sleutel in de hand naar de deur.
Jasmijn sloeg de band van haar schoudertas kruislings over haar lichaam, pakte haar autosleutel en liep naar de deur.
‘Als ik niets mee van jou hoor’, zei Marleen, de deur van het slot halend, ‘dan weet ik in elk geval dat dit het boek was waar men naar zocht, dat je het hebt verkocht en nu in Brazilië zit.’
‘Correct op een aantal punten na’, zei Jasmijn.
Ze leunde tegen de zijkant van de open deur en keek naar Marleen. Koele buitenlucht zwiepte naar binnen. Marleen’s ogen straalden in het witte licht van de maan.
‘Morgen kom ik gewoon werken, heb dan kopietjes bij me, en wat moet ik in hemelsnaam in Brazilië doen?’
‘Mojitos drinken’, suggereerde Marleen.
‘Die verkopen ze ook bij Aarnoud. Tot morgen.’
‘Tot morgen.’ Een momentlang legde Marleen haar hand rond Jasmijn’s bovenarm. ‘En doe voorzichtig.’
Jasmijn liep bij de winkel vandaan en luisterde naar het sluiten van de deur waarna ze in een vlottere pas naar de parkeerplaats er doorliep. Ze ging de brug over en kruiste het plein. Het plastic tasje had ze eenmaal om haar hand geslagen zodat ze er een steviger greep op had.
Haar auto was de enige die nog op de kleine parkeerplaats achter het plein stond. Daar aangekomen, keek ze om zich heen. Ze zag een man zijn hond uitlaten en een jong stel dat over straat slenterde. Tevreden knikkend opende ze de deur aan de passagierskant en schoof haar schoudertas op de stoel. Terwijl ze dit deed, legde ze de plastic tas op het dak van de auto. De deur weer sluitend, strekte ze tezelfdertijd haar andere hand uit naar het tasje toen er bijna onhoorbare snelle stappen achter haar klonken en het tasje onder haar vingers vandaan werd gegrist.
‘Hee hee!’, riep ze.
De man met de hond keek op. Het jonge stel liep onverstoorbaar verder. De stille voetstappen verdwenen in de duisternis.
‘Godverdomme!’, vloekte ze en sloeg met haar vlakke hand tegen het metaal.
Vloekend stapte ze in, reed het parkeervak uit en langs de gracht naar de weg. Daar maakte ze vaart tot aan het laatste stoplicht voordat de grote weg begon. Stilstaand voor het licht boog ze haar lichaam naar achteren, pakte een voorwerp vanachter haar broekriem vandaan en stopte deze snel in haar schoudertas. Het boek van Kazimierz had de aanslag overleefd.
33.
‘Waar ben je?’, vroeg Lotte.
‘Op weg naar huis.’
‘Kun je me bij Hans op komen halen?’
‘Zijn de kinderen er?’
Na een kort grinnikje, zei Lotte:
‘Nee, alleen Hans en ik.’
‘Okee. Ik ben er met een half uurtje.’
‘Mooi. Zie je zo.’
‘Oh, trouwens: ik blijf buiten in de auto op je wachten. Ik leg straks wel uit waarom.’
‘Spannend. Tot straks.’
De verbinding werd verbroken en Jasmijn gaf de weg weer haar volle aandacht.
Het viel haar zelf op, dat ze veelvuldig in de achteruitkijkspiegel tuurde. Dit gebeurde vaker dan normaliter het geval was. Het leek erop dat niemand haar auto volgde. Dat type die het plastic tasje met inhoud van haar had meegestolen, moest er inmiddels wel achter zijn dat hij een Agatha Christie omnibus te pakken had. Hoe dit ontvangen werd? Het zou ofwel in de boekenkast thuis tussen de anderen geschoven worden, ofwel werd het geïrriteerd opzij geslingerd.
