Pagina 42, deel 2

Deel 2

30.

     Jasmijn draaide de A12 af en reed de Benoordenhoutseweg op. Het was heel lang geleden dat zij voor het laatst in Den Haag was geweest. Desondanks was de omgeving haar nog steeds bekend. 

Bij het kruispunt aarzelde ze zoals voorheen ook altijd het geval was geweest: moest ze de Van Alkemade of eentje verder... Ze sloeg af en merkte dat ze de juiste weg had gekozen. Ze kruiste de Landscheidingsweg en reed in een rustig drafje door. 

Haar handen zaten strak om het stuur en hoewel ze moeite deed de vingers te ontspannen, voelde ze hoe het bloed door haar aderen joeg. Ze keek in de achteruitkijkspiegel en liet een fietser voorbij gaan, sloeg daarna het harde zandpad op en reed langs de bomen naar het parkeerterrein. Ze plaatste de auto in het vak met de weggevaagde lijnen en bleef een aantal minuten zitten voordat ze de portier opende. Dit rustmoment had nauwelijks geholpen om haar zenuwen tot bedaren te brengen.

Naast de auto staand, bekeek ze het grote gebouw dat als een baken tussen de bomen stond. Ze had hier een flink aantal jaar van haar leven versleten, maar had het nooit thuis genoemd. Het was geen thuis; het was een plek waar ze getolereerd werd totdat men van mening was, dat zij goed genoeg was om deel te nemen aan de maatschappij. 

De lage muur met de spijlen omheining dat erboven aan vastgenageld was, omringde het gehele Instituut Maaiborg. De tuintjes erachter waren voorzien van voorjaarsbloemen, eenjarigen; langer konden zelfs de planten het hier niet uithouden. 

Op een krukje bij een pilaar zat een forse man. Hij had geen aandacht voor de omgeving; het schilderwerk waarmee hij zich bezig hield vergde al zijn aandacht. Het stuk dat hij had gedaan, zag er friswit uit. Naast zijn benen, beschermd door het muurtje, lag een opengeslagen krant waarop een pot verf stond met daarnaast een aantal kwasten rustend in een lege pot waarin ooit eens rode kool had gezeten. Een flesje peut stond onder de kruk, afgeschermd van de felle zonnestralen, alsook een draagbare radio die betere tijden had gekend en louter statisch geruis voortbracht. 

Er was iets bekends aan de gebogen houding, aan het vlassige donkerblonde haar en zelfs aan de manier waarop de voeten bij de enkels onder het krukje over elkaar waren geslagen. Met een lichte aarzeling liep Jasmijn op hem af en zei vragend:

‘Willem?’ 

De kwast bleef bewegingloos in de lucht hangen terwijl hij de stem liet inzinken. Toen hij omkeek veranderde zijn gezicht van vragend naar verbaasd.

‘Jas?’, zei hij. ‘Dat is lang geleden.’

‘Zekers. Hoe gaat het met je?’ 

Ze stak haar hand uit om hem een klopje op zijn schouder te geven, maar herinnerde zich op datzelfde moment, dat hij er niet van hield aangeraakt te worden. Vlak bij zijn schouder trok zij haar hand terug.

‘Zoals altijd, he’, antwoordde hij, een hand over de plek vegend waar zij hem bijna had aangetikt. ‘Wat kom jij doen?’

‘Kijken hoe alles is.’ 

Ze leunde tegen de stenen pilaar. Hij hervatte het schilderen. Ze volgde zijn bewegingen. Er was iets geruststellends in de op en neer gaande streken van de kwast.

‘Je ziet er goed uit’, zei Willem zonder haar aan te kijken. Het verven trok al zijn aandacht.

‘Jij ook, jongen, ondanks dat je nog hier bent.’

‘Waar moet ik anders naartoe?’ Even keek hij naar haar voordat hij verder ging. ‘Er is hier alles wat ik nodig heb.’

‘Zolang je maar tevreden bent’, zei ze. 

Ze keek van de kruin van zijn hoofd, het opwapperende haar in de ochtendbries, naar de strak in het gelid zittende ramen van het instituut. 

‘Ik kom eens kijken hoe het met Maaiborg junior is.’ 

De vader van Maaiborg junior had het instituut gesticht. De zoon had na het overlijden van zijn vader de leiding overgenomen. Onder zijn leiding was Jasmijn hier gekomen. Wanneer wist ze niet meer, zoals er zo vele dingen uit haar verleden in haar hoofd verloren waren gegaan.

‘Maaiborg junior is lang geleden gestopt’, zei Willem.

‘Werkelijk?’

‘Je bent hier echt lang niet geweest’, merkte hij op, de kwast over het hek strijkend waar een stukje niet naar zijn zin was.

‘En wie heeft het van hem overgenomen?’, vroeg ze.

‘Karel Otter.’

‘Ah.’ 

Ze grijnsde tevreden. Dokter Otter was altijd goed voor haar geweest. Ze was blij dat hij nu met het scepter zwaaide. Dat zou alleen maar positief voor de patiënten zijn.

‘Maar die is twee jaar geleden overleden’, vervolgde Willem.

‘Meen je dat nou?’

‘Ja.’

‘Jeetje, zeg. Was het plots?’ 

Hij trok de schouders op. Dokter Otter was overleden; meer hoefde hij niet te weten.

‘Wie is nu dan hoofd van het instituut?’

‘Eelco Schippers.’ 

Bij het horen van deze naam keek ze een aantal seconden vol ongeloof naar de rug van Willem, boog toen het hoofd en sloot de ogen. Van alle competente mensen die het instituut had, vond men het om een voor haar duistere reden wijs de incompetente Eelco Schippers als directeur aan te stellen.

‘Eelco Schippers’, herhaalde ze zacht. 

‘Eelco Schippers’, zei ook Willem nogmaals.

‘Hoe bevalt het, zo onder hem?’ 

Hij trok de schouders op. Het geruis van de radio werd hoorbaar. Ze keek van hem naar de façade van het gebouw, de bijna smetteloos witte muren, hoorde het gegons van stemmen van de mensen die op het grindpad liepen waar stenen onder hun slippers kraakten, hoorde het zwijgen van de vogels. Ze was 30 jaar geleden weggegaan maar de tijd was hier stil blijven staan. Voor mensen als Willem was dit goed. Hij leefde in zijn eigen wereld en elke verandering kon hem dagen uit zijn element brengen. 

‘Is Eelco er?’, vroeg ze uiteindelijk. 

Haar stem klonk zelfs haarzelf scherp in de oren, toen het de serene stilte doorbrak. Hij knikte.

‘Kom je gedag zeggen?’, vroeg hij.

‘Eelco bedoel je?’, vroeg ze, niet zeker waar hij op doelde. Hij knikte weer. ‘Niet specifiek. Ik wilde jou weer eens zien’, zei ze. 

Het was een leugentje om bestwil, hoewel Willem de eerste persoon was aan wie ze had gedacht toen ze zich voornam naar het instituut te gaan. 

‘En ook wil ik mijn persoonlijke dossier opvragen.’ 

Leunend tegen de pilaar volgden haar ogen de lange verfstreken over het hek. Dit, samen met de ruisende radio, bracht haar tot rust, veegde de naam Eelco Schippers naar de achtergrond. Een jongeman met gitzwart haar stond in het gras en keek haar richting uit. Zijn ogen waren donker, evenals zijn kleding. Een momentlang deed hij haar aan haarzelf denken, staand in de tuin, turend naar de wereld achter het hek; een wereld die haar uiteindelijk in haar midden had opgenomen.

‘Vijftien jaar en drie maanden geleden ben ik begonnen de dossiers op microfiches te zetten.’ Terwijl hij sprak, schilderde Willem door. ‘Ik heb het niet kunnen afmaken. Ze zijn ingescand en geditigaliseerd.’ Hij dipte de kwast in de blik verf. ‘Door die ditigalisatie heb ik mijn werk niet kunnen afmaken.’

‘Is dat erg?’ 

Willem knikte en herhaalde:

‘Ik heb het niet kunnen afmaken.’

Dingen die onaf waren, achtervolgden hem. Als hij een draai naar links maakte, moest hij er ook eentje naar rechts maken. Zo werd de cirkel compleet. Cirkels die niet compleet waren, hielden hem uit zijn slaap. 

‘Je kunt ook wat je al gedaan hebt als een afgerond deel beschouwen’, merkte Jasmijn op. In het verleden hadden deze woorden een gunstige invloed op hem gehad. ‘Als je A tot en met D hebt gedaan, bijvoorbeeld, is dat een afgerond deel. Digitalisatie maakt nu eenmaal onderdeel van de maatschappij uit, Willem.’ 

Hij dacht lang na, knikte en ging verder met verven. 

‘Ik ga eens kijken waar Schippers is’, zei ze uiteindelijk. ‘Zie ik je straks nog?’

‘Om vijf uur ga ik eten.’

‘Voor die tijd ben ik terug.’ 

Weer wilde ze een hand op zijn schouder leggen, maar bedacht zich op tijd. Ze opende het hek en liep het terrein op.

Er waren momenten waarop zij in gedachten een voorstelling had gemaakt hoe het zou zijn om hier terug te komen. Of de omgeving een bedompte invloed op haar zou hebben, een drukkende gevoel op haar schouders zou geven; of alle gezichten van mensen die zij niet kende haar gemoed op een negatieve manier konden beïnvloeden. Ondanks dat zij zich betere plekken kon voorstellen waar zij op dit moment zou willen zijn, had het naderende gebouw noch de jongeman in het gras, die zijn lichaam liet meedraaien om haar te kunnen volgen, geen deprimerende uitwerking op haar. Jaren met Lotte, met Lotte’s positieve inborst, haar liefde, haar gekte zelfs, hadden een beter mens van haar gemaakt; eentje die sterk in de schoenen stond en de wereld aankon. Zelfs de gedachte Eelco Schippers te ontmoeten ontmoedigde haar niet, hoewel ze liever met een dokter Otter te maken had gehad.

Ze liep door de openstaande deuren de hal in en keek om zich heen. Voorheen bevond het bureau van Maaiborg junior zich op de tweede verdieping. Hoe de indeling het nu was, had zij geen weet van. Haar ogen zochten iemand om ernaar te vragen, maar de hal was leeg. Ze liep verder over de zwart-wit betegelde vloer. Dit was in elk geval in al die jaren niet veranderd. Willem kon hierover tevreden zijn.

‘Kan ik u helpen?’, hoorde ze achter zich. 

Ze draaide zich om en zag een arts in een witte jas met de mouwen omgevouwen tot boven de ellebogen. Hij droeg een clipboard. In de bovenzak van zijn jas waren een aantal pennen gepropt.

‘Ik zoek...’, begon ze.

‘Jasmijn?’ Hoewel de man de naam vragend zei, glimlachte hij direct breed. ‘Mijn hemel, da’s eeuwen geleden.’ 

Met uitgestoken hand kwam hij op haar af. Op het moment dat zij de glimlach zag, herkende zij hem. Hij was beginnend arts geweest in de laatste paar maanden die zij hier had doorgebracht. Ze was zijn naam vergeten, maar hij was iemand aan wie de patiënten veel te danken hadden. Zijzelf eveneens. Hij had zijn shag met haar gedeeld en al rokende leunend op het open raam gepraat over wat de wereld een mens op zich, en haar in het bijzonder, te bieden had. Mede door hem had zij de stap naar buiten durven zetten.

Ze drukte hem de hand en vouwde haar andere hand er overheen. Dit was de enige manier waarop zij haar respect en genegenheid voor hem kon uitdrukken.

‘Je ziet er goed uit, meisje.’

‘Dank je. Het leven hier buiten is goed.’

‘Pffff’, zuchtte hij lachend. ‘Ik hoop het ook een keer te mogen meemaken. Hoe gaat het met je?’

‘Lekker’, antwoordde ze. 

‘Ik las een tijd terug dat je getrouwd bent.’

‘Klopt.’

‘Alles goed?’

‘Kan niet beter.’

‘Da’s fijn om te horen.’

‘En hoe gaat het met jou?’

‘Nog steeds hier.’ Hij spreidde zijn armen wijd uiteen. ‘Maar ik zou niet anders willen.’

‘Dat is goed voor de patiënten’, zei ze. 

‘Dat is mooi om te weten.’

‘En het mooiste is, dat ik het meen. Ik heb namelijk de ervaring.’

‘Wauw, om dat van jou te horen... Ben je hier zomaar?’

‘Ik ben op zoek naar Eelco. Hij is nu de directeur, toch?’

‘Inderdaad.’

‘Bevalt het, zo onder hem?’

‘Ik doe mijn werk, Jasmijn, en de patiënten zijn tevreden met mijn aanpak. Schippers kan niet zonder mij.’ 

Zijn gezicht gaf niets weg hoe hij het vond met Eelco aan het roer.

‘Verlies die toewijding nooit, man.’

‘Daar ben ik nu te doorgewinterd voor. Als je Schippers zoekt: hij zit in het oude bureau van Maaiborg. Niet te missen.’

‘Dank je.’

‘Hee...’ hij stak zijn hand naar haar uit, en vervolgde, toen zij deze pakte ‘...hou je haaks. Het gaat goed met je en ik wil je hier niet meer terugzien.’

‘Ik zal m’n best doen. Lukt dit niet dan zou ik graag willen dat jij je over mij ontfermt.’ 

Hij stak zijn duim naar haar op en liep verder.

Ze nam de twee trappen op naar boven. Eenmaal op de tweede verdieping bleef ze staan om op adem te komen. Misschien was het advies om minder te drinken en meer te sporten een goede. Zodra ze, echter, weer normaal kon ademhalen, verdreef deze gedachte naar de achtergrond. 

Het was stil om haar heen, stiller nog dan beneden. Ze kon zich deze stilte alleen voor de geest halen op dagen als het warm was en de loomte onder invloed van sterke zonnestralen onder haar huid kroop. Met een aarzeling in haar pas liep ze langzaam verder. Hoewel alles haar bekend voorkwam, was niets meer zoals het eens was geweest, was vooral zij niet meer degene die zij was geweest in de jaren die zij hier had doorgebracht. Hoeveel waren dat er? Ze kon dit niet met zekerheid zeggen; ze had er geen idee van hoe jong zij was toen zij in het instituut belandde. Eelco Schippers was vlak na haar gekomen, een jonge versgebakken hond die nog maar pas zijn opleiding achter de rug had. Zij werd al gauw aan hem toegewezen. Misschien ging professor Maaiborg junior er vanuit, dat zij een makkelijk pakketje was voor een jongeman als Schippers. Niets was minder waar. Eelco kwam er binnen enkele weken achter, dat zij niet aan het plaatje voldeed dat hij bij zijn opleiding had meegekregen. Vanaf dat precieze moment kwam zij te boek te staan als “moeilijk”. Ze was stil, deed wat haar werd opgedragen, maar werd desondanks moeilijk genoemd omdat zij na twee sessies nog steeds weigerde met hem te praten. Ze had deze accolade nooit meer van haar af kunnen schudden. Na deze stempel ontvangen te hebben, boterde het almaar slechter tussen hen twee. En nu moest zij bij hem zijn om de vragen te stellen die niemand anders kon beantwoorden.

Ze liep de overloop af en sloeg de gang in waar ooit Maaiborg junior’s bureau had gestaan. Deze Maaiborg was evenals zijn vader een arts bij wie de deur altijd open stond, bij wie je binnen kon lopen al was het alleen maar om gedag te zeggen. Nu stond ze voor een gesloten deur. Ze twijfelde of ze al dan niet zou kloppen of gewoon naar binnen zou lopen, en koos uiteindelijk voor de gulden middenweg van een halfhartige klop gevolgd door het openen van de deur.

De kamer was geheel anders dan zij het zich herinnerde. Waar het bureau van Maaiborg junior had gestaan, was nu een lege plek. Er stond wel een bureau, maar deze was naar het raam geschoven zodat het licht over de schouder van de vrouw viel die naar haar opkeek toen zij zo plots in de kamer stond.

‘Hallo’, zei ze als groet, de deurknop nog in haar handen. De vrouw knikte haar toe. ‘Ik zoek Eelco Schippers. Is hij er?’

‘En u bent?’

‘Jasmijn Bendelof. Ik ken Eelco van vroeger.’ 

Ze liet de deur los. Achter haar viel het met een zachte klik in het slot. Terwijl de vrouw op haar computerscherm het éen en ander erbij zocht, deed zij de handen op de rug en keek naar de schilderijen aan de wand die door kunstenaars in opleiding in elkaar waren geflanst.

Ze keek om toen de stoel van de vrouw kraakte en zag haar door de deur in de zijwand verdwijnen. Met haar aandacht bij een rode dubbeldekker die schokkerig geschilderd was, waarschijnlijk om beweging uit te beelden, bleef ze wachten. Naast de dubbeldekker was een vaag watertje met wat riet. Aquarel. De ongenaakbare zon had het in de loop der tijden lichter gekleurd.

‘Mevrouw Bendelof...’ de vrouw was weer terug. ‘Dokter Schippers kan u zien.’

‘Dank u.’ 

Ze knikte de vrouw toe en liep langs de deur die zij voor haar open hield. 

Eelco Schippers was niet veel veranderd. Hij was in een oogopslag herkenbaar. Wat minder rank dan hij vroeger was, maar dat was wat een bureaufunctie in combinatie met middelbare leeftijd een mensenlichaam deed. Zijn lichtbruine haardos was aanzienlijk uitgedund. Door het gemillimeterd te houden, gaf hij de indruk het haarverlies voor te blijven.

Hij stond op en stak zijn hand over het werkblad naar haar uit. Maaiborg junior zou om het bureau heen gelopen zijn, ging het door haar hoofd, maar dan zou Eelco Schippers nooit een Maaiborg junior worden.

‘Je ziet er goed uit’, zei hij bij wijze van groet. Ze knikte louter. ‘Hoe gaat het met je?’

‘Goed. En met jou?’ 

Op haar vraag spreidde hij de armen om aan te tonen, dat alles kits was wat hem betrof. Zijn brede glimlach ondersteunde dit.

‘Wat brengt jou hier?’ 

Hij ging weer zitten. De aardigheden waren wat hem betrof uit de weg. Jasmijn ging eveneens zitten en nam de stoel die haaks op het bureau stond zodat ze de man niet recht aan hoefde te kijken.

‘Ik wil informatie over mijn jeugd hebben.’

‘Jouw jeugd?’ 

Hij herhaalde het alsof zij iets onhaalbaar vroeg.

‘Mijn jeugd’, zei ze nogmaals. ‘Recent heeft een vrouw mij benaderd en zei dat zij mij van de lagere school kende. Ik heb geen herinnering van haar noch van de lagere school. Ik zou hierover opheldering willen krijgen.’

‘Ja... ja, dat is te begrijpen.’ 

Hij pakte een potlood en tikte een aantal maal met het stufje op het bureaublad waarna hij het uit zijn handen liet glijden. 

‘Het vervelende is, is dat wat wij hier hebben allemaal geclassificeerde informatie is.’ Met een schuine blik keek hij haar aan. ‘Ik kan jou er dus niet aan helpen.’

‘Sinds de vrijheid van informatie-wetgeving is dit niet meer iets waarachter je je kunt verschuilen’, merkte zij op.

‘Dat is een ongelukkige woordkeuze.’

‘Kan zijn, maar het punt blijft, dat ik recht heb op informatie omtrent mijn eigen persoon, mits het niet is gerubriceerd door de VIR.’ 

‘Ondanks de vrijheid van informatie-wetgeving, hebben wij zelf als instituut ook onze normen en waarden en geven wij niet zomaar informatie over patiënten vrij, zelfs niet voormalige.’ 

Het potlood zat weer tussen zijn vingers en het getik met het stufje hervatte. Het lukte haar nauwelijks een glimlach te onderdrukken; ze herkende de tekenen van irritatie bij hem die zelfs na al die jaren en de nieuwe positie niet was afgenomen.

‘Ik kan er een zaak van maken’, zei ze, ‘om deze informatie boven tafel te krijgen, maar ik doe het liever op een vriendelijke manier. Per slot van rekening ben ik er niet op uit om jou noch het instituut tegen de haren in te strijken.’ 

Het getik van het potlood ging door totdat Eelco het op het bureablad liet vallen en zijn laptop opende. Het potlood rolde een aantal maal en kwam tegen zijn drinkbeker tot stilstand. Ze bleef zwijgen terwijl hij op het toetsenbord rammelde, en keek naar buiten. Op een heldere dag was vanaf de tweede de zee te zien, ver over de duinen van Meijendel heen. Hoewel de zon scheen, was het niet helder. Een heiige waas over het landschap beperkte het zicht.

‘Hmmm...’ Eelco’s gebrom bracht haar aandacht terug naar binnen. ‘Helaas kan ik je niet helpen’, zei hij en sloot de laptop. ‘Een aantal jaren geleden hebben we alle dossiers gedigitaliseerd maar een flink aantal ontbreken, waaronder die van jou.’

‘Hoe bedoel je: ontbreken?’, vroeg ze verward.

‘De dossiers werden bij een bedrijf in Rijswijk ingescand. Eén van de bestelwagens die de dossiers vervoerde, heeft een ongeluk gehad waardoor dossiers onherstelbaar beschadigd zijn geraakt. Het moet bijna wel dat die van jou daar tussen zat.’

‘Is dit boven tafel of probeer je me af te wimpelen?’ 

Haar opmerking deed zijn wenkbrauwen verbaasd omhoog schieten.

‘Geloof me: ik wil je helpen, maar jouw dossier is er gewoonweg niet. Heel spijtig, maar het is niet anders.’ Ze mompelde iets binnensmonds. ‘Sorry, wat zei je?’ 

Ze schudde het hoofd en stond op.

‘Bedankt dat je me meteen kon zien’, zei ze en liep de kamer uit. 

Pas in de gang, weg van Eelco Schippers en zijn secretaresse, schopte ze hard tegen de muur. De pijn die door haar been schoot, maakte haar weer rustig. Na twee hinkende stapjes kon ze normaal lopen en ging de trap af, de hal door en de tuin in. Daar haalde ze diep adem en met het hoofd in de nek kruiste ze het grindpad.

Willem was nog aan het verven. Hij was een hekje verder en had het krukje, de radio en de peut verschoven. De krant waarop het verfblik rustte, stond nu links van hem in plaats van rechts.

‘Ziet er mooi uit’, zei ze tegen hem.

‘Eelco gezien?’, vroeg hij.

‘Ja, maar hij kon mij niet helpen. Mijn dossier is bij een auto-ongeval in het ongerede geraakt.’ 

Hoewel ze zelf hoorde, dat zij dit laatste tussen aanhalingstekens zei, zei Willem:

‘Dat klopt. De chauffeur is er goed vanaf gekomen.’

‘Oh. Okee. Da’s in elk geval iets. Beetje jammer dat ik nu geen inzage in mijn verleden heb.’

‘Is het belangrijk?’ 

Zijn grote vragende ogen keken haar aan. Ze trok de schouders op.

‘Eigenlijk wel’, zei ze uiteindelijk. ‘Wil jij niet weten hoe je hier bent gekomen -mocht je daarvan niet op de hoogte zijn?’ 

Willem keek haar met een blanco blik aan. Hij was de verkeerde om dit soort vragen aan te stellen. Voor hem telde het hier en nu, niet het ooit eens of straks. 

‘Goed. Laat eigenlijk maar. Het gaat je goed, Willem’, zei ze als groet en liep bij hem vandaan. 

Ze moest haar teleurstelling niet op hem afreageren, maar ze kon het niet verbergen.

‘Jas...’ Zijn stem hield haar tegen. Ze draaide zich om. ‘Zien we elkaar weer?’

‘Vast wel.’ 

Ze stak haar hand op en liep verder, bedacht zich en ging terug naar hem. Ze haalde een Ikea potloodje uit de achterzak van haar broek en vond een kassabonnetje van Albert Heijn waarop zij haar telefoonnummer schreef. 

‘Hier’, zei ze, het papiertje naar hem ophoudend. ‘Mijn nummer. Bel me eens; kunnen we samen wat gaan drinken. Vind je dat een goed plan?’ 

De zachte blik die hierna in zijn ogen kwam, gaven aan dat hij het een pracht idee vond. Zijn reactie haalde de ergste scherpte van haar teleurstelling weg en ze was van mening, dat ze in elk geval niet voor niets naar Den Haag was gereden.

 

31. 

     Met haar elleboog leunend tegen de sponning van het keukenraam, hoofd in de hand, keek Lotte naar de parkeerplaats. Het werd omringd door de huizen met bewoners, de buren, die allemaal de auto voor de deur wilden hebben. Was dat bezet dan bleven ze wachten en vanachter de luxaflex kijken wanneer het plekje vrij kwam. Al was dit midden in de nacht: de buur zou naar buiten komen om zijn auto twee meter te verzetten. 

Een auto reed achteruit het parkeervak uit, draaide en ging in een rustig drafje langs de andere autos de hoek om en keerde de straat op. Nog geen seconde hierna liep een buurvrouw haar hekje uit, stapte in haar auto en reed deze twee autos terug om op de plek te parkeren waaruit de andere zojuist was vertrokken. Dit bevestigde Lotte’s gedachtengang van even ervoor. Ze vroeg zich af of de buurvrouw heel de middag bij het hek had staan wachten totdat de auto eindelijk de plek zou vrijmaken. Het kon ook zijn dat het kartonnen dennenboompje, bengelend aan de binnenspiegel van haar auto, een waarschuwing-systeem had. Wat het ook was: Lotte begreep veel, wist veel, maar dit soort zinloze handelingen gingen aan haar verstandelijk vermogen voorbij.

De buurvrouw ging terug naar binnen, tevreden glimlachend nu de auto bij haar tuinhek stond. Op het moment dat Lotte van het raam vandaan draaide, zag ze uit haar ooghoeken hun eigen auto de parkeerplaats oprijden. Afwachtend bleef ze staan. Jasmijn parkeerde op de plek die de buurvrouw voor haar had vrijgemaakt, pakte haar schoudertas van de achterbank en liep het pad op naar huis. Ze keek omhoog, zag de schim van Lotte achter de opengedraaide luxaflex en zwaaide. Ze wuifde terug en pakte een glas uit de kast waarin ze alvast een drankje voor haar mengde. Ze zette het glas op tafel toen Jasmijn naar binnen stapte.

‘Ha, lief’, groette ze.

‘Hai.’ 

Jasmijn vouwde haar armen om haar heen en ze kusten elkaar.

‘Lange dag gehad?’

‘Pffft. Moeizaam. Ik ben naar Den Haag gegaan. Ah, lekker.’ 

Ze zag het drankje op de tafel staan, pakte het glas en ging op de bank zitten. Een weldadige slok bracht weer wat leven in haar lichaam.

‘Maaiborg?’, vroeg Lotte, naast haar zakkend. Ze knikte. ‘Ik vroeg me al af waar je was.’

‘Hoe dat zo?’

‘Ik heb je een paar keer gebeld, maar toen je niet opnam, begon ik me zorgen te maken en heb toen de winkel gebeld. Haaye zei dat je onverwacht vrij had genomen.’ Ze keek naar het profiel van haar vrouw. ‘Waarom heb je me dit niet verteld? Dit is overigens geen verwijt, maar ik ben gewoon nieuwsgierig.’

‘Ik wist vanmorgen vroeg nog niet, dat ik die kant zou op gaan’, antwoordde Jasmijn. Voordat ze het glas terugzette, nam ze nog een slok. ‘Onderweg naar Alkmaar kreeg ik het ineens op m’n heupen. Al dat gedoe met Belletien en me niets van mijn jeugd kunnen herinneren...’

‘Dus ging je naar Maaiborg toe.’

‘Inderdaad.’

‘Vond je het niet vreemd om te gaan? Je had ook mij kunnen bellen dan was ik met je meegegaan.’

‘Het was iets dat ik alleen moest doen. Lief van je, maar ik wil van dat beeld van Maaiborg dat door mijn hoofd speelt afkomen. Het was inderdaad vreemd. Toen ik kwam aanrijden en alleen al de bomen zag, voelde ik m’n hart luid bonken. Bomen die ik jaar in jaar uit kaal en vol heb gezien en alle wisselende fases ertussen. Weet je wat me moed gaf?’ Ze wierp een blik naar Lotte die vragend de wenkbrauwen optrok. ‘Dat was toen ik Willem zag zitten verven. Ken je Willem nog? Hij zat met een gekromde rug bij het hek en de verfkwast ging met kalme streken heen en weer over de spijlen. Dat was zo rustgevend, de vertrouwde gestalte van Willem en dat verven... Als ik hem niet had gehad in Maaiborg, weet ik niet hoe het met mij zou zijn afgelopen.’