Hoe wisten ze dat zij het boek bij haar had? Was het een gok geweest of wilden ze iedereen die met een boek de winkel uit liep overvallen? En wie waren “ze”? Te veel vragen op deze avond. Ze had zin in een vakantie of een wellness weekendje, samen met Lotte. Gewoon luieren en in slaap vallen, waar en wanneer ze wilde.
Met een vluchtige blik opzij zag ze dat ze werd ingehaald door een Smart. Deze had een aantal kilometers achter haar gezeten en kwam nu langszij, langzaam, aangezien de Smart niet al te veel trekkracht had. Het licht van de lantaarns gaf het zicht op twee jonge mannen die lachend naast elkaar zaten, zonder enige aandacht voor haar. Toen zij voor haar invoegden, minderde ze ongemerkt vaart. De Smart reed gestaag van haar vandaan en ze kon weer opgelucht ademhalen.
Ze was blij eindelijk in de buurt van Beverwijk te zijn en reed in een drafje door. Het was rustig. Na een zigzag van straatjes stopte ze voor de deur van de woning van Hans en belde Lotte.
‘Ik ben er’, was het enige dat ze zei.
‘’k Kom eraan.’
Een paar tellen later ging de voordeur open. Ze zwaaide naar Hans. Lotte nam afscheid van haar broer en klikte een paar keer de deurhendel aan de passagierszijde heen en weer. Ze haalde het van het slot af en liet haar instappen. Lotte pakte de schoudertas van de zitting en legde deze op haar schoot voordat ze Jasmijn kuste.
‘Wat is er allemaal zo geheimzinnig vandaag?’, vroeg ze toen ze de straat uit reden.
‘Zo meteen’, zei Jasmijn. ‘Eén verzoek: hou m’n tas goed vast, alsjeblieft. Ik ben vanavond al bestolen.’
‘Meen je dat nou? Wat hebben ze van je meegenomen?’
‘Straks.’
‘Oee, je bent lekker spraakzaam vanavond.’
Lotte keek naar buiten en zweeg.
‘Hoe was het bij Hans?’
‘Ach man, dat wil je niet weten. Linda, da’s z’n derde, had sinds een tijdje een nieuwe vriend en deed daar heel geheimzinnig over. Bleek dat die kerel getrouwd was en er nog een vriendin naast haar op na hield.’
Jasmijn schoot in de lach.
‘Dat was ook mijn reactie’, gaf Lotte grinnikend toe, ‘maar ze was er knap van streek van en zoek dan de janlul van de familie op om bij uit te huilen, en komt uiteraard bij Hans terecht.’
‘Gotgotgot’, zuchtte Jasmijn. ‘Hoe kwam ze er eigenlijk achter dat hij nog een andere vriendin had?’
‘Tezelfdertijd dat ze erachter kwam dat hij ook nog getrouwd was, en niet het plan had om te gaan scheiden. Yoga. Je weet dat al die dames van middelbare leeftijd yoga hebben ontdekt en ze is tijdens zo’n sessie of les, of hoe het ook heet in yoga kringen, aan de praat geraakt met een andere vrouw. En waar praten hetero vrouwen over als ze samen zijn?’
‘Mannen.’
‘Inderdaad. Wat goed van jou.’
‘Geloof me, schat, dat ik er geen flauw benul van heb wat er in het hoofd van een hetero vrouw rond gaat, maar dit leek me het enige juiste antwoord.’
‘Mijn hetero-kenner.’
‘Maar ga verder...’, drong Jasmijn aan voordat ze voorgoed van het onderwerp afdwaalden.
‘Van het éen kwam het ander: namen werden genoemd, een foto op de iPhone deed de ronde, en voor ze het wisten, bleek dat ze beiden met dezelfde man aan het scharrelen waren. Tranen met tuiten.’
‘Heeft ze die vent een knal voor z’n harses verkocht?’
‘Nee, dat doe je niet op middelbare leeftijd, alleen als je Italiaans bent. Ze heeft het meteen uit gemaakt, de sleutel terug genomen en lamme goedzak Hans gebeld om bij hem uit te huilen.’