‘Iedereen heeft een Willem in het leven nodig’, merkte Lotte op, met haar wijsvinger over Jasmijn’s wang strijkend.

‘Een ander iets dat mij hielp om deze stap te nemen, zijn de jaren die ik met jou heb doorgebracht. Om het heel knullig te zeggen: met jou zijn heeft mij de kracht gegeven om mijn ergste nachtmerries met open ogen tegemoet te treden.’

‘Daar ben ik enorm blij om. Hoe is het gegaan?’

‘Niets wijzer geworden.’ 

Jasmijn zuchtte. De vermoeidheid van de spanning, het weerzien van het instituut na zo vele jaren, begon vat op haar te krijgen.

‘Iedereen die mij wat zou kunnen vertellen, is overleden.’

‘Oh?’

‘En nu is Eelco Schippers het hoofd van het instituut.’

‘Je meent het. Die man is zo onnozel als de pest.’ 

Hoewel Lotte in haar observatie louter van Jasmijn’s verhalen uit kon gaan, kende ze haar vrouw goed genoeg om te weten dat zij zowel objectief als eerlijk was. En Eelco Schippers had geen beste indruk op haar gemaakt. 

‘En hij wilde je zeker niet helpen?’

‘Toch wel’, zei Jasmijn, ‘maar hij kon mij niet verder helpen.’ 

Ze vertelde van het digitaliseren en de brand in het busje. Lotte kon het niet nalaten een korte, hatelijke lach te laten horen.

‘Dat komt ‘m goed uit’, concludeerde ze in een stem die ernstige twijfels bij de echtheid van het gebeuren was.

‘Willem vertelde hetzelfde verhaal over het busje, en Willem kan nu eenmaal geen leugen vertellen.’

‘Gat, man: da’s balen.’ 

De keukenklok tikte rustig. Een merel had op het dak plaatsgenomen en bakende zijn plekje af met luid gefluit. De zomer kwam er nu heel snel aan en hij had nog geen maatje gevonden. 

‘En nu?’, vroeg ze uiteindelijk. 

Jasmijn trok de schouders op.

‘Waarvoor belde je eigenlijk?’, vroeg ze toen.

‘Wanneer?’

‘Vanmorgen. Naar mij.’

‘Oooh. Oh ja: da’s waar ook. Ik belde je om te zeggen dat ik gevraagd ben voor een seminaar.’

‘Te bezoeken offe...?’

‘Eén te geven.’

‘Over het schrijven?’

‘Ja. Ik wilde weten wat jij ervan vond.’

‘Wil je het nog weten?’ 

‘Altijd, maar ik heb het al afgewimpeld. Het is niets voor mij. Ik ben niet het type om mensen te vertellen hoe ze moeten schrijven, om het over spanningsbogen en al dat soort larie te hebben. Je schrijft of je schrijft niet; je kunt het of je kunt het niet. En als je onder deze laatste groep valt, dan is het jammer, maar dit houdt niet in dat je het moet opgeven, zeker niet als het jouw passie is.’

‘Dit is een beknopt seminaartje van je waarvan elke schrijver blij zou zijn deze gevolgd te hebben’, merkte Jasmijn op.

‘Ha, dank je. Maar het is gewoonweg helder denken, en daar heeft men mij niet voor nodig.’ Ze zette haar voeten op tafel en vouwde haar handen achter het hoofd. ‘In elk geval hebben seminaars geen plek in mijn leven.’ 

Ze bekeek Jasmijn’s profiel, het profiel dat haar zo bekend was en soms zo ondoorgrondelijk. Vaak kon zij het gezicht lezen, de stemming peilen naar de uitdrukking die erop was. Soms was het, echter, moeilijk te doorgronden wat er allemaal in dat hoofd rondging. Ze legde een hand om Jasmijn’s nek en masseerde deze zachtjes. 

‘Ben je heel erg teleurgesteld?’, vroeg ze toen.

‘Maaiborg bedoel je? Nee. Je kunt het beter andersom zeggen, dat ik blij verrast zou zijn als ik wel informatie had gekregen.’ Ondanks haar woorden, liet ze zich een diepe zucht ontvallen. ‘Een beetje vervelend voel ik me er op dit moment wel over, maar dat gaat weer voorbij.’ 

Na een tweede zucht, zei ze:

‘Misschien is het wel goed dat die informatie er niet meer is.’

‘Hoe bedoel je?’

‘Ik weet het ook niet precies... Misschien wordt er een beerput aan ongewenste informatie over me uitgestort en daarop zit ik werkelijk niet te wachten.’

‘Aan de andere kant’, begon de eeuwige optimistische Lotte, ‘kan het zijn, dat jij een buitenechtelijke dochter van ex-koningin Beatrix bent en nu dus de rechtmatige opvolgster van in het koningshuis.’

‘Mmh, daar zit iets in. Zullen we een coup plegen?’

‘Op iets waarop jij vanwege jouw afkomst recht hebt?’ 

Lotte keek haar vragend aan.

‘Je hebt gelijk.’ 

Jasmijn schoof onderuit, glas in haar hand, en nam een slok. Na de dag die zij had gehad, was deze rust, dit geleuter met haar vrouw een welkome afwisseling. 

‘Vreemd, eigenlijk...’, begon ze.

‘De meeste dingen zijn vreemd’, beaamde Lotte zonder haar uit te luisteren. ‘Opgeblazen kogelvisjes in de straat vinden na een regenbui is vreemd.’

‘Meer bizar, eigenlijk.’

‘Een bizarre manier van vreemd zijn. Maar wat vind je vreemd, lief?’

‘Ehhh, waar hadden we het over?’

‘Dat jij een uitmuntende koningin zou zijn.’

‘Oh ja, ja. Ik bedoel dat opvolgen van het oudste kind als de heersende ouder letterlijk het scepter erbij neergooit. Wij zijn er zo aan gewend, dat we dit voor normaal aannemen.’

‘Wat eigenlijk nog erger is dan erfopvolging, of sterker nog: gênanter, zijn die ouwe rockers waarvan de kinderen nu meespelen in de band. Er was een moment dat rockers televisies uit hotelraam flikkerden en het volgende moment zit je met een couscoussalade in de hand met je zoon te praten over het optreden van eerder die avond.’ Ze schudde het hoofd. ‘Gênant... Misschien is pathetisch de beste omschrijving hiervan.’

‘Daarom is het maar goed dat wij geen dochter hebben’, merkte Lotte op. ‘Ik zou haar afmaken als zij schrijft en beter verkoopt dan ik.’

‘Er schrijft niemand beter dan jij.’.

‘Gelukkig kan ik altijd op jou vertrouwen om een gevoel van onbehagen bij mij weg te halen.’

‘Je bent jaloers op jouw imaginaire dochter.’ Ze schudde het hoofd. ‘En ik ben degene die in een instituut is gestopt. Merkwaardig.’

 

32. 

      Het was rustig in de winkel, zoals meestal het geval was in de tweede helft van de middag. Haaye zat lezend onderuit, Marleen was op bezoek bij Inge, en Jasmijn lummelde aan haar werktafel, genietend van een mok thee. Ergens in de winkel was meneer Van Zanten te vinden, maar ook hij maakte nauwelijks geluid, alleen als het omslaan van een bladzijde tegen het stof van zijn colbertje kraste. 

Jasmijn zette haar mok neer en haalde haar vibrerende mobiel uit haar broekzak.

‘Ha lief’, zei ze.

‘Hai. Alles goed?’

‘Prima.’ Haaye sloeg een snelle blik naar de hoek en las verder. ‘Met jou?’

‘Ook. Ik bel effies om te zeggen, dat ik straks naar Hans ga. Er schijnt een crisis situatie met Ria te zijn.’

‘Welke ex is dat ook weer?’

‘Ex nummer drie.’

‘Okee.’

‘Ik ga pas als Hans uit zijn werk komt, dus dat zal rond een uur of vijf, half zes zijn.’

‘Je bent niet thuis voor het eten?’

‘Precies.’

‘Dan zie ik je later wel.’

‘Mooi. Ik eet wel een hapje bij hem. Zie je straks weer, lief.’

‘Tot straks.’ 

Ze borg haar iPhone weer op. Dit was een mooie gelegenheid om de verrampeneerde boeken in orde te maken. Thuis leek zij hier niet aan toe te kunnen komen en het toeval wilde, dat ze hen vanmorgen in een AH tas mee terug naar de winkel had meegenomen.

Haaye sloot zijn boek, stond op en rekte zich uit. Hij pakte zijn jas en tijdens het aandoen, liep hij naar Jasmijn.

‘Ik hou het voor gezien voor vandaag’, zei hij. ‘Zal ik de waterkoker vullen voor nog een bak thee?’

‘Nee, dank je. M’n blaas maakt al overuren vandaag.’ 

Alleen de gedachte al aan weer een mok thee deed haar popelen om naar het toilet te gaan.

‘Dan zie ik je morgen weer. Fijne avond nog.’

‘Jij ook, dank je.’

‘Fijne avond, meneer Van Zanten’, riep hij van verre.

‘Ik loop een stukje met je op.’ 

De man zette het boek terug in de kast. Haaye bleef op hem wachten en gezamenlijk liepen ze de winkel uit. 

Na hun vertrek ging Jasmijn snel naar boven om haar blaas te legen en liep snel terug naar beneden, toen Marleen de winkel binnen kwam.

‘Dat gaat vlot’, merkte deze op, om zich heen kijkend. 

‘Haaye is net weg.’

‘Ik kwam ‘m buiten tegen.’ Ze keek naar de klok. Het liep tegen half vijf. ‘Tijd voor een drankje. Wil jij ook wat of ga je zo naar huis?’

‘Geef mij ook maar wat; er zit thuis niemand op mij te wachten.’

‘Dat klinkt bijna zielig.’

‘Maar niet desperaat, hoop ik.’

‘Zeker niet. Tic erin?’

‘Doe maar.’ 

Jasmijn pakte de boeken uit de tas en zette deze op tafel. Van een aantal moest niet meer dan de rug vastgezet worden, maar een stuk of drie zagen er behoorlijk gehavend uit. Ze zette die apart om er zich morgen samen met Haaye over te buigen. Ze sloot het inventarisboek en maakte plaats voor de glazen drank. Marleen trok er een stoel bij en ging aan de smalle kant van de tafel zitten.

‘Effies lekker, zo’n rustmoment’, zei ze.

‘Daar drink ik op.’ 

Jasmijn hief het glas naar haar en nam een slok.

‘Alles goed gegaan gisteren?’, vroeg Marleen na de toost.

‘Ja. Het was een gekke dag.’ 

Omdat er verder niet op ingegaan werd, zei ze:

‘Je bent dus een beetje weduwe vanavond.’

‘Er schijnt een familiecrisis te zijn met Lotte’s broer, en daar hou ik me liever buiten. Ik heb het niet zo op familie.’

‘Degenen die ik heb, zitten ver weg’, merkte Marleen op en vulde lachend aan: ‘Gelukkig.’

‘Jij hebt ook niets met familie?’

‘Nah, ze storen me niet. We hebben een verjaardags- en kerstkaartenverhouding en wat mij betreft is dat voldoende. Op een gegeven moment groei je uit elkaar en dat is gezond.’

‘Ik zou het niet weten; ik heb nooit familie gehad dus ook niet die toestanden die ik wel eens met Lotte en haar broer meemaak.’

‘Er zijn ook leuke kanten aan familie hebben.’

‘Zoals?’

‘Als kind zijnde kerstcadeautjes uitpakken’, zei Marleen met een brede lach na de vraag lang overdacht te hebben. ‘En de grote kamer krijgen als de oudere zus het huis uitgaat.’ Ze hoorde de kerkklok slaan en keek op haar horloge. ‘Ga je naar huis? Zo niet dan kunnen misschien samen wat gaan eten.’

‘Okee. Leuk.’

‘Wat wil je? Ik heb achtereenvolgens een Chinees in de aanbieding, een pizza of een patatje.’

‘Een frietje gaat er wel in. Het is lang geleden dat ik dat heb genomen.’

‘Er is hier verderop een patattent waar ze Vlaamse friet verkopen. Enorm lekker.’ 

Ze opende een boek en liet de blaadjes langs haar vinger glijden totdat het weer dicht was. 

‘Heb je er veel werk aan?’, vroeg ze met een knikje naar de boeken.

‘Bedoel je qua inventaris of...?’

‘Het plakken.’

‘Valt reuze mee, op deze paar na.’ Ze wees naar de boeken aan de andere kant van de tafel. ‘Er zit een oude bij, een soort manuscript, en daar ga ik de tijd voor nemen.’

‘Welke is dat?’ 

Jasmijn pakte het boek en gaf het aan haar. Marleen bekeek het aandachtig. 

‘Ziet er aangetast uit’, was haar conclusie.

‘Zekers, maar het is altijd vreselijk mooi om te zien, zo’n oud boek.’ Ze pakte het terug en legde het weer op het stapeltje. ‘Het is geen vellum, maar gewoon papier. Even opzoeken welke methode er het beste hiervoor gebruikt kan worden.’

‘En de anderen?’

‘Een pleiade...’ Ze pakte het boek. ‘Wel zonde van zo’n boek. Maar ook die komt in orde.’

‘Mooi.’ Marleen nam een slokje en stond op. ‘He, sinds we het over het eten hebben gehad, heb ik trek. Ga je mee? We sluiten de tent voor vandaag.’

Nog geen tien minuten later liepen ze zij aan zij buiten langs de winkels. De stoep was smal en Jasmijn liep er soms op en veerde dan weer naar de straat. Hoewel er dikke wolken in de lucht hingen, was de temperatuur aangenaam en bijna warm te noemen.

‘Heeft Schimmel nog iets van zich laten horen?’, vroeg ze bij het binnenlopen van de frieterie.

‘Nee. Hij heeft nog één keer gebeld om te vragen of ik de overvallers nog had teruggezien en of het boek al boven water was gekomen’, antwoordde Marleen. ‘Wat wil jij?’

‘Een vlaamse friet, natuurlijk, en... effe kijken of ze hier groentekroketten hebben.’

‘Die hebben we’, zei de jonge vrouw aan de andere zijde van de toonbank.

‘Dan een vlaamse friet en twee kroketten’, zei Jasmijn.

‘Doe mij maar hetzelfde.’

‘Meenemen? Okee, en mosterd bij de kroketten?’

‘Nee, die heb ik thuis’, antwoordde Marleen. 

Het meisje deed de frieten in het vet en Jasmijn rekende af.

‘Ik vraag me af wat er met dat Poolse boek aan de hand is’, zei ze tegen Marleen.

Beiden leunden met de rug tegen de wand naast de evenementenkalender van Alkmaar.

‘Geen flauw idee, maar als men bereid is daarvoor in te breken, zal het geen Havank zijn waarvan er duizenden van de pers zijn gekomen.’

‘Of Konsalik’, vulde ze grijnzend aan.

‘Mijn persoonlijke favoriet.’ 

Marleen lachte. Als ze lachte, kreeg ze lachrimpels naast haar mond die haar gezicht nog aantrekkelijker maakte in Jasmijn’s ogen. Hieraan denkend, vroeg ze:

‘Heb je Sonia nog gezien na die laatste keer?’

‘Nee.’ Ze schudde het hoofd. ‘Volgens mij zit zij overal achter.’

‘Dat vermoeden had ik ook. Hoezo denk jij dat?’

‘Het viel me op dat telkens als ik met haar ging drinken, ik de volgende dag wakker werd zonder te weten wat er de avond ervoor was gebeurd. En ik voelde me altijd ziekelijker dan ik normaal doe met een kater.’

‘Je denkt dat ze wat in jouw drankje heeft gedaan?’

‘Zeker weten. Ik heb het met José over gehad en...’

‘Eh, José?’, onderbrak Jasmijn haar.

‘Die politieagente die bij me was toen ik in huis was overvallen.’

‘Oh, die, ja. En?’

‘Haar vermoeden is, dat er iets in werd gedaan in de geest van rohypnol.’

‘Ach jezus, puur vergif, man.’

‘Zeg dat wel. Als ik het laatste glas dat zij voor mij had gemaakt had gedronken, had ik waarschijnlijk niets meegekregen van de overval.’

‘Heb je de inhoud daarvan nog laten onderzoeken?’

‘Nee. Ik had het al weggegooid toen ik er met José over begon.’

‘Jammer. En je weet zeker dat ze dat illustere boek zochten?’

‘De manier waarop ze door mijn boekenkasten klauwden, laat hier geen twijfel over bestaan’, antwoordde Marleen. ‘Zeker niet nadat ze eerder de kasten in de winkel overhoop hadden gehaald.’

‘Je denkt dat het hier om dezelfde mensen gaat?’

‘Zeker weten. Of er moet een bende bibliofielen zijn die koste wat het kost een bepaald boek willen hebben, maar dat lijkt mij sterk.’

‘Het idee is wel grappig’, zei Jasmijn met een lachje. ‘Ik zie me van die bebrilde mannen met verwilderde haardossen, gewapend met boekleggers alle boekhandels aflopen om de eerste editie van  “de gebroeders Karamazov” te pakken te krijgen.’ 

Marleen grinnikte eveneens. Plots schoot er een gedachte door haar hoofd en ze voelde haar lichaam verstijven. Jasmijn was juist naar voren gestapt op het tasje van de toonbank te pakken, en had niet door wat er achter haar gebeurde. Pas toen ze zich omdraaide en Marleen’s strak starende blik ving, vroeg ze wat er was. Marleen antwoordde niet, liet Jasmijn met een knikje van het hoofd weten dat ze naar buiten moesten, ging haar voor en wachtte.

‘Dat boek dat je net liet zien’, zei ze.

‘Welk?’

‘Dat manuscript-achtige geval. Denk je niet dat we dat nader moeten bekijken?’

‘Huh? Je denkt dat...’ Jasmijn maakte haar zin niet af.

‘Zou heel goed kunnen’, antwoordde Marleen, langzaam knikkend. 

Naast elkaar liepen ze terug, de passen gehaaster dan op de heenweg. 

‘Het is zomaar een idee, maar dat boek valt enorm uit de toon naast al die andere boeken.’

‘Okee. Niet lullen, maar lopen’, klonk Jasmijn’s advies. 

Marleen opende de deur naar de winkel. Zodra beiden binnen waren, sloot ze de deur snel achter zich en zette meteen het alarm aan. Jasmijn liep door naar haar tafel en deed het licht aan.

‘Licht uit, Jas’, beval ze direct. ‘Sinds de overval heb ik het gevoel dat ik in de gaten word gehouden en we zitten hier in een vissenkom als het licht aan is.’ 

Het lampje werd meteen gedoofd. Jasmijn pakte het boek en met dit in de ene, de tas met eten in de andere hand, volgde ze Marleen naar boven.

Ze legde het boek op de tafel in de woonkamer en vertrok naar de keuken voor de mosterd. Alles goed en aardig maar ze stierf van de honger. Marleen draaide de luxaflexen half dicht en riep haar na:

‘Mosterd staat in het kastje links van de wasbak en mayo in de koelkast.’ 

Ze deed het licht aan en ging op de bank zitten, starend naar het manuscript. Jasmijn zette de mosterd en mayonaise neer en wisselde een blik met haar.

‘Denk je dat dit het is?’, vroeg ze.

‘Misschien... Waarschijnlijk. Dit is het enige boek dat uit de toon valt tussen alle anderen.’ 

Ze pakte haar plastic bakje friet aan.

‘Wil je het op een bord?’

‘Nee, is goed zo.’ 

Met een vorkje schepte ze mayo op haar friet en nam een hapje. Het was heet. Door haar open mond liet ze koele lucht naar binnen stromen.

‘Hoe bedoel je: uit de toon vallen?’, vroeg Jasmijn toen zij naast haar ging zitten.

‘Het zit zo: de overige boeken zijn pleiades, sets van –gut, hoe heet die reeks ook weer, die van die Latijnse en Griekse boeken. Er zijn privé domeins en de Russische bibliotheek. Dat was allemaal van die overleden bibliofiel, weet je nog, toen jij tegen de grond werd gelopen door onze Poolse vriend. En als er dan zo’n boek als dit tussen zit dan zet het mij tot denken aan.’

‘Er waren ook nog anderen’, herinnerde Jasmijn haar eraan.

‘Klopt, maar je kent bibliofielen: alles moet een reeks zijn, een serie. Als deze bibliofiel zo’n boek had gehad…’ ze wees naar de tafel ‘…dan zouden het er meerderen zijn geweest. Was dit het enige boek dan zou hij het apart hebben gehouden.’

‘Je kent bibliofielen, maar ken jij daarnaast ook de onnozele familie van een bibliofiel?’ 

Jasmijn nam een hap van haar kroket, kauwde het vlot weg en vervolgde: 

‘Ze smijten alles bij elkaar omdat ze er niet snel genoeg geld voor kunnen binnen harken. Maar ik snap waar je naartoe wilt’, zei ze er snel achteraan toen Marleen de mond opende om hier iets tegenin te brengen. ‘Vraag blijft: wat is het?’ 

Ze keken elkaar aan. Marleen sloeg de omslag voorzichtig open. De titelpagina was met inkt beschreven. Jasmijn boog zich verder voorover maar het lukte haar niet op te maken wat het was.

‘Wat voor taal is dat in godsnaam?’, vroeg Marleen uiteindelijk.

‘Als we van het type boef uitgaan dat de laatste tijd om ons heen hangt’, antwoordde Jasmijn, ‘is mijn waarschijnlijk niet geheel de plank misslaande gis: Pools.’

‘Pools.’ Marleen knikte. Jasmijn’s  deductie kon een juiste zijn. ‘Mooi. Ken jij Pools?’

‘Helaas. Het toeval wil dat ik een paar maanden geleden ben begonnen met Pools te leren, maar het is er totaal bij ingeschoten.’

‘Waarom wilde je Pools leren?’ 

Marleen keek haar verbaasd aan. Ze trok de schouders op en zei:

‘Het is wat anders. Ik hou er wel van om niet de al te platgelopen paden te betreden.’

‘Maar je bent er niet mee verder gegaan.’

‘Klopt. Na dobzre en jutro wieczorem is mijn kennis uitgeput.’ 

Ze lachte en vroeg wat het betekende.

‘Geen flauw idee meer’, zei Jasmijn met een grijns. ‘De klanken waren mooi, dus die heb ik onthouden. En daar stopt mijn kennis van alles wat Pools is.’

Al etende sloeg Marleen de volgende paginas open. Alles was in inkt geschreven. Beiden probeerden hier en daar een woordje eruit te pikken, maar de taal was onleesbaar, mede door de zwierige handgeschreven letters. Het manuscript zelf maakte een verweerde indruk. 

Marleen voelde een pagina tussen haar vingers, en vroeg:

‘Vellum, denk je? Oh nee, jij dacht niet aan vellum.’

‘Nee. Mijn eerste indruk is papier.’

‘Dat was ook de mijne. Het voelt stevig aan; vandaar dat ik dacht dat het vellum was. Het is knap oud, maar hoe oud… Enig idee?’

‘Sorry, nee. Ik zou het niet durven zeggen.’ 

Ze bestudeerden de titelpagina aandachtiger dan voorheen, op zoek naar een datum, desnoods een indicatie ervan.

‘Kazi...’, begon Marleen, de letters bijna één voor één oplezend, ‘...mi... Is dat een e?’, vroeg ze, om na Jasmijn’s knikje te vervolgen met: ‘...erz. Wat spelt dat: Kazimierz?’

‘Inderdaad.’

‘Kennen we een Kazimierz?’ 

Met onderzoekende ogen keek ze Jasmijn aan.

‘Niet persoonlijk’, antwoordde deze met een schuin glimlachje. ‘Ik ken wel Hendrik Casimir, helaas ook niet persoonlijk. Die is bekend van zijn supergeleiding model.’

‘Ik begrijp bijna waar je het over hebt’, zei Marleen zonder overtuiging.

‘Hendrik Casimir was een Nederlands natuurkundige. Ik hou ervan dit soort dingen te weten. Maar onze brave Hendrik was van een later tijdperk dan dit papier, dus vermoedelijk zal het niet over hem gaan. Of we moeten met een Poolse Nostradamus te maken hebben, de man van de vage gissingen die men nu voor waar aanneemt.’

‘We gaan er vanuit dat het Pools is?’

‘Ik dacht dat we het daar over eens waren. Ken jij iemand die Pools kent?’

‘Nee’, zei Marleen hoofdschuddend. Toen: ‘Inge heeft een schoonmaakster en die is geloof ik Pools.’

‘Mooi. Misschien dat zij hier wijs uit kan worden.’ 

Jasmijn pakte haar laatste kroketje op en besmeerde het met mosterd. Marleen ging achteruit zitten en vouwde de armen over het hoofd. 

‘Wat een toestand, zeg.’ 

Ze keek opzij naar Jasmijn, naar het profiel van de vrouw die zij ten volle vertrouwde. Sommige mensen straalden iets uit waardoor zij wist, dat het goede mensen waren, en Jasmijn viel onder dit selecte groepje. 

‘Hoe gaan we het aanpakken, Jas?’, vroeg ze. ‘De schoonmaakster het boek onder de snufferd schuiven en vragen wat er staat?’

‘Dat is de eenvoudige manier.’ Ook Jasmijn leunde naar achteren en trok een been onder zich. ‘Maar ten eerste is het een oud boek dus voorzichtig zijn is hierbij de hoofdmoot. Ten tweede is een andere reden om voorzichtig te zijn: mocht dit daadwerkelijk het boek zijn waarvoor ruige types met immense tatoeages inbreken dan is het niet verstandig om hiermee rond te zeulen.’ 

Marleen moest toegeven dat zij hier een punt had. 

‘Heb jij een idee?’, vroeg ze uiteindelijk. ‘Wil je trouwens iets drinken?’

‘Nee, ik ga zo naar huis toe, dank je. Ehmm, we kunnen kopietjes maken van een paar bladzijden en deze de schoonmaakster voorschotelen.’

‘Goed idee, maar ik heb niets waarmee je kopieën kunt maken.’

‘Wij wel, thuis. Wat dacht je ervan als ik het mee naar huis neem, een paar kopietjes maak en het boek op een veilige plek weg leg?’

‘Vind je het niet eng?’, vroeg Marleen nadat ze dit voorstel knikkend had ontvangen.

‘Ik maak wel vaker kopietjes.’ 

‘Ik bedoel’, vervolgde ze lachend, ‘om met dit boek over straat te gaan?’

‘Omdat jij het gevoel hebt in de gaten te worden gehouden?’

‘Het is niet een gevoel; ik weet gewoon dat dit zo is.’

‘Ik geloof je.’ Jasmijn stond op. ‘Ik zal het boek in een onnozel nietszeggend plastic tasje doen en daarmee naar de auto lopen. Misschien dat deze handeling de boeven op het verkeerde pad brengt.’

‘Misschien werkt dat’, beaamde Marleen en stond eveneens op. 

Jasmijn pakte het boek van tafel en ging haar voor de trap af. Bij de tafel aan gekomen pakte ze een plastic tasje uit haar schoudertas, en pakte het boek. 

‘Is de deur open?’, vroeg ze. 

‘Momentje...’

Marleen liep met de sleutel in de hand naar de deur.

Jasmijn sloeg de band van haar schoudertas kruislings over haar lichaam, pakte haar autosleutel en liep naar de deur.

‘Als ik niets mee van jou hoor’, zei Marleen, de deur van het slot halend, ‘dan weet ik in elk geval dat dit het boek was waar men naar zocht, dat je het hebt verkocht en nu in Brazilië zit.’

‘Correct op een aantal punten na’, zei Jasmijn. 

Ze leunde tegen de zijkant van de open deur en keek naar Marleen. Koele buitenlucht zwiepte naar binnen. Marleen’s ogen straalden in het witte licht van de maan. 

‘Morgen kom ik gewoon werken, heb dan kopietjes bij me, en wat moet ik in hemelsnaam in Brazilië doen?’

‘Mojitos drinken’, suggereerde Marleen.

‘Die verkopen ze ook bij Aarnoud. Tot morgen.’

‘Tot morgen.’ Een momentlang legde Marleen haar hand rond Jasmijn’s bovenarm. ‘En doe voorzichtig.’

Jasmijn liep bij de winkel vandaan en luisterde naar het sluiten van de deur waarna ze in een vlottere pas naar de parkeerplaats er doorliep. Ze ging de brug over en kruiste het plein. Het plastic tasje had ze eenmaal om haar hand geslagen zodat ze er een steviger greep op had. 

Haar auto was de enige die nog op de kleine parkeerplaats achter het plein stond. Daar aangekomen, keek ze om zich heen. Ze zag een man zijn hond uitlaten en een jong stel dat over straat slenterde. Tevreden knikkend opende ze de deur aan de passagierskant en schoof haar schoudertas op de stoel. Terwijl ze dit deed, legde ze de plastic tas op het dak van de auto. De deur weer sluitend, strekte ze tezelfdertijd haar andere hand uit naar het tasje toen er bijna onhoorbare snelle stappen achter haar klonken en het tasje onder haar vingers vandaan werd gegrist.

‘Hee hee!’, riep ze. 

De man met de hond keek op. Het jonge stel liep onverstoorbaar verder. De stille voetstappen verdwenen in de duisternis. 

‘Godverdomme!’, vloekte ze en sloeg met haar vlakke hand tegen het metaal. 

Vloekend stapte ze in, reed het parkeervak uit en langs de gracht naar de weg. Daar maakte ze vaart tot aan het laatste stoplicht voordat de grote weg begon. Stilstaand voor het licht boog ze haar lichaam naar achteren, pakte een voorwerp vanachter haar broekriem vandaan en stopte deze snel in haar schoudertas. Het boek van Kazimierz had de aanslag overleefd.

 

33. 

     ‘Waar ben je?’, vroeg Lotte.

‘Op weg naar huis.’

‘Kun je me bij Hans op komen halen?’

‘Zijn de kinderen er?’ 

Na een kort grinnikje, zei Lotte:

‘Nee, alleen Hans en ik.’

‘Okee. Ik ben er met een half uurtje.’

‘Mooi. Zie je zo.’

‘Oh, trouwens: ik blijf buiten in de auto op je wachten. Ik leg straks wel uit waarom.’

‘Spannend. Tot straks.’

De verbinding werd verbroken en Jasmijn gaf de weg weer haar volle aandacht. 

Het viel haar zelf op, dat ze veelvuldig in de achteruitkijkspiegel tuurde. Dit gebeurde vaker dan normaliter het geval was. Het leek erop dat niemand haar auto volgde. Dat type die het plastic tasje met inhoud van haar had meegestolen, moest er inmiddels wel achter zijn dat hij een Agatha Christie omnibus te pakken had. Hoe dit ontvangen werd? Het zou ofwel in de boekenkast thuis tussen de anderen geschoven worden, ofwel werd het geïrriteerd opzij geslingerd. 

Hoe wisten ze dat zij het boek bij haar had? Was het een gok geweest of wilden ze iedereen die met een boek de winkel uit liep overvallen? En wie waren “ze”? Te veel vragen op deze avond. Ze had zin in een vakantie of een wellness weekendje, samen met Lotte. Gewoon luieren en in slaap vallen, waar en wanneer ze wilde.

Met een vluchtige blik opzij zag ze dat ze werd ingehaald door een Smart. Deze had een aantal kilometers achter haar gezeten en kwam nu langszij, langzaam, aangezien de Smart niet al te veel trekkracht had. Het licht van de lantaarns gaf het zicht op twee jonge mannen die lachend naast elkaar zaten, zonder enige aandacht voor haar. Toen zij voor haar invoegden, minderde ze ongemerkt vaart. De Smart reed gestaag van haar vandaan en ze kon weer opgelucht ademhalen.

Ze was blij eindelijk in de buurt van Beverwijk te zijn en reed in een drafje door. Het was rustig. Na een zigzag van straatjes stopte ze voor de deur van de woning van Hans en belde Lotte.

‘Ik ben er’, was het enige dat ze zei.

‘’k Kom eraan.’ 

Een paar tellen later ging de voordeur open. Ze zwaaide naar Hans. Lotte nam afscheid van haar broer en klikte een paar keer de deurhendel aan de passagierszijde heen en weer. Ze haalde het van het slot af en liet haar instappen. Lotte pakte de schoudertas van de zitting en legde deze op haar schoot voordat ze Jasmijn kuste.

‘Wat is er allemaal zo geheimzinnig vandaag?’, vroeg ze toen ze de straat uit reden.

‘Zo meteen’, zei Jasmijn. ‘Eén verzoek: hou m’n tas goed vast, alsjeblieft. Ik ben vanavond al bestolen.’

‘Meen je dat nou? Wat hebben ze van je meegenomen?’

‘Straks.’

‘Oee, je bent lekker spraakzaam vanavond.’ 

Lotte keek naar buiten en zweeg.

‘Hoe was het bij Hans?’

‘Ach man, dat wil je niet weten. Linda, da’s z’n derde, had sinds een tijdje een nieuwe vriend en deed daar heel geheimzinnig over. Bleek dat die kerel getrouwd was en er nog een vriendin naast haar op na hield.’ 

Jasmijn schoot in de lach. 

‘Dat was ook mijn reactie’, gaf Lotte grinnikend toe, ‘maar ze was er knap van streek van en zoek dan de janlul van de familie op om bij uit te huilen, en komt uiteraard bij Hans terecht.’

‘Gotgotgot’, zuchtte Jasmijn. ‘Hoe kwam ze er eigenlijk achter dat hij nog een andere vriendin had?’

‘Tezelfdertijd dat ze erachter kwam dat hij ook nog getrouwd was, en niet het plan had om te gaan scheiden. Yoga. Je weet dat al die dames van middelbare leeftijd yoga hebben ontdekt en ze is tijdens zo’n sessie of les, of hoe het ook heet in yoga kringen, aan de praat geraakt met een andere vrouw. En waar praten hetero vrouwen over als ze samen zijn?’ 

‘Mannen.’

‘Inderdaad. Wat goed van jou.’

‘Geloof me, schat, dat ik er geen flauw benul van heb wat er in het hoofd van een hetero vrouw rond gaat, maar dit leek me het enige juiste antwoord.’

‘Mijn hetero-kenner.’

‘Maar ga verder...’, drong Jasmijn aan voordat ze voorgoed van het onderwerp afdwaalden.

‘Van het éen kwam het ander: namen werden genoemd, een foto op de iPhone deed de ronde, en voor ze het wisten, bleek dat ze beiden met dezelfde man aan het scharrelen waren. Tranen met tuiten.’

‘Heeft ze die vent een knal voor z’n harses verkocht?’

‘Nee, dat doe je niet op middelbare leeftijd, alleen als je Italiaans bent. Ze heeft het meteen uit gemaakt, de sleutel terug genomen en lamme goedzak Hans gebeld om bij hem uit te huilen.’

‘Daar zal ie blij mee zijn.’

‘Je kent Hans’, zei Lotte schouderophalend: ‘Vooral geen confrontatie, dus hij zal haar niet lachend de deur wijzen en een “ik zei het toch” naar haar toe gooien.’

‘Elke hetero vrouw heeft een Hans nodig.’ 

Jasmijn reed de parkeerplaats op en stalde de auto naast het electriciteitshuisje. Beiden stapten uit. Lotte deed Jasmijn’s tas om haar schouder en sloeg er een arm omheen. Ze liepen het pad op langs de omheinde tuintjes naar de toegangsdeur van hun flat. Terwijl zij de post uit de bak haalde, liep Jasmijn door naar boven, opende de deur en ging naar binnen. Een paar seconden later kwam ook Lotte binnen.

‘Nou, vertel’, zei deze meteen. 

Jasmijn sloot de gordijnen voordat ze het licht aandeed. 

‘Wacht effies, eerst een drankje. Jij ook eentje, Jassie?’

‘Lekker.’ Ze pakte de schoudertas en ging op de bank zitten. ‘Je weet van al die dingen die we de laatste tijd in de winkel hebben meegemaakt?’, begon ze met een blik naar de keuken. Lotte knikte.

‘Inbraken, vernielingen, bedreigingen, gescheurde bovenlip van jou -laten we die niet vergeten’, somde ze op. ‘En mensen maar zeggen dat boeken saaie dingen zijn.’ 

Ze kwam met twee glazen uit de keuken en plofte naast haar neer. 

‘Op het saaie boekleven, lieverd’, toostte ze.

‘Op ze.’ 

Jasmijn nam een slok en merkte dat Lotte zoals gewoonlijk niet scheutig met de wodka was geweest. 

‘Vandaag’, vervolgde ze, ‘hebben Marleen en ik vermoedelijk het boek gevonden waarom de halve wereld vecht.’

‘Werkelijk? Wauw. Is het er eentje van mij waar men om vecht?’

‘Helaas, hoewel jouw boeken dat wel waard zijn.’

‘Het is heerlijk om met jou getrouwd te zijn.’ 

Lotte kuste haar wang. Jasmijn haalde voorzichtig het boek uit haar tas en legde het op de voetenbank. Met de ellebogen steunend op haar bovenbenen boog Lotte zich voorover om het boek beter te kunnen bekijken. 

‘Waanzinnig’, zei ze zacht. ‘Pools, denk je?’

‘Volgens Mar en mij wel’, bevestigde Jasmijn. ‘Eenvoudige deductie: de winkel wordt onder de voet gelopen door Polen en ervan uitgaande dat ze niet de laatste blauwe bandjes willen hebben...’

‘Uh-huh, mijn idee. Mag ik eraan komen?’

‘Uiteraard, maar wel voorzichtig. Ze heeft al wat geleden toen ze in mijn broekband verstopt zat.’

‘In jouw broekband?’

‘Moest wel, omdat er onaangename types de winkel in de gaten houden volgens Marleen.’

‘Nah, dat kan een reactie van haar zijn als gevolg van die gasten die bij haar zijn binnengedrongen. Erg genoeg, natuurlijk, maar om daaruit te concluderen dat ze de winkel polsen is misschien een beetje ver gezocht.’

‘Misschien. Maar omdat ik vanavond van een boek ben beroofd, heb ik wel de neiging Marleen de voordeel van de twijfel te geven.’

‘Wat? Is dat waar je het daarstraks over had en dat vertel je me nu pas?’ 

Met een verwijtende blik keek Lotte naar haar.

‘Niets aan de hand. Ze wilden dit boek; ik heb ze ander leeswerk voorgeschoteld.’

‘Hoe is--wat is er gebeurd dan?’ 

Jasmijn vertelde hoe het boek van haar vandaan gegrist werd, hoe ze dit verwachtte en waarom zij het andere boek, het boek waar het om ging, op haar lichaam had gedragen. 

‘Jezus, Jas, ik word niet blij van dit soort verhalen.’ 

Vertwijfeld schudde Lotte het hoofd.

‘Ik ben er toch goed vanaf gekomen?’, bracht Jasmijn hier tegenin.

‘Nu. Nu wel, maar wat van een volgende keer? Ongetwijfeld gaat er een volgende keer komen en dan wat dan; moet ik jou dan van de straat aflepelen?’

‘Je ziet hoe voorzichtig ik ben.’

‘Daar gaat het niet om; het gaat er om hoe de tegenpartij is. Als jij het spel volgens de regels speelt en de tegenstander heeft daar lak aan en we hebben een scheidsrechter die meer belang heeft bij de sponsors dan bij de wedstrijd, heb je grote kans dat jij met een paar kapotte knieën van het veld afgedragen wordt.’

‘Voor iemand met nihil kennis van sport, breng je een aardige beeldspraak naar voren.’

‘Ik weet niets van sport, maar alles van vuil spel. Vuil spel is tegenwoordig sport, vergeet dat niet. Als je met rottigheid weg kunt komen, ben je volgens de vox populi een slimme gast. Waarom denk je dat al die wielrenners dope gebruiken? Omdat ze ermee wegkomen en het klootjesvolk hen blijft toejuichen. Zo is het leven nu eenmaal. Maar het interesseert mij geen lor wat er met een paar kloothommels op een fiets gebeurt; waar ik me zorgen om maak, is de kans dat er jou iets kan overkomen.’

‘Ik zal er voor zorgen dat dit niet gebeurt. En kom alsjeblieft niet weer met sport vergelijkingen’, zei Jasmijn er snel achteraan toen Lotte de mond opende.

‘Okee. Ik kap ermee’, zei ze. ‘Laten we alles pragmatisch bekijken en bedenken wat er nu gaat gebeuren. Wat hebben jij en Mar zoal bedacht?’

‘We hadden het idee om een kopietjes te maken van een aantal bladzijden om deze aan de schoonmaakster van Inge te laten zien.’ 

Zodra Jasmijn dit plan had uiteengezet, schoot Lotte in een schaterlach.

‘Fantastisch!’, zei ze, nog steeds lachend. ‘Al zou ik uren aan m’n bureau zitten: zo’n zin kan ik niet bedenken. Laten zien aan de schoonmaakster van Inge... Wie leidt jullie bende: de accountant van Buko?’

‘Okee, je hebt je hilarisch momentje gehad’, merkte Jasmijn op, desondanks grinnikend om de aanstekelijk lach. ‘Wat ik vergat te zeggen, is dat de schoonmaakster van Poolse afkomst is. We hopen dat zij in elk geval kan zeggen wat dit voor boek is.’

‘Ik begrijp het’, zei Lotte, nahinnikend. ‘Maar is dat verstandig?’

‘Heb jij een beter plan?’

‘Wat dacht je ervan om die politieman met die dure naam in te schakelen?’

‘Nee.’

‘Dat is het werk dat hij doet en waar hij goed in is.’

‘Nee.’

‘Fijn dat je het overweegt.’

‘Je weet dat ik een foeihekel heb aan autoriteiten en hoewel Schimmelpenninck minder ergerlijk is dan de meesten, blijft hij een autoriteit, iemand die zijn gezag te pas en te onpas kan laten gelden. Daar pas ik voor.’

‘Okee. Okee...’ Lotte stopte haar gezicht tussen haar handen en blies een lange stroom lucht uit. ‘Laat me even denken, lief. Pak jij intussen een paar chippies voor ons.’

‘Chipito?’

‘Nee, dat is gewoon de manier waarop ik kijk.’

Jasmijn stond hoofdschuddend op en liep de keuken in. Ze deed paprikachips in een bakje en vulde een ander met nibbits.

‘Weet je wat’, begon ze toen Jasmijn weer naast haar zat, ‘ik vraag onze vriend DuckDuckGo wie Kazimierz is.’ 

Ze pakte haar iPad erbij en tikte de naam in. Na lang turen, zei ze: 

‘Okee, Kazimierz is dus een Joods district in Polen.’

‘Probeer de naam met “schrijver” erachter’, stelde Jasmijn voor. 

Lotte deed wat er van haar werd verlangd en tuurde nogmaals.

‘Er is een schrijver Kazimierz Moczarski en eentje met de achternaam Brandys. Deze laatste ken ik overigens wel. Zijn boek “Rondo” heeft mij ooit eens geïnspireerd om een verhaal te schrijven over revolutionairen. Is er nooit van gekomen. Misschien dat ik het weer eens oppak.’

‘Is dat niet een beetje te serieus voor jou?’, vroeg Jasmijn.

‘Wie beweert dat het een serieus verhaal wordt? In elk geval zijn deze schrijvers van een latere tijd dan dit manuscript. Weet jij nog iets dat we in de omschrijving kunnen gebruiken?’ 

Ze keek naar Jasmijn die na een moment nadenken het hoofd schudde.

‘Ik heb de laatste paar dagen teveel informatie gehad’, zei ze, bijna verontschuldigend. ‘Mijn hersens zijn afgepeigerd. Verzoekje, lief: wil jij het boek opbergen waar niemand het kan vinden?’

‘Tuurlijk, ik verzin wel iets.’

‘Dank je. Nog een verzoekje: zou jij een paar bladzijden willen kopiëren zodat ik die morgen mee kan nemen? Dan ga ik nu naar bed.’

‘Komt voor elkaar. Kus’, zei Lotte toen Jasmijn opstond om naar bed te gaan. 

Ze kusten elkaar en Jasmijn ging door naar bed. 

Lotte maakte kopietjes en ging op de bank zitten, het boek op de zitting naast de hare, en dacht na.

 

34. 

     Haaye was verbaasd Marleen en Jasmijn al in de winkel te zien toen hij binnenkwam. Ze zaten naast elkaar aan Jasmijn’s tafel, de hoofden gebogen en groetten hem nauwelijks toen hij langs liep om zijn fiets in het berghok te stallen. Bij terugkomst ging hij naast hen staan en keek naar waar zij mee bezig waren.

‘Wa’s dat?’, vroeg hij uiteindelijk. 

Door de haarbossen heen kon hij niet goed zien welk boek zij lazen. Marleen overhandigde hem een vel papier en zei:

‘Kijk en huiver.’ 

Hij bekeek wat er op het blad geschreven was en van dit keek hij naar Marleen.

‘Is dit...?’, vroeg hij toen. 

‘Volgens ons wel.’

‘Jezus, man.’

‘Ik had het zelf niet beter kunnen verwoorden.’

‘Wat is het voor taal: Pools?’

‘Volgens ons wel. Inge’s schoonmaakster is Pools dus we dachten haar te vragen om uit te leggen wat er staat.’ 

Terwijl Marleen aan het praten was, bekeek Haaye het blad aandachtiger en pakte toen een volgende van Jasmijn aan.

‘Het is niet gedrukt. Ik denk dat het moeilijk te ontcijferen wordt wat er staat.’ Met de handen in zijn zij dacht hij na. ‘Weet je, ik heb een maat die veel connecties heeft met antiquariaten. Zal ik hem vragen of hij iemand kent die dit kan ontcijferen?’

‘Da’s een goed plan’, zei Marleen meteen. ‘Iemand die in het vak zit, weet waarschijnlijk beter hoe hiermee om te gaan.’

‘Is het wel verstandig om dit langs veel mensen te laten gaan?’, vroeg Jasmijn.

‘Nou ja, jullie wilden het aan een schoonmaakster laten zien’, merkte Haaye op.

‘Okee, maar een schoonmaakster weet misschien niet de significantie hiervan.’

‘Dat is wel heel erg stereotypisch.’

‘Je hebt gelijk, maar soms is hoeken afsnijden makkelijker dan een omweg nemen en op hetzelfde punt uitkomen. We kunnen natuurlijk van de premisse uitgaan, dat Inge’s schoonmaakster op dit moment Dante aan het lezen is, maar stereotypen zijn niet zomaar ontstaan, dus laten we die in acht nemen. Desondanks wil ik graag op een verpletterende manier teleurgesteld worden in mijn aanname.’

’Maar je vermoedt dat dit niet het geval zal zijn’, concludeerde Haaye.

‘Ik kan alleen maar hopen.’

‘Ik ben toch geneigd om met Haaye’s voorstel mee te gaan’, kwam Marleen tussenbeide. 

Jasmijn trok de schouders op. 

‘Iedereen akkoord?’ 

‘Okee’, zei Jasmijn.

‘Leg contact met die vriend van je’, zei ze tegen Haaye, ‘zodat we dit zo snel mogelijk opgeklaard hebben.’

‘En dan?’, vroeg hij.

‘Dan zien we wel verder.’

‘Waar is het origineel eigenlijk?’

‘Dat is veilig opgeborgen.’

‘He, jammer; die had ik graag in handen gehad.’

‘De pest is, Haay’, zei Jasmijn: ‘er zijn zovelen die dat willen.’

 

     De bus naar Beverwijk stopte bij het Julianaplein. Lotte stapte in. Ze ging in een stoel aan het gangpad zitten en staarde voor zich uit. Haar schoudertas lag op haar schoot, de band kruislings over haar lichaam gewikkeld. Met een ongeïnteresseerde blik keek ze wie er nog meer instapten. Er waren een paar kinderen die naar het station moesten om naar school te reizen. Vervolgens twee vrouwen, een man die ze van verderop uit de straat herkende, en een andere man met een plastic tasje waarin zijn brooddoosje zat en een gratis krant. 

De bus bleef een aantal minuten wachten waarna het langzaam optrok, het logge lichaam de hoek omdraaiend langs de Volkswagenbusjes van het uitzendbureau. Op de dorpsweide liepen paarden rond naast het afgeschermde deel waar schapen aan het grazen waren. 

De bomen langs de Zeestraat waren in volle bloei. De zomer was goed en wel begonnen. Ze hield van de zomer, hield ervan wekenlang de deur naar het balkon wagenwijd open te hebben en de geluiden van de straat te horen; hield ervan op het balkon te zitten met een drankje in het licht van de ondergaande zon.

Bij het station stapte ze achter de schoolgangers uit, liep het plein over en langs de flats naar de winkelstraat. Ze bleef voor de etalage van de schoenwinkel staan en zag de twee vrouwen en de man met de plastic tas door de winkelstraat lopen en haar passeren. Hierna stak ze over en ging de ING bank binnen. Na een tiental minuten glipte ze met een paar werklui mee naar buiten, liep de steeg door en de Meerstraat in om uiteindelijk via de Beverhof en toko Murni met een tas vol eten terug in de Breestraat te komen. Ze liep deze helemaal uit op weg naar het station, waar ze op de bus naar Wijk aan Zee wachtte. In totaal had haar uitstapje niet meer dan een klein uur geduurd.

 

35. 

     Jasmijn haalde de post uit de bus en bekeek de enveloppen vluchtig tijdens het naar boven lopen. Een envelop viel uit de toon; eentje die met pompeuze letters was verzonden namens het Ministerie van Justitie. Haar gedachten vlogen langs alle snelwegen waarop zij een verkeersovertreding zou hebben kunnen gemaakt, maar behalve schelden op de hufters in een BMW of Audi, kon ze zich niet herinneren iets gedaan te hebben dat niet netjes was. Pas bovenaan gekomen zag ze dat de brief aan Lotte geadresseerd was.

‘Ha, lief’, hoorde ze van binnen.

‘Hai.’ 

‘Nog iets interessants in de post?’, vroeg Lotte, opkijkend van haar makkelijke positie liggend op de bank.

‘Een dreigbrief van de officier van justitie’, zei ze. ‘Voor jou.’ 

Ze liet de brief op haar buik glijden en ging op de voetenbank zitten om de schoenen uit te doen.

‘Voor mij?’ Lotte schoot verbaasd overeind en bekeek het adres. ‘Wat is dat nou weer?’

‘Misschien is openmaken een optie.’ 

Toen ze haar wijsvinger onder de plakrand zette, griste Jasmijn de brief van haar vandaan, pakte de briefopener en maakte een strakke snede aan de bovenzijde. 

‘Deze dingen zijn niet voor niets op de markt gebracht’, merkte ze op, de opener naar haar ophoudend.

‘Pas maar op dat je er niet op gaat zitten’, was Lotte’s reactie. 

Ze las de brief, las het nogmaals tot aan de gedrukte handtekening toe en zei toen luid: 

‘Wat?’

‘Geen idee. Waar gaat het over?’

‘’t Is niet te geloven. De overheid wil de inhoud van mijn bankkluis nader bekijken--dit is een vrije vertaling van alle larie die ze hier in ambtelijke taal uitkramen--omdat het vermoeden bestaat, dat er zich daarin onoirbare zaken bevinden.’

‘Onoirbaar?’

‘Met o i.’

‘Da’s oud.’

‘Niet naar justitiële begrippen.’ 

Ze overhandigde de brief en staarde voor zich uit. Ze bedacht zich iets en pakte de envelop er nogmaals bij. Er zat geen stempel op of iets anders dat er op wees, dat het via de posterijen was gegaan. Er kwam een glimlachje rond haar lippen en ze stond op. 

‘Zullen we wat gaan drinken?’

‘Okee.’ 

Hoewel Jasmijn verbaasd was over de plotse ommekeer in haar houding, stond ze op en vroeg wat ze gingen doen.

‘Een biertje aan de overkant drinken, dus doe je schoenen maar weer aan.’ 

Twee minuten later staken ze de straat over naar het café-restaurant. Ze gingen in het midden van de zaak zitten en wachtten totdat de biertjes gebracht waren. Jasmijn nam een hap van de schuimkraag en hing gemakkelijk achterover op de bank.

‘Vertel’, zei ze toen.

‘Ik heb vandaag ons pakketje weggebracht’, begon Lotte. ‘Omdat ik na jouw verhaal van gisteren er zeker van wilde zijn, dat ik niet gevolgd werd, ben ik eerst bij de ING naar binnen gegaan. Daar heb ik m’n laatste manuscript in het kluisje opgeborgen om iets te doen te hebben. Toen ik klaar was, keek ik naar buiten. Effies een stukje terug: toen ik de bus inging, stapten een paar schoolkinderen, twee vrouwen en een man met een plastic tasje in zijn knuisten in. Bij het station ben ik uitgestapt en zowel de vrouwen als de man gingen met mij mee de Breestraat in. Ik bleef voor winkelruiten staan zoals winkelende mensjes doen en hield op die manier in de gaten wie er bleef hangen. Op wie is jouw geld?’, vroeg ze toen, een slokje bier nemend.

‘Ik zou denken de man met het plastic tasje, maar omdat dat teveel voor de hand ligt...’

‘Je hebt gelijk. Éen van vrouwen was doorgelopen, waardoor ik aanvankelijk dacht dat er niemand met mij mee was, maar toen zag ik de andere voor de etalage van die winkel met prullaria hangen. Je kent die winkel wel, een soort Kruidvat maar dan rommeliger. En je kunt veel zeggen, maar om vijf minuten voor die etalage te lummelen, is zelfs voor schoolmeisjes te lang.’

‘Denk je dat je werd achtervolgt?’, vroeg Jasmijn verbaasd nu het dubbeltje eindelijk viel.

‘Reken maar’, bevestigde Lotte knikkend. ‘Ik vermoed dat na gisteravond diverse lui alert zijn geworden, vooral omdat jij een boek liet meestelen waar men niet blij mee is.’

‘Dat zijn de boeven. Die brief is van het ministerie van justitie.’

‘Alsof dat geen boeven zijn. Maar dat maakt het juist ook zo leuk’, zei Lotte grinnikend hoewel de grap Jasmijn volledig ontging. ‘Door de ING in te gaan en daar wat in het kluisje te leggen, denkt men dat dat het boek moet zijn dat zij willen hebben.’

‘Maar justitie...’

‘Je lijkt wel een elpeetje waarvan de naald blijft hangen, lief. Natuurlijk justitie. Ga eens na: iemand breekt in een tweedehandsboekwinkel in en er wordt een hoofdcommissaris op de zaak gezet. Ik weet dat er een tekort aan mankracht is bij onze jongens en meisjes in het blauw, maar dit is belachelijk. Op een gegeven moment komt het boek tevoorschijn en, jou kennende, zul je er niet al te subtiel mee omgegaan zijn. Hierdoor zijn diverse mensen die toch al alert waren en alles interpreteren zoals zij dat willen, zelfs nog argwanender worden. Ongetwijfeld worden deze mensen op hun beurt weer door Neerlands blauw in de peiling gehouden, en van het éen komt het ander. Vandaag ging ik dus de stad in, breng een lange tijd in de ING door, langer dan geoorloofd is om twee tientjes uit de muur te trekken, en men wordt nog argwanender. Als dit doorgaat, kom ik zonder superlatieven voor argwanend te zitten.’ 

Ze zaten stil naast elkaar. Lotte keek over haar schouder toen ze iemand hoorde binnenkomen. Het was een dorpsgenoot die zijn koffie kwam afrekenen. Ze stopte haar hoofd weer dichter bij die van Jasmijn en zei zacht: 

‘Het boek ligt niet in de kluis, dus maak je daarover geen zorgen.’

‘Waar ligt het?’ Op deze vraag schudde Lotte het hoofd. ‘Okee, ik vraag niet verder. Maar wat nu?’

‘Verongelijkt doen en het ministerie van justitie vragen of ze niets beters te doen hebben.’

‘Had je me dit alles niet thuis kunnen vertellen?’

‘Misschien wel. Maar je kunt je natuurlijk ook afvragen hoe het komt dat men zo snel op de hoogte is van het gewilde pakketje.’ 

Na deze woorden knikte Jasmijn langzaam het hoofd. Lotte wachtte totdat het goed tot haar was doorgedrongen en zag de blik naast zich zeer donker worden. Jasmijn was een gepassioneerde vrouw, iets dat zij zich maar al te goed wist. Ze verwonderde zich er soms over wat er allemaal in dat hoofd omging.

‘We worden afgeluisterd.’ 

Het was geen vraag, maar vroeg wel om een bevestiging.

‘Geen idee. Misschien onze telefoons, maar geen idee.’

‘Gotverjume!’

‘We moeten gewoon onze ding blijven doen, Jassie, om geen argwaan op te wekken. Weer dat woord.’ 

Ze grinnikte, maar Jasmijn was niet geamuseerd. 

‘Zie het maar zo, Jas’, vervolgde ze, een hand over de handen van haar vrouw heen leggend: ‘Dit wordt weer een mooie verhaallijn voor mij.’ 

Na deze opmerking hoorde ze wel een lachje.