‘Daar zal ie blij mee zijn.’
‘Je kent Hans’, zei Lotte schouderophalend: ‘Vooral geen confrontatie, dus hij zal haar niet lachend de deur wijzen en een “ik zei het toch” naar haar toe gooien.’
‘Elke hetero vrouw heeft een Hans nodig.’
Jasmijn reed de parkeerplaats op en stalde de auto naast het electriciteitshuisje. Beiden stapten uit. Lotte deed Jasmijn’s tas om haar schouder en sloeg er een arm omheen. Ze liepen het pad op langs de omheinde tuintjes naar de toegangsdeur van hun flat. Terwijl zij de post uit de bak haalde, liep Jasmijn door naar boven, opende de deur en ging naar binnen. Een paar seconden later kwam ook Lotte binnen.
‘Nou, vertel’, zei deze meteen.
Jasmijn sloot de gordijnen voordat ze het licht aandeed.
‘Wacht effies, eerst een drankje. Jij ook eentje, Jassie?’
‘Lekker.’ Ze pakte de schoudertas en ging op de bank zitten. ‘Je weet van al die dingen die we de laatste tijd in de winkel hebben meegemaakt?’, begon ze met een blik naar de keuken. Lotte knikte.
‘Inbraken, vernielingen, bedreigingen, gescheurde bovenlip van jou -laten we die niet vergeten’, somde ze op. ‘En mensen maar zeggen dat boeken saaie dingen zijn.’
Ze kwam met twee glazen uit de keuken en plofte naast haar neer.
‘Op het saaie boekleven, lieverd’, toostte ze.
‘Op ze.’
Jasmijn nam een slok en merkte dat Lotte zoals gewoonlijk niet scheutig met de wodka was geweest.
‘Vandaag’, vervolgde ze, ‘hebben Marleen en ik vermoedelijk het boek gevonden waarom de halve wereld vecht.’
‘Werkelijk? Wauw. Is het er eentje van mij waar men om vecht?’
‘Helaas, hoewel jouw boeken dat wel waard zijn.’
‘Het is heerlijk om met jou getrouwd te zijn.’
Lotte kuste haar wang. Jasmijn haalde voorzichtig het boek uit haar tas en legde het op de voetenbank. Met de ellebogen steunend op haar bovenbenen boog Lotte zich voorover om het boek beter te kunnen bekijken.
‘Waanzinnig’, zei ze zacht. ‘Pools, denk je?’
‘Volgens Mar en mij wel’, bevestigde Jasmijn. ‘Eenvoudige deductie: de winkel wordt onder de voet gelopen door Polen en ervan uitgaande dat ze niet de laatste blauwe bandjes willen hebben...’
‘Uh-huh, mijn idee. Mag ik eraan komen?’
‘Uiteraard, maar wel voorzichtig. Ze heeft al wat geleden toen ze in mijn broekband verstopt zat.’
‘In jouw broekband?’
‘Moest wel, omdat er onaangename types de winkel in de gaten houden volgens Marleen.’
‘Nah, dat kan een reactie van haar zijn als gevolg van die gasten die bij haar zijn binnengedrongen. Erg genoeg, natuurlijk, maar om daaruit te concluderen dat ze de winkel polsen is misschien een beetje ver gezocht.’
‘Misschien. Maar omdat ik vanavond van een boek ben beroofd, heb ik wel de neiging Marleen de voordeel van de twijfel te geven.’
‘Wat? Is dat waar je het daarstraks over had en dat vertel je me nu pas?’
Met een verwijtende blik keek Lotte naar haar.
‘Niets aan de hand. Ze wilden dit boek; ik heb ze ander leeswerk voorgeschoteld.’
‘Hoe is--wat is er gebeurd dan?’