‘Je hebt gelijk.’

‘Da’s meestal zo.’

‘En hebt teveel praatjes.’

‘Ook dat is waar.’

‘Zullen we hier blijven eten?’

‘Kan. Aan de andere kant heb ik een tokootje in huis gehaald, dus...’ 

Ze had haar zin nog niet afgemaakt of Jasmijn had haar glas leeg gedronken en stond op om te betalen.

 

36. 

     ‘Met Jasmijn Bendelof.’ 

Het was een onbekend nummer dat haar belde. Ze ontspande haar vingers en leunde achterover om haar rug te rekken. Het was aangenaam warm in de winkel en hoewel de zon haar niet bereikte, genoot ze van de stralen die langs de zonwering naar binnen glipten.

‘Jasmijn?’, hoorde ze aan de andere kant. Het was een bekende stem hoewel ze die niet een-twee-drie kon thuisbrengen.

‘Klopt’, zei ze.

‘Met Willem. Willem uit Den Haag.’

‘Hee, Willem, jongen. Hoe is het?’

‘Goed. Kun je langskomen?’

‘Wanneer; vandaag?’

‘Ja.’

‘Even kijken...’ 

De antiquair zou over pakweg twee uurtjes in Alkmaar komen en ze was razend nieuwsgierig naar wat hij had te zeggen. Een trip heen en weer naar Den Haag ging ze in die korte tijd niet redden.

‘Je zei dat ik kon bellen als ik je nodig had’, hoorde ze hem zeggen. 

Dat was de pest met autisten: ze namen elk woord dat je uitsprak letterlijk, daar waar de rest van de wereld het nooit zo nauw nam. Dat gezegd hebbende, wist men in elk geval waar men met autisten aan toe was.

‘Het komt momenteel moeilijk uit’, zei ze uiteindelijk.

‘Oh.’ 

Hoe éen woordje zoveel teleurstelling met zich kon brengen.

‘Maar’, voegde ze toe, ‘ik kom er aan. Met een uurtje ben ik bij je. Waar ben je eigenlijk?’

‘In Maaiborg.’

‘Okee, Willem. Ik zie je daar straks.’ 

Hij verbrak de verbinding zonder verder iets te zeggen. Jasmijn keek naar het tafelblad, haalde diep adem, sloeg toen het werk op en stopte de iPhone in haar broekzak. 

‘Marleen’s boven?’, vroeg ze aan Haaye, die bevestigend knikte.

Marleen zat aan de keukentafel naar haar laptop te staren. Er moest heel wat gebeuren om haar zaak draaiende te blijven houden. De financiën zagen er verre van rooskleurig uit. Ze deed haar computerbril af toen ze Jasmijn in de deuropening zag staan.

‘Sorry dat ik stoor’, zei deze, ‘maar ik heb net een dringende oproep gekregen om een maatje van mij te helpen en ga zo weg.’

‘Ah, jammer. Dus je bent straks niet bij de lunch?’

‘Ik vermoed dat ik dat niet ga redden.’

‘Je kunt die afspraak niet verschuiven?’

‘Nee’, antwoordde ze hoofdschuddend. ‘Laat ik het zo stellen: er is een tijd geweest dat ik een soort Remi was en deze knul heeft me daar doorheen geholpen.’

‘Remi?’

‘Alleen op de wereld.’

‘Ah, tuurlijk.’ Marleen glimlachte begrijpend. ‘Dom van mij. Dan moet je zeker gaan.’

‘Als ik het red, kom ik vanmiddag nog langs. Ik ben uiteraard nieuwsgierig.’

‘We zien je wel verschijnen. Hee, sterkte bij je maatje’, zei ze tegen de al vertrekkende Jasmijn.

Ze liep naar de auto, zich heel erg bewust van alles om haar heen sinds de aanval een paar dagen geleden. Ondanks dat het dag was en overal mensen waren, hield ze in de gaten wie haar wel en niet te dicht op de hielen zat. Lotte was hier veel beter in; zij onthield gezichten als ze deze maar een fractie van een seconde had gezien. 

Ze bereikte haar auto zonder schade en reed de stad uit naar de grote weg.

 

     Quentin Alesloot bestudeerde de paar velletjes papier die voor hem lagen met even veel aandacht als hij aan zijn kleding had besteed. Hij droeg een driedelig donkergroen pak met donkerblauwe blokjes, een wit overhemd en een rood vlinderdasje. Haaye’s vriend had Quentin aan hen voorgesteld, een andere afspraak gefingeerd en was er snel vandoor gegaan, de bontgekleurde man bij hen achterlatend. Marleen vroeg zich af of Quentin zijn kledingstijl had aangepast aan het imago dat hij aan zijn beroep hechtte, of dat dit automatisch was gekomen bij het kiezen van zijn voornaam. Zijn grijs-wit golvend haar was achterover gekamd en bedekte het grootste deel van zijn kalende schedel. Ze schatte hem ergens tussen de veertig en zestig jaar, hoewel dit een man was die over dertig jaar nog steeds tussen de veertig en zestig zou worden geschat.

‘Het ziet er authentiek uit’, zei hij uiteindelijk, zijn ogen nog steeds op het papier gericht, ‘maar ik zou het origineel moeten zien om hier zeker van te zijn.’ Hij keek omhoog en richtte zijn aandacht op Marleen. ‘Heeft u het origineel tot uw beschikking?’

‘Helaas niet’, zei ze. ‘Wij doen navraag hierover voor een klant van ons.’ 

Dit was het verhaal dat zij, Haaye en Jasmijn overeengekomen waren. 

‘Jammer, heel jammer.’

‘Kunt u ons zeggen wat het is?, vroeg ze toen. Dit was per slot van rekening de reden waarom Haaye hem had uitgenodigd.

‘Natuurlijk’, antwoordde hij. ‘Wel zeg ik erbij, dat het pure speculatie is wat ik u vertel. Dit komt vanwege het feit’, vervolgde hij toen Haaye zijn mond opende om te vragen waarom, ‘dat weinig mensen dit manuscript onder ogen hebben gehad en er getwijfeld wordt aan de authenticiteit ervan. Desondanks...’ een momentlang spreidde hij de armen als een heilige die hen de zonden vergaf ‘...kan ik u enigszins wijzer maken.’ 

Hij leunde achterover toen Aarnoud een fles rode wijn op tafel zette en bekeek het label goedkeurend. 

‘Jullie zijn bekend met de nazi trein?’, vroeg hij toen Aarnoud was verdwenen, en keek van de éen naar de ander. Na hun instemmend geknik vervolgde hij: ‘Dit boek heeft hier indirect iets mee te maken. In de tijd dat de Nazis in Breslau, het tegenwoordige WrocÅ‚aw, waren om goud, sieraden en ander kostbaar spul naar Duitsland te brengen, heeft een Duitse bibliofiel, zo gaat het gerucht, een boek van onschatbare waarde ontdekt. Voor Polen, althans, en vanzelfsprekend voor connaisseurs zoals ik, die altijd op zoek zijn naar iets bijzonders. Dit heerschap heeft het boek verborgen gehouden en meegesmokkeld naar Duitsland. Eenmaal daar heeft hij het naar zijn ouders gestuurd om te bewaren zodat hij er later profijt van kon hebben. Helaas werd hij in de laatste maanden van de oorlog omgebracht, zodat het boek jarenlang onontdekt bij zijn ouders in de kast is blijven liggen. Toen zij overleden, is het boek lange tijd nergens meer gesignaleerd. De Poolse familie van wie het boek was gestolen, heeft het verdwijnen ervan stil gehouden, omdat zij wisten wat voor waarde het voor Polen had. Het was een adelijke familie...’

‘In Polen?’, vroeg Marleen verbaasd.

‘... Zelfs daar is adel aanwezig’, zei hij met een glimlach. ‘Maar zo stilletjes aan is het in bibliofiele kringen bekend geworden, dat het nageslacht van Wladislaus één, zoals een goed adelijk voorouder dient te heten en die ook wel bekend staat als Wladislaus de Korte, dat het nageslacht een boek van wel heel grote waarde miste. Wijn?’ 

Hij schonk voor alle drie wijn in.

‘Wat mij aan dit verhaal stoort’, merkte Haaye nadenkend op, ‘is, dat de weg hoe dit boek zou zijn gegaan wel bekend is, maar niet wat het boek is.’

‘Ik wijs u op mijn eerdere woorden “pure speculatie”’, herhaalde Quentin. ‘Dit is louter een vermoeden dat bijeen geschraapt is via draadjes die door de jaren heen zijn vergaard. Het is een ingewikkeld relaas verteld door mensen die er naar op zoek zijn. En ik heb niet beweerd, dat niemand weet wat het boek is.’ 

Hij hief zijn glas naar de twee aan de andere kant van de tafel en nam een slok. Voor een etablissement als dit, werd er goede wijn geschonken.

‘Wij hebben de tijd’, merkte Marleen op. 

Met de heer Van Zanten als opvanghulp achter de kassa, had zij in elk geval geen haast. Quentin keek van haar naar zijn glas en liet vervolgens zijn blik door het café/restaurant gaan. Ook hij had tijd genoeg.

‘Voordat ik daar over begin’, zei hij uiteindelijk, zijn blik weer terug, ‘wil ik met u een aantal zekerheden vaststellen. Gaat u akkoord?’

‘Zolang ze redelijk zijn, gaan wij akkoord’, antwoordde Marleen.

‘Wat ik verlang is, dat het boek teruggaat naar de rechtmatige eigenaar.’

‘Korte Wladislaus?’, vroeg Haaye. 

Een klein glimlachje speelde zich rond Quentin’s lippen om deze opmerking.

‘Wladislaus de Vierde, die Wladislaus de Eerste was toen hij koning van Polen werd, is helaas in de dertiende eeuw overleden. Zelfs als hij het boek in ontvangst zou willen nemen, is dit een tamelijk onoverkomelijk feit. Overigens was zijn voorganger in het koningschap Wenceslaus de Derde; een leuk weetje dat u kunt meenemen naar de kerst.’ 

Hij wachtte met zijn verhaal toen Aarnoud de kaasplateau in het midden van de tafel zette.

‘Verder nog iets gewenst?’, vroeg hij. 

Marleen schudde het hoofd en hij vertrok.

‘Met rechtmatige eigenaar bedoel ik het Poolse volk’, vervolgde Quentin en keek de twee strak aan. ‘Dit boek is voor hen bedoeld.’

‘Wat is de betekenis van het boek?’ 

Haaye probeerde op een andere manier dezelfde vraag te stellen.

‘Als ik jullie ervan kan overtuigen dat dit boek aan het Poolse volk toebehoort’, zei Quentin, de vraag negerend, ‘zijn jullie bereid jullie cliënt...’ 

“cliënt” werd gezegd met een smalend glimlachje 

‘...ervan te overtuigen, dat hij danwel zij dit boek afstaat?’

‘Afstaan als in gratis en voor niets?’, concludeerde Marleen vragend. Schouderophalend deed Quentin weer zijn handen zegenend uiteen.

‘Het gaat hier om de eer’, zei hij: ‘De eer van een volk aan welk door de eeuwen heen voortdurend gesjord is door de grotere broeders en zusters die haar omringen; de eer om dit verloren gewaande bijna mythisch epistel aan hen te mogen overhandigen; de eer om recht te zetten wat in de tweede wereldoorlog is misgegaan; de eer om een toom terug te geven aan hen die de rechtmatige eigenaar ervan zijn. Gratis en voor niets komt hier niet bij om de hoek kijken.’ 

Hij doopte een stukje oude kaas in de mosterd en nam er een hapje van. Haaye had zich inmiddels al over de Roquefort ontfermd terwijl Marleen het voorlopig bij een tweede glas wijn hield.

‘Weet je’, zei ze, het glas tussen haar handen houdend, ellebogen op tafel, ‘voordat wij een toezegging doen, zouden wij graag op de hoogte gesteld willen worden waarover het boek gaat.’

‘U staat niet afwijzend tegenover mijn voorstel?’, vroeg Quentin.

‘In het geheel niet.’

‘Mooi.’ 

Zijn gedachten gingen razendsnel door zijn hoofd. Als hij niets prijs gaf, kon het zijn, dat hij het boek nooit in handen kreeg. Gaf hij wel iets prijs dan was de mogelijkheid daar, dat hij ook dan het boek niet in handen zou kunnen krijgen. Hij was nooit een soort man geweest die zijn leven lang alle veilige wegen had bewandeld. Als hij dat had willen doen, was hij op een verzekeringskantoor gaan werken of ambtenaar geworden. Het was geven en nemen in dit vak. De twee tegenover hem hadden hun goede wil getoond door hem de kopieën van het boek te laten zien. Zij hadden niet aan zijn geloofwaardigheid getwijfeld noch aan zijn oprechtheid. Waar hij normaliter een bijzonder boek voor weinig geld aan de haak wilde slaan om deze duur door te kunnen verkopen danwel aan zijn eigen collectie toe te voegen, was hij hier nu louter voor het boek op zich, om zichzelf ervan te overtuigen dat dit daadwerkelijk hetgeen was dat jarenlang niet alleen door de gangen der bibliofielen gonsde, maar wat ook kenners van het oude Polen bezighield.

‘Mooi’, zei hij nogmaals. Hij had een beslissing genomen. ‘Ik neem jullie mee in de geschiedenis van het Polen in de veertiende eeuw, in de tijd van Casimir de Derde, Kazimierz Wielki.’ Hij wees de naam op het titelblad van de eerste kopie aan. ‘Nog wijn?’

‘Dit is anders dan geschiedenisles op school’, merkte Haaye op en schoof zijn glas naar hem toe. 

Marleen schudde het hoofd. Zij had het niet zo op wijn en wilde liever een echt drankje, maar liet het voor wat het was en schonk water bij het restje wijn in haar glas.

‘Kazimierz Wielki is misschien wel de belangrijkste heerser van Polen geweest’, vervolgde Quentin na een slok wijn en sneed een stuk kaas af. ‘Onder zijn bewind is er een heleboel in Polen veranderd, ten goede, wil ik hieraan toevoegen. Er zijn er vele hervormingen doorgevoerd die we heden ten dage misschien niet verwachten van een veertiende eeuwse koning.’

‘Wacht effies’, onderbrak Marleen hem: ‘Was de man heerser of koning?’

‘Is er een verschil?’

‘Duidelijk, en niet alleen semantisch.’

‘Daar ben ik het niet helemaal mee eens’, wierp Quentin er tegen in. ‘Tegenwoordig is het verschil tussen heerser en koning groter dan zeven eeuwen terug. In die tijd staken de koningen namelijk nog hun handen uit de mouwen en deden meer dan lintjes doorknippen en eens per jaar vanaf een balkon zwaaien. Kun je je daar in vinden?’ 

Marleen knikte en zei:

‘Helemaal mee eens.’

‘Voor het gemak zal ik hem koning blijven noemen.’

‘Ze gaan ook altijd skiën.’ 

Na deze opmerking keken zowel Quentin als Marleen naar Haaye. 

‘De vorsten van tegenwoordig’, verduidelijkte deze. ‘Zwaaien, skiën en lintjes doorknippen. Da’s bijna zwaar werk te noemen.’

‘Daar kan zittend lezen achter een bureau niet tegenop’, zei Marleen mokkend, bij hem een brede grijns ontlokkend.

‘Je hoort me dan ook niet klagen’, zei hij tegen haar. 

Het keelschrapen van de man aan de andere kant van de tafel bracht hen terug.

‘Om een voorbeeld te geven hoezeer Kazimierz Wielki een verlichte geest was’, vervolgde Quentin onverstoorbaar, ‘kunt u merken in zijn houding tegenover de Joden in Polen. Zo mochten Joodse kinderen niet meer ontvoerd worden om hen naar het christelijk geloof om te dopen. Deze wet was zelfs zo streng, dat er de doodstraf op stond als men hiermee doorging. Hij was de koning van het volk, van de gewone mens zoals wij dit heden ten dage zouden bestempelen. Daarnaast werden privileges van de bevoorrechte klasse gekortwiekt en lette hij daarbij niet op of iemand edelman of geestelijke was. Hij kwam op voor de zwakkeren in de samenleving. Verder heeft hij de universiteit van Kraków gesticht, de oudste universiteit van Polen.’

‘En niet alleen van Polen, lijkt mij’, zei Haaye, ‘als hij in de veertiende eeuw leefde.’

‘Het is niet de oudste, maar wel in de top twintig’, zei Quentin knikkend. ‘De oudste is overigens de universiteit van Bologna.’ 

Hij vergezelde deze opmerking met een minzaam glimlachje naar de jongere man tegenover hem.

‘Volgens sommigen is Al-Azhar de oudste.’ 

Marleen keek van haar glas naar Quentin, wiens hoofd een beweging maakte dat ergens lag tussen knikken en schudden. Hij moest niet denken, dat hij een paar sukkels bij zich aan tafel had. Uiteindelijk zei hij met een vergeeflijke glimlach:

‘Laten we dat voor vandaag in het midden houden.’ 

Hij dacht na waar hij met zijn verhaal was gebleven en vervolgde: 

‘Kazimierz heeft het juridische systeem in Polen hervormd en het recht gecodificeerd. Dit staat bekend als de Statuty Kazimierza, in het Nederlands vertaalt: de Statuten van Casimir.’ 

Zijn stem viel weg. Hij pakte het eerste vel papier op en hield het naar de twee tegenover hem omhoog. 

‘En dit, lieve mensen, is de handgeschreven versie van deze Statuten, de versie zoals deze uit het hoofd van Kazimierz op papier is terecht gekomen.’ 

Hij stopte om zijn bewering op de anderen te laten inwerken en zag tot zijn voldoening hoe de twee elkaar met grote verraste ogen aankeken. 

‘Ik hoop dat jullie beseffen’, vervolgde hij, ‘wat voor een onschatbare waarde dit voor het Poolse volk is? Om dit alleen maar in handen te hebben, zelfs zo’n modern geprint floddertje, geeft mij een warm gevoel van binnen. Wie weet wat de grote man er verder nog in vermeld heeft. Misschien heeft hij omschreven hoe hij tot de rada królewska is gekomen, of hoe hij van een houten Polen een stenen Polen wilde maken, om een Pools gezegde te verbasteren. Want op de titel pagina heeft hij het over de Statuten, maar onderaan de titel is ook geschreven...’ met aandachtige ogen keek hij door zijn bril heen naar het papier ‘“...en overige zaken die van belang zijn.” Dit is een vrije vertaling, want het is in oud Pools geschreven en daar ben ik nogal roestig in.’

‘Dat is knap heftig’, merkte Haaye op na een lange stilte die na de monoloog was gevallen. 

Quentin stemde met hem in.

‘Dat klopt’, zei hij, de draad weer oppakkend. ’En daarom is het van belang, dat jullie “cliënt” hiervan op de hoogte wordt gesteld.’

‘Hoor ik aanhalingstekens?’, vroeg Marleen aan hem. 

Weer die hoofdbeweging tussen knikken en schudden in. Ze liet het voor wat het was en vroeg: 

‘Hoe is het in Nederland terecht gekomen?’

‘Het verhaal gaat, dat een aantal Poolse nationalisten er naar op zoek gingen.’

‘Oh ja.’ Haaye grinnikte begrijpend.

‘Vergis je niet, jongeman’, zei Quentin op bestraffende toon tegen hem: ‘Nationalistisch houdt niet automatisch extremisme in.’

‘De scheidingslijn is vaag.’

‘Correct, maar we hebben het in dit geval over mensen die zich Pools voelen, die Pools zijn, die uit eerste hand ervaring hebben hoe het is tussen twee grootmachten heen en weer geslingerd te worden met daarbij kleinere omringende landjes die ook een vinger in de pap willen hebben. Was het niet Rusland dan was het wel weer Duitsland dat hen binnenviel, en Hongarije dat zich links en rechts grondgebieden toe-eigende. Vergeet niet, dat Polen tegen het eind van de tweede wereldoorlog tot satellietstaat van de toenmalige Sovjet Unie werd gebombardeerd en pas in de jaren ’80, door Lech Wałęsa en Solidarność, een zelfstandige republiek werd. Dit brengt een volk samen. Het gesjor van anderen zorgt ervoor dat je van je land gaat houden. En dat is nu het grote verschil tussen het Pools nationalisme en dat van de rest van de wereld. Akkoord, dit neemt niet weg dat ook daar extremisten rond lopen, maar dat is overal waar mensen zijn. Het Poolse volk heeft, echter, een trots die ergens op gebaseerd is; een trots opgebloeid uit een verkruimeld en platgetrapt land dat op eigen kracht is herrezen.’ 

Hij sneed een stukje kaas. Het plankje was bijna leeg. Kauwend op het stukje Cheddar zei hij met een spottend glimlachje: 

‘En hier zien wij hen alleen maar als goedkope krachten die de keuken kunnen opknappen.’ 

Hij leunde achterover, had zijn verhaal gedaan en nu was het aan de anderen om ervoor te zorgen dat het geschreven werk bij de rechtmatige eigenaar terecht kwam. 

‘Is trots een eigenschap in de mens die men moet bewonderen?’, mijmerde Haaye.

‘Ligt eraan waarop je trots bent.’

‘Mijn vader werkte voor een verzekeringskantoor waar eens in de twee jaar een psychologische test van de op dat moment heersende waan werd afgenomen. Steevast stond hierin de vraag, of je als werknemer trots was op het bedrijf waar je werkte.’ Hij keek naar Quentin. ‘Mijn vader was van mening, dat trots iets persoonlijks was. Hij was trots op mij toen ik cum laude afstudeerde; trots op mijn moeder, zijn vrouw, die alle problemen met pragmatische oplossingen, vergezeld van een glimlach, de wereld uit hielp. Maar trots op het bedrijf waar hij werkte? Als ze zijn loon niet betaalden, was hij er geen dag langer gebleven. Als ik niet cum laude was afgestudeerd, zou hij nog steeds trots op mij zijn. Persoonlijk heb ik problemen met lui die trots op een abstract iets zijn zoals het land waarin zij per ongeluk ter wereld zijn gekomen en de mening hebben, dat zij dit met hand en tand moeten verdedigen.’

‘Dat laatste heeft niets met trots te maken, maar alles met fanatisme’, merkte Quentin op.

‘Waar houdt het ene op en begint het andere? De lijn tussen trots en fanatisme is een zeer dunne.’ Quentin gaf hierop geen reactie. ‘Zijn de Polen er trots op, dat zij systematisch de Nederlandste staat bestelen door hier zes maanden te werken en dan ww te gaan trekken? Ze keren terug naar Polen en anderen komen op hun naam weer hier naartoe en zo gaat dat verder.’

‘Dat is incidenteel.’ 

Quentin wuifde de woorden weg en richtte toen zijn aandacht op Marleen. Haaye liet het er, echter, niet bij zitten.

‘Het nieuws vermeld niet iets dat incidenteel is’, zei hij, ‘zelfs niet met het grote aantal slechte journalisten dat alleen op een scoop uit is zodat ze daar een slecht boek over kunnen schrijven. Dit gebeurt op grote schaal anders zouden de Polen niet als doelgroep genoemd worden.’

‘Hoe nu verder?’, vroeg Quentin aan Marleen, de jongere man negerend.

‘Trots...?’ Haaye liet een korte hatelijke lach horen.

‘Stel maar iets voor’, zei Marleen, een blik op Haaye werpend en onopvallend kort het hoofd schuddend.

‘Als jullie cliënt bereid is het manuscript aan de Poolse ambassade te overhandigen’, zei Quentin na een aantal tellen nagedacht te hebben, ‘lijkt mij dit de kortste en eenvoudigste manier om alle partijen tevreden te stellen.’

‘Wat als mijn cliënt hier iets tegenover gesteld wil hebben?’

‘Monetair?’, vroeg hij. 

Ze trok de schouders op.

‘Ik moet dit verhaal aan mijn klant verkopen’, zei ze toen, ‘en wil graag alle vragen vantevoren beantwoord hebben.’

‘Het is een erfgoed, iets dat van Polen is en op een onheuse manier is ontfutseld. Jouw klant mag zich in de handjes knijpen, dattie er zonder kleerscheuren vanaf komt.’

‘Dat klinkt zeer dreigend.’

‘Maar mijn lieve dame’, zei Quentin met een glimlach, ‘dit is figuurlijk bedoeld. Het manuscript is gestolen dus degene die het nu in handen heeft, heeft gestolen goed. En daar staat gevangenisstraf op.’

‘Niet als de klant er geld voor heeft neergelegd en onwetend was over de waarde van het ding’, kwam Haaye tussenbeide.

‘Daar zit iets in’, gaf hij toe.

‘In elk geval’, zei Marleen met een blik naar de klok, ‘zal ik contact met de cliënt opnemen en dit voorstel overleggen. En ik zal m’n best doen...’ vervolgde ze snel toen Quentin zijn mond opende om iets te zeggen ‘...om de klant te overreden het manuscript aan de Poolse ambassade te overhandigen.’

‘Dat is alles wat ik vraag.’ Achteruit gezeten haalde hij opgelucht adem. ‘Ik dank jullie beiden dat jullie mij deze kopietjes hebben getoond. Het is het op éen na mooiste dat ik ooit in handen heb gehad.’

‘En wat is het mooiste?’, vroeg Haaye nieuwsgierig.

‘Het originele manuscript in mijn handen te voelen.’

‘Ik zal mijn best doen’, zei Marleen nogmaals.

‘Daar twijfel ik niet aan. Voordat je je best gaat doen: kan ik je uitnodigen voor een hapje eten vanavond?’, vroeg hij aan haar. ‘Hier in Alkmaar, of elders, waar je maar wilt.’ 

Nadat ze de vraag door het hoofd had laten gaan, zei ze:

‘Prima. Half zeven?’ Quentin knikte. ‘Waar ontmoeten we elkaar?’

‘Ik haal je bij de boekwinkel op. Waarom heet de winkel eigenlijk Pagina 42? Heeft die pagina een bepaalde mening.’

‘’t Is universeel’, antwoordde Marleen. 

Haaye glimlachte om haar antwoord en ging naar buiten, even later gevolgd door Marleen.

‘Is hij te vertrouwen?’, vroeg hij toen ze de brug overstaken en terug liepen naar de winkel.

‘Wie is er tegenwoordig nog te vertrouwen.’ 

Het was geen vraag en Haaye ging er niet verder op in.

 

37.

     Er klonk een ingeblikt deuntje in haar oren terwijl Lotte wachtte doorverbonden te worden met de persoon die over de juridisch brief ging. Op het moment dat het deuntje verstomde, hoorde ze aan de andere kant:

‘Schimmelpenninck.’

‘Dag, met Lotte Davelaar. Ik heb een brief ontvangen in verband met mijn bankkluisje’, begon ze, in het geheel niet verbaasd dat zij deze man aan de lijn kreeg. ‘U bent toch van de politie?’

‘Klopt.’

’Is dit niet een zaak van justitie aangezien he een justitieel schrijven is?’

‘Inderdaad. Ik ben aangesteld om dit te onderzoeken.’

‘Wat valt er te onderzoeken als ik vragen mag?’

‘Wij hebben uit vertrouwelijke bron vernomen, dat er oneigenlijke spullen in uw bankkluis liggen die in verband kunnen worden gebracht met belastingontduiking.’

‘Oh, dus in het kort: ik heb daar zwart geld liggen.’

‘Dat zijn uw woorden.’

‘En een stuk korter dan die van u. Wie is die vertrouwelijke bron?’

‘Dat mag ik niet prijsgeven.’

‘Dat vermoedde ik al.’ 

Ze was stil. De hoofdinspecteur eveneens. Een moment lang dacht zij eraan een deuntje te neuriën, de indruk wekken dat hij in de wachtstand stond, om uiteindelijk te vragen: 

‘En nu?’

‘Ik zou graag inzage in de inhoud van uw bankkluisje willen hebben.’

‘Ik kan u een A4-tje sturen met wat erin zit.’ 

Na deze opmerking hoorde ze de hoofdinspecteur kort lachen. Zelf kon ze eveneens een glimlach niet onderdrukken.

‘Het is de bedoeling, dat ik dit persoonlijk inspecteer.’

‘Ook goed. Morgen?’

‘Vandaag.’

‘Waarom deze haast?’

‘Wij kunnen het maar afgehandeld hebben zodat wij u van de lijst kunnen halen.’

‘Ik weet niet of ik vandaag tijd heb hiervoor.’

‘Mevrouw Davelaar: als u geen tijd heeft vandaag, maken wij uw bankkluisje zelf open.’

‘Mag dat zomaar?’

‘Het is een Europese richtlijn dat in de volksmond bekend is geworden als Lockbox2014.’