Jasmijn vertelde hoe het boek van haar vandaan gegrist werd, hoe ze dit verwachtte en waarom zij het andere boek, het boek waar het om ging, op haar lichaam had gedragen.
‘Jezus, Jas, ik word niet blij van dit soort verhalen.’
Vertwijfeld schudde Lotte het hoofd.
‘Ik ben er toch goed vanaf gekomen?’, bracht Jasmijn hier tegenin.
‘Nu. Nu wel, maar wat van een volgende keer? Ongetwijfeld gaat er een volgende keer komen en dan wat dan; moet ik jou dan van de straat aflepelen?’
‘Je ziet hoe voorzichtig ik ben.’
‘Daar gaat het niet om; het gaat er om hoe de tegenpartij is. Als jij het spel volgens de regels speelt en de tegenstander heeft daar lak aan en we hebben een scheidsrechter die meer belang heeft bij de sponsors dan bij de wedstrijd, heb je grote kans dat jij met een paar kapotte knieën van het veld afgedragen wordt.’
‘Voor iemand met nihil kennis van sport, breng je een aardige beeldspraak naar voren.’
‘Ik weet niets van sport, maar alles van vuil spel. Vuil spel is tegenwoordig sport, vergeet dat niet. Als je met rottigheid weg kunt komen, ben je volgens de vox populi een slimme gast. Waarom denk je dat al die wielrenners dope gebruiken? Omdat ze ermee wegkomen en het klootjesvolk hen blijft toejuichen. Zo is het leven nu eenmaal. Maar het interesseert mij geen lor wat er met een paar kloothommels op een fiets gebeurt; waar ik me zorgen om maak, is de kans dat er jou iets kan overkomen.’
‘Ik zal er voor zorgen dat dit niet gebeurt. En kom alsjeblieft niet weer met sport vergelijkingen’, zei Jasmijn er snel achteraan toen Lotte de mond opende.
‘Okee. Ik kap ermee’, zei ze. ‘Laten we alles pragmatisch bekijken en bedenken wat er nu gaat gebeuren. Wat hebben jij en Mar zoal bedacht?’
‘We hadden het idee om een kopietjes te maken van een aantal bladzijden om deze aan de schoonmaakster van Inge te laten zien.’
Zodra Jasmijn dit plan had uiteengezet, schoot Lotte in een schaterlach.
‘Fantastisch!’, zei ze, nog steeds lachend. ‘Al zou ik uren aan m’n bureau zitten: zo’n zin kan ik niet bedenken. Laten zien aan de schoonmaakster van Inge... Wie leidt jullie bende: de accountant van Buko?’
‘Okee, je hebt je hilarisch momentje gehad’, merkte Jasmijn op, desondanks grinnikend om de aanstekelijk lach. ‘Wat ik vergat te zeggen, is dat de schoonmaakster van Poolse afkomst is. We hopen dat zij in elk geval kan zeggen wat dit voor boek is.’
‘Ik begrijp het’, zei Lotte, nahinnikend. ‘Maar is dat verstandig?’
‘Heb jij een beter plan?’
‘Wat dacht je ervan om die politieman met die dure naam in te schakelen?’
‘Nee.’
‘Dat is het werk dat hij doet en waar hij goed in is.’
‘Nee.’
‘Fijn dat je het overweegt.’
‘Je weet dat ik een foeihekel heb aan autoriteiten en hoewel Schimmelpenninck minder ergerlijk is dan de meesten, blijft hij een autoriteit, iemand die zijn gezag te pas en te onpas kan laten gelden. Daar pas ik voor.’
‘Okee. Okee...’ Lotte stopte haar gezicht tussen haar handen en blies een lange stroom lucht uit. ‘Laat me even denken, lief. Pak jij intussen een paar chippies voor ons.’
‘Chipito?’
‘Nee, dat is gewoon de manier waarop ik kijk.’
Jasmijn stond hoofdschuddend op en liep de keuken in. Ze deed paprikachips in een bakje en vulde een ander met nibbits.
‘Weet je wat’, begon ze toen Jasmijn weer naast haar zat, ‘ik vraag onze vriend DuckDuckGo wie Kazimierz is.’
Ze pakte haar iPad erbij en tikte de naam in. Na lang turen, zei ze:
‘Okee, Kazimierz is dus een Joods district in Polen.’
‘Probeer de naam met “schrijver” erachter’, stelde Jasmijn voor.
Lotte deed wat er van haar werd verlangd en tuurde nogmaals.
‘Er is een schrijver Kazimierz Moczarski en eentje met de achternaam Brandys. Deze laatste ken ik overigens wel. Zijn boek “Rondo” heeft mij ooit eens geïnspireerd om een verhaal te schrijven over revolutionairen. Is er nooit van gekomen. Misschien dat ik het weer eens oppak.’
‘Is dat niet een beetje te serieus voor jou?’, vroeg Jasmijn.
‘Wie beweert dat het een serieus verhaal wordt? In elk geval zijn deze schrijvers van een latere tijd dan dit manuscript. Weet jij nog iets dat we in de omschrijving kunnen gebruiken?’
Ze keek naar Jasmijn die na een moment nadenken het hoofd schudde.
‘Ik heb de laatste paar dagen teveel informatie gehad’, zei ze, bijna verontschuldigend. ‘Mijn hersens zijn afgepeigerd. Verzoekje, lief: wil jij het boek opbergen waar niemand het kan vinden?’
‘Tuurlijk, ik verzin wel iets.’
‘Dank je. Nog een verzoekje: zou jij een paar bladzijden willen kopiëren zodat ik die morgen mee kan nemen? Dan ga ik nu naar bed.’
‘Komt voor elkaar. Kus’, zei Lotte toen Jasmijn opstond om naar bed te gaan.
Ze kusten elkaar en Jasmijn ging door naar bed.
Lotte maakte kopietjes en ging op de bank zitten, het boek op de zitting naast de hare, en dacht na.
34.
Haaye was verbaasd Marleen en Jasmijn al in de winkel te zien toen hij binnenkwam. Ze zaten naast elkaar aan Jasmijn’s tafel, de hoofden gebogen en groetten hem nauwelijks toen hij langs liep om zijn fiets in het berghok te stallen. Bij terugkomst ging hij naast hen staan en keek naar waar zij mee bezig waren.
‘Wa’s dat?’, vroeg hij uiteindelijk.
Door de haarbossen heen kon hij niet goed zien welk boek zij lazen. Marleen overhandigde hem een vel papier en zei:
‘Kijk en huiver.’
Hij bekeek wat er op het blad geschreven was en van dit keek hij naar Marleen.
‘Is dit...?’, vroeg hij toen.
‘Volgens ons wel.’
‘Jezus, man.’
‘Ik had het zelf niet beter kunnen verwoorden.’
‘Wat is het voor taal: Pools?’
‘Volgens ons wel. Inge’s schoonmaakster is Pools dus we dachten haar te vragen om uit te leggen wat er staat.’
Terwijl Marleen aan het praten was, bekeek Haaye het blad aandachtiger en pakte toen een volgende van Jasmijn aan.
‘Het is niet gedrukt. Ik denk dat het moeilijk te ontcijferen wordt wat er staat.’ Met de handen in zijn zij dacht hij na. ‘Weet je, ik heb een maat die veel connecties heeft met antiquariaten. Zal ik hem vragen of hij iemand kent die dit kan ontcijferen?’
‘Da’s een goed plan’, zei Marleen meteen. ‘Iemand die in het vak zit, weet waarschijnlijk beter hoe hiermee om te gaan.’
‘Is het wel verstandig om dit langs veel mensen te laten gaan?’, vroeg Jasmijn.
‘Nou ja, jullie wilden het aan een schoonmaakster laten zien’, merkte Haaye op.