‘Uhmmm, we leven in 2018.’

‘Ambtenaren...’, was alles dat Schimmelpenninck zei. 

Na een korte stilte, vervolgde hij: 

‘Als u om...’ hij keek op zijn horloge ‘...elf uur bij het ING kantoor in de Breestraat kunt zijn dan zie ik u daar.’

‘Ik heb geen eigen vervoer en ben niet van plan om dat roteind te gaan fietsen. Als ik wat later ben omdat er een bus is uitgevallen, geef me dan die ruimte.’

‘Elf uur, uiterlijk half twaalf.’ 

Schimmelpenninck was zo’n slecht mens nog niet.

‘Hoe herken ik u?’

‘Ik zal de enige zijn tussen het winkelend publiek die er goed gekleed uit ziet.’ 

Met deze woorden legde hij de hoorn neer. Ze stopte de telefoon in de zak van haar broek en staarde nadenkend voor haar uit. Toen kwam er een brede grijns op haar gezicht. Ze pakte haar jas en tas, keek naar de klok en verdween richting bushalte.

Even voor twaalven liep ze door de Breestraat. Ze herkende de hoofdinspecteur al van verre. Hij was een lange man in een driedelig pak met daarover een regenjas, hoewel er geen wolkje aan de lucht was te bekennen. Een politieagente in uniform stond bij hem in de buurt. Zijn blik was op Lotte gericht en hij keek hoe zij in rustige tred op hem af kwam lopen. Zij was niet een vrouw die zich haastte omdat een hoofdinspecteur van politie op haar wachtte.

‘Mevrouw Davelaar?’, vroeg hij in vragende stem hoewel hij wist dat zij het was.

‘Inspecteur?’, was haar wedervraag.

‘Hoofdinspecteur’, verbeterde hij.

‘Ooh, toe maar.’ 

Met een scheef lachje ging ze hem voor de bank in. Schimmelpenninck passeerde haar, knikte naar de bankmedewerker achter de balie en een zijdeur opende zich. Het viel Lotte op, dat de hoofdinspecteur direct wist naar welk kluisje hij moest gaan. Hij had zijn huiswerk goed gedaan.

‘Zal ik ‘m openen?’, vroeg ze aan hem.

‘Het is uw kluisje.’

‘Werkelijk, ondanks slokbox 2014?’

‘Lockbox2014’, verbeterde de agente haar. 

Schimmelpenninck wuifde haar woorden geïrriteerd weg.

‘Dat weet ze, Jochems’, knauwde hij haar toe. 

Met het deurtje eenmaal open, keek Lotte over haar schouder en vroeg:

‘Zal ik de inhoud eruit halen offe...’

‘Jochems’, was het enige dat de hoofdinspecteur zei. 

Lotte liet de agente voor gaan, nam een stapje terug en keek toe hoe haar persoonlijke spullen op tafel werden gelegd. Bij het opmerken van allerlei stapels papier die met er omheen geknoopt touw bijeen gehouden werden, kwam er een zelfverzekerde glimlach om de lippen van de politieman. Hij pakte een pakketje van de stapels en vouwde de blaadjes uiteen.

‘Was u niet op zoek naar geld?’, vroeg Lotte hem.

‘Onder andere’, antwoordde hij, de volgende pakkend. Na de derde verdween de glimlach en vroeg hij: ‘Wat zijn dit voor stapels?’

‘U heeft geen tijd om ze allemaal te bezoedelen?’ 

Na een blikkenwisseling zei ze uiteindelijk: 

‘Dat zijn mijn originele handgeschreven manuscripten. Daar ben ik voorzichtig mee dus is zou het op prijs stellen, als u er niet zo nonchalant mee om gaat.’

‘Waarom liggen ze in de kluis?’

‘Het zijn mijn originele handgeschreven manuscripten’, herhaalde ze. 

Dat de overheid haar bankkluis wilde onderzoeken was tot daar aan toe, maar ze was niet van plan antwoord te geven op vragen waarmee deze zelfde overheid niets te maken had.

Schimmelpenninck bekeek alle manuscripten voordat hij vroeg:

‘Waar is het?’

‘Waar is wat?’

‘U weet wat ik bedoel.’

‘Dan weet u meer van weet ik weet dan dat ik zelf doe, maar als u naar het briefje van tweeënhalve gulden met Wilhelmina op zoek bent dan zit u hier verkeerd.’ 

Schimmelpenninck keek haar aan, gebaarde geïrriteerd naar de agente die direct uit de ruimte vertrok en zei tegen Lotte:

‘Speel geen spelletjes met mij, Davelaar; daar heb ik tijd voor noch zin in. Ik zoek het manuscript dat je gisteren hier hebt gebracht.’

‘Dat was de bovenste van de stapel, en ligt nu onderop.’

‘Ik heb het niet over deze prullaria maar over het boek waar jij en je vrouw mee aan de haal zijn gegaan.’

‘Pardon?’

‘Je weet wat ik bedoel’, zei hij nogmaals, hoewel minder vormelijk als voorheen.

‘Ik heb geen flauw idee waarover je het hebt.’

‘Vergeet niet, dat ik je naar het bureau kan meenemen voor ondervraging.’

‘Op grond van wat: dat ik mijn manuscripten in een bankkluisje stop? Is dat in tegenspraak tot EU regulatie boekbox2018? Vergeet niet, dat ik jullie kan aanklagen vanwege onheuse behandeling.’

‘Onder Lockbox2014 zijn wij gemachtigd om elke activiteit die ons verdacht lijkt na te trekken.’

‘Op welke activiteit van mij is dit gestoeld?’

‘Daar mag ik mij niet over uitlaten.’

‘Ooh...’, Ze lachte en korte staccato lach. ‘Dat is een makkelijke. Je mag wel op grond van een EU regelgeving, die overigens louter om witwassen handelt, mijn bankkluis zonder omhaal openen, maar als ik vraag wat dit in beweging heeft gezet, mag je je daar niet over uitlaten. Handig, zo’n systeem. Het is godverdorie godgeklaagd dat dit zomaar kan en het wordt tijd, dat er meer Snowdens opstaan.’ 

Ze was werkelijk pissig nu en deed alle manuscripten in het kluisje terug waarvan ze het deurtje met een harde slag sloot. 

‘De eerstvolgende keer dat je mijn bewegingen in de gaten houdt, en niet zo zuinig opvallend ook, ga ik er werk van maken.’

‘Op grond van wat?’

‘Wat dacht je van stalking? De overheid stalkt mij; het moet niet gekker worden.’ 

Ze liep naar de deur toen ze Schimmelpenninck hoorde zeggen:

‘Denk maar niet, dat je er mee weg kunt komen.’ 

Zonder hier verder een woord aan vuil te maken, opende ze de deur en liep door de hal heen naar buiten. Eenmaal daar kwam er een glimlachje op haar gezicht. Ze keek op de telefoon naar de tijd. Als ze doorliep, kon ze de bus van kwart voor één nog halen.

 

38.

     Terwijl Lotte zich met de bankkluis bezighield, Marleen en Haaye zich over de antiquair ontfermden, reed Jasmijn naar Den Haag. Eenmaal tussen de bekende maar desondanks toch anders uitziende straten, voelde ze haar hartritme omhoog gaan. Het was vreemd dit gevoel weer te hebben. Ze was langer van het instituut weg dan de tijd die zij erin had doorgebracht. Echter, de verwachting, dat nare gevoel in de wachtkamer bij een tandarts te zitten en de boor in de kamer ernaast te horen, dat verstikkend dat haar verleden omkleefde, was haar lichaam binnen geslopen. 

Ze betrapte zichzelf erop, dat ze probeerde niet naar het instituut te kijken bij het oprijden van de parkeerplaats. Er stonden meer autos dan vorige keer. Ze parkeerde zo dicht mogelijk bij de uitgang en stapte uit. De bries waaide lusteloos door het bladerdak boven haar. Het was zomer. Boomblaadjes ritselden als een kalme golfslag tegen het strand. 

Ze haalde diep adem, rechtte de schouders en liep van de parkeerplaats af naar het hek waar Willem was. Hij zat op de kruk een paar hekken verder te schilderen dan waar ze hem vorige keer had gezien. Zo kende zij hem het best, verzonken in zijn eigen wereld met zijn eigen bezigheden. Alleen was Eelco Schippers nu zijn wereld binnen gedrongen. De manager van het instituut stond met de armen over elkaar gevouwen pratend naast hem. De oudere man antwoordde monosyllabisch en soms helemaal niet. Ze twijfelde of zij zich bij hen zou voegen. Op de parkeerplaats te blijven dralen was onnozel, was zo niet des Jasmijns van nu. Ze zette haar zonnebril op en liep op de twee af. Eenmaal vlak in zijn buurt, keek Eelco op. Zij wist dat hij haar al eerder had opgemerkt, net zo goed dat zij hem meteen had gezien, en schoof zijn verbaasde blik onder de noemer huichelachtig. Ze knikte hem kort toe en groette Willem.

‘Twee keer zo vlak na elkaar ons bezoeken’, begon Eelco. ‘Dat is wel een hele grote eer. Waar hebben wij die aan te danken?’ 

Ze wilde zeggen dat ze voor Willem kwam, dat Willem haar verzocht had hier naartoe te komen. Zo niet dan zou ze geen voet meer in de buurt van het instituut gezet hebben. Voordat ze haar mond opende, zag ze Willem’s donkere ogen toen hij over zijn schouder naar haar keek.

‘Ik wilde Willem nog eens zien’, zei ze toen. ‘Vorige keer was het bezoek te kort om nieuwtjes uit te wisselen.’ 

Met een indringende blik keek ze naar Eelco, hem hiermee dwingend weg te gaan, hen met rust te laten. Ze wilde weten waarom Willem haar had gevraagd langs te komen. De Willem die zij kende, vroeg nooit iets. 

Eelco, echter, knikte om haar uitleg en staarde naar de tuin, armen nog steeds over elkaar, benen recht, voeten stram op de grond, niet van plan zich te verplaatsen. Hij draaide zijn hoofd opzij, hiermee de indruk wekkend dat hij er geen interesse in had waarover zij en Willem met elkaar spraken.

Jasmijn keek van zijn achterhoofd naar Willem, die ononderbroken aan het verven was. Hij verschoof zijn krukje, schoof de gratis krantjes, opgevouwen onder de kruk mee, evenals degene die onder de emmer verf rustte.

‘Het ziet er goed uit, Willem’, zei ze uiteindelijk. 

Prietpraat was niets voor haar, ook niet voor Willem, maar zo stil blijven staan werkte niet. Ze begreep dat Eelco bij het hele gesprek aanwezig zou blijven. Zij kende hem, kende zijn maniertjes. Waren die maniertjes in het verleden al onaangenaam geweest toen hij beginnend arts was; nu hij de zaak runde, zou hij precies doen waar hij zin in had en zich aan niemand storen.

Willem reageerde niet op haar opmerking, knikte louter. De aanwezigheid van de hoofdarts had hem tot zwijgen gedwongen.

‘Ga je hekjes binnen ook nog doen?’, vroeg ze. 

Hij trok de schouders op, waarna ze zei: 

‘Ze hebben wel een opfrissertje nodig zo te zien.’ 

Alle drie keken ze naar de lage houten hekjes die de bloemperken afbakenden van het pad. 

‘En je hebt nog genoeg verf over.’

‘Moet het buitenhek helemaal doen’, mompelde Willem.

‘Dat gaat je lukken. Het is overigens lekker weer om het buitenwerk te schilderen.’ 

Hij knikte weer. Met haar duim en een wipje van haar schouder legde Jasmijn de band van haar schoudertas beter vast. Haar ogen volgden hoe Willem onverstoord de spijlen schilderde. 

Ze kwam tot het besef dat het geen zin had hier te blijven. Hij zou niets zeggen met Eelco om hen heen. Ze besloot terug naar huis te gaan en afwachten wanneer hij weer contact met haar opnam.

‘Hee, ik zal je met rust laten’, begon ze, ‘en misschien dat we volgende keer een bakkie kunnen gaan drinken.’ 

Hij knikte. Verder zei ze geen woord tegen Eelco en draaide zich om weg te gaan.

‘Hier’, zei Willem ineens, een krant van onder zijn stoel vandaan halend. ‘Dan heb je wat te lezen onderweg.’ 

Ze pakte de krant over en merkte, dat hij deze langer vast hield dan nodig was. Ze keken elkaar aan. Zijn donkere blik brandde door haar heen.

‘Dankjewel’, zei ze zo luchtig mogelijk. ‘Makkelijk voor als er file is. Tot ziens, Willem.’ 

Hij knikte, ging zitten en dipte de kwast in de verf. Teruglopend naar haar auto stopte ze de krant in haar tas. 

Ze reed bij het instituut vandaan en keek niet meer om. Bij elkaar genomen had ze ruim een uur gereden om tien ongemakkelijke minuten bij het hek van het instituut door te brengen.

Op de terugweg overwoog ze om terug naar Pagina 42 te gaan of rechtstreeks naar huis. Ze koos voor dit laatste. Marleen en Haaye zouden het zonder haar redden. Haar hoofd was moe, haar ledematen voelden onaangenaam aan, haar kleding leek tegen haar huid te schuren. 

Eindelijk thuis, legde haar spullen weg, nam een lange douche en kroop onder het dekbed.

 

39. 

     De televisie stond aan, het geluid harder dan gewoonlijk. Lotte en Jasmijn zaten in bed, de hoofden dicht bij elkaar, zacht pratend. Het idee dat de overheid hen mogelijk afluisterde, had hen lichtelijk paranoïde gemaakt.

Jasmijn had aan éen stuk door geslapen en was verfrist ’s ochtends om half vijf wakker geworden. Na een wandeling over het strand was ze terug in bed gekropen tegen Lotte aan, die wakker werd door de koude ledematen die om haar heen werden gedrapeerd. De zomer mocht dan zijn aangebroken, maar het kon in de vroege ochtenduren nog behoorlijk fris zijn, vooral als de zeedampen het dorp binnendrongen. 

Lotte vertelde haar relaas met Schimmelpenninck en de bankkluis. Eenmaal uitverteld, vroeg Jasmijn:

‘En waar heb je het boek nu uiteindelijk ondergebracht?’

‘Nuh-uh’, zei ze, hoofdschuddend. ‘Laat alleen ik het weten, dat is veiliger.’

‘Maar wat als er iets met jou gebeurt?’

‘Oh, dankjewel. Het ene moment kun je niet zonder me om me het volgende moment naar het hiernamaals te wensen. Vrouwen...’

‘Serieus, Lot.’

‘Mocht er iets met mij gebeuren, mocht die grote vrachtwagen alleen maar gevuld met Bruynzeel potloodjes met scherpe punten mij van de wereld afhelpen dan zal mijn agente een berichtje naar jou sturen.’

‘Len Deighton is er niets bij.’

‘Klopt. Er is weinig zo vermakelijk als snode plannen uitdenken. Hee, ken ik haar niet ergens van?’ 

Ze keken naar de televisie. Een vrouw met verwilderde haren was iets aan het vertellen over waar zij goed in was. Het kon handbal zijn maar ook macramé. Achterover leunend, steunend op haar ellebogen, vroeg Jasmijn:

‘Waarom hebben wij eigenlijk een televisie in de slaapkamer?’

‘Omdat...’ Lotte zette het geluid terug op een normaal volume ‘...we vijf jaar getrouwd zijn en jij op mij bent uitgekeken. Vind je me nog aantrekkelijk?’

‘Wanneer?’ Jasmijn ontweek het kussen dat haar toegesmeten werd. ‘Voor zover ik me kan herinneren, liefste van allen, is dat jij degene bent geweest die de televisie hier naartoe sleepte toen we dat platte geval voor de zitkamer kochten.’

‘Pure projectie wat jij nu doet, mij de schuld geven van dingen die jij zelf eigenlijk had willen doen.’ 

Jasmijn keek haar aan, opende de mond om een weerwoord te geven om uiteindelijk louter het hoofd te schudden. De vrouw op het beeldscherm vertelde van haar werk. Pas toen had Jasmijn door waar zij bekend van was.

‘Ze is actrice’, riep ze uit alsof het een revelatie was.

‘Dan kennen wij haar vast van een reclame of zoiets.’ Ook Lotte leunde achteruit. ‘Overigens dien je tegenwoordig acteur te zeggen.’

‘Ze is toch een vrouw of zie ik het verkeerd?’

‘Klopt, maar om gendernazisme tegen te gaan, wordt de vrouwelijke vorm uit de vocabulaire verbannen.’

‘Wat een larie!’

‘Zo gaat dat.’

‘Ik doe niet mee aan die larie. Je kunt het ook zo zien’, vervolgde ze snel toen Lotte haar wilde onderbreken, ‘dat dit weer toegeven is aan het volk dat met een pik in de broek rondloopt. In plaats van deze woorden de vrouwelijke vorm als hoofdwoord te geven, nemen we weer eens zonder morren de mannelijke vorm aan.’

‘Je kunt er tegen vechten, Jassie, maar het sluipt er zo langzaamaan in.’

‘Ik ga niet tegen stompzinnigheid vechten, want dat heeft de bierkaai vervangen, maar ik zal me er niet aan onderwerpen.’ 

Ze vielen stil, kijkend naar de vrouw die veelvuldig haar handen gebruikte, waarmee ze indruk wekte een mime-artieste te zijn. Of artiest, bedacht ze zich grimmig, en vroeg: 

‘Hoe zit het dan met het koningshuis?’

‘Laten we de barricades opgaan voor een lang gewenste republiek wat mij betreft’, antwoordde Lotte. 

Ze keek naar Jasmijn’s profiel en glimlachte. Haar vrouw kon zich af en toe zo vastbijten in onderwerpen die ze als larie bestempelde, dat het op een pelgrimage leek. 

‘We hebben een koning’, zei Jasmijn, ‘koning Lex en koningin Max. Dit zou dus koning Lex en koning Max moeten worden, als we die onzin van de vrouwelijke woorduitgang weglaten voortzetten.’

‘Hee, twee koningen zie ik wel zitten. De homosexualisering van het koningshuis.’

‘Na alle andere vormen van sex die ze daar door de jaren heen gepraktizeerd hebben, is dit een bijkomstigheid. En als we helemaal specifiek willen zijn...’

‘En dat wil jij vast.’

‘...inderdaad, dan zou het koning Lex en prins Max moeten zijn. Ik begrijp nog steeds niet dat iedereen maar zo klakkeloos accepteert, dat Max automatisch koning is. Bea had een prins, evenals Juul. Waarom nu dan koning?’

‘De prins van Bea en die van Juul hadden geen lang blond haar en benen tot aan de strot’, legde Lotte uit. ‘Da’s het grote verschil.’

‘Wat Claus in z’n vrije tijd deed, moet ie zelf weten, maar dit is wel het grote sexisme.’

‘Meestal hangt het éen met het ander samen. Het beste is, als we allemaal maar gaan transgenderen dan hebben we dit soort gelul tenminste niet meer.’

‘Gekut mag dus ook niet meer?’, vroeg Jasmijn.

‘Nee: alles is gelul. Mannelijke vorm boven de vrouwelijke.’

‘Pfffff, ik word gek van deze wereld.’

‘Ik zal een bak koffie voor je maken. ‘ Lotte sprong het bed uit.’ Misschien dat je daar van opknapt.’

 

     Twee uur later zat Jasmijn op de lage boekenkast, een mok koffie tussen haar handen, en luisterde naar Haaye die het relaas van de dag ervoor vertelde. Het was vroeg. Ze had nog maar twee passen naar binnen gezet toen hij de koffie voor haar op het bureau neerzette. Dat was een teken, dat hij wat te vertellen had.

‘En wie is die Kazimierz?’, vroeg ze toen hij uiteindelijk stil viel.

‘Kazimierz Wielki’, zei hij. ‘In het Nederlands betekent dat Casimir de Grote. Hij is een belangrijk man voor Polen geweest. Gisteravond heb ik een paar boeken erop nageslagen en het is een niet gering man.’ 

Hij was iemand van de almaar kleiner wordende groep mensen die nog steeds boeken als naslagwerk gebruikte. Hij vond dit betrouwbaarder dan het internet. Sterker nog: hij had geen internet. Hij had geen mobiele telefoon, geen computer, luisterde elpees om zijn jazz te kunnen horen hoewel hij zich in de vroege jaren ’90 over had laten halen om een cd collectie aan te leggen. Dit was het nieuwste dat in zijn bezit was. Hij keek zelden televisie omdat hij vond, dat dit tijd roofde; tijd die hij nodig had om de boeken te lezen die hij wilde lezen. Het nieuws haalde hij uit kranten, de rest van de wereld uit zijn boeken. En hij was een uiterst gelukkig mens.

‘Dus die Quentin meent, dat dat boek van die knaap is?’, vroeg Jasmijn om er zeker van te zijn dat zij het goed had begrepen. Haaye knikte. ‘Jeetje, man...’

‘Zeg dat.’ 

Jasmijn’s telefoon zoemde. Ze sloeg er geen acht op en vroeg:

‘Wat nu?’

‘Als het is zoals Quentin vertelde, ben ik van mening dat we het manuscript aan het Poolse consulaat moeten geven. Overigens...’ hij keek over zijn schouder naar de trap toen hij boven een deur hoorde opengaan en bracht zijn hoofd dichter bij dat van Jasmijn ‘...Marleen en Quentin hadden gisteravond een afspraakje.’

‘Werkelijk?’ Ze kon een glimlachje niet onderdrukken. ‘Hoe doet ze dat toch?’

‘Heel makkelijk’, zei hij met een knipoog en veerde weer overeind. 

Met een hand voor de mond om een geeuw te onderdrukken liep Marleen naar beneden.

‘Goedemorgen, personeel’, groette ze.

‘Mogge, baas’, groette Haaye terug. Zowel hij als Jasmijn bleven naar de trap kijken.

‘Hoe is het vanmorgen met jullie?’ 

Marleen keek over haar schouder waar de twee naar staarden. Pas toen viel het kwartje. 

‘En: nee, ik neem niet elk zwerfhondje mee naar huis’, zei ze bits tegen hen.

‘Werkelijk?’, vroeg Haaye, opstaand om koffie voor haar in te schenken. ‘Nog wat wijzer geworden gisteravond?’

‘Alleen dat dit de zoveelste persoon betrof met wie ik uit was die mij dronken probeerde te voeren’, antwoordde ze. ‘Ik word er gek van. Denken ze dat ik achterlijk ben? Alsof ik het verschil niet weet tussen een wodka-jus of een dubbele wodka-jus. Na twee glazen ben ik naar de bar gegaan en heb aangegeven dat ik alleen maar jus wilde, maar dat ze het als een dubbele wodka-jus konden afrekenen. Quentin zou toch betalen, dus ik zal ‘m leren. Het kwam er uiteindelijk op neer dat hij vrolijk aangeschoten was en ik zo nuchter als een non.’ 

Ze ging naast Jasmijn op de boekenkast zitten en keek haar aan. 

‘Alles goed gegaan gisteren?’, vroeg ze.

‘Nauwelijks. Er kwam iets tussen zodat ik degene met wie ik een afspraak had niet kon spreken. Misschien een volgende keer.’

‘Je ziet er wel uitgerust uit.’

‘Ik ben meteen naar bed gegaan toen ik thuis kwam en heb tot vanmorgen half vijf liggen pitten.’

‘Wat een onzalige vroege tijd’, merkte Haaye op.

‘Ik lag er rond twee uur ’s middags in, dus dan ben ik na zo’n vijftien uur ononderbroken slaap wel een keertje uitgemeurd.’

‘Da’s ook waar. Kun je nog leuke dingen doen rond die tijd?’

‘Strandwandeling, lekker uitwaaien, dus ja.’ 

Ze stond op, pakte haar tas en halve bak koffie mee en ging naar haar werktafel. 

‘Heb je al bedacht wat we met het manuscript gaan doen?’, hoorde ze Haaye vragen. 

Ze zette haar spullen op tafel en liep terug naar voren.

‘Het enige juiste, hè: teruggeven aan Polen’, zei Marleen. ‘Dat is de plek waar het thuis hoort. Quentin wil de kopietjes nog aan een aantal mensen laten zien, als tie zich dat tenminste kan herinneren. Maar om zeker van de authenticiteit van het boek te zijn, zullen we het toch een keertje moeten presenteren.’

‘Inderdaad’, zei Haaye knikkend. Ze vielen stil. ‘Dus het boek houden zit er niet in?’ 

Hij kon het maar moeilijk velen dat zo’n mooi manuscript uit zijn leven zou verdwijnen. Voor hem had het geen monetaire waarde, maar was het een prachtig kunstwerk waarvan hij kon genieten. Hij zou er zelfs oud Pools voor willen leren om het te kunnen lezen.

‘Zou wel mooi zijn’, zei Marleen.

‘Voor het geval we het vergeten: er zijn mensen omgebracht vanwege dit manuscript’, herinnerde Jasmijn hen er aan. ‘En om eerlijk te zijn, wil ik niet bij dat rijtje horen.’

‘Je hebt gelijk’, gaf Marleen toe en stond op. ‘Quentin komt vrijdag langs of laat iets van zich horen, dus wachten we dat af. Akkoord?’ 

De andere twee knikten. Jasmijn liep terug naar achteren, gevolgd door Marleen. 

‘Ligt het manuscript op een veilige plek?’, vroeg ze zachtjes aan haar. Ze knikte. ‘Okee, dan is het goed.’

‘Trouwens, Mar...’ Jasmijn’s stem hield haar terug: ‘Lotte vertelde, dat de politie gisteren haar bankkluis heeft nagezocht.’

‘Oh? Hoe dat zo?’

‘Vermoedelijk omdat ze dachten dat het manuscript daar in lag.’

‘Dat was niet het geval, toch, hoop ik?’

‘Uiteraard niet. Als mijn vrouw iets opbergt, kan niemand het vinden. Maar het is wel eng dat we door Schimmelpenninck in de gaten worden gehouden.’

‘Vanwege het manuscript, denk je?’

‘Ik heb geen idee waarvoor het anders zou zijn. Het lijkt me sterk, dat ze er een hoofdinspecteur op af sturen om te controleren of we hondenbelasting ontduiken.’

‘Uh-huh, je hebt gelijk.’ Ze dacht diep en lang na. ‘Hoe zijn ze ervan op de hoogte, dat het manuscript in jouw handen is?’, vroeg ze toen. Met haar grote grijze ogen keek ze Jasmijn onderzoekend aan.

‘Dat is het enge van heel dit gebeuren’, was het antwoord. ‘Dus wat mij betreft: des te sneller we er vanaf zijn, des te beter.’

‘Kan me voorstellen. We horen gauw van Quentin en als het meezit, is dat gelazer daarna afgelopen.’ 

Ze woelde met haar handen door het haar, pakte daarna weer de mok koffie van tafel en vervolgde in een nog steeds zachte stem: 

‘Het beste dat we kunnen doen, is het manuscript aan het Poolse consulaat geven. Aan de andere kant, ben ik er ook niet vies van om het aan de hoogste bieder te verkopen.’ 

Ze keek naar Jasmijn, probeerde haar reactie te peilen op dit in mist gehulde voorstel. De blik voor haar bleef, echter, neutraal. Ze glimlachte haar bijna verontschuldigend toe. 

‘De pest is, dat ik de zaak misschien nog hooguit een paar maanden, misschien een jaar draaiende kan houden.’

‘Da’s de huidige economie.’

‘Dat en ook dat de boekverkoop al jaren terug loopt. De mens van tegenwoordig leest liever alles online, digitaal, en in hapklare brokjes omlijst met veel plaatjes; alles om hen maar van het lezen af te kunnen houden. Zelfs een tweedehandswinkel zoals de mijne redt het niet lang meer.’

‘Misschien dat een sessie met Lotte hier een hernieuwd leven in kan blazen.’

‘Laten we het hopen, want anders ben ik zeer geneigd te zeggen, dat wat het Poolse volk niet weet, het ook niet zal missen.’ 

Met de koffie in haar hand ging ze terug naar boven. Jasmijn keek haar na en zette haar computer aan.

In de lunchpauze bleef ze aan tafel zitten en pakte haar telefoon tevoorschijn. Lotte had een berichtje gestuurd. Ze beantwoordde deze, stopte het ding terug in haar broekzak en zette de schoudertas op haar schoot. De krant die Willem haar had meegegeven zat gevouwen achter het lege tasje van de chinees. Ze liet het in de prullenbak zakken en hoorde een “tunk” op de hielen gevolgd door het geblader van de krant die de bodem van de bak bereikte. Aanvankelijk liet ze het voor wat het was maar verbaasde zich toch over de “tunk”. Voorovergebogen trok de de krant terug naar boven. Een grote witte envelop gleed tussen de bladzijden vandaan. Ze draaide de envelop tussen haar handen en zag haar naam met een streepje eronder. Nieuwsgierig opende ze de flap van de envelop en trok er een aantal blaadjes uit. De eerste was een korte brief van Willem:

 

“Jasmijn,

“Na vandaag zullen we elkaar niet meer zien. Je hebt er lang over gedaan om mij op te zoeken. Dat je dat gedaan hebt, kan ik waarderen.

“Omdat ik zag dat je bezorgd was, teleurgesteld -ik heb die twee gezichtsuitdrukkingen nooit kunnen onderscheiden- na jouw bezoek aan Maaiborg, heb ik in de fiches gezocht naar informatie over jou. Het was niet veel. Ik heb er prints van gemaakt. Misschien heb je er iets aan. Eigenlijk is dit alleen voor de artsen bestemd, maar dat doet er niet toe. Voor eens in mijn leven wil ik iets tegen de regels in doen. En als jij hiermee geholpen bent dan is dit fijn.

“Het gaat je goed.

“Willem”

 

‘Oh, Willem, je bent een engel’, mompelde ze toen ze de drie A4tjes achter de brief zag. 

Ze keek op. Haaye was met lunchpauze en Marleen zat achter het bureau lezend in de zon te suffen. Met de envelop in haar handen ging ze de kelder in, zocht een plekje onder de flets schijnende lamp en las.

 

40. 

     ‘Jeetje, Jassie...’ Lotte hield de vellen papier tussen haar handen en keek naar haar vrouw ‘...dat enorm heftig.’

‘Inderdaad.’

Jasmijn knikte louter.

Ze zaten op het strand. De avondzon was volop aanwezig in de kleurige hemel. Oranje, rode, gele en roze strepen wisselden elkaar af. Het zou een rustige nacht worden.

Na het lezen van de printjes van Willem was Jasmijn naar huis gegaan. Tegen Marleen zei ze dat ze zich niet in orde voelde. Na een korte, onderzoekende blik op haar, had ze geknikt en haar beterschap gewenst. Bij thuiskomst plofte op de bank, vouwde de handen achter het hoofd en staarde naar het plafond. Pas toen Lotte de buitendeur opende, kwam ze overeind. 

Lotte herkende de tekenen. Zonder verder iets te zeggen, pakte ze haar hand en een zespak Grolsch en liepen naar het strand gelopen. Ze gingen dicht bij de waterlijn zitten. Pas daar hield Jasmijn haar de envelop voor, die opgerold tussen haar vingers geklemd zat en klam aanvoelde.

‘Wat is dissociatieve stoornis nu precies?’, was het eerste dat Lotte na de inhoud meerdere malen gelezen te hebben. ‘Is het dat je dan ernstige gebeurtenissen aan een ander toeschrijft?’

‘In zekere zin wel. Iedereen heeft wel eens het gevoel als ze, bijvoorbeeld, in gezelschap zijn, dat ze dan van buitenaf naar het gezelschap kijken. Jouw persoon die tussen de anderen staat, heeft niets mij jou te maken, om het heel simpel te stellen. Maar...’ ze pakte de papieren terug en zocht een passage op ‘...hier staat, dat mijn dissociatieve stoornis met amnesie gepaard gaat. In mijn geval houdt dit in, dat ik gebeurtenissen die in mijn leven zijn voorgevallen me niet meer kan herinneren.’

‘Dat moet dan op heel jonge leeftijd zijn gebeurd, want ze hebben het hier over een opvanggezin waar je was ondergebracht. Je bent in Maaiborg gekomen toen je twaalf was.’

‘Uh-huh.’ 

Lotte keek naar haar profiel en vroeg:

‘Hoe voelde je je na het lezen ervan?’

‘Ik denk dat “leeg” dit het beste omschrijft. Het was vreemd om deze dingen over mezelf te lezen. Mij bekroop met het gevoel, dat ik heimelijk over iemand anders las.’

‘Dat is logisch, want je bent natuurlijk niet meer degene die je toen was. Slangen wisselen van hun huidje en dat doen mensen op geestelijk gebied ook. Zo niet dan blijf je stilstaan.’

‘Het gekke is, dat ik met totaal niets meer van mijn vroege jeugd kan herinneren. Iedereen die ik ken, heeft herinneringen. We hadden het daar niet zo lang geleden in de winkel nog over. Maar mijn verleden begint pas in Maaiborg.’

‘Vertel ’s wat het eerste is dat jij je kunt herinneren?’ 

Jasmijn tuurde voor zich uit naar het windmolenpark ver uit de kust, de wieken bijna stil vanwege het zachte weer. Rechts ervan de ondergaande zon, minder sterk dan nog maar een half uurtje geleden. Het strand om hen heen was nagenoeg leeg.

Ze keek opzij toen ze een blikje hoorde openen en pakte een Grolschje van Lotte over. Het bier was lauw, maar lekker.

‘Heel vaag kan ik me de hond herinneren van het opvanggezin’, begon ze, ‘als je het over mijn vroegste herinneringen hebt. Volgens mij was dat een wit mormel, misschien een poedel. Achteraf gezien heb geen idee wat voor soort hond het was. Ik weet wel dat we vaak samen in zijn mandje zaten. Ik praatte nooit.’ 

Ze nam nog een slok. De eerste scheut alcohol maakte haar gemoed wat minder gespannen.

‘Met de hond?’

‘Nee, ik praatte gewoon nooit.’ Ze lachte kort. ‘Niet dat ik me daar bewust van ben, maar dat is éen van de dingen die me is bijgebleven toen ik naar Maaiborg werd gebracht. Maaiborg junior had een gesprekje met meneer en mevrouw Peeters en je weet hoe ouderen praten als er kinderen in de kamer zijn: ze zien die gewoonweg niet, zelfs niet als ze het onderwerp van gesprek zijn en de enige reden waarom alle partijen bij elkaar zitten. Er werd van alles gezegd, maar dat ene zinnetje van mevrouw Peeters, dat ik geen woord had gesproken in mijn tijd bij hen, is me altijd bijgebleven.’ 

Ze draaide het blikje heen en weer in het zand totdat het stevig genoeg stond en vervolgde: 

‘Dat wat ik net vertelde van de familie Peeters en Maaiborg junior die bij elkaar zitten, hoeft niet zo nodig waar te zijn; het kan ook zijn dat dit zich zo in mijn herinnering heeft ontwikkeld. Wat wel zeker is, is dat mevrouw Peeters die woorden sprak.’ Ze veegde haar vingers door haar haar en zei: ‘Als je zoals ik geen herinneringen hebt, fabriceer je ze misschien zelf om toch iets te hebben waar je naar terug kunt kijken. Om een verleden te creëren; iets dat als jeugd omschreven kan worden.’

‘Weet je ook wanneer bent gaan spreken, of beter nog: waarom?’

‘Dat was’, begon ze, ‘bij Willem. Willem zelf praatte niet veel, nog steeds niet, en hij had ook niet dat dwingende om mij te willen laten praten. In Maaiborg probeerden een aantal artsen bij mij een woord te ontlokken. Ik ben altijd al vrij slim geweest en al op twaalfjarige leeftijd had ik door, dat zij mij aan het praten wilden krijgen. Er zat iets dwingends achter, alsof ze onderling een weddenschap hadden lopen wie dit zou lukken. Ik neem aan dat dat niet het geval is, mag ik hopen tenminste’, zei ze erachter aan met een kort lachje. ‘En vooral Eelco Schippers was hier fanatiek in. Maar je kent mij nu goed genoeg dat je weet dat als iemand mij tot iets wil dwingen, ik daaraan nooit zal toegeven.’

‘Dat ken ik van je’, bevestigde Lotte. ‘Maar bij Willem was dat niet zo.’

‘Klopt. Ik voelde me altijd op m’n gemak bij hem. Hij is als de oudere broer die ik nooit gehad heb; eentje bij wie ik me veilig voel, die ik kan vertrouwen. En het blijkt maar weer dat dit het geval is.’ 

Ze hield de lege envelop op. Dit was voor Lotte het teken om de tekst weer een keer door te nemen.

‘Ik zie ook manisch-depressief staan’, begon ze.

‘Bipolair’, verbeterde Jasmijn haar. ‘Manisch-depressief vindt men tegenwoordig een te geladen uitdrukking; plaatst een grotere stempel op iemand dan bipolair.’

‘In de tijd dat jij in Maaiborg was, werd het in elk geval nog manisch-depressief genoemd. Ik kan me niet voor de geest halen, dat jij daar last van hebt of hebt gehad.’

‘Medicatie doet wonderen.’

‘Ook dat. Pas geleden zei je, dat je wel eens bent gestopt met de medicatie. Heb je er toen iets van gemerkt?’ 

Na deze vraag moest Jasmijn lang nadenken. Uiteindelijk zei ze:

‘Ik weet het niet zeker. Misschien was de periode dat ik stopte met de medicatie te kort om er iets van te merken omdat ik al vrij snel weer de pillen begon in te nemen. Het enige waarvan ik zeker ben, was dat de herrie in mijn hoofd ondraaglijk werd toen ik stopte. Dan maar een pilletje d’r in stoppen, was mijn devies.’

‘Is er wel eens onderzocht waardoor je zoveel geluid in het hoofd hebt?’

‘Uh-huh’, beaamde ze knikkend. ‘Er is een beschadiging--nee, afwijking was het woord dat gebruikt werd, aan mijn auditieve cortex.’

‘Hoe zijn ze daar achter gekomen?’

‘Met een CT-scan. Het werd ook specifiek als afwijking bestempeld in plaats van beschadiging, omdat het gevolg van een beschadiging aan de auditieve cortex vrijwel altijd leidt tot verminderde waarneming van geluiden. En uiteraard is ook het woord psychosomatisch veelvuldig gevallen. Dat is een mooie omschrijving van een aandoening waarmee artsen hun eigen tekortkomingen of onbekendheid hiermee terug kunnen kaatsen naar de patiënt: wij kunnen niets vinden, dus jij stelt je aan.’

‘Ze kunnen veel dingen over jou zeggen, maar je bent geen aansteller.’

‘Dat vind ik zelf ook. Maar na een aantal keer die omschrijving over me heen te hebben gehad, ben ik gestopt met aangeven waar ik last van heb. Mijn relatie met artsen is hetzelfde als mijn relatie met lui die ik in het dorp tegenkom: hoe is het? Prima. Geen klachten, geen gezeur.’

‘Het is toch wel triest dat het zo ver heeft moeten komen’, merkte Lotte op. 

Met een korte ophaal van de schouders gaf Jasmijn aan, dat het haar om het even bleef. Lotte nam een slok van haar bier en keek naar de lucht. Alleen een lichtblauwe streep over het verre einder toonde, dat de zon er nog was. 

‘Gelukkig praat je wel met mij’, zei ze.

‘Jij bent de enige persoon die ik volledig vertrouw, en dat vergemakkelijkt alles.’

‘Daar ben ik blij om. Waarom heb je mij dit niet eerder verteld?’, vroeg ze toen.

‘Wanneer?’

‘Aangezien we elkaar al zes jaar kennen, dacht ik dat er genoeg gelegenheid is geweest.’

‘Misschien. Als ik het aan het begin van onze relatie had gezegd, zou jij onmiddellijk “probleempot” hebben gedacht en de relatie hebben laten uitsputteren. Er zijn later een paar momenten geweest waarop ik dacht het jou te vertellen, maar het is er gewoon nooit van gekomen.’ 

Ze wierp een blik opzij. In het licht van de invallende nacht zag ze Lotte’s vertrouwde contouren, het wit van haar ogen sterk contrasterend tegen de donkere achtergrond. Ze kon zich geen leven zonder haar voorstellen, wilde dit ook niet, hoopte dat er nooit een moment zou komen waarop zij elkaar niets meer te zeggen hadden. 

‘Ik denk dat het nu de juiste gelegenheid is’, zei ze toen. 

Lotte trok haar naar zich toe en kuste haar wang.

‘Ik denk dat je daarin gelijk hebt’, zei ze. ‘Is er nog iets anders dat je kwijt wil?’

‘Uhm, ik heb een mouche volante.’

‘Mooi. Moet dat lang in de oven?’ 

Jasmijn grinnikte en nestelde zich in de armen van haar vrouw. Het was een mooie avond en ze was blij zes jaar geleden de moed bijeengeraapt te hebben om deze schrijfster mee uit te vragen.

 

41. 

     Marleen had in alle vroegte een telefoontje van Lotte gehad die haar vertelde dat Jasmijn die dag afwezig zou zijn.

‘Er zit een hoop vermoeidheid in het hoofd van mijn vrouw’, had ze erachteraan gezegd, ‘dus we gaan een dagje wellnessen.’

‘Ik hoop dat het helpt.’

‘Ze zal er in elk geval niet slechter van worden.’

Na dit gesprek ging Marleen naar beneden, maakte koffie en dronk deze buiten op de bank aan het water met langzame slokjes op. Inge kwam bij haar zitten met een glas thee waarin het zakje dobberde en tijdens het drinken pufjes groene thee losliet.

‘Heb je nog iets gehoord van dat boek?’, vroeg ze.

‘Nog niet. Ik heb met Quentin -die antiquair, weet je nog? Nou, ik heb vanavond een afspraak met hem en dan krijg ik er hopelijk iets over te horen.’

‘Spannend. Gaan jullie ergens eten?’

‘Ja, bij De Heeren.’

‘Oee, da’s lekker eten daar. Ik ben er eens met Lex geweest’, zei ze. ‘Het eten was geweldig, het gezelschap wat minder, dus heb ik me maar op de bediening geconcentreerd.’

‘Mogge’, klonk het achter hen. 

Beiden keken om. Haaye zette zijn fiets tegen het raam aan en stak zijn hand op. 

‘Dat vind ik toch zo’n leuke knul’, vervolgde Inge, terug zwaaiend. ‘Lekker koppie haar, altijd goedgemutst. Ik zou graag zo eentje van mijn leeftijd tegen willen komen.’

‘Niet Haaye zelf?’, vroeg Marleen.

‘Hij is vreselijk jong.’ 

Ze keken nogmaals om. Hij stapte naar binnen, keek of er genoeg koffie was, schonk een mok in en ging achter het bureau zitten. Twee tellen later was hij aan het lezen. 

‘En...’, vervolgde ze in een zucht, ‘hij ziet vast niets in ouwe taarten als ik.’

‘Misschien al je jezelf als boek vermomd.’

‘Met alle ezelsoren die ik heb?’ 

Marleen lachte en stond op.

‘Ik ga maar weer eens doen alsof ik geld kan verdienen vandaag’, zei ze.

‘Hoe loopt de zaak?’

‘Niet. Als het dit jaar niet beter wordt, geef ik er de brui aan.’

‘Jeetje, is het zo erg? Dat zou zonde zijn. Misschien dat je een liaison met jouw antiquair kunt aangaan.’

‘Met Quentin?’

‘Hoezo, ken je veel antiquairs dan?’

‘Het was onaangenaam jou gekend te hebben, Inge.’ 

Ze liep naar de winkel in en hoorde Inge’s lachen haar naar binnen duwen.

‘Ha, baas’, groette Haaye haar. ‘Nog een koffie?’

‘Nee, dank je. Jasmijn heeft vandaag vrij.’

‘Okidook. Ik ga vanmiddag iets eerder weg. Komt dat uit?’

‘Ik ben hier verder heel de dag, dus geen probleem.’ 

Ze liep de trap op en keek naar beneden waar Haaye het zich weer comfortabel maakte in de fauteuil en zijn boek erbij pakte. Het moest heerlijk zijn om zo’n zorgeloos leven te hebben als hij.

Vlak na de lunch pakte Haaye z’n fiets en reed weg. Marleen maakte aanstalten om te gaan zitten, bleef staan en riep:

‘Nog koffie, meneer Van Zanten?’

‘Nee hoor, dankuwel.’ Zijn hoofd verscheen om de hoek van de boekenkast. ‘Het was erg lekker’, zei hij en knikte haar toe. 

Ze zakte neer in de comfortabele fauteuil, zette haar voeten op de prullenbak en bekeek de emails. Haar zus had een bericht gestuurd vanuit Italië met een foto van het huis erbij. Zus en zwager hadden een goedkoop huisje op de kop getikt en waren dit aan het opknappen met de bedoeling er permanent te gaan wonen. Intussen leefden ze in een tent in de achtertuin tussen de olijfbomen. Ondanks dat het er allemaal heel idyllisch uitzag, zette Marleen vraagtekens bij hun nieuwe onderkomen. Het was namelijk in Calabrië, het kloppende hart van maffialand. Ze had zich voorgenomen dat zodra zij een afgesneden vinger via de post ontving, Schimmelpenninck in te schakelen. 

Haar gedachten bleven bij deze man hangen. Hij liet weinig meer van zich horen. Als Jasmijn gelijk had, wist hij nu dat het boek van de Pool in hun bezit was. Waar dit was ondergebracht, wist hij niet, wist niemand niet. Het werd tijd dat deze zaak snel werd afgewikkeld. Het voelde onaangenaam niemand meer te kunnen vertrouwen in haar privé omgeving. Er waren lui aan wie alles gelegen over lijken te gaan in hun zoektocht naar het manuscript van Kazimierz Wielki. Een week geleden had zij nog nooit van deze man gehoord en nu, sinds ze Quentin had ontmoet, wist zij genoeg over deze heerser te vertellen.

‘Goedemiddag’, zei de vrouw aan de andere kant van het bureau.

En dan was er nog Sonia, die niets meer van zich liet horen. Hier was ze niet rouwig om, maar ze had de pest aan zichzelf dat ze ondanks haar oplettende natuur toch zulke domme beslissingen had genomen. Hierdoor had Sonia misbruik van haar kunnen maken; van haar en de situatie die uit deze domme beslissingen voortkwam.

‘Hallo...’ 

De vrouw zwaaide haar hand voor de starende blik heen en weer. Marleen keek verward op, veerde direct overeind en glimlachte haar toe.

‘Sorry’, zei ze.

‘U was mijlenver weg’, merkte de vrouw op. Ze knikte en vroeg:

‘Kan ik u helpen?’

‘Ik ben op zoek naar uhmm Jasmijn heet ze geloof ik?’ 

Ze wees naar de plek waar Jasmijn normaliter te vinden was.

‘Oh, Jas is vandaag vrij.’

‘Da’s jammer.’ 

Marleen keek de vrouw doordringend aan.

‘Bent u hier niet eerder geweest?’, vroeg ze. ‘U ging op vakantie naar...’

‘Griekenland.’

‘...Griekenland, klopt; ik herinner het me weer.’ 

Ze herinnerde zich ook, dat dit eeuwen geleden was. 

‘Da’s een lange vakantie geweest’, vulde ze aan.

‘Nee, maar ik heb daar voedselvergiftiging opgelopen.’

‘Da’s niet zo mooi. Slechte olijven?’ 

Ze had geen idee wat ze op haar mededeling moest zeggen. De vrouw keek haar langdurig aan om uiteindelijk te zeggen:

‘Het heeft geen zin om hier te komen en Belletien nooit aan te treffen. Kunt u haar vragen contact met mij op te nemen?’ 

Ze pakte een kassabon uit haar tas en schreef haar telefoonnummer erop. Na een moment nadenken, zette zij ook haar eigen naam erbij. 

‘Ik kom namelijk heel de weg uit Maarssen hier naartoe gereden’, mompelde ze tijdens het schrijven, ‘en hoewel het niet zo belangrijk is in het grote wereldse gebeuren, hou ik er niet van voor paal gezet te worden.’

‘Pardon, wie heeft dat gedaan?’, vroeg Marleen, nog verwarder dan toen zij uit haar staar-moment werd gehaald. Ze verbaasde zich erover, hoe snel de stemming van de vrouw van redelijk beleefd naar behoorlijk pissig was omgeslagen.

‘Iedereen hier’, zei de vrouw, de kassabon naar Marleen schuivend, ‘door te zeggen, dat die Jasmijn niet dezelfde persoon is als Belletien. Misschien heeft ze in de bak gezeten waardoor ze een nieuwe identiteit heeft gekregen, maar ik weet zeker dat ik haar als Belletien gekend heb. Vraag haar alstublieft met mij contact op te nemen.’ 

Hiermee liep ze de winkel weer uit. Zuchtend keek Marleen haar na.

‘Volgens mij ben ik zojuist slachtoffer geworden van een pissige drive-by naamoverval’, gromde ze. 

Verderop klonk een lachend knorretje van de heer Van Zanten. Hoofdschuddend zakte ze weer in de fauteuil en zette haar voeten op de prullenbak.

De rest van de dag verliep rustig. Meneer Van Zanten verliet even na drieën de winkel en om vijf uur sloot ze af, nam een douche en maakte zich klaar voor het etentje met Quentin. Even voor zeven sloot ze de deur achter zich en liep de brug over in de richting van het restaurant. Ze wilde niet te vroeg aankomen maar ook niet te laat. Het weer was drukkend. De zon had ongenaakbaar op de stad gedreund en de stenen stuwden de warmte terug.

De straten waren vol toeristen op zoek naar kaas en gezelligheid. Een jonge man in een clownachtige broek en blauw-wit gestreept t-shirt zoefde grote zeepbellen de lucht in en nodigde een kleine jongen uit hem te helpen. De ouders keken vertederd toe. Tijdens het lopen draaide ze haar hoofd naar het tafereel om dit te kunnen blijven volgen.

Ze liep naar het restaurant en bleef bij de ingang staan. Een jonge kelner kwam op haar af. Ze gaf aan een reservering te hebben op naam van Quentin.

‘En de achternaam?’, vroeg de kelner.

‘Oh, moment graag.’ 

Ze pakte haar iPhone, deed haar leesbril op en scrolde door haar telefoonlijst. 

‘Quentin Alesloot’, zei ze uiteindelijk. 

De kelner keek op zijn lijst. Vanuit haar ooghoeken meekijkend, zag Marleen maar éen naam staan, die van Quentin. Ze volgde de kelner naar een plek bij het raam. Hij schoof haar stoel naar achteren, pakte het bordje “gereserveerd” van het tafelblad af en vroeg:

‘Wilt u misschien al iets drinken?’

‘Ik wacht tot mijn eh tafelgenoot er is’, antwoordde ze.

‘Misschien wat koud water met dit warme weer?’

‘Oh. Ja. Prima. Dank je.’ 

Na zijn vertrek keek zij op haar iPhone. Het was vijf over zeven. Tijd genoeg voor Quentin om te laat en toch een beetje op tijd te zijn. 

De kelner zette een karaf water met ijsblokjes op tafel en schonk haar glas halfvol. Ze dronk ervan, schonk het glas vol, pakte een ijsblokje eruit en sabbelde erop. 

Buiten liepen mensen loom op straat, zoekend naar een restaurant of een stukje schaduw voor verkoeling. 

Kwart over zeven. Quentin was nog steeds op tijd mits hij een goed excuus had voor dit verloren kwartiertje. Ze bestelde een glas wijn en pakte haar telefoon. Wijn nippend bladerde ze door haar mail om iets te doen te hebben. Calabrië, zus, huisje, maffia nogmaals. 

Om half acht had ze lang genoeg gewacht, vroeg om de rekening en ging naar buiten. De warmte hing tussen de huizen in. Ze stak het plein over en belde Quentin. De eerste keer kreeg zij zijn voicemail te pakken. Ze haakte af en belde nogmaals. Het duurde lang maar uiteindelijk leek het alsof haar telefoontje beantwoord werd. Een vrouwenstem zei aarzelend:

‘Hallo? Met de telefoon van Quentin Alesloot.’

‘Is Quentin in de buurt?’ 

Weer diezelfde aarzeling, gevolgd door een bevestiging. 

‘Kan ik hem spreken?’, vroeg ze toen.

‘Met wie spreek ik?’

‘Met Marleen Valentina, de vrouw met wie Quentin deze avond om zeven uur een afspraak had.’ 

Ze klonk bits, zelfs in haar eigen oren, maar ze had er een hekel aan een blauwtje te lopen.

‘Quentin kon helaas die afspraak niet nakomen.’

‘Dat heb ik gemerkt. Had hij niet kunnen bellen om dit te zeggen?’

‘Sorry. Hij ligt in het ziekenhuis.’

‘Hij ligt wat?’

‘In het ziekenhuis.’

‘Oh?’ 

Ze viel stil. Op het moment dat ze wilde vragen wat er aan de hand was, zei de vrouw:

‘Hij had gisteravond een andere afspraak en toen hij vanmorgen nog niet terug was, heb ik de politie gebeld. Ik ben Cerise, Quentin’s dochter. Mijn vader schijnt vlak voor mijn telefoontje naar het ziekenhuis te zijn gebracht door een ambulance.’

‘Wat is er met hem aan de hand; hartproblemen, of...?’ 

Marleen ging op het bankje voor Pagina 42 zitten en staarde naar het kalme wateroppervlak van de gracht.

‘Nee, hij is eh afgetuigd. Vanmorgen heeft iemand hem gevonden...’ vast iemand die de hond aan het uitlaten was of een jogger, bedacht Marleen zich. Dat zijn altijd degenen die mensen langs een bosrand of rand van de weg vinden ‘...en hij is daarna naar het ziekenhuis gebracht.’

‘Jeetje, sorry, meis. Weet de politie ook wie het heeft gedaan?’

‘Nog niet. Ze hebben wel zijn agenda nagezocht met wie hij een afspraak had, maar het waren kennissen uit Polen. Hij heeft zo vele kennissen daar.’ 

Ze zweeg. Ze was blij met iemand te kunnen spreken die niet bij het ziekenhuis of politie hoorde. Maar nu was ze uitgepraat, uitgeput.

‘Waar ligt hij?’, vroeg Marleen en nadat ze dit had doorgekregen, zei ze: ‘Ik kom langs.’

‘Dat is echt niet nodig.’

‘Is er verder iemand bij je?’

‘Nee, maar dat geeft niet.’

‘Heb je al gegeten?’

‘Nog niet.’

‘Ik kom zometeen langs.’ 

Voordat Cerise tijd had te protesteren, borg Marleen haar telefoon op en ging naar de snackbar voor broodjes en drinken, en hierna op weg naar het ziekenhuis.

 

42.

     Lotte stak haar hoofd om de hoek van de badkamerdeur en keek via de spiegel naar Jasmijn.

‘Volgens mij ben ik vergeten te vertellen dat we gisteren een interessante reactie op twitter hebben gehad’, zei ze. 

Jasmijn was haar tanden aan het poetsen en kon alleen haar wenkbrauwen vragend omhoog trekken. 

‘Ik ben de naam effies vergeten, maar de reactie was...’ ze dacht na en ging terug naar de woonkamer, mompelend: 

‘Wat was de reactie eigenlijk?’ 

Jasmijn gorgelde en riep:

‘Blij dat je beter schrijft dan praat.’ 

Ze borstelde haar haar en ging in de weer met een oogpotlood. Een dagje sauna was precies wat ze nodig had gehad.

‘De reactie is’, riep Lotte vanuit de woonkamer: ‘Is dit een smakeloze grap of...?’ 

Ze liet de potlood in de lucht hangen en tuurde naar de spiegel zonder iets te zien.

‘Nog eens?’, riep ze toen. Lotte herhaalde de boodschap. ‘Weet je ook van wie het is?’

‘Marie56 heeft dit bericht gestuurd. Ze zal dus Marie heten en in 1956 geboren zijn of 56 jaar zijn geweest toen ze haar account opzette.’

‘Hoe origineel’, mompelde Jasmijn. 

Lotte zat op de bank en las een paar berichtjes op twitter door.

‘Hier’, zei ze, zodra ze Jasmijn hoorde binnenkomen, en hield haar iPad omhoog.

‘Wat een cryptisch bericht. Heeft er al iemand op gereageerd?’

‘Nee, het is een persoonlijk bericht dat alleen wij kunnen zien.’

‘Techniek staat voor niets, zeg.’ 

Lotte negeerde het sarcasme in haar stem en zei:

‘Ik zal een berichtje terug sturen. Wat wil je dat ik schrijf?’

‘Het is jouw kindje, dus verzin maar wat.’ 

Ze liep naar de opengeslagen balkondeur en snoof de frisse ochtendlucht op. Over twee uurtjes zou het te warm zijn om hiervan te kunnen genieten. Een auto stopte en draaide een parkeervak aan de overkant in. De man die uitstapte, liep om zich heen kijkend door de straat. Aan het begin ervan bekeek hij de verkeersborden, keek weer om zich heen en trok de schouders op. Zijn vrouw laadde strandstoelen uit. Een jongetje van pakweg zes stond met zijn ontbloot bovenlijf in een rode korte broek en op blote voeten op de stoep, een bal in zijn armen geklemd. Zijn twee jaar oudere zusje probeerde op de lage muur te klauteren. 