‘Okee, maar een schoonmaakster weet misschien niet de significantie hiervan.’
‘Dat is wel heel erg stereotypisch.’
‘Je hebt gelijk, maar soms is hoeken afsnijden makkelijker dan een omweg nemen en op hetzelfde punt uitkomen. We kunnen natuurlijk van de premisse uitgaan, dat Inge’s schoonmaakster op dit moment Dante aan het lezen is, maar stereotypen zijn niet zomaar ontstaan, dus laten we die in acht nemen. Desondanks wil ik graag op een verpletterende manier teleurgesteld worden in mijn aanname.’
’Maar je vermoedt dat dit niet het geval zal zijn’, concludeerde Haaye.
‘Ik kan alleen maar hopen.’
‘Ik ben toch geneigd om met Haaye’s voorstel mee te gaan’, kwam Marleen tussenbeide.
Jasmijn trok de schouders op.
‘Iedereen akkoord?’
‘Okee’, zei Jasmijn.
‘Leg contact met die vriend van je’, zei ze tegen Haaye, ‘zodat we dit zo snel mogelijk opgeklaard hebben.’
‘En dan?’, vroeg hij.
‘Dan zien we wel verder.’
‘Waar is het origineel eigenlijk?’
‘Dat is veilig opgeborgen.’
‘He, jammer; die had ik graag in handen gehad.’
‘De pest is, Haay’, zei Jasmijn: ‘er zijn zovelen die dat willen.’
De bus naar Beverwijk stopte bij het Julianaplein. Lotte stapte in. Ze ging in een stoel aan het gangpad zitten en staarde voor zich uit. Haar schoudertas lag op haar schoot, de band kruislings over haar lichaam gewikkeld. Met een ongeïnteresseerde blik keek ze wie er nog meer instapten. Er waren een paar kinderen die naar het station moesten om naar school te reizen. Vervolgens twee vrouwen, een man die ze van verderop uit de straat herkende, en een andere man met een plastic tasje waarin zijn brooddoosje zat en een gratis krant.
De bus bleef een aantal minuten wachten waarna het langzaam optrok, het logge lichaam de hoek omdraaiend langs de Volkswagenbusjes van het uitzendbureau. Op de dorpsweide liepen paarden rond naast het afgeschermde deel waar schapen aan het grazen waren.
De bomen langs de Zeestraat waren in volle bloei. De zomer was goed en wel begonnen. Ze hield van de zomer, hield ervan wekenlang de deur naar het balkon wagenwijd open te hebben en de geluiden van de straat te horen; hield ervan op het balkon te zitten met een drankje in het licht van de ondergaande zon.
Bij het station stapte ze achter de schoolgangers uit, liep het plein over en langs de flats naar de winkelstraat. Ze bleef voor de etalage van de schoenwinkel staan en zag de twee vrouwen en de man met de plastic tas door de winkelstraat lopen en haar passeren. Hierna stak ze over en ging de ING bank binnen. Na een tiental minuten glipte ze met een paar werklui mee naar buiten, liep de steeg door en de Meerstraat in om uiteindelijk via de Beverhof en toko Murni met een tas vol eten terug in de Breestraat te komen. Ze liep deze helemaal uit op weg naar het station, waar ze op de bus naar Wijk aan Zee wachtte. In totaal had haar uitstapje niet meer dan een klein uur geduurd.
35.
Jasmijn haalde de post uit de bus en bekeek de enveloppen vluchtig tijdens het naar boven lopen. Een envelop viel uit de toon; eentje die met pompeuze letters was verzonden namens het Ministerie van Justitie. Haar gedachten vlogen langs alle snelwegen waarop zij een verkeersovertreding zou hebben kunnen gemaakt, maar behalve schelden op de hufters in een BMW of Audi, kon ze zich niet herinneren iets gedaan te hebben dat niet netjes was. Pas bovenaan gekomen zag ze dat de brief aan Lotte geadresseerd was.
‘Ha, lief’, hoorde ze van binnen.
‘Hai.’
‘Nog iets interessants in de post?’, vroeg Lotte, opkijkend van haar makkelijke positie liggend op de bank.
‘Een dreigbrief van de officier van justitie’, zei ze. ‘Voor jou.’
Ze liet de brief op haar buik glijden en ging op de voetenbank zitten om de schoenen uit te doen.
‘Voor mij?’ Lotte schoot verbaasd overeind en bekeek het adres. ‘Wat is dat nou weer?’
‘Misschien is openmaken een optie.’
Toen ze haar wijsvinger onder de plakrand zette, griste Jasmijn de brief van haar vandaan, pakte de briefopener en maakte een strakke snede aan de bovenzijde.
‘Deze dingen zijn niet voor niets op de markt gebracht’, merkte ze op, de opener naar haar ophoudend.
‘Pas maar op dat je er niet op gaat zitten’, was Lotte’s reactie.
Ze las de brief, las het nogmaals tot aan de gedrukte handtekening toe en zei toen luid:
‘Wat?’
‘Geen idee. Waar gaat het over?’
‘’t Is niet te geloven. De overheid wil de inhoud van mijn bankkluis nader bekijken--dit is een vrije vertaling van alle larie die ze hier in ambtelijke taal uitkramen--omdat het vermoeden bestaat, dat er zich daarin onoirbare zaken bevinden.’
‘Onoirbaar?’
‘Met o i.’
‘Da’s oud.’
‘Niet naar justitiële begrippen.’
Ze overhandigde de brief en staarde voor zich uit. Ze bedacht zich iets en pakte de envelop er nogmaals bij. Er zat geen stempel op of iets anders dat er op wees, dat het via de posterijen was gegaan. Er kwam een glimlachje rond haar lippen en ze stond op.
‘Zullen we wat gaan drinken?’
‘Okee.’
Hoewel Jasmijn verbaasd was over de plotse ommekeer in haar houding, stond ze op en vroeg wat ze gingen doen.
‘Een biertje aan de overkant drinken, dus doe je schoenen maar weer aan.’
Twee minuten later staken ze de straat over naar het café-restaurant. Ze gingen in het midden van de zaak zitten en wachtten totdat de biertjes gebracht waren. Jasmijn nam een hap van de schuimkraag en hing gemakkelijk achterover op de bank.
‘Vertel’, zei ze toen.
‘Ik heb vandaag ons pakketje weggebracht’, begon Lotte. ‘Omdat ik na jouw verhaal van gisteren er zeker van wilde zijn, dat ik niet gevolgd werd, ben ik eerst bij de ING naar binnen gegaan. Daar heb ik m’n laatste manuscript in het kluisje opgeborgen om iets te doen te hebben. Toen ik klaar was, keek ik naar buiten. Effies een stukje terug: toen ik de bus inging, stapten een paar schoolkinderen, twee vrouwen en een man met een plastic tasje in zijn knuisten in. Bij het station ben ik uitgestapt en zowel de vrouwen als de man gingen met mij mee de Breestraat in. Ik bleef voor winkelruiten staan zoals winkelende mensjes doen en hield op die manier in de gaten wie er bleef hangen. Op wie is jouw geld?’, vroeg ze toen, een slokje bier nemend.
‘Ik zou denken de man met het plastic tasje, maar omdat dat teveel voor de hand ligt...’
‘Je hebt gelijk. Éen van vrouwen was doorgelopen, waardoor ik aanvankelijk dacht dat er niemand met mij mee was, maar toen zag ik de andere voor de etalage van die winkel met prullaria hangen. Je kent die winkel wel, een soort Kruidvat maar dan rommeliger. En je kunt veel zeggen, maar om vijf minuten voor die etalage te lummelen, is zelfs voor schoolmeisjes te lang.’
‘Denk je dat je werd achtervolgt?’, vroeg Jasmijn verbaasd nu het dubbeltje eindelijk viel.