Teruglopend keek de man omhoog en zag Jasmijn. Met een paar passen was hij halverwege de straat en riep:

‘Is het hier gratis parkeren?’

‘Ja’, riep ze terug. 

Dankbaar stak hij zijn duim naar haar op.

‘Ik heb de vierde van dit seizoen’, zei ze tegen Lotte.

‘Volgens mij gooi je het op een akkoordje met die mensen’, was haar reactie. ‘Wat dacht je van “hoezo smakeloze grap?”’, vroeg ze toen.

‘Mooi.’

‘Zeker weten?’

‘Als ze hierop wil reageren, zal ze meer moeten vertellen’, zei Jasmijn. ‘Misschien worden we er wat wijzer van.’

‘Okee.’ 

Lotte typte het in en stuurde het weg. Over haar schouder keek Jasmijn mee en vroeg toen de iPad werd dichtgeklapt:

‘Moet je niet op antwoord wachten?’

‘Dat doe je alleen als je zestien bent en desperaat of in de dertig met minimaal zes katten in huis. Ik heb nog een leven om mee verder te gaan. We zien straks wel weer.’

‘Kun je nagaan wie de Marie56 is?’

‘Ik heb al gekeken, maar uit haar profiel beschrijving word je niet veel wijzer. Waarom zucht je?’

‘Zomaar, en omdat ik geen moer van deze dingen begrijp.’

‘Het is zo simpel.’

‘Laat ik het zo zeggen: ik wil er niks van begrijpen.’ Ze nam Lotte in haar armen en kuste haar. ‘Tot vanavond, vrouwtje, en werk ze.’

‘Jij ook, lieverd.’ 

Met twee treden tegelijk denderde ze de trappen af en liep over het pad langs de schuurtjes van de buren naar de parkeerplaats. Ze keek omhoog, zwaaide naar Lotte en stapte in de auto. Om de pooierbak van de buurman heen zwenkend reed ze het terrein af op weg naar Alkmaar.

Marleen was juist koffie aan het zetten toen ze kwam aanlopen. Dat was normaliter de taak die Haaye op zich nam, maar hij was naar Parijs om twee weken lang in Shakespeare & Co. door te brengen.

‘Hai’, groette ze bij binnenkomst. ‘Jij ziet er afgelebberd uit. Goede nacht of slechte nacht?’

‘Geen van beiden: vermoeide nacht. Koffie? Ik heb gisteravond in het ziekenhuis doorgebracht.’

‘Oh, jeetje, joh. Hoe dat zo?’ 

Ze ging op de boekenkast zitten.

‘Ik had een afspraak met Quentin en toen hij niet kwam opdagen, belde ik hem. Pissig, natuurlijk.’

‘Natuurlijk. Dus je hebt hem in elkaar geslagen en naar het ziekenhuis gebracht.’

‘Dat was de bedoeling, ware het niet dat iemand mij voor was.’ 

Met beide handen rond de mok wachtte Jasmijn op de rest van het verhaal. 

‘Bleek dat hij de avond ervoor een paar Poolse lui had ontmoet vanwege het boek en die wilden er op een niet al te verfijnde manier zeker van zijn, dat hij het boek werkelijk niet in zijn bezit had. Dus hebben ze ‘m in elkaar getremd.’

‘Zeker de nationalistische manier in Polen om iemand te overtuigen.’ 

Jasmijn had het verhaal van de eerste ontmoeting met Quentin in alle geuren en kleuren van Haaye gehoord.

‘Ik weet het ook niet meer, Jas.’ Marleen ging in de fauteuil zitten en sloeg haar benen over een armleuning. ‘Wat ik wel weet, is dat ik blij zal zijn als dat ding is waar het thuishoort.’

‘En waar hoort het thuis?’

‘Bij de mensen die het hardste slaan.’

‘Het is nooit goed om aan pestkoppen toe te geven.’

‘Je zal wel gelijk hebben, maar als je vastgeknoopt op de grond ligt met twee van die gespierde kledingkasten om je heen, is toegeven werkelijk niet zo eens een slechte optie.’

‘Ja. Ja, daar heb je wel iets’, gaf ze toe. ‘Hoe is het nou met Quentin?’

‘Hij is er niet al te slecht aan toe.’ 

Ze nam een slok en zette haar mok op het bureau. Met de handen achter het hoofd gevouwen, zei ze: 

‘Beetje blauw, beetje rood, maar goed bij zinnen. Hij kon me in elk geval over de ontmoeting met die aardige lui vertellen. Verder heb ik met zijn dochter zitten praten. Een leuke meid, ietwat aan de paniekerige kant, maar ze is pas zeventien, achttien of daaromtrent. Bijna volwassen voor de wet maar nog een kind in haar doen en laten. Ik heb mijn moederlijke gevoelens, waarvan ik niet wist dat ik ze had, de vrije loop gelaten en haar bijgestaan.’ 

Op haar gezicht verscheen een scheef glimlachje: 

‘Misschien is haar vader me dankbaar genoeg voor deze onbaatzuchtige daad om mij een paar meier extra toe te schuiven bij de overdracht van het boek.’

‘Je bent dus van plan om het aan het Poolse consulaat te geven?’, concludeerde Jasmijn uit haar woorden.

‘Ja. In de hoop dat ze er goede ruchtbaarheid aan geven zodat wij in elk geval met rust gelaten worden.’

‘Ik denk dat dat de juiste keuze is.’

‘Dat dacht ik ook.’

‘Hoe pakken we dat aan?’

‘Ik dacht zelf om alles aan Quentin over te laten. Hij kent de juiste namen en de juiste wegen die bewandeld moeten worden.’

‘Is hij alweer in staat tot wandelen?’

‘Ja hoor. Hij wordt vanmorgen uit het ziekenhuis ontslagen dus ik neem aan dat hij dit wandelend doet. Zo niet dan kart hij maar met een rolstoel naar het consulaat. Hoe was jouw dag eigenlijk?’

‘Lekker. Goed bijgekomen, alle sores van me af laten glijden en heerlijk gelummeld.’

‘Heerlijk. Ik zou dat ook weer eens een keer moeten doen, een dagje sauna. Het is lang geleden dat ik daar ben geweest. Oh trouwens, voordat ik het vergeet...’ ze schoof een la van het bureau open en haalde er een briefje uit ‘...gisteren is die vrouw weer langsgekomen die zegt jou van vroeger te kennen. Ze heeft haar telefoonnummer opgeschreven voor het geval je contact met haar wilt opnemen.’

‘Dank je.’ Jasmijn las de naam en het nummer op het briefje. ‘Ik zal haar bellen.’

‘Mag ik vragen’, begon Marleen na een korte stille pauze, ‘waar dit over gaat?’

‘Dat mag, maar de pest is, dat ik zelf ook nog te weinig weet om er iets interessants over te zeggen.’

‘Probeer maar.’

‘Nu?’ 

Op deze vraag keek Marleen om haar heen door de lege winkel.

‘Misschien dat we het vanwege de drukte moeten uitstellen’, merkte ze op, ‘maar ik waag het er toch maar op.’

‘Ik bedoel... Nou ja, laat maar.’ Jasmijn dronk haar mok leeg. ‘Het gaat er om, dat ik... Nee, laat ik anders beginnen.’ 

Ze zuchtte diep en zei: 

‘Ik heb geen herinneringen van voor mijn twaalfde, dertiende jaar. Nou heb ik pas vernomen dat ik een dissociatieve stoornis heb, waarbij mijn geheugen is aangetast. Ik had ook nog allerlei andere dingetjes, waaronder schizofrenie, maar dat geven ze aan elke tiener die wisselende stemmingen heeft.’

‘Een tiener die geen last van stemmingswisselingen heeft, is pas gestoord’, merkte Marleen op.

‘Precies mijn idee, dus van die prognose trek ik me niets aan.’

‘Sorry dat ik je onderbreek, maar van wanneer is die prognose?’

‘De prognose is van het moment dat ik vanuit een pleeggezin naar een instituut werd overgeplaatst, en dat was toen ik rond de twaalf was.’

‘Dus meer dan dertig jaar geleden?’

‘Klopt’, beaamde Jasmijn knikkend. ‘Maar om een lang en waarschijnlijk ongelooflijk saai verhaal kort te maken: die Marjolein... ‘ ze hield het briefje naar Marleen op ‘...zegt mij van de lagere school te kennen. Ze heeft een tijd terug een foto uit die tijd gegeven...’

‘Dat herinner ik me nog.’

‘...en volgens Lotte ben ik dat, dat meisje op die foto. Zij kent mij natuurlijk het beste en zag in éen oogopslag de overeenkomsten tussen dat meisje en mij. Dus misschien ben ik wel Belletien nogiets. Met mijn geheugenstoornis kan ik dit niet voor 100% ontkennen.’ 

Haar handen rolden de lege mok heen en weer. Ze staarde naar de vloer, dacht aan alles en niets. Het tolde enorm in haar toch al zo onrustige en luidruchtige hoofd. 

‘Dus ik denk dat het handig is om Marjolein te bellen en het hoe en wat te vragen.’

‘Weet je zeker dat je dit wilt doen?’ 

Jasmijn schudde het hoofd. 

‘Je kunt zoveel over je heen krijgen’, vervolgde Marleen, ‘dat jouw hoofd uit elkaar spat.’

‘Dat doet het nu ook al. Misschien is het voor mij draaglijker als het uit elkaar spat voor een reden.’

 

43. 

    Pas toen zij zijn stem hoorden, hadden Marleen en Jasmijn door dat Schimmelpenninck in de winkel was. Marleen keek om en stond op, liep een paar passen bij Jasmijn’s tafel vandaan maar bleef staan toen de hoofdinspecteur op hen afkwam. Hij groette hen met een knikje en vroeg aan haar:

‘Mag ik u vragen over uw bezoek aan Quentin Alesloot?’

‘Dat mag.’

‘Waar kent u hem van?’ 

Jasmijn legde haar pen neer en besloot het gesprek te volgen.

‘Wij zitten in hetzelfde vak en zijn collegae van elkaar’, antwoordde Marleen.

‘Weet u hier wat meer over te vertellen?’ 

Hij hield een kopie van het manuscript op, verpakt in plastic. Nadat zij het aandachtig had bestudeerd, zei Marleen:

‘Dat is een kopie.’

‘Ik weet dat het een kopie is.’ Schimmelpenninck zuchtte luid. ‘Waar is het origineel van deze kopie?’

‘Bij een klant.’

‘Wie?’

‘Getuigende wat er met Quentin is gebeurd’, begon ze met een scheef glimlachje, ‘lijkt het mij niet zo best om de naam van mijn klant prijs te geven.’

‘Getuigende wat er met Alesloot is gebeurd, lijkt het mij meer dan aannemelijk dat de daders verder op zoek gaan naar het origineel. En na wat Alesloot hen heeft verteld...’ 

Hij stopte. Marleen en Jasmijn keken elkaar vluchtig aan voordat Jasmijn vroeg:

‘Wat heeft hij verteld?’

‘Hij heeft hen verteld waar hij de kopie vandaan heeft.’

‘Kut!’, gromde Jasmijn. 

Handig van hem om dit voor Marleen te verzwijgen.

‘Inderdaad. Het zal in jullie voordeel zijn om mij eens een keer wat minder als de boeman te zien en meer als iemand die hier is om jullie te helpen.’

‘Waakzaam en dienstbaar’, somde Marleen op.

‘Zo is het.’

‘Behalve als jouw levenswijze van de anale norm afwijkt’, vulde Jasmijn aan. 

Hij keek haar onderzoekend aan.

‘Laten we wel wezen’, zei hij toen: ‘Jullie weten waar het manuscript is, ik weet dat jullie dit weten, dus laten we er verder geen doekjes om winden. We spreken af dat ik morgen terugkom om het boek op te halen. We krijgen dertig seconden in het journaal van acht uur zodat iedereen weet dat jullie er niets mee te maken hebben.’

‘En dan?’, vroeg Jasmijn.

‘Dan hebben jullie geen last meer van ongenode lui.’

‘Nee, ik bedoel: wat gaat er dan met het manuscript gebeuren?’

‘Dat laat ik aan de experts over.’

‘Quentin is ook een expert, en je ziet wat er met hem is gebeurd’, zei Marleen. 

Schimmelpenninck knikte en zei:

‘Dat zal niet weer gebeuren. Morgen.’ 

Met lange passen liep hij de winkel uit. Na zijn aftocht bleef het een aantal momenten stil. Marleen schoof de stoel een centimeter van de tafel vandaan en ging zitten.

‘Gaat dat lukken, morgen?’, vroeg ze.

‘Noop. Maar geen nood’, zei Jasmijn snel toen ze bedenkelijk keek. ‘Ik handel dit wel met de Schimmel af.’

‘Mooi.’ Ze knikte, vroeg toen: ‘Wat denk jij dat we moeten doen?

‘Heb je al aan Quentin gevraagd of hij het éen en ander heeft kunnen uitzoeken?’

‘Nog niet. Vanavond zie ik hem en dan zal ik hier naar vragen.’

‘In het ziekenhuis?’, vroeg Jasmijn, hoewel ze dacht te hebben gehoord dat hij daar uit ontslagen was. Ze had gelijk want Marleen antwoordde:

‘Nee, bij hem thuis. Het was min of meer op aandringen van Cerise. Ze heeft me voor het eten uitgenodigd, hoewel ze volgens Quentin nog geen ei kan koken. Ik dacht om een tokootje mee te nemen.’

‘Dat is altijd een goed plan.’

‘Ik zal hem vragen hoe het zit, of hij contact met het consulaat heeft gehad.’ 

Ze keek Jasmijn aan. Haar ogen stonden groot en een beetje nadenkend. 

‘Ik weet niet hoe het met jou zit, maar ik ben al dit gelazer zat.’ 

Het was een sentiment waarmee Jasmijn helemaal kon instemmen.

Marleen ging om kwart over vijf naar de toko en meteen door naar Quentin en Cerise. 

Hoewel Jasmijn naar huis verlangde, wilde ze eerst de laatste stapel van haar tafelblad wegwerken. Het was stil in de winkel. De deur stond open. De voetstappen en het gepraat van passerende mensen dreef naar binnen. In alle rust werkte ze verder en bedacht zich ineens dat ze Marjolein nog wilde bellen. Ze pakte haar iPhone tevoorschijn. Het was tien voor half zeven. Voordat ze belde, stuurde ze een berichtje naar huis om te zeggen dat het wat later werd. Hierna keek ze op het briefje en toetste het nummer in. Na drie keer overgaan werd er opgenomen.

‘Met Marjolein van der Does’, hoorde ze.

‘Hallo, met Jasmijn Bendelof’, zei ze, dacht een moment na en vervolgde met: ‘Of Belletien zoals jij mij kent.’

‘Oh, hai. Eindelijk heb ik je dan toch te pakken.’

‘Hai. Inderdaad, ja. Bel ik gelegen?’

‘Tuurlijk.’

‘Ik zou wat meer te weten willen komen over het verleden van Belletien, wat vermoedelijk mijn verleden is.’

‘Nou ja, ik weet het wel zeker.’ 

Er kroop scherpte in Marjolein’s stem.

‘Sorry’, suste Jasmijn de beginnende ergernis, ‘dat ik nog wat sceptisch ben, maar ik ben al zo lang Jasmijn Bendelof, dat het voor mij moeilijk te aanvaarden is dat ik anders zou kunnen heten.’

‘Kan ik me best voorstellen.’ De ergernis verdween even zo snel als het was opgekomen. ‘Maar weet je werkelijk niets meer?’

‘Werkelijk. Geloof me, dit is niet iets waarover ik een geintje maak, als ik dat al kon. Maar...’

‘Misschien...’ 

Ze spraken door elkaar heen.

‘Zeg jij maar’, zei Jasmijn toen.

‘Misschien is het handiger als we elkaar ontmoeten? Dat praat wat makkelijker.’

‘Precies wat ik wilde voorstellen’, zei ze met een lachje. ‘Waar komt jou het beste uit?’

‘Utrecht?’

‘Utrecht?’, herhaalde ze, eveneens vragend.

‘Dat is voor mij makkelijk te bereiken en voor jou vanuit Alkmaar waarschijnlijk handiger dan Maarssen.’

‘Okee. Wanneer schikt het jou?’

‘Morgen?’

‘Hmm, nee, dan moet ik werken. Er is er al eentje op vakantie namelijk.’

‘Zondag? Heb je daar moeite mee?’

‘Nee, volstrekt niet. Zeg maar hoe laat en waar.’ 

Ze besloten een lunchafspraak te maken zodat beiden iets te doen hadden, mocht het gesprek stokken. Met het wegstoppen van haar telefoon merkte Jasmijn, dat zij een opgewonden gevoel had. Ze was benieuwd naar die Belletien en het verleden van die vrouw. Aan de andere kant bleef ze sceptisch, maar dit scepticisme was na het lezen van de documenten uit Maaiborg minder diepgaand dan voorheen. Er was een gat in haar verleden en als dit opgevuld kon worden met een verleden die zij als Belletien had doorgebracht, kon ze misschien overgehaald worden hierin te gaan geloven. Aan de andere kant hield dit in, dat er vele vragen waren die beantwoord moesten worden. En ze vroeg zich af of dit mogelijk was.

Ze opende het luik naar de kelder, ging een paar treden af en pakte een stapel boeken van de grond naast haar tafel. Deze zette ze beneden in een kast. De wandkasten boven waren tot de nok toe gevuld en het was moeilijk een opening te vinden. 

Terug op de trap bleef ze halverwege staan om een nieuwe stapel te pakken, toen ze iets hoorde. Ze schoof de stapel aan de kant en liep door naar boven, de winkel in. Er was niemand. Waarschijnlijk was het een geluid van buiten. Ze draaide zich om verder te gaan en hoorde weer iets duidelijker ditmaal. Het was geschuif, gerammel, gerommel, alsof de achterdeur gemold werd. 

Ze begreep dat dit een keuze was tussen heldhaftig zijn en gaan kijken wat er gaande was bij de buitendeur, of de benen nemen. Ze koos voor het laatste. Ze was voor niemand bang, maar was geen liefhebber van de gevolgen van misplaatste heldhaftigheid. 

Haar tas van onder de tafel vandaan grijpend, wilde ze naar de voordeur rennen, toen de stemmen plots akelig dichtbij klonken. De buitendeur was te ver weg. Zonder er verder bij na te denken, schoot ze de trap af en ging de kelder in. Gehaast knipte ze het licht uit en met het lampje van haar telefoon liep ze verder naar achteren. Naast een pilaar stond een tafel met omringd door boeken. Ze schoof een rij opzij en ging onder de tafel zitten. Met haar vingertoppen probeerde ze het rijtje terug te schuiven, maar het viel om en gleed als een pak nieuwe speelkaarten van haar vandaan over het looppad. Ze toetste het alarmnummer in en wachtte. Een mevrouw nam haar gesprek aan. Ze zei haar naam en waar de winkel was en vroeg of de politie kon langskomen omdat er indringers waren.

‘Waar bent u zelf nu?’, vroeg de vrouw, op een zachtere toon dan ze gewoon was, zich aanpassend aan de fluisterstem van Jasmijn.

‘In de kelder van de winkel onder een tafel. Ik hoor iemand de trap afkomen.’

‘Hoeveel zijn er?’

‘Geen idee. In elk geval twee.’

‘Blijf rustig zitten, niet praten. De politie is al gealarmeerd en onderweg naar je.’

‘Okee.’

‘Blijf aan de lijn.’ 

Ze deed wat haar werd gezegd en hield de telefoon stevig tegen haar oor gedrukt. Aan de andere kant van de lijn hoorde ze het tikken van een toetsenbord. 

‘Rustig ademhalen’, zei de vrouw. 

Ze knikte zonder door te hebben dat ze dit deed. Het schijnsel van een zaklamp kwam haar richting uit, eerst zwak, daarna scherper naarmate het licht naderbij kwam. En met het licht kwam ook de indringer dichterbij. Tot haar schrik zag ze de band van haar schoudertas in een lus onder de tafel op het looppad liggen. Ze tuurde ernaar, het bijna gebiedend terug te komen. Het felle licht had de band bijna bereikt toen het plots verdween en op de boekenkasten werd geschenen. Hierdoor was de schouderband bedekt door duisternis. Snel trok zij het naar binnen en bleef stil zitten.

‘Gaat het nog?’, vroeg de vrouw zacht.

‘Shh’, fluisterde Jasmijn terug. 

Vanwege de vreemde houding kreeg ze kramp in haar rechterdij. Ter afleiding liet ze haar gedachten over andere dingen gaan om niet aan de kramp te hoeven denken, om niet automatisch haar been te willen strekken. Stilletjes liet ze het gewicht van haar bovenlichaam zoveel mogelijk op haar andere been rusten.

‘De politie is bijna ter plaatste’, zei de vrouw zacht. 

De mannen zeiden iets tegen elkaar. Ze begreep niet wat er werd gezegd, maar het was waarschijnlijk Pools. Het licht van de zaklamp draaide van de kast vandaan en werd op de tafel gericht. Het raakte haar zijkant langs het gat tussen de boeken in. Het enige wat zij hoopte, was dat de man haar niet opmerkte.

‘Politie!’, werd er plots geroepen. ‘Kom naar boven met de handen waar wij die kunnen zien.’ 

Ze hoorde iemand de trap afkomen. Het licht ging aan. De mannen zeiden iets tegen elkaar. 

‘Kom naar de trap met de handen omhoog’, riep iemand.

‘We not understand’, riep éen van de mannen terug.

‘Hands up’, riep de politieman zonder een slag te missen. ‘Show me your hands where I can see them.’ 

Hierna klonk er een hoop gerommel en gepraat tot Jasmijn door. Ze wist niet of het al veilig was om onder de tafel vandaan te komen en bleef zitten.

‘Hoe is de situatie nu?’, vroeg de vrouw van de alarm centrale.

‘De politie is er.’

‘Mooi. Dan lijkt alles in orde.’

‘Kan ik onder de tafel vandaan?’

‘Je kunt beter wachten totdat je gehaald wordt.’

‘Okee.’ 

Ze bleef de telefoon vasthouden om in contact met de vrouw te blijven en zag plots het gezicht van een politieman die naast de tafel hurkte. Hij glimlachte haar toe.

‘Zal ik u overeind helpen, mevrouw?’, vroeg hij, een hand uitstekend.

‘Graag, want ik heb verschrikkelijke kramp in mijn dij.’ 

Ze pakte zijn hand beet en kwam onhandig onder de tafel vandaan. Eenmaal in de verticale positie schudde zij haar been om er leven in te krijgen.

‘Alles in orde?’, vroeg de vrouw aan de andere kant van de lijn.

‘Alles in orde’, bevestigde ze. ‘Bedankt dat je me er doorheen hebt geholpen.’

‘Graag gedaan. Is er nog iets wat ik kan doen.’

‘Nee, het is prima zo. Hartelijk dank nogmaals.’

‘Gelukkig dat het goed is afgelopen. Ik kan nu de verbinding verbreken?’

‘Ja. Bedankt.’ 

Jasmijn had er geen idee van hoe vaak ze de vrouw in de afgelopen dertig seconden had bedankt, maar het had een wereld verschil gemaakt om iemand bij haar te hebben die wist wat er aan de hand was en die ook mensen aan het werk kon zetten om de situatie op te lossen.

Eenmaal terug boven zag ze in totaal vier politieagenten en twee politieautos voor de deur, met een aantal nieuwsgierige mensen die door de etalage naar binnen keken.

‘Het slot van de achterdeur is gemold’, meldde een agent. ‘We hebben een metalen staaf klem gezet tussen het handvat. Dat is misschien goed voor een nacht, maar als ik u was, zou ik het zo snel mogelijk laten maken.’

‘Doe ik’, zei Jasmijn knikkend. ‘Bedankt dat jullie zo snel hier naartoe zijn gekomen.’ 

De twee mannen waren afgevoerd en zaten verdeeld over de twee politieautos. Ze dacht er eentje van hen te herkennen: de grote kale met het Keltisch kruis op zijn borst getatoeëerd. 

‘Moet ik nog mee naar het bureau of kan ik naar huis?’

‘U kunt naar huis. Neem eerst wat rust. Morgen nemen we contact met u op.’ 

Ze gaf haar naam, adres en telefoonnummer op en liep gezamenlijk met de agenten de deur uit. Ze wilde niet meer alleen achterblijven nu de achterdeur op zo’n provisorische manier was vastgezet. 

Ze sloot de voordeur, liet het luik zakken en liep in snelle passen naar haar auto. Pas achter het stuur met de deuren veilig dicht en op slot, kon ze weer normaal adem halen.

 

44. 

     Lotte zette twee glazen op het hangtafeltje, ging zitten en plaatste haar voeten tegen de reling van het balkon. De ondergaande zon scheen felrood tussen de twee duintoppen door.

‘Ik heb nog geen reactie gehad’, zei ze. ‘Proost, lief.’

‘Proost.’ Jasmijn hief het glas naar haar alvorens er een slok uit te nemen. ‘Waarop eigenlijk?’

‘Dat berichtje op twitter.’

‘Oh, dat.’ Met de ogen gesloten tegen het zonlicht leunde Jasmijn achterover. ‘Ik was het al bijna weer vergeten.’

‘Kan me voorstellen met alles wat je op je werk meemaakt.’ 

Ze voelde zich niet gerust over de ontwikkelingen in Pagina 42. Sinds Jasmijn daar werkte, was ze hardhandig tegen de grond geduwd, waren er een paar inbraken geweest, was Marleen vastgebonden en bedreigd, en nu dit laatste akkefietje weer. Het enige goede dat eruit was gekomen, was dat ze nu eindelijk de lui te pakken hadden die hier achter zaten. Ze hoopte alleen dat er niet nog meer fanatiekelingen zich ermee gingen bemoeien.

‘Misschien was het iemand die zo maar wat stennis wilde maken’, zei Jasmijn.

‘Met dat twitter berichtje? Mmh, lijkt me een beetje sterk.’ 

Ze rolde het glas tussen haar handen, zette het toen terug op het tafeltje. 

‘Ik ben effies kwijt wat het was.’

‘Ze had het erover, of het een smakeloze grap was’, herinnerde Lotte haar eraan.

‘Wat denk je dat daarmee bedoeld wordt?’

‘Ik heb daar al vaker over gedacht. Het kan zijn dat het iemand uit Belletien’s verleden is en dat Belletien is overleden. Laten we eerlijk zijn: de naam Belletien is niet alledaags, en als je dan nog die achternaam eraan plakt... Misschien een familielid; misschien die Marjolein van jou.’

‘Ze zei er niets van over de telefoon.’

‘Nee, da’s waar. Vraag het haar toch maar wanneer je haar morgen spreekt.’

‘Doe ik.’ 

Ze staarden naar de lucht. De zon was achter de duinen geschoven en de avond begon in te vallen. Er waren geen vleermuisjes meer. Vroeger fladderden er vaak vleermuisjes rond, van die kleintjes die zo handig op te vouwen waren tussen dakgoot en muur in. Sinds de gemeente een paar jaar geleden de dakgoten had geschoond en opgekalefaterd, waren de vleermuizen gedoemd een ander onderkomen te vinden.

‘Als het familie is...’, begon Jasmijn, dacht na en schudde toen haar hoofd. ‘Nee, ik wil er niet aan denken.’

‘Misschien toch maar eens doen. Het is mogelijk, dat je een broer of zus hebt of, in het vreemdste geval, ouders.’ 

Met een blik opzij keek Lotte naar haar vrouw. Door de duisternis kon zij haar gezichtsuitdrukking nauwelijks lezen. 

‘Dat is goed nieuws, toch? Niet meer Remi te hoeven zijn?’ 

Haar vraag werd gevolgd door een lange stilte. Het geroezemoes vanaf het terras van het café aan de overkant bereikte hen. Binnen zette een band hun installatie in elkaar. Lotte hoopte dat het niet zo’n donderdagavond emo-achtig bandje was dat “Bridge over troubled water” verkrachtte om daarna Janis Ian toon voor toon na te spelen. Juist op het moment dat ze naar binnen wilde gaan om wat knabbels te halen, zei Jasmijn:

‘Ik weet niet of het goed nieuws is.’

‘Nee? Hoe dat zo?’

‘Zou ik werkelijk de mensen willen ontmoeten die ervoor gezorgd hebben dat ik via een pleeggezin in een instituut terecht kwam? Lui die mij nooit hebben bezocht of een teken van leven gaven? De enige persoon op deze aardbol die ik een beetje als familie beschouw, is Willem. Hij is mijn grote broer, de man die op zijn onhandige manier voor mij opkwam en altijd voor mij in de bres sprong. Ik heb in die jaren meer genegenheid van een vreemde gekregen dan van mensen die mogelijk mijn bloedverwanten zijn. Zij hadden de herrie in mijn hoofd kunnen stoppen voordat het een vast onderdeel van mijn leven werd. Nu is het te laat; voor familie is het nu te laat.’

‘Ik kan me dit goed voorstellen, hoewel ik me met geen mogelijkheid kan indenken hoe het er in jouw hoofd aan toe gaat. Zelfs wat voor leven jouw jonge jij achter de rug heeft, is voor mij onmogelijk om voor te stellen. Aan de andere kant bestaat natuurlijk de kans, dat jouw familie om een terechte reden jou nooit heeft bezocht, of geen contact met jou heeft opgenomen. Om maar een zijstraat te noemen: voor hetzelfde geld waren ze er geeneens van op de hoogte dat Belletien Quirijns van het ene moment op het andere Jasmijn Bendelof is geworden. Dat kan natuurlijk ook het geval zijn.’

‘Daar heb je gelijk in’, gaf Jasmijn toe. ‘Maar dan blijft nog de vraag over: waarom ben ik in eerste instantie überhaupt in een pleeggezin geplaatst?’

‘Daar heb ik geen antwoord op. Daarom is het ook zo belangrijk dat we die ene link op twitter vast te houden om te horen wat zij te zeggen heeft. Misschien wil ze jou wel ontmoeten.’

‘Ik weet niet of ik daar trek in heb.’ 

Lotte hoorde de koppige intonatie waarmee Jasmijn sprak.

‘Je hoeft daar nu ook nog niet over te denken, lief’, zei ze. ‘We hebben per slot van rekening geen haast. Met rustige stappen kom je ook bij het einddoel.’

 

45. 

     Halverwege de dag vertrok Jasmijn naar Utrecht. Ze voelde zich gespannen. Haar handen zaten strakker rond het stuur dan normaal. De laatste tijd waren veel over haar heen gekomen en was zij meer te weten gekomen over haar verleden. Maar ze wist ze niet zeker of dit dingen waren die zij had willen weten. 

Er was een reden waarom zij in Maaiborg terecht was gekomen, zoals er ook een reden was waarom zij de eerste twee jaar daar zwijgend had doorgebracht en de medicatie die haar onwil tot praten tot gevolg had. Er was begrip voor op te brengen: bipolair. Dat was een medische kreet die soms al te gemakkelijk aan iemand werd toegedicht. Dissociatieve stoornis, daarentegen, was nieuw voor haar. Inmiddels had zij hier veel over gelezen. De conclusie die zij uit de medische boeken trok, was dat haar hersens iets verdrongen zodat de rest van haar lichaam hiertegen werd beschermd. Bleef de vraag wat hetgeen was dat zij verdrong. Hierin kon de rit naar Utrecht en Marjolein meer inzicht geven. 

Ze parkeerde de auto in de buurt van het station. Het was warm. Haar bloes voelde klam aan en plakte tegen haar rug. Het los schuddend liep ze naar het stationsplein. 

De cafetaria was makkelijk te vinden. Ze liep naar binnen en werd omringd door zachte, nietszeggende muziek. Hoe Marjolein eruit zag, wist ze niet meer. Niet van vroeger, niet van die ene keer dat zij in de boekwinkel had gestaan. 

Marjolein zat aan een tafel niet ver van de deur vandaan. Door de opengeslagen ramen vloog lauwwarme lucht naar binnen. Voor haar stond een kop thee met een lepeltje erin. Ze groetten elkaar en Jasmijn ging tegenover haar zitten. Er hing een aarzeling tussen hen in. Geen van twee wist hoe zij moest beginnen. Toen Jasmijn bleef zwijgen en langs haar heen naar buiten keek, zei Marjolein uiteindelijk:

‘Het is warm, hè?’

‘Behoorlijk. Maar we mogen niet klagen. Heel de winter hebben we naar dit weer verlangd en nu het er is, moeten we er maar vrede mee hebben.’

‘Daar heb je gelijk in. Wil je iets drinken of eten?’

‘Eerst maar iets drinken.’ De serveerster kwam naar hun tafel. ‘Een groene thee, graag.’

‘Komt eraan. Nog iets te eten erbij?’

‘Later.’ 

Beiden keken de serveerster na en zaten stil tegenover elkaar. 

‘Het is toch gelukt elkaar eens te ontmoeten’, zei Jasmijn uiteindelijk.

‘Ja, ik was bang dat je misschien niet meer wilde, na die eerste keer. Je was zo afwijzend toen in de winkel.’

‘Dat was niet persoonlijk bedoeld, maar als ik met een naam ben grootgebracht en een wildvreemde...’ ze glimlachte om haar woorden te verzachten ‘...komt binnen en beweert dat ik anders heet... Dat is op z’n zachts gezegd verontrustend.’

‘Ben je er inmiddels van overtuigd, dat je Belletien bent?’, vroeg Marjolein bijna hoopvol.

‘Ehm...’ Jasmijn dacht na, schudde het hoofd heen en weer, om uiteindelijk te zeggen: ‘Laat ik het zo stellen: ik sta er minder afwijzend tegenover dan voorheen. Nogmaals, alles wat ik zeg en straks misschien zal zeggen, is niet persoonlijk bedoeld. Dus neem het mij niet kwalijk als ik soms sceptisch over kom.’

‘Ik zal daar rekening mee houden. Maar vertel eens wat van jezelf? Wie je bent’, ze vulde deze zin aan met een lachje. ‘Ik wil graag horen wat er met jou gebeurd is.’

‘Mijn leven’, begon Jasmijn, nam de kop thee in ontvangst en knikte naar de serveerster voordat ze vervolgde, ‘is begonnen op mijn dertiende, misschien veertiende levensjaar. Voor die periode weet ik niets. Het is voor mij een weggesloten deel waar mijn hersens niet bij kunnen. Ik heb twee jaar bij een pleeggezin doorgebracht...’ pleeggezin klonk altijd beter dan opvanggezin ‘...en ben daarna in een instituut terecht gekomen.’

‘Een instituut?’, vroeg Marjolein met een verbaasde blik. ‘Wat moet ik me daarbij voorstellen?’

‘Een instelling voor moeilijk opvoedbare kinderen is de beste omschrijving ervan. Daar ben ik tot mijn achttiende gebleven en ben toen de wijde wereld ingetrokken.’ Voor korte versies, was dit de kortste die zij zich kon bedenken. ‘Getrouwd en nu bij jou aan tafel. Jij?’

‘Zal ik bij de school beginnen?’

‘Nee, dat komt later wel. Laten we eerst kennis maken.’

‘Na de lagere school in Maarssen ben ik naar de middelbare school gegaan en van daaruit aan het werk. Cursussen gevolgd zodat ik niet eeuwig als “administratief medewerkster” bekend zou staan. Ik ben bij een makelaar terecht gekomen. Daar blijven werken totdat ik Ton tegenkwam. Drie kinderen en een parttime baan later zit ik aan dezelfde tafel als jij.’ 

Ze lachten naar elkaar, zich realiserend, dat de totale opsomming van hun beider levens niet meer dan dertig seconden in beslag had genomen. Marjolein blies het haar van haar ogen vandaan en zei: 

‘Veertig jaar zo samengevat komt wel heel erg saai over.’

‘De meeste levens zijn saai in de ogen van anderen. Het gaat erom dat je er zelf van geniet.’

‘Dat doe ik, hoor. Ik heb een lieve man en kinderen, geniet van de dingen die ik doe, dus je hoort mij niet klagen. Jij bent ook getrouwd, hoorde ik je net zeggen?’

‘Klopt.’

‘Leuke man?’

‘Vrouw.’

‘Sorry. Die achterhaalde aannames...’ Marjolein liet een kort lachje horen voordat ze vroeg: ‘Leuke vrouw?’

‘Zekers. Ze is schrijfster dus ik hoor altijd de meest wilde verhaallijnen.’

‘Heb ik iets van haar gelezen? Goh, wat klinkt dat dom.’ 

Ze lachten en Jasmijn wuifde haar woorden weg.

‘Lotte Davelaar’ zei ze. ‘Ze is redelijk bekend.’

‘Lotte Davelaar? Jeetje, natuurlijk ken ik haar. Mijn hemel: hoe is het mogelijk dat de hartsvriendin van mijn jeugd getrouwd is met de schrijfster die ik het liefst lees. Zonder te willen aandringen, maar wanneer komt er een nieuwe? Ik heb de laatste van Lotte in éen adem uitgelezen.’

‘September. Dus nog even wachten.’

‘Jeetje, Bel...’ 

Met een brede grijns keek Marjolein naar de vrouw tegenover haar. Het was een innemende grijns en Jasmijn kon het zich goed voorstellen, dat zij ooit eens vriendin waren geweest. Ze hield van vrouwen die geen blad voor de mond namen, die praatten zonder erbij na te denken, en altijd vergeven werden als zij iets kwetsend hadden gezegd. Dat soort vrouw was niet haar tegenpool, maar eerder een aanvulling op haar karakter. 

Op Marjolein’s vele vragen vertelde zij hoe Lotte en zij elkaar hadden ontmoet, hoe zij in de verhaalwereld van Lotte meespeelde en dat in elk boek wel een opmerking of handeling werd beschreven, die rechtstreeks uit hun eigen leven kwam.

‘Maar nu wil ik wat aan jou vragen’, zei ze snel tussendoor toen Marjolein weer de mond opende om meer over Lotte te weten te komen. ‘Hoe kwam je erbij, eeuwen geleden in de boekwinkel, dat ik Belletien was? Of ben?’

‘Je had nooit iemand anders kunnen zijn’, merkte ze op. ‘Mijn ouders wonen sinds twee jaar in Schagen en altijd als ik bij hen ben langs geweest, ga ik naar Alkmaar. Het is een leuke stad om te winkelen. Ik parkeer altijd in de garage om de hoek bij de winkel, weet je wel?: die met die krappe parkeerplaatsen...’ Jasmijn knikte ‘...en bij het langslopen viel mij ineens de boekwinkel op. Je kent dat wel: honderden keren langslopen en op een gegeven moment valt het pas op wat voor winkel het eigenlijk is. Ik kwam binnen, liep wat rond en zag jou zitten. Meteen kwam de naam Belletien Quirijns in mij op, hoewel ik jou pakweg veertig jaar niet meer heb gezien. Je kon gewoonweg niemand anders zijn. Het was jouw haar, jouw houding, en toen ik dat moedervlekje naast jouw oog zag zitten, wist ik dat jij het was. Ik moet zeggen, dat ik behoorlijk pissig was dat jij maar bleef ontkennen.’

‘Sorry daarvoor, maar je moet het ook van mijn kant bekijken.’

‘Natuurlijk, maar dat wist ik toen nog niet.’ De serveerster kwam om de lege kopjes weg te halen. ‘Wil jij iets eten?’

‘Ja, graag. Geef mij maar een kaaspannekoek en nog een thee’, zei Jasmijn tegen de serveerster.

‘Ik ook nog een thee en een broodje oude kaas.’ 

Zodra de serveerster weg was, dook Marjolein onder tafel om haar tas tevoorschijn te halen. 

‘Ik heb de afgelopen dagen allerlei oude fotoalbums opgediept’, zei ze, ‘om aan jou te laten zien. Misschien herken je jezelf erin.’ 

Ze legde een dik album op tafel en draaide het naar Jasmijn toen voordat ze zelf begon te bladeren. Ze stopte en wees naar een klassenfoto van de lagere school. 

‘Dit ben jij’, zei ze met een vinger op een donkerharig meisje die met de armen over elkaar op een houten bank zat, omringd door klasgenoten. ‘En ik sta schuin achter je.’

‘Uh-huh’, zei Jasmijn en tuurde naar de foto. Ze herkende zichzelf erin en toch ook weer niet. ‘Jij hebt nog steeds hetzelfde koppie haar’, merkte ze op.

‘Waarom perfectie veranderen?’, was de grinnikende reactie. ‘Blader maar verder; ik heb de fotos van jou en mij zoveel mogelijk bij elkaar gezet.’

‘Vertel eens over vroeger, over school’, zei Jasmijn, de fotos aandachtig bestuderend. ‘Over jou en mij.’

‘Weet je er helemaal niets van?’

‘Helaas.’ Ze wierp een snelle blik omhoog naar de vrouw tegenover haar. ‘Dissociatieve stoornis wordt dat genoemd.’

‘Pfffft, al die termen. Da’s knap waardeloos voor jou.’

‘Misschien. Misschien ook niet.’

‘Uhm, in welk geval kennen we elkaar van de kleuterschool. We speelden samen, in de zandbak natuurlijk....’

‘Natuurlijk.’

‘...en hoewel we niet bij elkaar in de buurt woonden, kwamen we veel bij elkaar over de vloer. Omdat je zo kwajongensachtig was als kind zijnde, mocht je van mijn moeder nooit op de bank zitten bij ons. M’n moeder is nog steeds zo: het liefst zou zij het plastic van een nieuwe bank er omheen laten zitten zodat de zittingen niet bezoedeld worden. Dat is haar precieze uitdrukking: bezoedeld. En ik kwam ook veel bij jou. Soms ging ik tussen de middag met jou mee naar jouw moeder en dan aten we een boterhammetje bij jou thuis.’

‘Mijn moeder?’ Jasmijn keek verbaasd op. 

Ze had er nooit bij stilgestaan dat zij ooit een moeder had gehad en dan nog eentje die zij zelf niet, maar die haar jeugdvriendin wel kende.

‘Verderop is nog een fotootje van haar.’ 

Marjolein bladerde door en bekeek de fotos ondersteboven totdat ze bij de juiste pagina was beland. 

‘Hier. Da’s jouw moeder en ik en jouw zusje.’ 

In de moeder herkende Jasmijn veel uiterlijke kenmerken van zichzelf. Haar zusje moest een paar jaar jonger zijn, want ze werd met éen arm om haar lichaam door haar moeder vastgehouden en keek naar iets dat in haar knuistjes zat. Ze richtte zich op en keek naar Marjolein.

‘Vind je het erg als ik hier een foto van maak?’, vroeg ze.

‘Nee, natuurlijk niet.’ 

De stem van Marjolein klonk als van verre. De herrie in Jasmijn’s hoofd was overdonderend en alsof ze op automatische piloot stond, maakte ze een foto en borg haar iPhone weer op.

‘Ik, eh, moet even naar het toilet’, zei ze toen en stond bijna stommelend op. 

Ze knikte op Marjolein’s vraag of het ging en verdween naar de wc. Daar deed ze haar broek open om te plassen, voelde toen gal naar haar mond stijgen en draaide bliksemsnel om in de pot over te geven. Ze zonk op haar knieën voor de pot neer en pakte een rits wc papier erbij om haar mond te deppen, er geen idee van hebbend waardoor deze heftige reactie was ontstaan. Toen er eenmaal zeker van was weer in orde te zijn, stond ze op, waste zich en keek in de bespikkelde spiegel boven de wastafel naar haar gezicht. Het zag er bleek uit. Ze nam een slokje water, gorgelde en spuugde het laatste etensrestje in de wasbak. Hierna snoot ze haar neus en ging terug naar de tafel. De pannekoek stond al op haar te wachten. Marjolein had het opengeslagen album naar de zijkant van de tafel geschoven.

‘Alles in orde?’, vroeg ze, met een bezorgde blik naar een bleke Jasmijn kijkend.

‘Gaat wel’, antwoordde ze knikkend en ging zitten. 

De geur van de pannekoek kwam haar tegemoet. Anders dat ze verwachtte na haar kotspartij, stond dit haar niet tegen. Ze goot er stroop overheen en sneed een driehoekje af. 

‘Kun je me nog meer van vroeger vertellen?’, vroeg ze toen.

‘Uhmm, even denken hoor... Ik zal vanaf de kleuterschool beginnen, althans wat ik er nog van weet. Het is door de jaren heen misschien gekleurd of samengeklonterd met de ervaringen die ik in de loop van de tijd heb meegemaakt.’

‘Het is beter dan niets.’

‘Dat is zo. In elk geval zijn we op de kleuterschool ferme vriendinnen geworden. Dat kwam doordat ik in de wc stond te huilen omdat een jongetje van de klas de wc was binnengekomen. De jongens wc was naast de onze. Ik was daar zo van streek van -je weet hoe dat gaat met kinderen. Toen kwam jij binnen en zei tegen de jongen, dat hij weg moest gaan. Dat deed hij niet en toen heb je hem een knal voor z’n harses verkocht.’

‘Werkelijk?’ 

Jasmijn schoot in de lach. Eveneens lachend, knikte Marjolein bevestigend. 

‘En wat gebeurde er verder?’

‘De juf kwam -ik weet begot niet meer hoe ze heette- en sleepte jou aan de arm mee het toilet af. En de jongen ook, geloof ik. En jij zei maar: “Hij zit op de meisjes wc, hij zit op de meisjes wc”. Hierna zijn we vriendin geworden en liepen we met de pinkies om elkaar heen over het schoolplein.’ 

Ze nam een hap van haar broodje en tuurde naar buiten, nadenkend, allerlei flarden van herinneringen door het hoofd gonzend. 

‘Het was zelfs zo’, vervolgde ze, ‘dat jij een enorme stennis maakte toen jouw moeder jou op de lagere school bij jullie in de buurt wilde zetten. Ik bleef namelijk bij het scholencomplex waar de kleuterschool was en jij wilde daar ook naartoe. Maar omdat je aan de overkant van het kanaal woonde, wilde je moeder dit aanvankelijk niet. Zij moest dat pokke end elke keer fietsen. Maar uiteindelijk is ze gezwicht en kwamen we bij elkaar in de klas. Jeeei! Dat was feest.’

‘Kun je me iets meer over m’n moeder vertellen?’ 

Hoewel er nog iets van scepticisme in haar was, moest zelfs Jasmijn erkennen, dat zij wel enorm veel leek op dat kind die overal grijnzend op de foto stond. Het kostte haar moeite om de vrouw die zij had gezien “moeder” te noemen; dat was iets dat zij naar haar weten haar hele leven nooit had gedaan. Zij had altijd het gevoel gehad als wees op de wereld te zijn gekomen.

‘Even kijken, hoor.’ Marjolein dacht na. ‘Als je kind bent, is de wereld zo beperkt, en mijn vriendschap met jou was mijn wereld. Maar jouw moeder... Ik zie haar rokend voor me, zittend in een kuipstoel die jouw vader had gemaakt. Die was een klusser, hoewel ik hem nooit iets heb zien doen. Maar misschien staat dat me ook niet meer bij. Jouw vader’, vervolgde ze, anticiperend wat Jasmijn wilde vragen toen zij haar mond opende, ‘is een schimmig iemand. Hij had een baard, dat weet ik wel, en een lichtblauwe poloshirt. Donkerblond haar. Ik was altijd een beetje bang van hem, waarschijnlijk vanwege die baard. Het was geen baard die tot zijn knieën hing, maar een beetje zoals de hipsters dat nu hebben. Alles rouleert en krijgt alleen een andere naam waardoor het nieuw lijkt. Jouw moeder had donker haar, net zoals jij. Jouw zusje had iets lichter gekleurd haar, dacht ik, maar die was nog zo jong, dus dat weet ik niet meer zeker.’ 

Ze stopte het laatste stukje van haar boterham naar binnen en kauwde zwijgend. Jasmijn wilde zovele vragen stellen maar bleef wachten en liet haar het verhaal afmaken. 

‘En dan was er natuurlijk Puffer, jouw hondje. Je had deze voor jouw achtste verjaardag gekregen. Zoals je ziet...’ ze zocht de foto erbij ‘...was het een spaniël. Jullie waren helemaal gek van elkaar. Overal waar jij naartoe ging, ging Puffer ook. En andersom. Volgens mij ergerde jouw vader zich er nogal aan, omdat je altijd lange wandelingen met hem maakte -met Puffer bedoel ik, niet met jouw vader’, vulde ze grinnikend aan, ‘en je dan te laat voor het eten thuis kwam. Maar verder... Sorry, het is zo moeilijk om na al die jaren details voor de geest te halen. Van het ene kom ik wel op het andere, maar in mijn vroege jeugd was alles dat telde mijn vriendschap met jou en de rest was onbelangrijk.’ 

Ze bladerde verder en lachte ineens. 

‘Hier, dat ben jij met jouw andere beste maatje: Louis... Gut, hoe heette dat ventje ook weer...’ 

Ze draaide het album naar Jasmijn, die een foto zag waarop zij een knulletje zag met een kuif, kleine kraalogen en een brede grijns waaruit een hoektand miste. 

‘Louis...’, mijmerde Marjolein verder, haalde de foto uit het album toen ze zag dat Jasmijn deze had gezien, en draaide deze om. ‘Lowietje Bijlsma.’

‘Lowietje Bijlsma’, herhaalde Jasmijn lijzig.

‘Je kent ‘m?’, vroeg ze hoopvol.

‘Geen idee’, zei ze nadenkend. ‘Lowietje Bijlsma... Ik zie in een flits water voor me, een strand, scheppen in het zand.’ 

Marjolein lachte blij en zei:

‘Dat klopt. Jij en ik zijn een keer met Lowietje en zijn ouders meegegaan naar de Loosdrechtse Plassen. Het was geen strand maar een kinderboerderij-achtig iets, waar we met ons drieën een kasteel in de zandbak hebben gemaakt. Het had geregend en het zand was mullig. Jij was zo in je element om daar te zijn; waren we alle drie eigenlijk wel. Ik geloof dat er nog een foto van is.’ 

Ze sloeg snel de paginas door, maar kon de bewuste foto niet vinden. 

‘Hè, jammer. Weet je wat: ik zal er thuis naar zoeken en dan naar jou doormailen.’

‘Heeft het gesmaakt, dames?’, vroeg de serveerster. Beiden knikten en mompelden de nodige complimenten. ‘Kan ik nog iets voor jullie betekenen?’

‘Zullen we een wijntje nemen?’, vroeg Marjolein met een blik naar Jasmijn.

‘Prima. Wit, graag’

‘Een fles huiswit en twee glazen.’

‘Komt voor elkaar.’ 

De serveerster nam de borden en het bestek mee en verdween. Marjolein ging naar het toilet. Jasmijn keek uit het raam naar de voorbij wandelende mensen en realiseerde zich, dat zij van het ene op het andere moment een verleden had gekregen. Weliswaar schimmig, maar met meer contour dan voorheen. Ze dacht aan haar dagmerries, aan de hond rennend op de grote zandvlakte. Dat moest Puffer zijn. Ze kon zich de hond niet goed herinneren, maar als zij deze op haar achtste verjaardag had gekregen, zoals Marjolein zei, en zij op haar achtste bij het opvanggezin terecht was gekomen, was er weinig tijd overgebleven om een vormend beeld van Puffer in haar geheugen te krijgen. 

Marjolein kwam tegelijk met de fles wijn bij de tafel aan en ging naast haar zitten. Met het album voor hen op het tafelblad vertelde ze bij elke foto het bijpassende verhaal waardoor het zwarte gat bij Jasmijn na deze middag een stuk lichter werd.

 

46. 

     ‘Dus Belletien was eigenlijk Belinda?’, vroeg Lotte.

‘Klopt. Belletien was een verbastering daarvan. Het scheen, dat ik van Belinda Belta maakte waardoor het al gauw Belletien werd.’

‘Dus je bent er inmiddels van overtuigd dat jij Belletien bent?’

‘Het bewijs dat Marjolein aandroeg, was behoorlijk doorslaggevend.’ 

Ze zaten op het balkon. De dagjesmensen waren lang geleden naar huis vertrokken en de hondenuitlaters en de dorpsgenoten hadden het strand heroverd.

Jasmijn was die middag na anderhalf glas wijn naar huis vertrokken. Marjolein had de rest van de fles leeggemaakt met de mededeling dat ze toch met de bus was, dus geen probleem. Ze hadden bij het busstation afscheid genomen en elkaar wat onhandig omhelst. Jasmijn had haar iPhone gevuld met fotos en hoewel Marjolein zei dat ze het album kon meenemen, had zij hier voor bedankt. Ze wist niet of zij elkaar ooit weer zouden ontmoeten. Ze hadden elkaar veertig jaar niet meer gezien en na deze middag resteerde er weinig meer om over te praten.

Ze was met de auto de weg opgedraaid. Eenmaal in het verkeer op weg naar huis bedacht zich en ging richting Maarssen. Ze stopte op een parkeerplaats en toetste de naam van de straat in waar zij volgens Marjolein vroeger had gewoond. Het kanaal over, want zij moest de kant van de Westkanaaldijk hebben, de flats bij het winkelcentrum Bisonspoor. In een langzaam drafje reed ze rond het winkelcentrum. Er was niets dat haar herinnering prikkelde; niets kwam haar bekend voorkwam. Voor haar was dit deel van deze vreemde stad zoals elk ander winkelcentrum dat jarenlang in weer en wind had gestaan en tussentijds statisch was opgevrolijkt. 

Ze dacht erover verder de wijk in te gaan, maar ging in plaats daarvan de A2 op en door naar de plek die zij thuis noemde.

‘Weet je...’, Ze pakte haar iPad erbij. De fotos waren inmiddels in de stream terecht gekomen. ‘Deze knul -die zegt jou niets, logisch...’

‘Die knul niet, maar jij zit naast hem.’

‘Klopt. Marjolein liet deze foto zien en noemde de naam Louis. En uit het niets schoot er bij een paar beelden binnen.’

‘Meen je dat nou?’, vroeg Lotte verrast. ‘Je bedoelt beelden die met die knul te maken hadden?’

‘Uh-huh. Ineens zag ik voor me, dat ik op een strand was -wat een grote zandbak bleek te zijn, zei Marjolein- samen met haar en Louis.’

‘En herinner je je nog meer?’, vroeg Lotte voorzichtig om Jasmijn niet uit haar herinneringen te trekken.

‘Niet éen-twee-drie.’

‘Jammer.’ 

Ze zette haar hand plat tegen de bovenkant van het scherm om het laatste zonlicht van het beeld af te houden. 

‘En wie zijn dat?’, vroeg ze toen Jasmijn twee fotos verder stopte. 

Ze zag de twee meisjes, die ze als Belletien en Marjolein herkende, en een vrouw met een peuter tussen haar hand en borsten geklemd.

‘Dat is de moeder van Belletien’, zei Jasmijn. ‘Mijn moeder, dus. En zusje.’

Lotte keek zwijgend naar de gezichten voordat ze concludeerde:

‘Jij en jouw moeder hebben wel veel van elkaar weg. Hoe is het mogelijk. Zo heb je geen verleden om op het volgende moment onderdeel van een gezin uit te maken. Hoe heet jouw zusje?’

‘Marjolein kon zich de naam niet precies herinneren, maar dacht dat het iets in de geest van Gloria was. Dat is het enige dat haar van die kleine is bijgebleven.’

‘En was er ook een vader?’

‘Die was er zeker. Helaas geen foto van, maar denk hipster in een lichtblauwe polo en je ziet hem voor je.’ 

Lotte grinnikte om deze vergelijking. Ze plaatste haar voeten tegen de reling en pakte haar glas van het tafeltje. Zwijgend zaten ze naast elkaar. Jasmijn had het nodige te verwerken en Lotte overdacht wat de volgende plan van aanpak zou kunnen zijn.

‘Weet je wat je zou kunnen doen’, zei ze uiteindelijk, ‘mocht je tenminste nog verder willen duiken in jouw verleden...’

‘Denk ’t inmiddels wel.’

‘...dan zou je jouw geboorteakte kunnen opvragen. Je weet nu bij welke gemeente je moet zijn en het kan allemaal online gedaan worden, zodat je niet heen en weer hoeft te rijden.’

‘Okee.’

‘Op die manier krijg je meteen de gegevens van de ouders erbij.’

‘Ik zal er over denken.’

‘Anders doe ik het wel voor je.’ Ze keek opzij en deed haar glas omhoog als in een toost. ‘Hee, Jas: op jouw verleden.’ 

De glazen tikten tegen elkaar aan. Ze nam een grote slok waarvan ze met een uitgestrekte “aaah” genoot en zette het glas terug. Beneden aan de overkant liepen een man en vrouw langs het muurtje naar de strandopgang. 

‘Ik blijf erbij dat het een nicht is’, merkte ze op. 

Jasmijn schudde louter het hoofd.