‘Reken maar’, bevestigde Lotte knikkend. ‘Ik vermoed dat na gisteravond diverse lui alert zijn geworden, vooral omdat jij een boek liet meestelen waar men niet blij mee is.’
‘Dat zijn de boeven. Die brief is van het ministerie van justitie.’
‘Alsof dat geen boeven zijn. Maar dat maakt het juist ook zo leuk’, zei Lotte grinnikend hoewel de grap Jasmijn volledig ontging. ‘Door de ING in te gaan en daar wat in het kluisje te leggen, denkt men dat dat het boek moet zijn dat zij willen hebben.’
‘Maar justitie...’
‘Je lijkt wel een elpeetje waarvan de naald blijft hangen, lief. Natuurlijk justitie. Ga eens na: iemand breekt in een tweedehandsboekwinkel in en er wordt een hoofdcommissaris op de zaak gezet. Ik weet dat er een tekort aan mankracht is bij onze jongens en meisjes in het blauw, maar dit is belachelijk. Op een gegeven moment komt het boek tevoorschijn en, jou kennende, zul je er niet al te subtiel mee omgegaan zijn. Hierdoor zijn diverse mensen die toch al alert waren en alles interpreteren zoals zij dat willen, zelfs nog argwanender worden. Ongetwijfeld worden deze mensen op hun beurt weer door Neerlands blauw in de peiling gehouden, en van het éen komt het ander. Vandaag ging ik dus de stad in, breng een lange tijd in de ING door, langer dan geoorloofd is om twee tientjes uit de muur te trekken, en men wordt nog argwanender. Als dit doorgaat, kom ik zonder superlatieven voor argwanend te zitten.’
Ze zaten stil naast elkaar. Lotte keek over haar schouder toen ze iemand hoorde binnenkomen. Het was een dorpsgenoot die zijn koffie kwam afrekenen. Ze stopte haar hoofd weer dichter bij die van Jasmijn en zei zacht:
‘Het boek ligt niet in de kluis, dus maak je daarover geen zorgen.’
‘Waar ligt het?’ Op deze vraag schudde Lotte het hoofd. ‘Okee, ik vraag niet verder. Maar wat nu?’
‘Verongelijkt doen en het ministerie van justitie vragen of ze niets beters te doen hebben.’
‘Had je me dit alles niet thuis kunnen vertellen?’
‘Misschien wel. Maar je kunt je natuurlijk ook afvragen hoe het komt dat men zo snel op de hoogte is van het gewilde pakketje.’
Na deze woorden knikte Jasmijn langzaam het hoofd. Lotte wachtte totdat het goed tot haar was doorgedrongen en zag de blik naast zich zeer donker worden. Jasmijn was een gepassioneerde vrouw, iets dat zij zich maar al te goed wist. Ze verwonderde zich er soms over wat er allemaal in dat hoofd omging.
‘We worden afgeluisterd.’
Het was geen vraag, maar vroeg wel om een bevestiging.
‘Geen idee. Misschien onze telefoons, maar geen idee.’
‘Gotverjume!’
‘We moeten gewoon onze ding blijven doen, Jassie, om geen argwaan op te wekken. Weer dat woord.’
Ze grinnikte, maar Jasmijn was niet geamuseerd.
‘Zie het maar zo, Jas’, vervolgde ze, een hand over de handen van haar vrouw heen leggend: ‘Dit wordt weer een mooie verhaallijn voor mij.’
Na deze opmerking hoorde ze wel een lachje.
‘Je hebt gelijk.’
‘Da’s meestal zo.’
‘En hebt teveel praatjes.’
‘Ook dat is waar.’
‘Zullen we hier blijven eten?’
‘Kan. Aan de andere kant heb ik een tokootje in huis gehaald, dus...’
Ze had haar zin nog niet afgemaakt of Jasmijn had haar glas leeg gedronken en stond op om te betalen.